Hart- en vaatziekten in Nederland 2013

Comments

Transcription

Hart- en vaatziekten in Nederland 2013
Cijfers over leefstijl,
risicofactoren,
ziekte en sterfte
Hart- en vaatziekten
in Nederland 2013
December 2013
Inhoudsopgave
Voorwoord
3
Samenstelling van de ‘Werkgroep Cijfers’
5
1.
Hart- en vaatziekten in Nederland: cijfers over sterfte en ziekenhuisopnamen
7
2.
1. Openhartoperaties en percutane coronaire interventies in Nederland
27
2. Trends en uitkomsten coronairchirurgie in Nederland
31
3. Trends en uitkomsten hartklepchirurgie in Nederland
45
3.
Trends in het gebruik van cardiovasculaire medicatie ter preventie en behandeling van
hart- en vaatziekten in Nederland, 1998-2010
63
4.
Prevalentie en toekomstprojectie op het ontwikkelen van boezemfibrilleren in Nederland
77
5.
Risico op kanker bij patiënten met hart- en vaatziekten
83
6.
1. Prevalentie en trends van roken, voeding en bewegen in de Nederlandse bevolking
91
7.
2. Prevalentie en trends in diabetes mellitus
115
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in de provincie Utrecht- vergelijkende resultaten
UTOPIA onderzoek tussen 2009 en 2012
125
Bijlagen
A
Beschrijving van de tien ziektecategorieën binnen de hart- en vaatziekten
137
B
Doodsoorzaken en ziekenhuisopnamen in Nederland: bronnen en classificatie
142
C
Hart- en vaatziekten in Nederland: methoden en definities
145
D
Aanvulling hoofdstuk 1: ziekte en sterfte aan ischemische hartziekten,
hartfalen en perifeer vaatlijden
147
E
Aanvulling hoofdstuk 1: trends in sterfte aan hart- en vaatziekten 1970-2012
151
Hart- en vaatziekten in
Nederland, 2013
Cijfers over leefstijl, risicofactoren, ziekte en sterfte
Gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek en Dutch Hospital Data
gepubliceerd onder redactie van de ‘Werkgroep Cijfers’ van de Hartstichting.
Samenstelling (in alfabetische volgorde):
Prof. dr. M.L. Bots, arts-epidemioloog1
Dr. I. van Dis, epidemioloog2
C. Koopman, MSc, gezondheidswetenschapper1,2
Dr. I. Vaartjes, epidemioloog1,2
Prof. dr. F.L.J. Visseren, internist-vasculaire geneeskundige3
Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde,
1
Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
2
Hartstichting, Den Haag
3
Afdeling Vasculaire Geneeskunde, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
Gegevens en figuren uit dit rapport mogen met bronvermelding worden
overgenomen. De juiste verwijzing luidt: Auteurs hoofdstuk, titel hoofdstuk.
In: Vaartjes I, Koopman C, van Dis I, Visseren FLJ, Bots ML. Hart- en
vaatziekten in Nederland 2013, cijfers over leefstijl, risicofactoren, ziekte en
sterfte. Den Haag: Hartstichting, 2013.
Den Haag, november 2013
2
Voorwoord
Voor de negentiende maal biedt de Hartstichting u een boek aan met cijfers
over leefstijl, risicofactoren, ziekte en sterfte aan hart- en vaatziekten (HVZ).
Volgend jaar bestaat de Hartstichting 50 jaar. In aanloop naar dit jubileumjaar
worden van verschillende onderwerpen trends in de tijd gepresenteerd.
Vanaf het jaar met de hoogste sterfte 1972 daalt de sterfte aan hart- en vaatziekten
gestaag. Deze daling lijkt de laatste jaren af te vlakken (hoofdstuk 1; bijlage E).
Deze afvlakking treedt op bij mannen en vrouwen en in alle leeftijdsklassen.
De grootste dalingen in de afgelopen decennia komen op conto van coronaire
hartziekten (waaronder hartinfarct). In 2012 overleden 39.048 personen aan HVZ.
Vanaf begin jaren tachtig stijgt het aantal dotterbehandelingen en het plaatsen
van stents (PCI’s) aanmerkelijk sterker dan het aantal open hartoperaties
(hoofdstuk 2.1). Het aantal geïsoleerde bypassoperaties in de periode 1995
– 2010 (hoofdstuk 2.2) nam licht af, van ca. 9.200 naar 8.400, terwijl in die
periode het aantal klepoperaties bijna verdubbelde van ca. 2.400 naar 5.700
(hoofdstuk 2.3). De gemiddelde leeftijd van geopereerde patiënten nam in
diezelfde periode toe met 3-4 jaar.
In hoofdstuk 3 worden de trends in gebruik van cardiovasculaire
medicatie beschreven voor primaire en secundaire preventie, en tijdens
een ziekenhuisopname. Het gebruik van antistollingsmiddelen,
cholesterolverlagende middelen, beta-blokkers en andere bloeddrukverlagende medicatie is het hoogste tijdens ziekenhuisopname (74-96%),
terwijl 3 jaar na ontslag 50-65% van de patiënten deze medicijnen nog
gebruikt. Het gebruik van cholesterolverlagende medicatie tijdens een
ziekenhuisopname nam het sterkste toe, van 25% in 1998 naar 85% in 2010.
Ca. 7-9% van de mannen en vrouwen boven de 55 jaar heeft last van
boezemfibrilleren. Door de vergrijzing van de bevolking zal het aantal
patiënten met boezemfibrilleren in de komende 50 jaar verdubbelen, van
260.000 in 2010 naar 550.000 in 2060 (hoofdstuk 4).
Hebben patiënten met HVZ een verhoogd risico op kanker? Het bleek dat
van deze groep de mannen een 13% en vrouwen een 48% hogere incidentie
van kanker hadden t.o.v. de algemene bevolking met een zelfde leeftijd- en
geslachtsverdeling (hoofdstuk 5). Roken was de belangrijkste risicofactor voor
kanker bij patiënten met HVZ, terwijl abdominaal overgewicht het risico op
borstkanker bij vrouwen verhoogde.
3
Voorwoord
Het percentage rokers onder de mannen is gedaald van ca. 80% beginjaren
zestig naar 26% in 2012 en onder vrouwen van ca. 40% naar 26% (hoofdstuk
6.1). De daling onder mannen en vrouwen lijkt de laatste jaren te stagneren.
Minder dan 10% van de volwassenen eet de dagelijks aanbevolen hoeveelheid
fruit of groente. Sinds eind jaren tachtig is de consumptie van groenten en
fruit gedaald, maar de daling lijkt de laatste jaren minder sterk. De inname van
verzadigd vet blijft hoog en is nauwelijks veranderd in de laatste 10 jaar.
Het aantal personen dat voldoende beweegt is de laatste 10 jaar gestegen van
52 naar 58%. In 2011 is bij 834.000 mensen diabetes vastgesteld (hoofdstuk 6.2).
In de provincie Utrecht reanimeerden omstanders/politie/brandweer zo’n 400
personen per jaar (hoofdstuk 7). Bij ruim 1 op de 3 slachtoffers werd in 2012
een AED aangesloten. Drie jaar eerder was dit 1 op de 8. In 2009 bedroeg de
overleving na 3 maanden 20%, en in 2012 is dit 24%. De gevonden percentages
zijn vergelijkbaar met die in Noord-Holland waarvan de cijfers vorig jaar
gepubliceerd werden. De Utrechtse gegevens vormen een welkome aanvulling
voor Nederland en kunnen verder onderzoek naar verbetering van de
overleving bij een plotse hartstilstand buiten het ziekenhuis richting geven.
Deze editie van het Cijferboek is tot stand gekomen dankzij de medewerking
en/of bijdrage van een groot aantal onderzoekers onder redactionele
verantwoordelijkheid van de Werkgroep Cijfers van de Hartstichting. Graag
danken wij alle auteurs voor hun bijdragen aan deze editie van het Cijferboek.
Tevens gaat onze dank uit naar het Centraal Bureau voor de Statistiek en Dutch
Hospital Data voor levering van de cijfers over de doodsoorzaken statistieken
en ziekenhuisopnamen.
Wij hopen met het presenteren van de cijfers over hart- en vaatziekten in
Nederland een bijdrage te kunnen leveren aan een onderbouwing van het
beleid, preventie en behandeling van hart- en vaatziekten. Mocht u vragen
hebben, dan kunt u contact opnemen met de secretaris van de Werkgroep
Cijfers, mw. dr. I. van Dis ([email protected]).
Namens de Werkgroep Cijfers,
Prof. dr. F.L.J. Visseren,
internist-vasculaire geneeskundige,
UMC Utrecht
Voorzitter
4
Voorwoord
mw. dr. I. van Dis,
epidemioloog,
Hartstichting
Secretaris
Samenstelling van de
Werkgroep Cijfers van
de Hartstichting
Prof. dr. F.L.J. Visseren, voorzitter (Afdeling Vasculaire Geneeskunde, UMCU,
Utrecht)
Mevr. dr. I. van Dis, secretaris (Hartstichting, Den Haag)
Prof. dr. M.L. Bots (Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en
Eerstelijnsgeneeskunde, UMCU, Utrecht)
Mevr. ir. A. de Bruin (Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag)
Mevr. drs. B. Casteren (Huisarts, kaderarts hart- en vaatziekten, Venray;
tot september 2013)
Prof. dr. D.W.J. Dippel (Afdeling Neurologie, ErasmusMC, Rotterdam; tot
september 2013)
Dr. J. Deckers (Thoraxcentrum, ErasmusMC, Rotterdam)
Prof. dr. H. Hillege (Afdeling Epidemiologie, UMCG, Groningen)
Dr. A.H. Liem (Afdeling Cardiologie, Oosterscheldeziekenhuizen, Goes)
Dr. F.L. van Lenthe (Afdeling Public Health, ErasmusMC, Rotterdam)
Prof. dr. J.A. Rauwerda (Afdeling Heelkunde, VUMC, Amsterdam)
Dr. J.B. Reitsma (Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en
Eerstelijnsgeneeskunde, UMCU, Utrecht)
Mevr. dr. M.C.M. Senten (Onderzoekers, Professionals & Bestuurders,
Hartstichting, Den Haag)
Prof. dr. Y. Smulders (Afdeling Interne Geneeskunde, VUMC, Amsterdam)
Mevr. dr. ir. W.M.M. Verschuren (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
Milieu, Centrum voor Preventie- en Zorgonderzoek, Bilthoven)
Dr. R. Wimmers (Team Kennis & Trends, Hartstichting ; vanaf september
2013)
Prof. dr. A. Vonk Noordegraaf (Afdeling Longziekten, VUMC, Amsterdam;
tot september 2013)
Wetenschappelijke medewerkers
Mevr. C. Koopman, MSc (Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijnsgeneeskunde, UMCU, Utrecht)
Mevr. dr. I. Vaartjes (Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en
Eerstelijnsgeneeskunde, UMCU, Utrecht)
5
6
1 Hart- en vaatziekten in Nederland
I. Vaartjes1,2, C. Koopman1,2, I. van Dis1, F.L.J. Visseren3, M.L. Bots2
1
Hartstichting, Den Haag
2
Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde,
Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
3
Afdeling Vasculaire Geneeskunde, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
1.1 Sterfte
In Nederland overleden in 2012 meer vrouwen dan mannen aan de gevolgen
van een hart- of vaatziekte (tabel 1.1), namelijk 20.733 vrouwen en 18.315
mannen. Dit betekent dat gemiddeld 57 vrouwen en 50 mannen per dag
aan hart- en vaatziekten overlijden. Het aandeel van de hart- en vaatziekten
in de totale sterfte was daarmee 28% voor vrouwen en 27% voor mannen.
Naarmate de leeftijd toeneemt, neemt ook het aantal personen dat aan hart- en
vaatziekten sterft toe (tabel 1.2). Aangezien vrouwen gemiddeld ouder worden
dan mannen is dit een belangrijke verklaring waarom meer vrouwen dan
mannen overlijden aan de gevolgen van hart- en vaatziekten.
Tabel 1.1Doodsoorzaken in Nederland in 2012. Absolute aantallen, percentages en gemiddelde leeftijd
van overlijden
Bron CBS
MannenVrouwen
Doodsoorzaak1
Hart- en vaatziekten
Totaal
Gem.Gem.Gem.
N% Lft.
N%Lft.
N%Lft.
18.31527 7720.73328 8439.04828 81
Kwaadaardige nieuwvormingen
23.54335 7219.83427 7243.37731 72
Ziekten van ademhalingsorganen
7.38011 80 7.09710 8214.47710 81
Uitwendige oorzaken van letsel
en vergiftiging
3.3895 612.9444766.333468
Overige doodsoorzaken
15.28023 7522.29831 8337.57827 80
Alle doodsoorzaken
67.907
100*
1
75 72.906100
80140.813100
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
*als gevolg van afronding telt het totaal niet precies tot 100% op.
7
Hart- en vaatziekten in Nederland
77
Onder vrouwen zijn hart- en vaatziekten nog steeds de meest voorkomende
oorzaak van sterfte. Bij vrouwen jonger dan 75 jaar zijn kwaadaardige
nieuwvormingen de meest voorkomende oorzaak van sterfte. Voor alle
mannen zijn kwaadaardige nieuwvormingen de meest voorkomende oorzaak
van sterfte. Maar bij mannen ouder dan 85 jaar vormen hart- en vaatziekten de
meest voorkomende oorzaak van sterfte. Het aandeel van hart- en vaatziekten
in de totale sterfte bij vrouwen neemt toe met de leeftijd: van 13% tot 55 jaar,
naar 25% tussen de 55 en 85 jaar, tot 35% bij de leeftijd van 85 jaar en ouder. Bij
mannen is het aandeel van hart- en vaatziekten in de totale sterfte 18% tot
55 jaar, 26% tussen de 55 en 85 jaar, en 32% bij 85 jaar en ouder.
Tabel 1.2 Doodsoorzaken in Nederland in 2012, absolute aantallen naar geslacht en leeftijd
Bron CBS
MannenVrouwen
Leeftijd (in jaren)
Doodsoorzaak1
Leeftijd (in jaren)
0-54
55-6465-7475-84 85+ 0-5455-6465-7475-84 85+
Hart- en vaatziekten 1.0861.7803.5566.5035.390 560 8451.9145.907
11.507
Kwaadaardige
nieuwvormingen
1.7803.9767.0337.5573.1972.1713.5014.9015.4463.815
Ziekten van
ademhalingsorganen
154 4191.2102.8622.735 171 397 9022.1623.465
Uitwendige oorzaken
van letsel en vergiftiging
1.391424343583648542202227608
1.365
Overige doodsoorzaken
1.5821.5642.5864.7374.8111.009 9271.7815.717
12.864
Alle doodsoorzaken
1
5.993 8.16314.72822.24216.781 4.453 5.872 9.72519.84033.016
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
Sterfte binnen de hart- en vaatziekten
In tabel 1.3 is de sterfte binnen de groep hart- en vaatziekten in 2012
uitgesplitst in tien ziektecategorieën. Voor zowel mannen als vrouwen wordt
het grootste deel van de sterfte binnen de groep hart- en vaatziekten
veroorzaakt door de ischemische hartziekten en beroertes. Samen zijn deze
twee ziektebeelden verantwoordelijk voor 44% van de sterfte binnen hart- en
vaatziekten bij vrouwen en voor 49% bij mannen. Naast de ischemische
hartziekten en beroertes (waaronder herseninfarct en hersenbloedingen) levert
de categorie overige hartziekten een belangrijke bijdrage aan de sterfte binnen
hart- en vaatziekten. Hieronder valt onder andere sterfte aan hartfalen en
8
Hart- en vaatziekten in Nederland
ritmestoornissen, waaronder boezemfibrilleren. Er overlijden meer mannen
dan vrouwen aan de gevolgen van ischemische hartziekten, waaronder het
acute hartinfarct. Er overlijden meer vrouwen dan mannen aan de gevolgen
van een beroerte (figuur 1.1).
Tabel 1.3Doodsoorzaken binnen de hart- en vaatziekten in Nederland in 2012, absolute aantallen
(en %) per ziektecategorie naar geslacht
Bron CBS
MannenVrouwen
Doodsoorzaak1
N %
Ischemische hartziekten
waarvan acuut hartinfarct
Beroertes
5.691
31
N%
4.029
Totaal
N %
19
9.720
25
3.5142.681 6.195
3.302 18 5.22225
8.52422
waarvan herseninfarct 2.1163.663 5.779
waarvan subarachnoïdale bloeding
141
277
418
waarvan intracerebrale bloeding
671
871
1.542
Aangeboren hartafwijkingen
64
<1
46
<1
110
<1
Reumatische hartziekten en klepgebreken
698
4
1.023
5
1.721
4
Infectieuze hartziekten
331
2
435
2
766
2
5.778
32
7.543
36
13.321
34
Overige hartziekten
waarvan hartfalen
waarvan boezemfibrilleren
Arterieel vaatlijden
waarvan AAA met ruptuur
waarvan AAA zonder ruptuur
Atherosclerose en/of hypertensie
2.6254.136 6.761
538
1.067
6
939
1.477
714
1.781
3
275 102
213
106
5
377
319
1.023
6
1.227
6
2.250
6
40
<1
53
<1
93
<1
Overige ziekten van het vaatstelsel en de lymfewegen
321
2
441
2
762
2
122
139
261
Veneus vaatlijden
waarvan claudicatio intermittens
Totaal
1 Voor
18.315 100 20.733100
39.048100
de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
AAA: Abdominaal aorta aneurysma
9
Hart- en vaatziekten in Nederland
Figuur 1.1Aantal sterfgevallen aan hart- en vaatziekten naar ziektebeeld en geslacht in
Nederland in 2012
Bron CBS
18.315
20.733
25.000
20.000
8.874
15.000
4.136
2.625
5.222
3.302
2.681
5.000
3.514
10.000
8.694
Aantal sterfgevallen
0
Acuut
hartinfarct
Beroertes
Mannen
Hartfalen
Rest hart- en
vaatziekten
Hart- en
vaatziekten totaal
Vrouwen
In de leeftijdsklassen tot 85 jaar overlijden minder vrouwen dan mannen aan
hart- en vaatziekten, terwijl in de leeftijdsklassen boven 85 jaar in absolute
aantallen meer vrouwen overlijden (figuur 1.2). Van alle vrouwen sterft 93%
boven de 65 jaar. Bij mannen is dit 84%. De gemiddelde leeftijd van overlijden
aan hart- en vaatziekten is 77 jaar bij mannen en 84 jaar bij vrouwen. Bij acuut
hartinfarct is de gemiddelde leeftijd van overlijden lager, 74 jaar bij mannen
en 81 jaar bij vrouwen. Bij beroerte daarentegen is de gemiddelde leeftijd van
overlijden 79 jaar bij mannen en 83 jaar bij vrouwen.
Figuur 1.2Aantal sterfgevallen aan hart- en vaatziekten naar leeftijd en geslacht in Nederland in 2012
Bron CBS
9.667
12.000
3.556
6.000
4.935
6.503
8.000
5.907
10.000
1.840
455
845
745
2.000
376
1.780
1.914
4.000
341
Aantal sterfgevallen
184
0
0-44
45-54
55-64
65-74
75-84
85-94
95+
Leeftijd (jaren)
Mannen
10
Vrouwen
Hart- en vaatziekten in Nederland
Een belangrijke verklaring voor het hogere absolute aantal sterfgevallen aan
hart- en vaatziekten bij vrouwen vergeleken met mannen is het grotere aantal
vrouwen in de Nederlandse bevolking in de oudere leeftijdsgroepen. Tabel
1.4 toont daarom voor acuut hartinfarct, beroerte en het totaal van hart- en
vaatziekten ook het aantal sterfgevallen uitgedrukt per 100.000 inwonende
mannen, respectievelijk vrouwen. In alle leeftijdsklassen is het sterfterisico
per 100.000 inwoners in 2012 hoger bij mannen dan vrouwen, betreffende de
doodsoorzaken acuut hartinfarct en het totaal aan hart- en vaatziekten. Voor
beroerte echter, geldt dit slechts tot de leeftijd van 85 jaar. Boven de 85 jaar
overlijden per 100.000 personen meer vrouwen dan mannen aan een beroerte.
Dus ook na correctie voor verschillen in de leeftijdsopbouw met mannen
overlijden boven de leeftijd van 85 jaar meer vrouwen aan een beroerte.
11
Hart- en vaatziekten in Nederland
Tabel 1.4Aantal sterfgevallen en sterfte per 100.000 personen aan hart- en vaatziekten, waaronder
hartinfarct en beroerte, in Nederland in 2012 naar leeftijd en geslacht
Bron CBS
MannenVrouwen
Doodsoorzaak1
Leeftijd
Aantal
(in jaren)overledenen
Acuut hartinfarct
Sterfte per
Aantal
Sterfte per
100.000overledenen
100.000
0-4483 2260,6
45-54
2431956 4
55-64524 48170 16
65-74828108344 43
75-84
1.114298825162
85-94673729
1.060506
95+
491.424 2001.246
Totaal3.514
Beroerte
422.681
32
0-44400,9360,8
45-54110
9116
9
55-64262 24202 19
65-74575 75476 59
75-841.294 3461.572 309
85-94 9341.0112.4241.158
95+
872.529 3962.468
Totaal3.302
Totaal hart- en vaatziekten
0-44
341
405.222
8
62
184
4
45-54745 59376 30
55-64
1.780164845 78
65-743.556 4651.914 239
75-846.5031.7395.9071.161
85-944.9355.3439.6674.618
95+
1
45513.225 1.84011.467
Totaal18.315
22120.733
245
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
N.B. Cijfers over ischemische hartziekten, hartfalen en perifeer vaatlijden staan vermeld in bijlage D
1.2 Trends in sterfte
Het totale aantal personen dat jaarlijks overlijdt, is toegenomen in de periode
1980-2012. In 1980 overleden 63.301 mannen en 50.978 vrouwen, terwijl in
2012 67.907 mannen en 72.906 vrouwen overleden. Gedurende deze periode
12
Hart- en vaatziekten in Nederland
is het absolute aantal doden aan kwaadaardige nieuwvormingen (kanker),
ziekten van de ademhalingsorganen, en overige doodsoorzaken bij zowel
mannen als vrouwen toegenomen, terwijl het absolute aantal doden aan
hart- en vaatziekten is afgenomen (figuur 1.3). Het absolute aantal doden
aan uitwendige oorzaken van letsel en vergiftiging is licht toegenomen bij
vrouwen en licht afgenomen bij mannen.
Figuur 1.3Trends in absolute sterfte aan hart- en vaatziekten, kwaadaardige nieuwvormingen
(kanker), ziekten van de ademhalingsorganen, uitwendige oorzaken van letsel en
vergiftiging en overige doodsoorzaken. Periode 1980-2012
Bron CBS
Aantal sterfgevallen
Mannen
80.000
70.000
60.000
50.000
40.000
30.000
20.000
10.000
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
1980
0
Jaar
80.000
70.000
60.000
50.000
40.000
30.000
20.000
10.000
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
0
1980
Aantal sterfgevallen
Vrouwen
Jaar
13
Hart- en Vaatziekten
Uitwendige oorzaken
van letsel en vergiftiging
Kwaadaardige
nieuwvormingen
Ziekten van de
ademhalingsorganen
Overige doodsoorzaken
Totaal
Hart- en vaatziekten in Nederland
Tabel 1.5 geeft het absolute aantal sterfgevallen aan hart- en vaatziekten,
acuut hartinfarct en beroerte in de periode 1980-2012. Bij mannen is het bruto
sterftecijfer voor hart- en vaatziekten met 44% gedaald (van 395 per 100.000
in 1980 naar 221 per 100.000 in 2012). Bij vrouwen was dit 28% (van 338 per
100.000 in 1980 naar 245 per 100.000 in 2012).
Tabel 1.5Absolute aantallen sterfgevallen (per 100.000 inwoners) aan hart- en vaatziekten, acuut
hartinfarct en beroerte in de periode 1980-20121
Bron CBS
Acuut Beroerte
Totaal Hart- en hartinfarct
vaatziekten
Jaartal MannenVrouwen MannenVrouwen MannenVrouwen
1980
12.634 (180)
7.718 (108)
5.303 (75)
6.737 (95) 27.742 (395) 24.112 (338)
1985
12.486 (174)
8.082 (110)
4.893 (68)
6.866 (94) 28.744 (401) 26.300 (359)
1990
10.002 (135)
7.300 (97)
4.931 (67)
7.461 (99) 26.217 (354) 26.087 (354)
1995
8.888 (116)
6.800 (87)
4.781 (62)
7.628 (97) 25.780 (337) 26.945 (344)
2000
7.291 (93)
5.668 (70)
4.730 (60)
7.545 (94) 23.953 (304) 25.999 (304)
2005
5.361 (66)
4.141 (50)
4.064 (51)
6.365 (77) 21.110 (262) 23.009 (279)
2010
3.840 (47)
2.983 (36)
3.488 (42)
5.425 (65) 18.581 (226) 21.154 (252)
2012
3.514 (42)
2.681 (32)
3.302 (40)
5.222 (62) 18.315 (221) 20.733 (245)
1
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
N.B. Cijfers over ischemische hartziekten, hartfalen en perifeer vaatlijden staan vermeld in bijlage D
Het verschil in daling tussen mannen en vrouwen wordt kleiner als de
sterftecijfers gecorrigeerd worden voor veranderingen in de leeftijdsopbouw
van de bevolking (tabel 1.6): 64% daling bij mannen (van 622 per 100.000 in
1980 naar 221 per 100.000 in 2012) en 56% daling bij vrouwen (van 557 per
100.000 in 1980 naar 245 per 100.000 in 2012). De sterkste procentuele daling
in het gecorrigeerde sterftecijfer tussen 1980 en 2012 wordt gezien in de
leeftijdsgroep van 55-64 jaar bij mannen (76%), en de leeftijdsgroep van 65-74
jaar bij vrouwen (72%). Bij mannen en vrouwen van 85 jaar en ouder daalde het
gecorrigeerde sterftecijfer tussen 1980 en 2012 met 43%. Hoewel de relatieve
daling onder personen ouder dan 85 jaar het kleinst is, is de absolute daling in
sterfterisico het grootst in deze oudste leeftijdscategorie.
14
Hart- en vaatziekten in Nederland
In de laatste jaren lijkt de daling aan hart- en vaatziekten af te vlakken. Deze
afvlakking is waarneembaar bij mannen en vrouwen in alle leeftijdsklassen
(tabel 1.6) en kan mogelijk het gevolg zijn ongunstige trends van risicofactoren
voor hart- en vaatziekten zoals de toename van overgewicht.
Tabel 1.6Voor veranderingen in leeftijdsopbouw gecorrigeerd sterftecijfer (per 100.000 inwoners) aan
hart- en vaatziekten in de periode 1980-2012 in Nederland, naar leeftijd en geslacht. Jaar van
standaardisatie is 2012
Bron CBS
MannenVrouwen
Leeftijd (in jaren)
Jaartal
0-5455-6465-74 75-84
Leeftijd (in jaren)
85+ Totaal 0-54 55-64 65-74 75-84
85+Totaal
1980
64 6881.8274.5389.797 622
22 213 8413.2878.901 557
1985
55 6461.7544.5439.994 606
20 200 7543.0348.649 523
1990
44 5101.5023.9738.809 518
15 166 6252.5817.939 458
1995
38 4241.3423.7348.600 474
18 155 5852.3667.485 429
2000
34 3431.0653.2697.698 404
17 126 5162.0786.833 384
2005
27 247 7572.5757.023 319
13
94 3661.6696.011 317
2009
20 191 5501.9766.091 250
12
79 2651.3395.336 266
2010
19 185 5231.8806.016 241
11
77 2681.2865.342 262
2011
19 166 4831.7935.711 227
10
74 2451.2155.137 250
2012
18 164 4651.7395.626 221
10
78 2391.1615.106 245
Daling 1980-2012 in %
71%76%75% 62% 43% 64%56% 63% 72% 65% 43% 56%
Tot op heden overleden meer vrouwen aan de gevolgen van hart- en
vaatziekten dan aan de gevolgen van kanker. Hart- en vaatziekten zijn
doodsoorzaak nummer één bij vrouwen. Het verschil tussen hart- en
vaatziekten en kanker wordt echter steeds kleiner bij vrouwen. Bij mannen
overlijden sinds 2005 meer personen aan kanker dan aan hart- en vaatziekten.
Dit maakt hart- en vaatziekten de tweede doodsoorzaak in 2012 bij mannen.
Sinds 2009 is het aantal sterfgevallen van mannen en vrouwen samen aan
kanker hoger dan aan hart- en vaatziekten.
In figuur 1.4 worden de voor verandering in leeftijdsopbouw van de bevolking
gecorrigeerde sterftecijfers voor hart- en vaatziekten en kanker weergegeven.
Bij mannen is het gecorrigeerde sterftecijfer voor kanker met 29% gedaald
(van 398 per 100.000 in 1980 naar 284 per 100.000 in 2012). Bij vrouwen is het
15
Hart- en vaatziekten in Nederland
gecorrigeerde sterftecijfer voor kanker minder afgenomen dan bij mannen, met
een daling van 6% (van 249 per 100.000 in 1980 naar 234 per 100.000 in 2012).
Figuur 1.4Trend in voor bevolkingsopbouw gecorrigeerd sterftecijfer (per 100.000 van de
gemiddelde bevolking) voor hart- en vaatziekten (HVZ) en kanker in Nederland,
naar geslacht. Jaar van standaardisatie is 2012
Bron CBS
Aantal sterfgevallen/100.000
700
600
500
400
300
200
100
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
1980
0
Jaar
Man HVZ
Man Kanker
Vrouw HVZ
Vrouw Kanker
De voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde sterftecijfers voor acuut hartinfarct
en beroerte vertonen eveneens een daling in de periode van 1980-2012
(figuur 1.5). De grootste daling in het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde
sterftecijfer werd waargenomen voor acuut hartinfarct. Hierin was de daling
bij mannen 85% (van 279 per 100.000 in 1980 naar 42 per 100.000 in 2012) en
bij vrouwen 80% (van 163 per 100.000 in 1980 naar 32 per 100.000 in 2012). Bij
beroerte is het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde sterftecijfer bij mannen
gedaald met 67% (van 121 per 100.000 in 1980 naar 40 per 100.000 in 2012) en bij
vrouwen met 60% (van 156 per 100.000 in 1980 naar 62 per 100.000 in 2012). De
overige hart- en vaatziekten zijn als doodsoorzaak minder hard gedaald dan
acuut hartinfarct en beroerte. Hierin was de daling 37% bij mannen (van 222
per 100.000 in 1980 naar 139 per 100.000 in 2012) en 36% bij vrouwen (van 238
per 100.00 in 1980 naar 152 per 100.000 in 2012).
16
Hart- en vaatziekten in Nederland
Figuur 1.5Trend in voor bevolkingsopbouw gecorrigeerd sterftecijfer (per 100.000 van de
gemiddelde bevolking) voor hart- en vaatziekten (HVZ), waaronder acuut hartinfarct
(AMI) en beroerte, in Nederland, naar geslacht. Jaar van standaardisatie is 2012
Bron CBS
Aantal sterfgevallen/100.000
700
600
500
400
300
200
100
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
1980
0
Jaar
Man HVZ
Man AMI
Man Beroerte
Man Overige HVZ
Vrouw HVZ
Vrouw AMI
Vrouw Beroerte
Vrouw Overige HVZ
N.B. Trendcijfers voor diverse ziektebeelden binnen HVZ vanaf 1970 staan
vermeld in bijlage E
1.3 Ziekenhuisopnamen (betreft klinische opnamen)
In 2012 vonden er 374.724 ziekenhuisopnamen plaats wegens hart- en
vaatziekten, waarvan 213.207 (57%) opnamen voor mannen en 161.517 (43%)
voor vrouwen. Belangrijk om op te merken is dat dit het aantal klinische
opnamen betreft en dagopnamen hierin niet zijn meegenomen (zie hiervoor
paragraaf 1.5 en 1.6). In tabel 1.7 is het aantal ziekenhuisopnamen per
ziektecategorie binnen hart- en vaatziekten in 2012 weergegeven. Een groot
deel van het totale aantal ziekenhuisopnamen binnen hart- en vaatziekten
wordt, evenals bij de sterfte binnen hart- en vaatziekten, veroorzaakt door de
ischemische hartziekten en beroertes. Samen zijn deze twee ziektebeelden
verantwoordelijk voor 34% van het totale aantal ziekenhuisopnamen
wegens hart- en vaatziekten. Naast de ischemische hartziekten en beroertes
levert de categorie ‘overige hartziekten’ een belangrijke bijdrage aan de
ziekenhuisopnamen binnen hart- en vaatziekten. Hieronder vallen onder
andere opnamen vanwege hartfalen en boezemfibrilleren.
17
Hart- en vaatziekten in Nederland
Tabel 1.7Aantal ziekenhuisopnamen (en %) per ziektecategorie binnen de hart- en vaatziekten in
Nederland in 2012
Bron Dutch Hospital Data (DHD)
Ontslagdiagnose1 Mannen
Vrouwen
Totaal
Ischemische hartziekten
waarvan acuut hartinfarct
Beroertes
N
%
N
%
N
%
57.122
27
26.819
17
83.941
22
20.025 9.65329.678
23.122 11
waarvan herseninfarct
waarvan subarachnoïdale bloeding
waarvan intracerebrale bloeding
21.275 13 44.39712
10.543 9.02219.565
632
948
1.580
2.211
2.224
4.435
Aangeboren hartafwijkingen
1.533
1
1.476
1
3.009
Reumatische hartziekten en klepgebreken
5.222
2
4.390
3
9.612
3
Infectieuze hartziekten
2.028
1
920
1
2.948
1
56.473
27
46.962
29
103.435
28
Overige hartziekten
waarvan hartfalen
waarvan boezemfibrilleren
Arterieel vaatlijden
waarvan AAA met ruptuur
waarvan AAA zonder ruptuur
1
14.562 14.44929.011
22.089
12.313
16.561
6
6.369
617
3.324
4
38.650
18.682
5
186 803
638
3.962
Atherosclerose en/of hypertensie
5.535
3
4.791
3
10.326
3
Veneus vaatlijden
2.535
1
2.930
2
5.465
2
47.324
22
45.585
28
92.909
25
Overige ziekten van het vaatstelsel
en de lymfewegen
waarvan claudicatio intermittens
Totaal
1
1.679 1.0642.743
213.207 100
161.517 100 374.724100
Voor de precieze omschrijvingen en ICD-9 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
AAA: Abdominaal aorta aneurysma
18
Hart- en vaatziekten in Nederland
Het aantal opnamen voor hartfalen en beroerte is nagenoeg gelijk voor
vrouwen en mannen (figuur 1.6), terwijl er meer opnamen plaats vinden
bij mannen vanwege een acuut hartinfarct, boezemfibrilleren en arterieel
vaatlijden, waaronder (niet-)geruptureerd abdominaal aorta aneurysma.
De gemiddelde leeftijd bij opname vanwege hart- en vaatziekten in 2012 was 65
jaar voor mannen en 68 jaar voor vrouwen. Patiënten die worden opgenomen
vanwege een beroerte zijn gemiddeld ouder (mannen 69 jaar, vrouwen 72 jaar)
dan patiënten die worden opgenomen vanwege een acuut hartinfarct (mannen
65 jaar, vrouwen 71 jaar).
Figuur 1.6Aantal ziekenhuisopnamen voor hart- en vaatziekten naar ziektebeeld en geslacht in
Nederland in 2012
Bron DHD
300.000
150.000
116.240
155.498
200.000
161.517
213.207
250.000
14.449
14.562
23.122
21.175
50.000
20.025
100.000
9.653
Aantal ziekenhuisopnamen
0
Acuut
hartinfarct
Mannen
Beroertes
Hartfalen
Rest hart- en
vaatziekten
Hart- en
vaatziekten totaal
Vrouwen
In de leeftijdsklasse van personen boven de 85 jaar vinden meer opnamen
plaats voor vrouwen dan voor mannen, terwijl in de leeftijdsklasse tot 85 jaar
er meer opnamen plaatsvinden voor mannen (figuur 1.7 en tabel 1.8). Van alle
voor hart- en vaatziekten opgenomen mannen is 55% boven de 65 jaar. Bij
vrouwen is dit 64%.
19
Hart- en vaatziekten in Nederland
Figuur 1.7Aantal ziekenhuisopnamen voor hart- en vaatziekten naar leeftijd en geslacht in
Nederland in 2012
Bron DHD
0
409
10.000
0-44
45-54
55-64
65-74
75-84
85-94
1.168
20.990
12.589
17.631
20.000
19.067
30.000
28.082
40.000
25.855
37.566
50.000
46.110
47.749
60.000
43.107
59.201
70.000
15.200
Aantal ziekenhuisopnamen
95+
Leeftijd (jaren)
Mannen
Vrouwen
Tabel 1.8 toont voor de verschillende hart- en vaatziekten een duidelijke
stijging van het aantal ziekenhuisopnamen met het toenemen van de leeftijd
bij zowel mannen tot de leeftijd van 75 jaar en vrouwen tot de leeftijd van
85 jaar. Bij ziekenhuisopname voor beroerte is 67% van de mannen en 73% van
de vrouwen boven de 65 jaar. Bij acuut hartinfarct is 49% van de mannen en
68% van de vrouwen boven de 65 jaar.
20
Hart- en vaatziekten in Nederland
Tabel 1.8Absolute aantallen ziekenhuisopnamen vanwege hart- en vaatziekten uitgesplitst naar acuut
hartinfarct en beroerte in Nederland in 2012. Naar leeftijd en geslacht
Bron DHD
MannenVrouwen
Ontslag diagnose1
Leeftijd
Aantal
Opname per
Aantal Opnamen per
(in jaren)opnamen 100.000opnamen 100.000
Acuut hartinfarct
0-44
1.234
26
379
45-543.718 2931.110
8
89
55-645.351 4921.560 144
65-744.949 6472.243 280
75-843.642 9732.857 562
85-941.1031.1941.441 688
95+28
81463
393
Totaal20.025
Beroerte
0-44 987
241 9.653
211.035
114
23
45-542.272 1791.924 154
55-644.438 4082.816 260
65-746.675 8734.555 568
75-846.5341.7476.6071.299
85-942.1352.3114.0791.949
95+
812.354 2591.614
Totaal23.122
Totaal hart- en vaatziekten
0-44
19.067
27921.275
251
405
331
15.200
45-5428.082 2.21317.631 1.409
55-6447.749 4.39025.855 2.386
65-7459.201 7.73937.566 4.686
75-8446.11012.33143.107 8.475
85-9412.58912.58920.99010.026
95+
1
40911.887 1.168 7.279
Totaal213.207
2.570161.517
Voor de precieze omschrijvingen en ICD-9 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
N.B. Cijfers over ischemische hartziekten en hartfalen staan vermeld in bijlage D
21
Hart- en vaatziekten in Nederland
1.909
1.4 Trends in ziekenhuisopnamen
Tabel 1.9 geeft de trend in absolute aantallen ziekenhuisopnamen
vanwege hart- en vaatziekten, acuut hartinfarct en beroertes weer in de
periode 1980-2012. Het aantal ziekenhuisopnamen vanwege hart- en
vaatziekten is toegenomen van 1980 tot 1995, vervolgens gedaald en vanaf
2000 weer toegenomen. In de periode 2000 tot 2012 is het absolute aantal
ziekenhuisopnamen met 43% toegenomen (van 262.121 tot 374.724), terwijl het
voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde ziekenhuisopnamecijfer met 15% (van
1.938 per 100.000 naar 2.237 per 100.000) gestegen is. Over de gehele periode
(1980-2012) was het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde opnamecijfer
toegenomen met 20% bij mannen en met 42% bij vrouwen. Voor beroertes
geldt dat tussen 2000 en 2012 het absolute aantal ziekenhuisopnamen
met 51% (van 29.431 naar 44.397) gestegen is, een stijging die na correctie
voor bevolkingsopbouw 20% bedraagt (van 221 per 100.000 naar 265 per
100.000). Over de gehele periode (1980-2012) was het voor bevolkingsopbouw
gecorrigeerde opnamecijfer toegenomen met 10% bij mannen en 22% bij
vrouwen.
Tabel 1.9Absolute aantallen ziekenhuisopnamen (per 100.000 inwoners) vanwege hart- en vaatziekten, acuut hartinfarct en beroerte in de periode 1980-20121
Bron DHD
Jaartal
Acuut Beroerte
Totaal Hart- en hartinfarct
vaatziekten
MannenVrouwen
Mannen Vrouwen
Mannen
Vrouwen
1980
19.597 (388)
7.880 (141)
11.895 (169)
10.822 (152)
106.081 (1.511)
74.330 (1.043)
1985
21.669 (404)
9.492 (152)
13.854 (193)
12.770 (174)
130.180 (1.816)
89.778 (1.226)
1990
20.038 (348)
9.288 (142)
13.180 (178)
13.030 (172)
139.820 (1.892)
99.407 (1.314)
1995
19.478 (310)
9.255 (133)
15.321 (200)
14.624 (187)
161.542 (2.113)
118.618 (1.518)
2000
17.525 (253)
8.339 (112)
15.009 (191)
14.422 (179)
151.570 (1.924)
110.551 (1.374)
2005
16.034 (210)
7.766 (98)
18.670 (231)
18.114 (220)
180.682 (2.238)
134.394 (2.238)
2010
18.683 (227)
8.771 (105)
21.831 (265)
20.797 (248)
216.673 (2.635)
164.994 (1.966)
2012
20.025 (241)
9.653 (114)
23.122 (279)
21.275 (251)
213.207 (2.570)
161.517 (1.909)
1 Voor de precieze omschrijving en ICD-9 en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
N.B. Cijfers over ischemische hartziekten en hartfalen staan vermeld in bijlage D
22
Hart- en vaatziekten in Nederland
Na een aanvankelijke stijging begin jaren tachtig is het aantal
ziekenhuisopnamen wegens een hartinfarct sinds de tweede helft van de jaren
tachtig gedaald. Echter, de laatste jaren neemt het aantal ziekenhuisopnamen
weer toe. Het absolute aantal ziekenhuisopnamen vanwege een acuut
hartinfarct nam af in de periode 1980 tot 2005 met 6% en nam toe in de
periode 2005 tot 2012 met 15%. Het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde
ziekenhuisopnamecijfer daalde in de periode 1980 tot 2005 met 41% (van 275
per 100.000 naar 161 per 100.000), maar nam in de periode 2005 tot 2012 toe met
10% (van 161 per 100.000 naar 177 per 100.000). Over de gehele periode (19802012) was het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde opnamecijfer voor acuut
hartinfarct afgenomen met 42% bij mannen en 23% bij vrouwen (figuur 1.8).
Figuur 1.8Trend in voor de bevolkingsopbouw gecorrigeerde ziekenhuisopnamecijfer voor
hart- en vaatziekten (HVZ), acuut hartinfarct (AMI) en beroerte (per 100.000 van de
gemiddelde bevolking), in Nederland. Jaar van standaardisatie is 2012
Bron DHD
3.000
2.500
2.000
1.500
1.000
5.00
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
0
1980
Aantal ziekenhuisopnamen/100.000
Jaar
Man HVZ
Man AMI
Man Beroerte
Vrouw HVZ
Vrouw AMI
Vrouw Beroerte
In de periode 1980-2012 is het aantal dagen dat patiënten worden opgenomen
vanwege hart- en vaatziekten, waaronder acuut hartinfarct en beroerte
afgenomen (figuur 1.9). Voor hart- en vaatziekten is de gemiddelde ligduur
bij mannen afgenomen met 67% (van 16 naar 5 dagen). Bij mannen was dit
73% (van 19 dagen naar 5 dagen). Patiënten die zijn opgenomen vanwege een
beroerte hebben gemiddeld de langste opnameduur (mannen 7 dagen en
vrouwen 8 dagen in 2012), terwijl patiënten die zijn opgenomen vanwege een
acuut hartinfarct gemiddeld de kortste opnameduur hebben (mannen
5 dagen en vrouwen 6 dagen in 2012). Opvallend is de sterke daling in het
23
Hart- en vaatziekten in Nederland
aantal ligdagen bij patiënten met een beroerte (mannen: van 25 dagen in 1980
naar 7 dagen in 2012, vrouwen: van 32 dagen in 1980 naar 8 dagen in 2012).
De daling is bijzonder sterk vanaf het jaar 2001. Mogelijke verklaringen voor
de daling in opnameduur bij patiënten met een beroerte zijn een snellere
diagnostiek, zorg en behandeling in het ziekenhuis in de acute fase en
sterk verbeterde doorstroming naar verpleeghuizen, verzorgingshuizen en
thuiszorg voor nazorg en revalidatie.
Figuur 1.9Gemiddeld aantal opnamedagen voor hart- en vaatziekten (HVZ), acuut hartinfarct
(AMI) en beroert in de periode 1980-2012 in Nederland
Bron DHD
Gemiddeld aantal opnamedagen
35
30
25
20
15
10
5
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
1980
0
Jaar
24
Man HVZ
Man AMI
Man Beroerte
Vrouw HVZ
Vrouw AMI
Vrouw Beroerte
Hart- en vaatziekten in Nederland
1.6 Samenvatting
Sterfte
In 2012 zijn meer vrouwen dan mannen overleden aan de gevolgen van hart- en
vaatziekten.
—— In totaal overleden 20.733 vrouwen en 18.315 mannen.
—— De gemiddelde leeftijd bij overlijden was 77 jaar voor mannen en 84 jaar
voor vrouwen.
—— Van alle mannen sterft 84% boven de 65 jaar. Bij vrouwen is dit 93%.
Vrouwen overlijden vaker aan een beroerte en hartfalen, terwijl mannen vaker
overlijden aan een hartinfarct.
—— In totaal overleden er in 2012 3.514 mannen aan een hartinfarct, 3.302 aan
een beroerte en 2.625 aan hartfalen.
—— In totaal overleden er in 2012 2.681 vrouwen aan een hartinfarct, 5.222 aan
een beroerte en 4.136 aan hartfalen.
—— De gemiddelde leeftijd bij overlijden aan een acuut hartinfarct was 74 jaar
voor mannen en 81 jaar voor vrouwen.
—— De gemiddelde leeftijd bij overlijden aan een beroerte was 79 jaar voor
mannen en 83 jaar voor vrouwen.
—— Na correctie voor verschillen in leeftijdsopbouw tussen mannen en
vrouwen, overlijden vrouwen van 85 jaar en ouder nog steeds vaker dan
mannen aan een beroerte.
De daling in sterfte aan hart- en vaatziekten over de periode 1980-2012 is groter
voor mannen.
—— In totaal stierven er 27.742 mannen in 1980 aan hart- en vaatziekten en
18.315 in 2012.
—— In totaal stierven er 24.112 vrouwen in 1980 aan hart- en vaatziekten en
20.733 in 2012.
—— Het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde sterftecijfer voor hart- en
vaatziekten is bij mannen met 64% gedaald. Bij vrouwen was dit 56%.
—— Het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde sterftecijfer voor acuut
hartinfarct is bij mannen met 85% gedaald. Bij vrouwen was dit 80%.
—— Het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde sterftecijfer voor beroerte is bij
mannen met 67% gedaald. Bij vrouwen was dit 60%.
25
Hart- en vaatziekten in Nederland
Ziekenhuisopnamen (klinische opnamen)
In 2012 vonden bij mannen meer ziekenhuisopnamen plaats voor hart- en
vaatziekten in vergelijking met vrouwen.
—— In totaal vonden 213.207 opnamen plaats bij mannen en 161.517 opnamen
bij vrouwen.
—— De gemiddelde leeftijd bij opname was 65 jaar voor mannen en 68 jaar voor
vrouwen.
—— Van alle voor hart- en vaatziekten opgenomen mannen is 55% boven de
65 jaar. Bij vrouwen is dit 64%.
Er vinden vrijwel evenveel opnamen bij vrouwen als bij mannen plaats voor
hartfalen en beroertes, terwijl meer opnamen bij mannen plaatsvinden voor
een acuut hartinfarct, boezemfibrilleren en arterieel vaatlijden.
—— De gemiddelde leeftijd bij opname vanwege een acuut hartinfarct was
65 jaar voor mannen en 71 voor vrouwen.
—— De gemiddelde leeftijd bij opname vanwege een beroerte was 69 jaar voor
mannen en 72 jaar voor vrouwen.
De toename van opnamen voor hart- en vaatziekten over de periode 1980-2012
is groter voor vrouwen.
—— Het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde opnamecijfer voor hart- en
vaatziekten is bij mannen met 20% toegenomen. Bij vrouwen was de
toename 42%.
—— Het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde opnamecijfer voor acuut hartinfarct
is bij mannen met 42% afgenomen. Bij vrouwen was de afname 23%.
—— Het voor bevolkingsopbouw gecorrigeerde opnamecijfer voor beroerte is
bij mannen met 10% toegenomen. Bij vrouwen was de toename 22%.
Het aantal dagen dat patiënten zijn opgenomen voor hart- en vaatziekten is
voor zowel vrouwen als mannen gedaald in de periode van 1980 tot 2012, maar
over de gehele periode waren vrouwen langer opgenomen dan mannen.
—— In 2012 is de gemiddelde ligduur voor hart- en vaatziekten 5 dagen bij
zowel mannen als vrouwen.
—— In 2012 is de gemiddelde ligduur voor acuut hartinfarct 5 dagen bij
mannen en 6 dagen bij vrouwen.
—— In 2012 is de gemiddelde ligduur voor beroerte 7 dagen bij mannen en
8 dagen bij vrouwen.
26
Hart- en vaatziekten in Nederland
2.1Openhartoperaties en percutane coronaire interventies bij
patiënten met hartziekten in
Nederland
F. de Heer1, R.H.H. Groenwold2,W.J. ter Burg3, M.I.M. Versteegh4,
L.A. van Herwerden5, E.S. Brinkman
Afdeling Cardio-thoracale Chirurgie, Universitair Medisch Centrum Utrecht
1
(Coördinator gegevensverwerking)
2
Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde,
Universitair Medisch Centrum Utrecht
3
Afdeling Klinische Informatiekunde, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
(Registratiemanager Begeleidingscommissie Hartinterventies Nederland)
Afdeling Cardio-thoracale Chirurgie, Leids Universitair Medisch Centrum (Voorzitter
4
Begeleidingscommissie Hartinterventies Nederland)
Afdeling Cardio-thoracale Chirurgie, Universitair Medisch Centrum Utrecht
5
(Voorzitter Commissie Dataregistratie, Nederlandse Vereniging voor
Thoraxchirurgie)
6
Afdeling Klinische Informatiekunde, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
(Software Engineer & Datamanager Begeleidingscomissie Hartinterventies
Nederland)
In Nederland worden verschillende ingrepen bij patiënten met hartziekten
verricht. In hoofdstuk 2.1 treft u cijfers over het totaal aantal openhartoperaties
(zowel geïsoleerde als niet-geïsoleerde operaties) en percutane coronaire
interventies (PCI’s) aan. In hoofdstukken 2.2 en 2.3 worden trend- en
overlevingscijfers gepresenteerd van geïsoleerde coronairchirurgie
respectievelijk klepchirurgie (zowel geïsoleerd als niet-geïsoleerd).
Cijfers over openhartoperaties (OHO’s) en percutane coronaire interventies
(PCI’s) worden verzameld door hartcentra in Nederland en bijeengebracht
door de Begeleidingscommissie Hartinterventies Nederland (BHN). In 2012
waren er in Nederland 16 centra voor hartoperaties en 30 centra voor PCI’s.
27
Openhartoperaties en PCI’s
2.1 Open hartoperaties en percutane coronaire
interventies in Nederland
Onder openhartoperaties vallen bypass operaties aan de kransslagaders
(CABG), klepchirurgie, aortachirurgie en overige cardiochirurgie zoals ritmeen congenitale cardiochirurgie. De OHO’s zijn alleen therapeutisch van aard.
Procedures kunnen geïsoleerd, dan wel in combinatie (niet geïsoleerd) verricht
worden.
Onder PCI’s vallen behandelingen van de kransslagaderen waaronder
ballondilatatie/dotters (PTCA), stent plaatsing, laser behandeling,
atherectomie en overige technieken. Deze kunnen zowel therapeutisch als
diagnostisch van aard zijn. Onder diagnostische PCI’s vallen intracoronaire
diagnostiek: FFR-meting, CFR-meting, IVUS-procedure, OCT etc.
In 2012 zijn in Nederland 17.293 OHO’s en 45.305 PCI’s uitgevoerd. Het aantal
PCI’s liet een sterke stijging zien, vooral sinds 1999 (figuur 2.1.1) (Bron: BHNproductieregistratie). Deze toename is mogelijk het gevolg van verruiming
van de indicatie voor PCI, voornamelijk bij patiënten in de acute fase van een
hartinfarct.
Het totaal aantal OHO’s dat jaarlijks verricht wordt, is redelijk stabiel sinds
1997. Er is sprake van een lichte toename van het totaal aantal OHO’s sinds
2003 (14.479 OHO’s in 2003, 16.930 in 2009 en 17.293 in 2012).
Figuur 2.1.1 Absoluut aantal verrichte openhartoperaties vanaf 1985 en PCI’s vanaf 1983 in Nederland
Aantal openhartoperaties / PCI’s
Bron Begeleidingscommissie Hartinterventies Nederland (BHN)
50.000
40.000
30.000
20.000
10.000
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
0
Jaar
Openhartoperatie
28
Openhartoperaties en PCI’s
PCI
Bypassoperaties aan de kransslagaders
In totaal hebben in 2012 17.293 openhartoperaties plaatsgevonden. De meeste
operaties (16.480) vonden plaats bij volwassenen (≥ 18 jaar). Bij kinderen jonger
dan 14 jaar vonden 761 operaties plaats en bij jongeren tussen 14 en 18 jaar
vonden 52 operaties plaats. De cijfers hierna hebben betrekking op patiënten
ouder dan 14 jaar. Van alle openhartoperaties betrof 65% een bypassoperatie
(CABG) aan de kransslagaders. Hiervan was een groot deel een geïsoleerde
bypass operatie (50% van alle openhartoperaties), dat wil zeggen dat er
naast de bypassoperatie geen andere ingrepen (zoals klepchirurgie) hebben
plaatsgevonden. In 2012 vond 78% van deze operaties (zowel geïsoleerde
CABG’s als niet-geïsoleerde CABG’s) bij mannen plaats. Zij waren gemiddeld
67 jaar oud. De gemiddelde leeftijd bij vrouwen bedroeg 71 jaar.
Bij 65% van zowel geïsoleerd als niet geïsoleerde bypassoperaties en bij 70%
van de geïsoleerde bypassoperaties werd zowel minimaal 1 arterie als 1 vene
gebruikt voor de omleiding(en).
Klepoperaties
Van alle openhartoperaties betrof 42% een operatie aan één of meer kleppen
van het hart. Hiervan was een deel (21% van alle openhartoperaties) geïsoleerde
klepchirurgie, dat wil zeggen dat er naast de operatie aan één of meer
kleppen van het hart geen andere ingrepen (zoals bv bypassoperatie) hebben
plaatsgevonden. Van de patiënten die een klepoperatie (zowel geïsoleerde
klepchirurgie als niet-geïsoleerde klepchirurgie) ondergingen was 61%
man. De gemiddelde leeftijd van deze mannen bedroeg 67 jaar, terwijl de
gemiddelde leeftijd bij de vrouwen 70 jaar was. Bij 75% van de operaties (zowel
geïsoleerd als niet geïsoleerd) werden één of meer kleppen van het hart van
de patiënt vervangen en bij 30% van de operaties (zowel geïsoleerd als niet
geïsoleerd) kreeg de patiënt een plastiek. Indien één of meer kleppen van het
hart werden vervangen, kreeg de patiënt een mechanische klep bij 26% of een
niet-mechanische klep (biologische prothese) bij 74% van de operaties.
Percutane coronaire interventies (PCI’s), waaronder stent plaatsingen
In totaal hebben in 2012 45.305 PCI’s (38.756 therapeutische PCI’s en 6.549
diagnostische PCI’s) plaatsgevonden. Hierna worden enkel therapeutische
PCI’s besproken bij patiënten van 14 jaar en ouder. Het grootste deel (72%) van
de ingrepen worden bij mannen uitgevoerd. Mannen waren gemiddeld jonger
dan vrouwen, respectievelijk 64 en 69 jaar. De indicaties voor een PCI waren
stabiele angina pectoris (35%), instabiele angina pectoris (21%), en een acuut
hartinfarct (37%). Bij 92% van de PCI’s werd een stent geplaatst. De PCI-cijfers
over het jaar 2012 betreffen voorlopige cijfers.
29
Openhartoperaties en PCI’s
Overzicht hartchirurgische centra in 2012
Universitair Medisch Centrum Groningen, Isala klinieken Zwolle, Academisch
Medisch Centrum Amsterdam, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis Amsterdam,
VU Medisch Centrum Amsterdam, Leids Universitair Medisch Centrum,
Universitair Medisch Centrum Utrecht, St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein,
Erasmus MC Rotterdam, Universitair Medisch Centrum St. Radboud
Nijmegen, Amphia Ziekenhuis Breda, Catharina-ziekenhuis Eindhoven,
Academisch Ziekenhuis Maastricht , Medisch Centrum Leeuwarden,
Hartcentrum Den Haag-Delft, Medisch Spectrum Twente Enschede
Overzicht PCI centra in 2012
Universitair Medisch Centrum Groningen, Isala klinieken Zwolle, Academisch
Medisch Centrum Amsterdam, VU Medisch Centrum Amsterdam, Onze
Lieve Vrouwe Gasthuis Amsterdam, Leids Universitair Medisch Centrum,
Universitair Medisch Centrum Utrecht, St. Antonius Ziekenhuis Nieuwegein,
Erasmus MC Rotterdam, Universitair Medisch Centrum St. Radboud
Nijmegen, Amphia Ziekenhuis Breda, Catharina-ziekenhuis Eindhoven,
Academisch Ziekenhuis Maastricht , Medisch Centrum Alkmaar , Maasstad
Ziekenhuis Rotterdam, Medisch Centrum Leeuwarden, Hartcentrum Den
Haag-Delft, Medisch Spectrum Twente Enschede, Ziekenhuis Rijnstate
Arnhem, Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis Nijmegen, Jeroen Bosch
Ziekenhuis Den Bosch, Albert Schweitzer Ziekenhuis / RIVAS Dordrecht,
Invasieve Hartzorg Drenthe / Scheperziekenhuis Emmen, Meander Medisch
Centrum Amersfoort, Atrium MC Heerlen, Medisch Centrum Haaglanden Den
Haag, Tergooiziekenhuis Blaricum, TweeSteden Ziekenhuis Tilburg, VieCuri
Medisch Centrum Venlo, ZorgSaam Ziekenhuis Terneuzen
30
Openhartoperaties en PCI’s
2.2 Trends en uitkomsten
coronairchirurgie
F. de Heer*1, S. Siregar*1, R.H.H. Groenwold2, M.I.M. Versteegh3,
M.L. Bots2, Y. van der Graaf2, L.A. van Herwerden1
* beide auteurs hebben evenredig bijgedragen aan het onderzoek
1
Afdeling Cardio-Thoracale Chirurgie, Universitair Medisch Centrum Utrecht
2
Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde,
Universitair Medisch Centrum Utrecht
3
Afdeling Cardio-Thoracale Chirurgie, Leids Universitair Medisch Centrum
2.2.1 Inleiding
De afgelopen decennia hebben meerdere ontwikkelingen plaatsgevonden
op het gebied van electieve coronaire revascularisatie, die wordt uitgevoerd
middels een openhartoperatie of percutane coronaire interventie
(dotterprocedure). De introductie van preventieve medicamenteuze
behandeling om het risico op coronaire hartziekten te verkleinen, zoals
statines, antihypertensiva, beta-blockers en ACE-remmers, hebben een grote
invloed gehad op de behandeling van hart- en vaatziekten.1,2
Daarnaast hebben technische innovaties de mogelijkheden van coronaire
revascularisatie verruimd. Een goed voorbeeld hiervan is de goedkeuring van
de drug eluting stent (DES) door de US Food and Drug Administration in 2003.
Dit leidde tot een enorme toename van percutane coronaire interventies (PCI),
gevolgd door een afname in de afgelopen jaren.3 In 2009 werden de resultaten
van de SYNTAX trial gepubliceerd, die na vijf jaar betere uitkomsten na
coronaire bypass chirurgie aantoonden dan PCI in patiënten met drievatscoronairlijden of hoofdstamstenose.4,5 Deze resultaten zullen de keuzes van
specialisten beïnvloeden.
Bovendien zullen demografische veranderingen in de bevolking,
verwijspatronen en technische aspecten van coronaire revascularisatie de
karakteristieken van de patiëntenpopulatie en de uitkomsten na chirurgie
beïnvloeden. In dit steeds veranderende veld is het beschrijven van trends over
een langere periode een waardevol middel om het effect van de gebeurtenissen
te plaatsen en ons voor te bereiden op de toekomst. Wij beschrijven hier de
trends en uitkomsten van coronairchirurgie (coronary artery bypass grafting,
CABG) in Nederland in de periode 1995-2010.
31
Coronairchirurgie
2.2.2 Methode
Voor de analyse is gebruik gemaakt van de gegevens die opgeslagen zijn
in de nationale hartchirurgische database voor volwassenen. Gegevens
over de demografie en interventies worden sinds 1995 bijgehouden in de
interventieregistratie van de Begeleidingscommissie Hartinterventies
Nederland (BHN). Deze commissie is een samenwerkingsverband van
cardiologen, kindercardiologen, cardio-anesthesiologen en cardiothoracaalchirurgen. Niet alle Nederlandse hartcentra hebben in de beginjaren
van de registratie operatiegegevens aangeleverd. In verband met deze
onderrapportage werd het aantal operaties over de gehele periode van 1995 tot
en met 2010 geschat met een Poisson regressiemodel.
In de database van de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie
(NVT) worden sinds 2007 risicofactoren op sterfte na een openhartoperatie
(EuroSCORE) bijgehouden en tevens de ziekenhuissterfte (overlijden in
het ziekenhuis waar de hartoperatie heeft plaatsgevonden). Tien van de
16 hartcentra gaven toestemming om hun gegevens te koppelen aan de
overlijdensregistratie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Middels deze koppeling werd de 4-jaarsoverleving berekend. De gegevens
werden eveneens gekoppeld aan de Landelijke Medische Registratie (LMR) om
het aantal de heropnames binnen 1 jaar na de operatie te berekenen.
Alle geïsoleerde coronairchirurgie werd geïncludeerd, zonder bijkomende
ingrepen zoals klepoperaties of ritmechirurgie.
2.2.3 Resultaten
Geïsoleerde coronairchirurgie
In de periode 1995-2010 is het aantal operaties afgenomen van 9.200 (95%
betrouwbaarheidsinterval (BI) 9.125-9.276) operaties in 1995 (geschat met
behulp van statistisch model) tot 8.368 operaties in 2010 (waargenomen).
Wanneer rekening wordt gehouden met de toename van de Nederlandse
bevolking daalde het aantal operaties van 76 operaties in 1995 tot 64
operaties per 100.000 volwassenen in 2010 (doorgetrokken zwarte lijn in
figuur 2.2.1). Daarnaast is de Nederlandse bevolking ouder geworden. De
stippellijn in figuur 2.2.1 is een weergave van het aantal operaties per 100.000
volwassenen wanneer de leeftijdsopbouw is de Nederlandse bevolking na
1995 stabiel zou zijn gebleven. Dit zou tot een sterkere daling hebben geleid
(76 operaties in 1995 tot 54 operaties per 100.000 volwassenen in 2010). Het
percentage geïsoleerde operaties aan de coronairen ten opzichte van alle
openhartoperaties daalde in dezelfde periode van 73,8% naar 51,3%.
32
Coronairchirurgie
Figuur 2.2.1 Aantal geïsoleerde operaties aan de coronairen per 100.000 volwassenen, 1995 -2010
100
Coronairoperaties per 100.000 volwassenen
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
Geregistreerd aantal operaties
Berekend aantal operaties
Berekend aantal operaties (gecorrigeerd voor leeftijd)
De stippellijn is het geregistreerd aantal operaties per 100.000 volwassenen in de
BHN database (onderrapportage door incomplete participatie)
De grijze lijn geeft het verwacht aantal operaties per 100.000 volwassenen weer
(berekend met het model om te corrigeren voor incomplete participatie)
De rode lijn is het verwacht aantal operaties gecorrigeerd voor de demografie van de
Nederlandse bevolking
Patiëntkarakteristieken
De gemiddelde leeftijd van patiënten die een geïsoleerde operatie aan de
coronairen ondergingen, is over de periode 1995-2010 toegenomen van 66,9
jaar (95% BI 66,4-67,4) naar 69,8 jaar (95% BI 69,4-70,2) voor vrouwen en van
62,4 jaar (95% BI 62,1-62,7) naar 65,7 jaar (95% BI 65,5-66,0) voor mannen
(figuur 2.2.2). In 1995 was het aandeel vrouwen dat werd geopereerd aan de
coronairen 24,2%; dit percentage daalde met 2,4% naar 21,7% in 2010.
In tabel 2.2.1 is de prevalentie van risicofactoren - waarvan de aanwezigheid
de kans op overlijden na de operatie verhogen (EuroSCORE) - over de
periode 2007-2010 weergegeven. Veel voorkomende risicofactoren waren:
recent myocardinfarct 19,3%, matige linkerventrikelfunctie (19,2%), perifeer
vaatlijden 13,8% en instabiele angina pectoris 9,5%. In de periode 2007-2010
is dat risicoprofiel niet veranderd. Gemiddeld was het voorspelde risico op
overlijden 4,7% (± 6,8) met een mediaan van 2,5% (interkwartielafstand, IQR
1,5-4,9).
33
Coronairchirurgie
Tabel 2.2.1Overzicht van de risicofactoren voor sterfte na de operatie (EuroSCORE) van patiënten die
geïsoleerde coronairchirurgie ondergingen in de periode 2007-2010 in Nederland
Bron Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie database
Totaal
N = 33.403
% (N)
Leeftijd (jaren ± sd)
Vrouw
66,0 (± 9,8)
22,2 (7.420)
Serum kreatinine >200 μmol/l
1,6 (551)
Perifeer vaatlijden
13,8 (4.594)
COPD
10,0 (3.350)
Neurologische disfunctie
Eerdere hartoperatie in de voorgeschiedenis
3,0 (1.013)
3,3 (1.096)
Recent myocardinfarct
19,3 (6.461)
Matige linkerventrikelfunctie (LVEF 30–50%)
19,2 (6.399)
Slechte linkerventrikelfunctie (LVEF <30%)
Pulmonale hypertensie (PAP >60 mmHg)
Actieve endocarditis
4,2 (1.404)
0,8 (255)
0,0 (3)
Instabiele AP
9,5 (3.184)
Spoed operatie
6,6 (2.214)
Kritieke preoperatieve toestand
4,4 (1.454)
Logistische EuroSCORE
Gemiddeld % (± sd)
Mediaan % (IQR)
4,7 (± 6,8)
2,5 (1,5-4,9)
sd: standaard deviatie; IQR interkwartiel afstand
EuroSCORE: European System for Cardiac Operative Risk Evaluation, waarmee preoperatief het risico op
sterfte na de operatie berekend kan worden (www.euroscore.org)
34
Coronairchirurgie
Figuur 2.2.2Leeftijd en geslacht van patiënten die geïsoleerde coronairchirurgie ondergingen,
1995-2010
Leeftijd per geslacht
Leeftijd
70
68
66
64
62
1995
1996
1997
1998
Mannen
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
Vrouwen
Leeftijd per type omleiding
Leeftijd
70
68
66
64
62
60
58
56
1995
1996
1997
1998
1999
Arterieel + veneus
Alleen arterieel
2000
2001
2002
2003
Alleen veneus
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
De gemiddelde leeftijd bij een geïsoleerde coronairoperatie nam in de periode 19952010 toe van 66,9 jaar (95% betrouwbaarheidsinterval 66,4-67,4) naar 69,8 jaar
(95% betrouwbaarheidsinterval 69,4-70,2) voor vrouwen en van 62,4 jaar (95%
betrouwbaarheidsinterval 62,1-62,7) naar 65,7 jaar (95% betrouwbaarheidsinterval
65,5-66,0) voor mannen.
De gemiddelde leeftijd bij alleen een veneuze graft nam in de periode 1995-2010
toe van 67,5 jaar (95% betrouwbaarheidsinterval 66,8-68,2) naar 68,9 jaar (95%
35
Coronairchirurgie
betrouwbaarheidsinterval 67,9-69,9) en bij alleen een arteriële graft van 59,4 jaar
(95% betrouwbaarheidsinterval 58,7-60,2) naar 61,3 jaar (95% betrouwbaarheidsinterval 60,9-61,7).
Omleidingen
Bij een bypass operatie omzeilt de chirurg de vernauwingen in de coronairen met een omleiding (graft) van een ader of slagader van de patiënt
elders uit het lichaam. Een slagader heeft over het algemeen de voorkeur
voor een omleiding op de voorwand van het hart. Voor omleidingen elders
op het hart wordt veelal een ader gebruikt; het gebruik van een tweede
slagader heeft over het algemeen alleen de voorkeur bij jonge patiënten. In
de periode 1995-2010 is het volledig arterieel revasculariseren toegenomen
(figuur 2.2.3). Bij patiënten jonger dan 65 jaar kreeg circa 40% in 2010 alleen
arteriële omleidingen. Bij oudere patiënten werd een arteriële omleiding
veelal gecombineerd met een veneuze omleiding. Van ruim 80% van de
operaties werden 3 of meer omleidingen geplaatst (tabel 2.2.2). Geïsoleerde
coronairchirurgie op het kloppend hart (zonder hart-longmachine) nam
toe van 14% in 1995 naar 16,8% in 2010. Het percentage spoedoperaties bleef
voor geïsoleerde coronairchirurgie over de periode 2007-2010 constant
(6,6%).
36
Coronairchirurgie
Figuur 2.2.3Percentage veneuze en arteriële omleidingen bij patiënten die geïsoleerde
coronairchirurgie ondergingen, 1995-2010
%
100
Alle leeftijden
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
%
100
18 - 65 jaar
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
100
%
65 - 100 jaar
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
Arterieel + veneus
Alleen arterieel
37
Coronairchirurgie
2000
2001
2002
2003
2004
Alleen veneus
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
Tabel 2.2.2Operatiekarakteristieken van patiënten die geïsoleerde coronairchirurgie ondergingen,
2007-2010
Bron Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie database
2007200820092010
P waarde
N=8.214 N=8.524 N=8.377 N=8.288
Totaal
N = 33.403
(%)(%)(%)(%)
% (N)
Eén arteriële omleiding
94,8
95,6
95,3
95,8
Alleen arteriële omleiding(en)
17,7
19,9
23,4
25,2
< 0,001
21,5 (7.194)
Alleen veneuze omleiding(en)
5,2
4,4
4,7
4,2
0,012
4,6 (1.537)
Arteriële en veneuze omleiding(en) 76,8
75,2
71,9
70,6
3,5
3,6
3,6
0,009 95,4 (31.859)
< 0,001 73,6 (24.587)
Aantal omleidingen
3,7
1 omleiding
3,33,74,24,3
3,9 (1.296)
< 0,001
3,6 (±1,2)
2 omleiding
11,512,311,912,6
12,1 (4.035)
3 omleiding
28,327,230,030,2
28,9 (9.657)
4 of meer omleidingen
Off-pump coronairchirurgie a
56,5
53,7
53,9
52,8 54,2 (18.118)
14,0
14,4
15,6
16,8
Spoedoperatieb
< 0,001
15,2 (5.073)
6,76,56,37,0
0,6421
6,6 (2.214)
a
Off-pump: operatie zonder de hart-longmachine
b
Spoed: operatie voorafgaand aan het begin van de daarop volgende werkdag
Uitkomsten
De ruwe ziekenhuissterfte na geïsoleerde coronairchirurgie was over de
periode 2007-2010 gemiddeld 1,4% (in 2007 was de sterfte 1,5% en in 2010 1,2%).
In tabel 2.2.3 is voor verschillende subgroepen de sterfte op verschillende
meetmomenten weergegeven. De (ongecorrigeerde) overleving is weergegeven
in figuur 2.2.4, opgesplitst naar gebruik van de hart-longmachine. Van de
patiënten die tijdens de initiële operatie met de hart-longmachine waren
geopereerd, werd 0,8% in de eerste drie jaar na de operatie opnieuw aan
de coronairen geopereerd. Dit was 0,4% wanneer patiënten zonder hartlongmachine waren geopereerd. De helft van de reoperaties vond op dezelfde
dag als de initiële operatie plaats (67 van de 123 reoperaties). In de eerste
30 dagen na de operatie was het merendeel van de sterfte te wijten aan een
cardiale doodsoorzaak (85,5%). In het eerste jaar na de operatie is dit percentage
gedaald naar 62,1% en nemen andere doodsoorzaken toe (tabel 2.2.4).
38
Coronairchirurgie
Tabel 2.2.3Vroege sterfte na geïsoleerde coronairchirurgie
Bronnen Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgiea in combinatie met CBSb
Bron: NVT databasea
Logistische EuroSCORE
Ziekenhuis
N
sterfte (%)
Geïsoleerde coronairchirurgie
MediaanGem.
33.402
2,5
4,7
1,4
Hart-longmachine
Met (on-pump)
Zonder (off-pump)
28.330
2,6
4,8
1,4
5.073
2,4
4,1
1,4
Type omleidingen
Alleen arterieel
Arterieel + veneus
Alleen veneus
Bron: NVT en CBSb
7.194
1,6
3,0
0,9
24.587
2,8
4,8
1,3
1.537
5,2
11,0
5,1
Sterfte na
Operatie
N
Logistische
EuroSCORE
Sterfte na
30 dagen (%) sterfte (%)C 120 dagen (%)
MediaanGem.
Geïsoleerde
coronairchirurgie 17.666
2,54,3
1,3
1,6
2,3
Hart-longmachine
Met (on-pump)
14.341
2,5
4,4
1,4
1,6
2,3
Zonder (off-pump) 3.325
2,4
4,0
1,0
1,4
2,1
Type omleidingen
Alleen arterieel
4.016
1,5
2,9
0,8
1,0
1,4
Arterieel + veneus 12.858
2,7
4,3
1,2
1,4
2,2
Alleen veneus
5,3
10,5
5,8
6,8
8,3
762
Resultaten zijn gebaseerd op operaties die uitgevoerd zijn over de periode 2007 t/m 2010
a
Resultaten van alle 16 hartcentra
b
Resultaten van 10 van de 16 hartcentra die toestemming gaven om de gegevens te koppelen aan de CBS
c
Ziekenhuissterfte en/of sterfte binnen 30 dagen. Operatie sterfte: ziekenhuissterfte plus sterfte na 30 dagen
registratie
39
Coronairchirurgie
Figuur 2.2.4Overleving en cumulatief risico op een reoperatie bij patiënten die geïsoleerde
100
2,5
95
2,0
90
1,5
85
1,0
80
0,5
Cumulatief heroperatie %
Overleving %
coronairchirurgie ondergingen
0,0
75
0
1
2
Met hart-longmachine
3
Zonder hart-longmachine
4
Jaren na
de operatie
Op de linker y-as is de Kaplan Meier overlevingscurve weergegeven, opgesplitst naar
wel of geen gebruik van de hart-longmachine
Op de rechter y-as is de cumulatieve incidentie weergegeven voor het risico op een reoperatie
Resultaten zijn gebaseerd op patiënten die in 2007 t/m 2010 een operatie ondergingen in één van de 10 hartcentra die toestemming gaven om de gegevens te koppelen
aan de CBS registratie
Tabel 2.2.4 Doodsoorzaken na geïsoleerde coronairchirurgie
Bronnen Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie en Centraal Bureau voor de Statistieka
Sterfte na 30 dagen
Sterfte na 1 jaar
Doodsoorzaken
in de Nederlandse bevolking
(gecorrigeerd voor leeftijd)
Doodsoorzaken
N= 17.666
N= 17.666
2007-2011
228 (100%)
593 (100%)
100%
195 (85,5)
368 (62,1)
14,90%
Cardiaal
Pulmonaal
2 (0,9)
25 (4,2)
5,80%
Infectieus
4 (1,8)
15 (2,5)
1,40%
2,70%
Neurologisch
0 (0,0)
1 (0,2)
Cerebro(vasculair) / renaal
9 (3,9)
58 (9,8)
6,50%
Overig
16 (7,0)
123 (20,7)
68,8 %b
Onbekend
2 (0,9)
3 (0,5)
-
a
Resultaten zijn gebaseerd op operaties die uitgevoerd zijn over de periode 2007 t/m 2010 in 10 van de
16 hartcentra die toestemming gaven om de gegevens te koppelen aan de CBS registratie
b
In de groep “overig” is de meest voorkomende doodsoorzaak nieuwvormingen (neoplasma’s)
40
Coronairchirurgie
Postoperatieve periode
In de periode 2007-2010 werd de helft van de patiënten (53,3%) na de operatie
overgeplaatst naar een ander ziekenhuis om daar verder te revalideren,
de andere helft werd naar huis of verpleeghuis ontslagen. De mediane
opnameduur na de operatie in het ziekenhuis waar de operatie is uitgevoerd,
was 5 dagen (IQR 4-7). Wanneer de opnameperiode in het secundaire
ziekenhuis wordt meegerekend was de mediane opnameduur 8 dagen (IQR
6-11). Ruim één derde (38%) wordt in het eerste jaar na de operatie opnieuw
in een ziekenhuis opgenomen. In 24,6% van de heropnames betrof het een
cardiale oorzaak.
Tabel 2.2.5Gegevens van de ziekenhuisopname en heropname bij patiënten die geïsoleerde
coronairchirurgie ondergingen in de periode 2007-2010
Bronnen NVT en Landelijke Medische Registratiea
N= 11.395
Ziekenhuissterfte in het primaire ziekenhuis b
Overplaatsing naar secundair ziekenhuis c
Ziekenhuissterfte inclusief sterfte in het secundaire ziekenhuis
% / sd / IQR
1531,3
6.09653,3
176
1,5
6,7
7,1
5
4-7
Opnameduur
Primair ziekenhuis, gemiddeld (dagen)
Primair ziekenhuis, mediaan (dagen)
Inclusief secundair ziekenhuis, gemiddeld (dagen)
Inclusief secundair ziekenhuis, mediaan (dagen)
10,1
8,7
8
6-11
Heropnames 1 jaar na de operatie
Geen
7.017
61,6
1 -2
3.315
29,1
3 -4
672
5,9
5 of meer
301
2,6
Onbekend
90
0,8
2.137
24,6
Reden van heropname
Cardiaal
Cerebrovasculair
Overig
a
475
5,5
6.083
70,0
Resultaten zijn gebaseerd op operaties die uitgevoerd zijn over de periode 2007 t/m 2009 in 10 van de
16 hartcentra die toestemming gaven om de gegevens te koppelen aan de LMR registratie
b
Het primaire ziekenhuis is het ziekenhuis waar de operatie heeft plaatsgevonden
c
Het secundaire ziekenhuis is het ziekenhuis waar de patiënt na de operatie verder kan herstellen indien nodig
Sd: standaard deviatie; IQR: interkwartielafstand
41
Coronairchirurgie
2.2.4 Samenvatting
Dit onderzoek laat zien dat het aantal operaties aan de coronaire bloedvaten
over een periode van 16 jaar is afgenomen: van 76 operaties per 100.000
volwassenen in 1995 tot 54 operaties in 2010. De gemiddelde leeftijd van
patiënten die een coronaire bypass operatie ondergingen is over deze periode
met 3 jaar gestegen. Mannen zijn in 2010 vier jaar jonger dan vrouwen. De
ziekenhuissterfte is over de periode 2007-2010 gedaald naar 1,2% in 2010.
Deze daling ging niet gepaard met een verandering in het risicoprofiel van de
patiënten. Dit suggereert dat de uitkomsten verbeteren en coronairchirurgie
veiliger is geworden.
De sterfte op 30 dagen en 1 jaar na de operatie is 1,3% en 2,3%. Het percentage
patiënten dat volledig arterieel gerevasculariseerd werd, is toegenomen. Het
aandeel coronairchirurgie zonder de hart-longmachine is licht gestegen, maar
blijft relatief laag.
Financiële steun en dank
Dataverzameling, overdracht, opslag en opschoning wordt gefinancierd door
de 16 Nederlandse hartcentra. De Begeleidingscommissie Hartinterventies
Nederland (BHN) en de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie
(NVT) ontvingen aanvullende financiële steun van het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor uitbreiding van de dataset en
aanvullend onderzoek dat gericht is op verbetering van de kwaliteit van
hartchirurgie.
De auteurs willen graag alle betrokkenen in de zestien Nederlandse hartcentra
bedanken: Academisch Medisch Centrum (Amsterdam), Universitair Medisch
Centrum Utrecht (Utrecht), Universitair Medisch Centrum Groningen
(Groningen), Leids Universitair Medisch Centrum (Leiden), Erasmus
Medisch Centrum (Rotterdam), Universitair Medisch Centrum St. Radboud
(Nijmegen), VU Medisch Centrum (Amsterdam), Onze Lieve Vrouwe Gasthuis
(Amsterdam), Haga Ziekenhuis (Den Haag), Catharina ziekenhuis (Eindhoven),
St. Antonius Ziekenhuis (Nieuwegein), Maastricht Universitair Medisch
Centrum (Maastricht), Isala Klinieken (Zwolle), Medisch Spectrum Twente
(Enschede), Medisch Centrum Leeuwarden (Leeuwarden), Amphia Ziekenhuis
(Breda). Tot slot bedanken wij de centrale datamanagers werkzaam op de
afdeling Klinische Informatiekunde in het Academisch Medisch Centrum te
Amsterdam voor hun bijdrage in de afgelopen jaren.
42
Coronairchirurgie
Geraadpleegde literatuur
1.
Pignone M, Alberts MJ, Colwell JA, Cushman M, Inzucchi SE, Mukherjee D, et al.
Aspirin for primary prevention of cardiovascular events in people with diabetes: a
position statement of the American Diabetes Association, a scientific statement of
the American Heart Association, and an expert consensus document of the American
College of Cardiology Foundation. Circulation 2010;121:2694-701.
2.
Smith SC, Jr., Allen J, Blair SN, Bonow RO, Brass LM, Fonarow GC, et al. AHA/ACC
guidelines for secondary prevention for patients with coronary and other atherosclerotic vascular disease: 2006 update: endorsed by the National Heart, Lung, and Blood
Institute. Circulation 2006;113:2363-72.
3.
Epstein AJ, Polsky D, Yang F, Yang L, Groeneveld PW. Coronary revascularization
trends in the United States, 2001-2008. JAMA 2011;305:1769-76.
4.
Serruys PW, Morice MC, Kappetein AP, Colombo A, Holmes DR, Mack MJ, et al.
Percutaneous coronary intervention versus coronary-artery bypass grafting for severe
coronary artery disease. N Engl J Med 2009;360:961-72.
5.
Mohr FW, Morice MC, Kappetein AP, Feldman TE, Stahle E, Colombo A, et al.
Coronary artery bypass graft surgery versus percutaneous coronary intervention in
patients with three-vessel disease and left main coronary disease: 5-year follow-up of
the randomised, clinical SYNTAX trial. Lancet 2013;381:629-38.
Gebaseerd op:
Trends and outcomes of coronary artery bypass grafting: 16-year results of
The Netherlands Adult Cardiac Surgery Database. Siregar S*, de Heer F*,
Groenwold RHH, Versteegh MIM, Bots ML, van der Graaf Y, van Herwerden
LA. Safety in Cardiac Surgery, S Siregar, Utrecht, 2013 (proefschrift).
* beide auteurs hebben evenveel bijgedragen
43
Coronairchirurgie
44
Coronairchirurgie
2.3Trends en uitkomsten
hartklepchirurgie
F. de Heer*1, S. Siregar*1, R.H.H. Groenwold2, M.I.M. Versteegh3,
M.L. Bots2, Y. van der Graaf2, L.A. van Herwerden1
* beide auteurs hebben evenredig bijgedragen aan het onderzoek.
1
Afdeling Cardio-Thoracale Chirurgie, Universitair Medisch Centrum Utrecht
2
Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde,
Universitair Medisch Centrum Utrecht
3
Afdeling Cardio-Thoracale Chirurgie, Leids Universitair Medisch Centrum
2.3.1 Inleiding
Hartklepchirurgie heeft de afgelopen decennia een enorme vlucht genomen.
Eind jaren ‘40 voerden Bailey en Harken een gesloten mitralisklepreconstructie
(commissurotomie) uit bij een patiënt met mitralisklepstenose.1 De introductie
van de hart-longmachine in de jaren ‘50 maakte openhartchirurgie mogelijk
en 10 jaar later was de eerste hartklepvervanging een feit.
Technische innovaties, toegenomen kennis over de etiologie van hartkleplijden,
risicomodellen en consensus over de richtlijnen voor indicatiestelling deden
de mortaliteit na hartklepchirurgie dramatisch dalen.2-4 Trends en uitkomsten
na hartklepchirurgie werden beschreven door de Society of Thoracic Surgeons
(STS) in de Verenigde Staten en door de Society of Cardiothoracic Surgery
(SCTS) in Groot-Brittannië.5-8 Wij beschrijven de trends en uitkomsten van
hartklepchirurgie in Nederland in de periode 1995-2010.
2.3.2 Methode
Voor de analyse is gebruik gemaakt van de gegevens die opgeslagen zijn
in de nationale hartchirurgische database voor volwassenen. Gegevens
over de demografie en interventies worden sinds 1995 bijgehouden in de
interventieregistratie van de Begeleidingscommissie Hartinterventies
Nederland (BHN). Deze commissie is een samenwerkingsverband van
cardiologen, kindercardiologen, cardio-anesthesiologen en cardiothoracaalchirurgen. Niet alle Nederlandse hartcentra hebben in de beginjaren
van de registratie operatiegegevens aangeleverd. In verband met deze
onderrapportage werd het aantal operaties over de gehele periode van 1995 tot
45
Hartklepchirurgie
en met 2010 geschat met een Poisson regressiemodel.
In de database van de Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie
(NVT) worden sinds 2007 risicofactoren op sterfte na een openhartoperatie
(EuroSCORE) bijgehouden en tevens de ziekenhuissterfte (overlijden in
het ziekenhuis waar de hartoperatie heeft plaatsgevonden). Tien van de
16 hartcentra gaven toestemming om hun gegevens te koppelen aan de
overlijdensregistratie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Middels deze koppeling werd de 4-jaarsoverleving berekend. De gegevens
werden eveneens gekoppeld aan de Landelijke Medische Registratie (LMR) om
het aantal heropnames binnen 1 jaar na de operatie te bepalen.
Alle hartklepoperaties werden geïncludeerd, met en zonder bijkomende
coronairchirurgie, behalve wanneer er ook een ingreep aan de aorta plaatsvond
en transkatheter aortaklepimplantaties.
2.3.3 Resultaten
Hartklepchirurgie
In de periode 1995-2010 verdubbelde het aantal hartklepoperaties van 2.431
(95% betrouwbaarheidsinterval (BI) 2.402-2.459) operaties in 1995 (geschat met
behulp van statistisch model) tot 5.690 operaties in 2010 (waargenomen). Dat
komt neer op een groei van circa 20 naar 44 operaties per 100.000 volwassenen.
De groei zwakt licht af (van circa 20 naar 37 operaties per 100.000 volwassenen)
wanneer rekening wordt gehouden met de veroudering van de Nederlandse
bevolking (figuur 2.3.1). Meer dan de helft van de patiënten kreeg een operatie
aan de aortaklep (figuur 2.3.2).
Figuur 2.3.1 Aantal hartklepoperaties per 100.000 volwassenen, 1995-2010
60
Operaties / 100.000 volwassenen
50
40
30
20
10
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
Geregistreerd aantal operaties
Berekend aantal operaties
Berekend aantal operaties (gecorrigeerd voor leeftijd)
46
Hartklepchirurgie
De stippellijn is het geregistreerd aantal operaties per 100.000 volwassenen in de
BHN database (onderrapportage door incomplete participatie)
De grijze lijn geeft het verwacht aantal operaties per 100.000 volwassenen weer
(berekend met het model om te corrigeren voor incomplete participatie)
De rode lijn is het verwacht aantal operaties gecorrigeerd voor de demografie van de
Nederlandse bevolking
Figuur 2.3.2 Verdeling per type hartklepoperatie, 1995-2010
100
%
80
60
40
20
0
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
Jaar
A verv. (iso)
A verv. + CABG
M verv. (iso)
M verv. + CABG
M rec. (iso)
M rec. + CABG
AM (iso)
AM + CABG
Overig
Iso: Geïsoleerde ingreep. Dit betekent dat naast de operatie aan die hartklep geen
andere ingrepen zijn uitgevoerd. Uitzondering voor alle groepen: inclusief eventuele
ritmechirurgie. Uitzondering voor mitralisklepchirurgie: inclusief eventuele ingreep
aan de tricuspidalisklep
CABG: Coronairchirurgie (Coronary Artery Bypass Grafting)
A verv: Aortaklepvervanging (± ritmechirurgie)
M verv: Mitralisklepvervanging (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
M rec: Mitralisklepreconstructie (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
AM: Aortaklep en mitralisklepchirurgie (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
Overig: operaties aan andere hartkleppen en operaties waarbij naast de hartklep ook
overige ingrepen aan het hart zijn uitgevoerd of waarbij onbekend was welke procedure aan de hartklep verricht is
47
Hartklepchirurgie
Patiëntkarakteristieken
De gemiddelde leeftijd van patiënten die een hartklepoperatie ondergingen
is gestegen van 64,5 ±12,7 jaar in de eerste vier jaar van de registratie (19951998) tot 68,2 ±11,7 jaar in de laatste vier jaar (2007-2010)(figuur 2.3.3.1).
Veertig procent van de patiënten was vrouw, hetgeen over de jaren gelijk
bleef. De meest voorkomende patiëntkarakteristieken waren een matige
linker ventrikelfunctie (20,5%) en chronische longmedicatie (14,3%). Actieve
endocarditis kwam bij 3,6% van de patiënten voor (tabel 2.3.1). Het gemiddelde
risicoprofiel bleef gedurende de laatste 4 jaren (2007-2010) stabiel; er werd
geen trendverandering in de logistische EuroSCORE van de geopereerde
patiënten waargenomen.
Figuur 2.3.3.1Verdeling van leeftijd en geslacht van patiënten die een hartklepoperatie ondergingen
in 1995 en 2010
Mannen
Dichtheid
0,06
0,05
0,04
0,03
0,02
0,01
0,00
0
20
40
60
80
100
Leeftijd (jaren)
Vrouwen
Dichtheid
0,06
0,05
0,04
0,03
0,02
0,01
0,00
0
20
40
60
80
100
Leeftijd (jaren)
1995
48
2010
Hartklepchirurgie
Figuur 2.3.3.2Trend in gemiddelde leeftijd van patiënten die een aortaklepoperatie of mitralisklepoperatie hebben ondergaan
Aortaklepchirurgie
Leeftijd
74
72
70
68
66
64
62
1995-1998
1999-2002
2003-2006
2007-2010
Jaar
Mitralisklepchirurgie
Leeftijd
72
70
68
66
64
62
60
1995-1998
Klepchirurgie + CABG
1999-2002
2003-2006
Klepchirurgie (iso)
2007-2010
Jaar
De gemiddelde leeftijd bij een geïsoleerde aortaklepoperatie bedroeg in 1995-1998
64 jaar (95% betrouwbaarheidsinterval 63,6-64,5) en nam toe in 2007-2010 naar
68,4 jaar (95% betrouwbaarheidsinterval 68,1-68,8).
De gemiddelde leeftijd bij een geïsoleerde mitralisklepoperatie bedroeg in 1995-1998
61,1 jaar (95% betrouwbaarheidsinterval 60,5-61,7) en nam toe in 2007-2010 naar
63,7 jaar (95% betrouwbaarheidsinterval 63,3-64,1).
49
Hartklepchirurgie
Tabel 2.3.1Operatie- en patiëntkarakteristieken van hartklepchirurgie in de periode 2007-2010
(op basis van de EuroSCORE)
Bron Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie database (NVT)
Totaal
N = 21.967
% (N)
Leeftijd (sd)
67,7 (± 11,7)
Vrouw
40,5 (8.904)
Serum kreatinine >200 μmol/l
2,4 (517)
Perifeer vaatlijden
10,3 (2.253)
COPD
14,3 (3.146)
Neurologische disfunctie
Eerdere hartoperatie in de voorgeschiedenis
Recent myocardinfarct
Matige linkerventrikelfunctie (LVEF 30–50%)
3,3 (714)
10,7 (2.341)
4,7 (1.041)
20,5 (4.500)
Slechte linkerventrikelfunctie (LVEF <30%)
6,5 (1.437)
Pulmonale hypertensie (PAP >60 mmHg)
6,5 (1.430)
Actieve endocarditis
3,6 (785)
Instabiele AP
1,4 (307)
Spoed operatie
3,3 (731)
Kritieke preoperatieve toestand
3,7 (805)
Ventrikel septum ruptuur
0,1 (17)
Logistische EuroSCORE
Gemiddeld (sd)
8,9 (± 10,3)
Mediaan (IQR)
5,8 (3,3-9,5)
sd: standaard deviatie; IQR interkwartiel afstand
Uitkomsten
De ongecorrigeerde ziekenhuissterfte daalde in de periode 2007-2010 van 4,6%
naar 3,6%. De ziekenhuissterfte, 30-dagen sterfte, en 120-dagen sterfte per type
hartklepoperatie is weergegeven in tabel 2.3.2. De sterfte onder patiënten die
aan slechts één hartklep (aorta- of mitralisklep) werden geopereerd, is lager
dan wanneer een operatie aan twee hartkleppen plaatsvond. Indien naast de
hartklepoperatie ook coronairchirurgie noodzakelijk was, nam de sterfte toe .
De overleving is weergegeven in figuur 2.3.4. De gemiddelde (ongecorrigeerde)
overleving na 1 jaar was 91,6%, na 2 jaar 88,6%, na 3 jaar 85,8% en na 4 jaar 82,6%.
Bij 1,6% van de patiënten werd binnen 1 jaar een tweede operatie aan dezelfde
hartklep uitgevoerd; na 2 jaar was dit 1,8% en na 3 jaar was dit 2%. De kans op
50
Hartklepchirurgie
een tweede operatie was het grootst wanneer de eerste keer de mitralisklep was
vervangen (figuur 2.3.5). Het merendeel van de doodsoorzaken in de eerste 30
dagen na de operatie was gerelateerd aan het hart (86,7%). Na een jaar daalde
dit percentage naar 71,3%. Zie tabel 2.3.3 voor een overzicht van de andere
doodsoorzaken.
Tabel 2.3.2Vroege sterfte per type hartklep en per type chirurgie
Bron: NVT databasea
N
Logistische EuroSCORE
Ziekenhuis
sterfte (%)
Hartklepchirurgie totaal
MediaanGem.
21.967
5,88,9
4,2
Type hartklep
1 hartklep: Aortaklep
12.423
5,8
8,2
3,1
1 hartklep: Mitralisklep
5.863
5,1
9,1
4,1
2 hartkleppen
3.039
7
10,8
7,9
11,8
9,3
Overig
642
6,7
Type hartklepchirurgie
A verv. (iso)
7.121
5,1
7,8
2,3
A verv. + CABG
4.889
6,3
8,7
4
M verv. (iso)
1.240
7,2
12,7
6,9
M verv. + CABG
474
8,1
13,8
13,3
M rec. (iso)
2.911
3,7
5,9
1,6
M rec. + CABG
2.137
7
10,4
4,4
AM (iso)
856
6,7
11,3
8,5
AM + CABG
411
7,6
11,7
11,9
6,6
11,2
Overig
1.928
7,8
Concomitante chirurgie
Geïsoleerde hartklepchirurgie
Hartklep + CABG
8.151
6,6
9,8
5,4
Hartklep + CABG + overig
343
8,2
13,2
10,5
Hartklep + overig
729
5,6
10,5
5,2
51
Hartklepchirurgie
12.744
5,1
8,2
3,2
Bron: NVT en CBSb
N
Logistische
Sterfte na
EuroSCORE
30 dagen
Hartklepchirurgie totaal
(%)
Operatie
Sterfte na
sterfte 120 dagen
(%)c(%)
Mediaan Gem.
11.996 5,5
8,13,94,86,5
Type hartklep
1 hartklep: Aortaklep
6.838
5,5
7,6
3
3,6
5,1
1 hartklep: Mitralisklep
3.055
4,7
8,3
4,1
5,2
6,4
2 hartkleppen
Overig
1.718 6,2
9,56,27,9
10,7
385 5,5
10,17,58,8
11,7
Type hartklepchirurgie
A verv. (iso)
3.984
4,9
7,3
2,3
2,7
3,6
A verv. + CABG
2.688
6,1
8
3,8
4,8
7,1
M verv. (iso)
655
7
12,6
6,9
8,5
11,3
M verv. + CABG
248
7,7
13,2
12,5
15,3
18,1
M rec. (iso)
1.654
3,6
5,4
1,6
1,9
3,2
M rec. + CABG
1.105
6,3
9
3,8
5,2
6,8
AM (iso)
AM + CABG
438 5,9
107,58,4
10,7
182
Overig
1.042
7,1
5,9
10,5
9,9
11,5
13,7
7,1
9
17
11,1
Concomitante chirurgie
Geïsoleerde hartklepchirurgie7.062
4,8
7,6
3
3,6
4,9
Hartklep + CABG
4.334
6,2
8,8
5
6,3
8,5
Hartklep + CABG + overig
159
7,9
12,7
11,3
14,5
15,7
Hartklep + overig
441
4,8
8,2
5
6,1
8,2
Resultaten zijn gebaseerd op operaties die uitgevoerd zijn over de periode 2007 t/m 2010.
a
Resultaten van alle 16 hartcentra
b
Resultaten van 10 van de 16 hartcentra die toestemming gaven om de gegevens te koppelen aan de CBS
registratie
c
Ziekenhuissterfte en/of sterfte binnen 30 dagen.
NVT: Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie; CBS: Centraal Bureau voor Statistiek
Iso: Geïsoleerde ingreep. Dit betekent dat naast de operatie aan de hartklep geen andere ingrepen zijn
uitgevoerd. Uitzondering voor alle groepen: inclusief eventuele ritmechirurgie. Uitzondering voor mitralisklepchirurgie: inclusief eventuele ingreep aan de tricuspidalisklep; CABG: Coronairchirurgie (Coronary
Artery Bypass Grafting); A verv: Aortaklepvervanging (± ritmechirurgie); M verv: Mitralisklepvervanging
(± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie); M rec: Mitralisklepreconstructie (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie); AM: Aortaklep en mitralisklepchirurgie (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
52
Hartklepchirurgie
Figuur 2.3.4 Overleving na hartklepchirurgie met en zonder coronairchirurgie
100
Overleving %
90
80
70
60
50
0
1
A verv. (iso)
A verv. + CABG
M verv. (iso)
M verv. + CABG
2
3
M rec. (iso)
M rec. + CABG
AM (iso)
AM + CABG
4
4,5
Jaren na de operatie
De Kaplan Meier overlevingscurve is weergegeven, gestratificeerd per type hartklepoperatie. Resultaten zijn gebaseerd op patiënten die in 2007 t/m 2010 een
hartklepoperatie ondergingen in één van de 10 hartcentra die toestemming gaven om
de gegevens te koppelen aan de CBS registratie
A verv: Aortaklepvervanging (± ritmechirurgie)
M verv: Mitralisklepvervanging (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
M rec: Mitralisklepreconstructie (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
AM: Aortaklep en mitralisklepchirurgie (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
CABG: Coronairchirurgie (Coronary Artery Bypass Grafting)
53
Hartklepchirurgie
Tabel 2.3.3 Doodsoorzaken na hartklepchirurgie
Bron NVT en CBS a
Sterfte na 1 jaar
Doodsoorzaken
Sterfte na 30 dagen
in de Nederlandse bevolking
(gecorrigeerd voor leeftijd)
N=11.996
Doodsoorzaken
Cardiaal
Pulmonaal
Infectieus
Neurologisch
(Cerebro)vasculair/renaal
Overig
Onbekend
a
N=11.996
2007-2011
467 (100,0)
1.006 (100,0)
100%
405 (86,7)
719 (71,3)
16,20%
10 (2,1)
45 (4,5)
7,70%
9 (1,9)
35 (3,5)
1,40%
0 (0)
5 (0,5)
2,90%
9 (1,9)
46 (4,6)
7,80%
32 (6,9)
156 (15,5)
63,9 %b
2 (0,4)
3 (0,3)
--
Resultaten zijn gebaseerd op operaties die uitgevoerd zijn over de periode 2007 t/m 2010 in 10 van de
16 hartcentra die toestemming gaven om de gegevens te koppelen aan de CBS registratie.
b
In de groep “overig” is de meest voorkomende doodsoorzaak nieuwvormingen (neoplasma’s).
NVT: Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie; CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek
54
Hartklepchirurgie
Figuur 2.3.5 Cumulatief risico op reoperatie
5
Cumulatieve heroperatie %
4
3
2
1
0
0
1
A verv. ± CABG
M verv. ± CABG
2
M rec. ± CABG
AM ± CABG
3
Jaren na de operatie
De cumulatieve incidentie is weergegeven voor het risico op een hartklepgerelateerde
reoperatie, gestratificeerd per type hartklepoperatie
A verv: Aortaklepvervanging (± ritmechirurgie)
M verv: Mitralisklepvervanging (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
M rec: Mitralisklepreconstructie (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
AM: Aortaklep en mitralisklepchirurgie (± tricuspidalisklep-/ritmechirurgie)
CABG: Coronairchirurgie (Coronary Artery Bypass Grafting)
Postoperatieve periode
In de periode 2007-2009 werd 48,2% van de patiënten rechtstreeks naar huis
of verpleeghuis ontslagen. De overige patiënten (51,8%) werden overgeplaatst
naar een ander ziekenhuis (tabel 2.3.4). De mediane postoperatieve ligduur
in het primaire ziekenhuis was 7 dagen (interkwartielafstand, IQR 5-11).
Hier kwamen 4 dagen bij (totaal 11 dagen; IQR 8-16) wanneer de ligduur in
het secundaire ziekenhuis werd meegenomen (bij 51,8% van de patiënten).
In het eerste jaar na de operatie, werd 43,2% van de geopereerde patiënten
opnieuw opgenomen. Dertig procent van de heropnames was vanwege cardiale
problematiek.
55
Hartklepchirurgie
Tabel 2.3.4Gegevens van de ziekenhuisopname en heropname bij patiënten die hartklepchirurgie
ondergingen in de periode 2007-2009
Bron Nederlandse Vereniging voor Thoraxchirurgie en Landelijke Medische Registratie (LMR)a
N= 7.724
Ziekenhuissterfte in het primaire ziekenhuis b
Overplaatsing naar secundair ziekenhuis c
Ziekenhuissterfte inclusief sterfte in het secundaire ziekenhuis
% / sd / IQR
3534,6
4.00351,8
395
5,1
Opnameduur
Primair ziekenhuis, gemiddeld (dagen)
Primair ziekenhuis, mediaan (dagen)
Inclusief secundair ziekenhuis, gemiddeld (dagen)
Inclusief secundair ziekenhuis, mediaan (dagen)
10,6
13,1
7
5-11
15,1
14,9
11
8-16
Heropnames 1 jaar na de operatie
Geen
4.318
55,9
01-feb
2.525
32,7
03-apr
583
7,5
228
5 of meer
Onbekend
70
3
0,9
Reden van heropname
Cardiaal
2.066
Cerebrovasculair
Overig
a
30,1
329
4,8
4.478
65,2
Resultaten zijn gebaseerd op operaties die uitgevoerd zijn over de periode 2007 t/m 2009 in 10 van de
16 hartcentra die toestemming gaven om de gegevens te koppelen aan de LMR registratie.
b
Het primaire ziekenhuis is het ziekenhuis waar de operatie heeft plaatsgevonden.
c
Het secundaire ziekenhuis is het ziekenhuis waar de patiënt na de operatie verder kan revalideren indien
nodig.
Sd: standaard deviatie; IQR: interkwartielafstand
56
Hartklepchirurgie
Aortaklepchirurgie
Het aantal operaties voor een geïsoleerde aortaklepvervanging is
toegenomen van 952 (95% BI 932-974) in 1995 tot 2.008 operaties in 2010.
Aortaklepvervanging gelijktijdig met coronairchirurgie nam eveneens toe:
van 639 operaties in 1995 tot 1.248 in 2010. In 1995 kreeg 61% van de patiënten
die een aortaklepvervanging ondergingen een mechanische aortaklepprothese
geïmplanteerd. Het aandeel mechanische prothesen daalde in de afgelopen 16
jaar naar 21%, ten gunste van het aandeel biologische prothesen (figuur 2.3.6).
Figuur 2.3.6Percentage mechanische en biologische prothesen bij aortaklepvervanging (±CABG),
1995-2010
Alle leeftijden ≥ 18 jaar (n=31.225)
%
100
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
18-55 jaar (n=3.629; 12%)
%
100
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
Mechanische prothese
57
Hartklepchirurgie
Biologische prothese
55-65 jaar (n=5.875; 19%)
%
100
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
65-70 jaar (n=4.913; 16%)
%
100
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
70-100 jaar (n=16.793; 54%)
%
100
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
Mechanische prothese
58
Hartklepchirurgie
Biologische prothese
In figuur 2.3.6 zijn alleen de mechanische en biologische prothesen
weergegeven (97,6%).
Patiëntkarakteristieken
De gemiddelde leeftijd steeg van 66,3±11.5 jaar in de eerste vier jaar van de
registratie (1995-1998) tot 70,2±10.8 jaar in de afgelopen vier jaar (2007-2010)
(figuur 2.3.3a). De mediane logistische EuroSCORE steeg van 5,5% in 2007 tot
5,9% in 2010.
Uitkomsten
De ruwe sterfte in het ziekenhuis waar de operatie plaatsvond daalde
van 3,5% in 2007 naar 2,4% in 2010. De overleving na een geïsoleerde
aortaklepvervanging en een aortaklepvervanging met coronairchirurgie was
na 1 jaar respectievelijk 94,8% en 90,6% en na 4 jaar respectievelijk 85,8% en
80,5%. In de eerste drie jaar na de operatie werd slechts 1,5% van de patiënten
opnieuw aan de aortaklep geopereerd.
Mitralisklepchirurgie
Het aantal geïsoleerde operaties aan de mitralisklep (± tricuspidalisklep-/
ritmechirurgie) nam toe van 453 (95% BI 437-469) operaties in 1995 tot
1.099 operaties in 2010. Mitralisklepchirurgie met coronairchirurgie nam
eveneens toe: van circa 251 in 1995 tot 605 operaties in 2010. Een duidelijke
verandering werd gezien in het percentage hartklepreconstructies. Van alle
mitralisklepoperaties (± CABG/tricuspidalisklep-/ritmechirurgie) werd in
1995 de mitralisklep voor 47,1% gereconstrueerd. In 2010 is dit toegenomen tot
75.6%. Net als bij aortaklepvervanging werd ook bij mitralisklepvervanging
steeds minder vaak een mechanische prothese geplaatst: het percentage daalde
van 43,4% in 1995 naar 13,8% in 2010 (figuur 2.3.7).
59
Hartklepchirurgie
Figuur 2.3.7Percentage hartklepvervanging en -reconstructie bij mitralisklepoperaties,
1995-2010
%
100
80
60
40
20
0
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Jaar
Mechanische prothese
Biologische prothese
Klepreconstructie
Percentage mitralisklepreconstructie en percentage mechanische en biologische
hartklepprothesen bij mitralisklepvervanging, bij patiënten die mitralisklepchirurgie
(± CABG/tricuspidalisklep-/ritmechirurgie) ondergingen in de periode 1995-2010
(N=17.445)
Patiëntkarakteristieken
De gemiddelde leeftijd van patiënten bij wie mitralisklepchirurgie
(reconstructie of vervanging) ongeacht of er gelijktijdige coronairchirurgie
plaatsvond, is toegenomen van 63,8±11,7 jaar in de eerste vier jaar van de
registratie (1995-1998) tot 65,8±11,4 jaar in de afgelopen vier jaar (2007-2010)
(figuur 2.3.3.2). Er werd geen trendverandering gezien van het risicoprofiel bij
patiënten over de periode 2007-2010: de mediane logistische EuroSCORE was
5,5% (IQR 2,9-10,6).
Uitkomsten
In de periode 2007-2010 werd geen trendverandering van de ruwe
ziekenhuissterfte gezien (4,3%, 4,5%, 3,9%, 4,2%) bij patiënten die geopereerd
werden aan de mitralisklep (reconstructie of vervanging, ongeacht of
er gelijktijdige coronairchirurgie plaatsvond). Van de patiënten die een
reconstructie hebben gekregen, werd 2,6% in de eerste drie postoperatieve
jaren opnieuw aan de mitralisklep geopereerd. Dit percentage lag voor de
mitralisklepvervanging iets hoger, namelijk 3,6% (figuur 2.3.5).
60
Hartklepchirurgie
2.3.4 Samenvatting
Dit onderzoek laat zien dat het aantal hartklepoperaties in Nederland over
een periode van 16 jaar bijna is verdubbeld: van 2.431 (BI 2.402-2.459) in
1995 tot 5.690 in 2010. Per 100.000 volwassenen betekent dit een stijging
van 20 operaties in 1995 tot 37 operaties in 2010. De ziekenhuissterfte is in
de periode 2007-2010 gedaald, terwijl het risico op sterfte (gebaseerd op
operatie- en patiëntkarakteristieken) niet is veranderd. Dit suggereert dat de
uitkomsten verbeteren en hartklepchirurgie veiliger is geworden. Resultaten
uit wetenschappelijk onderzoek, ook op de lange termijn, hebben geleid tot
veranderingen in de klinische praktijk: de leeftijd waarop een biologische
hartklepprothese de voorkeur verdient is gedaald en de mitralisklep
wordt tegenwoordig bij de meeste patiënten gereconstrueerd in plaats van
vervangen. Hoewel de overleving na hartklepchirurgie gunstig is, was het
aantal heropnames in het eerste jaar na de operatie hoog. Minder dan één
derde van deze heropnames was wegens een cardiale oorzaak.
Financiële steun en dank
Dataverzameling, -overdracht, -opslag en -opschoning wordt gefinancierd
door de 16 Nederlandse hartcentra. De Begeleidingscommissie
Hartinterventies Nederland (BHN) en de Nederlandse Vereniging voor
Thoraxchirurgie (NVT) ontvingen aanvullende financiële steun van het
ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor uitbreiding van de
dataset en aanvullend onderzoek dat gericht is op verbetering van de kwaliteit
van hartchirurgie.
De auteurs willen graag alle betrokkenen in de zestien Nederlandse hartcentra
bedanken: Academisch Medisch Centrum (Amsterdam), Universitair
Medisch Centrum Utrecht (Utrecht), Universitair Medisch Centrum
Groningen (Groningen), Leids Universitair Medisch Centrum (Leiden),
Erasmus Medisch Centrum (Rotterdam), Universitair Medisch Centrum St.
Radboud (Nijmegen), VU Medisch Centrum (Amsterdam), Onze Lieve Vrouwe
Gasthuis (Amsterdam), Haga Ziekenhuis (Den Haag), Catharina ziekenhuis
(Eindhoven), St. Antonius Ziekenhuis (Nieuwegein), Maastricht Universitair
Medisch Centrum (Maastricht), Isala Klinieken (Zwolle), Medisch Spectrum
Twente (Enschede), Medisch Centrum Leeuwarden (Leeuwarden), Amphia
Ziekenhuis (Breda). Tot slot bedanken wij de centrale datamanagers werkzaam
op de afdeling Klinische Informatiekunde in het Academisch Medisch
Centrum te Amsterdam voor hun bijdrage in de afgelopen jaren.
61
Hartklepchirurgie
Geraadpleegde literatuur
1.
Glover RP, O’Neill TJ, Bailey CP. Commissurotomy for mitral stenosis. Circulation
1950 ;1:329-42.
2.
Bonow RO, Carabello BA, Chatterjee K, de LA, Jr., Faxon DP, Freed MD, et al. 2008
focused update incorporated into the ACC/AHA 2006 guidelines for the management of patients with valvular heart disease: a report of the American College of
Cardiology/American Heart Association Task Force on Practice Guidelines (Writing
Committee to revise the 1998 guidelines for the management of patients with
valvular heart disease). Endorsed by the Society of Cardiovascular Anesthesiologists,
Society for Cardiovascular Angiography and Interventions, and Society of Thoracic
Surgeons. J Am Coll Cardiol 2008;52:e1-142.
3.
Carabello BA, Paulus WJ. Aortic stenosis. Lancet 2009;373:956-66.
4.
Edwards FH, Peterson ED, Coombs LP, DeLong ER, Jamieson WR, Shroyer ALW,
et al. Prediction of operative mortality after valve replacement surgery. J Am Coll
Cardiol 2001;37:885-92.
5.
Lee R, Li S, Rankin JS, O’Brien SM, Gammie JS, Peterson ED, et al. Fifteen-year outcome trends for valve surgery in North America. Ann Thorac Surg 2011;91:677-84.
6.
Brown JM, O’Brien SM, Wu C, Sikora JA, Griffith BP, Gammie JS. Isolated aortic valve
replacement in North America comprising 108,687 patients in 10 years: changes
in risks, valve types, and outcomes in the Society of Thoracic Surgeons National
Database. J Thorac Cardiovasc Surg 2009;137:82-90.
7.
Dunning J, Gao H, Chambers J, Moat N, Murphy G, Pagano D, et al. Aortic valve
surgery: marked increases in volume and significant decreases in mechanical valve
use-an analysis of 41,227 patients over 5 years from the Society for Cardiothoracic
Surgery in Great Britain and Ireland National database. J Thorac Cardiovasc Surg
2011;142:776-82.
8.
Sixth National Adult Cardiac Surgical Database Report 2008. Dendrite Clinical
Systems Ltd; 2009.
Gebaseerd op:
Trends and outcomes of valve surgery: 16-year results of The Netherlands
Adult Cardiac Surgery Database. Siregar S*, de Heer F*, Groenwold RHH,
Versteegh MIM, Bekkers JA, Brinkman ES, Bots ML, van der Graaf Y, van
Herwerden LA. Safety in Cardiac Surgery, S Siregar, Utrecht, 2013 (proefschrift).
* beide auteurs hebben evenveel bijgedragen
62
Hartklepchirurgie
3Trends in het gebruik van
cardiovasculaire medicatie ter
preventie en behandeling van
hart- en vaatziekten in
Nederland, 1998-2010
C. Koopman1,2, I. Vaartjes1,2, E.M. Heintjes3, W. Spiering4, I. van Dis2, F.L.J.
Visseren4, R.M.C. Herings3, M.L. Bots1
1
Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde,
Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
2
Hartstichting, Den Haag
3
PHARMO Instituut, Utrecht
4
Afdeling vasculaire geneeskunde, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
3.1 Inleiding
Ruim een kwart van de sterfte in Nederland wordt veroorzaakt door
hart- en vaatziekten (zie hoofdstuk 1). Door reductie van risicofactoren
kan ziekte en sterfte aan hart- en vaatziekten aanzienlijk verminderd
worden. Richtlijnen voor de primaire en secundaire preventie van
hart- en vaatziekten benadrukken, naast veranderingen in voeding en
leefstijl, het gebruik van cardiovasculaire medicatie.1 Het gaat hierbij
om bloeddrukverlagende medicatie (zoals bètablokkers, ACE-remmers,
angiotensine receptor blokkers (ARB’s), calcium-instroomblokkerende
middelen en diuretica), cholesterolverlagende medicatie (voornamelijk
statines) en antistollingsmiddelen (bloedplaatjesremmers zoals aspirine en
anticoagulantia).
Gegevens over het gebruik van cardiovasculaire medicatie ter voorkoming
van hart- en vaatziekten (primaire preventie), behandeling in het ziekenhuis,
en het medicijngebruik na ontslag uit het ziekenhuis bij patiënt (secundaire
preventie) zijn schaars. Ondanks het bestaan van voldoende bewijs voor de
effectiviteit van cardiovasculaire medicatie in het voorkomen en behandelen
van hart- en vaatziekten, rapporteren eerdere studies suboptimale
behandeling van met name vrouwen en ouderen.2-5
63
Trends in cardiovasculaire medicatie
Het doel van deze studie was om voor de Nederlandse bevolking
representatieve trends weer te geven in het gebruik van cardiovasculaire
medicatie in de primaire preventie, secundaire preventie en tijdens
ziekenhuisbehandeling van hart- en vaatziekten over de periode 1998-2010.
Daarnaast is onderzocht of er leeftijds- of geslachts-gerelateerde verschillen
waren in het gebruik van cardiovasculaire medicatie in 2010.
3.2 Methoden
De cijfers over het gebruik van cardiovasculaire medicatie in dit onderzoek
zijn afkomstig uit de database van het PHARMO Instituut. Door middel van
data koppeling op persoonsniveau van een dynamisch cohort van ruim 1.4
miljoen Nederlanders van 25 jaar en ouder tussen 1998 en 2010 is informatie
verkregen over persoonsgegevens, ziekenhuisopnamen, en medicijngebruik
uit ziekenhuisapotheken en openbare apotheken. Alle koppelingen zijn
uitgevoerd in overeenstemming met de Nederlandse privacy wetgeving.
Primaire preventie
Om uit de totale PHARMO populatie de primaire preventie populatie
te bepalen, zijn alle personen met een cardiovasculair gerelateerde
ziekenhuisopname (International Classification of Diseases versie 9,
code 401-459 of een opname met dotterbehandeling, bypass operatie of
diagnostische hartcatheterisatie) in een periode van vijf jaar en negen
maanden voor het jaar van schatting geëxcludeerd. Daarnaast zijn
personen die in het jaar van schatting van het medicijngebruik nitraten of
digitalisglycosiden hebben gebruikt geëxcludeerd uit de primaire preventie
populatie. Medicijngebruik werd vastgesteld als puntprevalentie op 1 oktober
van elk jaar. Omdat vijf jaar nodig was om cardiovasculair gerelateerde
ziekenhuisopnamen uit te sluiten, zijn tijdstrends in het gebruik van
cardiovasculaire medicatie voor primaire preventie weergegeven voor de
periode 2003-2010. Cijfers over het gebruik van cardiovasculaire medicatie bij
de primaire preventie groep zijn gestandaardiseerd naar de leeftijdsverdeling
van de primaire preventie populatie van 2010.
Ziekenhuisbehandeling acuut coronair syndroom
Ziekenhuisopnamen met een primaire ontslagdiagnose van acuut coronair
syndroom (ICD-9, code 410, 411 of 413) zijn geselecteerd tussen 1998 en 2010.
Medicijngebruik werd gedefinieerd als minimaal één voorgeschreven recept
uit de ziekenhuisapotheek van de betreffende medicijngroep gedurende de
ziekenhuisopname.
64
Trends in cardiovasculaire medicatie
Secundaire preventie
De patiënten die in 1998, 2003 en 2007 in het ziekenhuis opgenomen waren
voor een acuut coronair syndroom hebben we opgevolgd voor medicijngebruik
na ontslag uit het ziekenhuis. Drie maanden (T3), 12 maanden (T12) en
36 maanden (T36) na de datum van ontslag werd het medicijngebruik
als puntprevalentie op cohort-niveau bepaald uit gegevens van openbare
apotheken.
Medicijngebruik tijdens ziekenhuisopname en bij patiënten ter
secundaire preventie is gestandaardiseerd naar de leeftijdsverdeling van de
patiëntenpopulatie met acuut coronair syndroom in 2010. Verschillen in
het gebruik van medicatie over de tijd, naar leeftijd en naar geslacht werden
getoetst door middel van GEE modellen (generalized estimating equations) en
p-waarden onder de 0,05 werden als significant beschouwd.
3.3 Resultaten
Trends in medicatiegebruik ter primaire preventie
Van de totale primaire preventie populatie tussen 1998 en 2010 (1.203.290
personen) was 55,3% vrouw en de gemiddelde leeftijd 49,0 ± SD 15,2 jaar. In
2003 gebruikte 3,3% van de primaire preventie populatie cholesterolverlagende
middelen en 11,1% bloeddrukverlagende medicatie. In 2010 waren deze
percentages 6,5% en 14,6%. Het gebruik van cholesterolverlagende medicatie
en alle verschillende medicijngroepen van bloeddrukverlagende medicatie
nam toe over de periode 2003-2010 (figuur 3.1).
65
Trends in cardiovasculaire medicatie
Figuur 3.1Trends in het gebruik van cardiovasculaire medicatie ter primaire preventie van harten vaatziekten in Nederland, naar geslacht. Gelabelde percentages betreffen het jaar
2003 en 2010
Primaire preventie - Mannen
Medicijngebruik %
20
16
14%
12
9%
8
6%
5%
4
3%
5%
4%
2%
1%
3%
5%
3%
3%
2%
0
Diuretica
(thiazides)
Bèta-blokkers
Calcium- ACE-remmers
instroom
blokkerende
middelen
ARBs
Bloeddruk
verlagende
middelen
Cholesterol
verlagende
middelen
Primaire preventie -Vrouwen
Medicijngebruik %
20
16
15%
12%
12
8
6%
4
7%
6%
4%
2%
2%
2%
3%
4%
4%
3%
2%
0
Diuretica
(thiazides)
Bèta-blokkers
Calcium- ACE-remmers
instroom
blokkerende
middelen
ARBs
Bloeddruk
verlagende
middelen
Cholesterol
verlagende
middelen
Trends in medicatiegebruik tijdens ziekenhuisopnamen voor acuut
coronair syndroom
In totaal is van 84.621 patiënten opgenomen met een acuut coronair syndroom
tussen 1998 en 2010 het medicijngebruik onderzocht, hiervan was 36,2% vrouw.
De gemiddelde leeftijd was 64,6 ± SD 12,6 jaar. Het gebruik van de meeste
cardiovasculaire medicijnen nam toe over de tijd (figuur 3.2). Het gebruik
66
Trends in cardiovasculaire medicatie
van de bloedplaatjesremmers clopidogrel en prasugrel (thienopyridines)
nam toe van 2,2% in 1998 naar 77,0% in 2010. Andere grote stijgingen werden
waargenomen in het gebruik van cholesterolverlagende middelen (van 25,3%
naar 85,4%) en ACE-remmers of ARB’s (van 30,3% naar 58,3%). Dalingen werden
waargenomen in het gebruik van vasodilatoren (van 74,8% naar 54,0%) en
calcium-instroomblokkerende middelen (van 42,7% naar 32,2%).
Figuur 3.2Trends in het gebruik van cardiovasculaire medicatie tijdens ziekenhuisopname voor
acuut coronair syndroom, naar geslacht. Gelabelde percentages betreffen het jaar
1998 en 2010
Acuut Coronair Syndroom - Mannen
Medicijngebruik %
100
83%
80
89%
78%
73%
60
53%
87%
86%
70%
55%
59%
53%
24%
42%
40
24%
20
33%
29%
29%
2%
0
Vasodilatoren
Heparine
Thienopyridines
Aspirine
Diuretica
Bèta-blokkers
CalciumACE-remmers
instroom
of ARB's
blokkerende
middelen
Cholesterol
verlagende
middelen
Acuut Coronair Syndroom - Vrouwen
Medicijngebruik %
100
82%
80
78%
85%
85%
82%
74%
75%
52%
49%
60
57%
55%
28%
43%
40
31%
20
37%
32%
32%
3%
0
Vasodilatoren
67
Heparine
Thienopyridines
Aspirine
Trends in cardiovasculaire medicatie
Diuretica
Bèta-blokkers
CalciumACE-remmers
instroom
of ARB's
blokkerende
middelen
Cholesterol
verlagende
middelen
Trends in medicatiegebruik ter secundaire preventie
Van 15.651 patiënten opgenomen met een acuut coronair syndroom in
1998, 2003 en 2007 hebben we het medicijngebruik opgevolgd tot 3, 12 en
36 maanden na de datum van ontslag uit het ziekenhuis. Het gebruik van
cardiovasculaire medicatie nam toe in de periode 1998-2007 (figuur 3.3).
Over de gehele periode is het medicatiegebruik 3 jaar na ontslag lager dan 3
maanden na ontslag.
Drie maanden na ontslag: het gebruik van antistollingsmiddelen nam toe
van 65% in 1998 naar 73% in 2007, het gebruik van cholesterolverlagende
middelen nam toe van 26% in 1998 naar 62% in 2007, het gebruik van bètablokkers nam toe van 47% in 1998 naar 62% in 2007 en bloeddrukverlagende
medicatie anders dan bèta-blokkers (ACE-remmers, ARB’s, calciuminstroomblokkerende middelen of diuretica) van 53% in 1998 naar 61% in 2007.
Drie jaar na ontslag: het gebruik van antistollingsmiddelen nam toe van 63%
in 1998 naar 65% in 2007, het gebruik van cholesterolverlagende middelen
nam toe van 36% in 1998 naar 53% in 2007, het gebruik van bèta-blokkers nam
toe van 41% in 1998 naar 50% in 2007 en bloeddrukverlagende medicatie anders
dan bèta-blokkers (ACE-remmers, ARB’s, calcium-instroomblokkerende
middelen of diuretica) van 50% in 1998 naar 57% in 2007.
Figuur 3.3Trends in het gebruik van cardiovasculaire medicatie in secundaire preventie, naar
geslacht. Medicijngebruik is bepaald op 3 maanden (T3), 12 maanden (T12) en 36
maanden (T36) na ontslag uit het ziekenhuis met de primaire diagnose acuut coronair
syndroom in 1998, 2003 of 2007
Secundaire preventie - Mannen
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
Anticoagulantia Bloedplaatjes Vasodilatoren
remmers
1998 - T3
1998 - T12
1998 - T36
68
2003 - T3
2003 - T12
2003 - T36
Diuretica
Bèta-blokkers
2007 - T3
2007 - T12
2007 - T36
Trends in cardiovasculaire medicatie
CalciumACE-remmers
instroom
of ARB's
blokkerende
middelen
Cholesterol
verlagende
middelen
Secundaire preventie - Vrouwen
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
Anticoagulantia Bloedplaatjes Vasodilatoren
remmers
1998 - T3
1998 - T12
1998 - T36
2003 - T3
2003 - T12
2003 - T36
Diuretica
Bèta-blokkers
2007 - T3
2007 - T12
2007 - T36
CalciumACE-remmers
instroom
of ARB's
blokkerende
middelen
Cholesterol
verlagende
middelen
Leeftijds- en geslachts-gerelateerde verschillen in primaire preventie
Het gebruik van cardiovasculaire medicatie nam toe met de leeftijd, tot 75 jaar
voor cholesterolverlagende middelen en tot 85 jaar voor bloeddrukverlagende
middelen. In 2010 was het gebruik van bloeddrukverlagende middelen
op oudere leeftijd (boven de 75 jaar) ongeveer drie keer zo hoog als het
gebruik van cholesterolverlagende middelen (38,2% vs 12,0%). Het gebruik
van cholesterolverlagende middelen was lager onder vrouwen dan mannen
(5,7% vs 7,3%). Vrouwen gebruikten cholesterolverlagende middelen
gemiddeld op een latere leeftijd dan mannen (figuur 4). Het lagere gebruik
van cholesterolverlagende middelen onder vrouwen dan mannen werd
waargenomen tot de leeftijd van 65 jaar (3,8% vs 5,9%), terwijl boven de leeftijd
van 65 jaar het gebruik hoger was onder vrouwen dan mannen (15,5% vs 14,3%).
Ook het gebruik van bloeddrukverlagende middelen lag hoger onder vrouwen
dan mannen (15,1% vs 13,8%), met name op hogere leeftijd (figuur 3.4).
69
Trends in cardiovasculaire medicatie
Figuur 3.4Leeftijds- en geslachts-specifiek gebruik van cardiovasculaire medicatie ter primaire
preventie van hart- en vaatziekten in Nederland in 2010.
Primaire preventie - Cholesterolverlagende middelen
Medicijngebruik %
50
40
30
20
10
0
25-34
35-44
Mannen
45-54
55-64
65-74
75-84
85-94
≥95
Leeftijd (jaren)
Vrouwen
Primaire preventie - Bloeddrukverlagende middelen
Medicijngebruik %
50
40
30
20
10
0
25-34
Mannen
35-44
45-54
55-64
Vrouwen
65-74
75-84
85-94
>95
Leeftijd (jaren)
Leeftijds- en geslachts-gerelateerde verschillende tijdens ziekenhuisopnamen voor acuut coronair syndroom
Oudere patiënten (≥75 jaar) opgenomen met een acuut coronair syndroom
gebruikten minder cholesterolverlagende middelen tijdens hun
ziekenhuisverblijf in 2010 dan jongere patiënten (79,1% vs 92,8%, figuur 3.5).
Met betrekking tot het gebruik van antistollingsmiddelen en bèta-blokkers
werden geen significante verschillen waargenomen naar leeftijd. Het gebruik
van andere bloeddrukverlagende middelen dan bèta-blokkers was hoger bij
70
Trends in cardiovasculaire medicatie
patiënten boven de 75 jaar dan bij jongere patiënten (84,8% vs 72,0%). Vrouwen
gebruikten minder antistollingsmiddelen, cholesterolverlagende middelen
en bèta-blokkers dan mannen, voornamelijk op jongere leeftijd. Geslachtsgerelateerde verschillen werden voornamelijk waargenomen in patiënten met
de ontslagdiagnose onstabiele angina pectoris (antistollingsmiddelen vrouwen
93,0% vs mannen 95,6%, cholesterolverlagende middelen 77,5% vs 85,4%, bètablokkers 80,6% vs 83,3% en andere bloeddrukverlagende middelen dan bètablokkers 72,3% vs 74,6%).
Figuur 3.5Leeftijds- en geslachts-specifiek gebruik van cardiovasculaire medicatie tijdens
ziekenhuisopname voor acuut coronair syndroom in Nederland in 2010
Ziekenhuisopname acuut coronair syndroom - Cholesterolverlagende middelen
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
25-44
Mannen
45-54
55-64
65-74
75-84
≥85
Leeftijd (jaren)
Vrouwen
Ziekenhuisopname acuut coronair syndroom - Bèta-blokkers
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
25-44
Mannen
71
45-54
55-64
Vrouwen
Trends in cardiovasculaire medicatie
65-74
75-84
≥85
Leeftijd (jaren)
Ziekenhuisopname acuut coronair syndroom - Antistollingsmiddelen
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
25-44
Mannen
45-54
55-64
65-74
75-84
≥85
Leeftijd (jaren)
Vrouwen
Ziekenhuisopname acuut coronair syndroom - Andere bloeddrukverlagende
middelen dan bèta-blokkers
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
25-44
Mannen
45-54
55-64
Vrouwen
65-74
75-84
≥85
Leeftijd (jaren)
Leeftijds- en geslachts-gerelateerde verschillen in secundaire preventie
Figuur 3.6 presenteert het medicijngebruik ter secundaire preventie
(drie jaar na ontslag in 2007) naar leeftijd en geslacht. Het gebruik van
antistollingsmiddelen nam geleidelijk toe met hogere leeftijd. Eenzelfde
patroon werd waargenomen voor het gebruik van bèta-blokkers en andere
bloeddrukverlagende middelen. Het gebruik van cholesterolverlagende
middelen in 2010 leek stabiel tot een leeftijd van 85 jaar, waarna het
gebruik afnam (28,2% ≥85 jaar vs 53,0% <85 jaar). Vrouwen gebruikten
minder antistollingsmiddelen dan mannen (60,5% vs 67,0%) en minder
cholesterolverlagende middelen (48,1% vs 55,8%) in secundaire preventie.
72
Trends in cardiovasculaire medicatie
Figuur 3.6Leeftijds- en geslachts-specifiek gebruik van cardiovasculaire medicatie in secundaire
preventie in Nederland in 2010, drie jaar na ziekenhuisopname voor acuut coronair
syndroom
Secundaire preventie - Cholesterolverlagende middelen
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
<45
Mannen
45-54
55-64
65-74
75-84
≥85
Leeftijd (jaren)
Vrouwen
Secundaire preventie - Bèta-blokkers
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
<45
Mannen
45-54
55-64
Vrouwen
73
Trends in cardiovasculaire medicatie
65-74
75-84
≥85
Leeftijd (jaren)
Secundaire preventie - Antistollingsmiddelen Secundaire preventie
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
<45
Mannen
45-54
55-64
65-74
75-84
≥85
Leeftijd (jaren)
Vrouwen
Secundaire preventie - Andere bloeddrukverlagende middelen dan bèta-blokkers
Medicijngebruik %
100
80
60
40
20
0
<45
Mannen
45-54
55-64
Vrouwen
65-74
75-84
≥85
Leeftijd (jaren)
3.4 Kanttekeningen bij de interpretatie van de resultaten
Verschillende factoren kunnen hebben bijgedragen aan de waargenomen
trends over de tijd in cardiovasculair medicijngebruik en verschillen naar
leeftijd en geslacht. Gezien de aard van onze gegevens hebben we geen
beschikking over de indicatie voor het medicijngebruik. Verschillen tussen
mannen en vrouwen en tussen leeftijdsgroepen zouden een gevolg kunnen
zijn van verschillen in risico inschatting (primaire preventie) of klinische
symptomen / presentatie van de patiënten in het ziekenhuis en in secundaire
preventie. Daarnaast kunnen personen geen medicatie gebruiken omdat ze het
niet voorgeschreven krijgen, maar ook als persoonlijk besluit het niet (meer)
74
Trends in cardiovasculaire medicatie
te willen gebruiken. We benadrukken dat onze beschrijvende resultaten op
populatieniveau niet bedoeld zijn als kwaliteitsindicator van individuele zorg.
Onze studie had een aantal beperkingen. Ten eerste zouden we ten onrechte
patiënten met hart- en vaatziekten geclassificeerd kunnen hebben in de
primaire preventie populatie, met onze beperkte uitsluiting gebaseerd op een
beschikbare geschiedenis van vijf jaar en negen maanden aan cardiovasculair
gerelateerde ziekenhuisopnamen. Ondanks dat onze werkwijze eerder
gedemonstreerd is met Deense registers6, zou deze aanpak kunnen hebben
geleid tot een kleine overschatting van het gebruik van cardiovasculaire
medicatie in primaire preventie. Daarentegen kan onze strikte definitie van
medicijngebruik (puntprevalentie) geleid hebben tot een onderschatting van
het gebruik van medicatie in primaire en secundaire preventie. Tenslotte was
er van 15% van de patiënten in secundaire preventie geen follow-up gegevens
beschikbaar drie jaar na datum van ontslag, vanwege overlijden, verhuizing
of institutionalisering. Patiënten zonder gegevens hebben we uit de noemer
geëxcludeerd. We verwachten geen grote verschillen tussen de 85% personen
met gegevens en 15% zonder gegevens, maar mogelijk is er een geringe
overschatting opgetreden van het medicijngebruik in secundaire preventie
gezien therapie-ontrouwe patiënten een grotere kans hebben te overlijden.
3.5 Conclusie
Het gebruik van cardiovasculaire medicatie voor de preventie en behandeling
van hart- en vaatziekten is de laatste jaren toegenomen in Nederland. In 2010
gebruikte 7% van de primaire preventie populatie cholesterolverlagende
medicatie en 14% bloeddrukverlagende medicatie ter preventie van
hart- en vaatziekten. Onder patiënten met een ziekenhuisopname voor
acuut coronair syndroom in 2010 gebruikte 96% antistollingsmiddelen,
85% cholesterolverlagende middelen, 86% bèta-blokkers en 74% andere
bloeddrukverlagende medicatie. In secundaire preventie in 2010 (drie
jaar na ontslag voor een acuut coronair syndroom in 2007), gebruikte 65%
antistollingsmiddelen, 53% cholesterolverlagende medicatie, 50% bètablokkers en 57% andere bloeddrukverlagende medicatie. Er werden leeftijdsen geslachts-gerelateerde verschillen waargenomen in 2010. Vrouwen
gebruikten minder cholesterolverlagende middelen dan mannen, zowel
in primaire preventie, secundaire preventie als tijdens ziekenhuisopname
met een acuut coronair syndroom. Ouderen boven de 85 jaar gebruikten
minder cholesterolverlagende middelen dan jongere personen in alle drie de
groepen. Suboptimaal gebruik van cardiovasculaire medicatie werd met name
waargenomen tijdens ziekenhuisbehandeling van jonge vrouwen met een ACS
en secundaire preventie therapie van jonge vrouwen en ouderen.
75
Trends in cardiovasculaire medicatie
Gebruikte literatuur
1.
Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). M84: NHG-Standaard Cardiovasculair
risicomanagement; 2011.
2.
Lahoz C, Mantilla T, Taboada M, et al. Gender differences in evidence-based
pharmacological therapy for patients with stable coronary heart disease. Int J Cardiol
2009;133:336-340.
3.
Lee HY, Cooke CE, Robertson TA. Use of secondary prevention drug therapy in
patients with acute coronary syndrome after hospital discharge. J Manag Care Pharm
2008;14:271-280.
4.
Setoguchi S, Glynn RJ, Avorn J, et al. Ten-year trends of cardiovascular drug use after
myocardial infarction among community-dwelling persons > or =65 years of age. Am
J Cardiol 2007;100:1061-1067.
5.
Simpson CR, Hannaford PC, Williams D. Evidence for inequalities in the management
of coronary heart disease in Scotland. Heart 2005;91:630-634.
6.
Kildemoes HW, Hendriksen C, Andersen M. Drug utilization according to reason
for prescribing: a pharmacoepidemiologic method based on an indication hierarchy.
Pharmacoepidemiol Drug Saf 2012;21:1027-1035.
Dit is een Nederlandse samenvatting van onderzoek dat eerder werd
gepubliceerd in European Heart Journal (2013; 17 september) met als
titel ‘Persisting gender differences and attenuating age differences in
cardiovascular drug use for prevention and treatment of coronary heart
disease, 1998-2010’.
76
Trends in cardiovasculaire medicatie
4Prevalentie en toekomstprojectie op het ontwikkelen
van boezemfibrilleren in
Nederland
J. Heeringa, O.H. Franco, A. Hofman, B.P. Krijthe
afdeling Epidemiologie, Erasmus MC, Rotterdam
4.1 Inleiding
Boezemfibrilleren (=atriumfibrilleren) komt vooral voor op hogere leeftijd
en gaat gepaard met een verhoogde kans op een beroerte en hartfalen. De
West-Europese bevolking is al geruime tijd aan het verouderen en dit proces
lijkt zich nog door te zetten in de komende jaren. Het ligt derhalve in de lijn
der verwachting dat atriumfibrilleren in de toekomst vaker zal voorkomen.
Dit heeft maatschappelijke consequenties doordat dit leidt tot een groter
beroep op de gezondheidszorgvoorzieningen. Er is echter veel onzekerheid
over de ontwikkeling van het aantal patiënten met atriumfibrilleren in de
toekomst. Door de veroudering van de bevolking ontstaat er toename van het
aantal patiënten, echter, door het beter behandelen van risicofactoren voor
atriumfibrilleren, zoals hypertensie, overgewicht en diabetes mellitus, en
door het stoppen met roken zou deze toename afgezwakt kunnen worden.
Echter een tegenovergesteld effect zal optreden als een groter deel van de
mensen met een myocardinfarct de aanval overleeft. Dit kan gebeuren door
een snellere en betere behandeling van de aanval en doordat de aanval minder
ernstig verloopt door een betere opsporing en behandeling van risicofactoren
in de algemene populatie. Als meer mensen een hartinfarct overleven, zullen
er meer mensen met hartfalen komen. Patiënten die een hartinfarct hebben
doorgemaakt en patiënten met hartfalen hebben op zich een sterk verhoogd
risico op atriumfibrilleren. Dit fenomeen kan er toe leiden dat het aantal
patiënten met atriumfibrilleren nog sterker zal toenemen dan de toekomstige
bevolkingsopbouw doet vermoeden. Er is veel controverse, met name ook
internationaal, over de vraag of het aantal patiënten atriumfibrilleren,
gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht, nu wel of niet aan het stijgen is.
77
Boezemfbrilleren
4.2 ERGO-onderzoek
Deze fenomenen zijn onderzocht binnen de ERGO-studie (Erasmus Rotterdam
Gezondheids Onderzoek). Het ERGO-onderzoek wordt sinds 1990 uitgevoerd
door de afdeling Epidemiologie van het Erasmus MC in de wijk Ommoord in
Rotterdam. Dit onderzoek in de algemene populatie telt 15.000 deelnemers die
iedere 4-5 jaar, uitgebreid onderzocht worden op een groot aantal indicatoren
van ziekte en gezondheid. Er is sprake van een intensieve follow-up waarbij
het optreden van ziekte nauwgezet gevolgd wordt op een wekelijkse basis.
Het onderzoek biedt de mogelijkheid om de prevalentie van atriumfibrilleren
precies te meten en om de prevalentie bij herhaling te meten. Het optreden van
atriumfibrilleren werd onderzocht door herhaalde ECG- metingen op het eigen
onderzoekscentrum van de deelnemers, door meldingen uit de dossiers van de
huisartsen in de wijk die allen meewerken aan het ERGO-onderzoek en door
het volgen van de ontslagdiagnosen uit ziekenhuizen middels de landelijke
ziekenhuisregistratie. Voor het stellen van de diagnose atriumfibrilleren werd
de eis gesteld dat de ritmestoornis met een ECG was vastgelegd.
Voor deze studie werd de prevalentie van atriumfibrilleren binnen de ERGOstudie vastgesteld, steeds na iedere onderzoeksronde op 1 januari, in 1994,
1996, 2002 en 2006. Met behulp van deze gegevens werd berekend of er sprake
was van een stijging van de prevalentie. Op grond van de prevalentie op 1-12002 en de gegevens over de grootte en opbouw van de Nederlandse populatie
afkomstig van Eurostat werd berekend hoeveel mannen en vrouwen met
atriumfibrilleren er waren in 2000 in Nederland. Vervolgens werd geschat, op
grond van de verwachte ontwikkelingen van de opbouw van de Nederlandse
populatie, hoe de aantallen patiënten met atriumfibrilleren zich zouden
ontwikkelen in de periode 2000-2060.
4.3 Resultaten
Prevalentie
De kenmerken van de studie populatie zijn weergegeven in tabel 4.1. Personen
met atriumfibrilleren waren ouder en hadden vaker een voorgeschiedenis van
hoge bloeddruk, hartinfarct, hartfalen en diabetes mellitus. In 2002 had 8,6% van
de mannen boven de 55 jaar en 7,1% van de vrouwen atriumfibrilleren (tabel 4.2).
Vanaf 60 jarige leeftijd hadden mannen een hogere prevalentie dan vrouwen. De
prevalentie steeg met toenemende leeftijd. Boven de 85 jaar had 1 op de 4 mannen
last van atrium fibrilleren en 1 op de 6 vrouwen (figuur 4.1).
Voor de schattingen van het aantal patiënten in geheel Nederland in 2010 werden
de prevalenties per leeftijds- en geslachtstratum uit 2002 gebruikt (tabel 4.1). Het
aantal patiënten met atriumfibrilleren in 2010 werd geschat op ongeveer 260.000.
78
Boezemfbrilleren
Stijging prevalentie?
Het bleek dat de prevalentie van atriumfibrilleren sterk toenam binnen
de ERGO-studie gedurende de bovengenoemde onderzoeksperiode. Deze
stijging was echter vrijwel geheel toe te wijzen aan de verandering van de
leeftijdsopbouw van het ERGO-cohort tijdens deze periode. Met andere
woorden, wanneer men corrigeerde voor veroudering bleef de prevalentie
gelijk. Voor de berekeningen van de prevalenties tot 2060 werd derhalve
uitgegaan van een gelijkblijvende prevalentie. Het aantal atriumfibrilleren
patiënten in 2010 van 260.000 zal naar verwachting stijgen tot 550.000 in 2060
(tabel 4.3). In 2010 had 1,6% van de totale bevolking atriumfibrilleren, in 2060
zal dit 3,2% zijn (figuur 4.2). Er treedt tussen nu en 2060 een verdubbeling op.
Echter tussen 2045 en 2060 blijft het aantal patiënten met atriumfibrilleren
vrijwel gelijk, zodat de komende 30 jaar al een verdubbeling te verwachten is.
Tot 2045 zal het aantal patiënten per 5 jaar steeds toenemen met 40.000 tot
50.000. Daarna treedt er op dit hoge niveau een stabilisatie op.
Tabel 4.1 Kenmerken van de studiepopulatie op 1-1-2002 (n=6.934)
Geen atriumfibrilleren
Atriumfibrilleren
(n=6.401)(n=533)
Leeftijd (jaren)
72,4 (8,8)
Geslacht (vrouwen)
P waardea
78,9 (8, 0)
<0,01
3.818 (59,6)
291 (54, 6)
<0,01
Lengte (cm)
167,0 (8,6)
168,0 (8,2)
<0,01
Gewicht (kg)
75,4 (12,0)
76,3 (11,0)
<0,01
2.281 (35,6)
326 (61,2)
<0,01
565 (8,8)
91 (17,1)
<0,01
266 (4,2)
153 (28,7)
<0,01
888 (13,9)
110 (20,6)
<0,01
Bloeddruk verlagende medicatie
Hartinfarct in de voorgeschiedenis
Hartfalen
Diabetes mellitus Continue variabelen : gemiddelde met standaarddeviaties
Categoriale variabelen: aantallen met percentages
a
Berekend met logistische of lineaire regressie, gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht
79
Boezemfbrilleren
Tabel 4.2 Prevalentie van atriumfibrilleren naar leeftijd en geslacht op 1-1-2002
N
n
%
95% BI
Mannen
Leeftijd
55-59
235 31,3 (0,4-3,6)
60-64
429 81,9 (0,9-3,6)
65-69
567 315,5 (4,0-7,8)
70-74
617 457,3 (5,7-9,6)
75-80
472 5912,5 (9,8-15,8)
80-84
316 5116,1(12,4-20,4)
>85
186 4524,2(18,5-30,7)
Totaal
2.825242 8,6 (7,6-9,7)
Vrouwen
Leeftijd
55-59
286 51,7 (0,7-4,0)
60-64
523 71,3 (0,6-2,7)
65-69
738 202,7 (1,8-4,2)
70-74
778 405,1 (3,8-6,9)
75-80
712 689,6(7,6-11,9)
80-84
556 6812,2 (9,7-15,1)
>85
516 8316,1(13,1-19,4)
Totaal
4.109291 7,1 (6,3-7,9)
Mannen en vrouwen samen
Totaal
6.934533 7,7 (7,0-8,3)
Afkortingen: BI, betrouwbaarheidsinterval; N, totaal aantal deelnemers; n, aantal deelnemers met
atriumfibrilleren
80
Boezemfbrilleren
Figuur 4.1 Prevalentie van atriumfibrilleren naar leeftijd en geslacht op 1-1-2002
25
%
20
15
10
5
0
55-59
60-64
65-69
70-74
75-80
80-84
>85
Totaal
Leeftijd (jaren)
Mannen
Vrouwen
Figuur 4.2Schatting van het aantal volwassenen met atriumfibrilleren in Nederland voor de
periode 2000 tot 2060
600
Aantal volwassenen met atriumfibrilleren (x1000)
500
400
300
200
100
0
2000
2005
2010
2015
2020
2025
2030
2035
2040
2045
2050
2055
2060
Jaar
81
Totaal
Mannen
Leeftijd > 75 j
Vrouwen
Boezemfbrilleren
Leeftijd < 75 j
Tabel 4.3Schatting van het aantal volwassenen met atriumfibrilleren in Nederland voor de periode
2000 tot 2060
Jaar
Mannen
2000
Vrouwen
Leeftijd <75 j Leeftijd >75 j
98,200
112.900
Totaal
%a
83,900
127.300 211,1001,3
138,600 231.3001,4
2005
110.200
121,100
92.700
2010
128,100
131.500
103,100
156.500 259,6001,6
2015
151.200
145,000
119.800
176,300 296.1001,7
2020
175,900
162.200
135,600
202.500 338.0002,0
2025
203.900
183.500
139.000
248.400 387.5002,2
2030
231.300
205.700
145.500
291.500 436.9002,5
2035
255.800
226.900
147.100
335.700 482.8002,7
2040
272.900
244.300
140.800
376.300 517.1002,9
2045
284.100
256.500
129.400
411.300 540.7003,1
2050
291.000
262.700
122.300
431.400 553.7003,2
2055
291.700
261.900
125.400
428.100 553.6003,2
2060
289.700
258.000
129.600
418.100 547.7003,2
a
% percentage van de totale populatie
Dit hoofdstuk is gebaseerd op Bouwe P. Krijthe, Anton Kunst, Emelia J.
Benjamin, Gregory Y.H. Lip, Oscar H. Franco, Albert Hofman, Jacqueline
Witteman, Bruno H. Stricker, Jan Heeringa. Projections on the number of
individuals with atrial fibrillation in the European Union, from 2000 to 2060.
Eur Heart J 2013; 30 juli
82
Boezemfbrilleren
5Risico op kanker bij patiënten
met hart- en vaatziekten
R.C.M. van Kruijsdijk1, Y. van der Graaf2, P.H.M. Peeters2,
en F.L.J. Visseren1, namens de SMART studie-groep
1
Afdeling Vasculaire Geneeskunde, Universitair Medisch Centrum Utrecht
Julius Centrum voor Gezondheidswetenschappen en Eerstelijns Geneeskunde,
2
Universitair Medisch Centrum Utrecht
5.1 Inleiding
Hart- en vaatziekten en kanker vormen samen de meest voorkomende
oorzaken van sterfte in Nederland1 en delen enkele belangrijke risicofactoren,
zoals roken en overgewicht.2-4 In de afgelopen decennia is de sterfte door
acute ischemische cardiovasculaire ziekten aanzienlijk gedaald, terwijl het
aantal patiënten met prevalente hart- en vaatziekten blijft toenemen.5, 6 Naast
het verhoogde risico op nieuwe hart- en vaatziekten, is het aannemelijk dat
deze groep patiënten ook een verhoogd risico op kanker heeft, gezien de
risicofactoren en pathofysiologie die beide aandoeningen gemeen hebben.
Daar het aantal patiënten met prevalente hart- en vaatziekten toeneemt, is het
van belang voor de klinische praktijk om kennis te hebben over het risico op
kanker en de daarvoor belangrijke risicofactoren bij deze patiëntengroep.
Het Second Manifestations of ARTerial disease (SMART) onderzoek is een
prospectief cohort onderzoek bij patiënten die worden verwezen naar het
Universitair Medisch Centrum Utrecht met een vorm van hart- en vaatziekte
(coronarialijden, cerebrovasculaire ziekten, perifeer arterieel vaatlijden of
een aneurysma van de abdominale aorta) of een belangrijke risicofactor
hiervoor (hypertensie, dyslipidemie of diabetes mellitus).7 Hoewel het SMART
onderzoek voornamelijk gericht is op het ontstaan van nieuwe hart- en
vaatziekten, bieden de gegevens die verzameld zijn ook de mogelijkheid om
antwoord te krijgen op de volgende vragen:
—— Hebben patiënten met hart- en vaatziekten een verhoogd risico op kanker
vergeleken met de algemene bevolking?
—— Welke factoren verhogen het risico op kanker in deze populatie?
83
Kanker bij HVZ patiënten
5.2 Methoden
Om bovenstaande vragen te beantwoorden werden de gegevens van 4.583
mannen en 1.589 vrouwen met hart- en vaatziekte die tussen 1996 en 2011
geïncludeerd zijn in het SMART onderzoek gebruikt. In opzet komen
alle patiënten met hart- en vaatziekte tussen 18-80 jaar, verwezen naar het
UMC Utrecht in aanmerking voor deelname aan SMART. De uiteindelijke
beslissing tot deelname wordt genomen door de behandelend arts in overleg
met de patiënt. Bij aanvang ondergingen alle deelnemers onderzoeken
gericht op het opsporen van hart- en vaatziekte en risicofactoren. Gegevens
over de incidentie van kanker (exclusief non-melanoma huidkanker) in de
studiepopulatie gedurende de follow-up periode werden verkregen door
de SMART gegevens te koppelen aan de Nederlandse Kankerregistratie.8
De incidentie van lokalisatie-specifieke kanker bij patiënten met hart- en
vaatziekte werd vergeleken met de incidentie in de Nederlandse populatie
middels het berekenen van gestandaardiseerde incidentie ratio’s (SIRs), welke
gecorrigeerd werden voor leeftijd, geslacht en periode. Daarnaast is er bij
patiënten zonder voorgeschiedenis van kanker gekeken naar de effecten van
de volgende determinanten: (I) roken, status (heden, vroeger, nooit) en het
aantal pakjaren (berekend door het aantal jaren roken te vermenigvuldigen
met het gemiddeld aantal sigaretten per dag en dit cijfer te delen door 20);
(II) verschillende maten voor overgewicht, namelijk body mass index [BMI],
middelomtrek en visceraal vetweefsel gemeten met echografie9, per standaard
deviatie toename (3,6 kg/m2, 10,6 cm en 2,4 cm, respectievelijk) en de
aanwezigheid van metabool syndroom volgens de NCEP-R criteria (appendix)
op de incidentie van kanker. Deze effecten werden uitgedrukt in hazard
ratio’s (HRs) met 95% betrouwbaarheidsintervallen (BI), welke geschat werden
met - voor leeftijd, geslacht, roken, alcohol gebruik en BMI - geadjusteerde
regressiemodellen, waarbij rekening gehouden werd met concurrerende
sterfte.10
5.3 Resultaten
De kenmerken van de patiënten met hart- en vaatziekte bij inclusie in het
SMART-onderzoek zijn weergegeven in tabel 5.1.
Zestig procent van de studiepopulatie had coronaire hartziekte, bij
negenentwintig procent was sprake van cerebrovasculair lijden, twintig
procent had perifeer arterieel vaatlijden en negen procent had een aneurysma
van de abdominale aorta.
84
Kanker bij HVZ patiënten
Tabel 5.1 Kenmerken van patiënten met vaatlijden in het SMART-onderzoek
Leeftijd (jaren)
MannenVrouwen
(n = 4.583)
(n = 1.589)
60 (10)
59 (12)
Rookt (heden)
32 (1.477)
564 (36)
Ooit gerookt
84 (3.688)
70 (1.111)
Pakjarena
20 (6 - 35)
12 (0 - 29)
Gebruikt alcohol (heden)
53 (2.428) 41 (643)
Body mass index (kg/m2) 27 (4)
27 (5)
Visceraal vetweefsel (cm)
10 (3)
8 (2)
Componenten van het metabool syndroomb
Middelomtrek (cm)
Systolische bloeddruk (mmHg)
Diastolische bloeddruk (mmHg)
Serum triglyceriden (mmol/l)
High density lipoprotein - cholesterol (mmol/l)
Nuchter serum glucose (mmol/l)
Metabool syndroomb
98 (11)
89 (13)
141 (20)
143 (21)
80 (10)
78 (10)
1,4 (1,0 - 2,1)
1,4 (1,0 - 1,9)
1,2 (0,3)
1,4 (0,4)
5,8 (5,4 - 6,5)
5,6 (5,2 - 6,4)
53 (2.434)
Aantal componenten:
55 (867)
0-1
17 (762)
21 (338)
2-3
57 (2.626)
49 (772)
4-5
46 (1.194)
30 (477)
Medische voorgeschiedenisc
Coronairlijden
66 (3.022)
Cerebraal vaatlijden
25 (1.155)
39 (616)
Perifeer arterieel vaatlijden
18 (841)
25 (403)
Aneurysma van de abdominale aorta
10 (459)
5 (86)
Kanker (exclusief non-melanoma huidkanker)
Diabetes mellitus
4 (171)
4 (61)
17 (799)
18 (269)
Data zijn weergegeven als gemiddelde (standaard deviatie), percentage (aantal) of mediaan
(interkwartielafstand)
a
Alleen voor ooit-rokers
b
c
Volgens de NCEP-R criteria
Medische voorgeschiedenis inclusief vaatlijden en/of diabetes gediagnosticeerd bij inclusie
85
Kanker bij HVZ patiënten
44 (699)
Kankerincidentie bij patiënten met hart- en vaatziekten
Gedurende een mediane follow-up duur van 5,5 jaar (interkwartielafstand:
2,9-8,6 jaar) werden er 429 mannen (8,5%) en 134 vrouwen (7,9%) gediagnosticeerd
met kanker. Patiënten met hart- en vaatziekte hadden een 19% (95% BI 10%-29%)
verhoogd risico op kanker. Vooral bij vrouwen was het risico aanzienlijk verhoogd
(SIR = 1,48, 95% BI 1,25-1,75), onder andere voor colorectaal, nier en longkanker
(tabel 5.2). Bij mannen werd een verhoogde incidentie van kanker van de lip, mond
en keelholte en long en blaaskanker gezien. In de figuur 5.1 worden cumulatieve
incidentie curves voor kanker (verwacht en geobserveerd) en nieuwe hart- en
vaatziekten (geobserveerd) weergegeven voor mannen en vrouwen.
Tabel 5.2
Gestandaardiseerde incidentie ratio’s voor kanker bij mannen en vrouwen met hart- en
vaatziekten
Mannen (n= 4.583)
Kanker lokalisatie (ICD-10 code)
Geobserveerd
Verwacht
SIR (95% BI)
Lip, mond- en keelholte (C00-C14)
18
10,2
1,76 (1,04 - 2,78)
Oesofagus (C15)
14
16,2
0,87 (0,47 - 1,45)
Maag (C16)
15
8,9
1,69 (0,95 - 2,80)
Colon en rectum (C18-C20)
58
62,1
0,93 (0,71 - 1,21)
Pancreas (C25)
10
9,4
1,07 (0,51 - 1,96)
110
79,8
1,38 (1,13 - 1,66)
19
11,7
1,62 (0,97 - 2,53)
Mamma (C50)
-
-
-
Corpus uteri (C54)
-
-
-
Larynx, trachea/bronchus/long (C32-C34)
Melanoom van de huid (C43)
Ovarium (C56)
-
-
-
Prostaat (C61)
91
104,5
0,87 (0,70 - 1,07)
Nier (C64)
18
11,1
1,62 (0,96 - 2,56)
Blaas (C67)
34
21,2
1,60 (1,11 - 2,24)
Lymfoïd en hematopoëtisch weefsel (C81-C96)
30
33,3
0,90 (0,61 - 1,29)
Overig
44
40,4
1,09 (0,79 - 1,46)
461
408,8
1,13 (1,03 - 1,24)
Totaal (exclusief non-melanoma huidkanker)
86
Kanker bij HVZ patiënten
Vrouwen (n= 1.589)
Kanker lokalisatie (ICD-10 code)
Geobserveerd
Verwacht
Lip, mond- en keelholte (C00-C14)
0
1,7
-
Oesofagus (C15)
1
1,6
0,63 (0 - 3,58)
Maag (C16)
Colon en rectum (C18-C20)
Pancreas (C25)
Larynx, trachea/bronchus/long (C32-C34)
Melanoom van de huid (C43)
Mamma (C50)
SIR (95% BI)
2
1,6
1,27 (0,12 - 4,64)
25
14,6
1,71 (1,11 - 2,53)
4
2,6
1,54 (0,40 - 3,97)
31
10,9
2,86 (1,94 - 4,05)
6
3,8
1,59 (0,57 - 3,47)
31
28,5
1,09 (0,74 - 1,54)
Corpus uteri (C54)
9
5,1
1,76 (0,80 - 3,35)
Ovarium (C56)
3
3,4
0,88 (0,17 - 2,60)
Prostaat (C61)
-
-
-
Nier (C64)
6
2,1
2,92 (1,05 - 6,38)
Blaas (C67)
1
1,7
0,58 (0 - 3,29)
Lymfoïd en hematopoëtisch weefsel (C81-C96)
10
7,5
1,34 (0,64 - 2,47)
Overig
12
18,6
0,64 (0,33 - 1,13)
141
95,1
1,48 (1,25 - 1,75)
Totaal (exclusief non-melanoma huidkanker)
SIR: Gestandardiseerde incidence ratio (quotiënt van geobserveerde en verwachte aantallen van kanker)
BI: Betrouwbaarheids interval
Gepresenteerde SIRs zijn gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en kalenderjaar. De weergegeven aantallen
bevatten afzonderlijke casus: een individuele patiënt die meerdere keren is gediagnosticeerd met kanker
(recidieven uitgezonderd) is meerdere keren meegeteld
Risicofactoren voor kanker bij patiënten met hart- en vaatziekten
Roken was de belangrijkste determinant voor het risico op kanker (HR voor
huidige rokers = 1,37; 95% BI 1,05-1,73). Zoals verwacht was het effect van roken
vooral te zien voor longkanker. Dit effect was sterker naarmate het aantal
pakjaren groter was (HR voor 1 tot 30 pakjaren = 2,41; 95% BI 1,11-5,22; voor
≥30 pakjaren HR = 5,14, 95% BI 2,37-11,14).
Er werd een inverse relatie gezien tussen BMI, middelomtrek, visceraal
vetweefsel en het totale risico op kanker (HR = 0,89, 95% BI 0,81–0,99;
HR = 0,91, 95% BI 0,81–1,02 en HR = 0,90, 95% BI 0,80–1,02 per standaard
deviatie toename, respectievelijk). Eenzelfde relatie werd gezien tussen de
verschillende vetmaten en het risico op long- en prostaatkanker. Er was een
significante verhoging van het risico op borstkanker bij toename van het
visceraal vetweefsel als maat voor abdominaal overgewicht bij vrouwen
87
Kanker bij HVZ patiënten
(HR = 1,42; 95% BI 1,03-1,96).
Er werd geen effect van aanwezigheid van het metabool syndroom
op het risico op kanker gezien (HR = 0,92, 95% BI 0,77-1,10) en ook het
aantal componenten van het metabool syndroom had geen effect op de
kankerincidentie.
Figuur 5.1Cumulatieve incidentie van kanker en nieuwe vasculaire aandoeningen bij patiënten
met hart- en vaatziekten naar geslacht
Kans (%)
Mannen
Vrouwen
40
40
30
30
20
20
10
10
0
0
0
2
4
6
8
10
12
0
Jarenvanafinclusie
Kanker (geobserveerd)
2
4
6
8
10
12
Jarenvanafinclusie
Kanker (verwacht)
Vasculaire aandoeningen (geobserveerd)
Appendix
Patiënten voldeden aan de definitie van het metabool syndroom als er drie of
meer van de volgende criteria aanwezig waren:
1. Abdominale obesitas: middelomtrek ≥ 102 cm bij mannen of ≥ 88 cm bij
vrouwen
2. Hypertensie: bloeddruk ≥ 130mmHg systolisch of ≥ 85mmHg diastolisch of
gebruik van bloeddruk verlagende medicatie
3. Hypertriglyceridemie: serum triglycerides ≥ 1,70 mmol/l
4. Verlaagd HDL-cholesterol: serum HDL-cholesterol < 1,03 mmol/l bij
mannen of < 1,3 mmol/l bij vrouwen
5. Verhoogd nuchter glucose: serum glucose ≥ 5,6 mmol/l of gebruik van
glucose verlagende medicatie
88
Kanker bij HVZ patiënten
5.4 Bespreking
In de huidige studie werd het risico op kanker in een Nederlands cohort van
patiënten met hart- en vaatziekte onderzocht. Er werd in deze populatie
een 19% hogere incidentie van kanker gezien dan verwacht, gebaseerd op de
incidentie van kanker in de Nederlandse populatie met eenzelfde leeftijd en
geslachtverdeling. Het verhoogde risico op kanker was meer uitgesproken
aanwezig bij vrouwen (48%) dan bij mannen (13%). Bij mannen was het risico
op kanker van de lip, mond en keelholte en long en blaaskanker verhoogd,
terwijl vrouwen een verhoogd risico hadden voor colorectaal, nier- en
longkanker hadden. Roken was de belangrijkste risicofactor voor kanker bij
patiënten met hart- en vaatziekte. Overgewicht was geassocieerd met een lager
totaal risico op kanker, maar abdominaal overgewicht verhoogde het risico
op borstkanker bij vrouwen. De inverse relatie tussen de gewichtsmaten en
totale kans op kanker zou mogelijk verklaard kunnen worden door het relatief
grote aantal gevallen van long- en (laaggradige) prostaatkanker, waarvoor een
eenzelfde inverse relatie met BMI eerder beschreven is.2, 11, 12
Een kanttekening bij de analyses is dat de algemene Nederlandse populatie,
waarin hart- en vaatziekte vaak voorkomen, als referentiegroep diende voor
het bepalen van de SIR. Dit kan mogelijk tot een onderschatting van de SIRs
hebben geleid, doordat de aanwezigheid van personen met hart- en vaatziekte
in de referentiegroep het contrast tussen deze groep en patiënten met hart- en
vaatziekte mogelijk vermindert.
Het verhoogde risico op kanker bij patiënten met hart- en vaatziekte
benadrukt het belang van leefstijlverbetering. Met farmacologische
behandeling en een gerichte aanpak van gedeelde risicofactoren zou het
risico op nieuwe vaatziekten en kanker wellicht gelijktijdig verlaagd kunnen
worden.3, 13 Het nut van dergelijke interventies dient uiteindelijk geëvalueerd
te worden in studies waarin het absolute effect op beide aandoeningen wordt
meegenomen.
89
Kanker bij HVZ patiënten
Gebruikte literatuur
1.
Centraal Bureau voor de Statistiek [Juni 2013].
URL: http://statline.cbs.nl/statweb/?LA=NL
2.
van Kruijsdijk RC, van der Graaf Y, Peeters PH, Visseren FL. Cancer Risk in Patients
with Manifest Vascular Disease: Effects of Smoking, Obesity, and Metabolic
Syndrome. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 2013; 22: 1267-77.
3.
Rasmussen-Torvik LJ, Shay CM, Abramson JG, Friedrich CA, Nettleton JA, Prizment
AE, et al. Ideal cardiovascular health is inversely associated with incident cancer: the
atherosclerosis risk in communities study. Circulation 2013; 127: 1270-5.
4.
van Kruijsdijk RC, van der Wall E, Visseren FL. Obesity and cancer: the role of dysfunctional adipose tissue. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 2009; 18: 2569-78.
5.
Koopman C, van Dis I, Visseren FLJ, Vaartjes I, ML B. Hart- en vaatziekten
in Nederland 2012, cijfers over risicofactoren, ziekte en sterfte. Den Haag:
Hartstichting, 2012.
6.
Roger VL, Go AS, Lloyd-Jones DM, Benjamin EJ, Berry JD, Borden WB, et al.
Executive summary: heart disease and stroke statistics--2012 update: a report from
the American Heart Association. Circulation 2012; 125: 188-97.
7.
Simons PC, Algra A, van de Laak MF, Grobbee DE, van der Graaf Y. Second manifestations of ARTerial disease (SMART) study: rationale and design. Eur J Epidemiol
1999; 15: 773-81.
8.
Stolk RP, Meijer R, Mali WP, Grobbee DE, van der Graaf Y. Ultrasound measurements of intraabdominal fat estimate the metabolic syndrome better than do measurements of waist circumference. Am J Clin Nutr 2003; 77: 857-60.
9.
Stolk RP, Wink O, Zelissen PM, Meijer R, van Gils AP, Grobbee DE. Validity and
reproducibility of ultrasonography for the measurement of intra-abdominal adipose
tissue. Int J Obes Relat Metab Disord 2001; 25: 1346-51.
10.
van Kruijsdijk RC, Eijkemans MJ, Visseren FL. Concurrerende risico’s in klinisch
onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 2012; 156: A5176.
11.
Hsing AW, Sakoda LC, Chua S, Jr. Obesity, metabolic syndrome, and prostate cancer.
Am J Clin Nutr 2007; 86: s843-57.
12.
Renehan AG, Tyson M, Egger M, Heller RF, Zwahlen M. Body-mass index and incidence of cancer: a systematic review and meta-analysis of prospective observational
studies. Lancet 2008; 371: 569-78.
13.
Rothwell PM, Price JF, Fowkes FG, Zanchetti A, Roncaglioni MC, Tognoni G, et al.
Short-term effects of daily aspirin on cancer incidence, mortality, and non-vascular
death: analysis of the time course of risks and benefits in 51 randomised controlled
trials. Lancet 2012; 379: 1602-12.
Dit is een Nederlandse samenvatting van onderzoek dat eerder werd
gepubliceerd in Cancer Epidemiology, Biomarkers & Prevention 2013; 22;
1267–772 met als titel ‘Cancer Risk in Patients with Manifest Vascular Disease:
Effects of Smoking, Obesity, and Metabolic Syndrome’
90
Kanker bij HVZ patiënten
6.1Prevalentie en trends van
roken, voeding en bewegen
in de Nederlandse bevolking
A. Blokstra1, I. van Dis2, W.M.M. Verschuren1
1
Centrum voor Voeding, Preventie en Zorg, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
Milieu, Bilthoven
2
Hartstichting, Den Haag
6.1.1 Inleiding
Belangrijke factoren in onze leefstijl die van invloed zijn op het ontstaan
van hart- en vaatziekten (HVZ) zijn roken, voeding (onder andere groente,
fruit, vis en verzadigde vetten) en bewegen. De invloed van leefstijlfactoren
op HVZ verloopt soms rechtstreeks maar vaak via factoren, die endogene
risicofactoren worden genoemd: overgewicht, verhoogde bloeddruk, verhoogd
cholesterolgehalte en diabetes mellitus (figuur 6.1.1; ref. 1). In dit hoofdstuk
wordt van de leefstijlfactoren roken, voeding en bewegen beschreven hoeveel
procent van de bevolking een ongunstig niveau heeft en hoe de trend zich in
de tijd ontwikkelt.
Figuur 6.1.1 Relatie tussen leefstijl- en risicofactoren, ziekten en sterfte aan hart- en vaatziekten
Endogene
risicofactoren:
Leefstijlfactoren:
Voeding
Roken
Bewegen
Alcohol
91
Cholesterolgehalte
Bloeddruk
Lichaamssamenstelling
Diabetes mellitus
Roken, voeding en bewegen
Hart- en
vaatziekten
Sterfte aan harten vaatziekten
6.1.2 Roken
Roken verhoogt het risico op verschillende kankersoorten en COPD, en is ook een
belangrijke risicofactor voor hart- en vaatziekten. Zo was in 2011 17% van de sterfte
aan coronaire hartziekten, 7% van de sterfte aan beroerte en 12% van de sterfte aan
hartfalen te wijten aan roken. In 2011 overleden in totaal bijna 19.000 mensen van
20 jaar en ouder ten gevolge van een aan roken gerelateerde aandoening, waarvan
bijna 3.000 aan coronaire hartziekten, beroerte of hartfalen.2
Prevalentie naar leeftijd
In 2012 rookte 26% van de mannen en vrouwen van 15 jaar of ouder wel eens
of dagelijks: 27% van de mannen en 25% van de vrouwen. In vrijwel alle
leeftijdsklassen roken meer mannen dan vrouwen (zie figuur 6.1.2). Het
percentage rokers onder mannen is het hoogst bij 25-34 jarigen en bij vrouwen
in de leeftijdsklasse 45-54 jaar. In de oudere leeftijdsklassen is het percentage
rokers veel lager (slechts 12% van de mannen en 7% van de vrouwen van 75 jaar
of ouder rookte in 2012). Gemiddeld rookten rokers van 15 jaar of ouder in 2012
14 sigaretten en/of shagjes per dag.
Figuur 6.1.2 Percentage rokers (15 jaar en ouder) naar leeftijd en geslacht in 2012
Bron STIVORO, Continu Onderzoek Rookgewoonten
Percentage rokers (%)
40
30
20
10
0
15-24
25-34
35-44
45-54
55-64
65-74
75+
Totaal
Leeftijd (jaren)
Mannen
Vrouwen
In 2012 gaf 18% van de jongeren van 10-19 jaar aan dat ze in de afgelopen
vier weken hadden gerookt. Hiervan rookte 11% dagelijks. Tot 13 jaar
rookten weinig jongeren, maar daarna nam het percentage jongeren dat in
de afgelopen vier weken rookte toe tot 42% onder 18 jarigen en 37% van de
19-jarigen (zie figuur 6.1.3).
92
Roken, voeding en bewegen
Figuur 6.1.3Percentage jongeren (10-19 jaar) dat in 2012 aangeeft de afgelopen vier weken
gerookt te hebben, naar leeftijd
Bron STIVORO, Roken Jeugd Monitor
Percentage rokers (%)
50
40
30
20
10
0
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
Totaal
Leeftijd (jaren)
Prevalentie naar opleidingsniveau
Bij mensen met een lage opleiding (lager onderwijs, vmbo of mavo) is het
percentage rokers hoger dan bij mensen met een hoge opleiding (hbo of
universiteit). In 2012 rookte 30% van de mannen met een lage opleiding en 22%
van de mannen met een hoge opleiding. Voor vrouwen waren deze percentages
30% en 18% (zie figuur 6.1.4).
Figuur 6.1.4Percentage rokers (15 jaar en ouder) naar hoogst genoten opleidinga en geslacht in 2012
Bron STIVORO, Continu Onderzoek Rookgewoonten
Percentage rokers (%)
40
30
20
10
0
laag
midden
hoog
Opleidingsniveau
Mannen
93
a
Vrouwen
laag=lager onderwijs, vmbo, mavo; midden=havo, vwo, mbo; hoog=hbo, universiteit
Roken, voeding en bewegen
Trend in de tijd
In 1963 rookte nog bijna 60% van de mannen en vrouwen van 15 jaar en ouder.
Voor mannen was dit zelfs meer dan 80%. Bij mannen daalde het percentage
rokers vervolgens vrij sterk naar ongeveer 40% begin jaren tachtig. Bij vrouwen
steeg het percentage rokers eerst nog van ruim 30% in 1963 naar ruim 40% in
1970, maar ook daar trad daarna een daling op (zie figuur 6.1.5).
In de 80-er jaren daalde het percentage rokers (mannen en vrouwen samen)
van 40% naar ongeveer 35%, stabiliseerde in de jaren negentig op ongeveer 33%
en daalde vervolgens naar ongeveer 28% in 2004 en daarna verder naar 25% in
2011. In 2012 is dit percentage weer iets gestegen naar 26%. Dit is met name te
danken aan een stijging bij de vrouwen. De toekomst moet uitwijzen of deze
stijging doorzet. De daling in het percentage rokers na 1980 is te zien in de
meeste leeftijdsgroepen, maar niet of nauwelijks bij jongeren van 15-19 jaar en
bij vrouwen van 65 jaar of ouder. Bij vrouwen is de daling het sterkst bij 20-34
jarigen en bij mannen in de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder (zie figuur 6.1.6).
Figuur 6.1.5 Percentage rokers van 15 jaar en ouder in de periode 1963-2012
Bron STIVORO, Continu Onderzoek Rookgewoonten
Percentage rokers (%)
100
80
60
40
20
Mannen
94
Vrouwen
Roken, voeding en bewegen
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
1980
1975
1970
1963
0
1967
Jaar
Figuur 6.1.6 Percentage mannen en vrouwen dat rookt in de periode 1980-2012, naar leeftijd
Bron STIVORO, Continu Onderzoek Rookgewoonten
Mannen
Percentage rokers (%)
60
50
40
30
20
10
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
1980
0
Jaar
Vrouwen
Percentage rokers (%)
60
50
40
30
20
10
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
1989
1988
1987
1986
1985
1984
1983
1982
1981
1980
0
Jaar
15-19
20-34
35-49
50-64
65+
Jaar
Het percentage jongeren van 10-19 jaar dat aangaf in de afgelopen 4 weken
gerookt te hebben is sinds halverwege de negentiger jaren gedaald. Bij 10-14
jarigen van ongeveer 12% in 1995-1997 naar ongeveer 8% in 2011 en voor 15-19
jarigen van ongeveer 47% naar ongeveer 38%. De verschillen tussen jongens en
meisjes zijn klein.
95
Roken, voeding en bewegen
6.1.3 Voeding
Een ongezond voedingspatroon is van invloed op het ontstaan van een aantal
chronische ziekten, waaronder hart- en vaatziekten. Dit effect verloopt deels
via endogene risicofactoren zoals een ongunstig serumcholesterolgehalte,
verhoogde bloeddruk en overgewicht. Er is echter ook een rechtstreeks effect
van voeding. Zo vermindert de consumptie van groente, fruit, vezelrijke
producten en vis het risico op hart- en vaatziekten. Verzadigde vetzuren en
transvetzuren verhogen het risico op coronaire hartziekten.3
In de Richtlijnen Goede Voeding wordt onder andere geadviseerd dagelijks
minimaal 200 gram groente en 200 gram fruit te eten en het gebruik van
verzadigd vet te beperken tot minder dan 10% van de dagelijkse energieinname (energie%) en van transvetzuren tot minder dan 1% van de dagelijkse
energie-inname. Daarnaast wordt geadviseerd om minimaal twee keer per
week vis te eten, waarvan in ieder geval één keer vette vis. Om rekening te
houden met de ecologische belasting van dit advies wordt verondersteld dat
een positief gezondheidseffect al wordt bereikt wanneer één keer per week
(vette) vis wordt gegeten.4 Geadviseerd wordt om het gebruik van keukenzout
te beperken tot maximaal 6 gram per dag (voor 7-8 jarigen 5 gram per dag en
voor 9-13 jarigen 5/6 gram per dag). In deze paragraaf wordt voor een aantal
voedingsmiddelen en nutriënten gekeken naar de gemiddelde inname en voor
een aantal naar het percentage personen dat niet aan de richtlijn voldoet.
Prevalentie naar leeftijd
In de voedselconsumptiepeilingen (VCP) worden sinds 1987 periodiek
gegevens verzameld over de voedselconsumptie en voedingstoestand
van de Nederlandse bevolking. De VCP-basisgegevensverzameling meet
de voedselconsumptie in de algemene bevolking van 7 tot 69 jaar. Voor
specifieke doelgroepen, zoals jonge kinderen, jongvolwassenen en ouderen,
zijn er aanvullende peilingen. In voedingsstatusonderzoek wordt de
inname van micronutriënten gemeten die minder goed met de gewone
voedselconsumptiepeilingen te meten zijn (zoals jodium en natrium).
Onderstaande resultaten zijn afkomstig van de voedselconsumptiepeilingen
uitgevoerd in 2007-2010 en van voedingsstatusonderzoek uit 2006 en 2010.5
Van de volwassenen van 19 tot 69 jaar eet 10% van de vrouwen en 6% van de
mannen de aanbevolen hoeveelheid fruit (zie figuur 6.1.7).6 Voor groente is
dat 5% respectievelijk 6%. Een klein deel van de mannen en vrouwen voldoet
aan de richtlijn voor verzadigd vet: 3% van de mannen en 7% van de vrouwen
eet minder dan 10 energie% verzadigd vet. Wel voldoet bijna iedereen aan
de richtlijn voor transvetzuren. Aan de richtlijn voor vis wordt door een
96
Roken, voeding en bewegen
minderheid voldaan: 20% van de mannen en vrouwen eet twee of meer keer
per week vis. Wel eet 47% van de mannen en 52% van de vrouwen minimaal één
keer per week vis. In de hoogste leeftijdsgroep (51-69 jaar) is dit zelfs ongeveer
twee derde. De meeste volwassenen van 19 tot 69 jaar eten teveel zout: slechts
3% van de mannen en 19% van de vrouwen voldoet aan de richtlijn voor
zoutinname.
Van de jongeren van 7 tot 18 jaar is het percentage dat voldoet aan de richtlijn
voor groente, fruit en vis nog lager dan voor volwassenen (zie figuur 6.1.8).6
Slechts 1% van de jongens en meisjes van 7-18 jaar voldoet aan de richtlijn voor
groente en voor fruit is dat 5%. Ongeveer 8% van de jongeren eet ≥ 2 keer per
week vis. Voor verzadigd vet en zout is de situatie voor jongeren wat gunstiger
dan voor volwassenen: 5% van de jongens en 9% van de meisjes voldoet aan de
richtlijn voor verzadigd vet. Voor zoutinname is dat respectievelijk 13% en 26%.
Figuur 6.1.7Percentage volwassenen van 19-69 jaar dat voldoet aan de Richtlijn Goede Voeding in
2007-20106
Bron VCP 2007-2010
Percentage voldoet (%)
100
80
60
40
20
0
Groenten
Mannen
97
Fruit
Vrouwen
Roken, voeding en bewegen
Vis
Verzadigd vet
Transvet
Zout
Figuur 6.1.8Percentage jongeren van 7-18 jaar dat voldoet aan de Richtlijn Goede Voeding in
2007-20106
Bron VCP 2007-2010
Percentage voldoet (%)
100
80
60
40
20
0
Groenten
Mannen
Fruit
Vis
Verzadigd vet
Transvet
Zout
Vrouwen
De gemiddelde consumptie van groente, fruit en vis is het hoogst bij de
leeftijdsklasse 51- 69 jaar (zie tabel 6.1.1 en figuur 6.1.9). De inname van
verzadigd vet is echter het gunstigst bij kinderen en jong volwassenen (19-30
jaar). De gemiddelde zoutinname van volwassenen van 19-69 jaar is 9,9 gram
per dag voor mannen en 7,5 gram per dag voor vrouwen. Voor jongeren van
7-18 jaar is dat 8,3 gram voor jongens en 6,7 gram voor meisjes (niet in tabel).6
98
Roken, voeding en bewegen
Tabel 6.1.1Gemiddelde dagelijkse consumptie van groente, fruit, vis en verzadigde vetten in
2007-2010, naar leeftijd
Bron VCP 2007-2010
Groenten
Fruit, incl. noten
Vis en schelpdieren
Verzadigde vetten
(gram/dag)
(gram/dag)
(gram/dag)
(en%)
LeeftijdMan
VrouwMan
VrouwMan
VrouwMan
Vrouw
7-8 jaar
6262
9797
6 6 12,5
12,5
9-13 jaar
7670
8489
8 7 12,813
14-18 jaar
9588
7694
8 6 12,5
12,7
19-30 jaar
116112
76100
16 10
31-50 jaar
134126
111119
17 16
1313,4
51-69 jaar
136146
125152
20 20
13,113,4
Richtlijn
200 gram/dag1 1
Voor 7-13 jarigen 150 gram/dag
2
Voor 7-8 jarigen 150 gram/dag
200 gram/dag2 12,412,9
< 10 energie-procent
Figuur 6.1.9Percentage jongeren van 7–18 jaar en volwassenen van 19-69 jaar dat voldoet aan de
richtlijn voor groenten1, fruit2, vis en verzadigd vet in 2007-2010, naar leeftijd en geslacht
Bron VCP 2007-2010
Mannen
Percentage voldoet (%)
30
Vrouwen
25
20
15
10
5
0
7-8
9-13
14-18 19-30 31-50 51-69
7-8
9-13
14-18 19-30 31-50 51-69
Leeftijd (jaren)
Groenten
Fruit
Vis
Verzadigd vet
1
Voor 7-13 jarigen 150 gram/dag, overige leeftijden 200 gram/dag
2
Voor 7-8 jarigen 150 gram/dag, overige leeftijden 200 gram/dag
99
Roken, voeding en bewegen
De belangrijkste bronnen voor verzadigd vet en zout zijn te zien in figuur
6.1.10 en 6.1.11. Voor verzadigd vet zijn de belangrijkste bronnen (≥ 10%
van de totale inname): kaas, banket en zoetwaren, vlees(bereidingen)
en melkproducten. Van de totale zoutinname is het merendeel (79%)
afkomstig uit voedingsmiddelen en 21% wordt tijdens het koken en/of aan
tafel toegevoegd. De belangrijkste voedingsmiddelen die bijdragen aan de
zoutinname zijn brood, kaas en vleeswaren.7
Figuur 6.1.10Bijdrages van productgroepen aan de inname van verzadigde vetzuren in de
Nederlandse bevolking7
Bron VCP 2007-2010
Overige producten 2%
Overige producten
met NEVO codes 17%
Kaas 19%
Bak- en braadproducten 3%
Brood 4%
Banket en zoetwaren 13%
Snacks hartig 4%
Vleeswaren 6%
Vlees(bereidingen) 12%
Smeersels voor op brood 9%
Melkproducten 11%
Figuur 6.1.11Bijdrages van productgroepen aan de inname van natrium in de Nederlandse bevolking7
Bron VCP 2007-2010
Overige producten 5%
Overige producten
met NEVO codes 12%
Brood totaal 28%
Smaakmakers 3%
Banket en zoetwaren 4%
Soepen 5%
(Maaltijd)sauzen 5%
Kaas 10%
Snacks hartig 5%
Melkproducten 6%
Vlees (bereidingen) 7%
100
Roken, voeding en bewegen
Vleeswaren 10%
Prevalentie naar opleiding
Volwassenen met een lage opleiding (lager onderwijs, lbo/vmbo, mavo) eten
gemiddeld ongeveer 25 gram minder groenten en 30 gram minder fruit
dan mensen met een hoog opleidingsniveau (hoger beroepsonderwijs of
universiteit) (zie tabel 6.1.2).8 Ook het percentage mensen dat twee of meer
keer per week vis eet is het hoogst bij mannen en vrouwen met een hoge
opleiding. De inname van verzadigde vetten verschilt niet significant naar
opleidingsniveau, maar is wel het hoogst bij mensen met een lage opleiding.
Voor transvetzuren is er geen verschil tussen de opleidingsniveaus.
Tabel 6.1.2Gemiddelde consumptie van groente (g/dag), fruit (g/dag), vis (% ≥ 2x/week), verzadigde
vetzuren (energie%) en transvetzuren (energie%) bij 19-69 jarigen, naar opleidingsniveaua
Bron VCP 2007-2010
MannenVrouwen
Richtlijn Laag
Gemiddeld
Hoog
Laag
Gemiddeld
Hoog
Groenten
≥200 g/dag124
125
147120
129
147
Fruit (incl. noten)
≥200 g/dag
93
110
123
116
124
147
≥2 x/week
19
18
25
21
18
23
<10 en%
13,0
12,7
12,7
13,2
12,8
12,8
Vis Verzadigde vetzuren
Transvetzuren
a
<1 en%0,6
0,5
0,60,6
0,6
0,6
laag=lager onderwijs, vmbo, mavo; midden=havo, vwo, mbo; hoog=hbo, universiteit
Voor jongeren van 7-18 jaar is gekeken naar het opleidingsniveau van de
ouders, aangezien de meesten hun opleiding nog niet hebben afgerond.
Voor jongeren met ouders met een hoog opleidingsniveau geldt, net als bij
volwassenen, dat de consumptie van groente, fruit en vis het hoogst is bij een
hoog opleidingsniveau (zie tabel 6.1.3).8
101
Roken, voeding en bewegen
Tabel 6.1.3Gemiddelde consumptie van groente (g/dag), fruit (g/dag), vis (% ≥ 2x/week), verzadigde
vetzuren (energie%) en transvetzuren (energie%) bij 7-18 jarigen, naar opleidingsniveaua
Bron VCP 2007-2010
JongensMeisjes
Richtlijn Laag
Gemiddeld
Hoog
Laag
Gemiddeld
Hoog
Groenten
≥150 g/dagb72
77
9263
75
84
Fruit (incl. noten)
≥150 g/dagc73
86
8881
86
108
Vis Verzadigde vetzuren
Transvetzuren
≥2 x/week
5
7
11
4
5
7
<10 en%
12,5
12,5
12,3
12,8
12,6
12,6
<1 en%0,6
0,5
0,50,5
a
laag=lager onderwijs, vmbo, mavo; midden=havo, vwo, mbo; hoog=hbo, universiteit
b
Voor 7-13 jarigen 150 gram/dag, voor de overige leeftijden 200 gram/dag
c
Voor 7-8 jarigen 150 gram/dag, voor de overige leeftijden 200 gram/dag
0,6
0,5
Trend in de tijd
Vanwege verschillen in de gebruikte methodiek van de
voedselconsumptiepeilingen van 2003 en 2007-2010 vergeleken met
eerdere voedselconsumptiepeilingen, is het niet mogelijk om voor alle
voedingsmiddelen en/of nutriënten trendgegevens vanaf 1987-1988 te
presenteren. Voor de gemiddelde consumptie van groente en fruit is dit wél
gedaan voor jongvolwassenen (19-30 jaar), waarbij is aangenomen dat de
gebruikte methodiek hierop geen grote invloed zal hebben (zie figuur 6.1.12).
Voor de overige voedingsmiddelen is alleen een vergelijking van 2007-2010 ten
opzichte van 2003 mogelijk.
De consumptie van groente en fruit is sinds 1987-1988 gedaald bij
jongvolwassenen, maar de daling lijkt de laatste jaren minder sterk (figuur
6.1.12).9 Voor jonge vrouwen is de groenteconsumptie tussen 2003 en 20072010 zelfs licht gestegen en de fruitconsumptie bleef stabiel, terwijl die bij de
jonge mannen verder is gedaald. Ook het percentage jongvolwassen vrouwen
dat ‘eenmaal per maand of nooit’ vis consumeert is gedaald van 59% in 2003
naar 46% in 2007-2010 (niet in figuur). Bij mannen bleef de visconsumptie
stabiel tussen 2003 en 2007-2010.
102
Roken, voeding en bewegen
Figuur 6.1.12Trends in de consumptie van groente en fruit (gram/dag) bij jongvolwassen mannen
en vrouwen (19-30 jaar) over een periode van 25 jaar
Groente en fruit (gram/dag)
Bron Voedselconsumptiepeilingen
180
150
120
90
60
30
0
VCP 1987-1988
VCP 1992
Mannen, groenten
Vrouwen, groenten
VCP 1997-1998
VCP 2003
VCP 2007-2010
Mannen, fruit
Vrouwen, fruit
Aan de inname van verzadigde vetten bij jongvolwassenen is tussen 2003 en
2007-2010 weinig veranderd en deze blijft daarmee te hoog (12,5-13 energie%).
De inname van transvetzuren bij jongvolwassenen is echter wel sterk gedaald
sinds 1987-1988 (van circa 4,5 energie% in 1987-1988 naar circa 0,5 energie% in
2007-2010) en vrijwel iedereen voldoet nu aan de richtlijn (< 1 energie%).
6.1.4 Bewegen
Voldoende bewegen kan het beloop van een aantal chronische aandoeningen,
zoals coronaire hartziekten, beroerte en diabetes mellitus type 2 gunstig
beïnvloeden. Voor een deel verloopt dit effect indirect via factoren als
bloeddruk, gewicht, ratio HDL/LDL-cholesterol, triglyceridengehalte en
insulinegevoeligheid. Daarnaast is er ook een direct risico verlagend effect van
lichamelijke activiteit op deze ziekten.10
Om te meten hoeveel mensen bewegen, zijn verschillende normen en
richtlijnen opgesteld. In Nederland worden doorgaans drie richtlijnen voor
beweeggedrag gehanteerd: de Nederlandse Norm Gezond Bewegen, de
fitnorm en de combinorm (zie kader).
103
Roken, voeding en bewegen
Nederlandse Norm Gezond Bewegen
De Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) is vooral gericht op het
onderhouden van gezondheid op de lange termijn. De norm is verschillend
voor jongeren, volwassenen en ouderen, aangezien activiteiten meer energie
kosten naarmate iemand ouder wordt.
Jongeren (< 18 jaar): dagelijks één uur ten minste matig intensieve lichamelijke
activiteit (≥ 5 METsa), waarbij de activiteiten minimaal twee keer per week
gericht zijn op het verbeteren of handhaven van lichamelijke fitheid (kracht,
lenigheid en coördinatie). Voorbeelden van matig intensieve lichamelijke
activiteit bij jongeren zijn aerobics of skateboarden.
Volwassenen (18-55 jaar): een half uur ten minste matig intensieve lichamelijke
activiteit (≥ 4 METs) op minimaal vijf, maar bij voorkeur alle dagen van de week.
Voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteit bij volwassenen zijn
wandelen met 5-6 km/uur (dus flink doorwandelen) en fietsen met 15 km/uur.
55-plussers: een half uur ten minste matig intensieve lichamelijke activiteit
(≥ 3 METs) op minimaal vijf, maar bij voorkeur alle dagen van de week.
Voor niet-actieven, zonder of met beperkingen, is elke extra hoeveelheid
lichaamsbeweging zinvol, ongeacht duur, intensiteit, frequentie of type.
Voorbeelden van matig intensieve lichamelijke activiteit bij ouderen zijn
wandelen met 3-4 km/uur en fietsen met 10 km/uur.
Fitnorm
De fitnorm is voor jong en oud gelijk en is vooral gericht op het onderhouden van
fysieke fitheid (uithoudingsvermogen, kracht en coördinatievermogen). Iemand
voldoet aan de fitnorm als hij/zij tenminste drie keer per week gedurende
minimaal 20 minuten zwaar intensieve lichamelijke activiteit verricht.
Combinorm
De combinorm is de optelsom van de NNGB en de fitnorm. Iemand voldoet aan
de combinorm wanneer hij/zij aan ten minste één van de beide normen voldoet.
Sedentair gedrag
De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat ook langdurig achtereen zitten,
onafhankelijk van iemands sport- en beweeggedrag, het risico op ziekte en/of
sterfte verhoogt. Onder sedentair gedrag wordt gedrag verstaan met een erg
laag energieverbruik (≤ 1,5 MET), zoals televisie kijken, computeren, zitten
op school of op het werk en liggen. Volgens de richtlijn sedentair gedrag
mogen kinderen van 4 tot 17 jaar in hun vrije tijd niet langer dan 2 uur per
dag computeren en/of televisie/dvd kijken. Voor volwassenen zijn (nog) geen
richtlijnen voor sedentair gedrag.
a
MET=Metabolic Equivalent: meeteenheid om uit te drukken hoeveel energie een
bepaalde fysieke inspanning kost ten opzichte van de benodigde energie in rust
104
Roken, voeding en bewegen
Prevalentie naar leeftijd
In 2011 voldeed 59% van de mannen en 58% van de vrouwen van 12 jaar en
ouder aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen.11 Mannen en vrouwen van
55-75 jaar voldeden het vaakst aan de norm (figuur 6.1.13). De oorzaak van het
hogere percentage ouderen dat aan de norm voldoet ligt mede in het feit dat de
richtlijn voor 55-plussers anders is, waardoor meer activiteiten in de categorie
matig intensief vallen. Het percentage jongeren dat aan de NNGB voldeed is
lager dan bij volwassenen. Dit komt waarschijnlijk doordat jongeren meer
moeten bewegen om aan de norm te voldoen. Van de 12-16 jarigen voldeed 19%
van de jongens en 25% van de meisjes aan de NNGB.
Figuur 6.1.13Percentage mannen en vrouwen van 12 jaar en ouder dat in 2011 voldoet aan de
Nederlandse Norm Gezond Bewegen, naar geslacht en naar leeftijd11
Norm gezondbewegen (%)
Bron CBS Gezondheidsenquête 2011
100
80
60
40
20
0
12-16
16-20
20-30
30-40
40-50
50-55
55-65
65-75
75+
Totaal
Leeftijd (jaren)
Mannen
Vrouwen
In 2011 voldeed ongeveer een derde van de mannen en vrouwen van 12 jaar
en ouder aan de fitnorm en ruim 60% voldeed aan de combinorm (tabel
6.1.4).12 Mannen voldeden vaker dan vrouwen aan zowel de fitnorm als aan
de combinorm. Jongeren van 12-17 jaar voldeden vaker aan de fitnorm dan
volwassenen van 18-54 jaar, maar minder vaak dan 55-plussers. Dit geldt niet
voor de combinorm: hieraan voldeden de jongeren het minst vaak. Boven de 75
jaar is het percentage mannen en vrouwen dat voldoet aan de NNGB, fitnorm
of combinorm weer wat lager.
In de monitor Bewegen en Gezondheid van TNO is ook gekeken naar sedentair
gedrag (zie kader). Een norm voor sedentair gedrag bestaat momenteel alleen
voor jongeren van 4 tot 17 jaar. In 2010-2011 voldeed 57% van de kinderen
105
Roken, voeding en bewegen
van 4 t/m 11 jaar aan deze norm. Gemiddeld besteedden deze kinderen
op weekdagen buiten schooltijd ruim twee uur per dag aan zittende en
liggende activiteiten. Voor adolescenten (12 t/m 17 jaar) is dit ongunstiger:
zij besteedden zo’n 3,5 uur per dag aan zittende en liggende activiteiten na
schooltijd. Dit is meer dan bij volwassenen en ouderen, zowel op weekdagen
als op vrije dagen (zie figuur 6.1.14).13
Tabel 6.1.4Percentage mannen en vrouwen van 12 jaar en ouder dat in 2011 voldoet aan de NNGB, de
fitnorm en aan de combinorm, naar geslacht en naar leeftijd12
Bron CBS Gezondheidsenquête 2011
Achtergrondkenmerken
NNGB (%)
Fitnorm (%)
Combinorm (%)
Geslacht
man (12-17 jaar)
25
34
46
man (18-54 jaar)
57
27
61
man (55+)
70
53
73
vrouw (12-17 jaar)
28
28
43
vrouw (18-54 jaar)
58
18
60
vrouw (55+)
65
51
68
Leeftijd (jaren)
12-15
222840
16-17 35
36
53
18-34 61
28
63
35-54
551858
55-64
735977
65-74
695672
75+
563458
106
Roken, voeding en bewegen
Figuur 6.1.14Sedentair gedrag (aantal uren zitten/liggen exclusief slapen) in 2010-2011, naar
leeftijd13
Bron Monitor Bewegen en Gezondheid TNO
Uren
7
6
5
4
3
2
1
0
4-11
12-17
18-64
65-74
75+
Leeftijd (jaren)
School/werk
Na school/werk
Vrije tijd
Prevalentie naar opleiding
In 2011 voldeden volwassenen van 25 t/m 54 jaar met een hoge opleiding
minder vaak aan de NNGB dan volwassenen met een lage of middelhoge
opleiding: 53% versus 56-60% (CBS Gezondheidsenquête 2011).12 Volwassenen
met een hoge opleiding voldeden echter wel vaker aan de fitnorm (26%
vergeleken met 12% van de laag opgeleiden en 20% van de middelhoog
opgeleiden). Bij 55-plussers voldeden mensen met een hoge opleiding juist
vaker aan de NNGB (80% versus 62% (laag) en 69% (middelhoog)). Ook
voldeden hoog opgeleide 55-plussers vaker aan de fitnorm vergeleken met laag
of middelhoog opgeleide ouderen.
Over sedentair gedrag zijn geen gegevens beschikbaar naar opleidingsniveau.
Trend in de tijd
Het percentage Nederlanders van 12 jaar en ouder dat voldoet aan de
Nederlandse Norm Gezond Bewegen is in de periode 2001-2011 licht gestegen,
van 52% in 2001 naar 58% in 2011.12 Dit geldt zowel voor mannen als voor
vrouwen (zie figuur 6.1.15). Bij uitsplitsing naar leeftijdsgroepen is te zien dat
de stijging het grootst was voor de 18 t/m 54 jarigen: van 50% in 2001 naar 58%
in 2011 (zie figuur 6.1.16).
Ook het percentage Nederlanders van 12 jaar en ouder dat voldoet aan de
fitnorm is gestegen tussen 2001 en 2011, van 28% in 2001 naar 33% in 2011.
De stijging was met name te zien bij de jeugd en bij volwassenen van 18 t/m
107
Roken, voeding en bewegen
54 jaar. Het percentage 55-plussers dat voldoet aan de fitnorm bleef redelijk
stabiel rond de 52%.
Een vergelijkbaar beeld is te zien voor de combinorm: een stijging van 56%
in 2001 naar 62% in 2011, waarbij de stijging het grootst is voor de 18 t/m 54
jarigen en stabiel voor de 55-plussers.
Figuur 6.1.15Percentage mensen van 12 jaar en ouder dat voldoet aan de Nederlandse Norm
Gezond Bewegen in de periode 2001-2011 naar geslacht
Bron CBS Gezondheidsenquête
(%)
65
60
55
50
45
40
2001
2002
2003
Mannen
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
Jaren
Vrouwen
Figuur 6.1.16 Percentage mensen van 12 jaar en ouder dat voldoet aan de Nederlandse Norm
Gezond Bewegen in de periode 2001-2011 naar leeftijd12
Bron CBS Gezondheidsenquête
(%)
80
60
40
20
0
2001
2002
12-17 jaar
108
2003
2004
2005
18-54 jaar
Roken, voeding en bewegen
2006
2007
2008
55 jaar en ouder
2009
2011
Jaren
Voor sedentair gedrag is er een licht stijgende trend te zien tussen 2006 en
2011 in alle leeftijdsgroepen, met uitzondering van de groep van 75 jaar en
ouder (zie tabel 6.1.5).13 Dit geldt zowel voor school/werkdagen als voor de
vrije dagen. Vooral het aantal uren zitten/liggen op een gemiddelde vrije
dag bij jongeren < 18 jaar is toegenomen: voor 4 t/m 11 jarigen van 3,4 uur in
2006/2007 naar 4,1 uur in 2010/2011 en voor adolescenten (12 t/m 17 jaar) van
5,0 uur in 2006/2007 naar 5,9 uur in 2010/2011. Ter vergelijking: voor
volwassenen van 18 t/m 64 jaar steeg het aantal uren zitten/liggen op een vrije
dag van 4,3 uur naar 4,8 uur.
Tabel 6.1.5Sedentair gedrag (aantal uren zitten/liggen exclusief slapen) in de periode 2006/2007 tot
2010/2011, naar leeftijd13
Bron Monitor Bewegen en Gezondheid TNO
2006-20072008-20092010-2011
4-11 jaar
op een gemiddelde schooldag in schooltijd (inclusief transport)
4,5
4,8
4,7
op een gemiddelde schooldag na schooltijd 1,9
2,1
2,2
op een gemiddelde vrije dag 3,43,84,1
a
12-17 jaar
op een gemiddelde school-/werkdag in school-/werktijd
(inclusief transport)
5,7
5,9
5,7
op een gemiddelde school-/werkdag na school-/werktijd 3,1
3,2
3,5
op een gemiddelde vrije dag 5,05,85,9
a
18-64 jaar
op een gemiddelde school-/werkdag in school-/werktijd
(inclusief transport)
3,1
3,5
3,4
op een gemiddelde school-/werkdag na school-/werktijd 2,9
3,0
3,2
op een gemiddelde vrije daga
4,34,34,8
65-74 jaarb
op een gemiddelde vrije daga
4,14,34,5
75 jaar en ouderb
op een gemiddelde vrije daga
5,45,15,0
a
Vakantie- en feestdagen buiten beschouwing gelaten
b
Geen informatie over werkdagen, omdat de aantallen respondenten te laag zijn
109
Roken, voeding en bewegen
6.1.5 Samenvatting
Een ongunstige leefstijl komt nog regelmatig voor in de Nederlandse
bevolking.
Roken
—— In 2012 rookt 26% van de mannen en vrouwen van 15 jaar en ouder wel eens
of dagelijks
—— In vrijwel alle leeftijdsklassen roken meer mannen dan vrouwen
—— Mensen met een lage opleiding roken vaker dan mensen met een hoge
opleiding: 30% van de mensen met een lage opleiding rookt vergeleken met
circa 20% van de mensen met een hoge opleiding
—— Van de jongeren van 10-19 jaar geeft 18% aan in de afgelopen 4 weken
gerookt te hebben en 11% rookt dagelijks
—— Het percentage rokers is gedaald van circa 40% in 1980 naar 26% in 2012
Voeding
—— Van de volwassenen van 19-69 jaar eet 6-10% voldoende fruit en 5-6%
voldoende groente (beide ≥ 200 gram). Voor jongeren van 7-18 jaar is dit
respectievelijk 5% en 1%
—— 3-7% van de volwassenen en 5-9% van de jongeren voldoet aan de richtlijn
voor verzadigd vet (< 10 energie%)
—— 20% van de volwassenen en 8% van de jongeren eet twee of meer keer per
week vis, maar wel eet ongeveer de helft van de volwassenen en een kwart
van de jongeren minimaal één keer per week vis
—— Vrijwel iedereen voldoet aan de richtlijn voor transvetzuren (< 1 energie%),
zowel volwassenen als jongeren
—— Aan de richtlijn voor zout (< 6 gram per dag) voldoet 3-19% van de
volwassenen en 13-26% van de jongeren
—— Volwassenen met een hoog opleidingsniveau eten meer groente, fruit en
vis dan volwassenen met een laag opleidingsniveau. Ditzelfde geldt voor
jongeren van wie de ouders een hoog opleidingsniveau hebben
—— De consumptie van groente en fruit bij jongvolwassenen (19-30 jaar) is
sinds 1987-1988 gedaald, maar de daling lijkt de laatste jaren minder sterk.
De inname van verzadigd vet is tussen 2003 en 2007-2010 nauwelijks
veranderd
110
Roken, voeding en bewegen
Bewegen
—— In 2011 voldoet 59% van de mannen en 58% van de vrouwen van 12 jaar en
ouder aan de Nederlandse Norm Gezond bewegen (NNGB)
—— Voor ouderen tussen 55 en 75 is het percentage dat voldoet aan de NNGB
het hoogst: circa 70%. Van de jongeren van 12-16 jaar voldoet minder dan
een kwart aan de NNGB
—— Kinderen van 4-11 jaar besteden dagelijks na schooltijd ruim 2 uur aan
zittende en liggende activiteiten (sedentair gedrag). Voor adolescenten van
12-17 jaar is dat gemiddeld 3,5 uur. Dit is hoger dan voor volwassenen en
ouderen, zowel op weekdagen als op vrije dagen
—— Volwassenen van 25-54 jaar met een hoge opleiding voldoen minder vaak
aan de NNGB dan mensen met een lage opleiding: 53% versus 56-60%.
Volwassenen met een hoge opleiding voldoen wel vaker aan de fitnorm
(26% versus 12% bij een lage opleiding)
—— Het aantal mensen van 12 jaar en ouder dat voldoet aan de NNGB is
in de periode 2001-2010 gestegen van 52% naar 58%, het meest in de
leeftijdsgroep 18-54 jaar
—— Tussen 2006 en 2011 is het aantal uren sedentair gedrag in alle
leeftijdsgroepen licht gestegen, zowel tijdens een werkdag als tijdens een
vrije dag, met uitzondering van de groep van 75 jaar en ouder
Hoewel er dus ook positieve ontwikkelingen zijn is het nog steeds van belang
gezond gedrag te stimuleren, met name op het gebied van voeding. Hiermee
kan veel gezondheidswinst behaald worden.
111
Roken, voeding en bewegen
Gebruikte literatuur
1.
Blokstra A, van Dis I, Verschuren WMM. Prevalentie en trends van cholesterol,
bloeddruk en gewicht in de Nederlandse bevolking. In: Koopman C, van Dis I,
Visseren FLJ, Vaartjes I, Bots ML. Hart- en vaatziekten in Nederland 2012, cijfers
over risicofactoren, ziekte en sterfte. Den Haag: Hartstichting, 2012.
2.
Gelder BM van, Poos MJJC, Zantinge EM. Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van roken? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas
Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal Kompas
Volksgezondheid\Gezondheidsdeterminanten\Leefstijl\Roken, december 2012.
3.
Kranen HJ van, Raaij JMA van, Bakel AM van. Wat is de relatie tussen voeding
en gezondheid? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas
Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal
Kompas Volksgezondheid\Gezondheidsdeterminanten\Leefstijl\Voeding, maart 2013.
4.
Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding ecologisch belicht. Den Haag, 2011.
5.
Rossum CTM van, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EJM, Ocké
MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010. Diet of children and
adults aged 7 to 69 years. RIVM-rapport 360050006. Bilthoven: RIVM, 2011.
www.voedselconsumptiepeiling.nl
6.
Geurts M, Rossum CTM van. Hoeveel mensen voldoen aan de Richtlijn goede voeding?
In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal Kompas
Volksgezondheid\Gezondheidsdeterminanten\Leefstijl\Voeding, maart 2013.
7.
Temme EHM, Westenbrink S, Toxopeus IB, Hendriksen MAH, Werkman AM,
Klostermann VLC. Natrium en verzadigd vet in beeld. Veranderingen in samenstelling van
voedingsmiddelen in 2012. RIVM briefrapport 350022002. Bilthoven: RIVM, 2013.
8.
Geurts M, Rossum CTM van. Voeding: Zijn er verschillen naar sociaaleconomische status? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal Kompas
Volksgezondheid\Gezondheidsdeterminanten\Leefstijl\Voeding, maart 2013.
9.
Geurts M, Rossum CTM van. Voeding: Zijn Nederlanders de afgelopen jaren
gezonder gaan eten? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas
Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal
Kompas Volksgezondheid\Gezondheidsdeterminanten\Leefstijl\Voeding, maart 2013.
10.
Wendel-Vos GCW. Wat zijn de mogelijke gezondheidsgevolgen van lichamelijke
(in)activiteit? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas
Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal
Kompas Volksgezondheid\Gezondheidsdeterminanten\Leefstijl\lichamelijke activiteit, juni 2012.
11.
Wendel-Vos GCW. Hoeveel mensen zijn voldoende lichamelijk actief? In:
Volksgezondheid Toekomst Verkenning. Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven:
RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal Kompas Volksgezondheid\
Gezondheidsdeterminanten\Leefstijl\lichamelijke activiteit, juni 2013.
12.
Wendel-Vos W, Brugging JW. Bewegen in Nederland: de CBS-cijfers 2001-2011.
In: Hildebrandt VH, Bernaards CM, Stubbe JH (red.). Trendrapport bewegen en
Gezondheid 2010/2011. Leiden: TNO, 2013.
112
Roken, voeding en bewegen
13.
Hendriksen I, Bernaards C, Hildebrandt V, Hofstetter H. Lichamelijke inactiviteit en
sedentair gedrag in Nederland 2000-2011. In: Hildebrandt VH, Bernaards CM, Stubbe
JH (red.). Trendrapport bewegen en Gezondheid 2010/2011. Leiden: TNO, 2013.
De hier gepresenteerde cijfers betreffen een update van hoofdstuk 6 in het
cijferboek Hart- en vaatziekten in Nederland 2006. In hoofdstuk 4 van het
cijferboek Hart- en vaatzieken in Nederland 2012 is een overzicht gegeven van
prevalentie en trends van cholesterol, bloeddruk en gewicht.1 Meer gegevens
treft u op www.hartstichting.nl/professionals (factsheets) en
www.nationaalkompas.nl.
113
Roken, voeding en bewegen
114
Roken, voeding en bewegen
6.2Prevalentie en trends van
diabetes in de Nederlandse
bevolking
A. Blokstra1, I. van Dis2, W.M.M. Verschuren1
1
Centrum voor Voeding, Preventie en Zorg, Rijksinstituut voor Volksgezondheid
2
Hartstichting, Den Haag
en Milieu, Bilthoven
6.2 Inleiding
Diabetes Mellitus (suikerziekte) is een chronische stofwisselingsziekte die
gepaard gaat met een te hoog glucosegehalte (suikergehalte) in het bloed,
doordat het lichaam niet meer in staat is om glucose goed te verwerken. Dat
komt, omdat er te weinig insuline wordt aangemaakt, of omdat het lichaam
ongevoelig is geworden voor insuline. Bij type 1 diabetes mellitus is er sprake
van een absoluut tekort aan insuline als gevolg van de afbraak en verlies van de
insuline producerende cellen (bèta-cellen) in de alvleesklier (pancreas). Type
1 diabetes ontstaat in korte tijd en meestal op jongere leeftijd (tussen 5 jaar en
de puberteit). Type 2 diabetes mellitus ontstaat als gevolg van stoornissen in
de afscheiding van insuline en/of het niet optimaal benutten van de aanwezige
insuline door weefsels (insulineresistentie: ongevoeligheid van het weefsel
voor insuline). Er is daardoor sprake van een relatief tekort aan insuline. Type 2
diabetes ontstaat geleidelijker dan type 1 diabetes. De eerste klachten zijn vaag,
waardoor het soms jaren kan duren voor diabetes mellitus type 2 bij iemand
wordt vastgesteld. Ongeveer 90% van de Nederlandse diabetespatiënten heeft
type 2 diabetes. Belangrijke factoren die de ontwikkeling van type 2 diabetes
beïnvloeden zijn, naast een genetische aanleg, onder andere overgewicht, een
abdominale vetverdeling (vet op de buik), ongezonde voeding, lichamelijke
inactiviteit, diabetes mellitus bij een 1e graads familielid en het hebben gehad
van zwangerschapsdiabetes (het ontwikkelen van suikerziekte tijdens de
zwangerschap, die na de bevalling weer overgaat). Patiënten met diabetes
hebben een verhoogde kans op het krijgen van hart- en vaatziekten en op het
krijgen van afwijkingen aan ogen, nieren en zenuwen.1
115
Diabetes
De diagnose diabetes wordt gesteld aan de hand van de hoeveelheid
glucose in het bloed. De hoeveelheid glucose wordt vastgesteld op
nuchtere maag (nuchtere glucosebepaling) of 2 uur na het drinken van
suikerwater (belastingtest of orale glucosetolerantietest (OGTT)). De
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Amerikaanse Diabetes vereniging
(ADA) hebben grenswaarden bepaald, waarboven men vindt dat er sprake is
van diabetes mellitus (zie tabel 6.2.1).2,3
Tabel 6.2.1Grenswaarden van verminderde glucosetolerantie (IGT), verhoogd nuchter glucose (IFG) en
diabetes mellitus volgens de WHO
Bron WHO, 20062
Glucosewaarden 2 uur na drinken van suikerwater
(orale glucosetolerantietest)
Nuchtere glucosewaarde (mmol/l)
in bloedplasma
<7,8 <6,1
≥7,8-11,1
Normaal
≥11,1
VerminderdeDiabetes
glucosetolerantie
≥6,1 tot 7,0 Verhoogd nuchter
Verhoogd nuchter
glucose
glucose+ Verminderde
Diabetes
glucosetolerantie
≥7,0 Diabetes Diabetes
Diabetes
Tegenwoordig is het ook mogelijk om de diagnose diabetes te stellen op basis
van de waarde van het HbA1c. Dit is minder belastend voor de patiënt, omdat
hij/zij niet nuchter hoeft te zijn voor de bloedafname, en het HbA1c gewoon
gemeten kan worden in het bloed. Het HbA1c is een maat die de gemiddelde
glucosewaarde over de afgelopen 8-12 weken aangeeft. Tot voor kort werd
HbA1c met name gebruikt om te kijken of een diabetespatiënt goed was
ingesteld, dat wil zeggen de juiste dosering medicijnen of insuline gebruikte.
In 2011 is voor het eerst door de WHO aanbevolen de HBA1c meting te
gebruiken voor het vaststellen van de diagnose diabetes4. Ook de International
Diabetes Federation (IDF) en de ADA hebben HbA1c als diagnostische test in
hun richtlijnen opgenomen.3,5 Een HbA1c van 6,5% (48 mmol/mmol) of hoger
wordt dan gezien als meting voor de aanwezigheid van diabetes.1 In Nederland
is het gebruik van HbA1c als diagnostische test nog niet gangbaar.
116
Diabetes
Prevalentie naar leeftijd
Op 1 januari 2011 waren er in Nederland naar schatting 834.100 mensen met
diabetes (type 1 en 2) gediagnosticeerd bij de huisarts: 415.900 mannen en
418.200 vrouwen. De prevalentie (het vóórkomen) neemt vanaf middelbare
leeftijd sterk toe (zie tabel 6.2.2 en figuur 6.2.1). Tussen de 30 en 70 jaar hebben
meer mannen dan vrouwen diabetes, terwijl dit boven de 70 jaar omgekeerd
is. De schattingen zijn gebaseerd op het aantal gediagnosticeerde patiënten in
één landelijk representatieve huisartsenregistratie (LINH), waaraan ruim 80
huisartspraktijken deelnamen.6
Tabel 6.2.2 Prevalentie* van diabetes mellitus naar leeftijd en geslacht op 1 januari 2011
Bron LINH, gegevens bewerkt door het RIVM6
Leeftijd (in jaren)
Mannen
Absoluut aantal
Vrouwen
Mannen
Per 1.000
Vrouwen
0-4
250300
0,5 0,6
5-9
550700
1,1 1,4
10-14
8501.100
1,7
2,3
15-19
1.2001.450
2,4
3,0
20-24
1.7501.950
3,3
3,8
25-29
2.4502.450
4,8
4,9
30-34
3.8003.400
7,5
6,8
35-39
6.9505.650
12,4 10,1
40-44
13.80010.200
21,1
15,9
45-49
23.45016.600
35,8
25,8
50-54
35.15025.050
58,4
42,0
55-59
48.85036.050
89,3
66,4
60-64
69.30054.450
125,2
98,9
65-69
62.50054.700
160,0 136,7
70-74
56.60058.150
187,0 173,6
75-79
44.15056.550
201,6 201,8
80-84
28.15047.450
202,1 214,3
85+
16.25042.050
182,4 193,2
Totaal alle leeftijden
*afgerond op 50-tallen
117
Diabetes
415.900
418.200
50,5
49,7
Figuur 6.2.1 Prevalentie van diabetes mellitus (per 1.000) op 1 januari 2011, naar leeftijd en geslacht
Bron LINH, gegevens bewerkt door RIVM6
250
200
150
100
Mannen
Vrouwen
85+
80-84
75-79
70-74
65-69
60-64
55-59
50-54
45-49
40-44
35-39
30-34
25-29
20-24
15-19
0
10-14
50
5-9
Prevalentie (per 1.000)
0-4
Leeftijd (jaren)
In het bevolkingsonderzoek ‘Nederland de Maat genomen’ (NL de Maat)
zijn in 2009/2010 bij een steekproef van de bevolking bloedglucosewaarden
bepaald en is gevraagd of mensen bekend waren met het hebben van diabetes.
Als de gegevens van dit onderzoek vertaald worden naar de hele Nederlandse
bevolking, hebben naar schatting 582.600 mensen van 30-70 jaar diabetes
(333.100 mannen en 249.500 vrouwen). Een kwart van de mensen bij wie
diabetes werd vastgesteld, wist niet dat ze diabetes mellitus hadden.7 Voor de
cijfers op grond van de huisartsenregistratie zou dat betekenen dat er ongeveer
200.000 mensen zijn die zich niet bewust zijn van het feit dat ze diabetes
hebben. Het aantal gediagnosticeerde diabeten van 30-70 jaar op grond van
de huisartsenregistratie komt redelijk overeen met het aantal personen met
bekende diabetes uit het bevolkingsonderzoek.6
Uit de gegevens van NL de Maat blijkt ook dat er nog ongeveer 750.000
mensen van 30-70 jaar een verstoorde glucosetolerantie hebben. Dit is een
voorloper van diabetes (prediabetes).8 Deze mensen hebben een verhoogde
kans om diabetes te ontwikkelen. Veel van deze mensen weten ook niet
dat zij een verstoorde glucosetolerantie hebben, omdat licht verhoogde
glucoseconcentraties over het algemeen geen klachten geven.
118
Diabetes
Incidentie naar leeftijd
In 2011 werden 52.740 nieuwe patiënten met diabetes gediagnosticeerd:
28.890 mannen en 23.850 vrouwen.6 De incidentie nam toe met de leeftijd tot
ongeveer 75 jaar bij zowel mannen als vrouwen (tabel 6.2.3 en figuur 6.2.2).
Diabetes werd meer bij mannen dan bij vrouwen vastgesteld. Deze schattingen
zijn gebaseerd op het aantal nieuw gediagnosticeerde patiënten in één
landelijk representatieve huisartsenregistratie (LINH).6
Tabel 6.2.3 Incidentie* van diabetes mellitus naar leeftijd en geslacht in 2011
Bron LINH, gegevens bewerkt door het RIVM6
Leeftijd (in jaren)
Absoluut aantal
MannenVrouwen
Per 1.000
MannenVrouwen
0-4
260190
0,6 0,4
5-9
190140
0,4 0,3
10-14
180130
0,3 0,3
15-19
190140
0,4 0,3
20-24
250190
0,5 0,4
25-29
330250
0,7 0,5
30-34
490370
1,0 0,7
820620
1,5 1,1
35-39
40-44
1.4901.110
2,3
1,7
45-49
2.2301.660
3,4
2,6
50-54
2.9402.210
4,9
3,7
55-59
3.5902.700
6,5
4,9
60-64
4.4603.360
8,2
6,2
65-69
3.9203.030
9,5
7,2
70-74
3.1402.620
10,3
7,8
75-79
2.2802.180
10,3
7,8
80-84
1.3701.620
9,6
7,3
7501.350
8,2
6,1
85+
Totaal alle leeftijden
*afgerond op 10-tallen
119
Diabetes
28.890
23.850
3,5
2,8
Figuur 6.2.2 Incidentie van diabetes mellitus (per 1.000) in 2011, naar leeftijd en geslacht
Bron LINH, gegevens bewerkt door RIVM6
Incidentie (per 1.000)
12
10
8
6
4
Mannen
85+
80-84
75-79
70-74
65-69
60-64
55-59
50-54
45-49
40-44
35-39
30-34
25-29
20-24
15-19
10-14
5-9
0
0-4
2
Leeftijd (jaren)
Vrouwen
Prevalentie naar opleiding
Het percentage mensen dat zelf aangeeft diabetes te hebben is op basis van
CBS gezondheidsenquêtegegevens in 2011 duidelijk hoger bij laagopgeleiden
dan bij hoogopgeleiden (zie figuur 6.2.3). Bij mensen in de laagste
opleidingscategorie (alleen lagere school) heeft 14,6% van de mensen boven de
25 jaar diabetes. In de hoogste opleidingscategorieën (HBO en universiteit) is
dat ongeveer 3%.
Figuur 6.2.3Prevalentie van diabetes in de Nederlandse populatie van 25 jaar en ouder, naar
hoogst voltooid opleidingsniveau
Bron CBS, Gezondheidsenquête, 2011
Prevalentie van diabetes (%)
20
15
10
5
0
basisonderwijs
vmbo, mbo1, avo
havo, vwo, mbo
hbo
universiteit
Opleidingsniveau
120
Diabetes
Ook op basis van het bevolkingsonderzoek NL de Maat blijkt dat diabetes
vaker voorkomt bij de lager opgeleiden (zie tabel 6.2.4).6 Niet alleen het aantal
patiënten bij wie diabetes is vastgesteld is hoger onder mensen met alleen
een lagere school diploma, maar ook het aantal mensen dat op basis van de
bloeduitslagen diabetes heeft, maar het eigenlijk niet weet, ligt hoger onder de
lager opgeleiden (tabel 6.2.4).
Tabel 6.2.4Prevalentie van diabetes bij mannen en vrouwen van 30-70 jaar, naar hoogst voltooid
opleidingsniveau; leeftijdgestandaardiseerd naar de bevolking in Nederland van 2010
Bron NL de Maat 2009/20106
Opleidingsniveau
Totaal diabetes (%)
Lagere school
Onbekende diabetes (%) Bekende diabetes (%)
13,2
3,6
9,5
Mavo, lbo, vmbo
5,6
1,4
4,3
Havo, vwo, mbo
5,1
1,2
3,9
Hbo, universiteit
4,5
1,1
3,4
Trend in de tijd
Tussen 1991 en 2011 is de puntprevalentie (prevalentie op 1 januari) van diabetes
mellitus voor mannen ongeveer verdubbeld en voor vrouwen met ongeveer
50% gestegen. De stijging was het grootst vanaf ongeveer 2000 (zie figuur
6.2.4). Deze cijfers zijn gebaseerd op de Continue Morbiditeitsregistratie
(CMR) Nijmegen en omstreken en het Registratienet Huisartsenpraktijken
(RNH) Limburg.9
121
Diabetes
Figuur 6.2.4Puntprevalentie (prevalentie op 1 januari) van diabetes mellitus in de periode
1991-2011 (3-jarig voortschrijdend gemiddelde); gestandaardiseerd naar de
bevolking in Nederland van 2010 en geïndexeerd (1992=100).
Prevalentie (geïndexeerd)
Bronnen CMR-Nijmegen e.o. en RNH9
250
200
150
100
50
0
1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
Jaar
CMR-Nijmegen mannen
RNH-Limburg mannen
CMR-Nijmegen vrouwen
RNH-Limburg vrouwen
Ook het aantal nieuwe gevallen van diabetes mellitus (incidentie) is flink
gestegen in de periode 1991-2011, maar hierbij zijn er wel verschillen tussen
de twee gebruikte huisartsenregistraties (zie figuur 6.2.5). De incidentie is in
de Continue Morbiditeitsregistratie (CMR) Nijmegen met ruim 70% gestegen
voor zowel mannen als vrouwen. In het Registratienet Huisartsenpraktijken
(RNH) Limburg is de incidentie voor mannen verdubbeld en voor vrouwen
ongeveer 50% gestegen. De hogere incidentie in CMR-Nijmegen rond 2000
heeft te maken met een screeningsproject naar diabetes in 1999 en 2000
in negentien huisartspraktijken, waaronder de praktijken van de CMRNijmegen.9
Samenvattend is de incidentie bij mannen in de afgelopen 20 jaar gestegen met
70-100% en bij vrouwen met 50-70%.
122
Diabetes
Figuur 6.2.5Incidentie van diabetes mellitus in de periode 1991-2011 (3-jarig voortschrijdend
gemiddelde); gestandaardiseerd naar de bevolking in Nederland van 2010 en
geïndexeerd (1992=100)
Prevalentie (geïndexeerd)
Bronnen CMR-Nijmegen e.o. en RNH9
300
250
200
150
100
50
0
1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
Jaar
CMR-Nijmegen mannen
RNH-Limburg mannen
CMR-Nijmegen vrouwen
RNH-Limburg vrouwen
Samenvatting
In 2011 waren er in Nederland ruim 834.000 mensen bij wie diabetes mellitus
is vastgesteld, ongeveer evenveel mannen als vrouwen. In 2011 kwamen
er naar schatting 52.700 nieuwe patiënten bij. Ongeveer een kwart van de
patiënten weet niet dat hij/zij diabetes mellitus heeft. Dit betekent dat er nog
ongeveer 200.000 extra diabetespatiënten zijn, die daarvan zelf niet op de
hoogte zijn. Bijna driekwart van de mensen met diabetes is ouder dan 60 jaar.
Daarnaast hebben laagopgeleiden bijna vijf keer zo vaak diabetes mellitus als
hoogopgeleiden, respectievelijk 15% versus 3%.
In de afgelopen 20 jaar is het aantal diabetespatiënten bij mannen ongeveer
verdubbeld en bij vrouwen met ongeveer 50% gestegen. De stijging was het
grootst vanaf ongeveer 2000.
Het aantal nieuwe patiënten met diabetes is in diezelfde periode gestegen met
70-100% bij mannen en 50-70% bij vrouwen.
123
Diabetes
Gebruikte literatuur
1.
Spijkerman AMW, Baan CA, Eysink PED. Wat is diabetes mellitus en wat is
het beloop? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas
Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal
Kompas Volksgezondheid\Gezondheid en ziekte\Ziekten en aandoeningen\
Endocriene, voedings- en stofwisselingsziekten en immuniteitsstoornissen\Diabetes
Mellitus, april 2013.
2.
World Health Organisation. Definition and classification of diabetes mellitus and
intermediate hyperglycaemia. Geneve: WHO, 2006.
3.
American Diabetes Association (2013). Diagnosis and Classification of Diabetes
Mellitus. Diabetes Care 36 Supplement(1): S67-S74.
4.
World Health Organisation. Use of glycated haemoglobin (HbA1c) in the diagnosis of
Diabetes Mellitus. Abbreviated report of a WHO consultation. Geneve: WHO, 2011.
5.
International Diabetes Federation. Global Guideline for Type 2 Diabetes. Clinical
Guideline Taskforce. Brussel: IDF, 2012.
6.
Baan CA, Poos MJJC. Hoe vaak komt diabetes mellitus voor en hoeveel mensen
sterven eraan? In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas
Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal
Kompas Volksgezondheid\Gezondheid en ziekte\Ziekten en aandoeningen\
Endocriene, voedings- en stofwisselingsziekten en immuniteitsstoornissen\Diabetes
Mellitus, april 2013.
7.
Blokstra A, Vissink P, Venmans LMAJ, Holleman P, van der Schouw YT, Smit HA,
Verschuren WMM. Nederland de Maat Genomen, 2009-2010; Monitoring van risicofactoren in de algemene bevolking. RIVM rapport 260152001/2011. Bilthoven:
RIVM, 2012.
8.
Spijkerman AMW, Baan CA. Hoeveel mensen hebben verstoorde glucosetolerantie?
In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal Kompas
Volksgezondheid\Gezondheid en ziekte\Ziekten en aandoeningen\Endocriene,
voedings- en stofwisselingsziekten en immuniteitsstoornissen\Diabetes Mellitus,
april 2013.
9.
Baan CA, Poos MJJC. Neemt het aantal mensen met diabetes mellitus toe of af?
In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid.
Bilthoven: RIVM, http://www.nationaalkompas.nl Nationaal Kompas
Volksgezondheid\Gezondheid en ziekte\Ziekten en aandoeningen\Endocriene,
voedings- en stofwisselingsziekten en immuniteitsstoornissen\Diabetes Mellitus,
april 2013.
124
Diabetes
7Hartstilstand buiten het
ziekenhuis in de provincie
Utrecht – vergelijkende
resultaten UTOPIA onderzoek
tussen 2009 en 2012
J.J. van der Heijden1, W. Bruins2, R. Boomars2, P.A. Doevendans1,
R.A. Lichtveld2
1
Divisie Hart en Longen, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
2
Regionale Ambulance Voorziening Utrecht, Bilthoven
7.1 Inleiding
In 2009 werd een samenwerkingsverband gesloten tussen het UMC Utrecht en
de Regionale Ambulance Voorziening Utrecht (RAVU) met als doel een beter
overzicht te creëren van de reanimaties binnen onze provincie. Aanleiding
hiervoor was o.a. deelname aan de LINC -(Lucas IN Cardiac arrest) studie tussen
2008 en 2012.1 Sindsdien verloopt de verslaglegging door ambulancepersoneel
volledig digitaal via een mobiel elektronisch patiënten dossier. Hierbij is een
specifiek ritformulier ontworpen voor reanimaties waarbij Utstein parameters
gestandaardiseerd worden vastgelegd. Ook wordt nu standaard melding
gemaakt wanneer een Automatische Externe Defibrillator (AED) is gebruikt bij
de reanimatie.
Het werkgebied van de RAVU beslaat de gehele provincie Utrecht. Dit betreft
1449 km2, met ruim 1,2 miljoen inwoners. 65 Ambulance-eenheden:
46 ambulances en 19 solo-eenheden (auto’s en motoren) vertrekken dagelijks
vanuit 11 verschillende standplaatsen. Bij een reanimatie melding worden
standaard twee ambulance-eenheden uitgezonden. Er zijn binnen de regio
3 cardiologische interventiecentra (UMC Utrecht, St. Antonius ziekenhuis
Nieuwegein en Meander Medisch Centrum Amersfoort).
Informatie over het optreden van een hartstilstand buiten het ziekenhuis
is in Nederland vooral afkomstig uit de resultaten van de AmsteRdam
125
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
REsuscitation STudies (ARREST).2 Het ARREST onderzoek registreert sinds
2006 in de provincie Noord Holland alle zogenaamde ‘out-of-hospital cardiac
arrests’ (OHCA). Dit gebeurt sinds 2010 ook in de regio Twente. Daarnaast
zijn nog gegevens beschikbaar uit de omgeving van Maastricht waar in de
jaren ’90 grootschalig onderzoek werd verricht naar hartstilstand buiten het
ziekenhuis.3 Onder het acroniem UTOPIA (UTrecht studygroup for OPtimal
registry of cardIAc arrest) vergelijken wij in dit overzichtsartikel onze
resultaten met de gegevens van deze andere Nederlandse regio’s.
Tabel 7.1Aantal reanimatiemeldingen en gestarte reanimaties in Utrecht (2009 en 2012),
t.o.v. Twente en Noord-Holland (2011)a
Jaar
Utrecht Utrecht
Twente
Noord-Holland
200920122011
Bevolking in onderzoeksgebied, miljoen
2011
1,2
1,2
0,63
2,45
542
535
327
1.888
Aantal meldingen/100.000 inwoners
45
45
52
77
Niet gestart, n:
41
54
Aantal meldingen hartstilstand, n
NR verklaring
2
4
zinloos geacht
24
37
geen circulatiestilstand
15
13
Reanimaties gestart, n Gestarte reanimaties/100.000 inwoners
501
481
260
1184
42
40
41
48
49
49
Duidelijk niet cardiale oorzaakb
en/of kinderreanimatie, n
Cardiale reanimatiesb inclusief ambulance
getuigec, n (%)
452 (90)
432 (90)
257 (99) 998 (84)
407 (81)
383 (80)
234 (90)
904 (76)
Cardiale reanimatiesb exclusief ambulance
getuige, n (%)
Cardiale reanimaties exclusief ambulance
getuige/100.000 inwoners
343237
a
Bron: Hoofdstuk 7 in Hart- en vaatziekten in Nederland 2012. Den Haag: Hartstichting, 2012
b
Een cardiale oorzaak wordt aangenomen tenzij een niet-cardiale oorzaak evident is (b.v. trauma,
c
Circulatiestilstand ontstaan in aanwezigheid van ambulance personeel
verdrinking, verstikking, suïcide).
126
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
37
7.2 Resultaten
Incidentie
In 2009 en 2012 waren er in onze regio respectievelijk 542 en 535
reanimatiemeldingen (tabel 7.1). Jaarlijks werd in ongeveer 90% van het
aantal meldingen ook daadwerkelijk gestart met een reanimatie. In ca. 10%
van deze gevallen betrof het een duidelijk niet cardiale oorzaak zoals trauma,
verdrinking, verstikking, suïcide of verbloeding. In 10% van de overgebleven
casuïstiek betrof het een reanimatie waarbij ambulancepersoneel getuige
was van de circulatiestilstand. Daarmee komt de jaarlijkse incidentie van
reanimatie (exclusief ambulancegetuige) voor 2009 en 2012 op respectievelijk
34 en 32 per 100.000 inwoners. In figuur 7.1 is per leeftijdsklasse het percentage
OHCA’s bij mannen en vrouwen binnen het totale percentage OHCA’s
weergegeven voor het jaar 2009 respectievelijk 2012.
Figuur 7.1Incidentie van out-of-hospital cardiac arrests (OHCA’s) opgesplitst bij
mannen en vrouwen naar leeftijdsklasse in 2009 respectievelijk 2012
% van totaal aantal OHCA
30
2009
25
20
15
10
5
0
18-30
30-40
40-50
50-60
60-70
70-80
80-90
90+
Leeftijd (jaren)
30
% van totaal aantal OHCA
2012
25
20
15
10
5
0
18-30
30-40
40-50
50-60
60-70
70-80
80-90
90+
Leeftijd (jaren)
Totaal
127
Mannen
Vrouwen
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
Leeftijd, geslacht en omgeving
De gemiddelde leeftijd betrof zowel in 2009 als 2012 65 jaar (mediaan
respectievelijk 66 en 68 jaar) (tabel 7.2). In 2009 was het percentage mannen
74% en in 2012 73%. De gemiddelde leeftijd voor vrouwen was iets hoger dan
voor mannen: 67-68 jaar versus 65 jaar. Bijna 2/3 deel van de reanimaties
vond plaats in de thuissituatie. Het grootste deel van de overige reanimaties
vond plaats op straat. Slechts in een klein percentage ging het om een
circulatiestilstand die gerelateerd was aan openbare sportactiviteiten (4 tot 5%,
respectievelijk 15 en 19 mensen, waarvan ruim 90% man).
Basic life support (BLS) en AED gebruik
Ambulanceverpleegkundigen noteerden in onze regio een hoog percentage
getuigen evenals een hoog percentage basic life support (BLS) voor aankomst
van de ambulance (ca 80%) (tabel 7.2). De kwaliteit van BLS werd echter
niet goed vastgelegd. Eveneens werd er in de beschreven periode nog niet
standaard onderscheid gemaakt tussen BLS door omstanders en door politie
en brandweer. Het gebruik van een AED is in 2012 duidelijk toegenomen ten
opzichte van 2009. Het percentage steeg van 12% naar 37%. Ook het aantal door
AED schokbare ritmes steeg in die periode van 8% naar 23%.
128
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
Tabel 7.2Karakteristieken van reanimaties met een cardiale oorzaak in Utrecht (2009 en 2012), t.o.v.
Twente en Noord-Holland (2011)a
Jaar
Utrecht Utrecht
2009
2012
Cardiale reanimaties (excl. ambulance getuige), n 407
Twente
Noord-Holland
2011
2011
383
234
Gemiddelde leeftijd (jaar)
65
65
66
904
66
Percentage mannen
74
73
70
70
Locatie reanimatie, n (%):
Thuis/woonomgeving
255 (63)
240 (63)
162 (69)
614 (68)
Werkomgeving
13 (3)
Sportomgeving
15 (4)
14 (4)
4 (2)
30 (3)
19 (5)
11 (5)
Op straat
46 (5)
60 (15)
58 (15)
23 (10)
101 (11)
Openbaar gebouw
30 (7)
18 (5)
26 (11)
65 (7)
Zorginstelling
29 (7)
25 (7)
7 (3)
Elders
39 (4)
5 (1)
9 (2)
1 (0)
9 (1)
Getuige van circulatiestilstand, n (%):
Ja
Nee
Onbekend
333 (82)
296 (77)
147 (63)
620 (69)
58 (14)
72 (19)
65 (28)
258 (29)
16 (4)
15 (4)
22 (9)
26 (3)
Basic life support omstanders
/politie/brandweer, %
81
77
Basic life support door leken, %
77
70
Eerste ritme, n (%):
Onbekend
AED schokbaar ritme
VF,VT
AED aangesloten, n (%)
a
13 (3)
38 (10)
31/394 (8)
90/345 (26)
179/394 (45)
78/345 (23)
94 (40)
414 (46)
50 (12)
143 (37)
119 (51)
465 (51)
Bron: Hoofdstuk 7 in Hart- en vaatziekten in Nederland 2012. Den Haag: Hartstichting, 2012
Aanrijtijden en beginritme
De totale aanrijtijd naar de locatie van reanimatie betrof vanaf melding
gemiddeld ca. 9 minuten (mediaan ca. 8 minuten). In 2012 was er in de helft
van de OHCA gevallen bij aankomst sprake van een defibrilleerbaar ritme,
inclusief de door de AED’s geregistreerde ritmes. Er was wat betreft het
beginritme een verschil tussen mannen en vrouwen; OHCA bij mannen ging
in een veel hoger percentage gepaard met een defibrilleerbaar ritme, in 2009
51% vs 31% en in 2012 53% vs 37%). Figuur 7.2 laat een overzicht zien van het
129
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
percentage personen met een defibrilleerbaar initieel hartritme binnen de
gedefinieerde leeftijdsklassen.
Figuur 7.2Percentage personen met een defibrilleerbaar initieel hartritme t.o.v. aantal
% binnen eigen leeftijdsklasse
reanimaties binnen elke leeftijdsklasse in 2009 en 2012
100
80
60
40
20
0
18-30
30-40
40-50
50-60
60-70
70-80
80-90
90+
Leeftijd (jaren)
2009
2012
Tabel 7.3Drie-maandenoverleving OHCA Utrecht (2009 en 2012), t.o.v. overleving bij ziekenhuisontslag Noord-Holland (2011)a
Jaar
Utrecht
2009
Cardiale reanimaties(excl. ambulance getuige), n
Totaal overleving, n (%)
407
UtrechtNoord-Holland
2012
383
904
206 (23)
80 (20)
93 (24)
Overleving mannen, n/n (%)
62/302 (21)
73/279 (26)
Overleving vrouwen, n/n (%)
18/105 (17)
20/104 (19)
Overleving VF/VT/AEDschokbaar ritme, n/n (%) 70/211 (33)
Overleving overig ritme, n/n (%)
Overleving AED aangesloten, n/n (%)
Overleving geen AED aangesloten, n/n (%)
2011
72/170 (42)
175/414 (42)
8/183 (4)
12/174 (7)
23/490 (5)
10/50 (20)
35/143 (24)
70/357 (20)
58/240 (24)
78/439 (18)
Overleving on-site AED, n (%)
36 (48)
Overleving first-responder AED
92 (24)
a
Bron: Hoofdstuk 7 in Hart en vaatziekten in Nederland 2012. Den Haag: Hartstichting, 2012
130
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
Overleving
De 3-maanden overleving na een OHCA bedroeg in 2009 20% en in 2012 24%
(tabel 7.3). Het gaat hierbij dus om OHCA met cardiale oorzaak en waarbij
ambulancepersoneel geen getuige was van de circulatiestilstand. Kijkend
naar de subgroep waarbij het eerste ritme defibrilleerbaar was (inclusief AEDgedefibrilleerden) dan ging het in 2009 om een 3-maanden overleving van 33%
(en 4% voor niet schokbare ritmes) en in 2012 om 42% resp. 7%. De overleving
van mannen was in 2009 21%, voor vrouwen 17%. In 2012 was dit respectievelijk
26% en 19%. Het maakte zowel in 2009 als 2012 gemiddeld genomen voor de
3 maanden overleving niet uit of er wel of geen AED was aangesloten. Figuur
7.3 laat per leeftijdsklasse een overzicht zien van het percentage overlevenden
waarbij initieel een defibrilleerbaar hartritme zichtbaar was.
Figuur 7.3Percentage overlevenden binnen iedere leeftijdsklasse waarbij het initiële hartritme
% binnen eigen leeftijdsklasse
defibrilleerbaar was in 2009 en 2012
100
80
60
40
20
0
18-30
30-40
40-50
50-60
60-70
70-80
80-90
90+
Leeftijd (jaren)
2009
2012
7.3 Interpretatie
Incidentie
In vergelijking met de ARREST studiegroep vinden wij een vergelijkbare
jaarlijkse incidentie van reanimaties in onze regio (gemiddeld 33/100.000
inwoners, uitgaande van het inwoneraantal van 1,2 miljoen inwoners in de
provincie Utrecht, bron: CBS). Het aantal gestarte reanimaties in de regio
Utrecht is ook vergelijkbaar met Noord-Holland en Twente waar dit jaarlijks
ook tussen de 40 en 50/100.000 inwoners ligt (tabel 7.1). Sinds 2008 worden
alle reanimaties dagelijks door de Meldkamer Ambulance doorgegeven aan
131
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
de centrale onderzoekers. Daarnaast hebben wij de digitale database van
ritformulieren doorzocht op de zoektermen ‘hartstilstand’, ‘circulatiestilstand’,
en ‘reanimatie’.
Leeftijd en geslacht
De gemiddelde leeftijd van ca. 65 jaar ten tijde van een OHCA lijkt universeel
en wordt eveneens in onze regio teruggevonden (tabel 7.2). Het hoge
percentage mannen dat slachtoffer wordt van een OHCA wordt eveneens
wereldwijd teruggezien. De vraag waardoor dit grote verschil verklaard
wordt is nog altijd niet helemaal beantwoord. Belangrijkste verklaring lijkt
de grotere incidentie van ischemische hartziekten onder mannen. Daarmee
samenhangend is het verschil in beginritme tussen mannen en vrouwen. Het
defibrilleerbare beginritme is bij mannen veel hoger dan bij vrouwen (2009:
51% vs 31% en in 2012 53% vs 37%), hetgeen in de literatuur ook teruggevonden
wordt.4
Omgeving
Wij vonden een lager percentage reanimaties in de woonomgeving (63%
vs 80%) ten opzichte van de onderzoeksgroep in Maastricht die in de jaren
’90 al vaststelde dat verreweg de meeste gevallen van een hartstilstand
thuis optraden.3 Meest voor de hand liggende verklaring is dat destijds
ook huisartsmeldingen van plotse (hart)dood werden meegenomen in het
onderzoek. Dit gebeurt in onze registratie niet. Wel worden in onze regio
reanimatiemeldingen door een huisarts opgenomen in het onderzoek, mits er
gevraagd is om assistentie van de ambulance. De meeste openbare reanimaties
spelen zich af op straat (15%). Zoals ook andere studiegroepen aangaven vormen
de aan sport gerelateerde OHCA maar een klein deel van het totaal aantal (4-5%).
BLS en AED gebruik
Zoals hierboven beschreven was er een hoger percentage OHCA getuigen in
onze regio (ca 80% tov ca 70-75% in ARREST regio). Het aansluiten van de AED
door omstanders en ondersteunend personeel als politie en brandweer is in
2012 (37%) duidelijk toegenomen ten opzichte van 2009 (12%). Meest voor de
hand liggende verklaring is de uitgebreide verspreiding van de AED binnen
het Utrechtse politiekorps die vanaf 2010 heeft plaatsgevonden.
Aanrijtijden
Hoewel de aanrijtijden in Nederland relatief kort zijn is de gemiddelde
aanrijtijd nog altijd langer dan het gewenste tijdsinterval van minder dan
6 minuten incl. defibrillatie. Met de huidige ambulance capaciteit lijkt
het echter niet haalbaar om nog een significante reductie in aanrijtijd te
132
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
bewerkstelligen gezien de al jarenlange stabiele aanrijtijd van ca 8-10 minuten.
Ook in onze regio vonden we een gemiddelde aanrijtijd van ca. 9 minuten
(mediaan 8 minuten). Dit komt overeen met de beschreven tijden uit de
eveneens dichtbevolkte ARREST regio.5
Mechanische borstcompressie
Typerend voor onze regio is dat we enkele jaren ervaring hebben met de inzet
van mechanische borstcompressie mede door deelname aan de LINC study. Het
aantal inzetten van de LUCAS is in 2012 ook verder toegenomen ten opzichte
van 2009 (44% vs 38%). Hoewel er in de LINC studie geen verschil in 4-uurs
overleving werd gevonden tussen mechanische en manuele borstcompressie,
is wel aangetoond dat er minstens zulke goede resultaten worden behaald met
mechanische borstcompressie als met manuele.
De waardering voor het mechanisch uitvoeren van de thoraxcompressie is
met name gefundeerd op de constante hoge kwaliteit van de mechanische
thoraxcompressie, de vermindering van de hoge werkdruk onder
reanimatieomstandigheden en de mogelijkheid de patiënt adequaat te
reanimeren tijdens transport.
Overleving
Ook de overleving na OHCA is in onze regio vergelijkbaar met de NoordHollandse ARREST regio, namelijk 20% in 2009 en 24% in 2012. Daarbij
kan worden opgemerkt dat wij niet naar overleving bij ontslag hebben
gekeken, maar naar 3 maanden-overleving. Hiermee hopen wij een nog
betrouwbaardere inschatting te kunnen maken wat betreft lange termijn
overleving na OHCA. Dat wij in 2009 nog geen betere overleving vonden bij
patiënten die met een AED waren gedefibrilleerd zou kunnen samenhangen
met het lage percentage AED inzet in 2009. In 2012 steeg het aantal
aangesloten AED’s aanzienlijk, echter nog altijd zonder duidelijke invloed
op de relatieve overleving. De meest waarschijnlijke verklaring in onze regio
is dat in verreweg de meeste gevallen dispatched AED’s worden ingezet.
De ARREST studie groep heeft eerder al laten zien dat de inzet van deze
zogenaamde dispatched AED’s een verkorting geeft in de tijd tot aan 1e schok,
maar dat dit niet altijd bijdraagt aan de overleving.6 Deze bevinding lijkt in
onze regio te worden bevestigd. Vooral bij gebruik van een zogenaamde on-site
AED stijgen de overlevingskansen aanzienlijk. In onze regio worden echter
met name dispatched AED’s aangesloten, waarbij een hoger percentage niet
defibrilleerbare ritmes wordt gezien, dan bij AED’s ‘on site’. Gezien jaren van
onderzoek, waaronder dat van de ARREST groep7 is de toegevoegde waarde
van de AED inmiddels onomstreden.
133
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
7.4 Conclusies
Het aantal reanimatiemeldingen bedraagt in de provincie Utrecht ongeveer
540/jaar. In 90% van de gevallen betreft het daadwerkelijk een hartstilstand
waarbij gestart wordt met reanimeren. Het aantal out-of-hospital reanimaties
(zonder ambulancegetuige) ligt rond de 400/jaar (bijna 3/4 deel man). In 2012
werd in 37% van de reanimaties een AED aangesloten die in 2/3 van de gevallen
ook daadwerkelijk een schok heeft afgegeven. De 3-maanden overleving
na OHCA bedraagt anno 2012 in de regio Utrecht 24%. Voor mannen is dit
percentage hoger dan voor vrouwen (26% vs 19%) meest waarschijnlijk ten
gevolge van een verschil in beginritme.
De gegevens (incidentie, overleving) van een hartstilstand buiten het ziekenhuis
in de provincie Utrecht komen goed overeen met de bestaande gegevens uit
Noord Holland. Deze resultaten laten zien hoe belangrijk een registratie van de
ambulancedienst is in de kennisvermeerdering rondom OHCA.
Dankwoord
Deze gegevens zijn een welkome aanvulling voor Nederland en kunnen
bijdragen in verder onderzoek, preventie, therapie en prognose van plotse
hartstilstand buiten het ziekenhuis in Nederland.
Onze dank gaat uit naar dr. R. Koster en overige ARREST onderzoekers die
hebben geholpen bij de opstart van het UTOPIA project.
De gegevens zoals beschreven zijn verkregen door alle ambulancemedewerkers
van de RAVU. De gegevens voor dit overzicht zijn verzameld en verwerkt door
de UTOPIA studiegroep; Anja Radstok, Rene Boomars, Joris van der Heijden,
Wendy Bruins, Rob Lichtveld en Pieter Doevendans.
UTOPIA is mede mogelijk gemaakt door sponsorgeld van de NVVC:
wij bedanken alle lopers en sponsors van de 3 cardiologieteams die in
2011 deelnamen aan de hardloopestafette van Utrecht naar Parijs. Met
het opgehaalde bedrag van deze ‘NVVC-challenge’ worden nog steeds
verbeteringen toegepast in de reanimatiezorg van de regio Utrecht.
134
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
Gebruikte literatuur
1.
Rubertsson S et al. The study protocol for the LINC (LUCAS in cardiac arrest) study:
a study comparing conventional adult out-of-hospital cardiopulmonary resuscitation
with a concept with mechanical chest compressions and simultaneous defibrillation.
Scand J Trauma Resusc Emerg Med 2013;21:5.
2.
Beesems SG, Zijlstra JA, Stieglis R, Koster RW. Reanimatie buiten het ziekenhuis
in Noord-Holland en Twente: resultaten ARREST-onderzoek over 2006-2011.
In: Koopman C, van Dis I, Visseren FLJ, Vaartjes I, Bots ML. Hart- en vaatziekten
in Nederland 2012, cijfers over risicofactoren, ziekte en sterfte. Den Haag:
Hartstichting, 2012.
3.
de Vreede-Swagemakers JJ et al. Out-of-hospital cardiac arrest in the 1990’s: a
population-based study in the Maastricht area on incidence, characteristics and survival. J Am Coll Cardiol. 1997;30:1500-5.
4.
Teodorescu C et al. Survival advantage from ventricular fibrillation and pulseless
electrical activity in women compared to men: the Oregon Sudden Unexpected Death
Study. J Interv Card Electrophysiol. 2012;34:219-25.
5.
Berdowski J, Waalewijn RA, Koster RW. Overleving na reanimatie buiten het
ziekenhuis is sterk toegenomen: een vergelijkend onderzoek tussen eind 20ste en
begin 21ste eeuw. In: Vaartjes I, Peters RJG, van Dis SJ, Bots ML. Hart- en vaatziekten
in Nederland, najaar 2006, cijfers over ziekte en sterfte. Den Haag: Nederlandse
Hartstichting, 2006.
6.
van Alem AP, Vrenken RH, de Vos R, Tijssen JG, Koster RW. Use of automated
external defibrillator by first responders in out of hospital cardiac arrest: prospective
controlled trial. BMJ 2003;327:1312.
7.
Berdowski J et al. Impact of onsite or dispatched automated external defibrillator use
on survival after out-of-hospital cardiac arrest. Circulation 2011;124:2225-32.
135
Hartstilstand buiten het ziekenhuis in Utrecht
136
Bijlage A
Beschrijving van de tien ziektecategorieën binnen de
hart- en vaatziekten
Conform voorgaande jaren zijn de hart- en vaatziekten in dit rapport in
10 groepen onderverdeeld. Onderstaand wordt voor iedere groep zowel de
ICD-9 als bijbehorende ICD-10 codes aangegeven.
1. ISCHEMISCHE HARTZIEKTEN
ICD-9
Acuut hartinfarct (410); Overige acute en subacute vormen van ischemische
hartziekten (411); Oud hartinfarct (412); Angina pectoris (413); Andere vormen
van chronische ischemische hartziek­ten (414)
ICD-10
Angina pectoris (I20); Acuut hartinfarct (I21); Recidief hartinfarct (I22);
Bepaalde actuele complicaties na acuut hartinfarct (I23); Overige acute
ischemische hartziekten (I24); Chronische ischemische hartziekte (I25)
2. CEREBROVASCULAIRE AANDOENINGEN
ICD-9
Subarachnoïdale bloeding (430); Intracerebrale bloeding (431); Overige en
niet-gespecificeerde intracraniale bloedingen (432); Afsluiting en stenose van
precerebrale arteriën (433); Afsluiting van cerebrale arteriën (434); Transiënte
cerebrale ischaemie (435); Acute, niet scherp omschreven cerebrovasculaire
aandoeningen (436); Overige en niet scherp omschreven cerebrovasculaire
aandoeningen (437); Late gevolgen van cerebrovasculaire aandoeningen (438)
ICD-10
Transiënte cerebrale ischemische aanvallen en verwante syndromen (G45);
Subarachnoïdale bloeding (I60); Intracerebrale bloeding (I61); Overige niettraumatische intracraniale bloeding (I62); Cerebraal infarct (I63); Beroerte, niet
gespecificeerd als bloeding of infarct (I64); Occlusie en stenose van precerebrale
arteriën, niet resulterend in cerebraal infarct (I65); Occlusie en stenose
van cerebrale arteriën, niet resulterend in cerebraal infarct (I66); Overige
cerebrovasculaire ziekten (I67); Late gevolgen van cerebrovasculaire ziekte (I69)
137
Bijlagen
3. ARTERIEEL VAATLIJDEN
ICD-9
Arterioveneuze fistel en aneurysma van de longslagader (417.0 en 417.1);
Aneurysma van de aorta (441); Overige aneurysmata (442); Arteriële embolie en
trombose (444); Polyarteritis nodosa en verwante aandoeningen (446); Overige
aandoeningen van arteriën en arteriolen (447)
ICD-10
Arterioveneuze fistel van longvaten (I28.0); Aneurysma van longarterie
(I28.1); Aneurysma en dissectie van aorta (I71); Overige aneurysmata (I72);
Arteriële embolie en thrombose (I74); Overige aandoeningen van arteriën en
arteriolen (I77); Polyarteritis nodosa en verwante aandoeningen (M30); Overige
necrotiserende vaataandoeningen (M31)
4. AANGEBOREN HARTAFWIJKINGEN EN VAATAFWIJKINGEN
ICD-9
Congenitale afwijkingen van bulbus cordis en sluiting van het hartseptum
(745); Overige congenitale afwijkingen van het hart (746); Overige congenitale
afwijkingen van de tractus circulatorius (747)
ICD-10
Persisterende foetale circulatie (P29.3); Congenitale misvormingen van
hartcompartimenten en verbindingen (Q20); Congenitale misvormingen
van hartsepta (Q21); Congenitale misvormingen van pulmonalis -en
tricuspidaliskleppen (Q22); Congenitale misvormingen van aorta -en
mitraliskleppen (Q23); Overige congenitale misvormingen van hart
(Q24); Congenitale misvormingen van grote arteriën (Q25); Congenitale
misvormingen van grote venen (Q26); Overige congenitale misvormingen
van perifeer vaatstelsel (Q27); Overige congenitale misvormingen van hart en
vaatstelsel (Q28)
5. REUMATISCHE HARTZIEKTEN EN KLEPGEBREKEN
ICD-9
Acuut gewrichtsreuma zonder vermelding van hartaandoening (390); Acuut
gewrichtsreuma met hartaandoening (391); Reumatische chorea (392);
Chronische reumatische pericarditis (393); Aandoeningen van de mitralisklep
(394); Aandoeningen van de aortaklep (395); Aandoeningen van de mitralis
-en aortakleppen (396); Aandoeningen van andere endocardstructuren (397);
Overige reumatische hartaandoeningen (398); Overige aandoeningen van het
endocard (424)
138
Bijlagen
ICD-10
Acuut reuma zonder vermelding van hartaandoening (I00); Acuut
reuma met hartaandoening (I01); Reumatische chorea (I02); Reumatische
aandoeningen van mitralisklep (I05); Reumatische aandoeningen
van aortaklep (I06); Reumatische aandoeningen van tricuspidalisklep
(I07); Multipele klepaandoeningen (I08); Overige reumatische
hartziekten (I09); Niet-reumatische mitralisklepaandoeningen (I34);
Niet-reumatische aortaklepaandoeningen (I35); Niet-reumatische
tricuspidalisklepaandoeningen (I36); Pulmonalisklepaandoeningen (I37)
6. INFECTIEUZE HARTZIEKTEN
ICD-9
Cardiovasculaire syfilis (093); Acute pericarditis (420); Acute en subacute
endocarditis (421); Acute myocarditis (422); Overige aandoeningen van het
pericard (423)
ICD-10
Endomyocardiale (eosinofiele) ziekte (I42.3); Acute pericarditis (I30); Overige
ziekten van pericard (I31); Acute en subacute endocarditis (I33); Endocarditis,
klep niet gespecificeerd (I38); Acute myocarditis (I40)
7. OVERIGE HARTZIEKTEN
ICD-9
Acute pulmonale hartaandoening (415); Chronische pulmonale
hartaandoening (416); Cardiomyopathie (425); Geleidingsstoornissen
(426); Cardiale dysritmieën (427); Hartfalen (428); Niet scherp omschreven
ziektebeelden en complicaties van hartziekten (429); Afwijking bij
cardiovasculair functie-onderzoek (794.3)
ICD-10
Longembolie (I26); Overige pulmonale hartziekten (I27); Cardiomyopathie
met hartdilatatie (I42.0); Obstructieve hypertrofische cardiomyopathie
(I42.1); Overige hypertrofische cardiomyopathie (I42.2); Endocardiale fibroelastosis (I42.4); Overige restrictieve cardiomyopathie (I42.5); Alcoholische
cardiomyopathie (I42.6); Cardiomyopathie door geneesmiddelen en
andere uitwendige agentia (I42.7); Overige cardiomyopathieën (I42.8);
Cardiomyopathie, niet gespecificeerd (I42.9); Atrioventriculair block en linkerbundeltakblock (I44); Overige geleidingsstoornissen (I45); Hartstilstand
(I46); Paroxysmale tachycardie (I47); Atriumfibrillatie en -flutter (I48);
Overige hartritmestoornissen (I49); Hartfalen (I50); Complicaties en slecht
omschreven hartziekten (I51); Post-cardiotomiesyndroom (I97.0); Overige
139
Bijlagen
functionele stoornissen na hartchirurgie (I97.1); Overige aandoeningen van
hart en vaatstelsel na een medische verrichting, niet elders geclassificeerd
(I97.8); Aandoening van hart en vaatstelsel na een medische verrichting, niet
gespecificeerd (I97.9); Afwijkende uitslagen van cardiovasculair functieonderzoek (R94.3)
8. ATHEROSCLEROSE EN /OF HYPERTENSIE
ICD-9
Essentiële hypertensie (401); Hartziekte ten gevolge van hypertensie (402);
Nierziekte ten gevolge van hypertensie (403); Hart -en nierziekten ten gevolge
van hypertensie (404); Secundaire hypertensie (405); Atherosclerose (440)
ICD-10
Essentiële (primaire) hypertensie (I10); Hypertensieve hartziekte (I11);
Hypertensieve nierziekte (I12); Hypertensieve hart -en nierziekte (I13);
Secundaire hypertensie (I15); Atherosclerose (I70)
9. VENEUS VAATLIJDEN
ICD-9
Flebitis en tromboflebitis (451); Vena portae trombose (452); Overige veneuze
embolie en trombose (453); Varices van de onderste extremiteiten (454);
Hemorroïden (455); Varices op overige localisaties (456)
ICD-10
Flebitis en tromboflebitis (I80); Trombose van vena portae (I81); Overige
veneuze embolie en trombose (I82); Varices van de onderste extremiteiten (I83);
Hemorroïden (I84); Slokdarmvarices (I85); Varices op overige lokalisaties (I86);
Overige aandoeningen van venen (I87)
10. OVERIGE ZIEKTEN VAN HET VAATSTELSEL EN DE LYMFEWEGEN
ICD-9
Tuberculose van de perifere lymfeklieren (017.2); Hemangioom en
lymfangioom (228); Lymfadenitis (289.1, 289.2 en 289.3); Overige
aandoeningen van de longcirculatie (417.8 en 417.9); Vasculaire insufficiëntie
van de darm (557); Syncope en collaps (780.2); Oedeem (782.3); Cyanose (782.5);
Bleekheid en opvliegingen (782.6); Symptomen van het hart en vaatstelsel
(785); Pijn op de borst (786.5); Splenomegalie (789.2); Overige perifere
vaatziekten (443); Ziekten van capillairen (448); Niet-infectieuze aandoeningen
van de lymfewegen (457); Hypotensie (458); Overige ziekten van de tractus
circulatorius (459)
140
Bijlagen
ICD-10
Tuberculeuze perifere lymfadenopathie (A18.2); Hemangioom en
lymfangioom, elke lokalisatie (D18); Overige gespecificeerde ziekten van
longvaten (I28.8); Ziekte van longvaten, niet gespecificeerd (I28.9); Overige
perifere vaatziekten (I73); Ziekten van capillairen (I78); Niet-specifieke
lymfadenitis (I88); Overige niet-infectieuze aandoeningen van lymfevaten
en lymfeklieren (I89); Hypotensie (I95); Lymfoedeem na mastectomie (I97.2);
Overige en niet gespecificeerde aandoeningen van hart en vaatstelsel (I99);
Vaataandoeningen van de darm (K55); Afwijkingen van de hartslag (R00);
Hartgeruisen en overige geluiden van cardiale oorsprong (R01); Pijn op de
borst bij ademhaling (R07.1); Precordiale pijn (R07.2); Overige pijn op de borst
(R07.3); Pijn op de borst, niet gespecificeerd (R07.4); Overige gespecificeerde
symptomen en tekenen betreffende hart en vaatstelsel en luchtwegen (R09.8);
Cyanose (R23.0); Vergrote lymfeklieren (R59)
141
Bijlagen
Bijlage B
Doodsoorzaken en ziekenhuisopnamen in nederland:
bronnen en classificatie
Bronnen
De aantallen sterfgevallen aan de diverse ziektebeelden zijn afkomstig uit de
statistiek van doodsoorzaken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Het bestand van deze statistiek wordt samengesteld op basis van gegevens
vermeld op de doodsoorzaakverklaring, het B-formulier, dat door de arts na
het overlijden wordt ingevuld. Deze B-formulieren worden ten behoeve van de
statistiek naar de Medisch Ambtenaar van het CBS gestuurd. De gegevens over
sterfte zijn volledig en worden al sinds 1900 verzameld.
Gegevens over ziekenhuisopnamen zijn afkomstig uit de Landelijke Medische
Registratie (LMR), welke is ondergebracht bij Dutch Hospital Data (voorheen
SIG Zorginformatie, Prismant). De LMR legt opnamen vast, maar volgt
geen individuen. Dit betekent dat iemand die meerdere malen in een jaar
voor hetzelfde ziektebeeld wordt opgenomen, evenzo vele malen wordt
geregistreerd. Vanaf 1986 zijn alle algemene en alle academische ziekenhuizen
aangesloten bij de LMR. Gegevens van voor 1986 zijn op basis van de getallen
uit onderstaande tabel opgehoogd om tot het totaal van heel Nederland te
geraken. De onderstaande tabel geeft voor enkele jaren de representativiteit
van de LMR gegevens weer.
Tabel met participatiegraad van de Landelijke Medische Registratie in 2012
Jaar Landelijke (LMR)
Totaal
% LMR t.o.v.
Medische Registratie
Nederland
Nederland
1972
948.2751.356.357
69,9
1975
1.188.8831.432.389
83,0
1980
1.499.6501.572.761
95,4
1985
1.541.8551.561.281
98,8
1986 – 2005
Deelname van alle ziekenhuizen
100,0
2012
Deelname van alle ziekenhuizen*
100,0
* Niet alle ziekenhuizen hebben in 2012 deelgenomen (zie onderstaande tabel). De ontbrekende
gegevens zijn gesimuleerd
142
Bijlagen
Tabel met ziekenhuizen die in 2012 niet of onvolledig hebben deelgenomen aan de LMR. Het percentage
van de gegevens over klinische opnamen die zijn gesimuleerd met behulp van opnamegegevens over eerdere jaren
Ziekenhuis
Isala klinieken
Admiraal de Ruyter ziekenhuis
Plaats
% gegenereerd klinische opname
Zwolle
49
Vlissingen
6
Deventer
15
Alysis Zorggroep
Gelderland
47
Ziekenhuis St. Jansdal
Harderwijk
22
Catharina ziekenhuis
Eindhoven
13
Den Haag
100
Almere
45
Deventer ziekenhuis
Medisch Centrum Haaglanden
Flevo Ziekenhuis Centraal Militair Hospitaal
Utrecht
100
St. Franciscus ziekenhuis
Roosendaal
100
Diaconessenhuis Meppel
Meppel
100
Rotterdam
100
Ede
24
Haven ziekenhuis
Ziekenhuis Gelderse Vallei
St. Annaziekenhuis
Geldrop
50
Elkerliek Ziekenhuis
Helmond
100
Zoetermeer
25
Capelle a/d IJssel
45
’t Lange Land ziekenhuis
IJsselland Ziekenhuis
Ruwaard van Putten ziekenhuis
Spijkenisse
3
Lelystad
100
Medisch Spectrum Twente
Enschede
48
Maxima Medisch Centrum
Eindhoven
50
IJsselmeer ziekenhuizen
Amphia ziekenhuis
Breda
100
Almelo
100
Nijmegen
100
Amsterdam
100
Terneuzen
37
Het Vlietland Ziekenhuis
Schiedam
26
Jeroen Bosch Ziekenhuis
Zaltbommel
49
AMC
Amsterdam41
Ziekenhuis Groep Twente
St. Maartenskliniek
A. van Leeuwenhoek Ziekenhuis
ZorgSaam Zeeuws-Vlaanderen
UMCG
UMC ST. Radboud
Groningen23
Nijmegen
LUMC
Totaal LMR 2012
143
Bijlagen
16
Leiden18
18
Classificatie en coderen
Het coderen van doodsoorzaken vindt sinds 1979 plaats volgens de richtlijnen
van de negende versie van de International Classification of Diseases, Injuries
and Causes of Death (ICD) van de World Health Organisation (WHO).
Ongeveer eens per tien jaar vindt er een revisie van deze classificatie plaats
onder auspiciën van de WHO. In 1992 is de nieuwste versie verschenen, de
ICD-10. Het CBS heeft met ingang van 1-1-1996 deze tiende versie toegepast bij
het coderen van doodsoorzaken. Op hoofdlijnen brengt de nieuwe classificatie
weinig veranderingen met zich mee voor de hart- en vaatziekten. In bijlage B
worden voor de verschillende groepen binnen de hart- en vaatziekten zowel de
codes van de negende als de tiende ICD-versie weergegeven.
Bij het coderen van ontslagdiagnosen maken ziekenhuizen gebruik van de ICD
Clinical Modification. Deze richtlijnen zijn een bewerking van de ICD codes,
die gebruikt worden bij de doodsoorzaken. Dit houdt in dat bij sommige
ziektebeelden meer 4-cijferige codes aanwezig zijn voor verdere detaillering.
De 3-cijferige codes stemmen overeen. Dutch Hospital Data, verantwoordelijk
voor de ziekenhuisregistratie, gaat de overstap naar de tiende versie maken.
Zij gaat tot op heden door met het gebruik van de clinical modification van de
ICD-9 classificatie.
144
Bijlagen
Bijlage C
Hart- en vaatziekten in Nederland: methoden en
definities
Bevolking. Het totale aantal personen dat op een moment is opgenomen in de
bevolkingsregisters van de Nederlandse gemeenten.
Gemiddelde bevolking. Het gemiddelde van de omvang van de bevolking aan
het begin en aan het eind van een kalenderjaar.
Primaire doodsoorzaak. De ziekte, toestand of gebeurtenis waarmee de keten
van gebeurtenissen die tot de dood voerde, aanving. Alle doodsoorzaken in dit
rapport zijn primaire doodsoorzaken.
Hoofddiagnose. De hoofddiagnose is de diagnose die achteraf (bij ontslag) als
reden van de opname in het ziekenhuis wordt beschouwd. Bij de analyse van
ziekenhuisopnamen is alleen gebruik gemaakt van hoofddiagnosen.
Bruto sterftecijfer of opnamecijfer. Het aantal sterfgevallen /opnamen als
gevolg van een aandoening (ziekte, toestand of gebeurtenis) per 100.000 van de
gemiddelde bevolking per jaar. Berekent als het aantal sterfgevallen /opnamen
in een jaar gedeeld door de bevolkingsgrootte in dat jaar maal 100.000. Dit
cijfer houdt rekening met de (verandering in de) grootte van een bevolking en
zegt iets over de relatieve omvang van een aandoening in de gezondheidszorg.
Het bruto cijfer houdt geen rekening met veranderingen in de leeftijdsopbouw
van een bevolking zoals de vergrijzing; dit in tegenstelling tot het voor de
leeftijd gestandaardiseerde cijfer.
Het voor de leeftijd gestandaardiseerde sterftecijfer of opnamecijfer. Het
aantal sterfgevallen /opnamen als gevolg van een aandoening per 100.000
van de bevolking gecorrigeerd voor verschillen in de bevolkingsopbouw door
middel van directe standaardisatie. De hoogte van het cijfer is afhankelijk van
de gekozen standaardpopulatie.
145
Bijlagen
Directe standaardisatie. Statistische bewerking van epidemiologische
kengetallen waarbij de storende invloed van verschillen in leeftijdsverdeling
is geëlimineerd. Deze bewerking resulteert in een sterftecijfer of opnamecijfer
dat men had kunnen verwachten, indien de leeftijdsopbouw van de bevolking
gelijk zou zijn geweest aan die van de gekozen standaardpopulatie. Doel:
sterftecijfers of opnamecijfers van verschillende jaren en /of verschillende
landen onderling vergelijkbaar maken. De hoogte van het sterftecijfer of
opnamecijfer is echter afhankelijk van de gekozen standaardpopulatie. In
het jaar dat als standaard wordt gekozen, is het bruto cijfer gelijk aan het
gestandaardiseerde cijfer.
Leeftijdsspecifiek sterftecijfer of opnamecijfer. Dit zijn epidemiologische
kengetallen die voor de aangegeven leeftijdsgroepen het aantal sterfgevallen
of het aantal opnamen aangeven, uitgedrukt per 100.000 van de gemiddelde
bevolking in de desbetreffende leeftijdsgroepen.
Gemiddelde verpleegduur. Het aantal dagen dat iemand, gemiddeld
gesproken, voor een aandoening in het ziekenhuis ligt. Het totale aantal
verpleegdagen voor een aandoening gedeeld door het bijbehorende aantal
opnamen.
Klinische mortaliteit of sterfte in het ziekenhuis. Het percentage patiënten dat
in het ziekenhuis overlijdt. Het aantal patiënten dat overlijdt in het ziekenhuis
met een zekere hoofddiagnose gedeeld door het totale aantal opnamen met
die hoofddiagnose en deze breuk vermenigvuldigd met 100. De oorzaak van
overlijden wordt in de Landelijke Medische Registratie niet vastgelegd. De
doodsoorzaak kan daarom afwijken van de hoofddiagnose voor die opname.
146
Bijlagen
Bijlage D
Aanvulling op hoofdstuk 1: ziekte en sterfte aan
ischemische hartziekten, hartfalen en perifeer
vaatlijden
Tabel 1Aantal sterfgevallen en sterfte per 100.000 personen aan ischemische hartziekten en hartfalen, in Nederland in 2012 naar leeftijd en geslacht
Bron CBS
Mannen
Vrouwen
Doodsoorzaak1
Leeftijd
Aantal
Sterfte per
Aantal
Sterfte per
(in jaren)overledenen 100.000overledenen 100.000
Ischemische hartziekten0-44
101
45-54
30624
55-64737
68223
21
2
29
0.6
76 6
65-74 1.283168
75-841.946
5201.242
244
85-941.230
1.3321.672
799
95+
882.558
503 63
2841.770
Totaal5.691694.02948
Hartfalen
0-44
130.3
-
-
45-5434
319
2
55-64
65-74343
45177
22
75-84899
240901
177
85-941.087
1.1772.367
1.130
67 6
95+135
3.924605
3.770
1
11410
Totaal2.625324.13649
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
147
Bijlagen
Tabel 2Absolute aantallen sterfgevallen (per 100.000 inwoners) aan ischemische hartziekten en
hartfalen in de periode 1980-20121
Bron CBS
Jaartal
Ischemische hartziekten
MannenVrouwen
1980
15.094 (215)
9.442 (132)
Hartfalen
MannenVrouwen
1.428 (20)
1.233 (17)
1985
15.496 (216)
10.208 (139)
2.691 (38)
3.245 (44)
1990
13.000 (176)
9.396 (124)
1.923 (26)
2.509 (33)
1995
11.870 (155)
8.853 (113)
2.835 (37)
4.067 (52)
2000
9.921 (126)
7.522 (93)
2.234 (28)
3.674 (46)
2005
7.631 (95)
5.712 (69)
2.311 (29)
3.632 (44)
2010
6.004 (73)
4.378 (52)
2.488 (30)
3.936 (47)
2012
5.691 (69)
4.029 (48)
2.625 (32)
4.136 (49)
1
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
148
Bijlagen
Tabel 3Aantal ziekenhuisopnamen per 100.000 personen vanwege ischemische hartziekten en
hartfalen, in Nederland in 2012 naar leeftijd en geslacht
Bron DHD
Mannen
Vrouwen
Ontslag diagnose
Leeftijd
Aantal
Sterfte per
Aantal
Sterfte per
(in jaren)opnamen
100.000opnamen
100.000
Ischemische hartziekten0-44
2.361
50
836
18
45-548.524
6722.679
214
55-64
15.3731.414
4.845 447
65-74
17.2992.261
7.566 944
75-84
11.3043.023
8.0971.592
85-942.213
2.3962.685
1.283
95+
481.395
111 692
Totaal57.12268926.819317
Hartfalen
0-44274
61493
45-54576
45336
27
55-64 1.796165
65-743.915
5122.366
295
75-845.317
1.4225.408
1.063
85-942.561
2.7.734.836
2.310
95+123
3.575401
2.499
149
953 88
Totaal14.56217614.449171
Bijlagen
Tabel 4Absolute aantallen ziekenhuisopnamen (per 100.000 inwoners) vanwege ischemische hartziekten en hartfalen in de periode 1980-20121
Bron CBS
Jaartal
Ischemische hartziekten
MannenVrouwen
Hartfalen
MannenVrouwen
1980
38.222 (544)
15.858 (222)
7.181 (102)
6.828 (96)
1985
50.502 (705)
22.663 (309)
9.830 (137)
9.396 (128)
1990
55.384 (750)
26.185 (346)
12.315 (167)
11.455 (151)
1995
63.726 (834)
31.234 (400)
12.667 (166)
12.322 (158)
2000
56.308 (715)
27.405 (341)
12.053 (153)
11.621 (144)
2005
59.419 (736)
28.935 (351)
12.581 (156)
12.844 (156)
2010
59.725 (726)
29.280 (349)
14.808 (180)
15.030 (179)
2012
57.122 (689)
26.819 (317)
14.532 (176)
14.449 (171)
1
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
150
Bijlagen
Tabel 5Aantal sterfgevallen en sterfte per 100.000 personen aan perifeer vaatlijden in Nederland in
2012 naar leeftijd en geslacht
Bron CBS
Mannen
Vrouwen
Doodsoorzaak1
Leeftijd
Aantal
Sterfte per
Aantal
Sterfte per
(in jaren)overledenen 100.000overledenen 100.000
Dissectie / aneurysma van de aorta
0-6497
1,441
0,6
65-74
75-84328
87,7222
43,6
18624,3
78 9,7
85+189
197,3133
59,0
Totaal800
9,6474
5,6
Claudicatio intermittens
0-64
130,2
40,1
65-7422
2,915
1,9
75-8454
14,442
8,3
85+33
34,478
34,6
Totaal122
1,5139
1,6
Arteriële embolie/trombose van de arteriën
0-6414
0,210
0,1
65-7413
1,710
1,2
75-8432
8,626
5,1
85+21
21,980
35,5
1
Totaal
801,0
1261,5
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
151
Bijlagen
Tabel 6Absolute aantallen sterfgevallen (per 100.000 inwoners) aan perifeer vaatlijden in de periode
1980-20121
Bron CBS
Jaartal
Dissectie / aneurysma
Claudicatio
Arteriële embolie/
van de aorta
intermittens
trombose van de arteriën
MannenVrouwen MannenVrouwen MannenVrouwen
1980
556 (7,9)
217 (3,0)
24 (0,3)
13 (0,2)
184 (2,6)
177 (2,5)
1985
818 (11,4)
297 (4,1)
31 (0,4)
23 (0,3)
266 (3,7)
210 (2,9)
1990
946 (12,8)
324 (4,3)
66 (0,9)
60 (0,8)
211 (2,9)
229 (3,0)
1995
1.121 (14,7)
413 (5,3)
30 (0,4)
25 (0,3)
199 (2,6)
186 (2,4)
2000
1.055 (13,4)
422 (5,2)
35 (0,4)
24 (0,3)
141 (1,8)
172 (2,1)
2005
1.023 (12,7)
455 (5,5)
83 (1,0)
72 0,9)
88 (1,1)
146 (1,8)
2010
842 (10,2)
460 (5,5)
117 (1,4)
129 (1,5)
63 (0,8)
125 (1,5)
2012
800 (9,6)
474 (5,6)
122 (1,5)
139 (1,6)
80 (1,0)
126 (1,5)
1
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
Tabel 7Absolute aantallen sterfgevallen (per 100.000 inwoners) aan perifeer vaatlijden binnen het
ziekenhuis in de periode 1980-20121
Bron CBS
Jaartal
Dissectie / aneurysma
Claudicatio
Arteriële embolie/
van de aorta
intermittens
trombose van de arteriën
MannenVrouwen MannenVrouwen MannenVrouwen
1980
434 (6,2)
139 (1,9)
17 (0,2)
8 (0,1)
156 (2,2)
114 (1,6)
1985
611 (8,5)
182 (2,5)
17 (0,2)
13 (0,2)
218 (3,0)
135 (1,8)
1990
641 (8,7)
183 (2,4)
37 (0,5)
36 (0,5)
164 (2,2)
139 (1,8)
1995
770 (10,1)
232 (3,0)
13 (0,2)
14 (0,2)
149 (1,9)
99 (1,3)
2000
675 (8,6)
241 (3,0)
19 (0,2)
11 (0,1)
108 (1,4)
91 (1,1)
2005
719 (8,9)
280 (3,4)
43 (0,5)
40 (0,5)
38 (0,5)
46 (0,6)
2010
590 (7,2)
297 (3,5)
76 (0,9)
60 (0,7)
23 (0,3)
40 (0,5)
2012
548 (6,6)
305 (3,6)
61 (0,7)
62 (0,7)
40 (0,5)
32 (0,4)
1
Voor de precieze omschrijving en ICD-10 codes van deze groepen wordt verwezen naar bijlage A
152
Bijlagen
Bijlage E
Aanvulling op hoofdstuk 1: trends in absolute en
gestandaardiseerde sterfte aan hart- en vaatziekten
en ziektebeelden daarbinnen vanaf 1970
ICD codes gebruikt voor trendfiguren sterfte 1970-2012
ICD-8 (1970-1978) ICD-9 (1979-1995)
ICD-10 (1996-2012)
Hart- en vaatziekten
3900-4590, 0172,
3900-4590, 0172,
I00-I99, G45-G459,
0930, 2280-2281,
0930, 2280-2281,
Q20-Q289, P293,
745, 747,
745, 747
M30-M319, R943
7943, 5570-5579,
7943, 5570-5579
A182, D18-D189,
7802,7823, 7825,
7802, 7823, 7825
K55-K559, R00-R019,
7826,7865,7892,
7826, 7865, 7892,
R59-R599, R071-R074,
746, 289.1-289.3,
746, 289.1-289.3,
R23, R098
785785
Ischemische hartziekten
4100-4149
4100-4149
I200-I259
Acuut myocardinfarct
4100-4109
4100-4109
I210-I229
Hartfalen
4280-42894280-4289
I500-I509
Subarchnoïdale bloeding
4300-4309
4300-4309
I600-I609
Intracerebrale bloeding
4310-4319
4310-4319
I610-I619
Herseninfarct
153
4330-4349,4330-4349,
4360-43694360-4369
Bijlagen
I630-I649
0
0
154
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
0
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen
Aantal sterfgevallen
Figuur 1Trends in absolute sterfte aan hart- en vaatziekten, ischemische hartziekten, acuut
Bron CBS
hartinfarct, beroerte en hartfalen. Periode 1970-2012
40000
Mannen
30000
20000
10000
40.000
Vrouwen
30.000
20.000
10.000
60.000
50.000
Mannen en vrouwen
40.000
30.000
20.000
10.000
Hart- en vaatziekten totaal
Ischemisch hartziekten
Bijlagen
Acuut hartinfarct
Beroerte
Hartfalen
Jaren
0
0
155
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
0
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen/100.000
Aantal sterfgevallen/100.000
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen/100.000
Figuur 2Trends in voor bevolkingsopbouw gecorrigeerd sterftecijfer (per 100.000 van de
gemiddelde bevolking) voor hart- en vaatziekten, ischemische hartziekten, acuut hartinfarct, beroerte en hartfalen. Periode 1970-2012. Jaar van standaardisatie is 2012
800
Bron CBS
Mannen
600
400
200
800
Vrouwen
600
400
200
800
Mannen en vrouwen
600
400
200
Hart- en vaatziekten totaal
Ischemisch hartziekten
Bijlagen
Acuut hartinfarct
Beroerte
Hartfalen
Jaren
0
0
156
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
0
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen
Aantal sterfgevallen
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen
Figuur 3Trends in absolute sterfte aan beroerte, herseninfarct, intracerebrale bloeding en
subarachnoïdale bloeding. Periode 1970-2012
Bron CBS
8.000
Mannen
6.400
4.800
3.200
1.600
8.000
Vrouwen
6.400
4.800
3.200
1.600
12.000
10.000
Mannen en vrouwen
8.000
6.000
4.000
2.000
Beroerte
Herseninfarct
Bijlagen
Intracerebrale bloeding
Subarachnoïdale bloeding
Jaren
0
0
0
157
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen/100.000
200
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen/100.000
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Aantal sterfgevallen/100.000
Figuur 4Trends in voor bevolkingsopbouw gecorrigeerd sterftecijfer (per 100.000 van de
gemiddelde bevolking) beroerte, herseninfarct, intracerebrale bloeding en subarach-
noïdale bloeding. Periode 1970-2012. Jaar van standaardisatie is 2012
Bron CBS
Mannen
160
120
80
40
200
Vrouwen
160
120
80
40
200
Mannen en vrouwen
160
120
80
40
Subarachnoïdale bloeding
Herseninfarct
Bijlagen
Intracerebrale bloeding
Beroerte
Jaren
Notities
158
Notities
159
Notities
160
Notities
Colofon
Zetwerk: G3M Grafisch & MultiMedia Management, Zoetermeer
Druk: Mouthaan Grafisch Bedrijf, Papendrecht
Uitgave: december 2013
ISBN: 978-90-75131-73-4
NUR 870
ISNN: 2212-7194
4.51213 RP74 Dit boek is vervaardigd uit chloor- en zuurvrij papier.