Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn

Comments

Transcription

Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Riskante gewoonten en zorg voor eigen
welzijn
I. Gadourek
bron
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn. J.B. Wolters, Groningen 1963
Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/gado001risk01_01/colofon.htm
© 2008 dbnl / I. Gadourek
9
Enkele bevindingen
Rookgewoonten
Rookgewoonten blijken bijna universeel onder de mannelijke bevolking in Nederland
te zijn verspreid: negen van elke tien volwassen mannen roken. Er zijn meer mannen
onder onze bevolking, die meer dan 30 sigaretten (of g tabak) per dag verbruiken
dan mannen, die geheel niet roken. (Blz. 66).
De rookgewoonten bij de vrouwen zijn opvallend lager ontwikkeld. Slechts vier
van de tien volwassen vrouwen roken wat. De mannelijke rokers behalen een hoger
gemiddelde (17 sigaretten of g tabak per dag) dan vrouwelijke rokers (3 sigaretten
per dag). (Blz. 67).
De meeste rokers in Nederland blijken sigarettenrokers te zijn (de verhouding
sigaret-sigaar-pijp is volgens de ruwe schatting: 5,5-2-1). De meeste mannelijke
sigarettenrokers inhaleren (negen van de tien rokers!). Slechts de helft van de
vrouwelijke rokers inhaleert. (Blz. 69-71).
Bijna driekwart van alle rokers begint te roken vóór tien uur 's morgens. (Blz. 73).
‘Gezelligheid’ is de meest vermelde reden waarom men soms meer rookt dan
gewoonlijk. De feestdagen en de familiefeesten geven aanleiding tot meer roken.
(Blz. 75).
De meeste mannen beginnen te roken in de puberteitsjaren (de gemiddelde leeftijd
bij het begin bedroeg 16 jaar 3 maanden in onze steekproef). Slechts iets meer dan
5% van de mannelijke rokers is met deze gewoonte begonnen na het bereiken der
volwassenheid. (Blz. 76).
De jongere generatie mannen begint met het roken op een latere leeftijd dan de
oudere generaties. Bij de vrouwen is de situatie net andersom: over het algemeen
beginnen zij wel op een latere leeftijd (mediaan: 19,2 jaar) dan de mannen, maar
er is een duidelijke tendens waarneembaar bij de jongere generatie om met het
roken op een jongere leeftijd te beginnen. (Blz. 76-77).
Onze gegevens suggereren dat de toestemming tot het roken in het ouderlijk
gezin, in tegenstelling tot de gangbare opvatting, van weinig invloed is op het
ontwikkelen van rookgewoonten. (Blz. 78).
Bij de mannelijke bevolking bemerken wij intensievere rookgewoonten bij de
hogere leeftijdsgroepen; bij de vrouwen bij de jongere leeftijdscategorieën. Dit
suggereert dat het roken bij de vrouwen een toenemende tendens vertoont (d.w.z.
dat er in jongere generaties meer vrouwen tot het roken overgaan), terwijl bij de
mannelijke bevolking het roken reeds het hoogtepunt heeft bereikt of eroverheen
is. (Blz. 81-82).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
10
Het feit dat het roken vooral voorkomt bij vrouwen die een hogere opleiding hadden
dan de lagere school en/of bij vrouwen die woonachtig zijn in de grote steden,
versterkt verder het vermoeden, dat bij de vrouwelijke bevolking het roken zich,
ingevolge het emancipatieproces, nog aan het verspreiden is. (Blz. 82-86).
De psychoanalytische theorie van orale fixatie geeft geen voldoende verklaring
voor het feit, dat het drinken (en het koffiedrinken) wel en het snoepen niet
samengaat met het roken. (Blz. 87-88).
De theorie van (constitutionele) voorkeur voor bittere smaak bij rokers vindt enige
steun in de gevonden samenhangen; de enquêtegegevens werpen echter geen
licht op de vraag of deze voorkeur een oorzaak dan wel een gevolg is van de sterke
rookgewoonte. (Blz. 88).
Van alle opgestelde hypothesen kregen de hypothesen afgeleid van de sociale
roltheorie van het roken de sterkste steun: roken kan worden gezien als een der
gedragsvormen om volwassenheid en mannelijkheid zichtbaar te maken. (Blz. 89).
De hypothesen, afgeleid van de theorie omtrent de neurotische tendens tot het
roken of van de theorie die het roken ziet als compensatie voor het ontbreken van
sterk zichtbare (fysieke) mannelijke eigenschappen bij mannen, kregen geen steun
in onze (in dit opzicht gebrekkige) gegevens. (Blz. 89-90).
De theorie die de oorsprong van het roken in de onlustverwekkende situaties
zoekt, werd enigszins geconfirmeerd: dissatisfactie gaat met roken gepaard. (Blz.
91).
De religieuze factor schijnt een rol te spelen bij de ontwikkeling van de
rookgewoonten: leden van de calvinistische kerkgenootschappen vertonen minder
intensieve rookpatronen dan de rest der bevolking. De werking van deze factor is
zwak doch direct, niet via de normatieve houding. (Blz. 90, 157).
Niet te verwaarlozen is de invloed van inkomsten: mensen met hogere inkomsten
ontwikkelen veelvuldiger intensieve rookgewoonten; er bestaat eveneens een
verband tussen de inkomsten en de normatieve houding t.o.v. het roken. (Blz. 92,
164).
De bezorgde houding en de neurotische tendens (voor zover ‘gemeten’ door
middel van de vragen over eenzaamheid, angsten, enz.) zijn met een meer
afwijzende normatieve houding t.o.v. het roken gecorreleerd. (Blz. 164).
Tussen de rookgewoonte en de normatieve houding t.o.v. het roken valt een
complexe samenhang waar te nemen: bij de mannen gaan de intensieve
rookgewoonten gepaard met een tolerante houding t.o.v. het roken van zoons en
dochters; bij de vrouwen zijn de (sterke) rooksters juist minder tolerant t.o.v. het
roken van zoons of dochters. (Blz. 161-162).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
11
Ondanks het feit dat de rookgewoonten wijd verspreid zijn over onze bevolking,
ondanks de zwakke verbodsnorm op het roken, vindt de meerderheid der
volwassenen het roken ongezond. Vrouwen zijn zich uiteraard meer bewust van de
ongezonde aard van deze gewoonte. De jongeren vinden het roken veelvuldiger
ongezond dan de ouderen. (Blz. 289-290).
Rokers zijn veelvuldiger in aanraking gekomen met de voorlichting omtrent de
gevolgen van het roken dan de niet-rokers, de zware rokers veelvuldiger dan de
lichte rokers. Desondanks zijn de mensen die roken en vooral de zware rokers
minder geneigd het roken ongezond te vinden. Zowel bij mannen als bij vrouwen
stijgt het percentage mensen dat niet gelooft dat het roken oorzaak is van
longziekten, evenredig met het aantal sigaretten (of g tabak) dat men dagelijks rookt.
(Blz. 292-295).
Tot de factoren die de aanvaarding van voorlichting bevorderen behoren (behalve
zwakke rookgewoonten): de schoolopleiding en de intensiteit van de identificatie
met een of ander cultureel subsysteem (cultuuraanvaarding). De aanwezigheid van
angsten, gevoelens van eenzaamheid, enz., die we als symptomatisch voor een
neurotische tendens hebben gesteld, gaat eveneens met de aanvaarding van kennis
omtrent de longkanker gepaard. (Blz. 296).
Tegen de verwachting in vermelden personen die geloof hechten aan de berichten
over de longkanker veelvuldiger dat hun eigen rookgewoonten in de laatste tijd zijn
toegenomen, dan mensen die geen geloof hechten aan deze berichten. (Blz. 300).
Slechts vier van elke tien rokers hebben nooit het roken willen staken. De
hierboven gesignaleerde toename van het roken bij de voorgelichte rokers kan
wellicht aan de niet geslaagde poging worden toegeschreven, aan het defaitisme
na de mislukte poging om het roken te staken en/of aan de prikkeling die van de
bewustwording omtrent eigen gewoonten uitgaat. (Blz. 302-307).
Drinken
Volgens onze schatting gebruikt één op vijf of zes volwassen Nederlanders nooit
alcoholische dranken. Slechts een op de tien drinkt op vaste tijden, het drinken
neemt bij hem de vorm van een individuele gewoonte aan. (Blz. 112-113).
Het drinken in Nederland is overwegend een huiselijke aangelegenheid. De
gewoonte om thuis een drank aan te bieden is vrijwel universeel. Slechts 1 op 7
volwassen Nederlanders doet hier niet aan mee. Ruimschoots de helft van onze
bevolking heeft alcoholica in huis. In schijnbare tegenstelling tot deze gegevens
staat het feit, dat er aan tafel nauwelijks alcoholica worden gedronken. (Blz. 114-116).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
Sterker dan het roken wordt het alcoholdrinken bepaald door het wekelijks ritme
(zaterdag- en zondagdrinken). ‘Gezelligheid’ is de voornaamste reden die men
opgeeft. (Blz. 116-117).
Een op zes volwassen Nederlanders drinkt volgens onze gegevens tot hij/zij de
bedwelmende effecten van alcohol ondervindt. Voor de meesten (3 op 1) bestaan
deze uit een vrolijke, aangename stemming. Deze euforische werking in de vorm
van de roes wordt bij de mannen bereikt na het verbruik van 8,5 glaasjes (mediaan),
bij de vrouwen na 5,5 glaasjes (volgens de opgave der ondervraagden). (Blz.
118-119).
Met de loop der jaren schijnt de individuele drinkgewoonte eerder af dan toe te
nemen, althans beoordeeld naar de steekproef uit de gehele bevolking: meer mensen
zeggen het drinken te verminderen dan te intensiveren. (Blz. 121).
Zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht vallen er bij de mannen en vrouwen
sterke verschillen in het drinkpatroon waar te nemen. Vrouwen vertonen de
gesignaleerde tendens tot vermindering van drankgebruik met toenemende leeftijd
in veel mindere mate. Excessieve drinkgewoonten kenschetsen vooral bij de mannen
de jongere jaren. (Blz. 122-123).
Beroep en inkomsten brengen eveneens een differentiatie in de drinkgewoonten
aan. Personen met hogere opleiding en meer inkomen verbruiken meer alcohol, al
is de samenhang bijzonder zwak. Bij arbeiders en winkelbedienden komt daarentegen
overmatig gebruik van alcohol veelvuldiger voor (althans: wordt veelvuldiger
toegegeven) dan bij zelfstandigen en personen in vrije beroepen. (Blz. 124-125).
Ook bij de voornaamste godsdienstige groeperingen in ons land vallen
belangwekkende verschillen in alcoholgebruik te constateren. Personen van
protestants-christelijke godsdienst (Gereformeerd of Nederlands Hervormd) gebruiken
minder dan de buitenkerkelijken of Rooms-Katholieken. Ook dronkenschap wordt
door hen minder frequent opgegeven. (Blz. 126-127).
De meeste hypothesen afgeleid van de theorieën omtrent het alcoholisme lenen
zich niet voor het verklaren van de spreiding der sociale drinkgewoonten en moesten
worden verworpen. De verwachting dat de drinkgewoonten bij de slechte
participanten, bij de ‘economisch zwakkeren’ en bij de mensen met angstgevoelens
zouden floreren werd niet gehonoreerd. Ook de theorie van de orale fixatie verkreeg
weinig steun in onze gegevens, daar de onderscheiden kenmerken van de orale
fixatie met het drinken nog minder consistent bleken gecorreleerd dan met het roken.
De anomietheorie in de engere zin die ons intensievere drinkgewoonten deed
verwachten bij personen die economisch vooruit zijn gegaan, verkreeg evenmin
steun in onze gegevens. Deze reeks negatieve resultaten toont aan, dat sociale
drinkgewoonten niet met alcoholisme te vereenzelvigen zijn en een geheel eigen
karakter dragen. (Blz. 129-135).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
13
De roltheorie, de beschikbaarheidstheorie en de normatieve theorie van het drinken
bleken daarentegen steekhoudend te zijn. Hogere inkomstengroepen verbruiken
meer alcohol. Het drinken is voornamelijk verbonden met de rol van de man en van
de volwassene in onze samenleving: vooral mannelijke jeugdigen drinken veel. (Blz.
130, 133).
Wat de normatieve theorie betreft: er bestaat een positieve samenhang tussen
de normatieve houding t.o.v. het drinken en eigen drinkgewoonten (althans voor
zover opgegeven aan de enquêteur). Het gebruik van alcohol wordt slechts door
een kleine minderheid (omstreeks 9%, d.w.z. één op tien) geheel afgekeurd. Ook
het excessief drinken wordt minder streng beoordeeld dan acht andere door ons
gekozen vormen van wangedrag. (Blz. 152-153).
Het bleek dat de godsdienst de drinkgewoonten beïnvloedt voornamelijk indirect
via de strengere normen die in calvinistische groeperingen t.o.v. het alcoholgebruik
worden gehanteerd. Hetzelfde geldt voor de intensiteit waarmee men zich met eigen
wereldbeschouwing identificeert (cultuuraanvaarding): hoe sterkere identificatie,
des te strengere normen t.o.v. het alcoholgebruik. Naast deze factor is het nog de
mate van algemene ‘bezorgdheid’ die de normatieve houding bepaalt en hierdoor
indirect met de drinkgewoonten is verbonden. (Blz. 158, 166).
Alcoholisme kan gezien worden als een dysfunctioneel aspect der sociale
drinkgewoonten: op zoek naar gezelligheid, status en het gevoel van levenskracht
dat de puberteitsjaren kenmerkte, geraakt men door excessieve drinkgewoonten
vereenzaamd, werkloos en statusloos, verzwakt en uitgeput. (Blz. 134-136).
Mannen die minder prettige herinneringen bewaren aan hun jeugd, vermelden
significant meer dan verwacht, dat zij tijden hebben gekend van sterke behoefte
aan alcohol die in de richting van alcoholisme wijst. (Blz. 137).
Satisfactie
De hoge mate van onderlinge verbondenheid der afzonderlijke tevredenheidindices
(zoals o.a. door middel van de factoranalytische studie aangetoond) suggereert dat
de satisfactie mede bepaald wordt door de persoonlijkheidsstructuur van de
ondervraagden. Het zou hierom onjuist zijn in de tevredenheid uitsluitend een
indicator te zien van de objectieve situatie (werkverhoudingen, gezondheid,
huisvesting, enz.). (Blz. 194-196).
De volgende factoren werden gesignaleerd als de mogelijke sociale oorzaken
van de dissatisfactie (in de betekenis van een algemene psychische instelling of
eigenschap): a. onprettige, traumatiserende jeugdervaringen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
14
zoals echtscheiding, sterfgeval van een der ouders, broer of zuster; b. verzwakte
sociale banden (in de termen van sociale participatie-index tot uitdrukking gebracht);
en c. een losse kerkelijke binding. Onder de subjectieve variabelen zijn het
voornamelijk de onprettige herinneringen aan eigen jeugd en de symptomen van
onbehagen (vereenzaming, verveling, enz.) die met de dissatisfactie verbonden
zijn. (Blz. 200-201).
Het feit dat de tevredenheidindices niet op een unidimensionele schaal van
Guttmans type geplaatst kunnen worden, suggereert, dat het ‘object’ der satisfactie
niet geheel is te verwaarlozen. De bijzonder positieve antwoorden op een aantal
tevredenheidsvragen (m.b.t. het werk, eigen levensloop, eigen gezondheid en
huisvesting) wekken het vermoeden, dat het welzijn der bevolking in de loop der
laatste jaren enigszins is toegenomen. (Blz. 193).
De tevredenheid over eigen werk en levensloop is meer afhankelijk van de mate
van zelfstandigheid van eigen werk en van de (sociale) zekerheid dan van de hoogte
der beloning (de inkomsten). (Blz. 187-189).
Bezorgdheid en onbehagen
Evenals de vragen over de tevredenheid met allerlei objecten vertonen de vragen
over het wel of niet zorgen hebben op bepaalde levensgebieden veelvuldige
onderlinge verbanden. Bezorgdheid of een zorgende houding is behalve door het
‘object’ tevens door het subject (persoonlijkheid van de ondervraagde) bepaald.
(Blz. 214).
Tot de groeperingen waarin we de concentratie aantroffen van deze bezorgde
houding behoren: de vrouwen, de stedelingen en vooral de Protestanten (zowel de
Nederlands Hervormden als de Gereformeerden) en personen met sterke culturele
bindingen (hoge cultuuraanvaardingscores). Van de meer subjectieve variabele zijn
het vooral het pessimisme en de neurotische tendens (angstgevoelens, verveling,
doelloosheidsgevoel, enz.) die met bezorgdheid gepaard gaan. (Blz. 223-226).
Symptomen van onbehagen, andere dan dissatisfactie, bleken op grond van onze
factoranalytische studie eveneens met elkaar verbonden te zijn; zij werden in een
gemeenschappelijke variabele (‘persoonlijkheidsevenwicht’ of ‘neurotische tendens’)
verwerkt en aan ons uiteindelijke analytisch schema toegevoegd. (Blz. 216-217).
De traumatische jeugdervaringen, zwakke sociale banden in de vorm van
non-participatie in verenigingen en maatschappijorganen, zwakke kerkelijke banden
(‘onkerkelijkheid’ of lidmaatschap in de kerkgenootschappen met zwak collectief
gezag), het wonen in de grote steden - al deze kunnen aangeduid worden als de
vermoede oorzaken van het verzwakt ‘persoonlijkheidsevenwicht’. Frequent
doktersbezoek is eveneens
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
15
hiermee verbonden en kan waarschijnlijk als gevolg hiervan worden beschouwd.
(Blz. 220-223).
Het toenemende aantal echtscheidingen dat als gevolg van verstedelijking en
gemengde huwelijken door het C.B.S. is gesignaleerd, zal bij de komende generaties
zich weerspiegelen in hogere frequentie van onbehagen en neurotische tendensen.
Intensiever huwelijksgeluk bij jongere generaties schijnt deze ‘trend’ tegen te gaan.
(Blz. 221, 227).
De Protestanten en onkerkelijken, personen met meer schoolopleiding en
stedelingen maken zich veelvuldiger bezorgd over de politieke toestanden dan
verwacht zou worden volgens de kansverdeling. (Blz. 212).
Naar verhouding zijn meer vrouwen dan mannen bezorgd over hun verhouding
tot God en over de dood; een ander ‘zorgengebied’ kenmerkend voor vrouwen
vormen de zorgen over de familieleden en kinderen. (Blz. 213).
In tegenstelling tot de vraag over de werksatisfactie liet de vraag naar de zorgen
over geldzaken een duidelijk verband zien met inkomsten; personen die minder dan
ƒ 3.000,- per jaar verdienen zijn significant meer ‘bezorgd’ in dit opzicht. (Blz. 212).
Integratie van de individu
Het concept van de maatschappelijke integratie van de individu vindt zijn empirische
rechtvaardiging in de hoge mate van onderlinge verbondenheid van participatie in
de verenigingen, identificatie en interactie met een cultureel (sub)systeem
(cultuuraanvaarding), behulpzame, sociale houding en informele sociale participatie
(bezoeken). (Blz. 248).
De onderscheiden aspecten der integratie zijn echter niet op een unidimensionele
schaal te plaatsen; zij vertonen disjunctieve samenhangen met andere aspecten
der sociale structuur. (Blz. 241-242).
De theorie omtrent de invloed van de urbanisatie op de vereenzaming van de
moderne mens verdient een specificatie in dier voege, dat het stadsleven het
verenigingsleven aantast maar tevens de gezellige omgang met mensen bevordert:
de frequentie der bezoeken is er hoger dan op het platteland. Een dergelijke
differentiatie in de twee vormen van participatie (formeel en informeel) brengt de
sekse aan: vrouwen nemen minder deel aan het verenigingsleven maar leggen
meer bezoeken af dan mannen. (Blz. 242).
De intensieve formele participatie blijkt met meer algemene satisfactie, meer
persoonlijkheidsevenwicht (het ontbreken van angstgevoelens en andere symptomen
van onbehagen), meer intensieve rook- en snoepgewoonten gepaard te gaan.
Participanten hebben veelvuldiger prettige
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
16
jeugdherinneringen dan non-participanten. Inkomsten en kerkelijke binding zijn
reeds per definitie met de formele participatie (door contaminatie) gecorreleerd.
(Blz. 252).
Intensieve identificatie met een cultureel (sub) systeem (cultuuraanvaarding) gaat
met bezorgde houding, met afwijzing van alcohol, met aanvaarding van kennis
omtrent de gevolgen van roken, met minder koffiegebruik maar met meer snoepen
gepaard. Hogere schoolopleiding en de protestantse (tegenover de rooms-katholieke)
godsdienst behoren tot de sociale oorzaken van kennisaanvaarding. (Blz. 254).
Behalve de sociale participatie en de cultuuraanvaarding bepalen de kerkelijke
binding en het leven op het platteland (in kleinere gemeenten) de behulpzame,
sociale instelling van de bevolking. (Blz. 255).
Methode
De methode van matrijsvermenigvuldiging gecombineerd met de partiële correlatie
leent zich, dank zij het gebruik van elektronische rekenapparatuur, voor de analyse
der samenhangen van de sociale structuur. Zij dient te worden aangevuld met de
kwantificatie van enquêtemateriaal door middel van schaalconstructie. (Blz. 385-418).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
17
Deel I
Beschouwingen en bevindingen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
19
1.1 Inleiding
1.1.1
Aanleiding tot het onderzoek
1.1.2
Probleemstelling en verantwoording
1.1.3
Indeling van de stof
1.1.4
Organisationele opzet en medewerkers
aan het onderzoek
1.1.1 Aanleiding tot het onderzoek
Zoals de meeste habituele gedragingen behoren ook de rookgewoonten tot de
onbewuste handelingen van de mens. De gemeenschap komt tot het besef omtrent
eigen leefwijze slechts onder de bedreiging van of in de confrontatie met een andere
1
beschaving .
Zonder een dergelijke bedreiging beschouwt men eigen gewoonten als
vanzelfsprekend, of beter te zeggen, men beschouwt ze niet; zij zijn er nu eenmaal,
zij verspreiden zich door de ganse bevolkingsgroep, van generatie op generatie;
en we weten van hun vóórkomen, hun plaatselijke verschillen of wijzigingen in de
loop der tijden geen verklaring te geven.
Een bedreiging voor de rokende gemeenschap in Nederland kwam in de vorm
van berichten omtrent de recente buitenlandse onderzoekingen die sedert 1953
begonnen door te sijpelen. Deze nam een ernstige vorm aan toen, in het jaar
voorafgaand aan onze enquête, de berichten bevestigd en gesteund werden door
2
de deskundige kringen hier te lande . Een waarschuwing tegen het excessief roken
werd gelanceerd door de pers en de radio; van een onschuldige gewoonte die de
meeste mannen overnemen in de adolescentie als een der kenmerken van rijpheid,
werd het roken verklaard tot ‘vijand’, tot één der euvelen van onze maatschappij,
een gevaar voor de volksgezondheid. Het lag voor de hand dat deze berichten en
voorlichtingscampagne niet meteen tot een massale wijziging van het
gewoontenpatroon zouden leiden. Verankerd in de individuele
persoonlijkheidsstructuur door jarenlang gebruik, helpt het roken de tijd van
duizenden mannen en vrouwen te structureren in intervallen van de ene sigaret tot
de andere, van pijp tot pijp, of in de wat langere sigaarintervallen. Wat wel te
verwachten viel, was de groeiende bewustwording omtrent het roken.
1
2
A.N.J. den Hollander, Het andere Volk, Amsterdam, 1946.
Zie het rapport van de Commissie uit de Gezondheidsraad in Nederl. Tijdschrift voor
Geneeskunde, jrg. 101, no. 10 (maart 1957), 459-463.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
20
Dit proces gade te slaan leek op zich zelf aantrekkelijk genoeg voor een sociaal
onderzoeker. Hoevelen van ons namen kennis van deze verontrustende berichten?
Wie van ons lazen deze berichten en lieten zich overtuigen? Zijn het meer geweest
dan rokers die op wat kortsluitende wijze de berichten over een bedreiging voor
bedreigende, valse berichten verwisselden? Wie hebben aan de voorlichting gehoor
gegeven en op welke moeilijkheden zijn zij gestuit? Deze en dergelijke vragen
drongen zich op.
Er kwamen echter nog andere overwegingen bij. Het sociale
verantwoordelijkheidsbesef van de onderzoeker stelt hem de eis het proces van
bewustwording niet slechts te beschrijven maar door toepassing van zijn deskundig
onderzoek te bevorderen. Dit werd als een niet al te zware opgave beschouwd.
Want opmerkelijk was het gebrek aan kennis aan de vooravond van de enquête.
Ondanks de voortreffelijk werkende instituten voor sociaal en statistisch onderzoek,
beschikten wij niet over nauwkeurige gegevens over de spreiding en de intensiteit
der rookgewoonten in ons land. Voor zover een onderzoek plaatsvond, werden de
resultaten hiervan bijna uitsluitend gebruikt t.b.v. de belangengroepen. Het brede
publiek en de kringen die hier te lande voor de gezondheid zorg dragen, beschikten
niet over een gedifferentieerd beeld van de rookgewoonten. Teneinde de risico's te
lokaliseren en de voorlichting doelmatig te richten zou men gebaat zijn met de
sociale ecologie van deze gewoonten alsmede met een inzicht in het proces van
het aanwennen. Teneinde in de tweede behoefte te voorzien begon dokter O.
Fokkens onder leiding van professor R. Hornstra zijn onderzoek naar ‘De ontwikkeling
1
van rookgewoonten bij de jeugd’ . De eerste vraag, die naar de sociale ecologie
van de rookgewoonten, bleef echter door de Nederlandse onderzoekers op dit
gebied onbeantwoord. Dit ondanks het feit dat het antwoord door middel van een
landelijke enquête betrekkelijk gemakkelijk kon worden gegeven.
Voor de sociologen verbonden aan de afdeling Geestelijke Gezondheid van het
Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde waren er nog meer redenen
om een dergelijke landelijke enquête te houden. Onder de stimulerende leiding van
het afdelingshoofd, prof. Dr. J. Koekebakker, werden er reeds meerdere
2
sociologische onderzoekingen ‘in het veld’ gehouden ; de ervaringen met deze
plaatselijke en streekonderzoekingen opgedaan, deden de wens rijzen om de
verworven technieken en theoretische inzichten bij een landelijk onderzoek te
toetsen. Daar de ijking van een sociaal-psychologisch en sociologisch meetinstrument
het meest ver-
1
2
Zie gelijkluidend proefschrift in Utrecht, 1960.
Een aselecte steekproef bevattende 404 volwassen personen uit de gemeente Sassenheim;
een aselecte steekproef bevattende 544 jonge mannelijke arbeiders uit 29 gemeenten op
Walcheren en Zuid-Beveland; en een steekproef bevattende 526 arbeiders van Breedband
N.V. woonachtig in de gemeenten rond de K.N. Hoogovens en Staalfabrieken te IJmuiden.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
21
antwoord kan geschieden door middel van een landelijke ondervraging zag men
het belang in van de opbouw van een representatieve steekproef. De ervaringen
die men zou opdoen met de selectie van gemeenten, van de proefpersonen, met
de organisatie en de administratie van de enquête op een landelijke schaal leken
voor een wetenschappelijk instituut op zich zelf de moeite waard.
Het lag voor de hand dat, toen eenmaal de beslissing was gevallen de enquête
te houden, de oorspronkelijke probleemstelling enigszins werd uitgebreid. Van het
standpunt van de onderzoeksdoelmatigheid bleken de kosten van de uitbreiding
van ons vraaggesprek ver beneden de kosten van een nieuwe enquête te liggen,
daar de voornaamste uitgaven de reiskosten en de vergoedingen aan enquêteurs
vormden. Naast deze praktische overwegingen was het ook theoretisch alleszins
verantwoord om behalve de rookgewoonten tevens de drink- en snoepgewoonten
bij ons onderzoek te betrekken. Volgens de in medische kringen gangbare
opvattingen zijn al deze gewoonten als orale fixaties op te vatten. De vraag of roken,
snoepen en drinken elkaar compenseren of elkaar versterken drong zich dan ook
onmiddellijk op. Wat minder vanzelfsprekend, echter voor de sociologen werkzaam
aan de Afdeling voor de Geestelijke Gezondheid begrijpelijk, was de toevoeging
van de vragen betrekking hebbende op de subjectieve aspecten van het welzijn:
tevredenheid met eigen gezondheid, met eigen werk, eigen loopbaan,
woningtoestanden, zorgen op allerlei belangrijke levensgebieden, aanwezigheid
van onheilspellende symptomen als angsten, eenzaamheid, depressieve toestanden
en verveling. Tenslotte werd nog een variabele aan het onderzoek toegevoegd, nl.
het zich aansluiten bij een ideologisch systeem, de aanvaarding van een cultureel
systeem. Deze zou een aanvulling vormen op de gangbare indices van de sociale
participatie (‘vereenzaming’) die met de ‘sociaal-pathologische’ verschijnselen nogal
vaak worden gecorreleerd.
Ondanks dit schijnbare gemis aan eenheid van doelstelling rechtvaardigden
tweeërlei argumenten een dergelijk uitgebreid onderzoek:
1. methodologisch leek het alleszins verantwoord bij de enquête zoveel mogelijk
variabelen te betrekken daar een ‘survey’ tot de meer extensieve methoden van het
sociaal onderzoek behoort; niet de causale werking van één factor in de loop der
tijd, maar het net van structurele verbanden op één tijdstip waargenomen vormen
het eigenlijk object van een sociologisch massa-onderzoek.
2. Daar bovendien het eigenlijke onderwerp (roken en drinken) nogal controversieel
en emotioneel gekleurd was, verdiende een indirecte benadering aanbeveling. Een
onderzoek naar de algemene levensomstandigheden en de gezondheid zou bij de
belangrijkste groeperingen (rokers en
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
22
drinkers) op minder weerstand stuiten dan een onderzoek dat tot deze twee
gewoonten beperkt bleef.
3. Het leek ons ook theoretisch mogelijk een poging te wagen tot de integratie van
een groot aantal, schijnbaar onsamenhangende variabelen. Zij allen hebben tenslotte
1
met het welzijn van de mens te maken ; het complex van rook-, drink- en
snoepgewoonten is moeilijk te scheiden van de sociale normativiteit op dit gebied,
de vraag naar de gezondheidsvoorlichting is ten nauwste verbonden met de vraag
naar de verspreiding en efficiëntie van de moderne massa-communicatiemiddelen
en naar de irrationele factoren die de mens weerhouden de verworven kennis te
accepteren en te aanvaarden als richtlijn voor zijn gedrag. De oorzakelijke analyse
leidde ons van de meer gangbare basisvariabelen (geslacht, leeftijd, beroep,
opleiding, enz.) tot de meer specifieke sociale factoren als sociale participatie,
cultuuraanvaarding en de sociale ecologie van enkele symptomen van
onaangepastheid en van ontevredenheid. Dank zij de nieuwe technieken van
onderzoek (de schaalanalyse, de factoranalyse en het gebruik van matrijzen bij het
identificeren van reeksen intergecorreleerde variabelen) leek het ons mogelijk om
te streven naar een integrale theorie die rechtstreeks op het onderzoekmateriaal
zou berusten.
1.1.2 Probleemstelling en verantwoording
Uit het voorafgaande blijkt reeds dat de probleemstelling van een extensieve,
meerdere factoren omvattende enquête moeilijker is te geven dan van het op een
causale hypothese gebaseerd experiment. Desondanks zullen we trachten hier de
voornaamste probleemgebieden van het onderzoek af te bakenen en
achtereenvolgens hun theoretisch en praktisch belang aan te duiden. Een van de
eerste vragen die zich voordeed, was de volgende:
I. Hoe zijn de rook- en drinkgewoonten te omschrijven in de termen van
de sociologische categorieën?
Nader gespecificeerd valt deze vraag in een gehele probleemreeks uiteen: wat is
de wezenlijke aard der gewoonten vergeleken met andere begrippen zoals
maatschappelijke processen, maatschappelijke gelaagdheid, vormen van het
groepsleven, enz.? In hoeverre moeten we het roken en het drinken van alcoholische
dranken tot gewoonten rekenen en in hoeverre zijn hierop ook andere categorieën
toepasbaar (het roken als statuskenmerk
1
Wij pretenderen daarentegen niet dat de gekozen variabelen de enig mogelijke zijn en onze
vragen als de probleemstelling van de medische sociologie dienen te worden beschouwd.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
23
der volwassenheid, van mannelijkheid, het drinken als kenmerk van het sociale
ritme en van het ritueel: les rites de passage, enz.)?
Het ligt voor de hand dat deze vragen overwegend van theoretische aard zijn.
Indien adequaat beantwoord vergroten zij ons inzicht in de sociale structuur, in
hetgeen de oudere Franse sociologie la morphologie sociale placht te noemen.
Naast de inzichten in de opbouw van onze samenleving kan echter het begrip
‘gewoonte’ ook inzicht verschaffen in het proces van de maatschappelijke
verandering. Want door het element van de traditie vormen vaak de gewoonten een
remmende factor in de samenleving. Andere gewoonten veranderen zelf in de loop
der tijden en kunnen als symptomatisch worden beschouwd voor bepaalde fasen
van de ontwikkeling.
Het praktisch belang van deze problemenreeks is slechts indirect. Een goed
voorbeeld van de praktische betekenis van een scherpe begrippenonderscheiding
vormt de stelling van Sellwyn Bacon, nl. dat het grootste probleem van de
alcoholbestrijders gevormd wordt door de moeilijkheid het drinken van een gewoonte
tot een onzedelijke handeling te verklaren. Hun bestrijdingscampagnes stuiten op
de weerstand van de samenleving de oude gewoonte prijs te geven en het gebruik
van de alcoholica als onbehoorlijk te gaan beschouwen; de gevolgen van het drinken
worden wel afgekeurd, het drinken zelf wordt echter niet alleen getolereerd maar in
sommige sociale situaties zelfs als een verwachte gedragslijn aangegeven. Het
inzicht in het onderscheid tussen ‘gewoonten’ en ‘zeden’ helpt zodoende de actie
doelmatiger te richten.
II. Hoe intensief zijn de rook- en drinkgewoonten en in welke mate komen
zij bij de Nederlandse bevolking voor?
Het is zowel van theoretisch als van praktisch belang om de spreiding van het sub
I) afgebakende verschijnsel te kennen. Voor sommige landen (b.v. Denemarken)
beschikken we reeds over de globale cijfers over het roken die een vergelijking met
de Nederlandse situatie zinvol maken. Methodologisch vormt een antwoord op deze
vraag de basis van al het verdere werk; want weinig kan er gezegd worden over de
structurele en causale verbanden van een verschijnsel zonder dat we in staat zijn
het vóórkomen van dit verschijnsel nauwkeurig te meten.
III. Welke is de plaats van deze gewoonten in de sociale structuur in
Nederland, hoe staat het met de sociale ecologie van het roken en
drinken?
Nadat we de frequentie van de voornaamste vormen van het roken en drinken voor
de totale bevolking hadden vastgesteld, ging onze belangstelling naar de
ondergesplitste (‘cross-tabulated’) gegevens uit. Theore-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
24
tisch is het interessant de structurele verbanden van deze gewoonten te kennen;
de kennis omtrent hetgeen men rookt en drinkt als man of vrouw, als intellectueel
of ongeschoolde, als verplicht verzekerde of rentenier, enz. verdiept ons inzicht in
de levensstijl van de belangrijkste subgroepen. Uit de verandering in de levensstijl
van deze subgroepen leren we de wegen kennen waarlangs de sociale verandering
in onze tijd voortschrijdt.
De prakticus zal zonder meer de differentiële cijfers omtrent het roken en drinken
dankbaar ontvangen daar deze hem de groeperingen helpen te vinden die om zijn
speciale zorg vragen; zijn actie kan doelgerichter geschieden.
IV. Welke sociale factoren dragen bij tot de verspreidings van deze
gewoonten onder de bevolking?
Het is slechts met voorbehoud dat deze vraag hier wordt aangesneden. Het is
immers bekend dat een enquête zich veel minder leent tot het opsporen van de
oorzakelijke verbanden dan b.v. het experiment. Gehouden op één tijdstip verschaft
een sociologische enquête onvoldoend inzicht in de dynamische veranderingen.
Desondanks is het onderzoek waard de subjectieve schattingen van vermindering
of toename van het roken, de leeftijd bij aanvang van het roken e.d. als uitgangspunt
te nemen van een causale analyse. Het groot aantal variabelen bij het onderzoek
betrokken maakt het mogelijk om een groot aantal testvariabelen in te voeren en
de oorzakelijke verbanden te zoeken in de kunstmatig homogeen gehouden
groeperingen.
Indien geslaagd zou deze analyse de practicus nog doelmatiger richtlijnen
verstrekken dan die vermeld in sub III), daar de draagwijdte van de bevindingen
van een causale analyse groter is dan van de complexe ‘ongezuiverde’ statistische
verbanden die een structurele analyse levert.
V. In welke mate wordt de sociale normativiteit betrokken op het roken
en drinken? Welke aspecten hiervan worden door de bevolking goeden welke afgekeurd?
Hoewel er op het eerste gezicht verband lijkt te bestaan tussen het afkeuren van
het roken of drinken en het uitblijven van deze gewoonten, meenden we toch deze
vragen in onze onderzoekopzet te moeten opnemen. In zijn minder uiterste vorm
is immers het verband geenszins vanzelfsprekend. Onderzoekingen van Kinsey en
anderen hebben aangetoond dat er een nogal diepe kloof kan bestaan tussen de
sociale norm en het werkelijke gedrag. Zodoende hebben we geen zekerheid dat
alle rokers en drinkers tevens deze gewoonten goedkeuren en bereid zijn te
verspreiden of dat de geheelonthouders en niet-rokers tevens tegen het roken en
drinken ge-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
25
kant zijn. De intercorrelatie van de norm en het werkelijk gedrag (althans voor zover
door middel van een enquête vast te stellen) is o.i. zeker onderzoekswaard en is
stellig zowel van praktische als van theoretische betekenis.
VI. In welke mate bestaat er bij onze bevolking bewuste zorg voor eigen
welzijn? Is er bereidheid tot onderlinge hulpverlening?
Reeds in zijn algemene formulering kan deze vraag in verband worden gebracht
met de veranderde sociale structuur. Werd het ethos van de welvaartsstaat door
de bevolking overgenomen? In welke mate is men bereid de zwakken of de zieken
te beschermen? Nog belangrijker blijkt deze vraag indien alweer gerelateerd tot
bepaalde onderdelen van onze sociale structuur. Wat is immers de sociale ecologie
van de ‘asocialiteit’ in de meer zuivere, sociaal-psychologische betekenis van het
woord? De houding van de bevolking t.o.v. deze onderwerpen vormt de grondslag
van zowel de gezondheidszorg als het maatschappelijk werk.
VII. Is er besef omtrent de mogelijke schadelijke gevolgen van het roken
en het drinken? In welke mate is dit besef in verband te brengen met
de voorlichting op dit gebied? Zijn er sociale factoren aan te duiden die
de werking van een voorlichtingscampagne belemmeren?
Deze problemenreeks vindt haar theoretische rechtvaardiging deels in L. Festingers
theorie omtrent de ‘cognitieve dissonantie’ deels in de steeds groeiende leer omtrent
de moderne massa-communicatiemiddelen. Alweer zal de verwaarlozing van het
tijdselement in een ‘survey’ waarschijnlijk schuld dragen aan de onvoldoende
evaluering van de voorlichting; de middelen voor het onderzoek beschikbaar gesteld
maakten het onmogelijk twee enquêtes (vóór en na de meest intensieve
voorlichtingscampagne) te houden. Toch kunnen wellicht ook de structurele
verbanden met ‘het welingelicht zijn’ en ‘de kennisaanvaarding’ een licht werpen
op de sociale en de psychische mechanismen van voorlichting.
VIII. Welke andere onderwerpen vormen een zorgen-thema voor de
bevolking, welke voornaamste sociale factoren belemmeren in onze tijd
het zich psychisch wel-bevinden der mensen?
De reeks omvangrijke literatuur omtrent de dissatisfactie in de werksituatie doet een
theoretische vraag van groot belang rijzen: in hoeverre meten de z.g.
dissatisfactieschalen de aanwezigheid van een negatieve stimulus in het object (dus
inderdaad ongunstige werkomstandigheden,
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
26
spanningen in de arbeidersgroepen, enz.) en in hoeverre brengen zij slechts tot
uitdrukking de algemene negatieve instelling van de respondent, de karakterologische
trekken, de min of meer gefixeerde elementen van zijn persoonlijkheidsstructuur.
Vandaar dat het aanbeveling verdient de werksatisfactie-index in verband te brengen
met andere satisfactie-indices: b.v. de tevredenheid met eigen gezondheid, eigen
loopbaan, woningtoestanden, enz. De concentratie van de ‘ontevredenheid’ in één
en dezelfde groepering mensen kan dan worden nagegaan. Hiermee hoopt men
tevens het antwoord te geven op de vraag of ‘onaangepastheid’ (of ‘ontevredenheid’)
eerder tot bepaalde persoonlijkheidstypen dan tot de sociale levensomstandigheden
moet worden gerelateerd.
Wat de praktische kant van deze problemenreeks betreft, zij in dit verband slechts
opgemerkt dat de vraag ons terugbrengt tot het oorspronkelijke uitgangspunt van
het publieke opinie-onderzoek, zoals Gallup het propageerde: een tussentijds
referendum, het poolshoogtenemen in een democratisch bestel; tevens een bijdrage
tot de inventarisatie van de behoeften en wensen der bevolking.
Deze acht probleemgebieden vormen het hoofdthema van deze studie. Het zij
wellicht ten overvloede opgemerkt dat zij geenszins als de enige problemen zijn te
beschouwen waarop wij tijdens het onderzoek zijn gestuit. Ook zijn zij niet geheel
onafhankelijk van elkaar, het oplossen van één vraagstuk is vaak een noodzakelijke
voorwaarde tot het succesvol benaderen van andere vragen. Tenslotte willen we
in dit verband afzien van een opsomming van de hypothesen die ons bij het
beantwoorden van de bovenvermelde vragen geleid hebben. De lezer vindt de
hypothesen vermeld naast de belangrijkste bevindingen in de afzonderlijke
hoofstukken van het eerste deel van dit boek.
1.1.3 Indeling van de stof
Nog een andere aanwijzing wensen we te geven aan de lezer van deze studie. Al
was het wellicht om redenen van logische systematiek gewenst de methodologische
uiteenzetting rechtstreeks te doen aansluiten bij de probleemstelling in deze Inleiding,
besloten wij desondanks met de weergave van onze bevindingen en beschouwingen
te beginnen. De techniek van het modern sociaal onderzoek vereist de kennis van
hulpvakken (b.v. de statistiek) die zelfs in de kringen van vaksociologen niet gelijk
worden gewaardeerd. De voortgaande specialisatie maakt een technische
uiteenzetting zelfs voor de beroepsonderzoekers een moeilijk leesbare materie.
Een ieder die de resultaten van zijn werk niet slechts aan een kleine kring
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
27
van vijf à tien medewerkers wil doorgeven, maar hieraan een wijdere bekendheid
wil geven, tracht de technische betoogtrant te vermijden. Voor deze meer algemeen
georiënteerde lezer is Deel I van ons boek geschreven. Achtereenvolgens worden
hier de afzonderlijke onderwerpen behandeld, die reeds in onze inhoudsopgave zijn
aangeduid: rookgewoonten, drinkgewoonten, normatieve aspecten van roken en
drinken, het vraagstuk der tevredenheid, het vraagstuk der bezorgdheid, der integratie
en tenslotte de kwestie der voorlichting en gezondheidszorg. Voor zover mogelijk
zullen we trachten bij elk hoofdstuk monografisch te werk te gaan: het lezen van
voorafgaande hoofdstukken is, naar we hopen, niet een strikte vereiste tot het
begrijpen van de tekst. Achtereenvolgens geven we dan voor elk behandeld
onderwerp een korte uiteenzetting van ons theoretisch uitgangspunt, van onze
hypothesen en operationele definities. Hierna beschrijven we onze poging de
frequentie of de intensiteit van het bestudeerde verschijnsel onder de bevolking te
meten en de voornaamste structurele (sociaal-ecologische) aspecten ervan. De
beschouwing over de mogelijke oorzaken sluit ten nauwste bij deze bevindingen
over de spreiding aan.
Daarentegen zal de methodologisch geschoolde lezer beter doen om Deel II in
zijn geheel te lezen. De hoofdstukken behandelen de afzonderlijke fasen van het
onderzoekswerk en zetten het argument geleidelijk voort. Voor een vluchtige
raadpleging kunnen zowel de inhoudsopgave als het register dienstig zijn.
1.1.4 Organisationele opzet en medewerkers aan het onderzoek
Het sociaal onderzoek, vooral indien van landelijke strekking, kan uiteraard nauwelijks
door een individuele onderzoeker worden uitgevoerd. Daar waar een geheel team
van enquêteurs en codeurs moet worden ingeschakeld is het noodzakelijk het
onderzoek in een institutioneel verband te doen plaatshebben. Wij prijzen ons
gelukkig dat het Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde in Leiden
een kader vormde waarin het project kon worden gerealiseerd. Het feit dat we
konden vertrouwen op de leiding, de administratie en de steun van een goed
geoutilleerde, voor onderzoek bij uitstek geschikte instelling, bleek van grote waarde
bij het proces van het verzamelen der gegevens en het beraadslagen over de
onderzoekopzet. Van het begin af werden geregeld contacten gehouden met prof.
Dr. J. Koekebakker, hoofd afdeling Geestelijke Gezondheid, die ons met menig
advies bijstond. Met andere medewerkers van zijn Afdeling vond eveneens een
levendige uitwisseling van gedachten plaats. Dr. J. Sunier, tijdelijk verbonden aan
het Instituut, vroeg onze aandacht voor
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
28
het alcoholvraagstuk en verschafte ons een introductie tot de kringen van
alcoholbestrijders in Amsterdam, opdat we met de schaduwzijden van de
drinkgewoonten kennis konden maken.
Bij het uitvoeren van het onderzoek werden wij bijgestaan in de vroege fase door
Mej. J.M. van Oldenborgh, studente in de sociologie te Leiden en door de heer L.T.
van de Laar, soc. cand, eveneens uit Leiden. Beiden hebben zich veel moeite
getroost voor de voorbereidende werkzaamheden, vooral voor het opbouwen van
de steekproef uit de bevolkingsregisters van de 85 bij ons onderzoek betrokken
gemeenten. Aan de heer Van de Laar werd tevens de administratie van en het
toezicht op het enquêteren en het coderen toevertrouwd, een taak waarvan hij zich
met veel toewijding en zelfstandigheid kwijtte.
Behalve de afdeling Geestelijke Gezondheid, waaraan de sociologen belast met
dit project verbonden waren, verleende ook de afdeling Statistiek van het N.I.P.G.
een waardevolle medewerking aan het onderhavige onderzoek. Het hoofd van de
afdeling, Drs. Ch.A.G. Nass heeft het steekproefplan ontworpen; van zijn hand zijn
de technieken afkomstig ter correctie van de z.g. ‘clustering effect’ (d.w.z. de
vertekening die ontstaan door de natuurlijke groepering van mensen met bepaalde
eigenschappen in de afzonderlijke gemeenten) en een techniek van schaalconstructie
die op een iteratief, factoranalytisch procédé gebaseerd is (zie Aanhangsel). Drs.
Nass stemde ook toe de Hollerith-outillage van zijn afdeling ten bate van ons
onderzoek beschikbaar te stellen. Dank zij de nooit versagende moed van de heer
G.W. Gemert zijn dan ook talrijke tabellen opgesteld, die onze verdere bewerking
(zowel de schaalanalyse als de statistische evaluatie) mogelijk maakten.
Deze laatste is echter niet in Leiden, maar in Groningen gebeurd. Wij zijn de
leiding van het Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde erkentelijk
voor de toestemming om, na onze benoeming aan de Rijksuniversiteit te Groningen,
het materiaal ter uitwerking mede te nemen. Drs. J. Oorburg, onze assistent
verbonden aan het Sociologisch Instituut van de R.U., hielp ons met de constructie
van de Guttmanschalen en met de statistische evaluatie, later bijgestaan door enkele
studenten-assistenten. Het is aan de medewerking van mijn collega's uit het
Mathematisch Instituut te Groningen, Prof. Dr. Ir. A.I. van de Vooren en Prof. Dr.
L.J. Smid te danken, dat bij de bewerking gebruik kon worden gemaakt van de
elektronische rekenmachine (de ZEBRA). Dankbaar gebruik is gemaakt van het
programma voor de factoranalyse volgens Kaisers Varimax-procédé dat op verzoek
van prof. Dr. B.J. Kouwer was samengesteld; hiernaast heeft Drs. H.J. Burema,
assistent van prof. Van de Vooren, voor ons een nieuw programma opgesteld voor
de systematische ana. lyse van de partiële correlaties uit een matrix van
correlatiecoëfficiënten-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
29
Dit zijn nog niet alle personen, die deze studie mogelijk hebben gemaakt. Mevr.
Zijlstra-Lantinga hielp met het uittypen van de Engelse tekst van de tabellen. Bij het
afsluiten van ons werk gaan onze gedachten tevens uit naar onze enquêteurs die
zich veel moeite hebben getroost om de gegevens voor ons te verzamelen. De
volgende personen maakten deel uit van ons enquêteursteam:
G.J.v.d. Aardweg
G. Janssen
J.J.A. Schuld
Mej. A.C. Adriaansen
J.M. Jaspers
A.J. Schmitz
J.G. van Aken
B. Kloos
Mej. A.M.D. Spierings
M.P. Bolten
Mej. F.C.v.d. Maarel
H.W. Tromp
Mej. V.M.L. Bosselaers
P. Nass
A.v.d. Ven
B.F.J. van Dam
J. Pennings
H.M. Verstrelen
J.R. Floor
Mej. M.A. Pijl
J.D. Wams
Th. C.J. Franssen
E. Roberts
Th. H. Wolak
Mej. M. Habets
Aan al onze medewerkers, alsmede aan de 1297 personen die welwillend onze
vragen hebben beantwoord, betuigen wij onze dank.
Tenslotte willen we op deze plaats onze erkentelijkheid betuigen aan J.B. Wolters'
Uitgeversmij. te Groningen, die het risico heeft willen dragen verbonden aan het op
de markt brengen van dit omslachtige werk. Haar medewerkers hebben zich veel
moeite getroost om aan het boek zijn tegenwoordige typografische vorm te geven.
Groningen, oktober 1962.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
30
Motto: Beleefd verzoek
Span prikkeldraad en dreig met bajonetten
en leg ons als sardines in een hong,
verdor ons hart, sla boeien om de tong,
onthoudt ons vitaminen, vlees en vetten,
plunder mijn huis, die reeds mijn land bezetten,
ontruk mij aan mijn kinderen, mijn vrouw,
beloon de verraders en bestraf de trouw...
(‘If you have tears, prepare to shed them now...’)
Maar stuur in godsnaam eens wat sigaretten!
WILLEM BRANDT
in ‘toen ... 1940-1945’ Staatsdrukkerij, 1960.
1.2 Rookgewoonten in Nederland
1.2.1
Gewoonten, gebruiken, zeden:
sociologische en sociaal-psychologische
begripsdoorlichting
1.2.2
Theoretisch denken over de
rookgewoonten
1.2.3
Poging tot hypothesenvorming
1.2.4
Frequentie en patroon van de
rookgewoonten in Nederland
1.2.5
Het roken en de sociale structuur
1.2.6
Oorzakelijke en functionele aspecten
1.2.7
Samenvatting der voornaamste
resultaten
1.2.1 Gewoonten, gebruiken, zeden: sociologische en
sociaal-psychologische begripsdoorlichting
De wetenschappelijke belangstelling voor het collectieve, herhaalde gedragspatroon
dat we in de lekentaal met de termen ‘gewoonten’ of ‘gebruiken’ omschrijven is in
de loop der laatste decennia aanzienlijk gedaald. Deze belangstelling was hoog bij
de negentiende-eeuwse etnologen die zich veel moeite hebben getroost om de
gewoonten van de vreemde, onbekende en toen ‘ontdekte’ volkeren te beschrijven
en voor de blanke lezer vast te leggen. Dezen werden later bij hun reizen door de
sociologen van de Durkheimiaanse school vergezeld, die, getrouw aan hun
ontwikkelingstheorie der maatschappij, in de gewoonten en de leefwijze van
ongedifferentieerde bevolkingsgroepen de oorsprong van eigen instellingen en
leefvormen trachtten te vinden. Impliciet gebruikt als instrument van het etnologische
onderzoek, verkreeg de begrippenreeks ‘gewoonten - gebruiken - zeden’ in de loop
van de eerste jaren na de eeuwwisseling zijn theo-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
31
retische formulering. De pionier van de Amerikaanse sociologie, William Graham
Sumner, gaf in 1907 in Boston een van de eerste belangrijke werken op dit gebied
uit: Folkways: A Study of the Sociological Importance of Usages, Manners, Customs,
Mores, and Morals. E.A. Westermarck was hem in Engeland met zijn The Origin
and Development of Moral Ideas een jaar voor; in Duitsland geeft F. Tönnies in 1909
zijn Die Sitte uit. Zoals bij Sumner vormen ook bij Tönnies de gewoonten een centraal
concept van het sociologisch denken dat tot tal van andere begrippen wordt
gerelateerd.
De opkomende sociale psychologie heeft evenals de opkomende sociologie veel
aandacht aan ‘gewoonten’ besteed. William James haalt in verband met dit begrip
in zijn Principles of Psychology, in 1890 verschenen, Duke Wellington aan: ‘Habit
a second nature! Habit is ten times nature.’ John Dewey in zijn Human Nature and
Conduct: An Introduction to Social Psychology (New York, 1922), ziet in de
gewoonten ‘het sleutelbegrip’ van de sociale psychologie.
In de latere ontwikkeling van de jonge wetenschap wordt het concept meer en
1
meer door andere concepten vervangen (o.a. de houdingen, ‘attitudes’) .
Ook in de sociologie zien we andere theoretische concepten opduiken (functie,
structuur, rol, marginaliteit, aanpassing, sociaal probleem, enz.) terwijl de
belangstelling voor de gewoonten, theoretisch zoals ook feitelijk, op de achtergrond
is geraakt. Het is kenmerkend dat een van de belangrijkste studies van bepaalde
gewoonten (nl. de seksuele gewoonten) in onze westerse samenleving niet door
2
de sociale onderzoekers maar door de biologen is verricht .
Wij kunnen slechts gissen naar de vermoedelijke oorzaken van deze verplaatsing
der belangstelling. Deze zijn gedeeltelijk objectief van aard: de voortschrijdende
eenwording van de wereld laat heel weinig ondoorvorste groeperingen over. Daar
de menselijke belangstelling vooral naar het nieuwe, ongewone, bizarre uitgaat, zal
de hedendaagse emancipatie van de technisch minder ontwikkelde volkeren met
verlies aan interesse van de westerse denkers gepaard gaan. Andere oorzaken
liggen wellicht op het gebied van de theoretische ontwikkeling: ‘de gewoonte’ en
‘het gebruik’ zijn immers concepten rechtstreeks aan de omgangstaal ontleend. Als
zodanig zijn ze niet eenduidig doch behept met meerdere betekenissen en met
emotionele inhoud. In de beide sociale wetenschappen, de sociologie en de sociale
psychologie, is daarentegen een tendens waarneembaar
1
2
We ontlenen het een en ander aan H.E. Barnes, An Introduction to the History of Sociology,
Chicago, 1948, en aan G.W. Allports beschrijving van ‘The historical backgrounds of modern
social psychology’ in G. Lindzeys Handbook of Social Psychology, Reading, 1954, deel I.
A.C. Kinsey, W.B. Pomeroy, C.E. Martin, Sexual Behavior in the Human Male, Philadelphia,
1948; id.: Sexual Behavior in the Human Female, 1953.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
32
zich van dergelijke meerduidige begrippen te ontdoen en eigen wetenschappelijke
concepten op te bouwen. Deze tendens treedt t.o.v. ‘de gewoonten’ sterker naar
voren, daar het hier om een uitgesproken multidisciplinair begrip gaat, een begrip
dat zich als het ware in het snijvlak bevindt van minstens drie sociale wetenschappen:
naast de beide reeds genoemde is het nog de culturele antropologie, die dit begrip
als erfdeel van haar oudere zuster, de etnologie, overnam.
Tenslotte willen we verwijzen naar de groeiende afkeer van de opbouw van
theoretische systemen die in deze wetenschappen merkbaar is. Hun toenemende
differentiatie maakt het voor de enkeling haast onmogelijk om zich van alle gebieden
der wetenschap meester te maken en de brokken der verworven kennis in een
gesloten systeem om te zetten. Bovendien heeft het voortschrijdende empirische
onderzoek het wantrouwen gewekt t.o.v. de min of meer speculatieve systemen;
deze kunnen in gunstige gevallen de hypothesenvorming bevorderen en voor de
onderzoekers een bron der inspiratie vormen. Indien echter gekoppeld aan een
1
starre, dogmatische denkstructuur vormen zij, zoals Simey aantoont, een struikelblok
voor de wetenschappelijke vooruitgang.
Wij willen deze korte schets van de houding der sociale wetenschap t.o.v. ‘de
gewoonten’ niet afsluiten zonder op de wenselijkheid te wijzen dat dit concept uit
zijn tegenwoordige ‘eclipse’ weer opduikt en de belangstelling der
2
wetenschapsbeoefenaars krijgt . Op talrijke gebieden van de bijzondere en de
toegepaste sociale wetenschap hebben wij immers niet slechts met de houdingen
(‘attitudes’) doch met de werkelijke gewoonten te maken: koop- en spaargewoonten,
leesgewoonten, kijk- en luistergewoonten, wellicht zelfs met werk- en
ontspanningsgewoonten. De gewoonten die wij als onderwerp van de onderhavige
studie kozen zijn voornamelijk betrokken op het welzijn van de mens. We hopen
aan de studie der drink- en rookgewoonten te tonen hoe de sociale wetenschap
een bepaald gebied der gewoonten benadert. Het begrip zelf moet vanzelfsprekend
van de bezwaren worden ontdaan, die eraan vastkleven. We zullen trachten het
concept ‘gewoonten’ in zijn wetenschappelijke bruikbaarheid te herstellen door (1)
zijn betekenis in semantische deeleenheden te splitsen; (2) de verhouding van de
onderscheiden segmenten tot andere psychologische en sociologische concepten
af te bakenen; (3) de dynamische aspecten van de gebezigde concepten te
omschrijven.
1
2
T.S. Simey, ‘Social Investigation. Past achievements and present difficulties’, in The British
Journal of Sociology, blz. 121, 1957.
Een klaarblijkelijk nadeel van het verzaken van de systematische aanpak in de sociale
wetenschap is het tijdelijk verdwijnen en dan weer opduiken van wetenschappelijke begrippen.
Het begrip van maatschappelijke beheersing (‘social control’), dat van anomie en functie
kwam na ‘herontdekking’ in de Verenigde Staten (mede door de vertaling of popularisering
van de oudere Europese denkers) weer in omloop.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
33
1.2.1.1 Semantische inleiding
In welke situatie het woord ‘gewoonten’ ook wordt gebruikt, telkens behoudt het de
betekenis van het zich herhalende of herhaalde gedrag. Dit gedrag kan verbaal zijn,
bestaan uit bepaalde woorden of zinnen die we plegen te zeggen, of non-verbaal:
gestes, handelingen die we verrichten. Het is echter niet een totaliteitsbegrip: voor
zover het woord ‘gewoonten’ op het gedrag wordt betrokken, gaat het altijd om een
bepaalde gedragseenheid die betrekkelijk kortdurend is. Deze gedragseenheid
kunnen we ons op haar beurt denken als bestaande uit onderdelen die zinvol
verbonden zijn; wij spreken van gedragspatroon of gedragsstructuur. Tot zover biedt
het begrip ‘gewoonten’ weinig moeilijkheden. Gevaar van misverstand duikt op
indien wij ons geen rekenschap geven van de aard van de herhaling die kenmerkend
is voor het gedragspatroon dat we gewoonte noemen. Wij kunnen immers de zich
herhalende gedragseenheid betrekken op de individuele mens, het gedrag zelf als
individueel, specifiek voor de persoon in kwestie gaan zien. In deze betekenis zeggen
wij: ‘het is X's gewoonte aan zijn baard te trekken als hij nadenkt of aarzelt’; ‘het is
Y's gewoonte om zijn been te bewegen als hij ongeduldig wordt’; enz. Een individuele
gedragsvorm, indien herhaald, wordt tot een gewoonte in de zin die de psychologen
hieraan toeschrijven. Het behoeft geenszins bij de voorbeelden van onbewust of
reflexief gedrag te blijven; ook de oplossing van bepaalde ‘problemen’ kan langs
de weg der gewoonte worden bereikt. Gewoonte komt hier dan dicht bij het
associatieve denken te staan (zie verder).
Een geheel ander gewoontebegrip verkrijgen wij indien we de herhaling van het
gedragspatroon bij de verschillende individuen zoeken; ‘gewoonte’ drukt dan een
zekere mate van uniformiteit van gedrag uit, het is het gedrag in de collectieve zin
des woords. Dit houdt niet in dat gewoonte als collectief gedragspatroon niet tevens
een individueel gedragspatroon kan worden. In tegendeel: haast elke sociale
gewoonte is tevens een individuele gewoonte, een gedragsvorm waartoe de individu
herhaaldelijk zijn toevlucht neemt. De generalisatie in tegenovergestelde richting is
daarentegen ontoelaatbaar: niet elke individuele gewoonte behoeft een collectieve
gewoonte te zijn. Laten we dit aan een voorbeeld demonstreren: het is een collectieve
gewoonte in onze westerse samenleving na warme maaltijden of althans aan het
eind van de dag de tanden te poetsen. Beschouwen we het leven van een individu
afzonderlijk dan bemerken we dat het gestructureerd is door de intervallen die van
een akte van het tandenpoetsen tot de andere akte verlopen. Deze handeling
herhaalt zich dus individueel en collectief: want er zijn duizenden mensen in ons
land die 's avonds hun tanden reinigen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
34
Indien een persoon, b.v. onder invloed van neurotiserende tendensen zijn tanden
na elke maaltijd reinigt, of bij elke herinnering aan een niet verrichte taak of plicht,
dan spreken wij van de individuele gewoonte van persoon X. Reeds per definitie is
deze specifiek, aan één persoon gebonden.
Geeft de afbakening van de individuele gewoonten ten opzichte van de collectieve
gewoonten betrekkelijk weinig moeilijkheden, het is minder gemakkelijk de
verschillende vormen van het collectieve gedrag onderling te gaan onderscheiden.
De Amerikaanse socioloog G. Lundberg die de zienswijzen van verschillende
gedragswetenschappen tracht te combineren vermeldt in zijn Foundations of
Sociology (New York 1939) niet minder dan acht typen ervan. Zo spreekt hij in dit
verband van a) tropie (tropisms) d.w.z. rechtstreekse reactie van bepaalde
organismen op de prikkel die, gegeven dezelfde prikkelbron (b.v. het licht), uniform
is voor een bepaalde soort (Lundberg vermeldt Arenicola, in dit verband). We
behoeven bij de tropie geen zenuwstelsel te veronderstellen. Hierin onderscheidt
de tropie zich van de b) reflex die eveneens een grondslag kan zijn van het
collectieve gedrag. Alweer ontleent Lundberg een voorbeeld aan het dierenrijk: ‘ants
will attack and kill another that lacks the colony odour’. Komt bij het reactiepatroon
het bewustzijn, dan spreken wij vervolgens van c) gewoonten (habits). Deze kunnen
worden aangeleerd en bewust aan de ander doorgegeven. Het proces van het
conditioneren, aanleren, is bekend. De symbolische, d.w.z.b.v. verbale gewoonten,
die de individu transcenderen, noemt Lundberg in navolging van Summer d) folkways,
‘the collective aspect of what we call habit in the individual’; wij zouden wellicht van
de collectieve gewoonten kunnen spreken. Het zijn deze folkways waarmee de
mens zich van de lagere organismen gaat onderscheiden. Indien de collectieve
gewoonte een langere tijd voortduurt en formeel wordt erkend, indien zij van generatie
op generatie wordt overgeleverd, spreken wij volgens Lundberg van e) gebruiken.
De verbale rechtvaardiging van een gebruik is wat we f) de traditie plegen te noemen.
Tenslotte zijn er vormen van groepsgedrag die moeten worden betracht in bepaalde
situaties, wil men niet op een of andere wijze gestraft worden. In dit verband spreekt
Lundberg, alweer in navolging van Sumner, van g) mores. Mores zijn verplichte
collectieve gedragspatronen waarop maatschappelijke sancties rusten. Het woord
is van het Latijns ‘mores maiorum’ afgeleid; het komt ons voor dat de Nederlandse
1
term ‘zeden’ hier een goede vertaling voor is .
Als laatste in deze reeks van de collectieve gedragsvormen vermeldt
1
F. Tönnies in zijn gelijknamig boek spreekt in dit verband van ‘die Sitte’ die hij eveneens tot
mores maiorum relateert. Op. cit., blz. 17.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
35
Lundberg nog h) de maatschappelijke instellingen (institutions) - de meest duurzame
1
en stabiele van alle typen van groepsgedrag .
Men behoeft Lundbergs positivisme niet te delen om toch aan te nemen dat de
gedragsuniformiteit met behulp van zowel de biologische (a, b) als de psychologische
(b, c), sociologische (d, e, g) en cultuurantropologische (f, g, h) concepten kan
worden omschreven. In deze reeks zijn de tropie en de reflex betrekkelijk eenduidige
begrippen; zij worden zelden met de maatschappelijke concepten (d t/m h)
verwisseld. In de omgangstaal maken we daarentegen weinig onderscheid tussen
de collectieve gewoonten (d) en de gebruiken (e), die immers ook bij Lundberg niet
scherp zijn gescheiden. Ook de maatschappelijke instellingen (h) onderscheiden
zich slechts in de graad van stabiliteit van de gebruiken en gewoonten. Edward
2
Sapir merkt in dit verband op dat ‘custom’ gebruikt wordt vooral in betrekking tot
de vreemde bevolkingsgroepen. In eigen beschavingskring spreken we liever van
gewoonten of van instellingen en mijden het woord ‘gebruik’ zo veel mogelijk. Terwijl
we spreken van onze rechtsinstellingen wordt hetzelfde feitelijk gebeuren (de
rechtspraak) b.v. in het oude China of Babylonië door ons met de term ‘gebruik’
aangeduid. Sapir meent dat er eigenlijk geen strikt wetenschappelijke afbakening
van deze woorden (‘custon, institution, convention, tradition, and mores’) mogelijk
is. Zij dienen hetzij tot het psychologisch begrip ‘gewoonten’ of tot het
cultuurantropologisch begrip ‘cultuurpatroon’ te worden herleid.
Het is ons niet duidelijk hoe men de vaagheid van de onderscheiden termen kan
opheffen door deze tot een nog vager (want meer algemeen begrip) ‘cultuur’ te
reduceren. Het is daarom nuttig de begrippenreeks aan een korte analyse te
onderwerpen. Het komt ons voor dat het concept ‘traditie’ en Sapirs concept
‘conventies’ eigenlijk niet op gelijke voet mogen worden gesteld met ‘gewoonten,
zeden, gebruiken en instellingen’. Beide eerstgenoemde begrippen slaan immers
niet op de werkelijke gedragingen; het eerste is hetzij een relatiebegrip waarmee
wij cultuurgoederen relateren tot vorige generaties, of het duidt dit overgedragen
cultuurgoed zelf aan. Het tweede begrip, ‘conventie’, drukt een zekere
overeenstemming uit, bereikt hetzij over het gebruik van een symbool of
symbolenreeks, hetzij over de normen van het gedrag. ‘Conventies’ zijn geen feitelijke
gedragingen doch opvattingen omtrent toegelaten en toegestane gedragingen. ‘De
zeden’ zijn reeds boven betrekkelijk eenduidig omschreven; hun normatieve aard
en hun verbondenheid met de maatschappelijke (niet juridische, niet
geïnstitutionaliseerde) sancties onderscheidt ‘zeden’ voldoende zowel van ‘de
gebruiken’ als van ‘de sociale gewoonten’. Wat
1
2
Op. cit., Hoofdstuk 5.
Zie zijn artikel over ‘Custom’ in de Encyclopaedia of the Social Science, New York, 1931.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
36
moeilijker valt het de maatschappelijke instellingen van de twee laatstgenoemde
categorieën duidelijk af te bakenen. Vergelijken wij echter de instellingen zoals b.v.
‘het gezin, de godsdienst, de wetenschap, de politick’ met gebruiken als ‘het lopen
met lampjes op straat op de St.-Maartensdag in november’ of, ‘het oliebolleneten
op de oudejaarsavond’ dan bemerken we dat de maatschappelijke instellingen veel
complexer van aard zijn; een maatschappelijke instelling is geen gedragseenheid
die zich herhaalt, het is een systeem van betekenissen en/of normen, een
maatschappijvorm in de betekenis van een patroon van tussenmenselijke
verhoudingen, het is een rollensysteem, dus een maatschappelijke structuur vaak
door een specifieke materiële omgeving of goederen (kerkgebouw, uniform, enz.)
gekarakteriseerd. Deze kenmerken ontbreken zowel bij de gebruiken als bij de
sociale gewoonten.
Moeten deze twee resterende categorieën als synoniem worden beschouwd? In
afwijking van de opvatting van Sapir en de usus in onze omgangstaal menen wij
dat zowel ‘gebruik’ als ‘sociale gewoonte’ ieder een specifiek betekeniselement
bevatten. ‘Het gebruik’ is meer door het sociale ritme dan door het individuele ritme
bepaald, ‘de sociale gewoonte’ andersom. We hebben gesteld dat elke sociale
gewoonte tevens een individuele gewoonte is. Deze uitspraak wordt ongeldig, zelfs
zinloos indien wij voor sociale gewoonte ‘het gebruik’ substitueren. Hierop berust
dan het onderscheid tussen de laatstgenoemde categorieën. Laten we het aan een
enkel voorbeeld illustreren. Dat de mens eet is een ervaringsfeit dat in de biologische
aard van de mens zijn grondslag vindt. Toch vormt het eten de basis zowel van
sociale gewoonten als van gebruiken; het eten kan tevens een individuele gewoonte
worden. Het nuttigen van twee broodmaaltijden op een dag, het gebruiken van vork
en mes bij de broodmaaltijd - zie hier enkele Nederlandse sociale eetgewoonten.
Haast elke individu neemt deze gedragingen over, vaak zelfs onbewust,
semi-automatisch. Hiernaast bestaan echter ook zuiver individuele eetgewoonten:
X eet gulzig, te snel, zonder te kauwen; Y eet langzaam, geconcentreerd, als een
gourmet; Z slurpt. In de zich herhalende eetsituaties zien we bij dezelfde mensen
het aangeleerde gedragspatroon van eten zich herhalen, dat in die vorm haast bij
geen enkel ander mens te vinden is. Tenslotte zijn er nog andere vormen van eten:
promotiediners, bruidsmaaltijden, afscheidsdiners, verjaarspartijen, het nuttigen van
marsepein en roomboterletters tijdens het St.-Nicolaasfeest, enz. Dit zijn de
eetgebruiken in Nederland. Zij zijn wellicht ook aangeleerd, echter op een bewuste
wijze, zij vormen reeds een onderdeel van een of ander cultureel systeem: het
gezinsleven, de godsdienst, enz.
We kunnen het met Sapir eens zijn dat de grens niet al te scherp te
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
37
trekken is. Toch kunnen de onderscheiden betekenissegmenten ons behulpzaam
zijn om de sociale gewoonten, die het centrale onderwerp van de onderhavige studie
vormen, van andere aanverwante sociale categorieën te onderscheiden. Onze
analyse samenvattend zouden we de sociale gewoonte willen omschrijven als een
elementaire structuur van het collectieve gedrag die de enkeling van de samenleving
op een haast onbewuste wijze overneemt, in zijn persoonlijkheidsstructuur opneemt
en in niet al te lange intervallen in zijn handelingen en verrichtingen manifesteert.
1.2.1.2 Gewoonten en sociale gewoonten in het licht van de
1
psychologische en de sociologische theorie
Zonder hier al te diep in te gaan op de bevindingen van de zusterwetenschap der
sociologie, de psychologie, achten wij het toch nuttig enkele denkbeelden in de
voorafgaande paragraaf gelanceerd, nader toe te lichten. Het streven om de
individuele gewoonten slechts als een specifieke vorm te zien van de meer algemene
gewoonten van alle organismen, treffen we niet slechts bij Lundberg aan. Vele
psychologen zoeken naar het verband of althans naar een parallellisme tussen de
psychische en de fysiologische elementen in het gewoontegedrag. W.James, die
zeker niet tot de eenzijdig fysiologisch georiënteerde psychologen gerekend mag
worden, spreekt in dit verband van de plastische aard van de levende materie.
Gewoonten zijn in zijn ogen kanalen in ons zenuwstelsel waarlangs dit zich ontlaadt
(James spreekt van de ‘infinitely attenuated currents’). Deze ontladingen laten in
het systeem een spoor achter (‘trace’, ook ‘path-way’). Het zijn deze sporen en
kanalen in onze hersenen die de basis vormen van de gewoonten. Want de
gewoonten (b.v. het nagelbijten of de hand in de zak steken) zijn heel vaak zuivere
2
reflexontladingen, die onbewust blijven .
Betrokken op het gedrag van het gehele organisme, is het gewoontebegrip bij de
psychologen eveneens op biologische experimenten en beschouwingen gebaseerd.
De ratten worden in experimentele situaties geplaatst (doolhof), waarbij de honger
en het verkrijgen van voedsel de voornaamste drijfveren vormen van hun gedrag.
Het dier leert eerst proefondervindelijk (‘by trial-and-error’) de weg naar het voedsel
te vinden; is eenmaal de oplossing gevonden, dan bewandelt het proefdier bij
1
2
De in deze paragraaf vervatte materie is voornamelijk voor de psychologisch en sociologisch
georiënteerde lezer bedoeld. Door gebrek aan plaatsruimte zijn sommige passages nogal
‘zwaar’ uitgevallen. Voor een dieper inzicht doet men beter de aangehaalde bronnen zelf te
raadplegen. De theoretisch minder geschoolde lezer kan wellicht deze sectie in geval van
moeilijkheden overslaan en met paragraaf 1.2.2 zijn lectuur voortzeten.
Wij trachten met opzet James' vereenvoudigde uitleg weer te geven zoals in zijn Psychology,
New York 1893, Chapter X, vastgelegd. Zie ook diens: The Habit, New York, 1890.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
38
de herhaling van het experiment de juiste weg en mijdt de doodlopende wegen;
kortom het dier heeft ‘een gewoonte’ ‘aangeleerd’. In de loop van enkele tientallen
1
jaren van experimenteren door psychologische behaviouristen en anderen zijn de
opvattingen van James en Dewey gedeeltelijk gewijzigd en aangevuld. Zo is men
enigszins sceptisch geworden ten aanzien van de lokalisatie van de centra in de
hersenen: de ratten verliezen na een laesie van een gedeelte van de hersenschors
de aangeleerde gewoonte, echter niet het vermogen om opnieuw te leren. Men
beschouwt de zenuwkanalen niet meer als een voldoende verklaring van de
gewoonte; was het juist, zoals James veronderstelde, dat de gewoonte op de
‘ingeslepen’ wegen in onze zenuwstelsel berustte, hoe moeten we dan het verzaken
of het veranderen der gewoonten verklaren? Is aanpassing aan een nieuwe situatie
immers niet een kenmerkende eigenschap van de mens? Deze en dergelijke
overwegingen, eveneens op experimentele gegevens steunend, gaven de aanleiding
tot de theorie van ‘reinforcements’: elementen in de situatie die betrekkelijk constant
zijn en de continuering van de gewoonte mogelijk maken. Het is tenslotte niet één
weg (‘trace’) die de individu beschikbaar heeft; hij kan kiezen uit een aantal
alternatieven, kant-en-klare oplossingen voor een bepaald ‘probleem’. Deze worden
dan tot een en dezelfde ‘gewoontenfamilie’ gerekend (‘habit family hierarchy’).
In een later stadium heeft men vooral aandacht geschonken aan de wijze hoe
een gewoonte tot stand komt. Het is hier niet de plaats om verschillende scholen
van met elkaar polemiserende voorstanders van de responsiereactie theorie en/of
van de leertheorie volledig weer te geven. Gebaseerd op het experimenteel werk
van Pavlov en Thorndike trachten zij de belangrijkste factoren van het conditioneren,
van het aanleren der gewoonte in een verklarend model te plaatsen. Bij Hull en
Skinner is dit model overwegend empiristisch, behaviouristisch; zij baseren hun
theorieën op de waarneembare gebeurtenissen, het werkelijke (d.w.z. nonverbale)
gedrag. De psychische verschijnselen krijgen slechts de plaats van de veronderstelde
‘intervening variables’ d.w.z. de psychische processen die zich in het handelende
organisme wellicht afspelen. Het zich te zamen afspelen van de processen
(‘contiguity’) en een zekere constante wijze waarop het doel kan worden bereikt of
2
de behoefte bevredigd (‘reinforcement’) vormen de basis van het aanleren .
1
2
Zie o.a. ook J.J. Buitendijk, ‘An experimental investigation into the influence of cortical lesions
on the behavior of rats’, Arch. néerl. Physiol., 1932, 17, 370-434.
Een goed overzicht van de oudere opvattingen over de fysiologische grondslagen van het
gewoontegedrag geeft L.E. Cole, General Psychology, MacGraw Hill, 1939. Voor een beknopte
weergave van de theorieën van Hull, Skinner, Guthrie en anderen, zie W.W. Lambert,
‘Stimulus-Response Contiguity and Reinforcement Theory in Social Psychology’ in G. Lindzey,
Handbook of Social Psychology, Reading, Mass. 1954, Deel I.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
39
Hoewel deze behaviouristisch-psychologische opvatting van de ‘gewoonte’ vooral
aan het gedrag van dieren werd getest, trachtte men desondanks de verkregen
resultaten ook op menselijk en bewust gedrag te generaliseren. Het verband tussen
de theorie van de zenuwsporen (‘traces’) en de associatieve denkpsychologie lag
voor de hand: het te zamen optreden van voorstellingen, waarnemingen in ons
bewustzijn gaat gepaard met een dergelijke koppeling van de fysiologische reacties:
het vormen van zenuwsporen. James ziet dan ook weinig wezenlijk verschil tussen
het aanleren van motorische gewoonten en het verwerven van verbale kennis, het
1
geheugen en andere functies . Toen, met de opkomst van de Gestalttheorie, de
psychologie haar ‘atomistisch’ standpunt ging wijzigen, is van de bevindingen van
de stimulus-responsieschool vooral door de ontwikkelingspsychologie dankbaar
gebruik gemaakt. Ook de meer recente theorieën van Hull, Guthrie en anderen
worden gegeneraliseerd en zelfs op de sociaal-psychologische verschijnselen
2
betrokken .
Het gaat hier echter nog niet om het overnemen van de sociale gewoonten, zoals
door ons omschreven. Hoogstens kan men stellen dat de mens het motief tot
nabootsing kan worden bijgebracht op dezelfde wijze als ook andere
responsiepatronen hem kunnen worden ‘aangeleerd’. Door deze nabootsing neemt
de individu de sociale gewoonten van zijn medemensen over. Slechts op deze wijze
kan de leertheorie tevens het proces van socialisatie en enculturatie helpen verklaren.
De twee concepten, dat van de psychologie en dat van de sociologie, blijven duidelijk
gescheiden. Want ook in het denken van de moderne onderzoekers op dit gebied
blijft de gewoonte een relatief eenvoudig responsiepatroon. Het organisme leert op
een betrekkelijk specifieke wijze op een bepaalde stimulus te reageren en hierdoor
zijn innerlijke ‘behoeften’ (‘aandriften’) af te reageren. De meer variabele
responsiepatronen die de grondslag vormen van het denken en van andere
intellectuele functies zijn volgens sommige schrijvers niet op de gewoonten terug
te brengen. Zij berusten op het vermogen van ons zenuwstelsel tot herstructurering
van de eenmaal ‘aangeleerde’ reactiepatronen (‘traces’), niet op het semimechanisch
samenvoegen van de gewoonten, van de gedragselementen, die men heeft
3
aangeleerd
1
2
3
‘An acquired habit, from the physiological point of view, is nothing but a new pathway of
discharge formed in the brain, by which certain incoming currents ever after tend to escape.
That is the thesis of this chapter; and we shall see in the later and more psychological chapters
that such functions as the association of ideas, perception, memory, reasoning, the education
of the will, etc. etc., can best be understood as results of the formation de novo of just such
pathways of discharge.’ (W. James, op. cit., blz. 134).
O.a.N.E. Miller, J. Dollard, Social Learning and Imitation, New Haven, 1941. Zie ook W.W.
Lambert, op. cit., blz. 81-87.
‘The decisive difference between the cognitive and S-R approach as to the nature of traces
may be thus summarized: The associationists conceive them as static and specific, e.g.,
habits which can be combined in various families. Cognition theories, on the other hand,
conceptualize traces as representing relations or systems of relations. In the habit theory,
items of knowledge cannot be modified and new problems are solved by reinstating identical
or fractional identical past responses. The organization hypothesis permits the restructuring
of past responses in a novel way and offers a unitary explanation of transfer and productive
thinking. It also introduces a systematic account of how manifest responses occur in a
nonconscious context. This context is a schematic representation operative as a frame of
reference, preverbal generalization, or set, all of which are usually transphenomenal.’ Martin
Scherer, ‘Cognitive Theory’ in G. Lindzey, Handbook of Social Psychology, Reading, 1954,
Deel I, blz. 113.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
40
Het denken over de sociale gewoonten was bij zijn oorsprong eveneens biologisch
gekleurd. Zo zag W.G.Sumner de oorsprong van de sociale gewoonten in de
instinctieve aard van de mens; de natuurlijke neiging om de pijn te mijden en het
plezier te zoeken heeft de mens geleid tot het ontdekken van bepaalde
gedragspatronen in zijn strijd om het naakte bestaan. Deze draagt hij dan over aan
zijn nakomelingen, van generatie op generatie erft men als het ware de collectieve
gedragspatronen. Geschiedt dit proces van overdracht op een bewuste wijze en is
het gedrag opgenomen in het denken over hetgeen niet mag en hetgeen moet
gebeuren, dan spreekt Sumner van de mores, de zeden. Deze kunnen eveneens
biologisch worden geïnterpreteerd. De zeden zijn immers volgens Sumner niet
universeel geldig doch gebonden aan een bepaalde sociale groepering. Zij dragen
tot de sociale differentiatie van de samenleving bij en vormen tevens het mechanisme
van de sociale selectie, geheel in analogie met de biologische selectie gezien: leert
en aanvaardt de mens de zeden van de belangrijke groepering, dan behaalt hij
maatschappelijk succes; doet hij het niet, dan wordt hij niet aanvaard, verliest de
maatschappelijke status (beter wellicht: verkrijgt de gewenste status niet). De
gebruiken, de sociale gewoonten en de zeden zijn volgens Sumner betrekkelijk
onafhankelijk van onze wil; de individu kan ze niet beïnvloeden, hij kan zich
1
hoogstens onderwerpen of onttrekken aan hun druk .
Bij Tönnies valt er weinig van een dergelijk biologisme te bespeuren. Waarschijnlijk
in de poging om zich van de vorige denkers (behalve van Sumner ook van Durkheim)
af te zetten, brengt Tönnies de zeden in verband met een nogal vage categorie van
2
‘de sociale wil’ . Daarentegen zien wij ook bij deze denker de neiging de zeden en
gebruiken als zijnde van zeer stabiele aard te beschouwen. De geestelijke vader
van de ‘gemeenschapsidee’ kon ook moeilijk anders dan een sterke nadruk op het
traditie-element in de zeden en gebruiken leggen: eerbied voor de ouderen en
voorouders, de bescherming van de vrouwen en van het intieme
1
2
W.G. Sumner, op. cit. Ook Harry E. Barnes, ‘William Graham Sumner: Spencerianism in
American Dress’ in Barnes, An Introduction to the History of Sociology, Chicago, 1948.
‘Ich behaupte dagegen: der Soziologe muss die Sitte vorzugsweise als eine höchst wichtige
Gestalt des sozialen Willens betrachten und isolieren. Er muss den sozialen Willen überhaupt
in Analogie zum individualen Willen erkennen und analysieren.’ Die Sitte, Frankfurt am Main,
1909, blz. 15.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
41
gezinsleven, zelfbehoud van het nationaal bestaan - zie hier enkele der belangrijkste
facetten van de zeden en de gebruiken, zoals Tönnies die zag.
Latere denkers over ‘het gebruik’ en ‘de sociale gewoonten’ betrekken deze
categorieën niet op het begrip ‘natie’ of ‘volk’ (zoals Tönnies deed), maar eerder op
‘cultuur’ of ‘cultuur-patroon’. In de opkomende culturele antropologie krijgt ‘het
gebruik’ een centrale plaats: Ruth Benedict spreekt in haar pleidooi voor een
structurele benadering van de vreemde etnische groeperingen van de nieuwe
1
wetenschap als ‘the science of custom’ . Deze opvatting is te vinden bij vele
2
naoorlogse cultuurantropologen . Zij beschouwen het gebruik als ‘the basic unit of
culture’. Als zodanig is het concept ‘gebruik’ verwant aan andere concepten van de
cultuurantropologie: cultuurelementen ‘(cultural traits’) of cultuursegmenten.
Gebruiken en sociale gewoonten zijn in feite cultuurelementen, cultuurgoederen,
die zich uit één beschavingskring naar een andere kunnen verplaatsen. De Duitse
uitdrukking ‘Kulturwandel’, zoals in de volgende paragraaf nader wordt toegelicht,
is op de sociale gewoonten van toepassing. Aan de andere kane behoeft niet elk
cultuurelement een gewoonte te zijn: het kan een kenniselement of een ideëel
cultuurgoed bevatten. De verhouding van de sociale gewoonten tot de culturele
systemen of subsystemen is o.i. identiek aan de verhouding tot de maatschappelijke
3
instellingen .
Het zijn waarschijnlijk de culturele systemen (en/of maatschappelijke instellingen)
die bepalend zijn voor de concrete inhoud van de sociale gewoonten en gebruiken.
Zij helpen ons de differentia specifica van deze soortbegrippen te vinden. Zo zouden
we wellicht het dagelijks bidden, met andere rituele gedragingen, kunnen rekenen
tot de gewoonten bepaald door het godsdienstige systeem; het sparen of de
consumptiegewoonten behoren tot het economische systeem; het zich wassen, het
bedrusthouden, het kiezen van voedsel, enz. wellicht tot het systeem dat we met
het woord ‘gezondheidszorg’ kunnen aanduiden; de tafelmanieren, de
omgangsmanieren dan tot een restgroep die wellicht onder het gezinsleven of onder
het ethisch systeem kan worden geplaatst. ‘Manieren’ liggen op het randgebied der
ethiek; ‘mode’ op het randgebied van de esthetiek. In beide is het sociale
gewoonte-element sterk aanwezig.
1
2
3
Ruth Benedict, Patterns of Culture, New York, 1934.
G.P. Murdock, et al. Outline of Cultural Material, 3rd revised edition, New Haven, 1950. J.W.M.
Whiting, et al. Field Manual for the Cross Cultural Study of Child Rearing, New York: Social
Science Research Council, 1953.
De waarschuwing van Edward Sapir tegen een al te strikte afbakening van de onderscheiden
aspecten van het collectieve gedrag geldt zeker ook t.o.v. de concepten die tot dusver zijn
uitgewerkt door de cultuurantropologie. Hun onderscheidingsvermogen is niet al te groot: het
valt in vele concrete gevallen moeilijk te bepalen wat onder ‘cultural trait’ en wat onder
‘culture-segment’ of ‘cultural system’ moet vallen. Standaardisatie langs de conventie, een
afspraak, is nog niet ver gevorderd.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
42
Rest ons de verhouding van onze categorieën af te bakenen t.o.v. enkele nieuwere
sociologische begrippen, nl. dat van ‘de sociale rol’ en dat van ‘de sociale rangstand’
(status). Onder de sociale rol verstaan we de collectieve verwachtingen omtrent het
1
gedrag van een bepaald sociaal personage . De leraar, de vader, de burgemeester,
de bruid, allen q.q., zie hier voorbeelden van sociale personages. Hun gedrag, in
de situaties waaraan zij hun rol van afzonderlijke personages ontlenen (dus: de
school, het gezin, de gemeenteraadzitting, de huwelijkssluiting, enz.), is op het
collectieve gedrag en dus ook op sociale gewoonten of gebruiken gebaseerd, vaak
met zedelijke aspecten verbonden. Het rolgedrag is echter minder universeel dan
de gewoonten zonder meer, daar het telkens door de bovengenoemde factoren van
het personage en de situatie beperkt blijft. Er is echter geen bezwaar tegen om in
het sociale rolgedrag een bijzondere vorm van sociale gebruiken te zien.
Wat de categorie van de sociale rangstand betreft, zij heeft slechts indirect met
het gewoontegedrag te maken. De maatschappelijke gelaagdheid berust op het
toeschrijven van sociale posities, op het ‘zien’ van de medemensen in de termen
van ‘meerderen’ en ‘minderen’. In onze beschavingskring is prestige meestal aan
het beroep gekoppeld; dit behoeft echter niet altijd het geval te zijn. Afkomst,
religieuze of politieke rol, eigendom, genoten opleiding en andere kenmerken kunnen
prestigedragend zijn. Het komt echter vaak voor dat naast deze doorslaggevende
kenmerken de verschillende sociale lagen zich ook door secundaire gedragsvormen
van elkaar afzonderen. Zij ontwikkelen hun eigen gebruiken, hun eigen zeden, eigen
sociale gewoonten. Zo sterk kan deze verticale differentiatie van de samenleving
zijn, dat sommige sociologen geneigd zijn in dit geval van een subcultuur te spreken.
De sociale klassen, standen, en kasten dragen tot de differentiatie der sociale
gewoonten bij.
Ons korte overzicht samenvattend kunnen we stellen dat de gewoonten door de
psychologen vooral in het kader van de stimulus-responsietheorie van het gedrag
zijn geplaatst. De voorstanders van de oudere associatieve psychologie en de
behaviouristen baseerden hun gewoonteconcept op de fysiologische bevindingen
en de experimenten met dieren. De gewoonte verschijnt dan als een relatief
constante ontlading van het zenuwstelsel. Deze ontlading verloopt langs dezelfde
sporen indien de stimulus en de versterkende factoren (de aandrift of de situatie)
dezelfde blijven. Zij kan worden ‘aangeleerd’ door middel van voorwaardelijk reflexen
en proefondervindelijk, door de confrontatie met de stimulus, die zich als een
1
Het is o.i. de verdienste van Ponsioen geweest om althans in ons land de categorie van
sociaal personage te lanceren en deze met het rolbegrip te verbinden. Zie: J.Ponsioen,
‘Theorie der sociale rollen en der personages in de sociologie’, in Economie, 15e Jrg., afl. 6.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
43
‘probleem’ voordoet dat om ‘oplossing’ (en ontlading van spanning) vraagt: het
vinden van voedsel, het vermijden van pijn, enz. Is de oplossing eenmaal gevonden,
de gewoonte verworven, dan kan de individu (de mens of het dier) bij een volgende
confrontatie sneller zijn bevrediging bereiken, sneller ‘het probleem’ oplossen, door
een adequate reactie op de stimulus. Zie hier het belang van gewoonten in het
individuele leven.
Ondanks hun poging de bevindingen der leertheorie of der
stimulus-responsietheorie te generaliseren zijn de psychologen van deze scholen
er niet in geslaagd om een brug te slaan tussen de psychologische en de
sociologische gewoontebegrippen. Wel wijzen zij erop dat de mens een gewoonte
kan aanleren (versta: een individuele gewoonte, een bereidheid of een motief) om
de sociale gewoonten van de groepen, waarmee hij contacten onderhoudt, over te
nemen, na te bootsen.
Ook deze sociale gewoonten zijn door sommige denkers in het biologische kader
geplaatst: zij zouden het zelfbehoud van mensen bevorderen en tevens als een
mechanisme van selectie (in de zin van een darwinistisch ‘survival of the fittest’)
hun rechtvaardiging vinden. Ook zijn ze met de welvaart en het welzijn van eigen
natie (Tönnies) in verband gebracht. Dank zij vooral de aandacht van
cultuurantropologen worden de sociale gewoonten in het kader van het cultuurpatroon
geplaatst, waarvan zij de elementaire onderdelen vormen. Zij berusten op de culturele
traditie in de desbetreffende beschavingskring en worden betrekkelijk constant van
generatie op generatie overgedragen. Zij zijn nauw verweven met de differentiatie
van de samenleving en vormen onder andere de grondslag van het sociale rolgedrag.
De voornaamste culturele systemen (maatschappelijke instellingen) brengen de
differentiatie in het sociale gewoonte genusbegrip aan: ceremonieën, ritueel, mode,
manieren, kunnen worden gezien als bijzondere gewoonten, onderdeel vormend
van, desbetreffend, de politiek, de godsdienst, de kunst, de moraal. Indirect hangt
ook de verticale stratificatie, de sociale gelaagdheid met de differentiatie der
gewoonten (in concreto) samen.
1.2.1.3 Dynamische aspecten van sociale gewoonten
Tot nu toe beschouwden wij slechts de structuur van ons studie-object. Betrekkelijk
weinig aandacht werd besteed aan de wijze waarop de sociale gewoonten door de
individu worden overgenomen, hoe zij zich soms uit één beschavingskring naar een
andere verplaatsen, hoe zij hun invloed uitoefenen op de individu, de samenleving
en de beschaving en op hun beurt de invloed daarvan ondergaan.
Wat is, om met het laatste punt te beginnen, de sociale functie van de gewoonten
en de gebruiken? Enkele opvattingen over deze vraag werden
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
44
reeds bij de bespreking van de bijdragen van Sumner en Tönnies vermeld. De
sociale gewoonten zouden het zelfbehoud van menselijke groeperingen, gebruiken
en zeden, het welzijn van het volk helpen te bevorderen. Beide uitspraken zouden
we wellicht in overweging kunnen nemen als er niet zo veel negatieve evidentie
verzameld was door de antropologen en andere deskundigen werkend in minder
ontwikkelde streken: op het gebied van de gezondheidszorg blijken de plaatselijke
gebruiken vaak een ernstig obstakel te vormen voor het invoeren van de meer
efficiënte geneeskunde uit onze eigen beschavingskring. Ook in onze samenleving
bestaan dergelijke op traditie gebaseerde gedragsvormen die de optimale ontplooiing
van de vitale krachten (individueel en collectief gezien) in de weg staan: verouderde
produktietechnieken, ongezonde eetgewoonten en eetgebruiken, slaapgewoonten,
enz. ‘De zelfbehoudfunctie’, indien biologisch geïnterpreteerd, kan niet aan alle
gewoonten en gebruiken worden toegeschreven.
Bevorderen dan de gewoonten het zelfbehoud van groeperingen in de
niet-biologische zin? Deze stelling lijkt ons aannemelijker. We dienen echter te
beseffen dat er ook antagonistische gewoonten bestaan (zoals conflicten, familie1
of stamveten, enz.), die vooral door de cultuurantropologen werden omschreven .
Dit houdt dan in, dat sociale gewoonten en gebruiken slechts het behoud van een
groep bevorderen: eigen cultuurgroep, eigen cultuurpatroon. Deze stelling brengt
echter weinig nieuws; indien we de begrippen ‘gewoonten’ en ‘gebruiken’ vervangen
door andere sociale categorieën (organisaties, instellingen, waarden, normen, rollen,
enz.) dan blijft zij ongewijzigd gehandhaafd. De uitspraak is bijna tautologisch van
aard: het verspreiden en handhaven van eigen gewoonten en gebruiken is eo ipso
(reeds per definitie) het verspreiden en handhaven van eigen cultuurpatroon (of
althans van een deel hiervan). Deze opvatting kan echter tot concrete
deelhypothesen leiden: dat de mensen wier gedrag in grotere mate door sociale
gewoonten en gebruiken is bepaald, tevens meer sociabele mensen zijn, dat zij
zich gemakkelijker aansluiten, in eigen cultuursysteem meer geïnvolveerd zijn, enz.
Nog een andere functietheorie (van Sumner) ziet in de sociale gewoonten een
selectiemechanisme: de sterken nemen de gewoonten van de succesrijken in de
samenleving over en kunnen zich handhaven; de zwakkeren falen en vergaan. Deze
theorie toont duidelijk de zwakke kanten van het redeneren per analogie aan. Hoe
moeten we ons dit maatschappelijk falen in onze verzorgingsstaat nog voorstellen?
Het darwinisme kan niet zonder meer op de sociale wetenschappen worden
toegepast; het niet (meer) behoren tot een bepaalde
1
M.Mead, Sex and Temperament in Three Primitive Societies, New York, 1935; ook Id:
Cooperation and Competition among Primitive Peoples, New York, 1937.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
45
maatschappelijke groepering, het maatschappelijk dalen of stijgen is niet met de
reproduktieve functie van de bevolking of de sterfte verbonden (er bestaat eerder
een positieve dan een negatieve correlatie tussen de lage maatschappelijke rangorde
en het kindertal!). Ook deze theorie kunnen wij dus zonder meer ecarteren.
Indien we ons echter afvragen wat Sumner deze theorie deed aannemen, dan
komen wij op de differentiële gewoonten waarop, zoals reeds W.James heeft
1
opgemerkt, de gehele sociale structuur berust . Als het vliegwiel van de samenleving
fungeert volgens James de gewoonte; zij vervult een voorname behoudende functie.
Als zodanig helpt zij dan ook de verschillen tussen de maatschappelijke standen
en klassen en tussen verschillende groeperingen te handhaven. Indien we de
voorbeelden beschouwen die James noemt, dan valt ons op dat het hier voornamelijk
om het rolgedrag gaat. Opmerkelijk goed heeft deze begaafde denker reeds 70 jaar
geleden ingezien dat de maatschappelijke differentiatie, de sociale structuur,
voornamelijk op het rolgedrag is gebaseerd. Hij heeft eveneens gezien dat het
rolgedrag in wezen het gewoontegedrag is.
Wij kunnen ons met deze gedachtengang verenigen door aan te nemen dat de
sociale gewoonten inderdaad de basis van het sociale rolgedrag vormen. Wel zouden
we aarzelen om b.v. onze beroepsrollen geheel aan de gewoonte in de
psychologische betekenis toe te schrijven. Dat een jonge geestelijke of een jonge
doctor zich reeds gedraagt als zijn oudere collega's en in zijn gedrag zich van andere
sociale personages onderscheidt is o.i. niet alleen aan de nabootsing van de ander
en aan de gewoonte toe te schrijven. Er bestaan opvattingen over zijn gedrag bij
de mensen waarmee hij q.q. te maken heeft; ‘treedt hij uit zijn rol’ dan wordt hij door
de responsies van zijn ‘rolpartners’ op zijn overtreding van de collectieve ver-
1
Reeds vanwege zijn literaire schoonheid nemen we hier de bekende passage uit Psychology
(New York 1893, bl.z 143) over: ‘Habit is thus the enormous fly-wheel of society, its most
precious conservative agent. It alone is what keeps us all within the bounds of ordinance, and
saves the children of fortune from the envious uprisings of poor. It alone prevents the hardest
and most repulsive walks of life from being deserted by those brought up to tread therein. It
keeps the fisherman and the deckhand at sea through the winter; it holds the miner in his
darkness, and nails the countryman to his log-cabin and his lonely farms through all the
months of snow; it protects us from invasion by the natives and the frozen zone. It dooms us
all to fight out our battle of life upon the lines of our nurture or our early choice, and to make
the best of a pursuit that disagrees, because there is no other for which we are fitted and it
is too late to begin again. It keeps different social strata from mixing. Already at the age of
twenty-five you see the professional mannerism settling down on the young commercial
traveller, on the young doctor, on the young minister, on the young counsellor-at-law. You
see the little lines of cleavage running through the character, the tricks of thought, the
prejudices, the ways of the “shop”, in a word, from which the man can by-and-by no more
escape than his coat-sleaves can suddenly fall into a new set of folds. On the whole, it is best
he should not escape. It is well for the world that in most of us by the age of thirty the character
has set like plaster and will never soften again.’
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
46
wachtingen omtrent zijn gedrag attent gemaakt. Het is dus niet de gewoonte in de
psychologische betekenis alleen, maar de constante wisselwerking tussen de
medespelers in de samenleving, die tot een zekere conformiteit aan de norm en tot
de uniformiteit van het rolgedrag leidt. Hetzelfde geldt voor de maatschappelijke
klassen en standen; het moge waar zijn dat mede door de invloed van de gewoonten
de scheidingen tussen maatschappijlagen in leven worden gehouden (‘it keeps
social classes from mixing,’ zegt James). Alweer is de vraag of hier de sociale
gewoonten hun werking niet meer doen voelen dan de psychologische. Met andere
woorden, de sociale gewoonten in functioneel opzicht zijn slechts een van de factoren
van de maatschappelijke beheersing (‘social control’), zij dragen ertoe bij dat een
gegeven bevolkingsgroep een bepaald cultuurpatroon aanneemt, dat ze tevens
gestructureerd wordt in die specifieke configuratie die wij met de term
maatschappelijke structuur) plegen te omschrijven.
Ondanks deze kritiek op James dienen we echter te beseffen dat de individuele
en sociale gewoonten toch een functioneel element gemeen hebben: beide fungeren
als energiebesparende gedragsmechanismen, potentiële kant-en-klare
responsiepatronen op bepaalde prikkels (o.a. sociale stimuli in de sociale situaties).
1
Hierover zijn sociologen, psychologen en cultuurantropologen het eens .
Het schijnt gemakkelijker aan de hand van de beschikbare literatuur te zeggen
wat we met de gewoonten doen, dan hoe we eraan komen. Al is de tijd van het
zoeken naar de ‘oorsprong’ der sociale verschijnselen voorbij, het is wellicht in dit
verband vermeldenswaard dat G. van der Leeuw de gewoonten zag als zijnde in
2
wezen religieus van aard .
Indien we de theorie van de religieuze oorsprong der gewoonte histo-
1
2
‘We may think of habits as means, waiting, like tools in a box, to be used by conscious resolve.
But they are something more than that. They are active means, means that project themselves,
energeting and dominating ways of acting.’ John Dewey, Human Nature and Conduct: An
Introduction to Social Psychology, New York, 1922, p. 22.
‘Custom for most men is a substitute for thought,’ Margaret T.Hodgen, ‘Change and History,’
Viking Fd. Public. Anthropology, 1952, no. 18. Wij citeren volgens C. Kluckhohns Culture and
Behavior, in Lindzey, op. cit., blz. 937.
‘Comportement devient coutume. Réunis, l'observance des potentialités de la vie, les tabous,
les purifications, les obligations culturelles et les autres exigences de la puissance dans la
vie constituent l'usage, les moeurs, la coutume, qui agissent dans un cercle plus étendu que
celui de la loi. La coutume est essentiellement religieuse, parce qu'elle donne une forme à
la peur, à la crainte éprouvée en face du plus puissant. Elle tient le milieu entre la pure étiquette
ou bon ton et la moralité; elle intervient toujours dans l'un comme dans l'autre, en les
dépassant. Le bon ton n'est pour la coutume que son enveloppe vide; quant à la moralité, ou
bien elle peut, comme on l'essaye sans cesse dans la vie moderne, ramener son exigence
à un principe indépendant, ou bien elle repose, tout comme la coutume, sur l'exigence de la
puissance non pas, comme la coutume, par une configuration possible de la vie, mais, d'une
manière catastrophique, par un renoncement total (péché) et un redressement reçu (grâce).’
G. van der Leeuw, La Religion dans son essence et ses manifestations, Paris, 1948, blz. 445.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
47
risch gaan interpreteren (hetgeen we o.i. geenszins Van der Leeuw in de schoenen
mogen schuiven) dan komt het erop neer dat wij de religieuze fase als een eerste
fase van de ontwikkeling gaan zien, zoals bij de negentiende-eeuwse denkers
gebruikelijk was. Tegenover een Comte verwees echter reeds Spencer naar het
feit dat er eerder een verandering van het ongedifferentieerde naar het meer
gedifferentieerde wereldbeeld valt waar te nemen dan toenemende secularisatie,
zoals Comte die in zijn wet van de drie fasen (godsdienst - speculatie - wetenschap)
heeft geponeerd. Wij mogen veronderstellen dat in de vroegere tijdperken evenals
bij de huidige minder technisch ontwikkelde bevolkingsgroepen, godsdienst in
mindere mate van de politieke organisatie, van het gezinsleven en andere instellingen
gescheiden is geweest dan in onze eigen beschavingskring. Dit houdt echter niet
in dat de elementen van andere instellingen (evenmin nog ‘gekristalliseerd’) er
geheel afwezig waren. Het moderne denken over de sociale ontwikkeling heeft
eerder tot een methodische scepsis over de eerdere opvattingen geleid dan tot
bevestiging van een of andere theorie.
Ook al kunnen we niet de historische oorsprong vinden van de gewoonten in het
algemeen, toch blijft de kwestie van de oorsprong van gewoonten in onze eigen
beschavingskring onze aandacht vragen. Een deel der gewoonten is, zonder twijfel,
overgenomen uit andere landen, door aanraking van en contacten tussen twee
verschillende bevolkingsgroepen. Er bestaan reeds heel wat theorieën over de
processen van acculturatie; weinige hiervan hebben de toets der empirische proef
of van het historisch en etnologisch onderzoek kunnen doorstaan. We weten niet
of de overwinnende natie dan wel de verslagen partij haar gewoonten aan de partner
afstaat. We weten niet of het altijd de meer efficiënte gewoonten zijn (gewoonten
die doelmatiger tot ‘oplossing’ van het ‘probleem’ leiden of sneller tot de
behoeftenbevrediging leiden), die overgenomen worden, of dat de afstand dan wel
gelijkenis van het cultuurpatroon hierbij een rol speelt. Wel schijnt het zo te zijn dat
hoe frequenter het contact, des te groter de kans dat de bevolkingsgroepen hun
gewoonten uitwisselen. Vast staat dat gewoonten (zoals we in de volgende paragraaf
voor de rookgewoonten hopen aan te tonen) zich in zeer korte tijd over de gehele
aardbol kunnen verspreiden, zelfs onder minder gunstige contactmogelijkheden
dan waarover we thans beschikken.
We kunnen betrekkelijk kort zijn over de overname van de gewoonten door de
individu. Heeft deze plaats in de beschavingskring waarin men zijn opvoeding heeft
gekregen, dan spreken we van enculturatie. Heeft de overname plaats van de
gewoonten van de andere groep, door de vreemdeling, dan spreken we van
1
acculturatie . Beide vormen van overdracht
1
J.A.A. van Doorn, C.J. Lammers, Moderne Sociologie. Systematiek en analyse, Utrecht, 1959,
blz. 218; ook R. König, Soziologie, Fischer Bücherei, Frankfurt am Main, 1958, blz. 272.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
48
vormen vanzelfsprekend een deel van de meer algemene processen. Zij maken de
individu gereed om zich correct te gedragen in de groep, waarin een bepaalde
gewoonte (of systeem van gewoonten) overheerst. Vandaar dat we de acculturatie
en de enculturatie als onderdeel van de socialisatie kunnen zien: het overnemen
van het cultuurgoed van de groep maakt het de mens mogelijk om een actief lid te
worden van de groep.
Beschouwen we het eindprodukt van dit proces door de bril van de psychologie,
dan constateren we een zekere gelijkschakeling van de mensen, een zekere
uniformiteit van het gedrag resulterende uit het overnemen van dezelfde
gedragspatronen. Vandaar dat deze processen ook onder de vroeger beschreven
processen van assimilatie kunnen worden gerangschikt. Indien we de aanpassing
opvatten als de conformiteit aan de in de groep of samenleving heersende normen,
dan bevordert het overnemen van de gewoonten tevens de aanpassing van de
mens. Het sociaal gewoontegedrag is immers conformistisch gedrag.
Al is het proces van het overnemen van gewoonten conceptueel goed vastgelegd,
onze kennis over de factoren die de en- en acculturatie bevorderen is nogal beperkt.
Vanouds dacht men, dat b.v. de nabootsing een sterke rol speelt in dit proces. Het
proces zou bevorderd worden indien de te socialiseren mens tevens een emotionele
binding had met de hem inwijdende persoon. Identificatie, volgens deze opvatting,
bevordert socialisatie en assimilatie, dus ook het overnemen der gewoonten. LaPiere
1
en Farnsworth staan afwijzend tegenover de theorie van nabootsing. Deze, volgens
de schrijvers, verklaart niets doch beschrijft slechts hetgeen reeds door andere
concepten (b.v. ‘gewoontenoverdracht’) voldoende is weergegeven. Zelf zoeken de
schrijvers naar een verklaring waarom bepaalde gestes of uitdrukkingen wel, andere
dan niet worden nagebootst en overgenomen; zij menen deze in het bekende
‘pleasure- and pain’principe te mogen vinden. Het kind associeert prettige ervaringen
met zekere gestes en zekere geluiden en neemt deze over. In de latere levensfase
beschouwt het kind de opvoeder als een voorbeeld (model); door eigen ervaring
leert het kind zijn moeder of vader na te bootsen, om sneller de oplossing van zijn
‘probleem’ te bereiken. Zonder het voorbeeld is het een lange weg van zoeken en
tasten (‘trial-and-error’) voordat men eigen behoefte bevredigt of eigen aandrift
afreageert. Ervaring heeft het kind geleerd, dat door nabootsen de periode van
tasten en zoeken aanzienlijk kan worden verkort (La Piere en Farnsworth spreken
van ‘a trial-and-error short cut’; op. cit. blz. 96).
Deze beschrijving haakt in bij de reeds aangehaalde theorie van Miller
1
Richard T. LaPiere en Paul F. Farnsworth, Social Psychology, 2nd edition, MacGraw Hill
Book Co., New York, 1942, blz. 18, 95.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
49
en Dollard omtrent de factoren die het nabootsingsmotief in de mens helpen
bevorderen. In de situaties waar een minder bekwame persoon geconfronteerd
wordt met een hoger geplaatste persoon, of met een meer bekwame persoon, is
de tendens tot nabootsen zeer sterk. De ondergeschikte of lager geplaatste reageert
nl. niet op de stimuli uit de omgeving maar neemt gewoon het gedrag van de meer
1
bekwame over (de schrijvers spreken van ‘matched dependent behavior’) .
We kunnen aannemen dat door middel van identificatie met een ouder, meer
bekwaam, de status bezittend lid van eigen groep de mens zijn gedragspatroon,
zijn gewoonten en gebruiken overneemt. Hoe wordt echter zo een kant-en-klare
gedraging ingebouwd in de eigen persoonlijkheidsstructuur? We kunnen o.i.
aannemen dat de factoren die het aanleren van individuele gewoonten bevorderen
ook bij de sociale gewoonten een rol spelen. De stimulus en ook de ‘reinforcements’
zijn dan echter van sociale aard: dezelfde sociale personages, die omtrent het
gedrag dezelfde verwachtingen koesteren; dezelfde situaties, die met de regelmaat
van de zich herhalende sociale gebeurtenissen (maaltijden, feestdagen, ochtenden
middagpauzen, enz.) dezelfde prikkels meebrengen. Door herhaling en oefening,
door de snel bereikte ontlading en ontspanning die ook de sociale gewoonte
meebrengt, door de koppeling van talrijke plezierige, bijkomstige ervaringen die de
adequate responsie in de sociale situatie meebrengt, wordt de sociale gewoonte
tot de gewoonte van de individu, vaak even diep geworteld in zijn responsie- en
reactiesysteem als de gestes of verbale uitdrukkingen, die hij individueel, door
zoeken en tasten heeft verworven.
1.2.2 Theoretisch denken over de rookgewoonten
1.2.2.1 Rookgewoonten als bijzondere sociale gewoonten
Het roken van tabakswaren zoals sigaretten, sigaren en pijptabak biedt ons een
goede gelegenheid om de theoretische concepten en beschouwingen, zoals in de
voorafgaande paragraaf ontwikkeld, aan een stuk sociale werkelijkheid te toetsen.
Van de onderscheiden vormen van het collectieve gedrag lijkt ons vooral het
begrip ‘sociale gewoonten’ van toepassing op het roken. Het gaat hier immers om
een elementair gedragspatroon (het aansteken van een sigaret, sigaar of pijp, het
consumeren van de beschikbare tabakshoeveel-
1
N.E. Miller and J. Dollard, Social Learning and Imitation, Yale University Press, 1941.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
50
heid hetzij door inhaleren of door in- en uitademen in de mondholte), dat zich
herhaalt, individueel (de roker laat het niet bij één pijp of sigaret of sigaar) en collectief
(de rookgewoonten zijn vooral onder de volwassen mannen vrij algemeen verspreid).
Minder van toepassing lijkt het begrip ‘gebruik’. Toch is het b.v. langzamerhand
een gebruik geworden om de gast een sigaret of sigaar aan te bieden, ook al rookt
men zelf niet. Het bewaren van kostbare rookwaar (een dure sigaar) voor de zondag
of voor het tijdstip na de warme maaltijd is in bepaalde kringen ook een gebruik,
daar het met het sociale ritme (feestdagen) meer dan met het individuele ritme
verbonden is. Over ‘rookzeden’ kunnen we daarentegen niet spreken daar, althans
bij voorlopige theoretische ontleding, het roken niet sterk met sociale normen is
verbonden. De maatschappij in zijn geheel legt dan ook geen sanctie op het roken
of het niet-roken. Het is wel mogelijk, dat er bij bepaalde groeperingen (‘nozems’,
jeugdige arbeiders, enz.) wel dwang tot roken wordt uitgeoefend, dat met uitsluiting
(sociaal ostracisme) wordt gedreigd of aanzienvermindering (‘uitlachen’; kleineren)
plaatsheeft, kortom, dat collectieve sancties tegen niet-rokers worden aangewend.
Het is eveneens denkbaar dat in andere groeperingen (kleinere kerkgenootschappen
of sekten, bepaalde verenigingen op ethische grondslag) een dergelijke dwang en
pressie op de rokers wordt uitgeoefend, vooral na de publikaties omtrent het
vermoede verband tussen roken en longkanker. In de samenleving als zodanig is
het normatieve gehalte van rookgewoonten echter naar onze voorlopige schatting
laag; het lijkt ons verantwoord om voorlopig (vóór het bespreken van eigen
bevindingen) het roken als sociale gewoonte te zien, die slechts nu en dan tot een
sociaal gebruik wordt.
Dat er van het institutionaliseren van de rookgewoonten in onze streken geen
sprake is, getuigt het feit dat we geen verenigingen, niet eens commerciële
gelegenheden bezitten (die er vroeger wel zijn geweest) die de rokers verenigen.
Slechts ter bescherming van de niet-rokers en vanwege het brandgevaar en
dergelijke, zijn er plaatsen aangeduid waar het roken niet wordt toegestaan en zelfs
strafbaar wordt gesteld.
1.2.2.2 Dynamische aspecten van de rookgewoonten: oorsprong, functie
en vermoede oorzaken van het roken
De oorsprong van onze rookgewoonten vormt in menig opzicht een interessant
onderwerp van de sociale wetenschap. Er is nauwelijks een ander cultuurgoed te
vinden dat zich verspreidde van de minder ontwikkelde bevolkingen (de
Indianengroepen in de Amerika's) over de meer technisch ontwikkelde
bevolkingsgroepen van de ‘veroveraars’ om hierna bijna de gehele wereld te
veroveren. Bij de Indianen waren de rookgewoonten
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
51
1
(en tevens rookgebruiken) sterk met mythologische elementen verweven . ‘The
Great Spirit’ zou zelf de Indiaanse stammen het roken hebben geleerd; deze
gewoonte verbindt immers alle stammen. Zij waren volgens de mythe verzameld
bij de ‘Red-pipe Stone Rock’ waar, voor de eerste keer, de Grote Geest een pijp uit
de steen heeft gehouwen en vervolgens over hun hoofden de rook zou hebben
geblazen in de vier windstreken. Nadat hij de aanwezigen had gemaand uit de rots
2
hun vredespijpen te maken, is hij tenslotte in een wolk van rook verdwenen . Dit
schijnt de uitspraak van Van der Leeuw te bevestigen dat de gewoonten in wezen
religieus van aard zijn. Wij dienen echter te beseffen dat het roken niet slechts een
cultische functie had, echter ook een politieke, ceremoniële functie (‘de vredespijp’)
en tevens waarschijnlijk een functie van sedativum en narcoticum: de Indiaan rookte
ook om pijn, honger of dorst te stillen. Slechts indien we erin slagen ook deze (en
nog andere) functies tot de religieuze oorsprong terug te brengen kunnen we
aannemen dat het roken bij de Indianen een zuiver godsdienstig karakter droeg.
Aan de hand van beschikbare bronnen menen we te mogen concluderen dat het
eerder om een relatief ongedifferentieerde, nog weinig gestructureerde samenleving
3
ging dan om een samenleving die geheel doordrenkt was van het religieuze element .
Het sacrale karakter van het roken verdween geheel tijdens het proces van
cultuuroverdracht. Het roken werd gebracht naar Europa door de
ontdekkingsreizigers, de legerofficieren en de mariniers. Aan het begin werd aan
tabak een zekere magische werking toegeschreven, hetgeen blijkt uit het feit dat
het als een universeel geneesmiddel tegen allerlei kwalen werd gebruikt. Deze is
tegenwoordig slechts in de advertenties van de tabaksproducenten en -handelaars
te vinden. Voor de miljoenen rokers in onze streken is het gebruiken van tabak geen
rituele of ceremoniële bezigheid, bezit het vermoedelijk ook weinig magische
krachten.
Men kan zich afvragen of de geschiedenis van het overnemen der rookgewoonten
zich niet in de tegenwoordige rookgewoonten weerspiegelt. Het feit dat wij thans
roken, hebben we waarschijnlijk aan de algehele sfeer in de zestiende en zeventiende
eeuw in Europa te danken, toen men vol verbazing de reisverhalen uit de ‘ontdekte’
landen aanhoorde en de curiosa die de zeevaarders thuisbrachten aanschouwde.
Het ‘eten van vuur’, het slikken van rook, sprak tot de verbeelding meer dan andere,
1
2
3
Ralph Linton, Use of Tobacco among North American Indians, Field Museum of Natural
History, Chicago, 1925; tevens: W. Koskowski, The Habit of Tobacco Smoking, Staples Press,
London, 1955.
W. Koskowski, op. cit., Hfdst. III.
Clark Wissler, The American Indians, New York, 1938. Handbook of South American Indians,
I-VI, Bureau of American Ethnology Bulletin, 1946-1950.
Alfonso Caso, ‘New World Culture History: Middle America’ in A.L. Kroeber, Anthropology
Today, Chicago, 1953.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
52
waarschijnlijk belangrijkere gewoonten (het planten en nuttigen van aardappelen,
drinken van koffie, cacao, enz.). Gekoppeld aan de nicotine-werking, waaraan men
toentertijd allerlei gevolgen toeschreef, is dit element van nieuwigheid, bizarheid,
wellicht voldoende om de overname van de rookgewoonten te verklaren. Andere
historische feiten helpen te verklaren hoe men rookt en wie er roken. De volgende
hypothesen werden naar voren gebracht:
I. het verband tussen de rookgewoonten in de oorspronkelijke Amerikaanse koloniën
van de Europese landen en de preferentie voor bepaalde vormen van tabaksgebruik
in deze landen. In de Romaanse landen (Spanje, Portugal) zou door de aanraking
met de Indiaan in Mexico, Pueblo, enz. de gewoonte van sigaretten- en sigarenroken
opbloeien; de Engelsen zouden hun voorkeur voor de pijp aan hun kolonie in Virginia
en aan contacten met de Indianen van de Great Plains te danken hebben.
II.
het verband tussen de existentiële kenmerken van de ‘cultuurdragers’ d.w.z. de
personen die de nieuwe gewoonten hielpen te verspreiden en de groeperingen
waarin de gewoonten werden verspreid: het waren vooral de mannelijke personen,
soldaten en zeelieden, die het roken naar Europa brachten. Ook later werden de
gewoonten vooral door de soldaten van het ene naar het andere Europese land
overgebracht. Wellicht ligt hierin de oorsprong van het feit dat het roken overwegend
een mannengewoonte is geworden. Zeevaart en krijgsvoering werden in onze
beschavingskring ook overwegend aan mannen toevertrouwd.
Hieraan kunnen we wellicht toevoegen het feit dat aan de vrouwen de tabak als
een geneesmiddel werd toevertrouwd hetgeen
III.
een verband suggereert tussen de vermoede magische werking van de tabak
en de tendens tot de universele verspreiding der rookgewoonten.
Het proces van tabaksverspreiding zien we als een merkwaardig voorbeeld van
het culturele syncretisme, het versmelten van leefpatronen van oorspronkelijk
verschillende cultuurgroepen. In de loop van twee eeuwen verspreidde het
tabaksgebruik zich over alle bekende werelddelen. De volgende factoren schijnen
dit proces te hebben bevorderd:
a. de technologische ontwikkeling die de contacten overzee mogelijk (maakte
scheepvaart, luchtverkeer, spoorwegaanleg).
b. de oorlogen: niet slechts de veroveringsoorlogen van de Spaanse conquistadores,
maar ook de oorlogen in Europa hebben ertoe bijgedragen dat het roken van 't ene
naar 't andere land verhuisde. Het gebruik van sigaren zou door de officieren in de
oorlog 1808-1814 in Engeland zijn
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
53
1
ingevoerd; de soldaten terugkerend uit de Krimoorlog van 1854-1856 , brachten er
de sigaretten.
c. naast de soldaten waren het echter de kooplieden die de tabak hielpen
verspreiden. Men neemt aan dat Japan, China en trouwens ook andere Aziatische
landen, het roken van de reizende kooplieden leerden kennen. De kolonisatie (o.a.
die door de Nederlanders in Kaapstad en door de Portugezen in andere streken
van Afrika) ging vaak eveneens met het oprichten van tabaksplantages gepaard en
droeg bij tot de verspreiding van de rookgewoonten onder de inheemse bevolking.
In de landen met sterk theocratische inslag, zoals Turkije en Rusland in de
zestiende en zeventiende eeuw, stuitte het roken op tegenstand; in Tibet, geheel
door priesters beheerd, kon het geen vaste voet aan de grond krijgen. Ook landen
met sterke tradities, zoals China en Japan, hebben de rookgewoonten slechts in
kleine omvang aanvaard. Godsdienst en de aanwezigheid van andere, traditionele
gewoonten schijnen de voornaamste remmende factor bij het verspreiden van deze
gewoonten te zijn geweest.
Ons overzicht van de macrosociologische factoren die er waarschijnlijk toe hebben
bijgedragen dat de rookgewoonten tot de massagewoonten in onze eigen
beschavingskring zijn geworden zou onvolledig zijn zonder de vermelding van
d. de rationalisatie van de produktie van de rookwaren en de strijd om de afzetmarkt
van de moderne kapitalistische economie (o.a. internationalisatie van de handel);
en voorts
e. het aanwenden van de massacommunicatiemiddelen tot het systematisch voeren
van een reclame voor de rookwaren. Het is waarschijnlijk de Amerikaan James B.
Duke geweest, die, als eerste, beide richtingen insloeg: de sigaretten produktie in
de Verenigde Staten steeg dank zij zijn krantencampagne van omstreeks 1.000
miljoen in 1885 tot 8.600 miljoen in 1910; in 1919 werd reeds het getal van 50.000
miljoen gepasseerd; in 1950 bedroeg het aantal geproduceerde sigaretten omstreeks
2
355.000 miljoen .
Tengevolge van al deze factoren zien we ook in Nederland in de loop der jaren
een aanzienlijke toename van vooral de sigarettenconsumptie. Volgens de
schattingen van het C.B.S. steeg het aantal sigaretten, beschikbaar gesteld per
hoofd der bevolking, geleidelijk van 274 in 1923 per jaar tot 598 in 1940; tijdens de
oorlog was er natuurlijk een daling te
1
2
Koskowski, op. cit., blz. 26.
J.K. Winkler, Tobacco Tycoon, New York 1942. Zie ook Koskowski, op. cit., blz. 29, en C.
van Proosdij, Roken, Een Individueel- en Sociaalgeneeskundige Studie, Amsterdam, 1957,
blz. 178.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
54
constateren; in 1949 werd echter de consumptie van de vooroorlogse tijd reeds
ingehaald om in 1957 een piek van 1.222 sigaretten per hoofd der bevolking te
bereiken. In de periode van ruim een generatie is de consumptie met bijna 450%
gestegen; in dezelfde tijd is de consumptie van sigaren gedaald (omstreeks 30%
nl. van 146 stuks op 106 stuks per hoofd der bevolking). Het verbruik van kerftabak
1
zakte van 1,78 kg per hoofd der bevolking op 0,74 kg met bijna 60% . We zien dat
ook in Nederland waarschijnlijk onder de invloed van de mechanisatie der produktie,
van de massareclame en de stijging van de levensstandaard het roken in de loop
der laatste jaren voornamelijk het roken van gekochte sigaretten is geworden.
Ondanks deze macrosociologische factoren weten we echter uit ervaring dat niet
iedereen rookt en dat niet iedereen evenveel rookt. Dit brengt ons tot het
kernvraagstuk van de sociologische en psychologische studie van de rookgewoonten
in de recente jaren: welke zijn de oorzaken van het ontwikkelen van de individuele
rookgewoonten in onze samenleving? Welke factoren dragen ertoe bij, dat sommige
groeperingen mensen of bepaalde typen mensen meer roken dan andere?
Allerlei theorieën werden reeds op dit studiegebied gelanceerd die bijna het gehele
veld van de gedragswetenschappen beslaan. Naast de verklaringen overwegend
van dieptepsychologische aard treffen we hier ook cultuurantropologische en meer
sociologische theorieën aan. In het kort willen wij de belangrijkste hiervan in dit
verband vermelden:
1. Theorie van de fysiologische predispositie
De schrijvers die de rookgewoonten bezien uitgerust met de bril van hun medisch
specialisme komen weleens tot de conclusie dat er terdege sprake is van verslaving
2
aan nicotine . Er zou volgens deze schrijvers bij de sterke rokers een haast niet te
bedwingen behoefte aan nicotine bestaan, rechtstreeks op de ‘pharmacologische’
werking van deze stof op het organisme gebaseerd. De ontwenning gaat niet met
gevaren voor het menselijke organisme gepaard zoals met vele andere drogerijen
(b.v. morfine) het
1
2
Centraal Bureau voor de Statistiek, Produktiestatistieken: Tabakverwerkende industrie 1959,
staat 10; W. de Haan, N.V., Zeist, 1960.
We mogen volstaan in dit verband slechts de recente, gedegen studie van Van Proosdij aan
te halen. ‘Ongetwijfeld nemen psychologische motieven bij tabaksgebruik een belangrijke
plaats in. Deze maken dat er een sterke verwantschap bestaat tussen de verschijnselen bij
roken en die bij allerlei andere gewoonten. De farmacologische factor is in het eerste geval
echter dusdanig belangrijk, dat m.i. voor chronisch tabaksgebruik het begrip verslaving wel
degelijk gehandhaafd moet worden ... Het feit dat chronische tabaksverbruikers bevredigd
kunnen worden door middel van nicotine-injecties wijst op het belang van de farmacologische
factor bij deze verknochtheid aan een produkt dat door de rokers zelf liefst alleen als
genotmiddel wordt gecatalogiseerd.’ Van Proosdij, op. cit., blz. 39.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
55
geval is, toch zou er wellicht een gradueel verschil in de biologische reactiewijze
op beide vergiften bestaan.
Van deze redenering uitgaand komen deze medici dan ook tot de conclusie dat
de rookgewoonten eigenlijk gebaseerd zijn op de biologische constitutie van de
mens, op zijn grotere of kleinere fysiologische behoeften om nicotine tot zich te
nemen. Van Proosdij gaat ten onzent zo ver dat hij meent zelfs factoren te kunnen
aanwijzen, die met deze biologische predispositie gepaard gaan: leeftijd, sekse,
ziekte, ondervoeding en het somatische type zouden de gevoeligheid voor nicotine
beïnvloeden. Vrouwen, oudere personen, mensen door ziekte en/of ondervoeding
verzwakt, zouden volgens Van Proosdij meer gevoelig voor nicotine zijn; hetzelfde
zou voor personen van cholerisch temperament gelden. Van Proosdij legt dan een
direct verband tussen hetgeen hij ‘gevoeligheid’ of ‘tolerantie’ voor nicotine noemt
en de rookgewoonten: vrouwen en zieken zouden veel minder roken dan gezonde
1
personen en mannen .
Het is niet gemakkelijk om, aan de hand van de verrichte onderzoekingen,
gegevens te vinden die deze theorie zouden ondersteunen. Wellicht kan het
experimentele werk over de voorkeur voor bepaalde voedingscomponenten en over
de smaakdrempels bij de rokers en niet-rokers hiermee in verband worden gebracht.
De rokers schijnen moeilijker de bittere smaak waar te nemen dan de niet-rokers;
zij hebben voorkeur voor zoute, gekruide voedingswaren en gebruiken meer vet,
eieren en vlees dan de niet-rokers, die grotere voorliefde voor suikerwaren en
2
koekjes hebben . Het is vermeldenswaard dat de geconstateerde verschillen in de
homogene groepen van mannen van dezelfde leeftijd en sociale rangstand werden
vastgesteld. Ondanks deze belangwekkende bevinding rijst echter de vraag of het
hier niet eerder om de gevolgen dan om de oorzaken van rookgewoonten gaat. Wij
hopen op deze vraag terug te komen bij de bespreking van de hypothesen die bij
ons eigen onderzoek werden opgenomen.
2. Psychoanalytische theorie van orale fixatie
Enigszins verwant aan de bovengenoemde theorie is de opvatting dat het roken te
zien is als een merkwaardige bevredigingswijze van het driftleven. Deze hangt
samen met de Freudiaanse denkbeelden over de prepubertale erotiek en seksualiteit.
De zuigeling beleeft aan moeders borst de eerste bevrediging van zijn ‘libido’, kent
dan ook haast geen andere lustgevoelens dan het zuigen. In latere fasen van
ontwikkeling, respec-
1
2
Van Proosdij, op. cit., blz.43-44.
M.J. Perrin, L.H. Krext, B. Bronte-Stuart, ‘Smoking and food preferences’ en ‘Taste perceptions
in smokers and non-smokers’ in The British Medical Journal, No. 5223, blz.384 en 387;
februari, 1961.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
56
tievelijk de anale en de genitale fasen, verplaatst de libidinale bevrediging zich naar
andere zones. Bij de normale ontwikkeling doorloopt de mens al deze fasen; bij
sommigen van ons ontstaan er allerlei stoornissen, ontstaat er een fixatie aan een
vroegere zone, die niet geheel wordt prijsgegeven. Bij de rokers zouden het sterke
orale fixaties zijn, die de ontwikkeling van intensieve rookgewoonten bevorderen.
1
Volgens sommige schrijvers is de orale fixatie het gevolg van de vroege
onderbreking van de borstvoeding. In de kunstmatig gezoogde mens zou als het
ware een constant verlangen naar moeders borst blijven bestaan, ook in de jaren
dat hij aan andere vormen van bevrediging toe is.
Dit verlangen reageert de volwassen mens af in allerlei bezigheden waarbij de
2
mond een actieve rol speelt: drinken, snoepen of zuigen en kauwen, eten en roken .
3. Theorie van de neurotische predispositie tot roken
De gesignaleerde verbanden tussen roken en longkanker hebben de belangstelling
van haast alle gedragswetenschappen voor het roken gewekt. De recente
psychologische onderzoekingen leggen zich erop toe vooral de emotionele aspecten
van het roken uit de doeken te doen. De geconstateerde verschillen tussen de rokers
en de niet-rokers in de scores op allerlei ‘inventories’, d.w.z. tests die de
aanwezigheid van neurotiserende tendensen beogen te meten, worden alle in de
3
termen van oorzaken (niet gevolgen) geïnterpreteerd .
Lawton en Phillips vergeleken twee groepen van respectievelijk zware en matige
rokers. Ze lieten hun 85 proefpersonen een Cornell Medical Index invullen en een
korte vragenlijst bestaande voornamelijk uit bijvoeglijke naamwoorden (‘aggressive,
confident, uncertain of myself, grouchy, trusting’, enz.) die de respondenten op zich
zelf moesten betrekken en waarvan zij er telkens vijf moesten kiezen: ‘choose five
words that describe you best and five words that describe you most poorly!’ Volgens
hun bevinding haalden 15% van de matige rokers en 46% van de zware
1
2
3
Zie voor een overzicht: Ralp M. Crawley, ‘Psychoanalytic literature on drug addiction and
alcoholism,’ in Psychoanalytic Review, 26: 39-54, 1939.
Naast deze algemene theorie bestaan er ook meer specifieke psychoanalytische interpretaties
van het roken. F.R. Cesio in ‘Psicoanalisis del habito de fumar’ in Rev. Psicoanal., (Buenos
Aires), 1957, blz.368-384, dat mij slechts in een Engelse samenvatting ter beschikking staat,
zou tot de volgende conclusie zijn gekomen: ‘There is a clear relationship between smoking
and oral tendencies. Smoking could be an expression of masochistic dependency on an
internalized mother, and smoke is the dangerous food provided by this bad mother.’
Psychological Abstracts, 33, 2447.
M. Powell Lawton, Roswell W. Phillips, ‘The relationship between excessive cigarette smoking
and psychological tensions’ in The American Journal of the Medical Sciences, October, 1956,
blz. 397-402; ook Abraham M. Lilienfeld, ‘Emotional and other selected characteristics of
cigarette smokers and nonsmokers as related to epidemiological studies of lung cancer and
other diseases,’ Journal of the National Cancer Institute, 22, 1959, blz.259-282.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
57
rokers 30 punten of meer op de Index, een waarde die een kritieke zone van een
neurotische tendens zou aangeven. De verschillen zouden statistisch significant
zijn bij het .01 waarschijnlijkheidsniveau. Op de directe vraag of zij als een
neurotische persoon worden beschouwd, gaven de zware rokers eveneens significant
meer positieve antwoorden (63% tegen 26% bij de matige rokers en niet-rokers).
De schrijvers concluderen dat het roken een gevolg is van een neurotische tendens
(‘nervousness’) zoals b.v. het zuigen op de duim, het nagelbijten, enz.
Lilienfeld werkte met een veel grotere steekproef (aselect getrokken uit de
volwassen bevolking te Buffalo, N.Y.) en met een andere vragenbatterij (de z.g.
Neuropsychiatric Screening Adjunct van S.A. Stouffer et al.) en kwam tot
overeenkomstige resultaten: de rokers vertonen frequenter neurotische
karaktertrekken dan de niet-rokers. Ook hij ziet de verklaring in de richting van
neurotische predispositie tot het roken daar hij op zoek was naar de factoren die
zowel roken als longkanker ten gevolge hebben. Lilienfeld is kritisch genoeg om in
te zien dat het verband tussen de neurotische tendens en het roken, hoewel
statistisch significant, te weinig intensief is om het verband tussen roken en
longkanker te kunnen verklaren. Hij onderkent de mogelijkheid dat er andere
‘self-selected variables’, voornamelijk sociaal van aard, een rol spelen, d.w.z. dat
er sociale factoren zijn die zowel roken als neurose veroorzaken: ‘A third possibility
is that smoking and “neuroticism” both result from common underlying factors.
Perhaps certain social factors are interrelated with smoking habits, lung-cancer, and
emotional status. This is a form of self-selection hypothesis one step removed from
the lung-cancer-smoking association. However, the explanation is unlikely and
1
difficult to test at our present level of knowledge .’
4. Roken als een poging tot compensatie van de vrouwelijke
constitutietrekken bij jonge mannen
Volgens een opvatting zou het excessieve roken bij de mannen samengaan met
het somatische type van de persoon in kwestie. Dit is althans de conclusie uit een
vervolgonderzoek van 252 mannelijke studenten aan de Harvard Universiteit die
periodiek door de fysiologen en psychologen werden gadegeslagen. Indien men de
uitwendige morfologische kenmerken in ogenschouw neemt dan valt het op dat de
sterke, ‘mannelijke’ typen onder de rokers veel zwakker zijn vertegenwoordigd: ‘the
weakness of the masculine component is significantly more frequent in smokers
2
than in non-smokers, and most frequent in the heavier smoker ’.
1
2
A.M. Lilienfeld, op. cit., blz. 280.
Science, 18 december 1959, blz. 1706.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
58
5. De sociale roltheorie der rookgewoonten
De sociale roltheorie, enigszins verwant aan de voorafgaande theorie en bevinding,
kan ook in zinvol verband met het roken worden gebracht. Men zou kunnen stellen
dat deze opvatting dan een sociologische of sociaal-psychologische parallel vormt
tot de theorie sub 4): het roken vormt een onderdeel van het gedrag van bepaalde
sociale rollen. ‘Een flinke vent zijn’, ‘een volwassen man zijn’, houdt voor menige
puber in ‘roker zijn’. Deze theorie is breder, meer algemener dan de voorafgaande
theorie, daar zij ons tevens de voorafgaande theorie helpt te begrijpen. Bij de
personen die reeds door hun uiterlijke, morfologische kenmerken tot de categorie
‘flinke mannen’ of ‘volwassen personen’ worden gerekend, bestaat er minder dwang
tot roken dan bij personen die vanwege het gebrek aan andere zichtbare kenmerken
de gewenste status (‘flinkheid’, volwassenheid) door gedrag trachten te verwerven.
Een moeilijkheid voor deze theorie vormt het feit dat het roken geenszins tot de
mannelijke bevolking beperkt blijft. Hoe is het roken van vrouwen uit het rolgedrag
te verklaren? Dit is o.i. slechts mogelijk indien men de theorie in haar meer algemene
vorm handhaaft: het is niet een bepaalde rol, waarschijnlijk niet uitsluitend de
mannenrol. Voor de jonge meisjes zal het de rol zijn van een volwassen, rijpe,
ervaren vrouw. Wij menen te mogen stellen dat het element van ‘rijpheid’ of
‘volwassenheid’ telkens aanwezig is in het rolgedrag, dat men door het roken tracht
uit te beelden. Het verwerven van rookgewoonten kan o.i. dan in verband gebracht
worden met de rol van het volwassen, ervaren lid van onze samenleving. Kunnen
we nog van een sociale rol van de volwassene spreken? Indien we, zoals de
gezinssociologen en de cultuursociologen zonder twijfel geneigd zijn te doen, spreken
van de rol van de vader, de rol van de moeder, van het kind, dan is het verantwoord
ook van de rol van de volwassene te spreken. Er bestaan talrijke verwachtingen
over het gedrag van deze personages, van het kind en de volwassene, de
samenleving reageert anders op elk van beiden.
Anders gesteld, de theorie van rollenovername hangt samen met het proces van
emancipatie: naarmate de kinderen zelfstandig worden ten opzichte van de ouders,
naarmate zij zich zelf althans als zodanig gaan zien, trachten zij waarschijnlijk de
traditionele en de met de traditie overgenomen rollen van kinderen op zij te leggen;
roken is er een zichtbare manifestatie van. De vraag mag dan gesteld worden in
hoeverre het emancipatieproces gegeneraliseerd mag worden: in hoeverre gaat het
zich vrijmaken t.o.v. de gezinstraditie en de gezinsautoriteit gepaard met het
ondermijnen van het gezag in het algemeen, het niet aanvaarden van traditie ook
op andere levensgebieden. Enkele hypothesen zou men uit deze theorie wellicht
kunnen distilleren: dat het roken ook bij die
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
59
groeperingen veel gunstiger voorkomt, die gekenmerkt worden door versnelde
sociale verandering (de stedelijke samenleving, de industriële samenleving, t.o.v.
de plattelandse leefwijze).
6. De normatieve theorie van de rookgewoonten
Tenslotte willen we nog de theorie vermelden volgens welke de rookgewoonten
door de sociale normativiteit bepaald worden. Er bestaan groeperingen of personen
in onze samenleving die het gebruik van rookwaren als genotmiddel afkeuren;
vandaar dat bij deze mensen, en bij hun kinderen, het roken en het zware roken in
het bijzonder, minder frequent zou voorkomen. Deze normatieve theorie is in de
Verenigde Staten in verband gebracht met de instelling van de naar het
maatschappelijke succes strevende middenstander, behorend tot de nogal
rechtzinnige protestantengroepen (‘the fundamentalists’) die het roken om principiële
1
redenen zouden afkeuren . Slechts indirecte toetsing van deze theorie is ter hand
genomen door de schrijvers, die verschillende typen scholen (‘private’ en ‘public
schools’) beschouwden als indicatoren voor de ‘calvinistic fundamentalist outlook’,
terwijl ook weinig gegevens beschikbaar zijn betreffende de homogeniteit van beide
groepen leerlingen.
Ten onzent heeft de normativiteitstheorie bij Fokkens een zekere modificatie
ondergaan. Hij zoekt de oorzaak van zware rookgewoonten niet in een bepaalde
(op wereldbeschouwing steunende) norm, maar in een groepsnorm in het algemeen.
Zo wordt het hoger verbruik van rookwaren op de lagere technische scholen
(vergeleken met het verbruik op VHMO-scholen) verklaard met de verwijzing naar
het feit ‘dat de groepsnorm als ondergrens van hoeveel gerookt wordt op de lagere
technische scholen hoger ligt’. Ook meent Fokkens dat in de gezinnen waar de
ouders de kinderen toestaan om te roken inderdaad meer gerookt wordt; alweer
worden de rookgewoonten hier met de groepsnorm, d.w.z. de opvattingen over het
2
wel of niet geoorloofd zijn van het roken, in verband gebracht . Interessant in dit
verband is de bevinding van zijn proefonderzoek dat de onkerkelijken minder zouden
roken (blz. 54); het eigenlijke onderzoek heeft uitgewezen dat de Rooms-Katholieken
inderdaad meer roken dan de ‘overigen’, al is dit verschil niet op de significantie
getoetst.
Wij zouden wellicht nog andere theorieën kunnen bedenken die de verschillen in
de intensiteit der rookgewoonten in onze samenleving zouden helpen verklaren.
Met opzet beperken we ons echter tot de theorieën die
1
2
Charles McArthur, Ellen Waldron, and John Dickinson, ‘The psychology of smoking,’ in the
Journal of Abnormal and Social Psychology, Vol. 56, 1958, blz. 267-275.
O. Fokkens, De ontwikkeling van rookgewoonten bij de jeugd, Utrecht, 1960, blz. 110, 113,
121, 122, 176. Fokkens vermeldt de studie van McArthur c.s. niet in zijn literatuurlijst, is in
zijn denken over de groepsnorm hierdoor waarschijnlijk niet beïnvloed.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
60
door andere bronnen dan onze eigen onderzoekgegevens naar voren werden
gebracht, teneinde de confrontatie met ons eigen onderzoekmateriaal zinvol te
maken. De aangehaalde theorieën zijn nogal heterogeen van aard. Hierdoor is het
niet mogelijk om in een enkele onderzoekopzet tot de toetsing hiervan over te gaan.
Onze belangstelling ging uiteraard naar de variabiliteit van de rookgewoonten in de
ganse sociale structuur uit; de meer individuele variatie in de rookgewoonten,
veroorzaakt door de biologische of psychologische dispositie kon slechts bij ons
onderzoek betrokken worden voor zover gepaard gaande met de sociale,
waarneembare factoren. Zoals uit de hieropvolgende bespreking van de hypothesen
van ons onderzoek zal blijken, konden de eerstgenoemde twee theorieën slechts
zeer ten dele aan toetsing worden onderworpen.
In de voorafgaande paragraaf hebben we gesteld dat het gemakkelijker is aan
de hand van de beschikbare literatuur te zeggen wat we met de gewoonten doen
dan hoe we eraan komen. Deze uitspraak geldt niet bepaald voor de rookgewoonten.
Zeer zelden vinden we in de beschikbare publikaties een verwijzing naar de mogelijke
functie van het roken van tabakswaren voor de mens; verwijzingen naar een
mogelijke sociale functie van het roken zijn vrijwel niet te vinden.
Wel zijn sommige van de reeds besproken theorieën omtrent het ontstaan van
de rookgewoonten gebaseerd op veronderstelde opvattingen omtrent hetgeen de
tabak ‘voor de mens doet’. Van Proosdij, de voorstander der ‘nicotinetheorie’, ziet
in het roken een genotmiddel, d.w.z. een chemische stof die door de
‘farmacologische’ werking hetzij ‘de euforie van de roes’ tot stand brengt, hetzij tot
verzwakking van remmingen leidt, zodat het contact met de mensen vergemakkelijkt
1
wordt. Beide functies zouden volgens Van Proosdij in het roken verenigd zijn .
Men kan met deze redenering meegaan; wat het bevorderen van
gemeenschapszin en gezelligheid betreft, dienen we echter te beseffen dat elke
bezigheid die in een groep plaatsheeft, alles wat we te zamen doen, deze
gemeenschapszin- en gezelligheidsbevorderende functies kan hebben. Er
1
Van Proosdij, op. cit., blz. 173: ‘In het algemeen kan men zeggen dat onaangename gevoelens
worden gedempt en aangename worden geaccentueerd, dat het handhaven van een
gelijkmatige stemming door de farmacodynamische eigenschappen van nicotine sterk wordt
bevorderd en dat ook sterke affecten als woede en angst terstond worden verzacht. De
persoonlijkheid blijft daarbij onaangetast, een voordeel dat nicotine gemeen heeft met cafeïne.’
Blz. 198: ‘Tabak kan uiteenlopende driftverlangens bevredigen, zintuigelijke genietingen
schenken en onlustgevoelens verzwakken. Naast deze werkingen die alle voor het ontsnappen
aan de realiteit van het dagelijkse bestaan van betekenis kunnen zijn, kan tabak ook fungeren
als contactbevorderend middel. Wanneer wij het tabaksgebruik in dit licht beschouwen is er
geen sprake van vlucht uit de werkelijkheid, maar van bevorderen en opbouwen van de
gemeenschapszin.’
Blz. 199: ‘Een tweede aspect van het roken is de algemeen erkende verhoging van de
gezelligheid. Deze werking verleent aan het roken een buitengewone aantrekkingskracht.’
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
61
is o.i. echter ook na lezing van het uitstekende proefschrijft van Van Proosdij geen
reden om aan te nemen, dat het roken deze functies heeft dank zij de werking van
nicotine.
Is de opvatting van het roken als genotmiddel juist, draagt het tabaksgebruik bij
tot verhoging van lustgevoelens door rechtstreekse inwerking op ons zenuwstelsel,
dan zouden we ook in de situaties waar ‘frustatie’ en onlustgevoelens voorkomen,
een toename van tabaksverbruik verwachten.
Een andere functie van rookgewoonten werd ons door de roltheorie gesuggereerd:
deze gewoonten helpen de sociale rol van de volwassenen in onze samenleving
zichtbaar te maken. De opgroeiende jeugd heeft wellicht nog andere ‘middelen’ om
de volwassenheid te tonen: het bezoek aan een café en gebruik van alcoholica, 's
nachts op straat zijn of in commerciële ontspanningslokalen, omgang met personen
van de andere sekse, enz. Vergeleken met deze zijn de rookgewoonten echter
betrekkelijk ‘onschuldig’ en hierdoor zelfs voor jongere leeftijdsgroepen toegankelijk.
De roker onttrekt zich gemakkelijker aan de sociale controle (indien jeugdig), dan
een café- of filmbezoeker, riskeert ook de hoon en de lach van de personen van
andere sekse niet.
Er zijn wellicht nog andere sociale functies van het roken; het leggen van het
contact met de medemens, de manifestatie van een gastvrije houding. Het aansteken
van een pijp, sigaret of sigaar schept een pauze, die in de sociale situaties een
gelegenheid geeft om de reactie uit te stellen en de eigen houding te bepalen. In
de werksituatie schept de rookpauze een ontspanningselement, waardoor reeds
zekere ‘lustgevoelens’ (ook afgezien van de ‘farmacologische werking’) worden
opgewekt.
Het bij zich hebben en in het openbaar gebruiken van rookwaren (vooral dure
rookwaren) is zonder twijfel een onderscheidingsteken niet slechts van de
volwassenheid maar ook van de ‘standing’, van de maatschappelijke positie.
Samenvattend kunnen we stellen dat het roken waarschijnlijk als een genotmiddel
te zien is dat door gewenning zekere lustgevoelens schept in de gebruiker, hierdoor
de tijd helpt te structureren en in het leven en werken van de gebruiker een zekere
ontspanning brengt. De sociale functie berust wellicht in het zichtbaar maken van
de rol der volwassenen, in het nu en dan tot uitdrukking brengen van de
maatschappelijke positie en het vergemakkelijken en het initiëren van sociaal contact.
Riskant zijn de rookgewoonten geworden door de tegenwoordige wetenschap
over de samenhang tussen roken en longkanker. De hoge waarschijnlijkheid die
aan de kanker bevorderende werking van het roken wordt toegeschreven, maakt
dat het roken voor een ieder van ons met individuele risico's gepaard gaat. Van
betrekkelijk onschuldig wordt deze sociale gewoonte tot een der gevaren voor de
volksgezondheid.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
62
1.2.3 Poging tot hypothesenvorming
Teneinde de variabiliteit der rookgewoonten in onze samenleving te verklaren,
trachtten wij bij de bestaande theorieën over het roken aan te sluiten. Deze moesten
uiteraard ‘vertaald’ worden in de operationele termen van onze onderzoekopzet.
Slechts die hypothesen, die betrokken kunnen worden op de sociologische variabelen
(zoals geslacht, leeftijd, kerkgenootschap, andere gewoonten, enz.) die bij een
landelijke enquête werden gebruikt, kwamen immers voor het toetsen in aanmerking.
Dit betekende reeds een belangrijke beperking wat de twee eerste theorieën
betreft. We hebben immers geen fysiologische meetschalen ontwikkeld, die het
mogelijk zouden maken ‘de tolerantie voor nicotine’ of ‘gevoeligheid voor tabak’
(Van Proosdij) te meten. We hebben evenmin nagegaan het aantal maanden dat
onze respondenten aan moeders borst gezoogd werden. Om evidente redenen was
dit in het kader van een landelijke enquête van een representatieve steekproef uit
1
de bevolking geheel onmogelijk .
Wel konden enkele indirecte consequenties uit de beide theorieën aan de toets
van onze enquêtegegevens worden onderworpen. Indien de theorie van de orale
fixatie opgaat, dan zouden we verwachten dat alle gewoonten waarin van orale
fixatie sprake kan zijn, onderling zijn gecorreleerd. Met andere woorden, Theorie 2
wordt in de termen van onze enquête vertaald in de
1: omtrent de intercorrelatie van de indicatoren van orale fixatie: roken,
drinken, snoepen, koffiegebruik. In al deze vier gewoonten menen we een zekere
orale activiteit te mogen zien; is er in onze bevolking een hoge samenhang tussen
deze vier vormen van activiteit, die niet kan worden teruggebracht op een of andere
sociale factor, dan verkrijgt de theorie der orale fixatie hierdoor een hogere
geloofwaardigheid.
Uit Theorie 1 kan slechts de stelling dat de gevoeligheid voor tabak gepaard gaat
met voorkeur voor bittere en gekruide eetwaren wellicht indirect tot de hypothese
over snoepgewoonten leiden.
HYPOTHESE
2: Rokers zullen minder voorkeur hebben voor het snoepen dan
niet-rokers of matige rokers. De vraag in hoeverre de voorkeur voor suikerwaren
als equivalent voor de afwezigheid van behoefte aan nicotine mag worden
beschouwd, reikt uiteraard buiten de grenzen van dit sociologische onderzoek, is
eerder fysiologisch en biochemisch van aard.
Theorie 3 is eveneens moeilijk te toetsen in een landelijke enquête die
HYPOTHESE
1
De lezer die op deze plaats gegevens verlangt omtrent de aard van deze steekproef en van
de gebruikte vragenlijst wordt verwezen naar Deel 2 van dit boek (2.2 en 2.4).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
63
door studenten in de sociale wetenschappen en psychologen als enquêteurs wordt
verricht. Een neurotische tendens is zelfs door de psychiaters niet altijd even
gemakkelijk en objectief vast te stellen. Slechts zeer oppervlakkige stimuli werden
gebruikt om de aanwezigheid van neurotische symptomen te meten.
HYPOTHESE 3: Rokers zullen frequenter dan niet-rokers vermelden de aanwezigheid
van angsten, innerlijke spanningen, gevoelens van verveling of doelloosheid en
zorgen op allerlei gebied. Een aantal vragen in deze richting werd geformuleerd en
aan de steekproef tegelijk met andere vragen voorgelegd.
Theorie 4 gaf aanleiding tot weinig hypothesen, was ook pas tijdens de bewerking
van de gegevens bekendgemaakt. Slechts indirect zouden we kunnen trachten ‘het
mannelijke constitutietype’ te vinden in bepaalde beroepsgroepen.
4: Handarbeiders en landbouwers zullen over het algemeen minder
roken dan beambten, winkelbedienden en personen in technische beroepen. De
zwakheid van deze hypothese ligt in het onvoldoende verband tussen de nominale
en operationele definities van ‘mannelijkheid’.
Vruchtbaarder blijkt de roltheorie van het roken te zijn. Om te beginnen kunnen
we vooropstellen:
HYPOTHESE
5: Hogere frequentie en intensiteit van het roken bij mannen dan bij
vrouwen. Het roken wordt immers voornamelijk in de mannenrol ingebouwd.
HYPOTHESE
6: Het overnemen van de rookgewoonten valt samen met de
volwassenheid. Het begrip ‘volwassenheid’ dient hier uiteraard niet in zijn
psychologische, doch eerder in de sociologische betekenis gehanteerd te worden.
Rookgewoonten zouden dan vooral in de tijd dat men de rol van het kind-zijn
prijsgeeft door de individu worden overgenomen.
HYPOTHESE
7: In de steden en in de nieuwere beroepen wordt er meer gerookt dan
in de dorpen en de meer traditionele beroepen. Deze hypothese is het gevolg van
de generalisatie van de emancipatietheorie: het roken zou floreren niet slechts bij
de emancipatie uit eigen kindrol, echter bij de emancipatie in het algemeen, bij het
zich onttrekken aan de traditie. Wellicht zou ook de eerste generatie onkerkelijken
meer neiging tot roken hebben dan de leden van oude kerkgenootschappen.
De normatieve theorie (zie blz. 59) leidde evenals de roltheorie tot de formulering
van meerdere hypothesen.
HYPOTHESE
8: We verwachten bij de rokers meer tolerantie t.o.v. het roken van hun
kinderen; we verwachten een samenhang tussen de norm
HYPOTHESE
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
64
en het feitelijke gedrag op het gebied van rookgewoonten. Deze samenhang mag
bij de leken als vanzelfsprekend worden aangenomen; wij weten echter dat b.v. op
het gebied van de seksuele gewoonten een grote discrepantie bestaat tussen de
norm en het feitelijke gedrag. Bovendien is de intensiteit en de aard van deze
samenhang op zich zelf reeds het onderzoeken waard.
9: Aan de hand van de bestudeerde literatuur zouden we ook bij de
‘calvinistische’ groeperingen minder frequente en minder intensieve rookgewoonten
moeten verwachten, dan bij de overige bevolking. Indien we met Van Proosdij van
‘het rookgenot’ mogen spreken, indien het gebruik van de tabakswaren een
genotmiddel is, dan zouden we bij de tot de ‘innerweltliche Askese’ (Max Weber)
neigende groeperingen afkeer van het roken moeten aantreffen.
HYPOTHESE
10: Volgens Fokkens zou ook bij de kinderen uit het arbeidersmilieu de
norm ten opzichte van het roken anders liggen dan bij de kinderen van
middenstanders en van ouders behorend tot de hogere maatschappelijke lagen,
die de VHMO-scholen bezoeken. Met andere woorden, de arbeiders zouden meer
en frequenter roken dan andere beroepsgroepen in ons land.
Deze laatste hypothese kan echter ook nog met een andere theoretische
beschouwing in verband staan, nl. de beschouwing betreffende het roken als de
uiting van hogere maatschappelijke positie, als het statuskenmerk. Tenslotte dient
men de economische aspecten van het roken niet uit het oog te verliezen. Dit leidt
dan tot
HYPOTHESE
11: Het roken zou bij de beter gesitueerde personen, bij mensen met
hogere inkomens, frequenter en intensiever voorkomen.
Verschillende theoretische implicaties van deze twee hypothesen kunnen later
beoordeeld worden door niet slechts de verbanden met het feitelijke roken maar
ook die met de normen omtrent het roken te gaan onderzoeken.
De opvatting van het roken als middel om onlustgevoelens tijdelijk te onderdrukken
kan wellicht slechts indirect aanleiding geven tot de
HYPOTHESE
12: Mensen met langere werkuren zouden meer roken dan personen
die aan het dagelijkse werk niet zoveel tijd hoeven te besteden.
HYPOTHESE
HYPOTHESE 13: Mensen met veel hobby's en gevarieerde ontspanning zouden minder
roken dan personen zonder een rijke vrijetijdsbesteding.
14: Daar ‘ontevredenheid’ met de sociale situatie (de werksituatie, de
woonsituatie, enz.) kenmerkend is voor de aanwezigheid van de ‘onlustgevoelens’,
zouden de rokers en de zware rokers frequenter negaHYPOTHESE
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
65
tieve antwoorden geven op de vragen die beoogden de satisfactie te meten.
Uit de vermoede ‘gezelligheidsfunctie’ en de ‘contactbevorderende functie’ van
de rookgewoonten kunnen we concluderen tot hogere participatie in allerlei
verenigingen en meer sociale contacten van de rokers.
HYPOTHESE 15: De rokers zouden een hogere index van sociale participatie behalen
dan de niet-rokers.
Aan de hand van onze gegevens betreffende de spreiding van de intensiteit der
rookgewoonten over de 1.297 volwassen personen die in hun sociale samenstelling
een afsiegeling vormen van de Nederlandse bevolking anno 1958 (vanzelfsprekend
binnen de grenzen door de steekproeffout bepaald, zie blz. 367 e.v.), hopen we
enkele van deze hypothesen aan een kritische toets te onderwerpen.
1.2.4 Frequentie en patroon van de rookgewoonten in Nederland
Voordat we ertoe overgaan om de verschillen in de intensiteit van de rookgewoonten
uit hun structurele samenhangen te gaan verklaren is het wenselijk om de omvang
en verspreiding van deze gewoonten weer te geven. Ondanks het bijzonder hoge
peil van de statistiek en van de registratie van allerlei grootheden, beschikken we
immers in Nederland nog niet over betrouwbare gegevens die de spreiding van het
verbruik der tabakswaren over de bevolkingsgroep weergeven. De reeds
1
aangehaalde publikatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek is meer op de
produktie dan op de consumptie gericht en verwerkt slechts de globale gegevens
die door de producenten en de belastinginstanties beschikbaar zijn gesteld.
Uit Staat 10 van deze publikatie lezen we af dat in 1958 (het jaar van onze
enquête) 13.043 miljoen sigaretten werden verkocht voor binnenlands gebruik,
omstreeks 968 miljoen sigaren, 202 miljoen cigarillo's, en 8.956.000 kg kerftabak.
Gegevens ontbreken hoe deze hoeveelheid tabakswaren verspreid werd over de
gehele bevolking. Wel heeft men nog uitgerekend dat er per hoofd der bevolking
87 sigaren, 18 cigarillo's, 1.166 gefabriceerde sigaretten en 0,80 kg kerftabak in dat
jaar verbruikt werden. Passen we de enigszins ruwe standaardisatiemethode toe
door een sigaar als equivalent aan 7 g tabak, en een cigarillo als equivalent aan 4
g tabak te stellen (een sigaret is ca. 1 g), dan komen we tot de conclusie dat de
Nederlander gemiddeld omstreeks 2.640 g tabak verbruikt, d.w.z. omstreeks 7,2 g
per dag. Afgezien van de vraag naar de betrouwbaarheid van
1
Produktiestatistieken: Tabakverwerkende industrie 1959, Zeist 1960. Wij korten voortaan af
als: CBS: TI 1959.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
66
deze gegevens (de opstellers van deze statistieken vragen kritische aandacht voor
het feit dat de cijfers op de hoeveelheid in de handel gebrachte goederen slaan en
niet op de werkelijke consumptie) dienen we te beseffen dat dergelijke gemiddelde
waarden ons geen gegevens verstrekken over de feitelijke spreiding van het verbruik.
De bevolking onder 14 jaar komt immers praktisch voor het roken niet in aanmerking.
Passen we de correctie toe, dan verkrijgen we de waarde van omstreeks 10,75 g
tabak per dag als gemiddeld gebruik van een Nederlander boven 16 jaar. Hoe groot
is de spreiding der rookgewoonten?
De hieronder volgende Tabel 1.2.1 vat de antwoorden samen, gegeven op de
vraag: ‘Hoeveel rookt U ongeveer per dag?’ De aangegeven waarde is op grammen
tabak teruggebracht.
Tabel 1.2.1 Intensiteit van rookgewoonten naar geslacht
Table 1.2.1 Intensity of smoking habits; by sex
Aantal
Mannen
sigaretten Men
(of
equivalent
in g tabak)
per dag
Number of
cigarettes
or g of
tobacco
consumed
per day
aantal
No.
Geen
65
Vrouwen
Women
%
Totaal
Total
%
10,6
aantal
No.
427
%
62,3
aantal
No.
492
37,9
No.
1
6
1,0
51
7,4
57
4,4
2- 5
36
5,8
90
12,1
126
9,7
6- 9
55
9,0
32
4,7
87
6,7
10-13
94
15,4
35
5,1
129
9,9
14-17
102
16,7
15
2,2
117
9,0
18-21
111
18,2
15
2,2
126
9,7
22-25
40
6,5
3
0,4
43
3,3
26-29
21
3,4
1
0,1
22
1,7
30 en
meer
30 and
more
78
12,7
4
0,6
82
6,4
geen
adequaat
antwoord
4
0,7
12
1,8
16
1,3
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
no
(adequate)
answer
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
612
100,0
685
99,9
1.297
100,0
Uit de Tabel 1.2.1 blijkt de universaliteit van de gewoonten bij de mannen: negen
van elke tien volwassen mannen roken; er zijn meer mannen die meer dan dertig
sigaretten per dag roken in onze bevolking dan mannen die geheel niet roken. De
mediaanwaarde bedroeg voor de mannen 16,7 sigaretten per dag, d.w.z. de helft
van de mannenbevolking, volgens onze schatting, rookt meer dan omstreeks 17
sigaretten per dag.
De rookgewoonten bij de vrouwen zijn opvallend lager ontwikkeld. Het percen-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
67
tage van niet-rokers is hier zes keer zo hoog als bij de mannen, nl. 62,3%; slechts
vier van de tien vrouwen roken wat. Ook als zij roken is het aantal sigaretten
gemiddeld lager dan bij de mannen. De mediaanwaarde voor het actieve deel van
onze steekproef, d.w.z. voor alle rokers is 14,7 sigaretten per dag. Dit is lager dan
de mediaan voor de gehele mannengroep (de niet-rokers incluis). De mannelijke
rokers behalen inderdaad een hoger gemiddelde (mediaan: 17,2 sigaretten of
equivalent per dag) dan vrouwelijke rokers (mediaan slechts: 2,8 sigaretten per
dag).
De standaardfout die wij hebben berekend, rekening houdend met de z.g.
‘clustering effect’, d.w.z. het feit dat de steekproef niet aselect is getrokken uit een
lijst van meer dan 6 miljoen volwassen personen in Nederland doch uit de
afzonderlijke lijsten per gemeenten (bevolkingsregisters), bedroeg voor de
percentages rokers en niet-rokers in de gehele steekproef 1,77%. Wij kunnen met
95% zekerheid stellen dat in de Nederlandse bevolking het aantal rokers 62,1% ±
3,6% bedraagt (zie ook blz. 367 waar een iets lagere waarde wordt gegeven, daar
men de rokers van niet meer dan 1 sigaret per dag tot niet-rokers heeft gerekend);
de werkelijke waarde zal dus ergens tussen 58,5% en 65,7% liggen. De omvang
1
van de steekproef maakte de schatting met kleinere foutmarge niet mogelijk .
De zekerheidswaarde die we hebben vermeld, slaat uiteraard slechts op de
steekproeffout. Zij werpt nog geen licht op de betrouwbaarheid van onze
enquêteresultaten. Mogen we aannemen dat onze vraag naar waarheid is
beantwoord en dat er overeenkomst bestaat tussen de opgegeven hoeveelheid
verbruikte rookwaren en de werkelijke rookgewoonten?
We beschikken slechts over indirecte bronnen die het mogelijk maken onze
resultaten te valideren. Om te beginnen is er de interne consistentie van de
enquêteresultaten. Na de algemene vraag: ‘Hoeveel rookt U ongeveer per dag?’
hebben we, rekening houdend met een zekere tussenpauze van zes andere vragen,
nog aan de respondenten de concrete vraag gesteld: ‘Hoeveel hebt U gisteren
gerookt?’ (Vragen resp. 51 en 57; zie onze Vragenlijst, Bijlage 1). Tussen de
antwoorden op beide vragen bestond grote overeenstemming, correlatiecoëfficiënt
r = .91. Een andere bron vormde de vraag over de rookgewoonten van de echtgenoot
(echtgenote). Het percentage rokers berekend aan de hand van deze indirecte vraag
bedraagt 59,4%. Dit is slechts 2,7% minder dan het percentage berekend voor de
gehele steekproef en valt nog binnen de overschrijdingskansen die we hierboven
hebben aangegeven.
Een andere methode om de validiteit van onze bevindingen te toetsen is om deze
te vergelijken met de resultaten van andere onderzoekingen of met gegevens uit
andere (dus t.a.v. ons onderzoek ‘externe’) bronnen. Een
1
Voor de berekening van de standaardfout zie Deel 2.7, blz. 361 en volgende.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
68
van de meest extensieve onderzoekingen werd enkele jaren geleden in Denemarken
1
gehouden .
Vergelijken we de rookgewoonten bij de Denen met die door middel van onze
steekproef vastgesteld, dan treffen we vooral bij de vrouwen een grote overeenkomst
aan: het percentage vrouwelijke niet-rokers bedraagt 60,5% dat is slechts twee
percent minder dan in Nederland. Ook de intensiteit van de rookgewoonten bij de
Deense rokende vrouwen wijkt, voor zover wij kunnen nagaan, niet in principe af
van het beeld dat verkregen is in ons onderzoek. Mannelijke rokers in Denemarken
verbruiken meer dan twee keer zoveel sigaretten als de vrouwelijke rokers. Toch
blijken de Deense rookgewoonten over het algemeen lager te zijn ontwikkeld dan
de Nederlandse rookgewoonten. Bij de mannen ligt het percentage niet-rokers
ergens bij 22,2% (vastgesteld over de jaren 1952-1953-1954); dit is twee keer zo
veel als in ons land; het verschil kan echter deels worden verklaard uit het feit dat
de Deense steekproef ook de leeftijdsgroepen tussen 15 en 21 jaar omvatte. De
Deense onderzoekers geven dan ook de volgende schatting van de gemiddelde
tabaksconsumptie zoals gebleken uit hun enquête en vergeleken met de officiële
2
statistieken :
Cigarettes
Daily average consumption in g
Morbidity Survey Figures
Male
Female
Both sexes
2.8
1.8
2.3
Official Statistics
Both sexes
3.3
Other tobacco 8.3
0.8
4.5
5.3
All tabacco
2.6
6.8
8.6
11.1
Dit brengt ons tot de derde mogelijkheid om eigen onderzoeksresultaten te valideren:
een vergelijking met de gegevens van het C.B.S. Een volledige vergelijking is allicht
niet mogelijk, daar de C.B.S.-gegevens de gehele binnenlandse consumptie beslaan
(ook die der minderjarigen) terwijl de enquête slechts tot volwassenen was gericht.
Het kan, bij het ontbreken van andere externe criteria, van nut zijn deze vergelijking
te trekken.
Op blz. 66 hebben we vermeld dat we uit de officiële gegevens kunnen afleiden
dat een Nederlander (16 jaar en ouder) omstreeks 10,75 g tabak per dag verbruikt.
Dit is uiteraard een hogere waarde dan 8,6 g tabak per dag, die de Deense officiële
statistieken vermelden. Door in plaats van de mediaanwaarde het gemiddelde te
berekenen uit de enquêtegegevens
1
2
Henry Hamtoft, Marie Lindhardt, Tobacco Consumption in Denmark I and II: the Danish
National Morbidity Survey of 1950, Copenhagen, 1957.
The Danish National Morbidity Survey, of 1950, blz.8. De cijfers hebben betrekking op de
bevolking van 15 jaar en ouder, rokers en niet-rokers incluis.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
69
vermeld in Tabel 1.2.1, verkrijgen we de waarde van 9,25 g tabak per dag voor de
personen in onze steekproef waarvan we menen dat zij representatief zijn voor de
Nederlandse bevolking (van 20 jaar en ouder). Dit betekent een onderschatting
t.o.v. de C.B.S.-gegevens (10,75 g tabak per dag) van eigen rookgewoonten
gemiddeld van 1½ g per dag. De afwijking is zelfs iets lager dan in de Deense
enquête, die op een veel grotere steekproef werd gebaseerd.
Nemen we in aanmerking dat een zekere hoeveelheid van tabakswaren aan
jeugdigen, jonger dan 16 jaar, wordt verstrekt; dat er wellicht een zekere hoeveelheid
bij bijzondere gelegenheden wordt verteerd (feesten, vergaderingen) en een zeker
deel van de voor de binnenlandse verbruik bestemde tabakswaren in het buitenland
belandt en door de bezoekers van Nederland wordt geconsumeerd, dan hoeft ons
deze discrepantie van 1½ g per man/dag tussen ons enquêtegemiddelde en het
C.B.S.-gemiddelde niet al te veel te verbazen. Resumerende kunnen we aannemen
dat de opgegeven hoeveelheid verbruikte tabakswaren wel degelijk de werkelijke
rookgewoonten weerspiegelt. Een afwijking kan, zoals bij soortgelijke buitenlandse
onderzoekingen eerder in de onderschatting dan in overschatting van eigen
1
rookgewoonten gezocht worden .
De wijze van roken had ook onze aandacht. Anders dan in Denemarken of in
Engeland bleek de sigaret nog steeds het meest populair te zijn. De zwaardere
rokers en de rokers met de gespekte beurs grijpen ook weleens naar de sigaren,
minder vaak naar een pijp. De volgende Tabel 1.2.2 laat zien dat 54,6% van de
totale volwassen bevolking nu en dan sigaretten rookt, 22,4% sigaren en slechts
9,5% de pijp. Er blijkt tevens dat onder de sigarettenrokers de meesten geen gebruik
maken van de andere rookwaren,
1
Bij het ter perse gaan van deze studie bereikte ons de publikatie van de Geïllustreerde Pers
N.V. omtrent het Lezerskringonderzoek REVUE, waarvan Deel 4, ‘Voedings- en genotmiddelen;
herenconfectie’ waardevolle gegevens verstrekt over de rook- en drinkgewoonten van 7.444
personen door de goede zorgen van Attwood Statistics Ltd., geselecteerd en geïnterviewd.
Op blz. 52 en 53 treffen we schattingen van het percentage niet-rokers aan voor mannen en
vrouwen van 15 jaar en meer. Bij mannen zouden er 18% niet-rokers zijn, bij vrouwen 66%.
Laten we de jongste leeftijdcategorie buiten beschouwing en berekenen we het percentage
van niet-rokers voor mensen van 25 jaar en ouder, dan verkrijgen we het percentage niet-rokers
voor mannen 14,5% en voor vrouwen 70%. Dit is slechts resp. 2,9% en 0,3% meer dan de
percentages mannen en vrouwen die 1 sigaret of geen sigaret per dag roken, volgens onze
Tabel 1.2.1. De enquête van de Geïllustreerde Pers N.V. werd drie jaar na de onze (in 1961)
gehouden. Zij geeft een merkwaardige bevestiging van het resultaat met behulp van onze
kleinere steekproef bereikt. Zelfs het geconstateerde verschil is zinvol; het stemt overeen met
onze conclusie dat bij de mannen het roken waarschijnlijk reeds over het hoogtepunt heen
is, terwijl bij de jongere generaties vrouwen een toename valt waar te nemen. Het weglaten
van de jeugdigen doet immers volgens de gegevens van Attwood Statistics Ltd. bij de mannen
het percentage nietrokers zakken van 18 tot 14,5 percent, bij vrouwen echter stijgen van 66
op 70 percent. Zie voor dezelfde ‘trend’ onze gegevens op blz. 81.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
70
terwijl vele pijp- en sigarenrokers wel eens andere rookwaren gebruiken. Bij de
vrouwen blijven de rookgewoonten bijna uitsluitend bestaan uit het gebruik van
sigaretten (bij 36% van de gehele vrouwengroep; een kleine twee percent gaf ook
andere vormen van roken op).
Tabel 1.2.2 Spreiding van de voornaamste rookwaren-consumptie over
de steekproef
Table 1.2.2 Main forms of tobacco consumption
Specificatie
Specification
Niet-rokers
Non-smokers
Aantal
Number
492
%
Sigaretten alleen
Cigarettes only
487
37,6
Sigaren alleen
Cigars only
47
3,6
Pijp alleen
Pipe only
11
0,8
Sigaretten en sigaren
Cigarettes and cigars
147
11,3
Sigaretten en pijp
Cigarettes and pipe
16
1,2
Sigaren en pijp
Cigars and pipe
39
3,0
Sigaretten, sigaren en pijp 58
4,5
37,9
Cigarettes, cigars and pipe
-----
-----
-----
Totaal
Total
1.297
99,9
Men denke echter niet dat de voorkeur voor de sigaretten in onze steekproef als
geheel te verklaren is uit het feit dat het totale beeld vertekend wordt, doordat de
Nederlandse vrouwen geen andere vormen van tabaksverbruik kennen. Indien we
de cumulatieve percentages berekenen voor mannen alleen, dan blijkt dat 73,7%
van alle mannen in onze steekproef nu en dan sigaretten roken, 45,4% roken sigaren
en 19% roken de pijp (door de combinatie van gebruikte tabakssoorten kunnen de
1
bovengenoemde cijfers uiteraard niet tot 100% worden opgeteld) . Bij de mannelijke
rokers zijn er 44 personen die alleen sigaren roken vergeleken met 144 mannen
die sigaren en sigaretten roken; 243 mannen roken sigaretten alleen.
1
Indien we dezelfde methode van berekening toepassen op de steekproefgegevens van het
Lezerskringonderzoek Revue (de N.V. Geïllustreerde Pers, 1962), blz. 54 en 55, dan krijgen
wij als respectieve percentages van sigaretten-, sigaren- en pijprokers, 73%, 39% en 12%.
De ietwat lagere percentages voor sigaren- en pijprokers kunnen waarschijnlijk aan de
gemiddeld lagere leeftijd van de grotere steekproef van Attwood Statistics Ltd. worden
toegeschreven. Met een sigaar (en wellicht ook een pijp) begint men meestal op wat latere
leeftijd.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Wij moeten voorzichtig zijn om de verkregen resultaten te generaliseren
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
71
en deze te betrekken op andere bevolkingsgroepen. De reeds aangehaalde Deense
enquête heeft naar voren gebracht dat de rookgewoonten daar geheel anders zijn:
onder de mannen zijn er 77,8% rokers in Denemarken; 23,4% roken sigaretten,
54,4% andere rookwaren dan sigaretten. Van de laatste is het vooral de pijp die erg
in trek is (38,2%), hierna de cigarillo's (9% van alle mannen) en de sigaar (7,1%).
De groep van de sigarettenrokers bleek in 1954 ten opzichte van 1952-1953 verder
te zijn gedaald tot 21,9%.
In de Verenigde Staten zijn evenals in ons land meer sigarettenrokers dan rokers
van alle andere tabakssoorten te zamen; de combinatie van pijp en sigaretten komt
1
er echter vaker voor dan de combinatie van sigaren en sigaretten .
Uit verdere ondervraging naar de wijze waarop tabak wordt geconsumeerd, bleek,
dat de meeste sigarettenrokers de rook inhaleren. Bij de mannelijke sigarettenrokers
was de verhouding omstreeks 9 op 1 (11,5% inhaleren volgens eigen opgave niet).
Sigarenrokers inhaleren als regel niet: van de 44 mannen die opgaven uitsluitend
sigaren te roken, bleken slechts 5 te inhaleren. De verhouding is hier omgekeerd:
slechts omstreeks één uit tien sigarenrokers blijkt te inhaleren. Er bestaat echter
een vermoeden dat de mannen die zowel sigaren als sigaretten gebruiken vaker
tot het inhaleren van sigaren overgaan zodat het uiteindelijke percentage van
inhalerenden bij alle sigarengebruikers iets hoger zal liggen dan door ons
aangegeven (11%). Wij hadden slechts 11 mannen in onze steekproef van 616 die
uitsluitend de pijp rookten. Hiervan gaven 8 op niet te inhaleren, 2 gaven geen of
ontwijkend antwoord en 1 vermeldde te inhaleren (de opgave van een persoon kan
uiteraard op een codeerfout berusten).
Bij de vrouwelijke sigarettenrokers is het percentage inhalerenden veel lager:
45% vermeldden wel te inhaleren, 41,5% niet te inhaleren, 13,5% gaven geen
adequaat antwoord op onze vraag (totaal aantal vrouwen in onze steekproef dat
uitsluitend sigaretten rookt: 245).
Vergelijking met andere landen is niet gemakkelijk, daar de bovenvermelde studies
niet de vragen naar het voorkomen van inhaleren behandelen. De enige uitzondering
vormt de recente studie van E.C. Hammond die door middel van de schriftelijke
enquête bij een grote steekproef van 3.560 volwassen personen in de Verenigde
Staten de officiële statistiek
1
Tobacco Smoking Patterns in the United States, Public Health Monograph No.45, Washington
D.C. 1956, tabel 6. De gegevens hebben betrekking op de mannelijke rokers van 18 jaar en
ouder. Het is in dit verband vermeldenswaard dat het aantal niet-rokers bij de vrouwen in de
V.S. bijna gelijk is aan dat in Nederland en in Denemarken, nl. 65%; er zijn 21,6% niet-rokers
bij de mannen, een aantal dat eerder overeenkomt met dat van Denemarken dan dat van
ons land; het roken in Nederland is veel meer verspreid onder de bevolking.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
72
1
van de Public Health Monographs trachtte aan te vullen . Overeenkomstig onze
bevindingen vond Hammond dat onder de sigarettenrokers 87% vermeldden matig
of diep te inhaleren; bij de sigaarrokers inhaleerden 93% geheel niet of ‘slightly’,
slechts 7% matig of diep. 78% van de pijprokers inhaleerden niet of ‘slightly’. Hoe
intensiever de rookgewoonten des te groter de neiging om te gaan inhaleren, volgens
Hammond. Onze gegevens met die van andere onderzoekers vergelijkend, kunnen
we stellen dat er vooral bij de Nederlandse mannen intensieve rookgewoonten
bestaan, dat er een duidelijke voorkeur voor sigaretten bestaat (meer dan in andere
landen) en dat de mannelijke sigarettenrokers over het algemeen gewend zijn de
rook te inhaleren.
Het roken schijnt een dagelijkse bezigheid te zijn die niet al te veel schommelingen
kent door de week heen. Bijna 27% van onze steekproef gaf een ontkennend
antwoord op de vraag of men op bepaalde dagen in de week meer rookte dan
anders; 31% van onze steekproef meende dat er wel degelijk dagen waren waarop
zij meer rookten: de meesten noemden zondag of kortom het weekeinde als de tijd
dat zij meer rookwaren verbruikten. (Voor de overige 42% was de vraag hetzij niet
van toepassing - de niet-rokers - of werd niet adequaat beantwoord).
Gevraagd naar andere bijzondere dagen of gelegenheden die aanleiding gaven
tot meer roken, ontkenden slechts 17,5% personen in onze steekproef het bestaan
van dergelijke bijzondere momenten. Met andere woorden, meer dan een kwart van
de rokers heeft een vast ‘rooktempo’ of ‘rookritme’ dat niet door externe
gebeurtenissen, doch door eigen behoefte of principe wordt bepaald. Van de drie
door de enquêteur geopperde mogelijkheden werden de feestdagen het meest
genoemd, gevolgd door familiefeesten (verjaardagen en dergelijke) en
uitgaansfeesten in de verhouding: 31%, 29% en 19% van onze totale steekproef.
Bij geen van deze vragen troffen wij grote verschillen in de antwoordpatronen bij
de mannen en de vrouwen aan. De familiefeesten schijnen bij de vrouwen nog meer
aanleiding tot roken te geven dan de gewone feestdagen. Dit is waarschijnlijk in
verband te brengen met het feit dat er onder de vrouwen meer gelegenheidsrokers
zijn, hetgeen reeds uit de lage gemiddelde frequentie van het roken bij deze
groepering valt af te leiden.
Het zou o.i. onjuist zijn aan onze gegevens over het roken op zon- en feestdagen
en het roken op verjaardagen een al te grote betekenis toe te schrijven. Voor
sociologen zijn zij een duidelijk bewijs dat het roken behalve een sociale gewoonte
tevens een gebruik is: het wordt immers behalve door het individuele ook door het
sociale ritme bepaald: de zich
1
E.C. Hammond, ‘Inhalation in relation to type and amount of smoking’, Journal of the American
Statistical Association, 54, (1959), blz. 35-51.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
73
herhalende gebeurtenissen waarmee onze gemeenschap voortleeft. Uit gastvrijheid,
als traktatie, biedt men rookwaren aan op de verjaardag of aan zondagsbezoek.
Menige roker trakteert zich zelf 's zondags op duurdere rookwaren, die hij zich tijdens
de werkweek vrijwillig, uit zuinigheid, heeft ontzegd. Vooral bij ‘de gemengde rokers’
zien we een overgang van shag naar een gewone sigaret en van de sigaret op een
sigaar. Deze economische aspecten van het roken dient men niet te onderschatten.
Ondanks de heersende welvaart gaven toch meer dan 15% van alle respondenten
uit onze steekproef (42% van alle mannelijke sigarettenrokers) op, nu en dan of
regelmatig hun sigaretten zelf te rollen uit gekochte shagtabak. Bij velen, vooral
zware rokers, is het roken van shagsigaretten een individuele gewoonte geworden,
die blijft voortbestaan ook nadat de desbetreffende roker een hoger inkomstenniveau
heeft bereikt.
Al verklaart de kennis van deze rookgebruiken enigszins de discrepantie tussen
het totaal aantal in ons land verhandelde banderollen en de hoeveelheden tabak
die men opgeeft als individuele consumptie, de variantie die de weekdagen in het
rookpatroon veroorzaken is lager dan de individuele variantie in de rookgewoonten.
Dit blijkt uit de reeds vermelde hoge positieve correlatie die we vonden tussen de
antwoorden op de vraag: ‘Hoeveel rookt U ongeveer per dag?’ en de antwoorden
op de vraag: ‘Hoeveel hebt U gisteren gerookt?’ Een enquêteur die voor maandag
een afspraak maakt met zijn respondent zou dan een hoge discrepantie tussen
beide antwoorden aantreffen vergeleken met een enquêteur die op vrijdag of
donderdag komt. Ondanks deze verwachte vertekening was de correlatie tussen
beide gegevens zeer hoog (zoals vermeld, r=.91).
Voor de meesten onder de rokers is het aansteken van de pijp, de sigaar of de
sigaret een dagelijkse bezigheid. Velen schrijven aan het eerste rookgenot op de
dag een bijzondere betekenis toe; zij trachten vaak het roken te minderen door het
tijdstip van de eerste sigaret (of pijp of sigaar) op te schuiven tot latere uren. Dit gaf
ons aanleiding om na te gaan hoe laat men gemiddeld met het roken op de dag
begint. (Zie tabel 1.2.3, blz. 74).
Bijna driekwart van alle rokers (althans van diegenen die onze vraag hebben
beantwoord) beginnen reeds voor 10 uur 's morgens. Het percentage van diegenen
die het roken tot de middaguren uitstellen is klein: 9% van de gehele steekproef,
omstreeks 16% van alle rokers (hieronder moeten tevens de gelegenheidsrokers,
de vrouwen die slechts 's avonds bij het uitgaan of tijdens het avondbezoek een
sigaret opsteken worden gerekend).
Eenmaal met het roken begonnen, houdt de roker zich meestal aan het ritme dat
zich door dagelijkse herhaling heeft gevormd. De meeste rokers kennen echter
kleine schommelingen in de hoeveelheid verbruikte tabakswaren, die door de
buitengewone omstandigheden worden veroorzaakt.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
74
Tabel 1.2.3. Spreiding van de bevolking volgens het aanvangsuur van
het roken op een dag
Table 1.2.3. Distribution of the population by the hour of starting smoking
Specificatie
Specification
Aantal
Number
%
Cumulatief
percentage van
rokers
Cumulative
percentage of
smokers
Rookt niet of vraag 579
niet beantwoord
Does not smoke or
no response
44,6
Begint voor 6 uur
Start before 6
o'clock
54
4,2
7,5
Begint voor 7 uur
Start before 7
o'clock
113
8,7
23,3
Begint voor 8 uur
Starts before 8
o'clock
178
13,7
48,1
Begint voor 9 uur
Starts before 9
o'clock
120
9,3
64,9
Begint voor 10 uur 59
Starts before 10
o'clock
4,5
73,1
Begint voor 11 uur 62
Starts before 11
o'clock
4,8
81,7
Begint voor 12 uur 14
Starts before 12
o'clock
1,1
83,7
Begint na 12 uur
Starts after 12
o'clock
9,0
100,0
117
Tabel 1.2.4 Aanleiding om meer te roken
Table 1.2.4 Motives to smoke more than usual
1 ‘gezellige omgang met mensen’
social contacts with people
genoemd door
mentioned by
189 personen
persons
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
2 ‘een sterke emotie of zenuwspanning’ 46 personen
persons
strong emotions, tensions
3 ‘verveling’
boredom
45 personen
persons
4 ‘inspannende werkzaamheden’
fatiguing work
26 personen
persons
5 ‘zakelijke omgang met mensen’
business contacts
7 personen
persons
6 ‘honger’
hunger
1 persoon
person
7 ‘het werken zonder of met slecht
resultaat’
work without results
1 persoon
person
8 ‘teleurstelling’ (frustratie)
frustration
0 personen
persons
9 ‘behoefte om wakker te worden’
need to keep alert
0 personen
persons
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
75
Op de vraag: ‘Wat geeft U meestal aanleiding om meer dan gewoonlijk te roken?’
(Vraag 54 van onze Vragenlijst) gaf slechts een kleine 4 percent van alle
respondenten als antwoord: ‘niets’, hiermee doelend op geheel regelmatige dagelijkse
rookgewoonten. De negen door ons geopperde mogelijkheden werden op de
volgende wijze door de respondenten onderschreven. (Zie tabel 1.2.4, blz. 74).
Aan 519 personen die vermeldden niet of slechts weinig te roken werd deze vraag
niet gesteld; 415 personen gaven meer dan één van de vermoede oorzaken op. Dit
is een zeer groot aantal, dat een beperking oplegt aan de interpretatie van de
bovenstaande rangorde van de door de rokers zelf gepercipieerde oorzaken van
intensiever tabaksverbruik. Teneinde de ons door de Hollerith-kaart opgelegde
beperking op te heffen, hebben wij door middel van een steekproef uit ons materiaal
ook de combinaties geanalyseerd. Het bleek dat de rangorde niet wezenlijk werd
veranderd. Wat opvalt is de lage waardering van de factor ‘frustratie’ die wij tot de
stimulerende oorzaken hadden gerekend. ‘Gezelligheid’ wint het dan van de andere
geopperde situationele factoren; deze bevinding is in overeenstemming met de
reeds vermelde opgave van familiefeesten en feestdagen als zijnde de dagen
wanneer men rookt. Het is niet de tijd van ontbering of inspanning, niet de tijd waarin
men ‘met zijn werk zit’ dat er gerookt wordt. Althans niet volgens de bewuste opgave
van de rokers zelf. De vraag in hoever hier de ‘gepercipieerde oorzaken’ van
intensiever rookgenot tevens de werkelijke oorzaken zijn, willen we nog even in
beraad houden, totdat we de correlaties van het roken met andere factoren hebben
besproken.
Een andere vraag die eveneens reeds op verklaring van de rookgewoonten
aanstuurt, is de vraag naar de oorsprong van de rookgewoonten bij de individuele
respondent. Er bestaat de vaak gehoorde mening dat de rookgewoonten intensiever
zijn naarmate men op jeugdiger leeftijd met het roken is begonnen. Sommige
onderzoekers signaleren ook een tendens naar vervroegde overname der
rookgewoonten. Zo meent b.v.E. Nilson dat de tegenwoordige jeugd eerder begint
1
te roken dan de jeugd in de vorige generaties .
Onze gegevens bevestigen deze opvatting niet doch leiden tot tegenovergestelde
resultaten: de oudere mensen in onze steekproef zeggen op jongere leeftijd te zijn
begonnen met het roken dan jongere personen in onze steekproef. Wel dienen wij
hierbij te vermelden dat dit geldt voor de groepering die voornamelijk rookt, de
mannelijke volwassen bevolking. De volgende Tabel 1.2.5 illustreert dit feit:
1
E. Nilson, ‘Smoking habits among school children in Norway’ in British Journal of Preventive
and Social Medicine, 13 (1959) 5.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
76
Tabel 1.2.5 Spreiding van de volwassen mannelijke bevolking naar
leeftijd en de leeftijd toen men begon te roken
Table 1.2.5 Distribution of the population by age and the age of starting
smoking
Leeftijd toen men begon te roken
The age when one started smoking
Geboorte-Rookt - 6 j.
- 10 j. - 14 j. - 16 j.
jaar
nooit years years years years
Year of Does
birth not
smoke
1937- 7
0
1
14
14
1933
- 18 j.
years
- 20 j. 21 j. - Totaal
years years Total
16
3
1
56
19321928
2
0
0
11
24
31
7
2
77
19271918
10
1
2
41
43
32
18
17
164
19171908
7
0
6
36
43
16
6
3
117
19071898
11
2
7
19
38
19
7
3
106
18971888
9
2
4
16
16
7
5
3
62
1887-
2
0
3
9
7
5
7
1
34
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
5
23
146
185
126
53
30
616
Totaal 48
Total
Op de eerste plaats bemerken we dat met roken door mannen inderdaad in de
puberteitsjaren wordt begonnen. De gemiddelde leeftijd bij het begin van het roken
bedroeg in de steekproef van mannen omstreeks 16 jaar en drie maanden (mediaan);
slechts iets meer dan 5% van alle mannelijke rokers zijn met hun gewoonte begonnen
na het bereiken der volwassenheid (het 21ste jaar). Verder bemerken we dat in
tegenstelling tot de verwachting de groep jongeren (20-tot 30-jarige leeftijd) later
met het roken is begonnen dan de oudere leeftijdsgroepen. Het mediaanverschil
bedraagt omstreeks driekwart jaar. Bij de dichotomisering van de tabel, bij het
opsplitsen in twee subgroepen van mensen die na of voor de 16-jarige leeftijd
begonnen zijn met roken en in de groepen jonger of ouder dan 40 jaar, bemerken
we een sterke concentratie van vroege rookgewoonten in de oudere groep. Het
verschil is statistisch zeer significant (Chi-kwadraatwaarde = 15,60 bij 1
vrijheidsgraad; P < 0,001; ϕ-coëfficiënt = 0,165). Al spreekt onze bevinding de
resultaten van het Noorse onderzoek tegen, deze is, aan de andere kant, in verband
te brengen met de kennis die ons over de rookgewoonten van de oudere generatie
verschaft werd door middel van de schoolenquêtes onder de jeugd in de eerste
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
1
twee decennia van onze eeuw Het roken schijnt bij de mannen, althans wat de
vroege inzet betreft, reeds zijn hoogtepunt te zijn gepasseerd.
Bij de vrouwen ligt de situatie net andersom: de tegenwoordige generatie is
geneigd eerder met het roken te beginnen dan de oudere vrouwen in onze
steekproef. In Tabel 1.2.6 geven we de belangrijkste gegevens weer voor de groep
van 285 vrouwen die roken of vroeger hebben gerookt.
1
Zie voor een goed overzicht Van Proosdij, op. cit. blz. 182.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
77
Tabel 1.2.6 Spreiding van de 285 rokende vrouwen naar leeftijd en leeftijd
toen men begon te roken
Table 1.2.6 Distribution of 285 smoking women by age and the age of
starting smoking
Leeftijd toen men begon te roken
The age when one started smoking
Geboorte-- 6 j.
- 10 j. - 14 j. - 16 j. - 18 j.
jaar
years years years years years
Year of
birth
1937- 0
0
3
10
28
1933
- 20 j.
years
- 30 j.
years
31 j.- Totaal
years Total
8
4
0
53
19321928
0
1
0
10
21
14
3
0
49
19271918
1
0
1
9
23
16
22
4
76
19171908
1
0
2
4
11
5
13
19
55
19071898
0
0
1
3
6
5
9
15
39
18971888
0
0
1
0
0
1
0
9
11
1887-
0
0
0
1
0
0
0
1
2
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
1
8
37
89
49
51
48
285
Totaal 2
Total
Reeds de totalen laten een verschil zien met de voorafgaande tabel. Zo valt de
snelle daling in het aantal respondenten met de toenemende leeftijd op: bij de oudere
generaties zijn er nauwelijks vrouwelijke rokers te vinden. Hiernaast springt ook de
concentratie van aantallen in de rechterhelft van de tabel in het oog: vrouwen
beginnen gemiddeld op een latere leeftijd te roken dan mannen (de mediaan bedraagt
19,2 jaar; dit is drie jaar meer dan bij de mannen). Er bestaat een statistisch
significant verband tussen de generatie waartoe de respondente behoort en de
leeftijd waarop men begint met het roken. De richting van dit verband is
tegenovergesteld aan die in de mannengroep: oudere vrouwen begonnen als regel
op oudere leeftijd te roken (de waarde van Chi-kwadraat berekend voor de tweedeling
van vrouwen die vóór of na hun 18de levensjaar begonnen te roken en vrouwen
die jonger of ouder zijn dan 40 jaar bedroeg 10,10; dit gaf een waarschijnlijkheid
van P bijna gelijk aan .001; de ϕ-coëfficiënt was .188).
Behalve de leeftijd hebben we aan de respondenten rechtstreeks gevraagd hoe
zij aan het roken zijn gekomen (vraag 65 van onze Vragenlijst). Slechts een deel
van de gegeven antwoorden leende zich uiteraard voor de kwantitatieve bewerking.
Van de acht gecodeerde categorieën bleek het voorbeeld van de ouders thuis nog
het vaakst te zijn genoemd, gevolgd door de werkomgeving (van de maats of
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
collega's), hierna het voorbeeld van de klasgenoten op school en, op de vierde
plaats de invloed van de rokende broers of zusters thuis. De oorlogservaring werd
vaker genoemd dan de in vloed van de diensttijd; het verblijf in een ziekenhuis of
een langere ziekte werd de laatste in de rangorde van opgesomde motieven tot het
roken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
78
Een feitelijk voorbeeld schijnt belangrijker te zijn geweest dan het verbaal verbod
uitgevaardigd door de ouders, de schoolmeester, of de baas. De toestemming tot
het roken of het verbod door de onmiddellijke gezagsdrager blijkt in tegenstelling
1
tot de gangbare opvatting van weinig invloed op de ontwikkeling van het individuele
rookpatroon. Teneinde dit te kunnen vaststellen hebben wij aan de respondenten
de volgende vraag voorgelegd: ‘Toen U Uw eerste sigaret opstak, mocht U toen
wel roken van Uw moeder? Uw vader? Uw meester of leraar? Uw baas?’ De
antwoorden op deze vraag gecombineerd met de antwoorden naar de hoeveelheid
die men meestentijds rookt, hebben we voor de volwassen mannen in onze
steekproef in de volgende Tabel 1.2.7 getabuleerd:
Tabel 1.2.7 Spreiding van de mannelijke respondenten naar de
hoeveelheid tabak die men meestal rookt en het wel of niet toestemming
hebben tot het roken in de jeugd
Table 1.2.7 Distribution of the male respondents by the quantity of
tobacco consumed and by their parents' attitude to smoking
Toestemming tot het roken
Parents' attitude to smoking
Hoeveelheid Geen
Men mocht
Men mocht
die men
antwoord
niet van
wel
rookt in g No answer ouders
Parents
The quantity
Parents
allowed
of tobacco
prohibited
smoking
one usually
smoking
smokes per
day (in g)
Rookt niet
5
20
17
Does not
smoke
- 1 sigaret
-1 cigarette
Totaal
Total
23
65
0
5
0
6
2- 5
7
sigaretten of
g
2-5
cigarettes or
g
11
18
0
36
6- 9
7
sigaretten of
g
6- 9
cigarettes of
g
12
36
0
55
1
1
Rookte
nooit
Never
smoked
Zie in dit verband vooral O. Fokkens, die in zijn reeds vermelde dissertatie voorstander blijkt
te zijn van de normatieve theorie van het roken. Als resultaat van zijn proefenquête stelt hij
op blz. 53 expliciet: ‘Rokers hebben vaker toestemming om te roken dan niet-rokers’. Op blz.
113 vermeldt Fokkens: ‘Degenen die meer roken, krijgen vaker sigaretten van hun vader’.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
10-13
17
sigaretten of
g
10-13
cigarettes or
g
27
50
0
94
14-17
16
sigaretten of
g
14-17
cigarettes or
g
36
50
0
102
18-21
16
sigaretten of
g
18-21
cigarettes or
g
43
52
0
111
22-25
7
sigaretten of
g
22-25
cigarettes or
g
14
19
0
40
26-29
2
sigaretten of
g
26-29
cigarettes or
g
6
13
0
21
30
12
sigaretten of
g of meer
30 cigarettes
or g or more
37
29
0
78
geen
antwoord
no answer
2
0
2
0
4
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
92
206
291
23
612
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
79
We vonden dat van de 78 meest intensieve rokers in onze steekproef, die de vraag
adequaat hebben beantwoord, 29 niet mochten roken van hun ouders. Deze proportie
(44%) is het laagst van alle categorieën rokers; naarmate men minder rookt blijkt
men vaak vroeger toestemming gehad te hebben om te roken. Slechts bij de 42
niet-rokers die vermoedelijk vroeger hebben gerookt of althans met het roken hebben
geëxperimenteerd, troffen we een gelijk laag aantal mensen, die toestemming
hadden om te roken (9 uit 42).
Het valt op dat slechts een derde van alle mannen in onze steekproef toestemming
had om te roken toen zij met de eerste sigaret begonnen zijn. Dit kan òf wijzen op
de lage leeftijd waarop de eerste sigaret wordt geprobeerd (zie in dit opzicht de
voorafgaande tabel) òf op het feit dat er een discrepantie bestaat tussen het verbaal
en feitelijk gedrag der ouders: ondanks hun voorbeeld en eigen intensief ontwikkelde
rookgewoonten verbieden de ouders het roken van hun kinderen. We zullen in een
der volgende hoofdstukken (Hoofdstuk 1.4) gelegenheid vinden om op deze
discrepantiehypothese terug te komen. Slechts 8 mannen (1,3% van alle mannelijke
respondenten) vermelden het verbod om te roken uitgevaardigd door de meester
of de baas, afzonderlijk van het verbod door de ouders; we besloten de Tabel 1.2.7
daarom slechts te richten op de toestemming of het verbod door ouders. Bij de
vrouwengroep verkrijgen wij een analoog beeld, nog pregnanter dan bij de mannen.
Bij de zwaardere rooksters vinden we voornamelijk de vrouwen die niet mochten
roken toen zij de eerste sigaret opstaken (9 van de 16 vrouwen, d.w.z. 55% die
meer dan 18 sigeretten per dag roken); bij de lichte en matige rooksters was deze
verhouding zwakker (32 vrouwen uit 136, d.w.z. 24% mochten niet roken); bij de
niet rokende vrouwen die vroeger met het roken hebben geëxperimenteerd was de
ouderlijke tolerentie even groot (12 uit de 47 vrouwen, d.w.z. 25%).
Deze gegevens schijnen te suggereren dat het ouderlijk verbod geenszins een
remmende factor is bij de ontwikkeling van de zware rookgewoonten; er is eerder
reden de stimulerende werking van deze factor nader te gaan onderzoeken. De
vraag in hoever de gesignaleerde samenhang tussen het intensief roken en het
verbod in het ouderlijk huis causaal mag worden geïnterpreteerd stuit echter
rechtstreeks op de mogelijke aanwezigheid van storende factoren: het is wel mogelijk
dat bij jeugdige rokers zowel de geneigdheid tot roken als het ouderlijk verbod in
grotere mate aanwezig is dan bij personen, die met het roken op oudere leeftijd
beginnen. Deze en dergelijke overwegingen maken het noodzakelijk om thans in
te gaan op de structurele samenhangen met het roken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
80
1.2.5 Het roken en de sociale structuur
De factor die de grootste variabiliteit veroorzaakt in de rookgewoonten van de
Nederlandse bevolking hebben we reeds genoemd: het geslacht. In Tabel 1.2.6
hebben we aangetoond dat er bijna vier keer zoveel niet-rokers zijn bij de vrouwen
als bij de mannen; onder de rokers verbruiken mannen gemiddeld 14,5 sigaretten
(of g tabak) per dag per persoon meer dan de vrouwen. Blijkbaar zijn deze gegevens
slechts verondersteld (tot nu toe heeft men o.i. het verbruik per persoon per dag
nog niet gemeten). In het overigens zorgvuldig samengesteld overzicht van de
psychologische en sociale factoren die het roken bevorderen, vermeldt Kissen echter
1
deze factor (het geslacht) geheel niet .
De hoge correlatie tussen het man-zijn in onze samenleving en het roken (r = +
.674) verklaart een aantal schijnverbanden die met het roken zijn gesignaleerd. Zo
vonden we een betrekkelijk hoge samenhang tussen het verrichten van
werkzaamheden binnenshuis en het weinig of niet-roken (r = .299). Bij later
onderzoek bleek echter dat er ook een verband bestond tussen het geslacht en de
laatstgenoemde factor (vrouwen werken overwegend binnenshuis; r = .-424). Door
het berekenen van de partiële correlatie bevonden we dat de samenhang tussen
het roken en de aard van het werk geheel kon worden verklaard uit de verschillende
percentages van vrouwen bij de ‘binnenwerkers’ en ‘buitenwerkers’ (r = -.020; zie
Tabel 2.8.6, Cluster no. 15; ook de Tabel 2.7.5 voor de correlaties tussen de drie
variabelen).
Op deze wijze verklaart de factor ‘geslacht’ ook andere schijnverbanden die door
middel van de statistische analyse met het roken werden gesignaleerd: het verband
met de opleiding (mensen met minder schoolopleiding blijken minder te roken in
onze samenleving); het verband met de sociale participatie (mensen die actiever
deelnemen aan het verenigingsleven roken meer) en het verband met de frequentie
van bezoek aan huisdokter (rokers zouden minder vaak de dokter raadplegen,
althans volgens eigen mededeling, dan zwakke rokers of niet-rokers). Al deze en
andere verbanden, hoewel statistisch significant, verdwenen in de groeperingen die
ten opzichte van het geslacht homogeen zijn gemaakt (dus in de mannen- en de
vrouwengroepen afzonderlijk).
De samenhang tussen het roken en het geslacht heeft echter nog andere dan
methodologische betekenis. Het is voor de hand liggend dat de vrouwen in onze
samenleving minder roken dan de mannen. Mogen we echter concluderen dat dit
verschil ook in de toekomst zal blijven? Kan onze enquête enig licht werpen op de
ontwikkeling van de rookgewoonten?
1
David M. Kissen, ‘Psycho-social factors in cigarette smoking motivation. A review’ in The
Medical Officer, 16 December 1960, blz. 364-372.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
81
Een onderzoek dat slechts op één tijdstip gehouden wordt kari slechts indirect ons
inzicht vergroten in de dynamische aspecten van de samenleving. Een middel hiertoe
vormt de factor leeftijd: we kunnen immers de gehele bevolkingsgroep opsplitsen
in de leeftijdsgroepen en de rookgewoonten binnen elke leeftijdscategorie meten.
Dit kan, desgewenst, voor mannen en vrouwen afzonderlijk worden uitgevoerd.
Tabel 1.2.8 geeft de resultaten voor de mannen in onze steekproef weer:
Tabel 1.2.8 Spreiding van de mannelijke bevolking naar leeftijd en
dagelijks verbruik van tabakswaren
Table 1.2.8 Distribution of the male respondents by age and the daily
consumption of tobacco
Geboortejaar
Year of birth
Hoeveelheid die1937-1928
men meestal
rookt
The quantity
one usually
smokes
Geen of geen 19 (+2,4)
antwoord
None or no
answer
1927-1908
1907-
Totaal
Total
27 (-8,2)
31 (+6,2)
77
2-17 sigaretten 73 (+11)
of g tabak
2-7 cigarettes
or g of tobacco
136 (+4)
80 (-15)
289
18 sigaretten of 41 (-13)
a tabak of meer
118 (+4)
91 (+9)
250
18 cigarettes or
g of tobacco or
more
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
133
281
202
616
De tussen haakjes geplaatste cijfers in de cellen van Tabel 1.2.8 duiden de afwijking
aan van de verwachte frequentie. Reeds het teken kan zinvol worden geïnterpreteerd.
Wij bemerken dat zowel de jongste als de oudste leeftijdsgroepen de meeste
onthouders leveren. Wij bemerken eveneens dat er een stijgend aantal zware rokers
is in de hogere leeftijdsgroepen. Getoetst in deze vorm, zonder de
continuïteitscorrectie voor kleine getallen, is de samenhang tussen de toenemende
leeftijd en de toenemende rookgewoonten significant bij het niveau van P < .02.
Indien we de vrouwen op dezelfde wijze tabelleren dan verkrijgen wij een
verrassend resultaat:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Tabel 1.2.9 Spreiding van de vrouwelijke bevolking naar leeftijd en
dagelijks verbruik van tabakswaren
Table 1.2.9 Distribution of the women-respondents by age and the daily
consumption of tobacco
Hoeveelheid die1937-1928
men rookt in g
The quantity
one usually
smokes
Geen of geen 86 (-31)
antwoord
None or no
adequate
answer
1927-1908
1907-
Totaal
Total
191 (-6)
208 (+34)
485
2-17 g
65 (+25)
75 (+5)
31 (-30,5)
171
18-
18 (+2,4)
11 (+3,8)
5 (-4)
24
Totaal
Total
159
277
244
680
1
1
Een persoon bleek verkeerd gecodeerd.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
82
Het is niet moeilijk deze tabel te interpreteren. Het percentage van niet rokende
vrouwen (regel 1) daalt van 85% van de groep ouderen (51 jaar en ouder) tot 52%
voor de groep jongeren van 20-30 jaar. Bij de rokende vrouwen komt met de
toenemende leeftijd het accent iets meer op de zwaardere rokers te liggen, zoals
reeds ook bij de mannengroep werd geconstateerd. Het globale verband tussen de
afnemende frequentie van het roken en de leeftijd bij vrouwen bleek uiteraard
statistisch significant te zijn, bij waarschijnlijkheidsniveau van P < .001. Het is o.i.
niet moeilijk om de dubbele samenhang die we aantreffen bij de verschillende
geslachtsgroepen tussen de leeftijd en het roken te verklaren. Het wordt zelfs door
de sociologen nog niet vaak ingezien dat leeftijd eigenlijk twee variabelen impliceert:
a. de feitelijke chronologische volgorde, de biopsychische leeftijd die een ieder van
ons kent, en b. de sociale leeftijd in de betekenis van het behoren tot een bepaalde
generatie, die historisch is bepaald en de kenmerken van haar tijdperk draagt. Deze
onderscheiding helpt ons de tegenovergestelde samenhang bij de mannen en
vrouwen te verklaren. De biopsychische leeftijd is zonder twijfel de oorzaak van
intensivering der rookgewoonten; zoals waarschijnlijk de meeste habituele
gedragingen, nemen ook de rookgewoonten met de tijd een belangrijkere plaats in
het leven van de individu in: een oudere persoon is gemiddeld met meer situaties
geconfronteerd geweest die tot de ontwikkeling van zware rookgewoonten aanleiding
geven (oorlogstijd, emotionele onrust veroorzaakt door sterfgeval, echtscheiding,
enz.). Vandaar de tendens bij de rokenden om met de tijd meer tabak te nuttigen.
Dit maakt de intensievere rookgewoonten bij oudere mannen aannemelijk.
Bij de vrouwen is het vooral de generatiefactor die een rol speelt in de samenhang
met de leeftijd. In de oudere generatie kwam het rokende vrouwtype minder frequent
voor. Andere verbanden suggereren dat het hier om het emancipatieproces van de
vrouw gaat. Reeds in de vorige sectie verwezen wij naar het feit dat de vrouwen
vroeger op een hogere leeftijd begonnen te roken, terwijl bij de mannen alweer de
samenhang omgekeerd is: thans beginnen de mannen op een latere leeftijd te roken
dan een generatie terug. Dit wijst erop dat bij de mannen het proces van verspreiding
der rookgewoonten reeds is voltooid (zo niet over het hoogtepunt heen is), terwijl
wij bij de vrouwen de inzet meemaken van een massale overname der
rookgewoonten. Dat dit proces met de ‘emancipatie’ te maken heeft, bemerken wij
indien wij het percentage rokenden in de grote steden en op het platteland gadeslaan;
inderdaad blijkt men in de kleinere gemeenten minder te roken dan in de steden
met 100.000 inwoners en meer. In de kleinere gemeenten bedraagt de dagelijkse
consumptie per volwassen persoon gemiddeld 3,7 sigaretten (of g tabak), in de
steden 4,9 sigaretten per dag. Terwijl het percentage van mannelijke niet-rokers
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
83
gelijk is in beide typen woongemeenten (10,5% in kleinere gemeenten en 10,9% in
de grote steden), zijn er veel meer vrouwelijke niet-rokers in de kleine gemeenten
(67%) dan in de grote steden (55% van de desbetreffende vrouwengroep). Het is
één der bevindingen van de plattelandssociologie dat de levensstijl zich verspreidt
vanuit de stedelijke centra naar de omliggende kleinere wooncentra. Indien deze
wetmatigheid ook voor Nederland opgaat en indien de waargenomen tendensen
zich in de toekomst voortzetten (hetgeen met het oog op de tegenwoordige
voorlichting niet met zekerheid kan worden aangenomen), dan kunnen we in
Nederland nog een uitbreiding van de rookgewoonten verwachten: in de richting
van het vrouwelijke bevolkingsdeel.
Het geslacht en hiermee gepaard gaande ‘leeftijd’ en de ‘aard van de woonplaats’
zijn niet de enige onderdelen van de sociale structuur die met de spreiding van de
rookgewoonten onder de bevolking verbonden zijn. De materiële welstand speelt
zonder twijfel ook een rol. Volgens de Amerikaanse bevindingen is er een statistische
samenhang tussen de hoeveelheid tabak die men oprookt en het inkomstenniveau:
1
mensen met meer inkomen roken meer .
De Engelse onderzoekers verwijzen daarentegen naar de meer intensieve
rookgewoonten van de lagere standen. Er zouden meer niet-rokers uit de
middenstandsfamilies en uit hogere-standenfamilies stammen dan uit
2
arbeidersgezinnen .
De gegevens die wij verzameld hebben, laten duidelijk de samenhang tussen de
inkomsten en de intensiteit der rookgewoonten uitkomen. Vooral boven de grens
van ƒ 80,- aan wekelijks inkomen viel een stijging in tabakswarenverbruik te
constateren, hoofdzakelijk bij de mannen. Voor de gehele steekproef hebben we
een positieve correlatie berekend van r = .149; de coëfficiënt bleek significant bij
het waarschijnlijkheidsniveau P < .001. De samenhang heeft de toets kunnen
doorstaan van het systematische invoeren van alle testvariabelen die in onze matrijs
van 34 variabelen in aanmerking kwamen als mogelijke verstorende (interveniërende)
factoren: de partiële correlaties met geslacht, drinkgewoonten en snoepgewoonten
bleven allemaal boven het gestelde significantieniveau gehandhaafd. We kunnen
dus zeker als redelijk aannemen dat het inkomstenniveau inderdaad causaal met
intensieve rookgewoonten verbonden is.
De gesignaleerde samenhang met de sociale rangstanden kon daarentegen niet
worden bevestigd. De omstreeks 33 door ons gecodeerde be-
1
2
S.M. Sackrin, A.G. Conover, Marketing Research Report, No. 189. United States Department
of Agriculture, Agricultural Marketing Service, Washington, 1957.
David M. Kissen, op cit., blz. 365, verwijst in dit opzicht naar R. Davis, Cigarette Smoking
Motivation Study, Research Services Ltd., London, 1956 en naar A. Martin Cartwright, F.M.
Martin, and J.G. Thomson, in Lancet, ii, (1959), blz. 725. Ook Fokkens, op. cit.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
84
roepsgroepen zijn voor dit doel samengetrokken in drie subcategorieën van de
mannelijke respondenten: hogere, lagere en ertussen liggende rangstanden. Hierna
is afzonderlijk voor elke rangstand het gemiddelde dagelijkse tabaksverbruik
genoteerd. Volgens onze berekening kwamen we voor de hogere beroepen op een
mediaan van 15,15 sigaretten per dag, voor de lagere beroepen op 15,4 sigaretten
per dag en voor de middenstand op een mediaanwaarde van 16,2 sigaretten per
dag.
Deze bevinding spreekt zowel de conclusies van de Engelse onderzoekers als
de opvattingen van Charles McArthur c.s. tegen, die menen bij de ‘middle-class’ in
hun desbetreffende landen een puriteinse houding t.o.v. het roken, dus meer matiging
1
en onthouding te kunnen vinden .
De achtergrond van de theorie omtrent het meer onthouden bij de middenstanders
vormt de opvatting dat bij de ‘middle-class’ in de Verenigde Staten de ethos van het
protestants puritanisme prevaleert. Nu hebben wij inderdaad ook bij onze
Nederlandse steekproef een zwakke doch statistisch significante, samenhang met
de godsdienst in de gesignaleerde richting geconstateerd: het rooms-katholieke
bevolkingsdeel rookt meer dan de leden van de protestantse kerkgenootschappen.
De correlatiecoëfficiënt bedroeg slechts r = .092, maar kon niet worden
toegeschreven aan de invloed van een andere structurele factor. Slechts bij het
invoeren van de houding t.o.v. het roken daalde de waarde van de partiële correlaties
onder het significantieniveau. Dit bevestigt echter slechts de theorie dat zowel het
niet-roken als de gehele onthouding enigszins beïnvloed worden door factor
‘godsdienst’. Het is vermeldenswaard dat het hier o.i. eerder om de leer van de
desbetreffende kerkgenootschappen dan om de mate van maatschappelijke binding
gaat; we vonden geen significante correlatie toen we de volgorde: ‘Gereformeerd Nederlands Hervormd - andere prot. kerkgenootschappen - geen - Rooms-Katholiek’
vervingen door de volgorde: ‘geen - Nederlands Hervormd - Doopsgezind,
Remonstrants of Ev. Luthers, enz. - Gereformeerd of Chr. Gereformeerd of Ger.
Gemeente - Rooms-Katholiek’. De zwakke intensiteit van deze samenhang is
daarentegen in verband te brengen met het feit dat met de etnische verdeling van
onze bevolking in de twee
1
We mogen er wel op wijzen dat het Amerikaanse team haast over geen feitenmateriaal
beschikte om de verwachtingen te staven. Men zocht de indicator van ‘middle-class’ in het
behoren tot een bepaalde type school en heeft ook daar het verbruik niet zorgvuldig gemeten.
Zie Charles McArthur, Ellen Waldron, John Dickinson, ‘The Psychology of Smoking’ in the
Journal of Abnormal and Social Psychology, Vol. 56, 1958, blz. 267-275. Het Engelse team
heeft slechts een hoger percentage van niet-rokers bij de ‘middle-class’ geconstateerd en
een eerder begin van roken bij de individu. Ons materiaal toont inderdaad het hoogste
percentage mannelijke niet-rokers voor de middengroepberoepen; het verschil met de ‘lagere’
beroepen is echter slechts 1% en zeker niet statistisch significant.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
85
groeperingen ten zuiden van en ten noorden van de Moerdijk evenmin een correlatie
werd gevonden (zie voor al deze uitspraken Tabel 2.7.5 en de lijst der partiële
correlaties, Tabel 2.8.6, met de daarbij behorende explicatie in Deel 2).
Een factor die een ietwat gecompliceerde samenhang vertoont met de intensiteit
en spreiding der rookgewoonten is de schoolopleiding. Indien we de gehele
steekproef nemen om het verband met het roken te onderzoeken, vinden we een
positieve correlatie van r = .094. Mensen met meer opleiding roken meer. Door het
geslacht als testvariabele in te voeren verdwijnt echter de samenhang bijna geheel,
daar r4-13.1 = .024, d.w.z. de partiële correlatie bij constant gehouden geslacht nadert
de nul. De samenhang schijnt voldoende te zijn verklaard door het feit dat in onze
samenleving mannen meer formele opleiding krijgen dan vrouwen; daar mannen
ook meer roken dan vrouwen, ontstaat er een schijnverband tussen het roken en
de opleiding. Tot zover stemt alles met de logiek van de opheffing van
tegenovergestelde tendensen overeen; er is echter een bezwarende omstandigheid:
binnen een der geslachtscategorieën, bij de vrouwen, treffen we nl. een afzonderlijke
samenhang tussen het roken en de opleiding aan, zoals de volgende tabel
suggereert:
Tabel 1.2.10 Spreiding van de vrouwelijke respondenten naar genoten
schoolopleiding en intensiteit der rookgewoonten
Table 1.2.10 Distribution of the women-respondents by educational level
and the daily consumption of tobacco
Intensiteit
rookgewoonten
Opleiding
Education
Intensity of
smoking habits
Rookt niet
t/m 5 sigaretten6 sigaretten of Totaal (=100%)
Does not
meer
smoke
- 5 cigarettes 6 cigarettes or Total
geen antwoord
more
no answer
Lagere school 313 (71%)
Elementary
school
68 (15%)
61 (14%)
442 (100%)
Huishoudschool, 95 (54%)
ULO of MULO
House-economics,
secondary
school
49 (28%)
31 (18%)
175 (100%)
Middelbare
32 (57%)
school of meer
12 (21,5%)
12 (21,5%)
56 (100%)
College or
more
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Totaal
Total
1
440
129
104
1
673
8 personen, die geen adequaat antwoord gaven over hun opleiding of slecht werden
gecodeerd, werden niet meegeteld.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
86
Wij zien dat de percentages stijgen van links naar rechts in de lagere regels - meer
opleiding gaat met meer tabaksverbruik gepaard. De samenhang bleek significant
te zijn bij het waarschijnlijkheidsniveau van P < .001 (we berekenden de
2
chi-kwadraatwaarde zonder correctie; χ = 19,18, bij 4 vrijheidsgraden).
Onze opvatting dat bij vrouwen de rookgewoonten zich thans aan het ontwikkelen
zijn en dat ze hier gepaard gaan met het voortschrijdende emancipatieproces, vindt
in deze bevinding een nieuwe bevestiging: vrouwen in de steden roken meer dan
op het platteland, vrouwen met meer opleiding kennen eveneens intensievere
rookgewoonten. Beide samenhangen van telkens drie factoren geven een goed
voorbeeld van de vaak complexe structurele verbanden. Het heeft o.i. weinig zin
om te twisten over de causale prioriteit van hetzij het geslacht of de opleiding, hetzij
het geslacht of de stedelijke oorsprong. Slechts indien beide factoren aanwezig zijn
kunnen we intensievere rookgewoonten bij de bevolking verwachten.
Er waren meer voorbeelden van dergelijke structurele verbanden te vinden. We
vermeldden reeds dat bij het invoeren van ‘geslacht’ als testvariabele de samenhang
tussen het roken en de sociale participatie verdween. Bij de subcategorieën
afzonderlijk, hoofdzakelijk bij de vrouwen, vonden we echter wel een positief verband
tussen het wel of niet op bezoek gaan en het wel of niet roken: de bezoekers, vooral
de vrouwelijke bezoekers, schijnen meer te roken dan de vrouwen met minder
gezelligheidsneigingen. Deze bevinding is dan wel in verband te brengen met het
feit dat de rokers de familiefeesten en zondagen opgeven als tijden wanneer men
meer rookt dan anders.
Samenvattend kunnen we stellen dat het roken in onze bevolkingsgroep vooral
bij de mannen en de vrouwen grote verschillen in intensiteit en frequentie vertoont.
Wel menen we de tendens te mogen constateren dat dit verschil in de toekomst zal
verminderen, daar de jongere vrouwen meer roken dan de oudere vrouwen (terwijl
bij de jongere mannen minder zware rookgewoonten worden aangetroffen dan bij
de oudere). Opleiding en stedelijk milieu schijnen het proces van overname der
rookgewoonten bij vrouwen te bevorderen, sociale contacten (bezoeken) dragen
ook hun steentje bij. De materiële welstand gaat eveneens met intensievere
rookgewoonten gepaard, terwijl er geen verband in onze steekproef werd
geconstateerd met de sociale rangstanden, zoals gebaseerd op beroepsprestige.
Godsdienst is eveneens een factor bij de aetiologie der rookgewoonten:
Rooms-Katholieken roken iets meer dan Protestanten, geven althans op meer te
gebruiken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
87
1.2.6 Oorzakelijke en functionele aspecten
Niet minder belangwekkend dan de samenhangen met de sociale factoren zijn de
verbanden tussen het roken en andere gewoonten en houdingen. In
overeenstemming met de reeds vermelde theorieën over het roken zochten wij in
de eerste plaats naar de onderlinge samenhang van de gedragingen, die als ‘oraal’
mogen worden beschouwd: het drinken van alcohol, het drinken van koffie, het
snoepen. Al deze variabelen vertoonden inderdaad een interessant relatiepatroon
met de rookgewoonten.
Uit de basismatrix van correlaties kunnen we aflezen dat het wel (of meer) roken
samengaat met:
variabele 16: meer drinken van
alcoholica,
r = .308
variabele 18: meer drinken van koffie,
r = .273
variabele 19: minder snoepen,
r = -.173
Deze factoren zijn ook onderling gecorreleerd. Koffiegebruik met alcoholgebruik gaf
een r = .091, het snoepen en het koffiedrinken is negatief gecorreleerd, r = -.152;
tussen het snoepen en het gebruik van alcohol werd geen significant verband
vastgesteld, r = -.033.
Teneinde nog meer gegevens voor de causale interpretatie te verkrijgen hebben
we ook de partiële correlaties berekend voor alle reeksen van tenminste drie
significant intergecorreleerde variabelen. Slechts één verband verdween geheel
toen in plaats van twee, de gelijktijdige invloeden van drie variabelen werden
onderzocht; het verband tussen het alcoholgebruik en het koffiedrinken indien de
rookgewoontenfactor vast werd gehouden:
r16-18.13 = .008.
(De indexgetallen verwijzen naar de variabelen op de Basis Correlatie Matrix, Tabel
2.7.5, blz. 384A). Andere verbanden bleven gehandhaafd boven het
significantieniveau, al werd hun waarde verminderd. Het valt op dat de partiële
correlaties van de rookgewoonten minder de invloed van de testfactoren ondergaan
dan andere indicatoren van het ‘orale’ gedrag:
r13-16.18 = .296; r13-18.16 = .259; r13-19.18 = -.138.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
88
Hoe kunnen deze relaties geïnterpreteerd worden? Welk licht werpen zij op de door
ons omschreven theorieën over de overname en de ontwikkeling van de
rookgewoonten door de individu? Aan de logiek van onze toetsingsopzet
vasthoudend zien we ons genoodzaakt de psychoanalytische theorie van het roken
hetzij te verwerpen, hetzij het snoepen niet als ‘oraal gedrag’ te beschouwen. Want
vooropgesteld werd dat indien de psychoanalytische theorie juist en voldoende was,
een consistente interrelatie van alle indicatoren van orale fixatie zou moeten worden
gevonden in dezelfde, positieve richting. De snoepgewoonten, waarvan we
aannamen dat zij hetzelfde recht hadden om tot orale gedragingen gerekend te
worden als het roken of drinken (misschien zelfs meer), blijken echter negatief met
andere indicatoren te zijn gecorreleerd. Dit wil zeggen dat daar waar meer roken
en/of drinken voorkomt tegelijker minder snoepen te verwachten is en andersom.
We menen in de psychoanalytische theorie geen verklaring te kunnen vinden voor
dit feit dat drinken (en koffiedrinken) wel en snoepen niet samengaat met het roken.
We zien ons daarom genoodzaakt de hypothese 1 te verwerpen en de
psychoanalytische theorie van het roken tenminste als niet voldoende te gaan
beschouwen. Er moet nog een andere oorzaak zijn dan de ‘orale fixatie’ die mensen
doet roken. Zouden immers ook mannen zoveel keer meer de invloed van de orale
fixatie ondergaan?
De negatieve correlatie met het snoepen staaft inderdaad hypothese 2, omtrent
het verband tussen het roken en de voorkeur voor bittere of scherp smakende
eetwaren, al is de toetsing slechts indirect, via de polaire samenhang.
Naast de negatieve correlatie met snoepen is er echter nog de positieve correlatie
met koffiegebruik; en koffie is inderdaad (voorzover door de rokers met voorliefde
‘puur’ gebruikt) bitter van smaak.
De positieve samenhang tussen het roken en het koffiedrinken valt des te meer
op, daar deze niet aan het verschil in rolgedrag tussen de mannen en vrouwen valt
toe te schrijven. De partiële correlatie vertoont een veel kleinere daling als gevolg
van het invoeren van ‘geslacht’ als testfactor dan andere correlaties:
r13-18.1 = .247; r13-16.1 = .174; r13-19.1 = -.088; r18-19.1 = -.133.
We zien dat de correlaties tussen het roken en het drinken en tussen het roken en
snoepen bijna gehalveerd zijn na het invoeren van de testfactor, al blijven zij nog
statistisch significant. De correlatie tussen roken en koffiedrinken verandert slechts
weinig. Dit feit en de onmogelijkheid om de geconstateerde verbanden tussen roken,
drinken, koffiedrinken en het snoepen te doen verdwijnen door het invoeren van
welke variabele dan
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
89
ook vragen om een verklaring. De theorie van constitutionele geneigdheid tot tegelijk
het roken en het nuttigen van niet-zoete en bittere spijzen is door middel van ons
onderzoeksmateriaal enigszins gestaafd; het materiaal brengt echter nieuwe, sterke
samenhangen naar voren die door deze theorie niet worden verklaard. Zij helpen
ons de grenzen of de modificatie van de theorie te bepalen.
Om te beginnen is er de sterkste samenhang van het roken met de verdeling van
de bevolking in de geslachtsgroepen. Het feit dat mannen in onze samenleving
meer roken dan vrouwen kon uit geen andere factor dan geslacht worden verklaard.
Geslacht verklaart omstreeks 45% van de totale variantie in de rookgewoonten
onder onze bevolking. Van alle opgestelde hypothesen kreeg de hypothese 5,
omtrent het roken als onderdeel van het mannelijke rolgedrag in onze samenleving,
haar krachtigste bevestiging. Ook haar specificatie met behulp van verwijzing naar
de volwassenheid en emancipatie vindt steun in onze gegevens: het roken neemt
men immers over van de ander ten tijde van de puberteit, ergens op de grens tussen
de jeugd en de volwassenheid. De factoren die de breuk tussen de leefwijzen van
de oudere en jongere generatie beklemtonen (verstedelijking, opleiding) blijken
eveneens met de rookgewoonten positief gecorreleerd.
De intensiteit van de samenhang met het geslacht doet de vraag rijzen naar de
mogelijke betekenis van de zojuist besproken ‘constitutionele factor’. Het lijkt ons
absurd om te veronderstellen dat de voorkeur voor het roken en de bittere smaak
tot de wezenlijke biologische eigenschappen van de twee geslachtsgroepen behoren.
Er zijn immers reeds rokers onder de vrouwen en hun percentage ondervindt een
wijziging met de tijd. Indien deze factor een erfelijke ondergrond heeft (zoals soms
de intelligentie en andere eigenschappen op erfelijke grondslag worden
geïnterpreteerd), dan is het verbazingwekkend dat bij de vrouwen zijn werking veel
zwakker is dan bij de mannen. Met andere woorden, indien we de ‘constitutionele
theorie’ van het roken aanvaarden (en enkele bevindingen van ons onderzoek wijzen
in deze richting), dan dienen we de beperking van deze theorie te beseffen: zij helpt
slechts de individuele verschillen tussen de matige rokers, niet-rokers en de zware
rokers te verklaren, die overblijven nadat de veel belangrijker sociale factoren het
grootste deel van de verschillen in de intensiteit van het roken reeds hebben
verklaard. Er dient echter o.i. nog te worden nagegaan of de voorkeur voor bittere
smaak (dus de neiging om minder te snoepen en meer koffie te drinken) niet het
gevolg is van de reeds bestaande rookgewoonten, zoals ons waarschijnlijk lijkt. Een
‘panel-study’, een prospectief onderzoek van de jeugdige rokers zou hier wellicht
een oplossing kunnen bieden.
Hypothese 3 afgeleid van de opvatting dat het roken een resultante is van een
neurotische tendens van de zware tabaksverbruikers vond geen bevestiging in ons
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
90
materiaal. Geen enkel significant verband kon worden vastgesteld met de
aanwezigheid van angsten, spanningen, het gevoel van doelloosheid van het leven
of de verveling. Daar de aanwezigheid van de ‘klachten’ veelal positief met het
vrouwelijk geslacht was gecorreleerd, hebben we tevens de partiële correlaties
berekend. Ook dan was er binnen de groepen mannen en vrouwen geen concentratie
van de ‘klachten’ bij de meer intensieve rokers te bespeuren. In tegendeel bevonden
wij in de groep mannelijke respondenten meer positieve antwoorden op onze vragen
bij de niet-rokers en zwakkere rokers dan bij de zwaardere rokers (van 10 sigaretten
per dag en meer).
De vragen over de zorgen op allerlei levensgebieden (samengetrokken tot de index
van de mate der bezorgdheid, variabele 22 op onze Basis Correlatie Matrix, blz.384A)
gaven inderdaad een zwak doch significant verband te zien in de verwachte richting,
r13-22 = -.070. In de groepen mannen en vrouwen afzonderlijk beschouwd, verdween
het verband echter volkomen. Al is de hypothese verworpen, de vraag blijft in hoever
ook de neurosetheorie van het roken als afgedaan mag worden beschouwd. Een
clinicus zal waarschijnlijk aanvoeren dat ‘neurose’ zeker niet te meten is door middel
van de oppervlakkige vragen tijdens een sociologische enquête aan de respondent
gesteld. Hier kunnen we ons geheel mee verenigen. Slechts willen we wijzen op
het feit dat de ‘oppervlakkige vragen’ wel belangwekkende samenhangen met andere
factoren laten zien en tevens een zekere functionele eenheid vertonen, zoals het
resultaat van de factor analytische bewerking aantoont. (Zie verder Hoofdstuk 1.6).
De hypothese 4 moest eveneens worden verworpen: wij vonden geen verschil in
de rookgewoonten van personen in beroepen die veel fysieke kracht vereisen
(landarbeider, landbouwer, ongeschoolde arbeiders) vergeleken met beroepen waar
de fysieke belasting minder zal zijn (onderwijzers, kerkdienaars, kantoorbedienden,
enz.) Alweer valt en staat de theorie omtrent de grotere rookgeneigdheid bij het
‘verwijfde’ type mannen met de betrouwbaarheid van onze indicatoren: slechts in
zover de door ons uitgezonderde beroepen een adequate omschrijving geven van
mannelijke of vrouwelijke constitutietrekken zoals door de compensatietheorie
verondersteld, kon de theorie door ons onderzoek worden getoetst; het resultaat
duidt in de richting van de verwerping van de hypothese. Hypothese 9 over de
invloed van de godsdienst op de ontwikkeling der rookgewoonten vond een zekere
bevestiging door onze gegevens. Al schijnen de leden van de calvinistische
kerkgenootschappen minder te roken dan Rooms-Katholieken, de samenhang blijft
uitermate zwak. O.i. dient aan de theorie van onthouding van Protestanten vanwege
hun verschillend ethos t.o.v. het roken niet die waarde te worden toegeschreven
die McArthur c.s. geneigd zijn hieraan te geven. In het hoofdstuk omtrent de
normatieve aspecten van het roken hopen wij hierop nog terug te komen.
Reeds thans willen we echter vermelden het feit dat het door de respon-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
91
denten vermelde rookverbod in het ouderlijke huis niet de remmende functie had
die sommige onderzoekers (Fokkens) hieraan toeschrijven. De zware rokers van
thans komen veelal uit gezinnen waar zij niet mochten roken ten tijde dat zij hun
eerste sigaret opstaken.
Vele van de andere hypothesen over de mogelijke oorzaken van het overnemen
van rookgewoonten, voornamelijk sociaal van aard, kunnen we op grond van onze
gegevens in twijfel trekken. Alweer bleek de partiële correlatie een goed hulpmiddel
om de schijnverbanden te vinden. De correlatie tussen het roken en de sociale
participatie (r = .097) die we oorspronkelijk hebben aangetroffen, verdween in de
subgroeperingen van de mannelijke en vrouwelijke respondenten. Hetzelfde
geschiedde met de correlatie tussen het aantal werkuren en het roken (de ‘harde
werkers’ zouden meer roken, r = .106); de partiële correlatie heeft ook deze
samenhang aan de invloed van ‘geslacht’ toegeschreven (r13-34.1 = .058). Hypothesen
12 en 15 werden dus verworpen.
Volgens verwachting vonden we wel een verband met de ‘tevredenheidsindex’,
opgesteld aan de hand van vier satisfactievragen: ontevredenen roken meer. Het
verband was echter zo laag (r = .073) dat het de door ons gestelde
betrouwbaarheidsgrens naderde en niet voor de systematische analyse door middel
van matrixanalyse en partiële correlatie werd opgenomen. Het bleef echter, ondanks
de zwakke intensiteit, ook in de subgroeperingen van mannen en vrouwen
gehandhaafd.
1.2.7 Samenvatting der voornaamste resultaten
Onze resultaten samenvattend kunnen we stellen dat van de zes door ons
beschreven theorieën van het roken de sociale roltheorie het meest door ons
materiaal bevestigd werd. Het roken van tabak schijnt ‘ingebouwd’ te zijn in het
sociaal gedrag van bepaalde personages; het is een onderscheidingsteken van de
volwassenheid t.o.v. de jeugd. In de huidige samenleving is het roken overwegend
kenmerkend voor de rol van de man: de langere schoolopleiding, het werk
buitenshuis, lange werkuren, het verwerven van inkomsten, het zich vrij bewegen
in de stedelijke samenleving gaan hiermee gepaard. Merkwaardig genoeg treffen
we wellicht daarom bij de vrouwen het roken voornamelijk in die gevallen aan, waar
de moderne vrouw de rol van de man gaat overnemen: in de stad, op school, ‘the
professional woman’. Als bewijs dat deze gedachtengang niet louter speculatief van
aard is, beschouwe men het resultaat van de factoranalyse van niet minder dan 34
belangrijke variabelen die we door combinatie van allerlei vragen uit onze vragenlijst
hebben verkregen. De
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
92
tweede factor die we hebben geëxtraheerd bevatte de volgende hogere ladingen:
Factor II
variabele 1: geslacht
-.838
variabele 13: intensiteit roken
.809
variabele 5: aard van het werk
-.553
variabele 16: intensiteit drinken
.464
variabele 30: drinkpatroonverandering
.290
variabele 23: normbeleving
.288
variabele 19: snoepgewoonten
-.279
variabele 18: koffiegebruik
.274
variabele 17: houding t.o.v. het drinken -.231
De opvallend hoge lading van onze hoofdvariabele (de rookgewoonten) en van het
geslacht laat over de interpretatie van deze factor weinig twijfel. Wij vinden in deze
staat alle variabelen terug, die we reeds bij de afzonderlijke hypothesen hebben
besproken; zij blijken alle, zonder uitzondering, met de rookgewoonten te zijn
gecorreleerd. De analyse door middel van partiële correlaties (zie ook nog Deel 2.8,
blz. 401) liet zien dat zowel de aard van het werk als de normbeleving terug te
voeren zijn tot de causale werking van het geslacht.
Hoewel deze factor II de belangrijkste oorzaak van de variabiliteit in de
rookgewoonten duidelijk laat zien, is hij o.i. niet zonder meer met de rookgewoonten
te identificeren. Want variabelen (o.a. ‘inkomsten’) die hoger correleren met het
roken dan b.v. de normbeleving (variabele 23) vertonen een bijzonder lage lading
(.075). Hetzelfde geldt voor godsdienst (.076) eveneens met roken significant
gecorreleerd. Dit opent de mogelijkheid van additionale theorieën van het roken,
naast die van het rolgedrag.
Hoewel van weinig voorspellende waarde (vanwege de zwakke samenhang),
verkreeg de theorie van de normatieve invloed die van een bepaalde
levensbeschouwing uitgaat (het calvinisme) een bevestiging in ons materiaal. Ook
de ‘beschikbaarheidstheorie’ die het roken in verband brengt met beschikbare
middelen (hogere inkomsten) werd gesteund door onze bevindingen.
We vonden geen aanleiding om aan de hand van onze gegevens de
neurosetheorie aan te houden; dit neemt niet weg dat wellicht met meer ‘klinische’
variabelen de theorie kan worden gestaafd. Hetzelfde geldt t.o.v. de
compensatietheorie van het roken bij de mannen met vrouwelijke constitutietrekken.
Wat de overige theorieën betreft, vinden we dat de psychoanalytische
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
93
theorie faalt te verklaren de differentiële voorkeur voor het snoepen aan de ene kant
en het roken, het koffiedrinken en het alcoholgebruik aan de andere kant. O.i. kan
de positieve samenhang tussen deze laatste drie gewoontegedragingen ook zonder
het orale-fixatieconcept verklaard worden. Een sociologisch concept als b.v.
‘levensstijl’ of ‘rolgedrag’ is voldoende om de positieve correlaties van de drie uit
het totaal aantal van vier vermoede indicatoren der orale fixatie zinvol te verklaren.
Zoals Factor II suggereert gaat het hier om een zekere ‘mannelijkheid’ in het gedrag,
sociaal-psychologisch of sociologisch geïnterpreteerd.
Moeilijker valt het de negatieve samenhang van het roken met de snoepgewoonten
te verklaren, vooral voor zover deze niet tot het verschil in rolgedrag tussen man
en vrouw teruggebracht kan worden. De theorie van de farmacologische werking
van de tabak en van de fysiologische predispositie of voorkeur voor de tabak en
bittere en scherpe spijzen komt om de hoek kijken. Al heeft ons materiaal deze
theorie enigszins gestaafd, men vergete niet dat een enquête meer geschikt is om
de structurele dan de causale verbanden aan te tonen. Ook met de kennis die ons
onderzoek verschaft, blijft het mogelijk deze samenhang meer in de termen van
gevolg dan van oorzaak te duiden. Een vervolgonderzoek bij de jonge groeperingen
rokers en niet-rokers naar de ontwikkeling van de smaakvoorkeur en de
smaakperceptie zal meer licht werpen op de vraag of het mijden van snoepen
oorzaak of gevolg is van het roken.
Met deze korte opmerkingen menen we dit hoofdstuk te moeten beeindigen. Als
voornaamste resultaat zien we het feit dat de variabiliteit van de rookgewoonten
onder de bevolking overwegend door de gedragsverschillen bepaald wordt die we
bij de onderscheiden volksdelen, de mannen en de vrouwen, de Rooms-Katholieken
en de Protestanten, de hoge en de lage inkomstengroepen aantreffen. De
slotbeschouwing over de wijze waarop deze macrosociologische factoren ingrijpen
in het leven van de individu willen we ons voorbehouden totdat we in hoofdstuk 1.4
de problemen der sociale normativiteit onder de loep hebben genomen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
94
Motto:
‘Noord en Zuid gelijke drinkers? Dit ware monsterachtig! Wat zou het
worden als de Vlamingen maar evenveel bier zouden drinken als de
Nederlanders jenever; en de Nederlanders evenveel jenever als de
Vlamingen bier?’
KAREL JONGKHEERE; uit Speels ABC der Nederlanden.
Boekenweek, 1962.
1.3 Drinkgewoonten in Nederland
1.3.1
Theoretisch denken over de
drinkgewoonten
1.3.2
Enkele hypothesen
1.3.3
Frequentie en aard der drinkgewoonten
1.3.4
Structurele samenhangen met het
drinken
1.3.5
Functionele en causale interpretatie van
het drinken
1.3.1 Theoretisch denken over de drinkgewoonten
Het toepassen van de sociologische categorieën op het drinken van alcoholica is
een boeiende bezigheid. Meer dan in het roken kan nl. in het drinken zowel een
gewoonte als een gebruik gezien worden. Zelfs in onze gedifferentieerde,
technologische samenleving behoudt het alcoholgebruik zijn rituele aard, is vanouds
verweven met de liturgie van de christelijke kerkgenootschappen. De overgang van
het sacrale naar het profane is niet abrupt doch geleidelijk: ook buiten de kerk neemt
men zijn toevlucht tot alcohol om aan belangrijke sociale gebeurtenissen luister bij
te zetten: huwelijkssluiting, geboorte, afscheid, terugkeer, begrafenis zelfs in sommige
streken. Het drinkgebruik vormt ook in onze beschaving veelal een onderdeel van
de rites de passage die het ritme van het sociale leven aangeven en de sociale tijd
helpen te structureren. Deze rites de passage vormen de kritieke momenten in het
leven van de individu; in de gemeenschap komen zij veelvuldig en met merkwaardige
regelmaat voor - een ware polsslag van het sociale leven.
Er zou geen aanleiding zijn het alcoholgebruik tot riskante gedragingen te rekenen,
indien het beperkt bleef tot de boven omschreven handelingen. We bemerken echter
dat het gebruik om door drinken de feestelijke aard van bepaalde evenementen als
het ware te onderstrepen niet slechts de rites de passage kenmerkt.
Ook de gebeurtenissen die herhaaldelijk door elke individu worden beleefd, geven
aanleiding tot drinken: kerkelijke feestdagen, nationale feest-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
95
dagen (Koninginnedag!), familiefeestdagen, belangrijke dagen in eigen loopbaan
(bedrijfsjubileum, geslaagde koop of verkoop, handelsovereenkomst). Soms gaat
het drinken een nog belangrijker rol spelen in het individuele leven: bij bezoeken of
wekelijkse reünie met vrienden, in het dagelijks ritme van de beëindiging der
werkzaamheden en het hervatten van de rust of bij het nuttigen van maaltijden. Het
drinken helpt dan niet het sociale leven, doch het leven van de individu te
structureren, men leeft van de ene zaterdagse of zondagse drinkpartij tot de andere
of van aperitief tot aperitief. Het drinken houdt op een gebruik te zijn en wordt een
gewoonte.
Alweer zal het ons weinig moeite kosten de individuele van de sociale
drinkgewoonten te onderscheiden. Het dagelijks nuttigen van alcohol kan dermate
in het gehele cultuurpatroon zijn ‘ingebouwd’, dermate door de gemeenschap
goedgekeurd dat het voor andere functionele, sociale gewoonten haast niet
onderdoet - een Italiaan of een Fransman beschouwt b.v. het gebruik van wijn aan
tafel even vanzelfsprekend als de Nederlander het tandenpoetsen na de
avondmaaltijd als een gegevenheid beschouwt. Het is in wezen collectief gedrag;
er bestaat een grote uniformiteit in het drinkpatroon in de desbetreffende
samenleving. Zo sterk vormt het drinken een onderdeel van een bepaalde sociale
rol (die van een tafelgenoot, een gast, een gastheer) dat niet het drinken, doch het
niet-gebruiken van alcoholica een explicatie, zo niet een excuus vereist. De sociale
drinkgewoonten hoeven o.i. echter niet tot de gevallen van drinken met anderen
beperkt te blijven; de eenzame reiziger die in een vreemd land een glas bestelt op
het tijdstip dat men in zijn gemeenschap een aperitief pleegt te drinken, de Italiaanse
vrijgezel die zelf zijn maaltijd toebereidt en hierbij een glas wijn nuttigt - zie hier
voorbeelden van sociale drinkgewoonten. Men houdt zich conform aan de regels
van zijn eigen gemeenschap, ook wanneer de concrete tekens van de aanwezigheid
dezer gemeenschap ontbreken (‘ideële gemeenschap’ zouden we wellicht de
projectie van eigen referentiegroep in vreemde omgeving kunnen noemen).
Individuele drinkgewoonten behoeven niet al te scherp van de sociale
drinkgewoonten te worden afgezonderd. Het feit dat men aan tafel in bepaalde
beschavingskringen wijn drinkt, is sociaal bepaald. Hoe men dit echter doet,
eventueel ook hoeveel verbruikt wordt, kan geheel van de individu afhangen: zijn
constitutie, zijn persoonlijkheid, zijn ervaring. Dit neemt niet weg dat sommige
mensen alcohol gaan gebruiken ook in de situaties waar volgens de leefwijze van
hun eigen gemeenschap er geen aanleiding voor is. Alcoholgebruik neemt een
dergelijke omvang in hun eigen leefpatroon aan, dat het als het ware uit gaat groeien,
niet meer gebonden blijft aan de sociale norm of de sociale gelegenheid. Dan hebben
we met de individuele drinkgewoonten te maken die geheel gedissocieerd
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
96
zijn van de ‘normale’ (d.w.z. door de samenleving zo niet verwachte dan in ieder
geval getolereerde en goedgekeurde) vormen van alcoholgebruik. Slechts indien
de individuele drinkgewoonten deze ‘hypertrofie’ vertonen en zich verspreiden zelfs
in de situaties waarin alcoholgebruik ontoelaatbaar wordt geacht (de werksituatie,
het verkeer, bij smalle beurs) is men geneigd van ‘abnormale drinkgewoonten’, ev.
van alcoholisme in de sociale zin des woords te spreken. Zoals echter Selden D.
1
Bacon duidelijk laat zien zijn dergelijke situaties nog betrekkelijk schaars. De sociale
normativiteit richt zich eerder op de gevolgen van (vooral onmatig) alcoholgebruik
dan op het drinken zelf. Het roekeloos autorijden onder de invloed van drank, het
verzuim van de sociale verplichtingen - zie hier de gedragingen, die in onze
samenleving als onzedelijk worden aangeduid. Dit onderscheid tussen oorzaak en
gevolg, subtiel als het mag lijken, verklaart volgens Bacon het falen van de pogingen
om alcohol uit de samenleving te bannen (denk aan de prohibitie in de V.S.!). Het
alcoholgebruik behoort niet tot de sfeer van onzedelijke gedragingen, integendeel,
zoals boven omschreven, het is vaak ingebed in het cultuurpatroon en in de sociale
structuur: in bepaalde situaties wordt van mensen verwacht dat ze alcohol tot zich
nemen. De niet-drinkers voelen zich in bepaalde situaties gegeneerd, geven vaak
een explicatie voor hun, in sociaal opzicht afwijkend gedrag.
Het riskante van de sociale drinkgewoonten ligt dan volgens de sociologen hierin,
dat zij bij sommige mensen uitgroeien in een onmatig individueel drinkpatroon,
waardoor het sociaal functioneren van de drinker ernstig wordt verstoord: hij kan
niet meer in het onderhoud van zich zelf en van eigen gezinsleden voorzien, hij kan
zich in eigen gezinskring niet handhaven, verstoort het emotionele evenwicht in het
gezin, hij verwaarloost zijn godsdienstige en sociale verplichtingen, komt niet naar
de kerk, naar de vergaderingen, op bezoek. Allerlei sociale problemen duiken op,
de categorie van ‘problem-drinker’ wordt toegepast op de individu in kwestie. Voor
de sociologen is het alcoholisme eigenlijk gelijk aan de omschrijving van deze ‘drinker
met problemen’. De alcoholicus is dan een persoon die door sterke individuele
drinkgewoonten niet in staat is de elementaire sociale functies te verrichten door
de samenleving aan de individu toegekend en hij faalt dus wezenlijk in het
elementaire rolgedrag: hij kan de rol van staatsburger, van kostwinner, van gezinslid,
van lidmaat der kerk, van autobestuurder, van verenigingslid, enz. niet spelen.
De sociologen zijn echter niet de enigen die het alcoholprobleem benaderen.
Andere deskundigen op het gebied der gedragswetenschappen,
1
Selden D. Bacon, Sociology and the Problems of Alcohol. Foundations for a Sociological
Study of Drinking Behavior. Hillhouse Press, New Haven, Conn., 1954.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
97
artsen, psychologen en psychiaters geven dan hun eigen definities van het
alcoholisme. Het komt ons voor dat ook bij hen het uitvallen van de functie een
belangrijke rol speelt: het niet (adequaat) functioneren van een orgaan (zoals bij de
levercirrose) voor een arts, het onbeheerste drinken (‘loss of control’), het verlies
1
van de vrije wilsuiting of het bewustzijnsverlies voor menig psycholoog of psychiater .
Anderen zoeken het wezenlijke van het alcoholisme in de ‘verslaving’; men zou aan
alcohol verslaafd raken zoals men aan andere drogerijen (morfine, marihuana)
fysiologisch verslaafd wordt door steeds hogere doses op te eisen teneinde de
gewenste uitwerking te bereiken. Het voortschrijdende alcoholisme-research wijst
echter op het feit dat de benodigde dodelijke dosis bij alcoholisten niet hoger is dan
bij niet-drinkers en dat er dus hoogstens van een gewenning echter niet van
2
verslaving sprake is .
Aan de andere kant is het eveneens waarschijnlijk dat het gebruik van alcoholica,
ook in de sociale context, grotendeels te wijten is aan de fysiologische en
psychologische werking van deze stof. Sociale drinkgewoonten zijn hierdoor niet
zonder meer met de eetgewoonten te vergelijken.
Het drinken valt eigenlijk niet onder één doch onder meerdere sociale systemen.
Naast de godsdienstige elementen zijn er de elementen van ‘goede manieren’ in te
bespeuren, drinken ligt ergens op het grensgebied der moraal. Het mode-element
speelt echter ook een rol, gezwegen nog van economische en andere aspecten.
We menen de concrete categorie der drinkgewoonten beter te kunnen omschrijven
door ons te bezinnen over hun functie in de samenleving en over de oorzaken van
de overname door de individu. Bij de bespreking van de reeds gestelde theorieën
dienen we echter rekening te houden met het feit, dat de sociale drinkgewoonten
als zodanig tot nu toe weinig aandacht van deskundigen hebben gekregen. Het is
de merkwaardige omzwaai van de sociale drinkgewoonten naar het buitensporige
drinken dat het sociaal functioneren van de drinker verstoort, die om verklaring
vraagt en die de literatuur omtrent het alcoholisme doet aanzwellen. Slechts enkele
van de reeds gepubliceerde theorieën werpen tevens licht op de functionele
rechtvaardiging van de ‘normale’ drinkgewoonten en op de oorzaken die sommige
personen wel, andere niet (of in mindere mate) deze gewoonten doen overnemen.
Functies en oorzaken van het drinken. Het ligt niet in onze bedoeling de
fysiologische en de psychologische werking van de alcohol nogmaals de
1
2
Wij zijn Dr. W.K. van Dijk, hoofd van de psychiatrische kliniek te Groningen, dank schuldig
voor de uiteenzetting van deze ‘nauwere’ definitie van het alcoholisme in de termen van ‘loss
of control’.
Howard W. Haggard, ‘Metabolism of alcohol’ en ‘The physiological effect of large and small
amounts of alcohol’, Chapter 3 en Chapter 5 in Alcohol, Science, and Society. Twenty-Nine
Lectures with Discussions as Given at the Yale Summer School of Alcohol Studies. New
Haven, 1945.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
98
revue te doen passeren. Deze zijn de lezer deels uit ervaring bekend, deels door
1
andere schrijvers voldoende omschreven .
Hoewel de kwantitatieve studie van de verstoring van de psychische functies door
2
alcoholgebruik nog met methodologische problemen te kampen heeft (en welke
studie heeft niet met dergelijke problemen te kampen) valt er aan de
bewustzijnverlagende, euforische en sedatieve werking van alcohol nauwelijks te
twijfelen. De meeste denkers over het alcoholvraagstuk gaan dan ook van deze
werking uit bij het aanduiden van de functies die de alcohol in de samenleving heeft.
Zo verwijst Dr. Esser naar de functie van het ontvluchtingsmechanisme uit de
harde realiteit; alcohol brengt ‘de verlichting der zorgen en noden’. ‘Uit een wereld
van zorgen en moeiten, van conflicten en spanningen schijnt men door het drinken
van alcoholica te komen in een wereld, waarin zich alles voegt naar onze wil, en
waarin we weer dromen kunnen van een geslaagd leven, van macht en aanzien,
3
van rijkdom en geluk.’ Ook schrijvers van een geheel andere geestelijke oriëntatie,
4
de sociaalhistorici , schijnen het gebruik van alcoholica toe te schrijven aan de
abominabele sociale toestanden die in het verleden weleens heersten.
Het is duidelijk dat hier aan de functie van alcohol tevens de oorzaak van
alcoholverspreiding wordt toegeschreven. Door drinken vergeten we althans tijdelijk
de zorgen en onaangename werkelijkheid. Dit wetende zijn de mensen met meer
‘zorgen’ en mensen wier levensomstandigheden harder zijn, meer geneigd om
intensievere drinkgewoonten te ontwikkelen of over te nemen.
5
Verwant aan deze opvatting is de z.g. ‘anxiety theory’ van D. Horton die meent
dat in de samenleving, opgebouwd op angst en vrees, meer neiging tot drinken
bestaat. Het drinken heeft in zijn ogen de functie de mens op een laag niveau van
bestaan van zijn angsten te bevrijden.
1
2
3
4
5
Als inleiding in het alcoholismevraagstuk kan dienen het populaire boekje van Dr. D.H. Wester,
Lusten en lasten van alcohol, Zaltbommel, 1957. Dr. P.H. Esser, Alcoholisme, Kampen, 1960;
tevens het in Nederland verschijnende De Wegwijzer, tijdschrift voor de studie van het
alcoholvraagstuk, Leiden, A.W. Sijthoff; in het buitenland vraagt vooral de revue Quarterly
Journal of Studies on Alcohol (verschijnende tot nu toe in Yale) de aandacht. Zie ook Howard
W. Haggard en E.M. Jellinek, Alcohol Explored, New York, 1950.
Martti Takala, ‘Methodologic problems of alcohol psychology’ in Drinking and Drinkers, The
Finnish Foundation for Alcohol Studies, Helsinki, 1957.
Dr. P.H. Esser, ‘De medische benadering en behandeling van de alcoholist’ in Maandblad
voor de Geestelijke Volksgezondheid, Jrg. 14, nr. 2, Febr. 1959, blz. 45.
Zie b.v.I.J.Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870),
Aulauitgave 1958, blz. 156. Tevens: P.J.Bouman, W.H.Bouman, De Groei van de Grote
Werkstad, Assen, 1955.
Donald Horton, ‘The functions of alcohol in primitive societies: a cross-cultural study’, Quarterly
Journal of Studies on Alcohol, Vol. 4, blz. 199-320 (1943). W.C.Sayres meent dat aan de
hand van zijn gegevens uit Colombia de theorie van Horton bevestigd wordt; zie zijn ‘Ritual
drinking, ethnic status and inebriety in rural Colombia’, QJSA, 17 (1956) 53-62.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
99
Een andere opvatting, eveneens gebruikmakend van de kennis omtrent inwerking
van alcohol op de geestelijke gesteldheid van de mens, legt de nadruk op de
bindende sociale functie van het drinken. Vooral in onze individualistische
samenleving zou de mens met allerlei remmingen behept zijn die hem belemmeren
in contact te treden met zijn naasten. Onder de invloed van drank zouden deze
remmingen wegvallen en de drinker zou de zalige werking van het sociale contact
ondergaan. Dit is althans één der gedachten die we lezen in de nogal metaforisch
geschreven verhandelingen van Jellinek, de grote propagator van de
alcoholismestudie in de Verenigde Staten en in Canada. We drinken volgens Jellinek
om dichter bij de ‘stream of life’ te komen, om weer levensvreugde en gezelligheid
1
te vinden .
Vertaald in oorzakelijke in plaats van functionele termen brengt deze opvatting
weinig nieuws. Selden D. Bacon schreef reeds in de oorlogsjaren zijn Alcoholism
and Social Isolation (1944. Yearbook of the National Probation Association; herdrukt
in New York, 1945) waarin hij het drinken van alcoholica betrekt op de vereenzaming.
Men kan zich immers afvragen of ook deze schrijver niet beïnvloed werd door de
oudere opvattingen van E. Durkheim, die de sociaal-pathologische verschijnselen
betrekt op het verlies van contacten met de gemeenschap (anomie) zoals we straks
nader uiteen hopen te zetten. In de meer recente tijd brengt D.J. Pittman een nieuw
concept te voorschijn, nl. dat van ‘undersocialization’.
Ook bij dit concept speelt het element van anomie en isolatie een sterke rol: ‘By
undersocialization we mean that the person's life history is characterized by limited
participation in the primary groups which are necessary for personality formation,
by minimum participation in social activities and by inadequate opportunities for
2
sharing experiences with others.’ De nadruk ligt meer op het proces, dat van de
socialisatie, waardoor de mentale ontwikkeling van de drinkers anders zou verlopen
dan bij de niet-drinkers.
Deze theorieën, verwant aan de opvatting van Jellinek, zijn echter meer causaal
dan functioneel. Bij Jellinek is daarentegen het functionele element nog sterk
vertegenwoordigd. Bij een etnoloog van eruditie kon het wellicht niet anders. Zijn
enigszins vage (hoewel dichterlijke) formulering duidt nog een andere functie van
alcohol aan dan de feitelijke doorbreking van de isolatie van de mens. Het is de
symbolische functie van alcohol: het drinken symboliseert de eenheid, de
vereenzelviging met de gemeenschap. Onze samenleving kent meer dergelijke
symbolische
1
2
Zie b.v. ‘The World and Its Bottle’ in World Health, 10: 4-6, 1957. Ook The Disease Concept
of Alcoholism (New Haven, 1960) en de artikelen in de Quarterly Journal of Studies on Alcohol.
David J. Pittman en C. Wayne Gordon, Revolving Door. A Study of the Chronic Police Case
Inebriate, The Free Press, 1958, Glencoe, blz. 10.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
100
handelingen: het zich in het zwart kleden als symbool van rouw, het ontbloten van
het hoofd door de mannen als symbool der eerbied, enz. Een dronk zou dan
symboliseren dat men zich lid gevoelt van één en dezelfde gemeenschap.
Heel sterk komt deze symbolische functie naar voren in de gast-gast-heerrelatie.
Het aanbieden van drank is een onvermijdelijke gastvrijheidsgeste. Drinken
symboliseert naast de bredere gemeenschapszin ook de gastvrijheid. Men dient
deze sociale symbolen niet slechts in de functie van substituuthandelingen op te
vatten. Zoals de beleefdheid vaak slechts tot uiting komt in het afnemen van de
hoed, zo blijft ook de gastvrijheid beperkt tot het aanbieden van drank, zij manifesteert
zich slechts in het gemeenschappelijk drinken.
Indirect verbonden met de twee bovengeschetste functies is ook de sociale
afstandverminderende werking van het drinken. Mensen die te zamen drinken
beschouwen zich zelf als in wezen gelijken. Het tutoyeren, in Anglo-Saksische
landen het elkaar bij de voornaam noemen, wordt heel vaak bij de borrel voorgesteld;
andere landen kennen een geformaliseerde wijze van dronk uitbrengen (‘het
broederschap drinken’) waardoor de drinkgenoten als het ware familie worden.
Deze beschouwing dient echter niet in die zin te worden geduid als was er in een
samenleving met intensievere drinkgewoonten minder sociale afstand te constateren.
Vermindering van afstand binnen de groep houdt vaak in een verwijdering t.o.v. de
mensen buiten de groep. In een bedrijfsorganisatie zullen de drinkgenoten van de
directieleden met argusogen worden aangekeken door hun minder gelukkige (in
status minderbedeelde) collega's. Het drinken is dus vooral een mechanisme van
de differentiatie der samenleving, een van de wegen waarlangs de statusverschillen
tot uiting komen.
Tenslotte, over de status gesproken, willen we de functie noemen die reeds bij
onze bespreking van de rookgewoonten aan de orde kwam: zoals het roken, helpt
ook het drinken de jonge mannen inhoud aan de categorie ‘volwassenheid’ te geven.
Want thuis schenkt men zelden drank aan kinderen en buitenshuis moet het drinken
worden betaald. Slechts nadat men over zelfstandige financiële middelen beschikt
komt men ertoe om te gaan drinken. Waarschijnlijk vanwege de grotere sociale
kwetsbaarheid tijdens de roes komt de vrouw er niet zo gauw toe om alcoholica te
gebruiken en hiervan ook háár rijpingssymbool te maken. Empirische gegevens
zullen moeten aantonen of deze gedachtengang nog heden ten dage steekhoudend
is.
Tot zover onze korte weergave van de functies die aan het drinken van alcoholica
in onze samenleving wellicht kunnen worden toegeschreven.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
101
Enkele hiervan, de angsten-opheffende, de sociale isolatie-doorbrekende en de
harde realiteit-verzachtende functies werden rechtstreeks betrokken op de mogelijke
oorzaken van het drinken. Niet alle pogingen om het drinken te verklaren zoeken
aansluiting bij de functionele theorie. Het dieptepsychologisch en psychiatrisch
denken heeft b.v. een reeks inzichten verzameld die alle betrekking hebben op de
vraag waarom bepaalde personen geneigd zijn tot het excessieve drinken, het
alcoholisme.
Eén hiervan werd reeds behandeld in het hoofdstuk over de rookgewoonten: de
theorie der orale fixatie, die de oorsprong van het alcoholisme en sterke
drinkgewoonten zoekt in een infantiele fixatie aan de orale fase. Een drinker zou
nogal onbevredigd blijven in het huwelijks- en het seksuele leven, kan zich niet op
1
een adequate wijze aan de partner geven .
Verwant aan deze opvatting is de theorie van de sterke moederbinding van de
alcoholici. Pittman en Wayne Gordon (op. cit. blz. 86-87) menen bij de drinkers een
sterke afhankelijkheid van de moederfiguur te mogen constateren, een
afhankelijkheid die voortleeft in de fase der volwassenheid. (Men denke ook aan
de portretten van alcoholici die O'Neill geeft in zijn toneelstukken, b.v. ‘A Moon for
the Misbegotten.’) Hierbij komt dat de moeders van de alcoholici deze behoefte niet
in de jeugd hebben bevredigd maar gefrustreerd door het kind hetzij te hebben
verworpen, hetzij emotioneel niet te hebben aanvaard. De psychoanalytisch
georiënteerde schrijvers huldigen tevens de opvatting dat het alcoholisme een
verkapte vorm van zelfmoord is, slechts een andere vorm van de vernielzucht.
Inderdaad kunnen we nauwelijks ontkennen dat er sterke gelijkenis is tussen het
zich aan het leven onttrekken van de zelfmoordenaar en het zich aan de wereld en
omgeving onttrekken van de alcoholicus. De doodsdrift zou volgens sommige
psychoanalytici verantwoordelijk zijn voor beide. Vandaar dat men een schakel
zoekt tussen het onmatige drinken en allerlei andere vormen der agressiviteit. Sterke,
tot geweld neigende personen zouden meer geneigd zijn in een alcoholische roes
2
te vervallen dan passieve, evenwichtige typen .
De analogie met zelfmoord kan wellicht ook in het sociologisch denken zinvol
worden getrokken. Indien de zware drinkgewoonten slechts één
1
2
Dr. P.H. Esser, ‘De medische benadering van de alcoholist’, op. cit., blz. 44 en 45.
Zie over het een en ander: Dr. Erwin Ringel, Der Selbstmord, Abschluss einer krankhaften
psychischen Entwicklung, Wien, 1953. W.C.Sullivan, ‘The relation of alcoholism to suicide in
England’ in Journal of Mental Science, 1900, 260. Paul Graute, ‘Alkoholismus und Selbstmord’
Diss. Zeitschr. Psychiatr., 1939, 111, 47. Karl A. Menninger, Man against Himself, New York,
1938. De moeilijkheid om aan te tonen dat het bij de alcoholici werkelijk om een abnormaal
persoonlijkheidstype gaat, legt een beperking op aan de draagwijdte van deze theorieën.
Behalve naar de reeds aangehaalde studie van Martti Takala verwijzen we in dit verband
naar Leonard Syme, ‘Personality characteristics and the alcoholic. A critique of current studies’,
Q JSA, 18 (1957) blz. 288-301.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
102
der vormen voorstellen van het weggeven van eigen leven dan kan wellicht hetgeen
Durkheim en zijn navolgers hebben gevonden, betrokken worden op beide
verschijnselen. Durkheims theorie van sociale anomie is alweer zo algemeen bekend
1
dat zij geen uiteenzetting behoeft op deze plaats Slechts twee aspecten hiervan
willen we in onze context vermelden. In de engere zin des woords heeft anomie
betrekking op de situatie van de mens die door een snelle stijging in welvaart of op
de maatschappelijke ladder zijn contacten en bindingen met zijn sociale omgeving
heeft verbroken. Terwijl de normen wegvallen met de oude maatschappelijke
bindingen, nemen de sensuele prikkels dank zij de materiële welvaart toe. Het
organisme geraakt in een toestand van overgeprikkeldheid, nieuwe en nieuwe
prikkels opeisend, hetgeen grote energiebesteding ten gevolge heeft, daar de nieuwe
prikkels steeds door extra inspanning moeten worden betaald. Het zinloze van deze
wedloop leidt tot een innerlijke crisis, levensmoedheid en verveling, die tragisch kan
eindigen: de mens grijpt naar zijn leven of - en hier komt onze modificatie -grijpt
naar de drank. Een andere versie van de anomietheorie legt de nadruk op de
desintegratie van de samenleving, de algemene normloosheid, die eveneens
zelf-destructieve neigingen of drankzucht in de hand zou werken. Durkheim zelf
vermeldt voornamelijk de echtscheiding, de onkerkelijkheid en de industrialisatie;
we zouden wellicht geneigd zijn te denken aan de desintegratie van de ganse sociale
structuur (denk b.v. aan de Nederlandse gemeenschap in Oost-Indië voordat
Indonesië zelfstandig werd!) of aan verlies van bindingen in het algemeen.
Van de projectie van de anomietheorie in de richting van de sociale isolatie of
geremde socialisatie hebben we reeds gewaagd. Op deze plaats willen we slechts
vermelden de minder bekende opvattingen van Harry Stack Sullivan, die een
verlenging van Durkheims theorie betekenen in de richting van de desintegratie van
de mentale referentiekaders. Door de snelle technologische verandering, door
overplaatsing van de ene (sub)-cultuur naar de andere, kan de individu niet meer
een zinvolle interpretatie geven van de hem omringende wereld; hij geraakt als het
ware in paniek; zelfmoord of alcoholisme vormt vaak de geprefereerde
2
ontsnappingsweg uit deze situatie .
Dit zijn zeker niet alle opvattingen die naar voren worden gebracht om de spreiding
in de intensiteit der drinkgewoonten te verklaren. Een minder rationeel onderlegde,
desalniettemin zeer aanvaardbare opvatting is b.v. de theorie dat alcoholica
beschikbaar moeten zijn indien we van
1
2
Wij verwijzen zowel naar het werk van E. Durkheim zelf, nl. zijn Le Suicide, Paris, 1897, als
naar dat van M. Halbwachs, Les Causes du suicide, Paris, 1930.
Harry Stack Sullivan, Conceptions of Modern Psychiatry, Norton, 1953; ib., The Interpersonal
Theory of Psychiatry, Norton, 1962.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
103
sociale drinkgewoonten (gezwegen maar van het alcoholisme!) willen spreken. Dit
betreft niet slechts de technologische beschikbaarheid (het wel of niet in staat zijn
alcoholhoudende dranken te produceren) maar ook economische beschikbaarheid.
Indien de prijs van bier, wijn of gedistilleerd de beurs van de gewone man te boven
gaat zodat hij nooit met deze dranken in aanraking komt, dan komt het nauwelijks
tot het ontwikkelen van universeel verspreide gewoonten. In positieve termen
uitgedrukt, mensen die b.v. beroepsmatig veel met alcohol in aanraking komen,
zoals de ‘obers’, kelners, handelsreizigers, zullen waarschijnlijk meer intensieve
drinkgewoonten kennen dan geïsoleerde, van kroeg of drinkersgroepen verwijderde
bos- of landarbeiders.
Naast de feitelijke en economische beschikbaarheid van alcohol is er nog de
sociale beschikbaarheid, die waarschijnlijk een rol speelt bij de drinkgewoonten.
We doelen op de sociale normativiteit t.o.v. het drinken en de op de traditie
berustende drinkpatronen. Slechts met aarzeling vermelden we deze theorie, daar
het gevaar van contaminatie aanwezig is: we moeten immers de sociale
drinkgewoonten niet uit sociale drinkgewoonten (verkapt onder namen als ‘tradities’
of ‘overgeleverde drinkpatronen’) trachten te verklaren. Zoals we echter in het
volgende hoofdstuk hopen aan te tonen zijn de gewoonte en de norm niet identiek;
het verschil tussen het feitelijke en het gewenste gedrag blijft bestaan; andere, met
de drinkgewoonten niet te identificeren invloeden doen zich gelden: de houding van
de kerkgenootschappen t.o.v. de alcohol, de houding die een politieke partij of
beweging aanneemt, enz. Tenslotte willen we vermelden dat enkele
macrosociologische factoren van het drinken (zoals b.v. de oorlog, de werkloosheid,
de misdaad) buiten het kader van onze uiteenzetting werden gehouden. Waar het,
zoals in de onderhavige studie, erom gaat de variantie in de drinkgewoonten onder
de normale volwassen bevolking te verklaren konden zij, in een tijdperk van vrede,
overvloed en ‘full-employment’ buiten beschouwing worden gelaten.
1.3.2 Enkele hypothesen
Men kan allerlei bedenkingen hebben tegen de bovengeschetste theorieën omtrent
het drinken. Om te beginnen zijn zij niet uit één referentiekader afgeleid doch
verenigen zij de opvattingen gelanceerd door allerlei deskundigen: psychiaters en
psychologen, sociologen en cultuurantropologen. Verder zijn de meeste gebaseerd
op de inzichten in het excessief drinkpatroon. Tenslotte zijn sommige ervan dermate
vaag geformuleerd dat het moeilijk zal vallen om eenduidige indicatoren te vinden
die de theorieën helpen bevestigen of verwerpen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
104
Indien we toch trachten enkele hypothesen op te stellen die een licht kunnen werpen
op de spreiding van de drinkgewoonten in ons land (en in onze tijd), dan dient met
de geschetste bezwaren rekening te worden gehouden. Waar het onmogelijk is een
sluitende redeneerschakel te leggen tussen de theorie en de hypothese (zoals in
de meeste gevallen van het betrekken van de alcoholismetheorieën op sociale
drinkgewoonten) zal de verwerping van de hypothese niet noodzakelijk leiden tot
de verwerping van de theorie: de theorie kan steekhoudend blijven voor de
abnormale, maar ongeldig zijn voor de (normale) sociale drinkgewoonten. Met
andere woorden, het proces van verwerpen der hypothesen kan wellicht tot een
meer gedifferentieerd beeld leiden van de alcoholconsumptie in ons land. Dit neemt
niet weg dat een hypothese die verworpen is met betrekking tot sociale
drinkgewoonten de toets moet kunnen doorstaan met betrekking tot het alcoholisme,
willen we van de desbetreffende theorie iets overhouden.
Het bezwaar van verschillende referentiekaders zal tot uiting komen in de
moeilijkheid, zo niet de onmogelijkheid, om bij een enquête geschikte indicatoren
te vinden voor de opvattingen van louter dieptepsychologische aard. Ondanks deze
bedenking tegen de interpretatie van theorieën en tegen de poging tot
hypothesenvorming menen we enkele concrete vooronderstellingen te moeten
vermelden die ons hebben geleid bij de opstelling van de vragenlijsten en van de
verklarende matrijzen.
1: Indien, zoals gesteld, het alcoholgebruik gezien moet worden vooral
als een ontvluchtingsmechanisme uit de harde (sociale) werkelijkheid, een middel
tot de ‘verlichting der zorgen en noden’ (Esser), dan zouden mensen met meer
zorgen meer moeten drinken dan personen die ‘onbezorgd in de wereld staan’;
verder zouden we intensievere drinkgewoonten verwachten bij mensen die over
hun werk, positie, huisvesting of gezondheid niet tevreden zijn. Tenslotte zou men
kunnen stellen dat mensen uit lage inkomstengroepen meer geneigd zouden zijn
tot het drinken dan mensen wier materiële omstandigheden minder te wensen
overlaten.
HYPOTHESE
2: Indien Hortons ‘anxiety-theory’ vertaald mag worden in de termen
van de verschillende subculturen en subgroepen (in plaats van verschillende
beschavingen), dan zouden mensen die meer angsten beleven (in de termen van
het onderzoek uiteraard: mensen die zeggen meer angsten te beleven) meer drinken
dan personen bij wie de angsten-symptomen afwezig zijn.
HYPOTHESE
3: Uit de ‘vereenzamingstheorie’ en de theorie van de geremde
socialisatie leiden we af, dat meer intensieve drinkgewoonten te
HYPOTHESE
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
105
vinden zullen zijn bij de personen met lage participatie (in verenigingen en
instellingen), bij ongehuwde of gescheiden personen, bij mensen die weinig sociale
activiteit ontplooien t.a.v. hun buren (bezoeken) of kennissen.
4: Indien het drinken (evenals het roken) een van de wegen is om zich
de volwassenheidsstatus en de mannenrol toe te eigenen, dan zouden de mannen
meer drinken dan de vrouwen en zouden de drinkgewoonten bij de jeugdige mannen
intensiever zijn dan in overige leeftijdsgroepen: drinken zou wat de leeftijd betreft,
geconcentreerd zijn tussen de puberteit en de volwassenheid. Ook zou bij de
toenemende leeftijd bij de mannen een mindering in alcoholgebruik te constateren
moeten zijn.
HYPOTHESE
5: Volgens de ‘orale theorie’ zouden we alweer verwachten dat allerlei
vormen van orale bezigheid samengaan, dat drinkers van alcoholica tevens drinkers
van koffie zijn, voorliefde voor eten en snoepen hebben en roken. Al deze verbanden
zouden oorspronkelijk van aard moeten zijn en niet veroorzaakt door een of ander
bijkomstige factor (geslacht, leeftijd, enz.).
HYPOTHESE
6: Indien ‘de desintegratie van het referentiekader’ voldoende tot uiting
komt in de verzwakte binding met een of ander cultureel systeem (religie, politieke
ideologie, wijsgerig systeem) dan zouden we bij de drinkers een lagere
cultuuraanvaarding verwachten. Ook hun contacten met massacommunicatiemedia
zouden minder frequent zijn. Wij zouden deze hypothese als ‘hedonismehypothese’
kunnen lanceren: het verlangen naar sensuele of euforische bevrediging ten koste
van het geestelijk leven.
HYPOTHESE
7: De engere ‘anomietheorie’ kan wellicht door middel van de
veronderstelde samenhang tussen de inkomstenvermeerdering en drinkgewoonten
vertaald worden. De stijging van de welvaart zal met de verlaging van het normbesef
en met de stijging van het alcoholverbruik gepaard gaan.
HYPOTHESE
HYPOTHESE 8: Daar we niet kunnen veronderstellen dat de plattelandsbevolking over
minder toegang tot alcoholica zou beschikken dan de stedelijke bevolking kan de
‘beschikbaarheidstheorie’ slechts getoetst worden in de positieve richting via
bepaalde beroepsgroepen (reizigers, vertegenwoordigers, café- en
restaurantpersoneel) en in de negatieve richting via de lage inkomsten.
HYPOTHESE 9: Drinken zou tenslotte meer voorkomen in de groeperingen die minder
afkerig zijn t.o.v. de alcohol, waar de normativiteit t.o.v. het alcoholgebruik gunstiger
ligt. Teneinde de gevaren van conta-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
106
minatie te voorkomen alsmede de ingewikkelde psychologische mechanismen die
de samenhang tussen de norm en het werkelijke gedrag schijnen te bepalen, zal
naast het verband tussen de norm en de gewoonten ook verband gezocht worden
tussen het drinken en de ideologische stelsels, die wellicht de consumptienormen
op dit gebied medebepalen: de calvinistische religie, de ideologie van bepaalde
socialistische groeperingen, enz.
Slechts één indicator, de inkomsten, is verbonden met meer dan één hypothese.
Daar dit echter in de tegenovergestelde richting is, zouden we de hypothesen 1 en
8 als alternatieve hypothesen kunnen beschouwen.
De negen vooropgestelde hypothesen zijn niet de enige die in ons onderzoekswerk
over het drinken een rol speelden. Tal van vooronderstellingen koesterden we t.a.v.
de meer kwalitatieve aspecten van het drinken: de voorkeur voor verschillende
soorten alcoholica, de wijze van consumptie (thuis, in een café), de periodiciteit van
het gebruik, de roes, ‘het plafond’ dat men zich bij het drinken stelt, enz. Daar deze
echter niet met het hoofdprobleem (nl. de variabiliteit van het drinken onder de
bevolking) rechtstreeks verbonden zijn, zullen zij in de volgende paragrafen terloops
vermeld worden. We dienen eerst van de voorkomende drinkpatronen en van de
omvang van de drinkgewoonten kennis te nemen alvorens tot deze meer specifieke
hypothesenvorming en -toetsing over te gaan.
1.3.3 Frequentie en aard der drinkgewoonten
Volgens de officiële cijfers werd er in de loop van 1958 in Nederland 2.255.000 hl
bier, 164.000 hl wijn, 54.000 hl vruchtenwijn en 241.000 hl gedistilleerd à 50%
1
alcohol geconsumeerd of verhandeld . Bij een bevolking van omstreeks 11.184.000
zielen gaf dit 20 l bier jaarlijks verbruikt per hoofd, 2,16 l gedistilleerd, 1,47 l wijn en
0,48 l inlandse vruchtenwijn. We moeten voorzichtig zijn om in het gemiddeld verbruik
per hoofd der bevolking een nauwkeurige maatstaf voor drinkgewoonten te zien:
landen met een klein kindertal zullen vanzelfsprekend hoger verbruik vertonen dan
landen, die, zoals Nederland, trots zijn op hun natuurlijke populatieaanwas. Indien
we echter lezen dat de wijnconsumptie in Frankrijk omstreeks 120 l per hoofd per
jaar bedraagt, in Italië 98 l, Portugal 89 l,
1
Centraal Bureau voor de Statistiek, Maandstatistieken van de binnenlandse handel, het
verbruik en de prijzen. Jrg. 8, no. 11, November 1960, blz. 386. De Haan, N.V., Zeist.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
107
dan zal ons echter duidelijk zijn dat dit verschil met Nederland niet tot demografische
verschillen terug is te brengen en ons land tot de weinig wijndrinkende landen
behoort (te zamen mot Noorwegen, Finland, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, enz.).
Er zijn ook landen wier bierconsumptie bijna vijfkeer zo hoog is als de onze: de
zuidelijke buurman, België, behoort tot deze uitschieters, met Australië en
Nieuw-Zeeland; West-Duitsland registreert omstreeks 90 l bier per hoofd per jaar.
Indien we de bijna uitsluitend wijnconsumerende landen (Italië en Portugal) buiten
beschouwing laten, dan is het in Europa slechts Polen dat minder bier consumeert
dan Nederland. Polen kent echter haar eigen ‘plaag’ in een ongekend hoog verbruik
1
van gedistilleerd, omstreeks 5 l per hoofd der bevolking per jaar .
Vergeleken met andere landen ligt Nederland in alcoholverbruik ergens onder de
mediaan, er wordt in ons land minder alcohol verbruikt dan in landen als Frankrijk,
Italië, Polen, West-Duitsland, de Verenigde Staten en vele andere. Al is het vraagstuk
van het alcoholverbruik in Nederland van het internationaal standpunt gezien niet
één der belangrijkste, nationaal gezien vormt de alcohol voor duizenden nog steeds
‘een probleem’; talrijke groeperingen beijveren zich om het gebruik van alcohol
tegen te gaan. Voor een onderzoek naar de drinkgewoonten komt dan als een der
eerste vragen om de hoek kijken: hoe is de ganse ‘alcoholplas’ verdeeld over de
belangrijkere groeperingen in ons land? Wie drinken er wel en wie weinig of niets?
De officiële statistieken die ons de omvang van het alcoholverbruik vrijwel
nauwkeurig aangeven, laten ons omtrent het antwoord op deze vraag in het duister.
Teneinde althans bij benadering een antwoord te krijgen hebben wij de aan de
steekproef van 1.297 personen voorgelegde vragen omtrent de alcoholconsumptie
in de week voorafgaande aan onze ondervraging gebruikt als basis voor de evaluatie.
Naar schatting werden er door onze respondenten 1.270 glazen bier, 620 glaasjes
jenever of cognac en 811 glazen wijn of andere dranken verwerkt. Indien we deze
aantallen vermenigvuldigen met de gebruikelijke maten en de 52 weken, krijgen we
eveneens een raming van verbruik per hoofd per jaar in l. Schatten we een bierglas
op ¼ l dan krijgen we 12,7 l per hoofd per jaar; er is echter reden om aan te nemen
dat sommige respondenten in plaats van bierglazen aan bierflessen dachten bij de
beantwoording van onze vraag. Indien dit bij alle bierdrinkers het geval zou zijn, zou
het bierverbruik in de steekproef stijgen tot 25,5 l per hoofd. Dit lijkt ons niet
aannemelijk.
1
Wij maakten dankbaar gebruik van een brochure ‘Hoeveel alcoholhoudende dranken worden
er in de wereld gedronken?’ samengesteld door het Produktschap voor Gedistilleerde Dranken,
Schiedam, 1960, en van de bronnen daar aangehaald.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
108
Wij willen er slechts op wijzen dat het ons opgegeven aantal glazen aan de lage
kant schijnt te liggen. Hetzelfde kunnen we constateren t.a.v. het gedistilleerd (jenever
3
en cognac); indien gemiddeld omstreeks 37-38 cm per glaasje wordt geschonken
komen we op een verbruik van slechts 0,932 l per hoofd per jaar. Wat wijn betreft
verkrijgen wij eerder een vertekening naar boven. Bij het stellen van een gemiddeld
wijnglas op 0,1 l komen we op een verbruik van 3,25 l per persoon per jaar.
Een nauwkeurige vergelijking van beide bronnen der gegevens is uiteraard niet
goed mogelijk. Schuld hieraan droeg een enigszins afwijkende classificatie, die wij
bij de bewerking van de gegevens toepasten. Afzonderlijk werd slechts het gebruik
van bier gecodeerd, hiernaast jenever te zamen met cognac genomen en tenslotte
de categorie ‘wijn en andere dranken’. Onder deze laatste categorie viel ook
‘citroenjenever, bessenjenever, sherry’ en dergelijke dranken die door officiële
statistieken onder het gedistilleerd worden gerangschikt. Dit verklaart het feit dat de
waarden door ons voor ‘gedistilleerd’ (in ons onderzoek slechts jenever en cognac)
verkregen opvallend laag en die voor de wijn opvallend hoog waren.
Een andere moeilijkheid voor nauwgezette vergelijking van de
C.B.S.-consumptiegegevens en de gegevens door middel van onze enquête
verzameld, vormt het ontbreken van gegevens omtrent het drinkpatroon der jeugdigen
onder de 20 jaar. De correlatie van drinkgewoonten met de leeftijd (zie verder Tabel
1.3.5 en 1.3.6) suggereert dat de rijpende jeugd in ons land ook haar intensief
alcoholgebruik kent, intensiever zelfs dan dat van de meeste volwassenen. Terwijl
de C.B.S.-gegevens op de gehele alcoholconsumptie in Nederland slaan, beperkt
het onderhavige onderzoek zich uitsluitend tot volwassenen.
Al met al behoeven we echter de geconstateerde verschillen niet al te zwaar op
te vatten. Rekening houdend met de twee bovengenoemde feiten kunnen we stellen
dat de discrepantie tussen beide bronnen der gegevens niet al te groot is. Zij is
opvallend laag bij de wijndrinkers en de drinkers van lichter gedistilleerde dranken.
Dit lezen wij uit de onderstaande Tabel 1.3.1, die de voornaamste vormen van
alcoholconsumptie kwantitatief weergeeft voor beide geslachten. Zij is iets groter
met betrekking tot bier en de twee soorten gedistilleerd. Dit zou wellicht wijzen op
het feit dat de jonge mannen (bier- en jeneverdrinkers), in onze steekproef niet
vertegenwoordigd, vooral intensievere drinkgewoonten kennen, dat de mannen op
een jongere leeftijd met het drinken beginnen, terwijl de vrouwen (wijndrinkers)
slechts de gelegenheidsdrinkgewoonten overnemen op oudere leeftijd, hetzij in
eigen gezinsverband of ten tijde van verloving of kennismaking. Al deze
veronderstellingen werden door onze structurele analyse (1.3.4) bevestigd.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
109
Tabel 1.3.1 Consumptie van alcoholhoudende dranken naar geslacht,
dranksoort en het opgegeven aantal glazen per week
Tabel 1.3.1 Consumption of alcoholic beverages in the week preceding
the interview; by sex, the beverages and the number of glasses
consumed
Respondenten verdeeld naar het aantal geconsumeerde glazen:
Distribution of respondents by the number of glasses consumed:
Dranksoortgeen
-3
-6
-9
- 15
- 21
22 none
Kind of
beverage
consumed
Mannen
Men
Geen
209
alcoholh.
drank
Nonalcoholic
beverages
a. bier
beer
0
95
35
17
18
4
6
b.
0
jenever,
cognac
distilled
spirits
38
12
5
6
4
1
c. wijn of 0
andere
wine or
other
alcoholic
beverages
25
9
6
3
2
1
a+b
0
4
5
4
4
1
1
b+c
0
0
2
0
0
0
0
a+c
0
4
5
3
0
0
1
a+b+c 0
1
1
3
3
1
2
‘drinkt
nooit’
‘never
drinks’
0
0
0
0
0
0
0
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Geen
0
antwoord
0
0
0
0
0
0
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
209
167
69
38
34
12
12
%
34,1
27,3
11,3
6,2
5,6
1,95
1,95
No
answer
Dranksoort
Kind of
beverage
consumed
Mannen
Men
‘drinkt nooit’ geen antwoord Totaal
‘does not drink’
Total
no answer
Geen alcoholh.
drank
Nonalcoholic
beverages
a. bier
beer
2
b. jenever,
cognac
distilled spirits
%
209
34,2
177
28,9
66
10,8
c. wijn of
andere
wine or other
alcoholic
beverages
1
47
7,7
a+b
1
20
3,3
b+c
2
0,3
a+c
13
2,1
a+b+c
11
1,8
0
63
10,3
4
4
0,6
-----
-----
-----
-----
63
8
612
100,0
‘drinkt nooit’
‘never drinks’
63
Geen antwoord 0
No answer
Totaal
Total
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
%
10,3
1,3
100
Respondenten verdeeld naar het aantal geconsumeerde glazen:
Distribution of respondents by the number of glasses consumed:
Dranksoortgeen
-3
-6
-9
- 15
- 21
22 none
Kind of
beverage
consumed
Vrouwen
Women
Geen
308
alcoholh.
drank
Non-alcoholic
beverages
0
0
0
0
0
0
a. bier
beer
17
3
0
2
2
0
b.
0
jenever,
cognac
distilled
spirits
14
2
4
2
0
0
c. wijn of 0
andere
wine or
other
alcoholic
beverages
94
15
8
2
3
1
a+b
0
1
1
0
1
1
0
b+c
0
3
7
1
0
0
0
a+c
0
4
3
0
0
0
0
a+b+c 0
1
1
1
1
0
0
‘drinkt
nooit’
‘never
drinks’
0
0
0
0
0
0
0
Geen
0
antwoord
0
0
0
0
0
0
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
308
134
32
14
8
6
1
No
answer
Totaal
Total
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
%
45,0
Dranksoort
Kind of
beverage
consumed
Vrouwen
Women
19,6
4,7
2,0
1,2
‘drinkt nooit’ geen antwoord Totaal
‘does not drink’
Total
no answer
0,9
0,2
%
Geen alcoholh. 0
drank
Non-alcoholic
beverages
0
308
15,0
a. bier
beer
0
0
24
3,5
b. jenever,
cognac
distilled spirits
0
0
22
3,2
c. wijn of
andere
wine or other
alcoholic
beverages
0
2
125
18,2
a+b
0
0
4
0,6
b+c
0
0
11
1,6
a+c
0
0
7
1,0
a+b+c
0
0
4
0,6
‘drinkt nooit’
‘never drinks’
172
0
172
25,1
8
8
1,2
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
172
10
685
100,0
%
25,1
1,4
100
Geen antwoord 0
No answer
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
110
De door ons aangehaalde Tabel 1.3.1 geeft ons reeds inzicht in de spreiding van
de drinkgewoonten over de mannelijke en de vrouwelijke bevolkingsdelen; tevens
vinden we hier de belangrijkste kwalitatieve en kwantitatieve aspecten der
drinkgewoonten met elkaar gecorreleerd. De grootste hoeveelheid alcohol blijkt in
de vorm van bier te zijn geconsumeerd. Wel is het nodig om de restrictie eraan toe
te voegen dat het mannelijke en het vrouwelijke drinkpatroon juist in dit opzicht sterk
van elkaar afwijken: mannen schijnen in opvallende mate frequenter bier- en
jeneverdrinkers te zijn, de vrouwen wijn- en aperitiefdrinkers. Een andere conclusie
die uit Tabel 1.3.1 kan getrokken worden, is, dat de grotere hoeveelheden alcohol
vooral door de bierdrinkers worden gebruikt. Het gemiddelde wekelijkse gebruik
bedroeg voor de categorie bierdrinkers nl. 5½ glazen, voor de jenever- en
cognacdrinkers 4 en voor de wijndrinkers eveneens 4 glazen.
Dat bier bij de sociale drinkgewoonten een belangrijke rol speelt, werd bevestigd
door middel van een andere vraag die we aan onze ondervraagden stelden: ‘Als U
een glaasje krijgt aangeboden, wat kiest U dan meestal?’ De antwoorden konden
als volgt worden gegroepeerd (Zie tabel 1.3.2, blz. 111).
Onder de mensen die de uitgesproken voorkeur geven aan een der alcoholische
dranken, zijn de bierdrinkers het sterkst vertegenwoordigd, gevolgd door
jeneverdrinkers en de wijndrinkers. Alweer bevestigt ons enquêtemateriaal het
algemeen patroon dat ons reeds uit de C.B.S.-gegevens bekend is. Wel bemerken
we dat op de tweede vraag een groot aantal gemengde antwoorden kwam, de
voorkeur ging niet naar één, echter naar twee of zelfs meerdere dranksoorten. Bijna
de helft (ca. 48%) van onze steekproef reageerde op deze wijze op onze vraag naar
de drank die men prefereerde. Dit percentage is veel lager bij de vraag naar de
feitelijke consumptie (bij de mannen ca. 7,5%, bij de vrouwen 3,8% van personen
die tenminste twee van de door ons geregistreerde categorieën hebben genoemd).
Het feit dat de vraag naar de feitelijke consumptie met een veel beperkter aantal
antwoordcategorieën rekent dan de vraag naar de drank die men ‘meestal’ prefereert,
kan o.i. slechts een deel van dit verschil verklaren. De meer frequente gebruikers
van alcohol hebben waarschijnlijk ook een meer uitgesproken voorkeur voor één
der dranksoorten.
Nog een andere conclusie kan getrokken worden uit Tabel 1.3.1: het
alcoholverbruik is opvallend laag. In een willekeurig gekozen week bleek bij de
gebruikers het gemiddelde aantal glazen beneden 1 per man of vrouw per dag,
d.w.z. zoals vermeld, 5½ glazen per week per biergebruiker, en omstreeks 4 glazen
voor elk van de twee andere categorieën. Hierbij komt nog dat de ‘actieve bevolking’
(d.w.z. dat gedeelte van de popu-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
111
Tabel 1.3.2 Drank die men prefereert
Table 1.3.2 Kind of beverage one prefers
Aantal
Number
115
%
Jenever
Dutch gin
105
8,1
Wijn
Wine
72
5,6
Advocaat
Egg-nog
51
3,9
Cognac
Cognac
26
2,0
Vermouth
Vermouth
16
1,2
Bessenjenever
Currant-gin
24
1,9
Likeur
Liqueur
15
1,2
Port
Port
9
0,7
Sherry
Sherry
7
0,5
Boerenjongens
Brandy and raisins
3
0,2
Gin
Gin
1
0,1
Bier
Beer
8,9
Andere alcoholische
40
dranken
Other alcoholic beverages
3,1
Combinatie van meerdere 287
alcoholische dranken
Combination of several
alcoholic beverages
22,2
Combinatie van
alcohlhoudende en
alcoholvrije dranken
Combination of alcoholic
and non-alcoholic
beverages
293
22,5
Limonade
Lemonade
85
6,5
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Cola
Cola
14
1,1
Sinaasappelsap
Orange-juice
23
1,8
Appelsap
Apple-juice
1
0,0
Andere alcoholvrije
43
dranken of combinatie
Other non-alcoholic
beverages or combination
3,3
Niets
Nothing
57
4,4
Geen adequaat antwoord 10
0,8
No (adequate) answer
-----
-----
-----
Totaal
Total
1.297
100,0
latie of steekproef dat überhaupt alcoholica gebruikt) niet al te hoog is. In de termen
van de werkelijke consumptie in de week voorafgaande aan het gesprek (en dit
betrof geen enkel bepaalde week van het jaar doch één der weken vanaf juli t/m
december 1958; zie 2.4) gebruikten 752
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
112
geen alcoholhoudende drank, dat is 58% van alle ondervraagden. Het aantal mensen
dat helemaal nooit drinkt is uiteraard veel lager. Blijkens de overeenstemmende
getuigenis uit twee door ons aangehaalde bronnen ligt het percentage
1
geheelonthouders tussen 15 en 21% .
Bijna een vijfde van de volwassen bevolking gebruikt dus nooit alcohol, terwijl
zeker tenminste 2/5 van de bevolking (40% volgens onze gegevens over de
consumptie in de week) slechts gelegenheidsdrinkers zijn, mensen die ook langere
perioden dan zeven dagen overslaan en geheel geen alcoholica gebruiken in deze
2
perioden .
Over de resterende 41% die wel alcoholica verbruikten in de week, voorafgaande
aan het interview kunnen slechts enkele gegevens uit Tabel 1.3.1 worden afgelezen.
Zo weten we dat 56 personen (dat is omstreeks 4,3% van de totale steekproef)
meer dan 15 glazen hebben verwerkt, hetgeen neerkomt op meer dan twee glazen
3
per dag .
Vergeleken met een onzer zuidelijke buren is er zonder twijfel een opvallend laag
percentage mensen, die een dosis opgeven die gelijkt op habitueel alcoholgebruik.
Een nadere informatie verkregen door middel
1
2
3
Deze schatting mag op de gehele volwassen Nederlandse bevolking van 1958 betrokken
worden. De waarde die we in onze steekproef vonden, bedroeg 18%; de standaardfout,
berekend op de antwoorden op de vraag: ‘Wat voor alcoholische dranken heeft U in de
afgelopen week gebruikt?’ bedroeg 1,8%, waarbij rekening werd gehouden met het z.g.
clustering effect; zie 2.7.
Bij vrouwen troffen we in onze steekproef meer onthouders aan, nl. 21,8% vergeleken met
14% bij de mannen.
Het doet ons alweer genoegen ter vergelijkende gegevens te plaatsen van het gedegen
‘Margriet-onderzoek’ waarvan we kennis namen bij de laatste fase van ons werk. In
Lezerskring-onderzoek Revue, Deel 4, blz. 34 en 35 lezen we dat 22% mannen en 34%
vrouwen nooit alcoholische dranken thuis gebruiken. De vragen, die men stelde, luidden als
volgt: ‘Welke van de op deze kaart staande dranken gebruikt U weleens thuis?’ en ‘Hoe lang
is het geleden dat U ... (naam van de opgegeven drank) voor het laatst thuis dronk?’
We bemerken dat de opgegeven percentages hoger liggen dan de door ons vastgestelde
schattingen van ‘geheelonthouders’. Men bedenke echter dat in het ‘Margriet-onderzoek’
slechts het gebruik thuis werd nagegaan. Het mag verondersteld worden dat vooral vele
jeugdigen niet thuis maar wel in café's nu en dan drinken, zoals onze enquête heeft uitgemaakt.
Voor de rest vinden we enkele van onze bevindingen bevestigd: de welgestelden verbruiken
meet (percentage niet-gebruikers is er lager), hetgeen vooral bij de vrouwen sterk in het oog
springt. De differentiële preferentie voor verschillende soorten dranken is eveneens bevestigd
alsmede de volgorde van voorkeur voor verschillende dranksoorten. (Men raadplege behalve
het reeds aangehaalde Deel 4 ook vooral Lezerskringonderzoek Margriet, Deel I, waar in de
bijlage een methodologische en statistische uiteenzetting is vervat.)
Het zal de lezer wellicht opvallen dat in de verdere tekst in dit hoofdstuk niet het aantal glazen
telkens naar dranksoort wordt gespecificeerd. Het bleek bij de bewerking een betrekkelijk
moeilijke zaak te zijn een dergelijke specificatie telkens toe te passen daar we hierdoor de
mogelijkheid tot opsplitsen in meer zinvolle verbanden zouden verliezen. Wel mag erop
gewezen worden dat de grootte van het glas waarin alcoholica worden geschonken bij usus
aangepast is aan de sterkte van de drank, zodat het percentage verbruikte alcohol minder
uiteenloopt dan de leek zou vermoeden. Dr.Jakobson schat dat het gewicht verbruikte alcohol
per glas varieert tussen 10-18 g. Men raadplege hieromtrent Knud O.Möller (e.a.) Stimulantia.
Genotmiddelen en narcotica, Den Haag, 1951, blz. 156.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
113
van de vraag naar ‘het drinken op vaste tijden’ gaf te kennen dat er in Nederland
nauwelijks sprake kan zijn van regelmatig dagelijks alcoholgebruik dat in het dagritme
is ingeruimd, zoals een aperitief voor menige Fransman of een glas wijn voor haast
elke Italiaan. Slechts 113 personen van de 1.297 die we ondervroegen, gaven toe
op vaste tijden te drinken; 20 gaven geen of ontwijkend antwoord, terwijl de rest,
1.164 respondenten (89,7%) een negatief antwoord gaf op deze vraag. Een klein
groepje van 113 personen gaf de volgende tijden aan wanneer men meestal dronk:
's avonds
37 personen
tegen het avondmaal
26 personen
tussen de middag
16 personen
's ochtends
19 personen
tussen de middag en tegen de avond
2 personen
andere combinatie van tijden
10 personen
‘gehele dag’
3 personen
-----
Te zamen
113 personen
Oorspronkelijk zagen we in de kleine groep van 19 personen die reeds 's morgens
beginnen met drinken de alcoholisten bij uitstek, ons aansluitend bij de algemene
symptomatiek van Jellinek en andere deskundigen, die in de ochtenddronk een
teken aan de wand zien. Bij nadere analyse van de gevallen bleek dat niet alle 19
1
drinkers tot de categorie mensen ‘verslaafd aan alcohol’ gerekend konden worden .
Onder deze ‘vaste drinkers’ zijn 39 bijna uitsluitend bierdrinkers, 33
jeneverdrinkers, 13 personen wijndrinkers; 25 personen vermelden een van de
andere alcoholhoudende dranken, 14 zeggen geen voorkeur voor een bepaalde
drank te hebben. De groepering van ‘vaste drinkers’ wijkt wat geslacht en leeftijd
betreft niet significant af van het gemiddelde in onze steekproef. Indien we echter
de 59 personen afzonderen die vermelden op vaste tijden te drinken en die het niet
bij één glas laten (omstreeks 4,5% van de totale volwassen bevolking volgens onze
steekproef) dan bemerken we overwegend mannelijke, oudere personen (de
verhouding van mannen tot vrouwen is als 4 : 1; mediaanleeftijd van deze groepering
is 58 jaar; van mannen in onze steekproef: ca. 42 jaar). Deze concentratie van de
‘vaste, sterke drinkers’ onder de oudere leeftijdsgroepen is des te opvallender daar,
zoals we straks zullen aantonen, de normale drinkgewoonten vooral onder de jongere
leeftijdsgroepen floreren.
1
Voor de betekenis van de ‘ochtenddronk’ zie E.M. Jellinek, ‘Phases in Drinking History of
Alcoholics’, in QJSA, no. 1, 1946, tevens in de vertaling van Dr. Kirchmayer beschikbaar
gesteld door de Nationale Federatie voor de Geestelijke Volksgezondheid.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
114
Het is opvallend dat bij de registratie van de antwoorden betreffende de tijden
wanneer men meestal drinkt, geen van de vaste drinkers vermeldde het uur van
het noenmaal of het avondmaal, hoewel deze categorie nadrukkelijk werd ingevoerd.
Teneinde de verhouding van drinkgewoonten t.o.v. de eetgewoonten af te bakenen
hebben we ook de vraag gesteld: ‘Wat drinkt U meestal aan tafel (bij de warme
maaltijd)?’ Slechts 22 personen vermeldden hier bier (12 mannen en 10 vrouwen)
en vijf de wijn (2 mannen en 3 vrouwen), dit is te zamen slechts omstreeks 2% van
de steekproef. Al de rest vermeldt, hetzij niets te drinken aan tafel (85,3% volgens
onze schatting), hetzij tot een der alcoholvrije dranken zijn toevlucht te nemen: water
(117 personen d.i. 9% van de totale steekproef), limonade (11 personen, d.i. 0,8%),
melk (3 personen, d.i. 0,2%), cola (eveneens 3 personen); 26 personen noemden
meer dan een drank, 3 gaven geen adequaat antwoord.
Het drinken van alcoholica in Nederland is slechts zelden een bezigheid die zich
met een bepaalde regelmaat herhaalt, het is haast nooit een onderdeel van het
dagelijkse ritme door de maaltijden bepaald. Houdt dit in dat de drank meestentijds
buitenshuis, in de cafés wordt gedronken? Teneinde een antwoord te krijgen op
deze vraag hebben we aan de vraag omtrent het sociale element in het drinken
(‘Biedt U zelf wel eens een glaasje aan? Zo ja, wat?’) nog een staart' toegevoegd
omtrent de plaats waar de drank wordt aangeboden. Uit de in Tabel 1.3.3 vervatte
gegevens blijkt dat een verrassende meerderheid thuis blijkt te drinken en anderen
de drank te gunnen:
Tabel 1.3.3 Het aanbieden van de drank naar geslacht en plaats van
consumptie
Table 1.3.3 Offering drinks; by sex and the place of consumption
Mannen
Men
SpecificatieAantal
Number
Specification
Biedt nooit 83
een glas
aan
Never
offers a
drink
%
Vrouwen
Women
Aantal
Number
%
Totaal
Total
Aantal
Number
%
13,6
132
19,3
251
16,6
‘Weet het 2
niet’,
‘haast
nooit’
‘Does not
know’,
‘hardly
any’
0,3
1
0,2
3
0,2
Schenkt
thuis
Offers
drinks at
home
60,6
508
74,2
879
67,8
371
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Schenkt in 70
café
Offers
drinks in
pubs
11,4
7
1,0
77
5,9
Schenkt in 2
een
kantine
Offers
drinks in
canteen
0,3
0
0
2
0,2
Beide:
82
thuis en in
een café
Both at
home and
in pubs
13,4
19
2,8
101
7,8
Geen
2
adequaat
antwoord
No
(adequate)
response
0,4
18
2,5
20
1,5
Totaal
Total
100,0
685
100,0
1.297
100,0
612
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
115
Er zijn tien keer zoveel mensen die het eigen huis als de plaats waar ‘de drinkpartij’
plaatsheeft, vermelden, als mensen die alle andere gelegenheden noemen. Het
valt bovendien op dat vooral vrouwen bijna uitsluitend thuis drank aanbieden; de
vrouwelijke rol verdraagt het waarschijnlijk nog niet dat vrouwen elkaar of de mannen
in een café of restaurant op een drank ‘trakteren’.
Tenslotte willen we erop wijzen dat de gewoonte om een borrel of drank aan te
bieden vrijwel universeel is; slechts 1 op 7 volwassen Nederlanders doet hierin niet
mee. Door onze gegevens op te splitsen naar de beroepen der respondenten is het
ons gebleken dat zelfs bij de Nederlandse arbeiders het sociale drinken is
ingeburgerd: we vonden geen significante concentratie van negatieve antwoorden
op onze vraag bij deze groep. Wel viel te constateren dat arbeiders eerder geneigd
zijn om een borrel of biertje in een café dan thuis aan te bieden. O.i. speelt hier een
afwijkende houding t.o.v. het sparen en het eigendom een rol, hetgeen zich
weerspiegelt ook in de andere houding t.o.v. de bevoorrading. Deze hypothese kon
door middel van de volgende vraag bevestigd worden: ‘Hebt U thuis alcoholische
dranken? Welke? Hoeveel?’ De antwoorden konden als volgt gerangschikt worden.
Tabel 1.3.4 Hoeveelheid drank thuis
Table 1.3.4 Storage of alcoholic beverages at home
Aantal
Number
54
%
4,3
Cumulatief%
Cumulative%
100
Niets
Nothing
585
45,1
95,7
‘Zo een paar
flessen’
‘A few bottles’
50
3,8
50,6
1 fles
1 bottle
196
15,1
46,8
2 of 3 flessen
2 or 3 bottles
200
15,4
31,7
4 of 5 flessen
4 or 5 bottles
109
8,4
16,3
6 of 7 flessen
6 or 7 bottles
38
2,9
7,9
8 of 9 flessen
8 or 9 bottles
17
1,3
5,0
10 à 14 flessen
10 or 14 bottles
19
1,5
3,7
15 flessen of meer 29
2,2
2,2
Geen adequaat
antwoord
No (adequate)
answer
15 bottles or more
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Totaal
Total
1,297
100,0
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
116
Wij bemerken dat ruimschoots de helft van onze bevolking alcoholica in huis heeft
en in deze zin ‘leeft met alcohol’. Bij omstreeks een derde blijft dit niet bij één fles,
terwijl een vijf percent, d.w.z. elke twintigste Nederlander, een voorraad van acht
of meer flessen heeft, hetgeen reeds op een goed voorziene kelder gaat lijken. Het
verband met het beroep en de maatschappelijke positie is klaarblijkelijk. Van de 73
ondernemers, personen in vrije beroepen of hogere administratieve beroepen bleken
slechts 16 geen alcohol thuis te hebben, 55 hadden wel een (behoorlijke!) voorraad.
Van de 244 personen uit het arbeidersmilieu in onze steekproef bleken 159 geen
alcohol thuis te hebben en slechts 85 een (bescheiden) voorraad aan flessen te
1
hebben ingeslagen .
Hoewel het drinken voornamelijk thuis plaatsheeft, is het niet evenredig verspreid
over alle dagen van het jaar. Er valt om te beginnen, zoals bij het roken, een wekelijks
ritme te constateren. Gevraagd of er bepaalde dagen waren waarop men meer
meende te drinken, gaf een meerderheid, 58% van alle ondervraagden, een negatief
antwoord; voor 18,1% van alle personen die reeds bij een eerdere vraag te kennen
gaven dat zij nooit dronken, was de vraag niet van toepassing; 4,2% gaf geen of
geen adequaat antwoord. De 256 personen die positief antwoordden gaven duidelijk
hun voorkeur voor de zondag te kennen (83 personen) of voor zaterdag (43
personen), terwijl de combinatie, vooral van zondag en zaterdag, eveneens frequent
vermeld werd (112 personen). Slechts een groep van 18 personen noemden andere
dagen in de week.
Bij nader opsplitsen van de gegevens is ons gebleken dat de bierdrinkers vooral
de weekenddrinkers zijn, terwijl wij bij de jeneverdrinkers een opvallende neiging
constateerden hun voorkeur ook naar andere dagen te doen uitgaan. Te zamen
met het reeds genoemde feit dat de jeneverdrinkers gemiddeld van een hogere
leeftijd zijn dan de bierdrinkers, menen we te mogen concluderen dat mensen met
sterkere behoefte aan alcohol eerder onder de sterke-drankgebruikers te vinden
zullen zijn; met andere woorden, het is in deze groep van oudere mannelijk
jeneverdrinkers, die bij voorkeur op een werkdag hun bevrediging zoeken, waar wij
o.i. onder de normale bevolking de verborgen groep potentiële alcoholici kunnen
zoeken.
Uit het feit dat de meeste drinkers de weekenddrinkers zijn, leiden we af dat
drinken in Nederland voornamelijk een sociale aangelegenheid is. Reeds hebben
we aangetoond dat de gewoonten om een ander op een glaasje te trakteren zeer
algemeen verspreid is. Een andere bevestiging van de sociale aard van het drinken
vinden we in de motieven tot het
1
Op de rol van de financiële factor hopen we nog terug te komen. Op deze plaats willen we
reeds vermelden dat de sociaal-psychologische onderzoekingen een afwijkende tijdsperceptie
van arbeiders en middenstanders suggereren; er zou bij arbeiders tevens de neiging tot meer
onmiddellijke behoeftenbevrediging te constateren vallen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
117
drinken. De vraag die gesteld werd in dit verband luidde: ‘Wanneer U alcoholische
drank gebruikt, waarom doet U het eigenlijk?’ Een aantal mogelijke redenen werd
genoemd (zie vraag 101 in Bijlage 1). De vraag bleek niet al te goed te werken, daar
sommige respondenten het bij de ene genoemde categorie niet lieten en, zoals ook
van hen verwacht, andere redenen noemden. Deze andere redenen bleken echter
moeilijk onder een of ander gemeenschappelijke noemer terug te brengen. Bijna
de helft viel bij het coderen in de rubriek van de niet vaak voorkomende motieven
of van combinatie der motieven. Hiernaast, zoals reeds vermeld, verklaarden 18,1%
van onze respondenten nooit te drinken en de vraag was daarom niet van toepassing.
De overgehouden 437 personen die alcohol gebruikten en een duidelijk
classificeerbaar antwoord gaven op onze vraag, konden als volgt worden ingedeeld:
Tabel 1.3.5. Waarom drinkt men eigenlijk?
Table 1.3.5. Motives to drink
‘Ik vind het gezellig’
‘congeniality’
‘Ik vind het lekker’
‘it tastes well’
Aantal
Number
319
71
‘Omdat anderen drinken en ik geen raar 25
figuur wil slaan’
‘social pressure’
‘Ik voel me prettiger’
‘feel better’
9
‘Om warm te worden of een verkoudheid 6
kwijt te raken’
‘to get warm’
‘Ik vind het gezond’
‘it's healthy’
3
‘Om meer zelfvertrouwen te krijgen’
‘to get more self-confidence’
3
‘Om narigheid en ellende te vergeten’
‘to forget misery’
1
Totaal
Total
437
Al mag men om methodologische redenen aan deze onderstreepte uitspraken niet
al te grote consequentie toeschrijven, het moge ons toch opvallen dat ‘gezelligheid’
door bijna drie keer zo veel personen wordt aangegeven als voornaamst motief tot
drinken als alle andere zeven categorieën te zamen. Duidelijk blijkt ook uit deze
staat, dat het hier waarschijnlijk niet om motieven van alcoholici gaat; een deel van
de sociale drinkers beschouwt alcohol slechts als een andere vorm van snoepen
(denk aan ‘advocaatjes met slagroom’ die in sommige kringen zo populair zijn!),
een deel drinkt
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
118
slechts ‘omdat het moet’. Opvallend weinig geven op om een der effecten van alcohol
te drinken: de euforie of psychische nawerking.
Toch is het effect en de roes aan de personen in onze steekproef niet geheel
onbekend. Om dit aan te tonen werd eerst de volgende vraag gesteld: ‘Wat is het
grootste aantal glazen dat U drinkt op een dag of op een feest?’ Hierna werd nog
voorzichtig geïnformeerd: ‘Drinkt U weleens een glaasje te veel? Zo ja, hoe voelt U
zich dan: vrolijk, droevig, opgewekt, sterk verlaten, ontspannen, ziek, anders; hoe?’
Zoals we uit de hieropvolgende staat kunnen aflezen heeft bijna een kwart van de
volwassen bevolking de ervaring met tenminste 6 glazen op een avond of een feest
opgedaan, bijna 12% dronk meer dan 9 glazen en nog 7% ging zelfs 11 glazen te
boven:
Tabel 1.3.6 Het grootste aantal glazen dat men drinkt
Table 1.3.6 The largest number of glasses one consumes
Aantal
Number
235
Drinkt nooit
Never drinks
Geen adequaat antwoord 25
%
18,1
1,9
No (adequate) answer
1 of 2
1 or 2
291
22,4
3
208
16,0
4
123
9,5
5
106
8,2
6
73
5,6
7
45
3,5
8
38
2,9
9 of 10
9 or 10
60
4,6
11 of meer
11 or more
93
7,3
Totaal
Total
1,297
100,0
Alweer valt er uiteraard een verschil bij de mannen en de vrouwen waar te nemen.
Indien we de ‘actieve’ (d.w.z. drinkende) bevolking als basis nemen voor onze
vergelijking, dan bemerken we dat de mannen gemiddeld 5,7 glazen en de vrouwen
3,2 glazen (mediaan) als hun topprestatie opgeven. Eigen gedrag weerspiegelt zich
ook in de perceptie van het mogelijke en het onmogelijke. Op de vraag: ‘Wat is
volgens U het grootste aantal glazen dat de mens kan drinken op een avond?’ was
de mediaanwaarde voor de mannen 14 glazen, terwijl de vrouwen gemiddeld 10,5
glazen het ‘plafond’ vonden dat men kon bereiken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
119
Op de tweede vraag omtrent de bekendheid met de roes gaf een grote meerderheid
te kennen nooit een glaasje ‘te veel’ te drinken: 821 personen, dat is volgens onze
schatting omstreeks 64% van de bevolking; hierbij moeten nog 18,1% mensen die
nooit drinken worden opgeteld. Slechts 221 personen d.i. 17,3% van onze steekproef,
gaven openlijk toe nu en dan te drinken in de mate, die in hun eigen ogen aan de
hoge kant lag (3 personen, 0,2% van de steekproef viel in de categorie ‘durf het niet
te zeggen’, 2 personen antwoordden ‘misschien’, terwijl 6 personen helemaal geen
antwoord gaven op onze vraag). Eén uit de zes volwassen Nederlanders drinkt
weleens tot men de bedwelmende effecten van alcohol ondervindt. De euforie is
dan de voornaamste zaak: de verhouding van drinkers die zich vrolijk en opgewekt
gevoelen t.o.v. de trieste en droevige drinkers is 3 tot 1. Slechts 6 personen gaven
op, dat zij zich ontspannen gevoelden (0,5% van de steekproef), 6 voelden zich
onder de invloed van alcohol dapper en sterk, 4 verlaten.
Alweer spelen allerlei sociale factoren een rol bij de bovenomschreven
verschijnselen; op de sociale determinanten van de ‘dronkenschap’ hopen we in de
volgende paragraaf nog nader in te gaan. In dit verband willen we slechts vermelden
dat bij de vrouwen het excessieve drinken (althans volgens de opgave der
respondenten geregistreerd) veel minder frequent voorkomt. Naar verhouding geven
3 à 4 keer zo veel mannen dronkenschap op als de vrouwen. Wat bij de beschrijving
van drinkgewoonten echter opvalt, is dat, terwijl bij de mannen de verhouding van
de vrolijke tot de droevige drinkers 3,5 : 1 is, deze bij de vrouwen slechts 2,1 : 1
bedraagt. Het percentage vrouwen met een ongelukkige roes is bijna dubbel.
Bij de bespreking van onze gegevens is het ook interessant het onderlinge verband
tussen de afzonderlijke indicatoren van drinkgewoonten te vermelden. Men denke
b.v. niet dat de mensen die in de week voorafgaande aan het interview geen
alcoholica hebben genuttigd hierdoor reeds tot de categorie van niet-drinkenden
moeten worden gerekend: 65 van de 517 van deze personen in onze steekproef
(d.w.z. 12,5%) geeft toe nu en dan een glaasje te veel te drinken. Dit ‘glaasje te
veel drinken’ is dan ook waarschijnlijk geen gebeurtenis die aan het wekelijkse ritme
is gebonden; het betreft het drinken bij de feesten, feesten die slechts nu en dan
gehouden worden en de gelegenheid bieden tot excessief alcoholgebruik.
Nog een vraag hebben we toegevoegd aan onze stimulus betreffende de
bekendheid met de roeseffecten van de alcohol: hoeveel moet men hebben
gedronken om zich vrolijk en opgewekt of juist triest en droevig te voelen? Voor
mannen kregen we het gemiddelde (mediaan) van 8,5 glaasjes, voor vrouwen alweer
significant lager, nl. 5,5 glaasjes. Het is moeilijk om aan de hand van deze vraag te
beslissen of de drempel waarop men de invloed van alcohol ondergaat inderdaad
bij de vrouwen lager
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
120
ligt, zoals de gegevens schijnen te suggereren. Wij moeten nl. rekening houden
met het feit dat onze vraag (zie Bijlage 1: vraag 96) door de respondenten deels op
de subjectieve waarde van ‘een glaasje te veel’ werd betrokken. De ervaring en de
norm spelen hier door elkaar, zoals wij bij de bespreking van de normativiteit t.o.v.
de alcohol (Hoofdstuk 1.4) hopen aan te tonen.
Nog andere factoren dan de expliciete motieven zoals gezelligheid, sociale
verplichting of voorliefde voor snoepen, en het verlangen naar de roes spelen zonder
twijfel een rol in het drinken. Eén ervan trachtten we door middel van de volgende
vraag te peilen: ‘Drinkt U (of Uw man) nogal in verband met Uw (zijn) werk of met
mensen die U (hij) kent van Uw (zijn) werk?’ Hoewel we niet al te grote verwachtingen
hadden van deze vraag die geïnspireerd was door de sociaal-historische literatuur
omtrent het drinken in bepaalde vakken, gaven 139 personen (10,7% van de gehele
steekproef) een positief antwoord op onze vraag; 43 personen (3,3%) vertelden
soms te drinken of ‘misschien’, 17 (1,3%) gaven geen adequaat antwoord; 859
personen (dat is 66,2%, of omstreeks twee derden van de volwassen bevolking)
gaven duidelijk negatieve responsie, terwijl op 235 personen (18,1%) de vraag niet
van toepassing was daar we reeds wisten dat dezen nooit dronken (4 personen
‘wisten het niet’).
Het zou interessant zijn na te gaan wie deze 10 percent van onze bevolking zijn,
die nog in onze tijd menen tot het drinken te komen via hun beroep. Het is ons
opgevallen dat van de 31 personen die 16 of meer glazen hebben gedronken in de
week voorafgaande aan het interview 14 (d.i. 45%) vertelden te drinken in verband
met eigen beroep. Tegen de verwachting in troffen wij weinig vertegenwoordigers
van de vrije beroepen onder deze 139 personen, doch veel middenstanders
(reizigers, caféhouders, enz.).
Tenslotte wilden we nagaan hoe het stond met de ontwikkeling van de
drinkgewoonten bij de individu, in de loop der tijd. Onze vraag (Bijlage 1, vraag 97)
luidde als volgt: ‘Hebt U vroeger meer, minder, of ongeveer net zo veel gedronken
(of niet gedronken) als thans?’ Alweer was het resultaat tegen onze verwachting in.
Evenals bij de rookgewoonten waren we geneigd te denken dat de drinkgewoonten
met de loop der jaren zouden toenemen. Het bleek echter dat er meer mensen
waren die vroeger volgens eigen opgave meer hadden gedronken, dan mensen die
thans het drinken zagen toenemen. Een grote groep, uiteraard, beschouwde eigen
drinkgewoonten (of eigen afkeur tot alcohol) als ongewijzigd, nl. 731 personen,
d.w.z. 56,4% van de steekproef; 56 (4,3%) gaven een ontwijkend antwoord, 303
personen (23,4%) zouden vroeger meer hebben gedronken, 204 personen (15,7%)
vroeger minder hebben gedronken, 3 personen (0,2%) zagen het verschil eerder
in kwalitatieve dan in kwantitatieve verandering.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
121
Een indirecte bevestiging van de stelling dat de drinkgewoonten in de loop der jaren
eerder aan het verminderen dan aan het toenemen zijn (en met opzet doelen we
hier op de sociale drinkgewoonten in Nederland), vinden we in het feit dat mensen
die volgens onze ‘consumptievraag’ weinig drinken opvallend frequenter antwoordden
dat zij vroeger meer dan thans hebben gedronken.
1.3.4 Structurele samenhangen met het drinken
De factor die in de voorafgaande paragraaf aan de orde kwam, het geslacht, is
zonder twijfel in onze samenleving verbonden met drinken: er bestaat een grote
variabiliteit in drinkgewoonten bij mannen en vrouwen. Dit verschil is kwalitatief (de
vrouw is een wijndrinker, haar drinken schijnt meer de verlenging van het snoepen
te zijn: ‘likeurtjes’, advocaat; de man is bier- en jeneverdrinker, in de zuidelijke
provincies ook cognacdrinker). Het is tevens kwantitatief (de vrouw drinkt minder,
ondervindt de inwerking van alcohol na een lagere dosis - althans volgens eigen
opgave - weet niet in gelijke frequentie als de man uit ervaring wat de roes betekent).
De vrouw beperkt haar drinken nog meer dan de man tot de huiselijke omgeving;
zowel het excessieve drinken (‘ooit een glaasje te veel’) als het habituele drinken
komt bij haar minder frequent voor.
Wat betreft de ontwikkeling van de drinkgewoonte schijnt er ook een verschil te
zijn: terwijl de mannen waarschijnlijk reeds in de puberteitsjaren (vóór hun twintigste
jaar) het hoogtepunt van hun alcoholconsumptie bereiken en hierna het drinken
minderen, kennen de vrouwen een dergelijke disparate ontwikkeling niet: er bestaat
bij hen minder neiging tot drinken tijdens de puberteit. De volgende Tabel 1.3.7
illustreert dit verschil in drinken bij mannen en vrouwen:
Tabel 1.3.7 Verandering van het drinkpatroon naar geslacht
Table 1.3.7 Change in individual drinking pattern; by sex
Geslacht
Sex
Mannen
Men
Vroegere consumptie van
alcohol
Consumption of alcohol in the
past
Minder
Evenveel
Meer
Less
Just about the More
same
93(96)
302(373)
217(143)
Totaal
Total
612
Vrouwen
Women
111(108)
488(417)
86(160)
685
Totaal
Total
204
790
303
1.297
2
χ = 95,13; P <
.001.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
122
Zoals in enkele vorige tabellen, plaatsen we tussen haakjes de verwachte frequenties.
De samenhang tussen beide variabelen blijkt zeer significant te zijn. Als mate van
intensiteit werd de Tschuproffs coëfficiënt berekend, T = .23; als we de gewaagde
veronderstelling maken dat zelfs ‘mannen’ en ‘vrouwen’ waarden zijn op een
kwantitatief, normaal verdeeld continuüm, kunnen we ook de correlatiecoëfficiënt
berekenen. Indien mannen 1 en vrouwen 2 punten krijgen, en vroegere consumptie
eveneens 1, 2, 3, gescoord wordt (met 3 punten voor meer consumptie in vroegere
jaren), dan is de correlatiecoëfficiënt uiteraard negatief, r1-30 = - .192 (zie ook Tabel
1.7.5, de Basis Correlatie Matrix).
Aansluitend bij deze bevinding omtrent het minderen van het drinken bij de mannen
kunnen we de leeftijdsfactor behandelen. Zoals reeds in de voorafgaande paragraaf
vermeld, zijn er meer mensen die hun eigen drinkgewoonten in de afnemende
richting zien dan mensen die menen thans meer te drinken. We kunnen nog een
stapje verder gaan en deze vraag naar drinkgewoontenverandering naar leeftijd op
gaan splitsen. Zoals de volgende Tabel 1.3.4 laat zien, valt er een geleidelijke daling
in de (perceptie van) alcoholconsumptie waar te nemen, d.w.z. in elke onderscheiden
leeftijdscategorie geven de oudere mensen naar verhouding frequenter op minder
te drinken dan in de vroegere jaren:
Tabel 1.3.8 Verandering in het drinkpatroon naar leeftijd
Table 1.3.8 Change in individual drinking pattern; by age
Vroegere consumptie van
alcohol
Consumption of alcohol in the
past
Leeftijd
Minder dan
Evenveel
Meer dan thansTotaal
Age
thans
Just about the
Total
Less than now same
More than now
21 t/m 30 jaar 67 23%
177 61%
48 16%
292 100%
years
31 t/m 40 jaar
years
54 17,1%
180 58%
75 25%
309 100%
41 t/m 50 jaar
years
36 14%
150 60%
64 26%
250 100%
51 t/m 60 jaar
years
28 13%
142 65%
49 22%
219 100%
61 t/m 70 jaar
years
12 8%
99 65%
40 27%
151 100%
71 en meer
71 and more
7 9%
42 55%
27 36%
76 100%
Totaal
total
204
790
303
1.297
We zien dat de verhouding van de cijfers in de linker tot die in de rechter kolom
geleidelijk aan het veranderen is. Reeds in de categorie van dertig-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
123
jarigen slaat die verhouding om (in onze nog nauwkeuriger gesplitste gegevens zien
we deze verandering reeds in de categorie van 26 t/m 30 jaar optreden), tot de
groep bejaarden, waar bijna vier keer zoveel mensen zeggen het drinken te minderen
dan nog te doen toenemen. De correlatie-coëfficiënt is alweer significant, r = .151.
Bij een gecombineerde tabel, waar de intensiteit van de tegenwoordige consumptie
aan alcoholica tegenover de leeftijd en het geslacht is uitgezet, bemerken wij: a.
dat bij de vrouwen een mindering met de leeftijd niet, bij de mannen wel opgaat; b.
dat het verschil voornamelijk ligt in het groeiende percentage van mannen die thans
geen alcoholica gebruiken, terwijl bij de vrouwen met toenemende leeftijd dit
percentage niet veel verandering ondergaat.
Wij bemerken hier een ander patroon dan bij de rookgewoonten waar vooral bij
de vrouwen een sterk toenemende tendens in de jongere leeftijdsgroepen viel waar
te nemen. Van een dergelijke ‘generatieverschuiving’ valt bij het drinken niets te
constateren. Dit suggereert dat het emancipatieproces van de vrouw hetzij nog niet
in de drinkgewoonten is ingezet of reeds is afgelopen. Een andere interpretatie zou
zijn, dat het drinken, meer nog dan het roken, als een mannelijke bezigheid wordt
gezien en vooral bij de jeugdige mannelijke bevolking floreert, als een der sociale
mechanismen, om de komende volwassenheid zichtbaar te maken. Bij vrouwen
wordt van dit ‘mechanisme’ dan blijkbaar minder gebruik gemaakt.
Nog een opmerking moet ons van het hart in verband met de leeftijdsfactor:
ofschoon zowel de vraag naar de werkelijke consumptie als de vraag naar de
perceptie van verandering in het alcoholgebruik een negatieve correlatie met de
leeftijd vertoont (met toenemende leeftijd dus afnemende consumptie), is ons toch
opgevallen dat bij de mensen die op vaste tijden drinken, vooral bij de vaste drinkers
van het gedistilleerd, een opvallend hogere leeftijd valt waar te nemen (zoals reeds
vermeld, 58 jaar vergeleken met het gemiddelde van 42 jaar in onze steekproef van
mannen). Dit is meer in overeenstemming met hetgeen de literatuur omtrent het
1
alcoholisme vermeld . Op het verschil tussen de sociale drinkgewoonten en het
alcoholisme, in termen van de sociale categorieën, hopen we nog terug te komen
(1.3.5).
Tenslotte komt ook het excessief drinken iets frequenter voor bij de jonge mannen,
zoals de volgende Tabel 1.3.9 laat zien.
1
Pittman en Gordon, op. cit., blz. 18, geven aan 48,5 jaar als zijnde de mediaanleeftijd van de
vanwege openbare dronkenschap gearresteerde mannen. Daar zij echter ook personen
tussen 15 en 21 jaar bij hun studie hebben opgenomen, zou het gemiddelde nog meer
convergeren in de richting van het gemiddelde van de vaste drinkers, zoals in onze steekproef
aangetoond, of beter gezegd, de mediaanleeftijd van vaste drinkers in onze steekproef zou
wellicht ietwat dalen indien deze jongere leeftijdsgroep bij ons onderzoek was betrokken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
124
Tabel 1.3.9 Toegegeven dronkenschap naar leeftijd en geslacht
Table 1.3.9 Experience of intoxication; by age and sex
Drinkt U wel eens een glaasje te veel?
Do you sometimes drink just a glass too much?
Ja
Neen
Geen adequaat Totaal
Yes
No
antwoord
Total
No adequate
answer
Leeftijd Mannen Vrouwen MannenVrouwen MannenVrouwen MannenVrouwen
Age
Men
Women Men
Women Men
Women Men
Women
21 t/m 27
7
26
66
3
9
56
82
25 jaar
years
26 t/m 23
30 jaar
years
10
52
56
2
10
77
77
31 t/m 48
40 jaar
years
16
106
107
10
22
164
145
41 t/m 37
50 jaar
years
14
71
98
9
20
117
132
51 t/m 28
60 jaar
years
4
66
85
12
24
106
113
61 t/m 11
70 jaar
years
2
48
58
3
29
62
89
71 jaar 4
en
ouder
years
and
older
0
24
31
6
12
34
43
Totaal
Total
178
53
393
501
45
127
616
681
%
28,9
7,8
63,8
73,6
7,3
18,6
100
100
Uit de tabel bemerken we: a. dat de vrouwen opvallend minder vaak ‘te veel’ drinken;
b. dat zij met de roesverschijnselen pas op een latere leeftijd in aanraking komen
dan de mannen; c. dat de jongste categorie van de mannen de enige is waarin het
‘een glaasje te veel drinken’ vaker voorkomt dan het niet-drinken. Indien we de
personen ouder en jonger dan 50 jaar tegenover elkaar plaatsen, dan bemerken
we in een zo verkregen tweedeling een significante samenhang tussen de jongere
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
2
leeftijd en veelvuldig voorkomende dronkenschap; χ = 6,9, bij 1 vrijheidsgraad; het
verband is significant bij het waarschijnlijkheidsniveau P < .01.
Naast het geslacht en de leeftijd is het beroep zonder twijfel verbonden met het
drinken. Om bij de laatste vraag aan te knopen: wij troffen een opvallend hogere
frequentie van de vermelde dronkenschap bij de kantoor- en winkelbedienden,
relatief hoog ook bij arbeiders (hoger bij de geschoolde dan de ongeschoolde
industriearbeiders) en een opvallend lage frequentie bij zelfstandigen en beoefenaars
van de vrije beroepen:
Drinkt u weleens een glaasje te veel?
Enkele mannelijke Ja
beroepscategorieën:
De rest
Totaal
Zelfstandig, vrije
beroepen
35 (20%)
137 (80%)
172 (100%)
Arbeiders
87 (37,5%)
144 (62,5%)
231 (100%)
Kantoor- en
winkelbedienden
10 (50%
10 (50%)
20 (100%)
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
125
De categorie bedienden is uiteraard te klein om hieruit bepaalde verstrekkende
conclusies te mogen trekken. Het feit echter dat bijna twee keer zoveel arbeiders
als zelfstandigen opgeven af en toe een glaasje te veel te drinken, verdient zeker
de aandacht. Het is wel mogelijk dat onze vraag niet het feitelijk voorkomen van
excessief drinken doch de bereidheid om deze toe te geven of zelfs de trots om
deze te kunnen mededelen heeft geregistreerd. Deze bereidheid zou dan groter
zijn bij de meer emotioneel reagerende en zich ‘makkelijker gevende’
arbeidersgroepen. Hiertegenover staat:
a. dat de vertegenwoordigers van de vrije en zelfstandige beroepen geen gêne
vertoonden om hun voorraad aan alcoholica en hun (over het algemeen hogere)
consumptie toe te geven;
1
b. dat ook de literatuur gewaagt van het frequenter excessief drinken bij de arbeiders .
Rekening houdend met deze twee feiten kunnen we aannemen dat arbeiders
inderdaad het niet slechts zeggen, maar in feite frequenter ‘een glaasje te veel’
drinken dan sommige andere beroepscategorieën.
Dit schijnt een merkwaardige bevinding, daar we weten uit andere bronnen dat het
sociaal drinken juist andersom met de rangstand en ook de inkomsten verband
houdt. Hogere inkomstengroepen zowel als groeperingen van mensen met meer
schoolopleiding gebruiken frequenter alcohol dan personen met minder opleiding
of met minder middelen (volgens de Basis Correlatie Matrix is de correlatie met
inkomsten r = .089, met opleiding r = .119; beide coëfficiënten zijn significant bij
minstens P < .02). De samenhangen zijn bijzonder zwak, zij verzwakken bovendien
elkaar: de partiële correlaties van deze drie variabelen (inkomsten, opleiding en het
drinken) zijn nl. lager dan de oorspronkelijke coëfficiënten (uit Tabel 2.8.6 lezen we
b.v. dat r3-16.4 = .057 dat net onder de grens van significantie ligt). Dit suggereert
dat we hier niet met de werkelijk beschikbare financiële middelen te maken hebben
maar met de levensstijl, die een bepaalde opleiding en daarmee samengaand
inkomstenniveau in Nederland met zich meebrengt. Verschil in levensstijl verklaart
waarschijnlijk ook waarom we bij de hogere rangstanden grotere voorraden aan
alcoholica aantreffen, waarom er minder neiging bestaat om in de cafés een glaasje
aan te bieden. En toch kan de factor ‘inkomsten’ o.i. niet geheel tot ‘sociale rangstand’
worden teruggebracht; inkomens op zich zelf, het beschikken over zakgeld
1
John Dollard, ‘Drinking mores of the social classes’ in Alcohol, Science and Society, New
Haven, 1950; ook een belangrijke studie van Erik Allardt, ‘Drinking norms and drinking habits’,
in Drinking and Drinkers, The Finnish Foundation for Alcohol Studies, Helsinki, 1957, blz.
64-65. Volgens Allardt 47% personen van de ‘upper class’, 57% personen van de ‘middle
class’ en 71% van alle personen uit de ‘working class’ ‘prefer occasional unrestrained drinking’.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
126
of middelen om alcoholica aan te schaffen beïnvloeden o.i. de drinkgewoonten.
Daar is b.v. de samenhang tussen de ‘inkomensvermeerdering’ en de ‘toename der
drinkgewoonten’, of wellicht beter geformuleerd: het verband tussen de financiële
achteruitgang en de mindering der drinkgewoonten (de berekende correlatie was
zwak, doch significant, r28-30 = .108). In de voorafgaande paragraaf hebben we erop
gewezen dat meer mensen aan het minderen zijn; thans kunnen we eraan toevoegen
dat in de normale Nederlandse populatie er tevens meer mensen zijn die met het
stijgen der jaren minder vaak menen financieel te zijn vooruitgegaan (alweer ontlenen
we aan onze Basis Correlatie Matrix de correlatie r2-28 = .183). Dit ligt min of meer
voor de hand: de jongsten (21-tot 25-jarigen) maken de grootste vooruitgang,
medeveroorzaakt door het feit dat zij van de jeugdlonen af zijn; met eigen
gezinsvorming komt er dan nog kinderbijslag bij; later vervalt vaak de kinderbijslag
en, zoals reeds vermeld, komt de pensionering met achteruitgang in de beloning.
Het is interessant te vermelden dat dit verband tussen vermindering der inkomsten
en het minderen van het drinken niet geheel te verklaren is uit de leeftijdsverschillen.
Indien we alweer gebruik maken van de partiële correlatie, dan zien we de
oorspronkelijke correlatiecoëfficiënt enigszins verlaagd, maar significant (r28-30.2 =
.083). Dit is mede een reden waarom we aan de variabelen ‘inkomsten’ toch nog
een plaats in ons verklaringsschema zullen moeten inruimen.
Een wellicht nog belangrijker factor (in de termen van de verklaarde variantie) is
het kerkgenootschap van onze ondervraagden. De protestantschristelijke godsdienst
(één der gereformeerde kerken, Nederlands Hervormd) schijnt een remmende
invloed uit te oefenen op het alcoholverbruik. Met opzet verkozen wij deze formulering
boven de vaak gehoorde stelling dat de Rooms-Katholieken ‘zo veel drinken’. Deze
blijkt nl. slechts een halve waarheid te bevatten; beter is te stellen dat de
Rooms-Katholieken en de onkerkelijken meer drinken dan Protestanten, met andere
woorden, het is de protestantse groep die zich in dit opzicht van de rest afzondert.
Duidelijk kan dit gedemonstreerd worden aan het vóórkomen van dronkenschap
(althans zoals door de respondenten toegegeven). Het percentage mannen dat
toegaf ‘af en toe een glaasje te veel te drinken’, was bij de Rooms-Katholieken
32,7%, bij de Gereformeerden 18,8%, bij de Nederlands Hervormden 17,3% en bij
de personen niet behorend tot een der kerkgenootschappen 32,7% d.w.z. toevallig
precies hetzelfde als bij de Rooms-Katholieken. Bij de vrouwen is er van een dergelijk
verschil tussen de Protestanten en de rest minder sprake. Het valt echter op dat
het verband tussen het drinken en de godsdienst ook in de totale bevolking tot uiting
komt en door verschillen tussen mannen en vrouwen niet wordt verdoezeld; wij
vonden een positieve correlatie r16-32 = .124 tussen het aantal
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
127
glaasjes dat men heeft geledigd en ‘het protestant-rooms-katholiek continuüm’
(variabele 32 op onze Basis Correlatie Matrix). Er is nog meer evidentie dat het hier
werkelijk gaat om de verschillen tussen de roomskatholieke en protestantse
subculturen in Nederland. Ten eerste is er het feit dat we geen verband vonden met
onze andere godsdienstvariabele; indien we de personen rangschikken naarmate
zij behoren tot kerkgenootschappen met mindere of sterkere binding van de individu
aan de gemeenschap (variabele 12: ‘zonderkerkgenootschap’; N.H.; doopsgezind,
remonstrants en derg.; gereformeerd; rooms-katholiek), vinden we geen correlatie
(r = .035). Ten tweede is er de rol van de sociale normativiteit bij het ontwikkelen
van drinkgewoonten (waarop wij in het volgende hoofdstuk nader terugkomen): de
correlatie van godsdienst met de normen en houdingen t.o.v. het drinken is relatief
hoog in termen van onze onderzoekopzet (r17-32 = -.243).
Tenslotte dient vermeld dat de correlatie tussen godsdienst en drinken niet kan
worden teruggebracht tot een andere algemeen veronderstelde samenhang, nl. de
woonstreek: het zuiden of het noorden. Op de Basis Correlatie Matrix treffen we
een insignificante correlatie tussen het drinken en de verdeling van de bevolking in
de twee etnische groeperingen. Dit reeds helpt de hypothese te ontzenuwen die de
als het ware meer sobere leefwijze van Protestanten tracht te verklaren uit het feit
dat Protestanten tegelijk overwegend Noorderlingen zijn in ons land. Een nadere
evidentie vormt het feit dat bij de Zuiderlingen afzonderlijk beschouwd toch een
correlatie bestaat tussen de godsdienst en het drinken; ook in het Zuiden drinken
de Protestanten minder dan de leden van andere kerkgenootschappen, zoals Tabel
1.3.10 laat zien:
Tabel 1.3.10 Spreiding van de 369 personen uit de steekproef woonachtig
ten zuiden der rivieren naar kerkgenootschap en alcoholconsumptie
Table 1.3.10 Distribution of 369 respondents from the South by
church-affiliation and alcohol consumption
Aantal glaasjes per week
Number of glasses drunk per week
KerkGeen
-6 glazen -15 glazen 16 glazen en Geen
Totaal
genootschapNone
-6 glasses
meer
antwoord Total
-15
16 glasses No answer
Churchglasses or more
affiliation
Rooms168
93
25
11
5
302
Katholiek
RomanCatholic
Zonder
6
kerkgenootschap
5
1
1
1
14
8
5
0
2
53
Without
denomination
Protestant 38
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Protestant
Totaal
Total
212
106
31
12
8
369
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
128
De groep Protestanten in het Zuiden bestond uit 39 Nederlands Hervormden, 9
Gereformeerden, 2 leden van een Christelijk Gereformeerde Kerk of Ger. Gemeente,
1 Doopsgezinde en 2 Evang. Luthersen. Uit de tabel kunnen we lezen dat het
percentage personen dat geen alcoholhoudende dranken heeft gebruikt in de week
voorafgaande aan het interview was: 72% voor de Protestanten, 55% voor de
Rooms-Katholieken en 43% voor de onkerkelijken. Alweer zien we de invloed van
de godsdienst op de drinkgewoonten bevestigd, dit keer in een groep die qua
geografische ligging met opzet homogeen is gehouden. Ten noorden van de rivieren
werd het beeld hetzelfde, slechts nog pregnanter dan in het Zuiden. Indien we de
bovenstaande tabel samentrekken in tweedelingen (Protestanten tegenover de rest,
mensen die niet dronken tegenover de rest) dan bemerken we dat het verband in
de subgroep significant is (de Chi-kwadraatwaarde, berekend met de correctie voor
de kleine getallen was 4,5 bij 1 vrijheidsgraad; de waarschijnlijkheid is P < .05).
Het feit dat de invloed van de godsdienstige factor niet terug is te brengen tot de
geografische verdeling van ons land houdt nog niet in dat de verdeling in zuid-noord
niet bepalend is voor de drinkgewoonten. Het verschil is echter, zoals reeds in ons
motto aangeduid, eerder kwalitatief dan kwantitatief. De consumptievraag leverde
althans geen significante correlatie met de woonstreek (variabele no. 31 op onze
matrix, r16-31 = .041). Hiertegenover staat dat de ‘Zuiderlingen’ meer geneigd zijn
buitenshuis te drinken dan de ‘Noorderlingen’: van de 369 personen ten zuiden van
de rivieren biedt nu en dan 22,3% een glaasje in een café aan; van de 928 personen
uit het Noorden zijn het er slechts 10,3%. Vooral in de categorie van de jonge
mannen uit het Zuiden is dit drinken, d.w.z. overwegend weekenddrinken van bier
in de cafés, sterk geconcentreerd.
Er schijnt bovendien een zwakke aanwijzing te zijn dat er in het Zuiden frequenter
‘een glaasje te veel’ wordt gedronken: er zijn 16% mensen in het Noorden, en 20%
mensen in het Zuiden die positief op onze vraag hieromtrent antwoordden. Het
2
verschil is echter te klein om significant te zijn (χ is ca. 3,74 bij een 2 × 2 tabel).
De informatie van de twee laatste paragrafen samenvattend kunnen we wellicht
concluderen tot het bestaan van meerdere drinkpatronen: 1. er is, om te beginnen,
het weekenddrinken van voornamelijk bier; dit is waarschijnlijk bij de jonge mannen
in het Zuiden geconcentreerd; dan is er 2. het excessief gelegenheidsdrinken; dit
treffen we meer bij de arbeidersgroepen aan dan bij de andere beroepsgroepen,
bij andere godsdienststige groeperingen dan de Protestanten en tevens bij mannen
en bij jongeren; 3. het sociaal (gastvrijheids) drinken: het schenken van een borrel
of glas wijn of likeur aan gasten thuis; dit correleert met ‘hogere’ beroepen, is
gebonden aan een bepaalde voorraad aan alcoholica thuis (dus ook
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
129
aan geestelijke weerstand om die voorraad niet zelf met één slag te consumeren).
Dit is aan te treffen meer bij de gehuwden, bij mensen met meer opleiding en meer
inkomen; 4. tenslotte zijn er ‘vaste drinkers’ en ook drinkers van grotere
hoeveelheden; de schaarse gegevens in onze steekproef suggereren een hogere
gemiddelde leeftijd bij deze groep, voorkeur voor sterkere drank; velen geven op te
drinken in verband met hun beroep.
1.3.5. Functionele en causale interpretatie van het drinken
Nadat we in het kort de frequentie en de sociale ecologie van de drinkgewoonten
hebben geschetst, kunnen we thans tot onze hypothesen (1.3.2) terugkeren.
De eerste hypothese die het alcoholgebruik ziet als een middel tot de verlichting
van zorgen en noden vindt geen steun in onze gegevens omtrent de omvang en
frequentie van het drinken bij een steekproef uit de normale, volwassen bevolking.
Noch de vragenreeks omtrent de tevredenheid, noch de complexe vraag omtrent
de zorgen op allerlei levensgebieden (resp. vragen no. 12, 17, 23, 33 en 117 van
onze vragenlijst; zie Bijlage 1) gaven enig verband te zien met onze
‘consumptievraag’, die we als centrale variabele hebben gekozen voor onze causale
analyse (de coëfficiënt is zelfs van negatieve richting; r16-22 = -.035; dit suggereert
zelfs het veelvuldiger voorkomen van het drinken bij de mensen zonder zorgen, het
verband is echter niet significant). Ook de andere voorspellingen aan de hand van
deze hypothese opgesteld kwamen niet uit: we troffen geen significant verband aan
met de satisfactie (r16-21 = .003), en een omgekeerd verband met de inkomens: niet
de lagere, doch de hogere inkomstengroepen drinken meer (r2-16 = .089). De theorie
die aan onze hypothese ten grondslag ligt en volgens welke het alcoholgebruik
gezien mag worden als het ontvluchtingsmechanisme uit de harde sociale
werkelijkheid helpt ons niet de variabiliteit in het normale alcoholgebruik bij de
bevolking te verklaren.
Evenmin als de ‘ontvluchtingstheorie’ kon de theorie die verband legt tussen het
drinken en de heersende angsten in de samenleving gesteund worden door onze
gegevens. Volgens onze tweede hypothese, uit deze theorie afgeleid, zouden we
bij de mensen die toegeven angsten te hebben, of gevoelens van onder druk te
leven, meer intensieve drinkgewoonten aantreffen dan bij mensen die zich niet in
deze richting uitten. Deze verwachting werd teniet gedaan toen we tussen de
variabele 24 (die de informatie verworven door middel van vragen 109 t/m 115
weergeeft) en de drinkgewoonte geen verband vonden in de verwachte richting en
zelfs een zwakke samenhang
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
130
ontdekten in de tegenovergestelde richting (r16-24 = -.069). Dit wil zeggen dat mensen
die negatief antwoordden op de vraag over de angsten en andere depressieve
gemoedstoestanden, meer blijken te drinken.
Alweer menen we te moeten concluderen dat de ‘anxiety theory’ niet geschikt is
de variabiliteit in alcoholverbruik onder de ganse bevolking te verklaren.
De ‘vereenzamingstheorie’ leverde voor ons onderzoek de hypothesen op omtrent
een mogelijk verband tussen de sociale participatie en het drinken. Wij verwachtten
een lagere participatie-index bij consumenten van alcoholica. Alweer werd deze
verwachting niet gehonoreerd; er werd zelfs een tendens in tegenovergestelde
richting geconstateerd: participanten aan het verenigingsleven drinken eerder meer
dan minder alcoholica (r9-16 = .050) vergeleken met niet-participanten. Ook het feit
dat men de familiefeesten opgeeft als bijzondere aanleiding tot het drinken en dat
het aantal bezoeken positief correleert met het aantal glazen dat men drinkt spreken
de hypothese tegen dat het drinken voornamelijk met vereenzaming van de individu
gepaard zou gaan.
Iets meer steekhoudend voor het verklaren van de verschillen in frequentie van
drinken onder de normale bevolking is de roltheorie van het drinken; het drinken
van alcoholica zou de maatschappelijke rol van ‘de volwassene’ en van ‘de man’ in
onze samenleving helpen bepalen. De twee hypothesen afgeleid van deze theorie
vinden beide een bevestiging door ons onderzoek. Opvallend meer mannen dan
vrouwen drinken (r= -.273), het drinken is inderdaad vooral in de categorie van
jongere, nog ongehuwde mannen geconcentreerd (r2 (leeftijd)-16 = -.097; r8
(gezinsbinding)-16 = -.097; beide correlaties bleven op significant niveau gehandhaafd
toen wij systematisch de testfactoren hebben ingevoerd die in aanmerking kwamen
als mogelijke interveniërende variabelen).
Behalve door middel van de partiële correlatie-analyse, vindt deze hypothese ook
in de factoranalyse van de variabelen haar bevestiging. De tweede factor, die duidelijk
kon worden geïdentificeerd als een resultante van de maatschappelijke verschillen
tussen de beide seksen (de lading met variabele geslacht (1) was -.838, met
rookgewoonten .809) toonde eveneens een betrekkelijk hoge lading met de variabele
16, d.w.z. onze variabele aangevende de werkelijke consumptie aan alcoholica
(.464). Geen enkele andere geëxtraheerde factor bleek met de drinkgewoonten
dermate te zijn verbonden. Hij werd slechts benaderd door Factor III, die we vanwege
de volgende hoge ladingen als ‘emancipatiefactor’ hebben geïdentificeerd:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
131
Factor III
opleiding
.669
leeftijd
.553
migratie
.497
drinken
.313
(zie nader tabel 2.8.2).
Tenslotte kwam ook de voorspelling uit omtrent de mindering der drinkgewoonten
bij de toenemende leeftijd, zowel bojectief (door middel van de ‘consumptievariabele’)
als subjectief (door middel van de vragen omtrent de mindering dan wel de toename
van eigen drinkgewoonten in vergelijking met de toestand in het verleden) gemeten.
Op de ‘theorie van de orale fixatie’ zijn we reeds gestuit bij de bespreking van de
rookgewoonten. Voor het drinken gaat deze theorie nog minder op dan voor het
roken. Twee van de hieruit afgeleide hypothesen vonden nl. geenszins een
bevestiging door ons onderzoek. Het snoepen is niet gecorreleerd met het drinken
(r16-19 = -.033). Er schijnt een zwak verband te bestaan tussen het drinken van
alcoholica en het koffiedrinken (r16-18 = .091). Indien we echter het roken invoeren
als een testvariabele, dan verdwijnt het verband, dat dus een schijnverband blijkt
te zijn (r16-18.13 = .008). Er blijft dus slechts de samenhang over tussen het roken
en het drinken (r13-16 = .308) die zeer intensief (in termen van onze onderzoekopzet)
is en niet geheel uit de verschillen tussen het gedrag van mannen en vrouwen of
de sociale rangstanden te verklaren is (zie onze Tabel 2.8.5 van partiële correlaties).
Wel dient vermeld dat de sekse als testvariabele bijna tot het halveren van de
coëfficiënt heeft geleid: r13-16.1 = .174. Daar voor deze resterende samenhang ook
een andere dan de ‘orale-fixatieverklaring’ voorhanden is (nl. de door de volksmond
aangenomen roesbestrijdende werking van cafeïne; men neemt koffie om weer
nuchter te worden) aarzelen we aan deze dieptepsychologische verklaring van het
sociaal drinken al te veel gewicht toe te kennen.
Uit de theorie omtrent de neiging tot sensuele bevrediging bij mensen wier ideële
referentiekader uiteengevallen is (onze ‘hedonismetheorie’) leidden we de
hypothesen af omtrent het verband tussen het drinken en een lage
cultuuraanvaarding. Het drinken geeft slechts een zwakke aanwijzing in de verwachte
richting (r10-16 = -.046). Indien we echter de testvariabelen gaan invoeren stijgt de
correlatiecoëfficiënt tot het significantieniveau (r10-16.9 = -.065). Zowel de sociale
participatie als
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
132
opleiding verdoezelen gedeeltelijk het verband daar zij positief zijn gecorreleerd
1
met de drinkgewoonten en negatief met de cultuuraanvaarding .
Een andere reden die ons weerhoudt de ‘hedonismetheorie’ lichtzinnig te
ecarteren, is de aanwezigheid van een significant verband tussen de
cultuuraanvaarding en de normen t.o.v. het drinken (r10-17 = .097). Mensen
geïnvolveerd in een of andere richting keuren veelvuldiger het gebruik van alcoholica
af dan mensen die minder intensief zijn geïnvolveerd. Alweer wensen we echter te
wijzen op de lage waarden van de correlaties en verbanden hier gesignaleerd. Indien
we de ‘hedonismetheorie’ niet geheel als explicatie van ons materiaal buiten
beschouwing laten, dan moeten we toch beseffen dat deze slechts een zeer klein
deel van de variabiliteit in de drinkgewoonten verklaart. Dat men drinkt en hoeveel
men drinkt zal nog om een andere verklaring vragen.
Tot onze spijt kwam deze verklaring niet uit de richting van de z.g. ‘anomietheorie’
waaromtrent wij als sociologen nogal veel verwachtingen koesteren. Volgens de
hypothese hieruit afgeleid zouden mensen wier inkomens zijn gestegen tevens meer
alcoholconsumptie vertonen. Daar ons onderzoek zich niet voor directe observatie
leende, moesten we uiteraard op de perceptie en opgave van de respondenten zelf
vertrouwen. Tegen de verwachting in vonden we slechts een zeer zwakke tendens
tussen deze perceptie van inkomstenvermeerdering en werkelijk intensievere
drinkgewoonten in onze steekproef. De correlatiecoëfficiënt (r16-28 = -.060) was
uitermate zwak; bij invoering van testvariabelen die in aanmerking kwamen (leeftijd,
opleiding, enz.), vertoonden de partiële correlaties de tendens geheel te verdwijnen.
Wij zijn daarom van mening dat de bewust beleefde stijging van de welvaart niet
met een evenredige stijging van de alcoholconsumptie gepaard gaat en dat (althans
voor zover de subjectieve evaluering van eigen inkomsten een adequate indicator
is van de stijging) de ‘anomietheorie in de engere zin’ niet zinvol op de
alcoholconsumptie van de normale bevolking kan worden betrokken. Deze opvatting
vindt haar additionele evidentie in het feit dat de inkomstenvermeerdering helemaal
niet in verband staat met een verlaagd normbesef t.o.v. het alcoholgebruik (r17-28 =
.016).
Terwijl de perceptie van inkomstenvermeerdering dus uitermate zwak of geheel
geen verband vertoont, correleert, zoals reeds vermeld, het inkomenniveau met het
drinken. Indien we in plaats van de verandering in tijd de stijging van inkomsten bij
verscheidene groeperingen nemen, dan
1
Zie omtrent dit begrip I. Gadourek, Cultuuraanvaarding en cultuurontwijking, Groningen,
1958-ook I. Gadourek, J. Oorburg, L.v.d. Laar, ‘Culture-involvement in the Netherlands: its
measurement and social correlates’, in Social Forces, Vol. 40, no. 4, blz. 302-308 (mei, 1962).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
133
bemerken we tevens een toename in drinkgewoonten (r3-16 = .089). Dit suggereert
inderdaad dat het drinken bij lage inkomstengroepen minder frequent voorkomt; in
de normale bevolking bemerken we echter dat vrouwen tot de lagere
inkomstengroepen behoren (r1-3 = -.111); de partiële correlatie (dus het verband
tussen inkomsten en drinken bij mannen en vrouwen apart beschouwd) zakt dan
ook tot de insignificantiegrens (r3-16.1 = .061). De tendens blijft echter gehandhaafd.
Een nog sterkere daling treffen we aan indien we de intensiteit van het roken als
een testvariabele invoeren (r3-16.13 = .046). Dit houdt echter slechts in dat de lagere
inkomens een oorzaak zijn van zowel minder tabaksverbruik als van minder
alcoholverbruik, hetgeen niet strookt met de ‘beschikbaarheidstheorie’ zoals
vooropgesteld bij het zoeken naar verklarende hypothesen omtrent het drinken. Het
feit dat een relatief grote groepering van mensen zeggen te drinken in verband met
het werk (omstreeks 10% van de volwassen bevolking), de correlatie tussen
inkomstenvermeerdering en drinkgewoontenvermeerdering (dus niet intensiteit van
het drinken, zoals besproken in de voorafgaande paragraaf omtrent de
‘anomietheorie’) versterken het vermoeden dat de beschikbaarheidstheorie niet
geheel als onbruikbaar kan worden beschouwd voor het verklaren van drinken. De
vragen omtrent de voorraad aan alcoholica (opvallend laag bij de
arbeidersgroeperingen!) bevestigen indirect deze theorie.
Alweer echter menen we te moeten stellen dat andere sociale factoren
(voornamelijk het geslacht, de leeftijd, wellicht ook de godsdienst) waarschijnlijk een
belangrijkere rol spelen bij het verklaren van de sociale ecologie van het drinken.
Tenslotte zouden we op deze plaats de ‘normatieve theorie’ aan de orde willen
stellen, die het drinken tracht te verklaren uit normensystemen van bepaalde
(politieke, ethische of godsdienstige) groeperingen, of uit deopvattingen omtrent het
fatsoenlijke en onfatsoenlijke, die in bepaalde kringen heersen. De betrekkelijk hoge
correlatie tussen de normen en de feitelijke drinkgewoonten (r16-17 = -.250)
rechtvaardigt een ernstige beschouwing die we aan deze theorie willen wijden in
het volgende hoofdstuk. Een andere reden hiervoor is, dat het feitelijk drinken en
de normen omtrent het drinken ieder op hun beurt met verschillende aspecten van
de sociale structuur verbonden zijn.
Het resultaat van onze analyse van mogelijke oorzaken van de spreiding in
drinkgewoonten is tot dusver vrijwel negatief: tenminste vijf van de negen
vooropgestelde hypothesen (1.3.2) die voornamelijk uit de literatuur en theorieën
omtrent het alcoholisme afgeleid zijn, vonden in ons materiaal geen bevestiging en
moesten verworpen worden. Hoe is dit te verklaren?
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
134
Een mogelijke verklaring zou zijn dat niet de theorie doch de methode van ons
onderzoek blaam treft. Daar de correlatie-analyse en de gehele methode van toetsing
een betrekkelijk sluitend systeem vormen, gaat onze vraag dan op de eerste plaats
1
naar de z.g. interne validering van onze onderzoekopzet .
Men zou kunnen veronderstellen dat de theorieën steekhoudend zijn, doch dat
de hypothesen niet sluitend van de theorie zijn afgeleid en de indicatoren, d.w.z.
de waarneembare gegevens die we gebruiken om de hypothesen (en de theorie)
te verifiëren, slecht zijn gekozen. Er is o.i. zeker aanleiding om te stellen dat b.v. de
oraliteit of ‘anxiety’ slechts door middel van een klinisch onderzoek zijn vast te stellen
en dat de door ons gekozen variabelen niet in staat zijn de door de theorie
omschreven verschijnselen te registreren.
Iets moeilijker wordt het echter met de theorie over de vereenzaming of geremde
socialisatie, of met de theorie omtrent de anomie of over het verlies van het
referentiekader, die alle door de sociologen zijn opgesteld en dus door middel van
het instrumentarium van het sociale onderzoek zijn vast te stellen.
Onze verklaring van de discrepantie tussen de vroegere bevindingen van de
studies omtrent het alcoholvraagstuk en onze bevindingen zoeken we dan ook
elders. O.i. ligt deze discrepantie niet zozeer aan de keuze van verschillende
indicatoren doch aan de verschillende verschijnselen die men bestudeert of, zo men
wil, aan de verschillende groeperingen die het object vormen van het onderzoek.
Frappant is o.i. door middel van de onderhavige studie aangetoond dat het drinken
zoals het voorkomt onder de normale bevolking niet zonder meer met alcoholisme
is te identificeren. In sociaal opzicht vormen de alcoholici en de gebruikers van
alcoholica onder de normale bevolking twee verschillende groeperingen, twee
verschillende typen. Uit onze steekproef blijkt dat de maatschappelijk beter geslaagde
mensen, mannen op het hoogtepunt van hun vitale krachten, meer deelnemend
aan het verenigingsleven en het kerkelijk leven, met meer schoolopleiding, meer
drinken. Dit beeld is tegenovergesteld aan dat wat we van de alcoholicus hebben:
een eenzame persoon, niet slechts het verenigingsleven, doch zelfs eigen
gezinsleven ontvluchtend, zonder schoolopleiding, met moeilijkheden in zijn werk
(vaak werkloos) en hieruit voortvloeiende pecuniaire zorgen, afzakkend naar de
zelfkant van de samenleving.
Het verschil tussen de sociale drinkgewoonten en het alcoholisme blijkt eveneens
duidelijk uit het verschil in de functie die het drinken heeft voor
1
Wij ontlenen dit begrip vooral aan Hans L. Zetterberg, On Theory and Verification in Sociology,
Stockholm, 1954, blz. 36. (Zie ook onze 2.9).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
135
de beide sociale typen. De normale drinkgewoonten zijn vooral sociale gewoonten;
zij helpen de rol van ‘de man’ en van ‘de volwassene’ zichtbaar te maken; verder
brengen zij een zekere cesuur in de monotone tijdsbeleving en zetten tevens
bepaalde sociale evenementen luister bij. Evenals het roken vormen zij tevens een
der wegen naar groepsvorming en sociabiliteit. Zij zijn er nu eenmaal, liggen klaar,
de individu hoeft ze maar te bewandelen zonder na te denken om te weten dat hij
met de ander in meer persoonlijke relatie treedt en de sociale afstand overbrugt.
Het sociaal drinken is dan ook een van de uitingsvormen die men verkiest om
zichtbaar te maken dat men deel uitmaakt van de groep, de gemeenschap, de
samenleving.
De functie van alcohol voor een ‘probleemdrinker’, een alcoholist, is wezenlijk
anders. In plaats van bevordering van sociale contacten is alcohol vaak de oorzaak
van het verbreken der relaties; in plaats van sociale afstanden te overbruggen plaatst
het excessief individueel drinkpatroon een odium op de persoon dat sociaal
ostracisme (verbanning uit eigen maatschappelijke kringen) teweegbrengt of
plotselinge daling in aanzien en prestige ten gevolge heeft. Voor sommige drinkers
brengt de alcohol dan ook niet meer een welkome onderbreking van de monotonie
van het dagelijks leven, doch is hij de bron van een nieuwe monotonie, die de
constante roes of het constant verlangen naar drank meebrengen.
Wij kunnen stellen dat in termen van functionele analyse het excessief of habitueel
overmatig drinken leidt tot dysfunctionele verschijnselen. Terwijl de drinker bewust
naar gezelligheid, gemeenschapsgevoel, gevoel van eigen viriliteit streeft, krijgt hij
bij overmatig gebruik van alcoholica isolatie, besef van onvermogen om het werk
of diensten aan de gemeenschap te verlenen, vertwijfeling. Het drinken wordt dan
niet een uiting van groepsleven, vitaliteit, sociabiliteit doch een substituut en tevens
een hinderpaal hiervoor. Van het standpunt van het collectivum gezien loopt elke
gemeenschap met zelfs gematigde drinkgewoonten als de onze het risico dat het
sociaal instrument van drinkgewoonten, in plaats van dienstbaar te zijn, zich tegen
de belangen van de gemeenschap wendt. Door nog onbekende factoren zal een
aantal sociale drinkers omzwaaien in de richting van de normoverschrijding en het
drinken wordt tot een der symptomen van de maatschappelijke desintegratie. Zodra
de mensen immers gaan drinken in die mate dat zij het contact met de realiteit
verliezen (en teneinde dat contact te verliezen), zodra het drinken de individu
belemmert zijn elementaire, sociale functies te verrichten (gezinsonderhoud,
scheppende of dienstenverlenende arbeid, culturele bezigheid, enz.), zodra de
individu zich tenslotte afzondert om in isolatie te drinken (of in een enge kring van
verslaafden), kunnen we nauwelijks meer van een gemeenschap spreken, de
maatschappelijke bindingen worden verzwakt. Ziehier
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
136
1
het riskante aan de normale drinkgewoonten . De latente functies kunnen in
dysfuncties overslaan.
Zoals nauwelijks anders kan, bij het werken met een steekproef uit de normale
bevolking, werpt het onderhavige onderzoek slechts zijdelings licht op het
alcoholprobleem. Een vraag werd gesteld over de ‘behoefte aan alcohol’ als volgt:
‘Heeft U ooit in een bepaalde tijd van Uw leven het gevoel gehad dat U behoefte
had aan alcohol? Wanneer?’
Volgens verwachting gaven de meeste personen uit onze steekproef op deze
vraag een negatieve responsie: 1147 personen, d.i. 88,4% van het totaal, schijnt
nooit behoefte aan alcohol te hebben gevoeld; 29 personen (2,3%) gaven geen of
ontwijkend antwoord; 139 personen, d.i. 10,7% van onze steekproef gaven toe
behoefte aan alcohol te hebben gehad. Indien we mogen aannemen dat onze
steekproef ook in dit opzicht representatief was voor de gehele bevolking, dan is er
omstreeks één onder tien volwassen Nederlanders die tijden gekend heeft dat hij
zich sterk tot alcohol voelde aangetrokken. Verdeeld naar de tijd, bleken 61 personen
(4,7%) deze behoefte te hebben nog in het jaar van het onderzoek, 3 personen
(0,2%) zo één à twee jaar geleden, terwijl 75 mensen (5,8%) opgaven: enkele jaren
geleden. Het percentage respondenten dat ooit naar alcohol verlangde, is alweer
hoger bij de mannen dan bij de vrouwen (resp. 15,3% en 6,4%).
Ondanks de correlatie die te vinden was tussen deze vraag en onze vraag naar
de consumptie van alcoholica, kunnen we niet met zekerheid stellen dat alle personen
die te kennen gaven behoefte te hebben gehad aan alcohol, ‘alcohol craving’ waren,
in de zin die de research over het alcoholisme aan dit begrip toeschrijft. We menen
echter dat er vele personen bij waren voor wie de alcohol inderdaad tot een
‘probleem’ werd. Vandaar dat we zochten naar de structurele verbanden die dit
verschijnsel (d.w.z. behoefte aan alcoholica) zouden verklaren. Het opsplitsen der
gegevens naar het wel of niet ervaren van verlies van vertrouwen (zie Bijlage 1,
vraag 129: ‘Zijn er in Uw leven nog mensen geweest die U erg waardeerde en die
Uw vertrouwen hebben geschokt?’) bracht geen samenhang met alcoholbehoefte
aan het licht. Een positiever resultaat verkregen we toen we de vragen naar de
evaluering van eigen jeugd gebruikten (vraag 134: ‘Als U aan Uw jeugd denkt bij
Uw vader en/of moeder, hebt
1
Er zijn uiteraard meer risico's te noemen die in de sociale drinkgewoonten verborgen zijn.
Dank zij de voorlichting der alcoholbestrijders in ons land kunnen de gevaren voor het verkeer
en andere sociale situaties als algemeen bekend worden verondersteld. Psychiater H.C.
Rümke wijst in dit verband op het gevaar voor de ‘pas genezen’ alcoholici, waarvan sommigen
door de sociale drinkgewoonten opnieuw in aanraking met alcohol komen en tot oude
gewoonten vervallen (dus opnieuw de zelfcontrole verliezen); zie verder 1.8.5.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
137
U dan prettige, minder prettige, of onprettige herinneringen aan Uw leven thuis?’).
De volgende Tabel 1.3.11 geeft de antwoorden op beide vragen in tweedelingen
weer, voor de groep mannen, waar de behoefte aan alcohol hoger bleek te zijn:
Tabel 1.3.11 Evaluatie van eigen jeugd en vroegere behoefte aan alcohol
bij de 616 mannen in onze steekproef
Table 1.3.11 Distribution of 616 men-respondents by the experience of
alcohol-craving and the evaluation of one's childhood
Herinneringen aan het leven thuis
Recollections of the life in parental home
Vroegere behoefte prettig
de rest
Totaal
aan alcohol
nice, warm
the rest
Total
Periods of need for
alcohol
Nooit gekend
409 (401)
103 (111)
512
Did not know such
periods
De rest
The rest
73 (81)
31 (23)
104
Totaal
Total
482
134
616
2
χ = 4,1; 1 v.g.; P <
.05.
De tendens werd teruggevonden bij de totale steekproef doch het verband bleek
dan niet significant te zijn (P < .10 > .05), hetgeen ons niet behoeft te verwonderen,
indien men bedenkt dat slechts een heel klein aantal vrouwen onze ‘behoeftevraag’
positief heeft beantwoord.
De geconstateerde samenhang is niet intensief; bovendien was het ons onmogelijk
om systematisch de testvariabelen in te voeren om eventuele interveniërende
invloeden te vinden. En toch menen we hierin een aanknopingspunt te vinden voor
het verder zoeken naar de mogelijke factoren die uit een sociale drinkgewoonte een
symptoom van onaangepastheid of maatschappelijke desintegratie maken. Het is
nl. theoretisch te plaatsen in de geconstateerde structurele aspecten van het drinken.
We hebben gezien dat het jongere mannen zijn die vooral een periode van
intensiever drinken meemaken en dat het drinken met toenemende leeftijd en eigen
gezinsvorming afneemt. We kunnen aannemen dat de jonge mannen uit minder
harmonische gezinnen eerder overgaan tot het zoeken van een eigen vriendenkring
waarin het drinken plaatsvindt. Later blijft wellicht het drinken geassocieerd met het
gevoel van verworven eigen onafhankelijkheid, (en daar deze werd bereikt op het
hoogtepunt van de vitaliteit) tevens van eigen viriliteit en open perspectief.
Hypothetisch willen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
138
we dan stellen dat bij het falen in verdere levensloop of bij het gevoel dat men zich
op een doodlopende weg bevindt, men regressief terugvalt op de gewoonte die
geassocieerd blijft met al deze positieve gevoelens en maatschappelijke
omstandigheden. Een nader, beter gericht onderzoek, zou deze en wellicht ook
andere hypothesen kunnen toetsen die uit het onderhavige werk kunnen worden
afgeleid. Het zou ons inzicht verdiepen in de genese van de dysfunctionele aspecten
van het drinken, die van onschuldige maatschappelijke conventie een riskante
1
gewoonte maken .
1
Bij het ter perse gaan van onze studie bereikte ons een belangwekkende bundel recente
opstellen, zorgvuldig geselecteerd en ingeleid door David J. Pittman en Charles R. Snyder:
Society, Culture, and Drinking Patterns, Wiley & Sons, 1962 (610 blz.). Meerdere bijdragen
kunnen met de opvattingen en bevindingen van dit hoofdstuk in zinvol verband worden
gebracht. Seldon D. Bacon bespreekt hier (hfdst. 5) eveneens de dysfunctionele aspecten
van het alcoholgebruik; McCords komen door middel van ‘A longitudinal study of the personality
of alcoholics’ (hfdst. 24) tot de conclusie dat vele karaktertrekken, die we meestal aan de
alcoholici toeschrijven, niet aanwezig waren in hun prille jeugd; zij menen dat deze latent
aanwezig waren; wij zouden de vraag stellen of zij niet verworven werden in latere
levenstijdperken, met alcohol. Het veelvuldiger voorkomen van het alcoholisme onder de
kinderen van ‘child-guidance-clinics’ wordt in hfdst. 23 gesignaleerd; de schrijvers menen dat
kinderen van minder geschikte (adequate) ouders tegelijk meer ‘anti-sociale kenmerken’ en
neiging tot alcoholisme vertonen. De reeds aangehaalde studie van McCords signaleert
eveneens een meer ongunstige houding van de alcoholici tot hun moeders en een meer
antagonistische houding tot broers en zusters (blz. 424). Deze en dergelijke bevindingen
wijzen in dezelfde richting als de door ons vastgestelde samenhang.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
139
1.4 Roken en drinken in het licht der sociale normativiteit
1.4.1
Begripsuiteenzetting: norm als een
sociale categorie
1.4.2
Theoretische beschouwingen omtrent de
rook- en drinknormen
1.4.3
‘Gemeten’ aspecten der sociale
normativiteit
1.4.4
Structurele samenhangen
1.4.5
Conclusie: functionele en causale
interpretatie
1.4.1 Begripsuiteenzetting: norm als een sociale categorie
Op het belang om bij de studie van drinken en roken onderscheid te maken tussen
wat men doet en wat men hoort te doen, hebben we reeds in de vorige hoofdstukken
in het kort gewezen. Naast de sociale handeling heeft ook de sociale normativiteit
van oudsher de aandacht van de theoretici gehad. Het sterkste accent werd hierop
wellicht door de ‘Franse school’ van Emile Durkheim gelegd. Alle sociale
verschijnselen kenmerken zich volgens deze denker door het feit dat er een bepaalde
normatieve kracht van uitgaat, dat zij de individu een bepaalde gedragslijn opleggen.
Het begrip van ‘la contrainte sociale’ dat Durkheim hanteerde om de zelfstandigheid
van de jonge wetenschap der sociologie t.a.v. de psychologie te verdedigen, staat
dan heel dicht bij hetgeen we nog heden met de begrippen van ‘sociale normativiteit’
aanduiden.
Toch is er in de laatste tijd veel kritiek geleverd op het gangbare gebruik van het
normbegrip door de beoefenaars van de gedragswetenschappen. Ten onzent is het
Hofstra geweest die op de begripsverwarring wees en de belangrijkste semantische
1
elementen van ‘norm’ heeft onderscheiden . Het is mogelijk om de normaliteit als
een statistisch begrip op te vatten (in de betekenis van het frequent voorkomende;
voorbeeld: abnormale intelligentie, d.w.z. een intelligentiepeil, dat slechts door een
klein aantal mensen bereikt wordt). Vaak ziet men in de normaliteit ook een
aanduiding van de lichamelijke of geestelijke gezondheid, dit geheel in
overeenstemming met de medische en biologische wetenschappen. Tenslotte zijn
ook in de sociale norm tenminste twee betekenissegmenten te onderscheiden: a.
de conformiteit aan het bekende en conventionele; b. de aanwezigheid of afwezigheid
van een soci-
1
Zie prof. Hofstra's inaugurele rede te Amsterdam: S. Hofstra, Het normaliteitsbegrip in de
sociologie, Leiden, 1950.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
140
aal probleem aanduidend segment. Hofstra's conclusie is dan ook dat de statistische
normaliteit gescheiden moet worden gehouden van zowel de sociaal-ethische
normaliteit als de biologisch-functioneel georiënteerde normaliteit.
Hofstra's verdienstelijke poging om het normaliteitsbegrip te louteren staat niet
alleen. Vijf jaar later verschijnt een studie van de Noorse schrijver Ragnar
1
Rommetveit die (waarschijnlijk onbewust) Hofstra's redeneertrant vervolgt.
Rommetveit laat de statistische en de medische aspecten van de normaliteit buiten
beschouwing en wijdt zijn aandacht geheel aan de sociale norm. Deze benadert hij
van de kant der sociaal-psychologische theorie en van de recente experimentele
studies door sociaalpsychologen verricht. Er zijn volgens Rommetveit drie situaties
waarin de sociaal-psychologen geneigd zijn van sociale norm te spreken: a. indien
een aantal mensen hetzelfde referentiekader bezitten (‘shared frame of reference
theory of norms’); b. indien er een zekere eenheid en uniformiteit van gedrag valt
waar te nemen (‘uniformity of behaviour theory’) en tenslotte c. indien er sprake is
van een sociale pressie op de handelende mens, b.v. voortvloeiend uit de
verplichtingen die zijn sociale rol hem oplegt (‘social pressure’ of ‘role obligation
theory’).
Zonder al te veel moeite laat Rommetveit zien dat de situatie sub a afwijkt van
het gangbare normbegrip zoals dit in de betekenis van geboden en verboden door
de sociologen en leken wordt gehanteerd en dat wel in de omschrijving sub b en c
2
aanwezig is. Want ‘het referentiekader’ zoals voornamelijk door M. Sherif verkend ,
vormt de achtergrond van de perceptie, waarneming van materiële objecten (b.v.
de beweging van het licht in het donker). Deze objecten zijn kwantificeerbaar, de
fysieke dimensies (lengte en gewicht) zijn metrisch, verankerd in een bepaald
nulpunt. De sociale dimensies (zoals b.v. de waarden, houdingen en wellicht ook
de ‘sociale normen’ in de engere zin) zijn niet metrisch (er is geen nulpunt op de
schaal!) en daarom aan individuele variatie onderhevig. Het is volgens Rommetveit
onjuist de perceptiebevindingen op de houdingen te betrekken.
De bezwaren tegen de opvatting van de sociale norm als zijnde omschreven door
de gedragsuniformiteit van de groep, richten zich vooral op het feit dat ‘uniformiteit’
onvoldoende explicatie geeft van sociale werkelijkheid. Vaak treffen we b.v. in de
samenleving de z.g. ‘double standard’ aan, d.w.z. twee tegenstrijdige normen. Deze
zijn dan zeer
1
2
Social Norms and Roles. Explorations in the psychology of enduring social pressures with
empirical contributions from enquiries into religious attitudes and sex roles of adolescents
from some districts in Norway. Oslo, Minneapolis, 1955.
Zie diens: The Psychology of Social Norms, Harpers, 1936; tevens An Outline of Social
Psychology, New York, Harpers, 1948.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
141
moeilijk te benaderen met behulp van een begrip gebasseerd op gedragsuniformiteit.
Voor zijn kwantitatief gerichte studie geeft Rommetveit de voorkeur aan de ‘sociale
norm’ in de betekenis sub c, omschreven als zijnde gebaseerd op een sociale pressie
of een rolverplichting. Centraal in zijn gedachtengang staat het onderscheid tussen
de normgever (‘norm sender’) en de zich aan de norm conformerende persoon
(‘norm receiver’). Van sociale norm kunnen we slechts dan spreken indien een
persoon een bepaalde gedragslijn aan een andere persoon oplegt en deze
gedragslijn met behulp van ‘sancties’ tracht te verzekeren. Bij de bespreking van
een concreet voorbeeld geeft Rommetveit echter toe dat deze sancties in concrete
situaties niet aanwezig hoeven te zijn: ‘In our attempts at explaining or predicting...
behaviour we will then have to extend our study beyond the dynamics of the present
social situation and into the social psychological genesis of (her) modes of behaviour,
relating (her) present behaviour to past social situations.’ (Op. cit., blz. 28).
1
Ten onzent heeft Clastra van Loon in zijn proefschrift aangetoond dat het verschil
tussen een norm en een bevel juist in de respectieve afwezigheid en aanwezigheid
van de sancties berust. Een bevel kan omschreven worden door middel van de
‘ontvanger-uitzender’ relatie. De norm, daarentegen is onpersoonlijk, niet tot de
bovenvermelde relatie terug te brengen. Toch is Glastra van Loon van mening dat
de norm aan een sociale categorie gebonden moet zijn: ‘Wel is juist, dat normen
steeds tot specifiek bepaalde, nimmer tot individueel bepaalde enkelingen gericht
zijn. Een norm betreft altijd iemand in de functie of in de rol of in de hoedanigheid
van -.’ (Op. cit., blz. 209). Indien hiermee het normatieve gedrag met het rolgedrag
wordt geïdentificeerd (hetgeen o.i. Glastra van Loon niet in de schoenen hoeft te
worden geschoven), menen we tegen een dergelijke versmalling van het normbegrip
een bezwaar naar voren te moeten brengen. ‘Gij zult niet stelen’, of één der andere
ethische geboden, vormt een verplichting niet slechts voor een sociaal personage,
maar voor de ganse samenleving.
Hoe groot ook de waarde van Rommetveits concept van sociale norm mag zijn
bij een onderzoek van kleine groepen, bij een macrosociologisch onderzoek missen
we tevens een concrete culturele inhoud. Had Rommetveit aan concrete religieuze
of ethische normen gedacht, dan was hem zeker gebleken dat het onderscheid
tussen ‘sender’ en ‘receiver’ voor de norm niet essentieel is; vooral de religieuze
normen worden vaak slechts transcendentaal gesanctioneerd, d.w.z. de pressie
berust in de voorstelling van hetgeen de overtreder overkomt na de dood. De
cultuurantropolo-
1
J.F. Glastra van Loon, Norm en handeling, Haarlem, 1956, hfdst. IX A.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
142
gische verdieping van het norm- en waardebegrip zou ons tevens behoeden voor
simplificatie en schematisering: niet alle sociale normen zijn gelijk, de ethische
normen dienen van de juridische, esthetische of logische normen te worden
1
onderscheiden .
Onze uiteenzetting samenvattend willen we ten behoeve van deze studie de normen
omschrijven in hun niet-statistische en niet-medische betekenis. De sociale normen
die we gaan bestuderen, zien we dan op de eerste plaats als de in een samenleving
bestaande collectieve verboden en geboden ten aanzien van het gedrag van haar
leden. De aanwezigheid van sociale sancties ter versterking der normen achten we
niet essentieel voor onze nominale definitie der sociale normen. Hetzelfde kan
gezegd worden over de uit deze normen waarschijnlijk resulterende
gedragsconformiteit.
Beseffend dat de inhoud van een bestudeerd begrip in concreto bepaald wordt
door de wijze waarop wij dit trachten te meten of vast te stellen, menen we aan de
bovenstaande nominale definitie nog een korte operationele aanduiding te moeten
toevoegen. Voor de onderzoeksdoeleinden zien we de sociale normen tevens als
de collectieve opvattingen omtrent hetgeen door de mens in een bepaalde situatie
gedaan moet worden, omtrent het juiste (in normatieve betekenis) gedrag in deze
situatie. Deze opvattingen kunnen in de vorm van uitspraken of meningen worden
geregistreerd. De graad van uniformiteit van deze uitspraken kan dan als maat
dienen van de collectieve aard der normen. De normatieve situaties zullen tenslotte
gezocht worden buiten het gebied van het economisch, het logisch of anderzijds
‘rationeel’ handelen.
1.4.2 Theoretische beschouwingen omtrent de rook- en drinknormen
Juist doordat we het verband tussen de norm en het feitelijk gedrag in onze definitie
niet hebben opgenomen (we verwierpen immers de opvatting van de sociale norm
als zijnde per definitie de gedragsuniformiteit), is het ons mogelijk de feitelijke relatie
tussen de norm en het gedrag aan de orde te stellen. De opvattingen over deze
relatie lopen nogal uiteen. Sub 1.3.1 hebben we reeds de mening van Selden Bacon
aangehaald dat b.v. het drinken zijn bestaan te danken heeft aan het feit dat men
in nor-
1
We menen dat ook de paradoxale conclusie van het briljante proefschrift van F.L. Polak,
Kennen en keuren in de sociale wetenschappen, Leiden, 1948, dat er in principe geen
waardevrije wetenschap mogelijk zou zijn, op het onvoldoende onderscheid tussen de ethische,
politieke of sociale normen en waarden en de kenniswaarden berust. Zie trouwens ook de
polemiek tussen Polak en Kruijt in Mens en Maatschappij, jrg. XXVIII (1953).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
143
matief opzicht hiertegenover neutraal of zelfs positief staat, dat onze zeden (‘mores’)
het drinken van alcohol niet verbieden. Hieraan ten grondslag ligt de veronderstelling
dat er tussen de sociale normen en het feitelijke gedrag een rechtstreekse causale
samenhang bestaat. Uit de studies op andere gebieden weten we echter dat er
vaak een diepe kloof bestaat tussen de moraal (hieronder verstaan we het
gezamenlijk systeem van de collectieve verboden en geboden in een bepaalde
1
samenleving) en het gedrag van de leden dezer samenleving .
Het bestaan van deze kloof tussen de officiële, door de gemeenschap aanvaarde
moraal en de opvattingen en de gedragingen van de individu vormt een probleem
2
op zich zelf. Charles K. Warriner meent dat de officiële moraliteit in duidelijke,
pregnante vorm slechts in de situaties voorkomt waar a. leden van de gemeenschap
in feite tegenstrijdige waarde-oordelen en opvattingen huldigen; en b. waar het om
een waarde gaat die belangrijk is voor het welzijn van de groepering. In de door
hem bestudeerde gemeente ontwikkelde zich een strenge normatieve code tegen
het drinken juist toen de gemeenschap dank zij de verbeterde communicatie
ontsluierd werd en de bevolking in aanraking kwam met de stedelijke groeperingen,
die het drinken tolereerden. Desondanks dronk men in het geheim thuis en verborg
zorgvuldig de lege flessen.
Warriner meent een discrepantie tussen de groepsnorm (of beter
‘gemeenschapsvorm’) en het feitelijk individueel gedrag te moeten constateren. Aan
de andere kant schijnen andere studies een overeenkomst te suggereren tussen
de aanvaarding van de sociale norm door de individu en zijn feitelijk gedrag. In de
reeds aangehaalde studie van Erik Allardt wordt een samenhang geconstateerd
tussen de tolerante houding t.o.v. het alcoholgebruik en de feitelijke consumptie der
alcoholica (d.w.z. zoals opgegeven door de respondenten). De alcoholgebruikers
hebben een tolerantere houding t.o.v. alcohol dan de niet-gebruikers of
3
gelegenheidsgebruikers ; zij aanvaarden de verbodsnorm niet in dezelfde mate als
de niet-drinkers. Dit schijnt dan alweer te bevestigen dat er zo niet een causale
samenhang, dan toch een zekere functionele eenheid bestaat tussen
1
2
3
Heel duidelijk schijnt dit het geval te zijn met het seksuele gedrag van de mens. In een in
wezen judaïstisch-christelijke samenleving als die der Verenigde Staten, die het seksuele
leven normatief tracht te beperken tot het intieme huwelijksleven, zien we de overtreding van
deze norm meer als regel dan uitzondering. Cf., hiervoor het tweede deel van Alfred C. Kinsey
c.s., Sexual Behavior in the Human Female, Philadelphia, 1953, aangevend de frequentie
van verschillende vormen van seksuele bevrediging bij de mannen en vrouwen. Al moet er
t.a.v. de schatting van deze waarden voor de gemiddelde bevolking in de V.S. een zekere
reserve betracht worden, de cijfers zijn zo hoog dat geen kritisch denkende lezer een
discrepantie tussen de sociale norm en het werkelijk sociaal gedrag kan ontkennen.
Charles K. Warriner, ‘The nature and functions of official morality’, in The American Journal
of Sociology, vol. LXIV, blz. 167, (1958).
E. Allardt, T. Markkanen, M. Takala, Drinking and Drinkers, Helsinki, 1957, blz. 43.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
144
het werkelijk gedrag en de door de handelende persoon aanvaarde norm. Deze
theorie van functionele eenheid van de persoon vindt haar steun in Festingers
denkbeelden zoals in diens ‘theory of cognitive dissonance’ geformuleerd. Al is het
mogelijk dat er een verschil bestaat tussen de gemeenschapsnorm en de individuele
norm of gedrag, een verschil tussen eigen opvatting (geloof, mening) en eigen
gedrag wordt door de individu als onprettig en onaangenaam ondervonden, zodat
er een tendens ontstaat tot verandering: of het gedrag moet worden gewijzigd, of
1
het kennisbeeld, het geloof, of de norm wordt als ongeldig en onjuist verklaard .
Festinger betrekt deze theorie bewust op de rookgewoonte en op de vertekening
van het kennisbeeld die bij de sterke rokers zou ontstaan wanneer de berichten
omtrent de gevaarlijke aspecten van het roken in de pers verschijnen. We zullen
hieraan meer aandacht wijden in ons hoofdstuk over de voorlichting en de resultaten
van de voorlichting (1.8.3). Thans willen we er slechts op wijzen dat het door
Festinger omschreven voorbeeld (en dus ook de door hem geformuleerde theorie)
voor de sociale normativiteit niet zonder betekenis is. In onze samenleving bestaat
immers een norm dat de mens de ongezonde gedragingen dient te vermijden. Het
betrekken van het roken op het ontstaan van longkanker betekent dus aan het roken
een negatief verbod opleggen, of althans een beperkend verbod. In overeenstemming
met Festingers theotie zouden we verwachten dat de rokers en de drinkers meer
afwijzend zullen staan tegen de normen die beperking of uitbanning van alcoholica
of tabakswaren gebieden.
Het schijnt dat de ‘functionele eenheid van de persoon’ tot uiting komt niet slechts
in de mens als subject maar ook in de mens als object. In hun poging om een groter
aantal groepsdynamische onderzoekingen tot een gemeenschappelijke conceptuele
basis te brengen, komen Riecken en Homans tot de conclusie dat de sociale normen
die een persoon aanhoudt doorslaggevend zijn voor de affectieve houding van
anderen jegens hem: men zoekt vriendschap en contacten met mensen van dezelfde
2
opvattingen, die dezelfde normen aanhouden . Met andere woorden, die persoon
wordt geacht en beoordeeld als ‘sympathiek’, ‘populair’, die tevens de handelingen
verricht of waarde-oordelen velt, welke door de groep op prijs worden gesteld.
We aarzelen om van deze ‘functionele eenheidstheorie’ over te stappen op het
vraagstuk van de functionele analyse der sociale normen in het algemeen. De
meeste sociologische systemen wijden hieraan hun aandacht, de betekenis van de
sociale consensus voor de integratie van de
1
2
Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance, New York, 1957.
Henry W. Riecken, George C. Homan, ‘Psychological aspects of social structure’, in G.
Lindzey, Handbook of Social Psychology, II, Reading, Mass., 1954.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
145
samenleving werd voldoende verkend. Slechts willen we in deze context wijzen op
het feit dat de betekenis van de functionele eenheid van de persoon, en dus ook
van de normen die hij aanhoudt, vaak sterk wordt overdreven. Tussen de handeling
en de norm wordt geen onderscheid gemaakt, bij elke groepering waar afwijkende
gewoonten worden geconstateerd, worden tevens afwijkende normen verondersteld.
Zo heeft ook Allardt geconstateerd dat de verschillen in het drinken tussen de sociale
klassen geheel verklaard worden door het verschil in de normen (‘permissiveness’),
menend bij de arbeiders veel zwakkere normen en meer drinken te vinden. Deze
stelling handhaaft hij ondanks het feit dat er bij vrouwen van dezelfde normatieve
instelling juist een tegenovergestelde samenhang werd geconstateerd:
‘non-permissive women in the upper and middle-classes drink more than
1
non-permissive women from the working class’ .
Te zamen met de feiten over de discrepantie tussen de norm en de handeling op
2
andere gebieden , menen we in deze bevinding een aanleiding te vinden om de
relatie tussen de norm en het gedrag nogmaals aan een kritisch onderzoek te
onderwerpen. Niet slechts de statistische significantie en de intensiteit van een
geconstateerde samenhang kan licht werpen op deze relatie; we kunnen
onderzoeken welke sociaal-structurele factoren de sociale normen, en welke de
werkelijke handelingen schijnen te conditioneren, om op deze wijze een dieper
inzicht te verkrijgen in het vraagstuk van de sociale normativiteit en haar verhouding
tot het werkelijke gedrag.
De vragen waarop empirisch een antwoord gezocht wordt, zijn als volgt te
formuleren:
Welke normen (in de door ons onderscheiden betekenis van opvattingen omtrent
het toepasselijk sociaal gedrag) kent onze samenleving ten aanzien van het roken
en het drinken? Welke mate van uniformiteit van de gedeelde opvattingen kan er
worden geconstateerd? Welke plaats nemen de normatieve oordelen en denkbeelden
omtrent het roken en drinken in in het algehele normatieve stelsel? Hoe verhouden
de normen zich tot het werkelijk gedrag? Welke samenhangen kunnen worden
vastgesteld met de onderscheiden factoren van de sociale structuur? Hoe is het
patroon van deze samenhangen vergeleken met de factoren die het werkelijk gedrag
schijnen te bepalen?
1
2
Op. cit., blz. 66.
Er zijn zelfs meningen bekend dat een te strenge norm dysfunctioneel kan werken, d.w.z. dat
ze mensen prikkelt tot overtreding. Door de leken wordt gewezen op de vaak voorkomende
seksuele perversiteit in de rooms-katholieke landen, d.w.z. de landen die de strengste
religieuze normen kennen t.o.v. de seksuele bevrediging. Dat de norm dysfunctioneel kan
werken ervaart b.v. een autorijder die krasse snelheidsbeperkingen aantreft zonder zichtbare
reden.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
146
Niet vele verwachtingen en hypothetische antwoorden, betrekking hebbende op
deze vragen, werden vooropgesteld. In overeenstemming met de voorafgaande
uiteenzetting, verwachtten wij een zeker verband tussen de normatieve houding en
1
het werkelijke gedrag van de individu . Aan de andere kant meenden wij een
verschillend patroon der causale relaties te vinden: het roken of het drinken werd
in de termen van ons causale schema opgenomen naast de norm t.a.v. het roken
en de norm t.a.v. het drinken.
1.4.3 ‘Gemeten’ aspecten der sociale normativiteit
a. Roken
Het bleek niet gemakkelijk om geschikte vragen te vinden door middel waarvan we
de normativiteit t.a.v. het roken zouden registreren. Daar omstreeks 90% van de
mannelijke bevolking rookt, werd door ons een indirecte methode gevolgd. Wij lieten
de proefpersonen het ev. verbod betrekken op het gedrag van hun kinderen.
Teneinde een grotere variabiliteit in antwoorden te verkrijgen, informeerden wij hoe
men stond tegenover het roken van zoons en dochters; indien men het roken (zoals
in de meeste gevallen) niet afwees, vroegen wij bij welke leeftijd men het roken van
kinderen toestond. De volgende Tabel 1.4.1 geeft de antwoorden weer op onze
vraag (no. 83 van de Vragenlijst; zie Bijlage 1) voor mannelijke en vrouwelijke
personen in onze steekproef.
Tabel 1.4.1 Normatieve houding van de mannen en de vrouwen in onze
steekproef t.o.v. het roken van zoons
Table 1.4.1 Normative attitude towards the smoking of sons; by sex
...zoudt U het bezwaarlijk vinden indien Uw zoon zou roken? Zo niet, bij welke
leeftijd?
...would you object against the smoking of your son? If not at what age?
geen
mag roken
- 12 j.
- 14 j.
-16 j.
antwoord
wanneer hij wil - 12 y.
- 14 y.
- 16 y.
no answer
may smoke
when he
pleases
Mannen
28
23
11
86
233
Men
Vrouwen
Women
Totaal
Total
1
4,6%
3,8%
1,8%
14,1%
38,0%
38
22
4
80
249
5,5%
3,2%
0,6%
11,7%
36,3%
66
45
15
166
482
Zie ook de afzonderlijke reeksen van hypothesen in 1.2.3 en 1.3.2.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Mannen
Men
Vrouwen
Women
Totaal
Total
5,0%
3,5%
1,2%
12,8%
37,2%
- 18 j.
- 18 y.
- 20 j.
- 20 y.
- 22 j.
- 22 y.
157
25
0
helemaal nietTotaal
Total
may not
smoke at all
49
612
25,7%
4,1%
0%
8,0%
100%
200
25
4
63
685
29,2%
3,8%
0,6%
9,2%
100%
357
50
4
112
1.297
27,5%
3,9%
0,6%
8,6%
100%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
147
Uit de tabel lezen we dat nog geen negen percent van de bevolking het roken van
zoons geheel afkeurt. Er is een opvallende overeenstemming hieromtrent bij de
mannen en vrouwen. Hiertegenover staat dat slechts 3,5% d.w.z. slechts één op
29 volwassen mannen en vrouwen hun eigen zoons (of fictieve zoons) geheel
vrijlaten. De meeste mensen leggen dus in de jongere leeftijd een verbod op. Dit
verbod wordt opgeheven na het beëindigen van de verplichte schoolgang of de
schoolopleiding. Desalniettemin valt op dat 16% van de bevolking bereid is het roken
toe te staan ook aan de kinderen jonger dan 14 jaar. Dit is, rekening houdend met
het percentage mensen dat geheel geen normen oplegt, ca. 20%. Omstreeks elke
vijfde Nederlander is dus in principe bereid het roken van kinderen toe te staan,
althans wat de jongens betreft.
Ten aanzien van het roken der vrouwen is de normativiteit strenger, zoals de
hieronder geplaatste Tabel 1.4.2 duidelijk laat zien.
Tabel 1.4.2 Normatieve houding van de mannen en vrouwen in onze
steekproef t.o.v. de dochters (resp. fictieve dochters)
Table 1.4.2 Normative attitude of men and women towards the smoking
of daughters (women)
Geslacht
Sex
Mannen
Men
Bezwaren roken dochter
Objections against smoking daughters
geen
geen
niet voor 12 - 14 j.
antwoord
bezwaren jaar
- 14 y.
no answer no
may not
objections smoke
before 12
years of age
43
12
2
20
- 16 j.
- 16 y.
87
7,0%
2,0%
0,3%
3,2%
14,2%
54
18
4
27
117
7,1%
2,6%
0,6%
3,9%
17,1%
97
30
6
47
204
7,5%
2,3%
0,5%
3,6%
15,7%
Geslacht
Sex
- 18 j.
- 18 y.
- 20 j.
- 20 y.
- 22 j.
- 22 y.
Mannen
Men
141
48
8
mag niet
Total
roken
Totaal
may not
smoke al all
251
612
23,0%
7,8%
1,3%
41,0%
Vrouwen
Women
Totaal
Total
99,8%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Vrouwen
Women
Totaal
Total
176
45
5
239
685
25,7%
6,6%
0,7%
34,9%
100%
317
93
13
490
1.297
24,4%
7,2%
1,0%
37,8%
100%
Het percentage mensen dat hun dochters (dus: aan vrouwen) het roken wil verbieden
is meer dan vier keer zo groot als het percentage personen dat het rookverbod aan
hun zoons wil opleggen. Ook de overige antwoordcategorieën laten zien dat de
norm veel strenger is t.o.v. de vrouwen dan de mannen: indien men het roken voor
meisjes toestaat, dan gebeurt dit gemiddeld op een hogere leeftijd dan bij de jongens.
Het aantal personen dat helemaal geen norm oplegt, is kleiner; slechts 6,4% is
bereid het roken toe te staan aan meisjes jonger dan 14 jaar, dit is minder dan een
derde van het aantal mensen dat het roken van minderjarige jongens toestaat.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
148
Het valt op dat vrouwen en mannen weinig van elkaar verschillen in hun normatief
beoordelen van het roken. Dezelfde tendens, het goedvinden van het roken van
mannen en het veroordelen van het roken van vrouwen valt bij beide groeperingen
waar te nemen. Slechts kunnen we zien dat elke van de onderscheiden groeperingen
een strengere norm t.a.v. het gedrag van de ander koestert dan t.a.v. eigen
soortgenoten: meer mannen dan vrouwen veroordelen het roken door vrouwen,
meer vrouwen dan mannen veroordelen het roken door mannen (zie ook blz. 156).
Indien we spreken van het veroordelen van het roken bij vrouwen dan dient dit
slechts op de mannen-vrouwenvergelijking te worden betrokken. In absolute termen
zijn er immers ook meer mensen die het roken van vrouwen toestaan dan mensen
die het verbieden, al maakt men voorbehoud tegen het roken in de prille jeugd.
Een andere indirecte bron van onze kennis omtrent de normativiteit t.o.v. het roken
vormt een reeks van waardenbeladen uitspraken die we aan de respondenten
voorlegden teneinde hun instemming of afkeuring te registreren. Hieronder vatten
we de resultaten van ons ‘referendum’ samen:
Uitspraak Eens
(vraag no.
81):
Sommigen 24
zeggen dat
je nog een
klein kind
bent als je
niet rookt.
1,9%
Anderen
20
zeggen dat
het stom zou
zijn om niet
te roken
daar haast
iedereen het
doet.
1,6%
Rokers zijn 347
net kleine
kinderen die
zich een
pleziertje
niet kunnen
ontzeggen.
26,8%
Wie rookt,
250
weet van het
leven te
genieten en
Weet het nietNiet eens
Niet ingevuldTotaal
16
1.229
28
1.297
1,2%
94,8%
2,1%
100%
12
1.244
21
1.297
0,9%
95,9%
1,6%
100%
56
846
48
1.297
4,3%
65,2%
4,7%
100%
63
926
58
1.297
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
het beste
ervan te
maken.
19,3%
Flinke en
328
verstandige
mensen
roken niet.
25,3%
Of je roker 777
bent of niet
maakt
geheel niets
uit.
59,9%
4,9%
71,4%
4,4%
100%
47
884
38
1.297
3,6%
68,2%
2,9%
100%
47
426
47
1.297
3,6%
32,8%
3,7%
100%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
149
We bemerken dat zowel de sterk positieve als de sterk negatieve uitspraken omtrent
het roken worden verworpen door de grote meerderheid respondenten. Slechts bij
de laatste, volgens onze opzet neutrale stimulus, wordt de steekproef in meer
evenredige subgroeperingen verdeeld. Alle andere stimuli, zelfs de minder
discriminerende en minder tegen personen gerichte (zoals de twee voorlaatste)
werden door de meerderheid van twee derden der respondenten verworpen. Wie
meent dat er op het moment van onze enquêtering een sterke norm t.o.v. het roken
in onze samenleving bestond, behoeft slechts de responsies op de voorlaatste
stimulus in ogenschouw te nemen om deze veronderstelling te laten vallen.
Tenslotte willen we in dit verband nog de houding van de bevolking t.o.v. de
niet-rokers te vermelden daar we menen hierin eveneens een indirecte indicator te
vinden van de normatieve attitude waarin de sociale normen verankerd zijn. De
vraag 82 gaf het volgende beeld te zien:
Hoe ziet U de niet-rokers?Aantal
Als flinke mensen met een 197
sterke wil.
%
15,2
Als mensen die eigenlijk 25
niet goed weten te leven.
1,9
Als verstandige mensen 122
die weten wat goed is voor
de mens.
9,4
Als mensen die zich braaf 9
willen voordoen.
0,7
Als heel gewone, normale 810
mensen.
62,5
Als mensen, die nooit goed 26
met de wereld in aanraking
zijn gekomen.
2,0
Geen adequaat antwoord 108
8,3
Te zamen
100,0
1.297
De cumulatie van responsies in de neutrale rubriek (‘gewone, normale mensen’)
springt alweer in het oog. We menen hierin een bevestiging te vinden van het feit
dat in Nederland het roken niet sterk bij de sociale normativiteit wordt betrokken.
De sociale norm geeft ook geen polarisering van de opinie te zien in sterk
1
goedkeurende en sterk afkeurende groeperingen .
Met opzet hebben we hier vermeld de responsies op de afzonderlijke vragen die
gesteld zijn teneinde de normatieve houding te peilen. Bij de eigenlijke analyse zijn
deze afzonderlijke stimuli samengetrokken in een
1
Terloops willen we opmerken de merkwaardige afwezigheid van een kleinerende, negatieve
houding van de rokers t.o.v. de niet-rokers. Indien we bedenken dat er een meerderheid
rokers bestaat onder de volwassen bevolking, dan getuigt het resultaat van onze ondervraging,
met opzet gebruikmakend van scherpe uitspraken, van een merkwaardige tolerantie en
verdraagzaamheid; tevens menen we in de responsies een evidentie te vinden voor de eerbied
voor de mens als onderliggende waarde. De kleinerende uitspraken worden reeds om deze
reden niet onderschreven.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
150
1
meetschaal en met andere factoren gecorreleerd . Daar de meetschaal echter een
analytisch instrument vormt, meenden we in deze context op de oorspronkelijke
vragen terug te moeten vallen teneinde een brug te slaan tot de nominale definitie
van de sociale norm, zoals hierboven gegeven.
Onze uiteenzetting van gegevens laat zich o.i. als volgt voorlopig samenvatten: het
roken van de mannen wordt haast geheel niet bij de sociale normativiteit in onze
samenleving betrokken. Er bestaat althans vrijwel een algemeen gedeelde weerstand
om op het roken van zoons (d.w.z. mannen) een verbod op te leggen. Vier vijfden
van onze bevolking is daarentegen van oordeel dat de jongeren (onder 14 jaar) niet
behoren te roken en tracht bij deze groeperingen het roken te verbieden.
Het roken van de vrouwen wordt nog steeds sterker veroordeeld dan dat van de
mannen; daar echter nog geen 4 uit 10 volwassen personen bereid zijn hun dochters
een algeheel verbod op te leggen, is hier van een collectieve opvatting, en dus van
een algemeen aanvaarde sociale norm, zeker geen sprake. Wel bestaat alweer een
vrijwel algemene overeenstemming over het verbod van roken door jonge meisjes,
de kritieke leeftijdsgrens wordt iets hoger gesteld dan bij de jongens.
Uit het feit dat men vrijwel algemeen weigert negatieve uitspraken zowel omtrent
de rokers als de niet-rokers te onderschrijven, menen we te mogen concluderen
dat ‘het rookvraagstuk’ ten onzent (ten tijde van het onderzoek) niet aan de
voorwaarden voldoet, die volgens Warriner tot de vorming van een dubbele moraliteit
aanleiding geven. Noch de rokers noch de niet-rokers worden door het sociale
ostracisme getroffen, het roken of niet-roken geeft geen aanleiding tot verbreken
van contacten, tot het brandmerken van de leden van ‘de andere groep’.
Tenslotte willen we vermelden dat de vastgestelde eenheid van opvatting weinig
verandering onderging in de afzonderlijke groepen van mannen en vrouwen, hoewel
juist in deze groepen de grootste verschillen in de frequentie van het roken werden
vastgesteld. Wel is er een wederzijdse tendens van de mensen van beide kunnen
aan de andere groep een relatief strengere norm op te leggen.
b. Drinken
Ten opzichte van de drinkgewoonten moest eveneens een ietwat indirecte
benadering worden gevolgd. Teneinde de ‘akelige’ interviewsituaties te vermijden
waarin naar de drinkgewoonten van de respondent wordt ge-
1
Zie Aanhangsel van Drs. Ch.A.G. Nass en onze uiteenzetting in hoofdstuk 2. 6.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
151
informeerd en hierna (of hiervoor) vragen worden gesteld of men het drinken niet
afkeurt, hebben we gevraagd naar het aantal glaasjes dat men toelaatbaar acht per
avond. Hiermee hoopten we zowel de normatieve houding t.o.v. het sporadisch
excessief drinken als t.o.v. het overmatig meer constant alcoholgebruik te peilen.
Daar we verwachtten dat de normen t.o.v. de mannen anders zouden liggen dan
de normen t.o.v. het gedrag der vrouwen, zijn twee afzonderlijke vragen (no. 100a
en 100b) gesteld. De onderstaande tabel vat de voornaamste resultaten in dit opzicht
samen, alweer voor de twee onderscheiden groeperingen van mannen en vrouwen
in onze steekproef.
Tabel 1.4.3 Drinknormen voor mannen en vrouwen zoals aangegeven
door de mannen en vrouwen in onze steekproef
Table 1.4.3 Drinking norms for men and women; by sex
Het aantal glaasjes dat een man op een avond mag drinken
The number of glasses that a man is allowed to drink in an evening
Ge- geen weet
slacht ant- het
woord niet
Sex
does
no
not
answer know
geen 1 of 2 3
Man- 18
nen
Men
11
142
159
55
10
63
4,0% 23,2% 1,5% 9,2%
Totaal 46
301
5
6
7 of
8
7 or
8
9 of Totaal
meer
9 or Total
more
73
85
60
49
32
none 1 or 2
2,9% 23,2% 1,8% 9,0%
Vrou- 28
wen
Women
4
21
118
87
612
14,1% 11,9% 13,9% 9,8% 8,0% 5,2% 99,8%
121
109
85
57
19
34
685
17,7% 15,9% 12,4% 8,3% 2,8% 5,0% 100%
208
182
170
117
68
66
1.297
Total
3,6% 23,2% 1,6% 9,1%
16,1% 14,0% 13,1% 9,0% 5,2% 5,1% 100%
Het aantal glaasjes dat een vrouw op een avond mag drinken
The number of glasses that a woman is allowed to drink in an evening
Ge- geen weet
slacht ant- het
woord niet
Sex
does
no
not
answer know
geen 1 of 2 3
none 1 or 2
4
5
6
7 of
8
7 or
8
9 of Totaal
meer
9 or Total
more
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Man- 17
nen
Men
132
60
149
130
61
2,8% 21,4% 9,7% 24,1% 21,1% 9,9%
Vrou- 24
wen
Women
132
43
188
136
77
32
21
5,2%
3,4% 1,3% 1,0% 99,9%
52
17
3,5% 19,4% 6,3% 27,6% 20,0% 11,3% 7,6%
Totaal 41
264
103
337
266
138
84
8
6
6
6
1
616
1
681
2,5% 0,9% 0,9% 100%
38
14
12
1.297
Total
3,2% 20,4% 7,9% 26,0% 20,5% 10,6% 6,5%
1
1
2,9% 1,1% 0,9% 100%
Deze tabel werd voor de revisie van ponsingen opgemaakt. Door codeverschuiving zijn 4
kaarten van vrouwen in de mannengroep geraakt. Daar dit slechts een vertekening van 0,3%
betekent, werd de tabel niet overgemaakt. De totalen geven de juiste getallen weer.
Deze tabel werd voor de revisie van ponsingen opgemaakt. Door codeverschuiving zijn 4
kaarten van vrouwen in de mannengroep geraakt. Daar dit slechts een vertekening van 0,3%
betekent, werd de tabel niet overgemaakt. De totalen geven de juiste getallen weer.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
152
Het beeld dat we te zien krijgen, vertoont een sterke overeenkomst met de normen
t.o.v. het roken. Alweer is het percentage mensen dat het drinken geheel wil
verbieden uiterst klein; slechts 1,6% van alle ondervraagde personen gaf te kennen
dat de mannen geheel geen alcoholica mogen gebruiken. Het desbetreffende
percentage met betrekking tot de vrouwen was uiteraard hoger: ca. 8%, d.w.z. elke
twaalfde volwassen Nederlander is van mening dat de vrouw geheel niet behoort
te drinken.
Tegenover de geringe groeperingen van mensen die het gebruik van alcoholica
geheel wil verbieden, staat een veel grotere groepering, die helemaal geen norm
oplegt of slechts een norm die zo zwak is dat zij zeker zelfs een dronkenschap
toestaat. Want bijna 20% van alle ondervraagden staat de mannen toe om meer
dan zes glaasjes per avond te drinken. Het percentage is uiteraard hoger bij de
mannelijke beoordelaars (23%) dan bij de vrouwen (16%).
Wel moeten we in dit verband vermelden dat de categorie mensen die een
ontwijkend antwoord gaf op onze vraag, betrekkelijk hoog was: 20,4% met betrekking
tot het gedrag van de vrouw, 23,2% met betrekking tot de vraag die de norm t.a.v.
de mannen trachtte te meten. Waarschijnlijk is de vraag toch nog te direct geweest
zodat sommige ondervraagden bang waren om zich ‘bloot te geven’. Anderzijds
kwam de vraag inderdaad onverwachts, betrof een onderwerp, waarover in de
samenleving waarschijnlijk geen stereotiepen bestaan en waarmee men zelf (in
tegenstelling tot het vraagstuk van het roken van eigen kinderen) niet zo frequent
was geconfronteerd. Hoe dan ook, men dient de bovenvermelde percentages met
een korreltje zout te nemen, daar naast de vertekening die aan elke schatting van
een steekproef op de populatie inherent is, nog de vertekening optreedt door
ontwijkende antwoorden. Indien we echter aannemen dat ‘ik weet het niet’ of ‘ik durf
het niet te zeggen’ werwlijk de respondenten zonder een bepaalde mening betrof,
dan dient zokeel aan de percentages van de ‘principiële geheelonthouders’ als aan
die van mensen die het drinken geheel vrijlaten toch een zekere aandacht besteed
te worden.
Tenslotte bemerken we dat met betrekking tot het verbod van drinken dezelfde
tendens bestaat: dat de mannen geneigd zijn aan de vrouwen een strengere norm
voor te schrijven.
Evenals t.o.v. de rookgewoonten hebben we het t.o.v. de drinkgewoonten niet bij
één vraag gelaten. Teneinde de verschillende waardesegmenten te onderscheiden
en ook andere aspecten dan het aantal geledigde glaasjes bij de normativiteitsstudie
te betrekken, werd de complexe vraag (no. 103) opgesteld, die de afkeuring moest
peilen van verschillende vormen van alcoholgebruik en -misbruik (evenals het mijden
van alcohol: geheelonthouding). De antwoorden lieten zich als volgt samenvatten:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
153
Zoudt U het erg vinden als iemand van Uw gezin of familie:
ja
a.
weet het
niet
10
neen
174
geen
Totaal
antwoord
5
1.297
0,8%
13,4%
0,4%
13
392
6
1%
30,2%
0,5%
4
20
8
97,5%
0,3%
1,5%
0,6%
388
40
860
9
29,9%
3,1%
66,3%
0,7%
6
14
10
0,5%
1,1%
0,8%
38
1.114
11
2,9%
85,9%
0,8%
nu en dan 1108
dronken
was?
85,4%
b.
nu en dan 885
aangeschoten
was?
68,2%
c.
d.
e.
elke week 1.265
dronken
was?
elke dag
voor tafel
een glas
dronk?
elke dag 1.266
eigenlijk
tegen de
avond
beschonken
zou zijn?
97,6%
f.
uit principe 127
helemaal
niet
dronk?
9,8%
1.297
1.297
1.297
1.297
1.297
We bemerken dat er een opvallende overeenstemming bestaat in de afwijzing van
alcoholmisbruik zoals met de woorden ‘aangeschoten zijn’, ‘dronken zijn’,
‘beschonken zijn’ aangeduid. Vooral waar het herhaalde of bijna constante misbruik
betreft, is de overeenstemming sterk, bereikt dan 97%. Het valt echter op dat zelfs
een lichtere, sporadisch voorkomende roes (‘nu en dan aangeschoten zijn’)
veroordeeld wordt door nog twee derden van alle ondervraagden.
Daarentegen bemerken we geen verbod van het gebruik van alcoholica zelf. Zelfs
het dagelijkse gebruik, ‘op nuchtere maag’ wordt niet veroordeeld: twee derden
keuren het goed, hebben er geen bezwaar tegen indien iemand van hun verwanten
zich deze gewoonten eigen zou maken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Bij een klein gedeelte van onze steekproef (toch echter bijna 10%) slaat de norm
zelfs om: men keurt het zich onthouden van alcoholica af.
We menen in deze gegevens voor Nederland een bevestiging te zien van de
theoretische analyse van de sociale drinknormen, die Selden Bacon voor de V.S.
heeft gegeven (zie 1.3.1). Niet het drinken zelf, doch de consequenties van het
drinken worden door de samenleving afgekeurd. Het gebruik van alcoholica is zelfs
in bepaalde sociale situaties geboden en althans een deel der samenleving keert
zich tegen diegenen die persistent weigeren alcohol tot zich te nemen. Teneinde
de stelling te verifiëren dat alcohol- en nicotinegebruik een niet al te belangrijke
plaats innemen in het stelsel van de sociale normativiteit in onze samenleving, zou
het nodig zijn om nadere informatie over dit stelsel zelf te verkrijgen. Nu is het bij
een analytisch gericht onderzoek ondoenlijk om de totaliteit, die het totaal van sociale
normen in een bepaald land vormt, in meetbare variabelen te ver-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
154
talen. Om toch enig inzicht te verkrijgen in de verhouding van de drinknormen tot
andere sociale normen, werd een selectie gemaakt van specimens van het
normatieve gedrag: de belangrijkste seksuele, economische, godsdienstige, politieke
en sociale vormen van wangedrag werden aan de respondenten ter beoordeling
voorgelegd tegelijk met twee vormen van alcoholmisbruik en
gezondheidsverwaarlozing (deze stond in onze ogen het dichtst bij de risico's die
het roken impliceert).
Tabel 1.4.4 Gedragsvormen die men het meest en het minst afkeurt
Table 1.4.4 Specimens of morally proscribed conduct
GedragsspecimenHet meest afgekeurd:
The most rejected way of
Ways of
conduct:
conduct
1e keus
2e keus
1st choice
2nd choice
a.
‘Het
3
0,2%
3
0,2%
zich
stiekem
thuis
bedrinken.’
Het minst afgekeurd:
The least rejected way of
conduct:
1e keus
2e keus
1st choice
2nd choice
527
40,6% 249
19,4%
Secret
drinking
at
home.
b.
‘Roeke- 92
loos
autoof
motorrijden.’
7,1%
89
6,9%
109
8,4%
139
10,7%
3,3%
85
6,5%
72
5,6%
111
8,5%
1,2%
36
2,6%
151
11,6%
200
15,4%
Reckless
driving.
c.
Voor
43
geld bij
vrouwen
zijn
pleziertje
zoeken.
Prostitution.
d.
‘In de 16
kroeg
dronken
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
alles
kort en
klein
slaan.’
Aggressive
drunkenness in
a pub.
e.
‘Stelen 38
of geld
verdusi teren.’
2,9%
57
4,4%
31
2,4%
41
3,2%
21,0%
290
22,5%
8
0,6%
13
1,0%
15,6%
93
7,2%
34
2,6%
44
3,4%
7,9%
115
8,9%
18
1,4%
21
1,6%
Theft
or
embezzlement.
f.
‘Meisjes 273
het
hoofd
op hol
brengen
en ze
met
een
kind
laten
zitten.’
Illicit
intercourse
with
girls
and
desertion.
g.
‘God
202
lasteren.’
Blasphemy.
h.
‘Zijn
103
land
verraden.’
Capital
treason.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
i.
‘Roeke- 23
loos
met
eigen
gezondheid
omgaan.’
1,8%
47
3,6%
220
17,0%
264
20,3%
33,8%
241
18,6%
4
0,3%
7
0,5%
5,1%
241
18,6%
119
9,2%
208
16,0%
100 %
1.297 100 %
Reckless
neglect
of
one's
health.
j.
‘Het
438
verwachte
kind
weghelpen.’
Abortion.
geen 66
antwoord
no response
Totaal
Total
1.297
1.297 100 %
1.297 100 %
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
155
Tabel 1.4.4 die onze bevindingen omtrent de intensiteit van algemene sociale normen
weergeeft, vereist een nadere toelichting. Zoals in het tweede deel van dit boek
nader uiteengezet (2.2) werden aan de respondenten op afzonderlijke kaartjes tien
uitspraken voorgelegd (a t/m j) met het verzoek om één aan te geven die zij het
sterkst afkeurden; hierna moesten zij hun tweede keus doen. Daarna is de instructie
gewijzigd; men moest de uitspraken aangeven die men ‘het minst erg’ vond. Tabel
1.4.4 geeft in de respectieve kolommen aantallen mensen aan die bepaalde
uitspraken hebben gekozen als hetzij het meest of het minst afkeurenswaard. Zo
zien we dat de vormen van seksueel wangedrag, vooral daar waar zij nadelige
consequenties hebben voor het voortbestaan van het gezin, het sterkst worden
afgekeurd (uitspraken ‘j’ en ‘f’).
Hierna komt, bij de eerste keus, de religieuze norm (‘g’) en het zondigen tegen
het principe van vaderlandsliefde (‘h’). Het is opvallend dat er in de ganse steekproef
slechts 16 personen waren die de agressieve vorm van dronkenschap (‘d’) als het
meest afkeurenswaard achtten, terwijl praktisch niemand (0,2%) de stille, eenzame
dronkenschap als de meest negatieve vorm van gedrag aanduidt. Ook de ‘norm’
die wellicht indirect op de rookgewoonten kan worden betrokken (‘i’) heeft in eerste
instantie maar weinig verdedigers achter zich kunnen scharen: 23 d.w.z. slechts
1,8% van de steekproef.
Men zou tegen deze beschouwingswijze kunnen inbrengen dat dit resultaat weinig
verrassends toont; de keus van de uitspraken werd immers subjectief door de
onderzoeker bepaald. Door aan de respondenten zo ‘lelijke’ handelingen als abortus
of verlating voor te schilderen, laten we hun in feite weinig keuzemogelijkheid over,
daar hun gevraagd wordt de ‘ergste’ handelingen af te keuren.
Hiertegenover willen we slechts wijzen op de merkwaardige consistentie van ons
materiaal. De uitspraken ‘f’ en ‘j’ wisselen bij de tweede keus van rangpositie. Indien
we een correlatietabel opstellen van de eerste en tweede keuzen (wij hebben alle
vier keuzen in een vierdelige tabel opgesplitst), bemerken we dat deze uitspraken
tevens de meest frequente combinatie der responsies vormen: men keurt ‘j’ in de
eerste instantie af, hierna ‘f’. Deze consistentie blijkt tevens uit het feit dat de minst
afgekeurde handelingen in zekere mate een spiegelbeeld vormen van de meest
afgekeurde handelingen. Zo wordt ‘j’ in eerste instantie door 438 mensen gekozen
(het meest van alle uitspraken), in derde instantie (als het minst afkeurenswaard)
slechts door 4 mensen (het minst uit alle uitspraken). Juist dit omkeren van de
beoordelingsprocedure laat er o.i. geen twijfel over dat de twee door ons omschreven
vormen van dronkenschap en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel t.o.v.
eigen gezondheid tot de minst afgekeurde handelingen behoren van de door ons
gekozen tien ge-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
156
vallen. Dit impliceert o.a. dat het drinken en eigen gezondheidsverwaarlozing als
minder erg wordt ondervonden dan b.v. het stelen of het geld verduisteren, het
contact zoeken met de prostituées, echter ook minder erg dan het onvoorzichtig
besturen van eigen auto of motor, gezwegen nog van overtredingen van de
gezinsethiek, ‘goddeloosheid’ of landverraad.
Onze conclusie dat het drinken van alcoholica en het roken, voor zover tot
gezondheidsbedreigende handelingen gerekend, slechts zwak normatief bepaald
wordt, is o.i. hiermee opnieuw bevestigd. Dit houdt o.i. ernstige consequenties in
voor elke actie tegen deze twee gedragsvormen gericht, zoals we in het laatste
hoofdstuk nog willen aantonen.
1.4.4 Structurele samenhangen
De conclusie van voorafgaande paragraaf dient niet zo te worden geduid alsof er
geen individuele verschillen waren tussen de normatieve houding van onze
respondenten. De spreiding van antwoorden op onze vragen (Tabel 1.4.1 en 1.4.2)
is voldoende groot om deze veronderstelling de kop in te drukken. Het ligt voor de
hand dat deze ‘individuele’ variabiliteit slechts ten dele veroorzaakt wordt door de
verschillen in de erfelijk bepaalde of op de unieke individuele omgeving berustende
factoren. Naar gelang de respondenten lid zijn van verschillende sociale
groeperingen, naar gelang zij een andere plaats innemen in onze sociale structuur,
zal ook hun normatieve houding t.o.v. de alcohol of het roken variëren. Deze
algemene basisvooronderstelling willen we thans in concreto toetsen, met verwijzing
naar de onderscheiden aspecten van de sociale structuur.
Als uitgangspunt hiervoor willen we nemen de statistisch significante verbanden
hetzij met de normatieve indicatoren afzonderlijk, hetzij met de hierop gebaseerde
meetschalen.
De nogal complexe samenhang tussen de rooknormen en het man- of vrouw-zijn
hebben we reeds gesignaleerd. Samenvattend kunnen we stellen dat zowel mannen
als vrouwen voor de vrouw een strengere norm aanleggen dan voor de man. Het
absolute verbod (het niet willen toestaan van roken aan kinderen van welke leeftijd
ook) wordt aan de zoons door 8% mannen en 9,2% van alle vrouwen opgelegd,
aan de dochters door 41% van alle mannen en 35% van alle vrouwen. Er is dus
een duidelijke, hoewel zwakke tendens de personen van de andere sekse een
strengere norm voor te schrijven (meer mannen dan vrouwen willen ook zoons
geheel vrijlaten, meer vrouwen dan mannen willen de dochters geheel vrijlaten in
dit opzicht).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
157
Met betrekking tot het drinken bemerken we dezelfde samenhang: de norm is veel
hoger voor de vrouw en beide kunnen zijn het ruwweg hierover eens. De tendens
om de seksepartners een ietwat strengere norm voor te schrijven is hier iets verzwakt
door het feit dat de mannen überhaupt wat toleranter schijnen te staan t.o.v. het
drinken: er zijn meer mannen dan vrouwen die de vrouw meer dan 6 glazen per
avond willen toestaan (35 mannen tegenover 29 vrouwen hoewel er in totaal meer
vrouwen waren in de steekproef). Het absoluut verbod wordt daarentegen door
meer mannen dan vrouwen opgelegd (60 mannen vergeleken met 43 vrouwen).
Bijna vijf keer zoveel mensen verbieden het drinken aan de vrouw als aan de
man, vijf keer zoveel mensen laten mannen meer dan 9 glazen alcoholica per avond
gebruiken als vrouwen. Desondanks zou het verkeerd zijn om te denken dat de
normatieve oordelen t.o.v. het drinken van de vrouw en t.o.v. het drinken van de
man geheel onafhankelijk zijn. Uit de hieropvolgende samengetrokken tabel blijkt
dat mensen die toleranter zijn t.o.v. de drinkgewoonten der mannen ook meer
geneigd zijn het drinken der vrouwen toe te staan - al is de hoeveelheid toegestane
drank waarschijnlijk kleiner dan die voor mannen:
Tabel 1.4.5 Spreiding van de 1.297 respondenten naar drinknormen
t.o.v. de man en naar drinknormen t.o.v. de vrouw
Table 1.4.5 Distribution of the respondents by their normative attitudes
towards the drinking
Het aantal glazen dat een vrouw mag drinken
The number of glasses one allows a woman to drink in an
evening
Aantal glazen dat t/m 4
andere
Totaal
een man mag
4 or less
other
Total
drinken op een
avond
The number of
glasses one allows
a man to drink in an
evening
t/m 4
515
13
528
4 or less
andere
other categories
329
440
769
Totaal
Total
844
453
1.297
Significantie van deze samenhang is zonder meer zichtbaar en behoeft niet berekend
te worden. De intensiteit hiervan (rtetr. = .88) toont tevens een consistentie in het
normatieve oordeel aan. Er zijn waarschijnlijk mensen die geneigd zijn om een
hogere norm en mensen die geneigd zijn om een lagere norm aan anderen voor te
schrijven.
Op zoek naar de sociale kenmerken van deze groeperingen hebben we nog de
kerkelijke gezindte van onze respondenten onderzocht. Ten aanzien van de normen
t.o.v. het roken van de mannen kon geen verband in overeenstemming met de
verwachting (zie hypothese 9 in hoofdstuk 1.1) worden geconstateerd:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
158
de normen zijn niet strenger in de calvinistische groeperingen. De percentages
mensen die menen dat hun zoons geheel niet mogen roken bedroegen bij de mannen
zonder kerkelijke gezindte 12,8%, bij Rooms-Katholieken 5,3%, bij Nederlands
Hervormden 7,9%, bij Gereformeerden en Chr. Gereformeerden 3,8%, bij de leden
van kleinere kerkgenootschappen tenslotte 16,7% doch het aantal was te klein om
aan dit laatste percentage enige waarde toe te kennen.
Voor de vrouwen ligt de situatie anders, hier zien we dat inderdaad de
Gereformeerden en Chr. Gereformeerden het sterkst tegen het roken gekant zijn.
Het algehele rookverbod wordt aan de dochter opgelegd door 36,7% van alle
vrouwen zonder kerkelijke gezindte, door 34,7% van alle Rooms-Katholieke vrouwen,
41,2% van alle Nederlands Hervormde vrouwen, 50,5% van alle Gereformeerde en
Chr. Gereformeerde vrouwen en door 26,8% vrouwen behorend tot kleinere
kerkgenootschappen (alweer was dit laatste percentage niet meer betrouwbaar).
Uit deze differentiële bevindingen menen we te kunnen concluderen dat niet het
roken zelf, doch eerder de rol van man en vrouw medebepaald wordt door de
religieuze gezindte. In de gereformeerde kringen schijnt men de rol van de rokende
vrouw niet zo gemakkelijk te aanvaarden als in de rooms-katholieke kringen of in
de kringen der onkerkelijken.
Bij de drinknormen, de normen t.o.v. het alcoholgebruik, treffen we daarentegen
sterke verschillen aan bij verschillende kerkgenootschappen. Indien we drie glaasjes
alcohol per avond als een scheidslijn nemen, dan treffen wij in onze steekproef (bij
mannen en vrouwen te zamen genomen) de volgende percentages aan van personen
die het gebruik van alcoholica tot een of twee (of geen) glaasjes beperkt willen zien:
Rooms-Katholieken
7,5% (totaal: 544 personen)
Nederlands Hervormden
15,6% (totaal: 306 personen)
Zonder kerkelijke gezindte
16,0% (totaal: 301 personen)
Gereformeerd, Chr. Gereformeerd
30,6% (totaal: 105 personen)
Anderen
37 % (totaal: 41 personen)
Het percentage ‘strengen’ is bij Gereformeerden bijna vier keer zo hoog als bij de
Rooms-Katholieken, bij wie de afwezigheid van personen opvalt die een beperking
opleggen. De ‘strengheid’ der gereformeerde groeperingen wordt in onze steekproef
slechts door de aanhangers van kleinere kerkgenootschappen overtroffen
(Doopsgezinden, Remonstranten, Ev. Luthersen) al dienen we dit cijfer vanwege
het kleine aantal met een korreltje zout te nemen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
159
Indien we onze aandacht thans wenden tot de algehele sociale normativiteit zoals
door middel van de tien uitspraken ‘gemeten’, dan bemerken we eveneens een
samenhang met wereldbeschouwing: de religieuze, de politieke en de economische
normen worden door de Protestanten veel meer beklemtoond dan de normen t.a.v.
het seksuele gedrag, die op hun beurt voornamelijk door de rooms-katholieke
bevolking worden onderstreept. De volgende Tabel 1.4.6 is gebaseerd op de
gegevens gewonnen met behulp van onze vraag naar de wereldbeschouwing (no.
119), niet naar de (nominale) kerkelijke gezindte. Gemakshalve geven we de tabel
in verkorte vorm, vermeldend slechts de veelvuldig voorkomende categorieën (20
‘richtingen’ zijn afgedrukt op de oorspronkelijke Hollerith-kaart, waarvan 11 slechts
door 1 of 2 personen gesteund).
Tabel 1.4.6 De meest afgekeurde gedragsvormen naar
wereldbeschouwing
Table 1.4.6 Morally proscribed conduct; by various ideologies
Wereldbeschouwing
Creed or Weltanschauung
Wat men ‘het ergst’Rooms- Protestant Socialist Anders Geen
vindt:
Katholiek
Socialist Other
None
The mostly rejectedR.
Protestant
way of conduct
Catholic
a.
‘het zich 0
3
0
0
0
stiekem
bedrinken’
Totaal
Total
3
secret
drinking
at home
b.
‘roekeloos 32
rijden’
reckless
driving
19
16
14
11
92
c.
‘prostitutie’ 23
13
1
1
5
43
prostitution
d.
‘agressieve 4
dronkenschap’
aggressive
drunkenness
4
3
1
4
16
e.
‘stelen of 14
verduisteren’
theft or
embezzlement
15
2
4
3
38
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
f.
‘meisje 93
met een
kind
laten
zitten’
desertion
89
29
25
37
273
g.
‘God
68
lasteren’
120
2
9
3
202
35
21
18
10
103
blasphemy
h.
‘land
19
verraden’
treason
i.
‘gezond- 7
heid
verwaarlozen’
neglect
of health
5
4
4
3
23
j.
‘kind
248
weghelpen’
(abortus)
107
33
19
31
438
29
4
3
6
66
439
115
98
113
1.297
abortion
geen
24
adequate
responsie
no
(adequate)
response
Totaal
Total
532
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
160
We bemerken dat bij de mensen die zichzelf ‘protestant’ noemen of zich als zodanig
1
beschouwen, relatief frequenter de uitspraken e, g en h worden afgekeurd . Het is
opvallend dat bij de twee uitgesproken niet religieuze richtingen ook de sexuele
normen blijven overheersen. Bij de socialisten schuift de politieke norm (landverraad)
op de plaats van de godsdienstige norm (godslastering) terwijl er wat extra steun
aan de norm tegen het onvoorzichtig auto- of motorbesturen wordt verleend.
De indicatoren van een normatieve houding bleken niet slechts met enkele
aspecten van de sociale structuur gecorreleerd; veel hoger waren de correlaties
tussen deze indicatoren onderling. Dit maakte het mogelijk om de informatie door
middel van afzonderlijke vragen verkregen, samen te trekken in de meetschalen
(2.6) die in plaats van afzonderlijke vragen tot verdere analyse aangewend konden
worden.
De normatieve vragen met betrekking tot het drinken zijn in een schaal van
Guttmans type samengetrokken in de ‘(normatieve) houding t.o.v. het drinken’
(variabele 17 op onze Basis Correlatie Matrix, Tabel 2.7.5); vragen met betrekking
tot het roken vormen de basis van de variabele 14, die gebouwd is volgens het
principe van de langste correlatie-as (zie Aanhangsel).
De eerste vraag die ons dan bezighoudt, is die naar het verband tussen de norm
en het werkelijke gedrag. Dit laatste kon weliswaar niet direct worden waargenomen;
de vragen naar de geconsumeerde alcoholica en rookwaren in de dagen
voorafgaande aan het onderzoek moesten als substituut voor directe waarneming
van het gedrag dienen.
Tussen de norm t.o.v. het drinken en het aantal geconsumeerde glaasjes
alcoholica kon reeds door middel van de vraag naar de toegestane hoeveelheid
alcohol voor de mannen een verband worden geconstateerd. (Zie tabel 1.4.7, blz.
161).
We bemerken dat de norm geleidelijk zwakker wordt naarmate de beoordelaar zelf
in de afgelopen week meer alcoholica heeft gebruikt. Personen die 16 of meer
glaasjes hebben gebruikt staan gemiddeld het dubbel aantal glazen per avond toe
vergeleken met personen die geen alcoholgebruik in de week voorafgaande aan
het gesprek vermeldden.
De norm t.o.v. het roken schijnt minder direct met het werkelijk gedrag samen te
gaan
1
Dat Protestanten vooral de economische overtredingen ‘erg’ vinden, behoeft ons thans, meer
dan een halve eeuw sinds Max Weber, niet al te veel verbazen. Het is echter interessant op
deze wijze een indirecte bevestiging te vinden van zijn hypothesen. Over het accent dat het
rooms-katholicisme in zijn dogmen en kerkstructuur (celibaat, kloosterorden) op de seksualiteit
legt, is ook reeds het een en ander verschenen. ‘Landverraad’ druist dan in tegen het principe
van trouw dat o.i. in de protestantse kringen zeer sterk wordt aangehouden; men lette op het
feit dat aan de norm tegen het ‘meisje laten zitten’ wellicht mede om deze redenen naar
verhouding minder steun wordt ‘onttrokken’ dan aan de abortusnorm.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
161
Tabel 1.4.7 Drinknorm naar de hoeveelheid geconsumeerde alcohol
Table 1.4.7 Respondents by their normative attitude towards drinking
and the quantity of alcoholic beverages consumed
Aantal glaasjes
geconsumeerd in de
week:
Number of glasses
consumed in the week
preceding the interview
‘drinkt nooit’
does never drink
Gemiddeld aantal glaasjesAantal respondenten:
dat men toestaat aan de Number of respondents:
man:
Number of glasses that a
man may drink in an
evening:
3,1
235
geen
none
4,2
517
1-3
4,6
301
4-6
4,9
101
7-9
4,5
52
10-12
5,0
17
13-15
6,0
25
16 of meer
16 or more
8,5
31
geen adequaat antwoord
no (adequate) answer
-
18
Totaal
Total
1,297
dan de drinknorm. Indien we de complexe tabel samentrekken tot een 2 × 2 tabel
vinden we geen significant verband, zoals hieronder aangetoond:
Tabel 1.4.8 Verband tussen roken en normen t.o.v. het roken
Table 1.4.8 Association between the intensity of smoking habits and
the normative attitude
Bezwaren roken
zoons
Objections to
smoking sons
Hoeveel men rookt:Mag niet roken vóórDe rest
18 jaar
The rest
Intensity of
May not smoke
smoking:
before 18 years of
age
Rookt minder dan 317
445
10 sigaretten
Totaal
Total
762
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Smokes less than
10 cigarettes a day
Rookt 10 sigaretten 206
(of g tabak) of meer
329
535
774
1,297
Smokes 10
cigarettes (or g of
tobacco) or more
Totaal
Total
523
2
χ = 0,0123 P = .50
Het is merkwaardig dat indien we ‘geslacht’ als een testvariabele in gaan voeren,
we wel significante verbanden tussen het roken en het normatieve oordeel, echter
van tegenovergestelde richting, aantreffen: de rokende vrouwen zijn minder tolerant
t.o.v. het roken van de zoons, de rokende mannen zijn meer tolerant dan
niet-rokende, zoals de volgende complexe Tabel 1.4.9 laat zien:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
162
Tabel 1.4.9 Verband tussen het roken en de normen t.o.v. het roken naar
geslacht
Table 1.4.9 Association between the intensity of smoking habits and
the normative attitude; by sex
Bezwaren roken
zoons
Objections to
smoking sons
Mannen:
Mag niet roken vóórMag wel roken en Totaal
Men:
18 jaar
de rest
Total
May not smoke
May smoke, other
before 18 years of categories
age
Rookt minder dan 72
90
162
10 sigaretten
Smokes less than
to cigarettes a day
Rookt 10 sigaretten 159
of meer
Smokes 10
cigarettes (or g of
tobacco) or more
291
450
Totaal
Total
231
381
612
245
355
600
Rookt 10 sigaretten 47
of meer
Smokes 10
cigarettes or more
38
85
Totaal
Total
393
685
2
χ = 4,245 P < .05
Vrouwen:
Women:
Rookt minder dan
10 sigaretten
Smokes less than
10 cigarettes
292
2
χ = 6,41 P < .02
Het is niet gemakkelijk deze bevinding adequaat te interpreteren. Wellicht speelt
hier een grotere bezorgdheid van de moeders om hun zoons een rol; uit ervaring
kennend de kracht der gewoonte, vertrouwd met de waarschuwingen tegen het
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
roken in allerlei vrouwenbladen, zijn wellicht de rokende vrouwen meer dan de
rokende mannen geneigd het roken aan hun zoons te verbieden. Dit blijft echter
gissen. Wel is o.i. door deze gegevens reeds voldoende aangetoond dat de
samenhang tussen het werkelijke gedrag en de norm niet zo rechtlijnig en eenduidig
is als men meestal geneigd is aan te nemen.
Teneinde ons inzicht hierin te verdiepen hebben we van de correlaties met de
geconstrueerde schalen een dankbaar gebruik gemaakt. Op de Basis Correlatie
Matrix treffen we een betrekkelijk sterke correlatie aan tussen het drinken en de
(normatieve) houding t.o.v. het drinken: r16-17 = - .250. De negatieve waarde van de
coëfficiënt is geheel te wijten aan de rangschikking van onze subcategorieën, zij
betekent dat de personen die meer alcohol hebben gebruikt meer tolerant zijn t.o.v.
het drinken. Intensiteit van de rookgewoonten schijnt daarentegen slechts zwak met
de (normatieve) houding t.o.v.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
163
het roken te correleren: r13-14 = - .066. Er is dus een zwakke tendens dat de meer
intensieve rokers ook minder afwijkend staan tegenover het roken (zoals gemeten
niet door middel van een enkele vraag maar van de gehele schaal). Deze tendens
is echter nauwelijks significant en werd bij de verdere analyse van complexe
samenhangen niet eens in aanmerking genomen.
Beide toetsen, de non-parametrische en de parametrische met behulp van
meetschalen, leidden tot bijna identieke resultaten. Er is een zwak verband tussen
het drinken en de meer tolerante houding t.o.v. het drinken, er is een te verwaarlozen
verband tussen de norm en het gedrag als het om het roken gaat. De lage waarden
van de coëfficiënten suggereren tevens dat in beide gevallen de norm en het gedrag
door verschillende sociale factoren worden bepaald.
Bezien we het eerst de regels 13 en 14 in onze Basis Matrix dan bemerken we
dat dit inderdaad het geval is. Zo vinden we reeds in de eerste kolom een opvallend
hoge correlatie tussen de intensiteit van het roken en het geslacht (r1-13 = -.674),
maar geheel geen correlatie tussen het geslacht en de normatieve houding (r1-14 =
.008). Dit betekent dat de mannen en vrouwen veel van elkaar verschillen t.o.v. het
werkelijk roken maar dat er tussen de beide kunnen een overeenstemming bestaat
in het normatief beoordelen van het roken. Onze analyse van afzonderlijke vragen
heeft naar voren gebracht dat deze uiteindelijke overeenstemming deels een
resultante is van tegenstrijdige tendenties: de meer tolerante houding van de rokende
mannen en sterker verbiedende (tevens: beschermende) houding van de rokende
vrouwen.
Ook andere relatief sterke correlaties van het roken, nl. met drinken en
koffiedrinken vinden we niet (of slechts verzwakt) bij de houding t.o.v. het roken:
r13-16 = .308, r13-18 = .273, doch: r14-16 = - .069, r14-18 = .015!
Dit houdt o.i. in dat de samenhang van roken met drinken en koffiedrinken geheel
ongemotiveerd en wellicht onbewust is bij de respondenten: de koffiedrinkers en
de drinkers zijn niet frequenter van mening dat roken goed is of geoorloofd is, en
toch roken zij meer.
Een ietwat zwakkere, negatieve samenhang tussen het roken en het snoepen
verdwijnt eveneens in zijn gemodifieerde vorm. Tegen de verwachting (althans tegen
de theorie van de Amerikanen McArthur, Waldron en Dickinson; zie blz. 59 noot 1)
in, zien we dat de calvinistische godsdienst intensiever met de werkelijke intensiteit
van de rookgewoonten dan met de houding t.o.v. het roken is gecorreleerd (de resp.
coëfficiënten zijn r13-32 = .092 en r14-32 = -.054). Dit is des te opvallender daar, zoals
we straks nader zullen bespreken, de calvinistische (gereformeerde of hervormde)
gezindte veel sterker de houding t.o.v. het drinken dan het drinken zelf schijnt te
bepalen (r16-32 = .124, r17-32 = - .243). Alweer helpen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
164
hier de individuele ‘items’, de zojuist besproken antwoorden op de vraag omtrent
de bezwaren tegen het roken van de zoons resp. van de dochters, additioneel licht
te werpen op het verband: we zagen dat de Gereformeerden b.v. veel minder dan
de personen zonder kerkelijke gezindte bezwaren hadden tegen het roken van
zoons. Beide bevindingen versterken dus elkaar.
Dat de schijnverbanden van de rookvariabele, b.v. de factoren ‘sociale participatie’
en ‘aard van het werk’ geen correlatie gaven te zien met de normatieve houding,
behoeft wellicht geen verklaring. Meer aandacht verdienen de factoren die zowel
met het roken als de houding significant zijn gecorreleerd. Het zijn volgens ons
analytisch schema de volgende variabelen: 3. inkomsten; 4. opleiding; 15. het wel
of niet zien van het roken als oorzaak van longziekten; 17. houding t.o.v. het drinken
(variabele 33 is weliswaar ook met beide verbonden, berust echter op de werking
van variabele 1: vrouwen gaan vaker naar de dokter en roken minder, dus mensen
die minder roken schijnen (echter niet: blijken) vaker naar de dokter te gaan!). Deze
vier variabelen zijn voor zover wij met behulp van de matrixanalyse en de partiële
correlatie konden nagaan werkelijk met de houding t.o.v. het roken verbonden. De
inkomsten en de opleiding duiden tevens in onze samenleving ‘de emancipatiefactor’
aan; bij de vrouwen geeft b.v. de opleiding en een bepaald welstandsmilieu de
vrijheid om te roken, de normen schijnen door beide factoren medebepaald te zijn,
te zamen met het werkelijke gedrag. De perceptie van het gevaar dat potentieel in
het roken schuilt is eveneens met beide variabelen verbonden. De houding t.o.v.
het drinken behoeft dan geen aparte verklaring.
Tenslotte zijn er nieuwe verbanden aan het licht gekomen, met de variabelen die
niet met het roken doch wel met de houding t.o.v. het roken correleren. Hiervan
bleken slechts twee de toets van de partiële correlatie te kunnen doorstaan: variabele
22: ‘de bezorgdheid’ en variabele 24: ‘persoonlijkheidsevenwicht’. Mensen die
positiever reageerden op onze vragen over angsten en zorgen zijn meer tegen het
roken gekant, hoewel ze niet significant minder roken dan mensen die niet de zorgen
toegeven of de aanwezigheid van onprettige gemoedstoestanden signaleren.
Daar de correlatie tussen het roken en de houding t.o.v. het roken niet hoger was
dan de door ons gestelde significantiegrens, konden we niet de partiële correlaties
berekenen tussen de houding (de norm), het werkelijke gedrag en al onze structurele
factoren (de resterende 32 variabelen van de Basis Correlatie Matrix). Daar de
houding t.o.v. het drinken sterker met het werkelijke drinken is gecorreleerd (r16-17
= - .250), hopen we thans bij het bespreken van de verbanden met deze variabelen,
nog
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
165
meer licht te werpen op de verhouding ‘gedrag-norm’. Met behulp van onze Basis
Correlatie Matrix (Tabel 2.7.5) laat de situatie hier zich als volgt samenvatten: 2
factoren correleren wel met het drinken, echter niet met de houding t.o.v. het drinken
(no. 3: inkomsten; en no.4: opleiding); zeven variabelen correleren zowel met het
drinken als met de houding (no.'s: 1, 2, 5, 8, 13, 18, 32); acht variabelen, tenslotte
zijn slechts met de houding verbonden en niet met het drinken zelf (no.'s: 10, 11,
12, 14, 19, 22, 25, 31).
In termen van gevonden samenhangen zijn gedrag en normatieve houding dus
geenszins identiek. Laten we thans op de geconstateerde verschillen wat dieper
ingaan. De twee samenhangen met het drinken alleen, die de basis vormen van
onze ‘beschikbaarheidshypothese’, rechtvaardigen op zich zelf de beslissing de
norm en het gewoontegedrag afzonderlijk te behandelen. Personen van lagere
inkomstengroepen en met minder school-opleiding drinken minder, staan echter
1
niet minder afwijzend t.o.v. het alcoholgebruik .
Van de zeven variabelen die zowel de houding als het drinken zelf schijnen mede
te bepalen, hebben we in het vorige hoofdstuk er twee als schijnverbanden
geëcarteerd (no. 5: ‘aard van het werk’ en no. 18: ‘het koffiegebruik’). Van de overige
vijf variabelen willen we thans de partiële correlaties met het drinken en de
normatieve houding t.o.v. het drinken kritisch onderzoeken (dit aan de hand van
onze Tabel 2.7.5 van intercorrelaties).
Ten opzichte van de variabele ‘geslacht’ valt te constateren dat het man-of
vrouw-zijn in onze samenleving meer met het feitelijk drinkgedrag dan de drinknorm
correleert: r16.1-17 = .065 (net op de grens van de significantie van .05), r17.1-16 =
-.251. ‘Leeftijd’ geeft juist een omgekeerd beeld te zien: oudere mensen hebben
bezwaren tegen het drinken ook indien zij zelf drinken, terwijl we geen verband
tussen de leeftijd en het drinken vinden in de subcategorieën van de normatieve
houding: r16.2-17 = .223; r17.2-16 = -.040.
Ook godsdienst blijkt bij het opsplitsen der gegevens de drinkgewoonten slechts
indirect te beïnvloeden, nl. via de normatieve houding. Zoals zich bij de ouderen
(vooral gehuwden; zie het verband met gezinshouding, variabele no. 8) een
normatieve opvatting ontwikkelt tegen het excessieve drinken, zo schijnen ook de
Gereformeerden en Ned. Hervormden het verbod meer
1
Beide factoren versterken elkaar, want de partiële correlaties liggen lager, zo zelfs dat het
verband tussen inkomsten en drinken tot insignificantie wordt gereduceerd (r3.4-16 = .098;
r4.3-16 = 0.57). Daar echter ook de oorspronkelijke verbanden laag waren (r4-16 = .119; r3-16
= .089) moeten we aan dit verdwijnen van de samenhang met inkomsten in subcategorieën
van ‘opleiding’ wellicht niet al te veel waarde toeschrijven. Toch schijnt dit te suggereren dat
het sociale drinken overwegend tot de levensstijl behoort van de meer opgeleide groeperingen;
men drinkt er meer zonder echter dat dit in verschil in de houding t.o.v. het drinken resulteert.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
166
te ondersteunen dan de Rooms-Katholieken en de onkerkelijken, en hun gedrag
wordt dan op zijn beurt door deze norm bepaald: r16.17-32 = -.221; r17.16-32 = .067 (op
de grens der significantie). Het roken gaat meer samen met het feitelijk drinken dan
met de houding: r17.13-16 = .282; r16.13-17 = -.081.
Van de slechts met de houding, maar niet met het drinken gecorreleerde factoren
moest het verband met variabele no. 11 (‘contact communicatiemedia’) als
schijnverband uit verdere analyse worden verwijderd. Het feit dat mensen die minder
naar de radio luisteren, minder kranten en tijdschriften lezen meer tolerant zijn t.o.v.
het alcoholgebruik kon geheel verklaard worden uit de mindere contacten met de
communicatiemedia ten zuiden van de grote rivieren (variabele no. 31) dat we door
middel van onze enquête mochten constateren. Daar het juist ‘het Zuiden’ is waar
men het drinken normatief aanvaart, hoeft het niet te verbazen dat er een
schijnverband ontstaat. Alle overige zeven variabelen hebben echter de toets van
het systematisch invoeren van de testvariabelen doorstaan en vormen een aanwinst
van onze kennis omtrent het alcoholvraagstuk.
De zojuist genoemde variabele van de woonstreek (verdeling in Noord en Zuid)
is het sterkst gecorreleerd met de norm; het invoeren van godsdienst als testvariabele
heeft slechts een relatief kleine verlaging van de coëfficiënt ten gevolge gehad (r17-31
= -.299; r32.31-17 = -.232). Met het werkelijk alcoholgebruik kon daarentegen geen
verband worden geconstateerd (r16-31 = .041). Dit leidt tot de conclusie dat in het
Zuiden, afgezien van de kerkelijke gezindte, andere normen heersen t.o.v. het
alcoholgebruik. Wellicht is het de leefwijze uit naburige zuidelijke landen die over
de grens doorsijpelt en die levensstijl en -houding van ons zuidelijk volksdeel in dit
opzicht beïnvloedt.
Een andere samenhang die aan het licht kwam, was die tussen de drinknorm en
de mate van involvering in een of ander cultureel subsysteem. Mensen die zich
sterk met hun godsdienst, politieke ideologie of wijsgerig stelsel identificeren zijn
meer tegen alcoholgebruik gekant dan personen zonder deze bindingen (r10-17 =
.097); het verband is zwak maar significant. Indien we de kerkgenootschappen
klassificeren naar de geschatte collectieve gezagsbinding van de individu (variabele
12) dan verkrijgen we eveneens een significante samenhang. Personen zonder
kerkgenootschap en minder aan kerkelijk gezag onderworpenen (Nederlands
Hervormden, leden van kleinere kergenootschappen) zijn minder tolerant t.o.v. het
alcoholgebruik dan de resterende groeperingen. Daar echter de Rooms-Katholieken
verreweg de grootste groepering vormen, kan men zich kritisch afvragen of deze
‘nieuwe’ samenhang inderdaad nog nieuwe informatie brengt dan die welke ons
reeds door middel van de andere ‘godsdienstvariabele’ bekend was.
Nieuw is ook de samenhang met het verlies van een der ouders in de jeugd (hetzij
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
167
door overlijden of door echtscheiding) en het ervaren van dronkenschap der ouders.
Deze onprettige, wellicht traumatisch werkende ervaringen beinvloeden de houding
t.o.v. het alcoholgebruik (een meer afwijzende houding bij personen met deze
ervaringen), echter niet de drinkgewoonten zelf.
Dat de twee houdingen (t.o.v. het roken en het drinken) onderling zijn gecorreleerd
(r14-17 = .157) ligt voor de hand. Beide zijn dan met ‘snoepgewoonten’ en met de
geneigdheid om zorgen te uiten verbonden, samenhangen, die onverwachts te
voorschijn kwamen, die niet tot het rolgedrag van man en vrouw zijn terug te brengen
en die moeilijk zijn te interpreteren.
Wat de ‘zorgenvariabele’ betreft, ligt de samenhang met de houdingen t.o.v. het
drinken en het roken wellicht in de algemene psychologische tendens tot het
generaliseren van perceptie en houdingen, of, in minder dynamische termen
uitgedrukt: in de structurele aard van de persoonlijkheid. Het uiten van zorgen over
geldzaken, politiek, kinderen, enz. is een gedragssymptoom van de aanwezigheid
van een meer algemene eigenschap, die we ‘bezorgdheid’ zouden kunnen noemen.
Minder afhankelijk van het object dan van het subject (de persoon in kwestie) helpt
deze eigenschap ons dan het anders moeilijk te verklaren verband tussen de
normatieve houdingen en de aanwezigheid van allerlei zorgen te begrijpen. Het
thema van de verhouding tussen de specifieke en de meer algemene houding,
tussen het subjectieve en het (sociaal) objectieve element in de houding, hopen we
in het volgende hoofdstuk nader uit te werken.
Wat tenslotte de samenhang tussen de snoepgewoonten en de houding t.o.v. het
drinken betreft nog het volgende. De snoepgewoonten blijken evenals de houding
t.o.v. het drinken plaatselijk te zijn bepaald: het Noorden snoept wel geregeld, het
Zuiden in veel mindere mate (in de vorm van koekjes enz.). Merkwaardig dat er ook
tussen de bezorgdheid en snoepen een correlatie bestaat; deze verdwijnt echter
indien de factor ‘Noord-Zuid’ constant wordt gehouden. De partiële correlatie tussen
de variabelen ‘woonstreek-houding t.o.v. drinken-snoepen’ blijft echter significant,
zodat we kunnen concluderen dat er toch een slag mensen bestaat dat het zekere
voor onzekere neemt, ‘veilig’ bij snoepen blijft en andere, meer riskante vormen der
bevrediging als drinken, verwerpt (r31.17-19 = .090).
1.4.5 Conclusie: functionele en causale interpretatie
Onze analyse is thans voltooid. Bij wijze van samenvatting kunnen we thans trachten
de vragen te beantwoorden, sub 1.4.2 vooropgesteld. Bij de interpretatie van de
gevonden verbanden zal aan de kwestie van vermoede oorzaak of gevolg aandacht
worden besteed.
Op gevaar af van herhaling willen we stellen dat noch het roken noch
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
168
het drinken van alcoholica in onze samenleving sterk normatief wordt geregeld.
Slechts een kleine minderheid van onze bevolking kan zich achter een rookverbod
of drinkverbod scharen. Er bestaat eerder overeenstemming omtrent het geoorloofd
zijn van het drinken door mannen en vrouwen en van het roken door mannen. Er
bestaat echter ook vrijwel een overeenstemming in het opleggen van perken,
vaststellen van grenzen: slechts 3,5% menen dat de zoons vrij zijn te roken wanneer
zij willen en 2,3% gunnen dezelfde vrijheid aan de dochter; 5% is van mening dat
de man mag drinken zelfs meer dan 9 glazen drank per avond, 1% laat het drinken
open voor vrouwen. Onze conclusie omtrent de zwakke normatieve afwijzing van
beide gedragsvormen werd bevestigd door de confrontatie van de drinknormen (en
normen gericht tegen het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel voor eigen
gezondheid) met andere sociale normen. De door ons bestudeerde gedragingen
werden minder frequent afgekeurd dan elk van de zeven overige fictieve vormen
1
van wangedrag . Daar meerdere van de aan de respondenten voorgelegde
handelingen als mogelijk gevolg van onmatig alcoholgebruik kunnen worden gezien
(‘het roekeloos auto- of motorrijden’, enkele seksuele delicten in de vragenlijst
genoemd), kunnen we stellen dat de normatiteit de drinkgewoonten slechts indirect
treft. De hypothese van Selden Bacon kan door middel van onze gegevens als
bevestigd (althans als ‘niet verworpen’) worden beschouwd.
Wat de samenhang tussen het gewoontegedrag en de sociale norm aangaat,
troffen we inderdaad een significante, echter niet al te intensieve correlatiecoëfficiënt
aan, wijzend in de verwachte richting: drinkers keuren het alcoholgebruik meer goed
dan personen die geen of weinig alcohol gebruiken (althans indien we, zoals we
met enig voorbehoud menen, de ervaring van de week voorafgegaan aan het
interview mogen generaliseren). Er is slechts een zeer zwakke tendens van de
rokers tot een meer tolerante houding t.o.v. het roken. Het roken ‘verklaart’ niet
meer dan een half percent van de spreiding in de houding; het drinken verklaart
slechts iets meer dan 6 percent van de totale variantie in de houding t.o.v. het
drinken, die wij bij onze respondenten hebben aangetroffen. Deze schattingen zijn
van gelding ook indien we de redenering omkeren en het
1
Het lijkt ons op deze plaats verantwoord de lezer attent te maken op het verschil dat er o.i.
bestaat tussen een feitelijke (voor zover we de inhoud van mededelingen tot het
waargenomene rekenen zelfs: empirische) studie van de sociale normen zoals in een bepaalde
samenleving verspreid en het eigenlijk vellen van normatieve oordelen door een ethicus waarschijnlijk in ieder van ons aanwezig. Geenszins achten we het verantwoord uit ons
onderzoeksmateriaal over de spreiding van een norm de conclusies te distilleren over de
geldigheid of juistheid van deze norm. De ethische of religieuze norm zal door middel van
ethische of theologische argumenten moeten worden verdedigd of geabrogeerd. De sociologie
als de werkelijkheidswetenschap kan dan haar werkelijk bestaan of niet-bestaan in de
bevolkingsgroep slechts constateren, of hoogstens door middel van maatschappelijke factoren
causaal trachten te verklaren!
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
169
feitelijk gedrag als resultante van de normatieve houding (het afwijzen of het
goedkeuren van alcohol of tabak) gaan zien.
Afzonderlijk beschouwd, geven de gevonden tendensen ons geen aanleiding een
van beide onderscheiden factoren als oorzaak van de andere te zien. Mensen
kunnen inderdaad uit principiële overweging het roken of het drinken afwijzen en
zich van beide vormen der bevrediging onthouden. Aan de andere kant kunnen we
eveneens aannemen dat ‘uit zwakte’ of om andere motieven de ‘gebruikers’ hun
eigen gedrag wensen ‘goed te praten’, dat zij hun gedrag ‘rationaliseren’, kortom
dat bij hen de gewoonte primair is, hun houding bepalend.
In het licht van het bovenstaande wordt ons echter duidelijk dat ook indien we de
houding als een ‘oorzaak’ van werkelijk gedrag zien, de kans van beïnvloeding van
de rookgewoonten via de bewuste normatieve houding uiterst gering is. Het verband
is immers te zwak om groot effect te sorteren.
Met de normatieve houding t.o.v. de alcoholica is er, volgens onze resultaten,
meer kans op succes. Het is om deze redenen dat we bij de sociale correlaten van
deze houding alsnog blijven stilstaan. Bij de meeste van deze gecorreleerde
variabelen valt het ons niet moeilijk om de causale richting aan te geven. De
woonstreek, het kerkgenootschap, de intensiteit waarmee men zich identificeert met
een of ander ideologisch systeem, ‘traumatische’ gebeurtenissen in de jeugd - zie
hier de factoren die temporeel waarschijnlijk voorafgingen aan het zich ontwikkelen
van drinkgewoonten. Zij kunnen derhalve eerder tot oorzaken dan tot gevolgen van
de houding t.o.v. het drinken gerekend worden. Hetzelfde geldt wellicht ook voor
sommige factoren die zowel met het gedrag als de houding samengaan: geslacht,
leeftijd, burgerlijke stand. Andere geïdentificeerde verbanden wijzen o.i. in de richting
van een of ander functionele samenhang: hetzij een psychische eigenschap (verband
met het snoepen, de aanwezigheid van zorgen), hetzij de wereldbeschouwing
(verband tussen de houdingen t.o.v. het roken en het drinken onderling).
Zeer tot onze spijt zijn de vermoede oorzaken van het normatief oordelen over
het drinken niet hanteerbaar, niet operatief in de zin van makkelijk te veranderen
door doelbewuste actie. Slechts de variabele ‘cultuuraanvaarding’ leent zich er
wellicht toe om door een ‘reveil’ verandering in de normbeleving teweeg te brengen.
Voor de rest helpen al deze gesignaleerde verbanden bij een mogelijke actie slechts
de ‘negatieve’ of ‘positieve’ houdingen in onze samenleving te lokaliseren. Als
voorbeeld hiervan kunnen we stellen dat we een opvallend tolerante houding t.o.v.
de alcohol zouden verwachten bij de van oorsprong rooms-katholieke, echter in hun
religie niet al te sterk geïnvolveerde jongemannen in het Zuiden des lands, die
ongehuwd zijn, betrekkelijk onbezorgd in het leven
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
170
staan en een betrekkelijk gelukkige jeugd hebben gehad. Bij dezelfde groep zouden
we een concentratie van drinkgewoonten, en het frequenter roken en koffiegebruik
verwachten, terwijl het snoepen (in de vormen van koekjes of snoepjes bij thee of
koffie) weinig bekend zal zijn.
Wat het roken betreft, willen we in deze context slechts verwijzen naar een
variabele die het sterkst op de Basis Correlatie Matrix met de houding t.o.v. het
roken is gecorreleerd: no. 15, ‘de kennis’. Het weten of niet weten van de mogelijke
consequenties die de gewoonte kan hebben voor de betrokkenen, blijkt de houding
t.o.v. de gewoonte te beïnvloeden. Deze ‘kennisvariabele’ zal ons daarom in het
laatste hoofdstuk, aan de voorlichting gewijd, moeten bezighouden (1.8).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
171
1.5 Materiële welvaart en tevredenheid der bevolking
1.5.1
Inleiding
1.5.2
Satisfactie als omstreden begrip
1.5.3
Mogelijke factoren die de satisfactie
beïnvloeden
1.5.4
Gemeten aspecten van satisfactie en
welvaart
1.5.5
Functionele analyse
1.5.6
Structurele verbanden
1.5.7
Interpretatie der bevindingen
1.5.1 Inleiding
In hoofdstuk 1.3 hebben we aangetoond dat er geen steun te vinden was voor de
hypothese die de drinkgewoonte betrekt op het overheersende gevoel van
onbehagen in de samenleving. Materiële nood en algemene dissatisfactie zouden
volgens deze hypothese oorzaak zijn van het alcoholisme, van de excessieve
periodieke of overmatige dagelijkse drinkgewoonten. Noch de inkomsten noch de
‘satisfactie’ correleren echter met de intensiteit der sociale drinkgewoonten.
Desondanks besloten wij aan het vraagstuk van materiële welvaart en satisfactie
een afzonderlijk hoofdstuk te wijden. Dit om de volgende redenen: 1. het is mogelijk
tegen onze conclusie uit hoofdstuk 1.3 in te brengen a. dat sociale drinkgewoonten
niet identiek zijn met alcoholisme en dat het laatste toch frequenter voorkomt in de
omstandigheden van materiële nood en van dissatisfactie; b. dat, hoewel de
drinkgewoonten niet blijken te variëren met satisfactie-dissatisfactie zoals gemeten
binnen een bevolkingsgroep op een enkel tijdstip (van betrekkelijke welvaart), er
wel degelijk een verband zou zijn te vinden, indien gezocht in een historisch
perspectief; 2. een tweede reden waarom het vraagstuk der satisfactie hier aan de
orde wordt gesteld is dat het o.i. door onderzoekers en theoretici nog onvoldoende
op het zich psychisch welbevinden van de mens en daardoor ook op zijn psychische
gezondheid wordt betrokken; indien we tabak, alcohol, cafeïne en wellicht nog
andere stimulantia zien als substituutmiddelen tot bevrediging (men denke aan het
zwakke maar significante verband tussen dissatisfactie en roken), dan mag in een
ernstige studie omtrent deze genotmiddelen een uiteenzetting over behoeften die
bevredigd moeten worden en spanningen die - althans tijdelijk - opgeheven moeten
worden, niet ontbreken; tenslotte leek het ons prettig om na de ruime aandacht aan
een ideële factor besteed (normen zijn immers voornamelijk ethisch, religieus of op
andere wijze ideëel bepaald!), aan de materiële factor aandacht te schen-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
172
ken, vooral daar hier een brug te slaan is tussen de materiële (‘objectieve’) en de
meer ‘subjectieve’ factoren (houdingen, waarden, enz.). Om al deze redenen leek
het ons verantwoord hier het vraagstuk der welvaart, der welvaartsbeleving en der
satisfactie in het algemeen te behandelen en hierdoor een leemte in onze kennis
omtrent de bevolkingsparameters (spreiding van eigenschappen over de ganse
bevolking) te vullen.
1.5.2 Satisfactie als omstreden begrip
Er zijn begrippen en concepten die, ofschoon door deskundigen gebruikt, dermate
in de omgangstaal zijn geworteld dat zij nauwelijks worden omschreven en vrijwel
niet in het wetenschappelijke referentiekader worden opgenomen. ‘Satisfactie’ kan
in dit verband genoemd worden. Hoewel van oudsher door sociaal-onderzoekers
gebruikt (men denke aan ‘arbeidsvoldoening’, ‘plezier in het werk’, en de andere
vaak gebruikte termen), werd het concept zelf (of zijn desbetreffende synoniem)
zelden theoretisch verwerkt. Er is nauwelijks een maatschappijleer of een
karakterkunde te vinden, waar aan de ‘satisfactie’ een plaats wordt ingeruimd.
Verwaarloosd zowel door de sociologische, als door de psychologische
systeembouwers, vraagt het concept, wezenlijk sociaal-psychologisch van aard,
om van beide zijden in het kort te worden toegelicht.
Menige onderzoeker die de satisfactiehoudingen bestudeert, gaat stilzwijgend uit
van de sociologische functionalistische theorie. Hij betrekt de satisfactie rechtstreeks
op een of ander maatschappelijk insituut: de kerkdienst of de preek, de radio- of
televisieuitzending, de industriële arbeid of een onderdeel hiervan (b.v. de
ploegenarbeid, de ondernemingsraad enz.). Is zijn bevinding positief (constateert
hij ‘tevredenheid’), dan wordt het instituut ongewijzigd gehandhaafd. Is zijn bevinding
negatief, dan tracht men een wijziging in de maatschappelijke status quo aan te
brengen door het instituut te vervangen of te wijzigen. Met andere woorden, elk
maatschappijorgaan of -instituut vindt volgens deze theorie zijn functionele
rechtvaardiging in de mate waarin het de individuele behoeften bevredigt. In onze
dynamische samenleving zou de mate van satisfactie een indicator zijn van deze
behoeftenbevrediging en tevens een begeleider van de sociale verandering. Vandaar
het belang van het meten van satisfactie zoals dit in talrijke enquêtes en peilingen
van de publieke opinie geschiedt.
Tot een tegenovergesteld theoretisch uitgangspunt komen wij indien wij naar
analogie van de psychologie der houdingen (die immers de ‘general attitudes’ naast
de ‘specific attitudes’ tracht te onderscheiden) de vraag stellen naar het wel of niet
bestaan van de algemene satisfactie. Het
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
173
is immers denkbaar, dat er in het gedrag niet slechts regelmaat optreedt t.o.v. een
specifieke stimulus (b.v. de vraag naar het plezier in het werk) maar t.o.v. de gehele
reeks stimuli op het satisfactiegebied. Anders uitgedrukt: het is denkbaar dat
‘satisfactie’ bestaat als een psychische eigenschap, dat mensen op een dergelijke
wijze zijn te verdelen in ‘tevredenen’ en ‘ontevredenen’ (kankeraars) zoals zij vaak
verdeeld worden in ‘intelligente’ en ‘minder intelligente’ personen. Wil men niet zo
ver gaan om te beweren dat deze ‘eigenschap’ aangeboren is, dan dient haar
oorsprong in de vroegere sociale situaties of uit de constellatie van psychische en
fysiologische factoren te worden verklaard. Het is denkbaar dat er van elke specifieke
houding een generaliserende invloed uitgaat op de ganse persoonlijkheid en dat
ook de tevredenheid over een specifiek object tot een algemene tevredenheid leidt,
of althans een tendens vertoont in bepaalde omstandigheden de algehele instelling
van de persoon in kwestie te beïnvloeden.
Terwijl de eerste theorie (de functionalistische theorie der maatschappelijke
instellingen) de bron der satisfactie ziet in de tegenwoordige objectieve sociale
situatie waarin de mens zich bevindt, vat de tweede theorie de satisfactie op als
eigenschap van de persoon, verworven in voorafgaande situaties, gevormd in
vroegere levensfasen. De vraag naar de validering van één van beide theorieën
brengt ons tot de problematiek van het tegenwoordige satisfactie-onderzoek, de
problematiek die o.i. rechtstreeks uit de ook in Nederland verrichte onderzoekingen
kan worden gedistilleerd.
Ydo's pionierswerk op het gebied van de satisfactiestudie bleef niet lang alleen
staan. In navolging van zijn werk in de oorlogsjaren trachtte ook de landelijke enquête
1
van de Contactgroep Opvoering Productiviteit de werksatisfactie te meten in
verschillende industrietakken. Geheel in de lijn van de door ons omschreven eerste
theorie zag men in deze studies de satisfactie als een indicator van het adequaat
of minder adequaat functioneren van industriële organisaties. Men hoopte een
‘bedrijfsthermometer’ te construeren die een snelle diagnose van ‘goede’ en ‘slechte’
menselijke verhoudingen mogelijk zou maken.
Reeds voor de publikatie van het laatstgenoemde rapport liet echter Stapel een
waarschuwende stem horen dat het nog een vraag is, of we over de werksatisfactie
zonder meer kunnen spreken. Aan de hand van het materiaal uit de door hem
gesuperviseerde enquêtes van het Nederlands Instituut voor Publieke Opinie (NIPO)
heeft hij aangetoond, dat de werksatisfactie opvallend hoog met de algemene
geluksbeleving is ver-
1
Zie: M.G. Ydo, Plezier in het Werk, Leiden, 1947; H.J. Bethe, Hoe denkt U over Uw werk?,
Rapport van de C.O.P., Leiden, 1957.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
174
bonden en dat de tevredenheidsindicatoren met betrekking tot het huwelijksleven,
de middelen van bestaan en de gezondheid eveneens samenhang vertonen met
de werksatisfactie. De schrijver gaat niet verder dan te waarschuwen tegen het
eenzijdig relateren van de arbeidsvoldoening tot slechts de werksituatie en werpt
de vraag op of wij in plaats van werksituatie niet beter van satisfactie in brede zin
1
moeten spreken .
De idee om de afzonderlijke satisfactie-indices te gaan combineren is goed
ingeslagen. In een factoranalytische studie hebben onlangs Wiegersma en Gemert
op de algemene werksatisfactiefactor gewezen die door middel van de vragen van
de C.O.P.-enquête gemeten kan worden. De schrijvers hopen een geperfectioneerde
2
schaal te ontwikkelen die de oude ‘bedrijfsthermometer’ zou vervangen .
Uit een ander studiegebied vermelden we nog de studies van Nooij op Marken
en van Boekestijn op Zuid-Beveland en op Walcheren, die unidimensionele
meetschalen hebben geconstrueerd voor het meten van satisfactie met eigen
woonstreek. Het is vooral Boekestijn gelukt om schijnbaar afzonderlijke attitudes
(t.o.v. de bevolking in de streek, de mogelijkheid om vooruit te komen, de kosten
van levensonderhoud en de bereidheid tot migratie) met behulp van Guttmans
3
scalogramtechniek onder één noemer te brengen .
Tenslotte kan ook het proefschrift van Daniëls in dit verband worden genoemd
dat vanuit een iets verschillende conceptuele basis (theorie van onaangepastheid)
4
eveneens waarschuwt tegen de eenzijdig situationele interpretatie van houdingen .
Ons kort overzicht van enkele onderzoekingen op het gebied van de
satisfactiestudie, dat geenszins de pretentie heeft volledig te zijn, laat de
wenselijkheid en de mogelijkheid zien om op een empirische wijze tussen de twee
opvattingen van satisfactie te gaan beslissen. De constructie van unidimensionele
schalen en de factoranalyse zouden hiervoor de aangewezen methoden zijn. Het
nut van een dergelijke toetsing zou niet noodzakelijk beperkt blijven tot het opbouwen
van een wetenschappelijke theorie. Want is de opvatting juist dat de satisfactie
tevens de informatie inhoudt over het adequaat of inadequaat functioneren van
maatschappijorganen, dan is het van algemeen belang te weten hoe het staat in
onze
1
2
3
4
J. Stapel, ‘What is job satisfaction?’ in Public Opinion Quarterly, 14, (1950), blz. 551-554.
S. Wiegersma, G. Gemert, ‘Hoe denkt U over Uw werk?’ in Mens en Onderneming, XVe Jrg.,
1961, blz. 179-192.
A.J.T. Nooij, ‘Scalogramtechniek’ in Sociologische Gids, 8e Jrg., No. 1, blz. 25-41 (1961); C.
Boekestijn, Binding aan de streek, Leiden, 1961. Het is de schrijver dezes, aan de andere
kant, niet gelukt om een schaal van satisfactie van respondenten met eigen betrekking te
construeren, die aan Guttmans criteria zou voldoen; zie hieromtrent C. Boekestijn, I. Gadourek,
‘Binding aan het werk’ in Mens en Onderneming, XIIe Jrg., afl. 5, (1958).
M.J.M. Daniëls, Onaangepastheid in de werksituatie, Nijmegen, 1958.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
175
tijd, in onze samenleving met de tevredenheid op belangrijke levensgebieden. Niet
alleen de tevredenheid moet onze aandacht hebben, maar ook de
levensomstandigheden zelf, daar deze bepalend zijn (volgens deze theorie) voor
het zich welbevinden van mensen. Is de functionalistische theorie juist, dan zouden
we in onze welvaartsstaat ten tijde van welvaart overwegende positieve responsies
verwachten op de vragen die opgesteld werden om de satisfactie te meten.
Ook indien in plaats van de eerste, de tweede theorie steun verkrijgt in de door
ons verzamelde gegevens, bewaart het door ons bestudeerde vraagstuk zijn
praktische betekenis; het onderzoek kan dan helpen de sociale kenmerken van de
ontevreden mensen aan te geven, d.w.z. de groeperingen te signaleren die
bijzondere aandacht verdienen van de steun- en bijstandverlenende organen.
De theoretische alsmede de praktische overwegingen samenvattend, kunnen we
stellen dat het ons alleszins verantwoord lijkt te trachten door middel van de
factoranalytische en de scalogrambewerking van de gegevens uit onze landelijke
enquête de volgende vragen te beantwoorden:
1. hoe staat het met de tevredenheid van onze bevolking op enkele levensgebieden?
2. welke ‘objectieve’ kennis omtrent de levensomstandigheden op deze
tevredenheid betrokken, kan ons onderzoek aan het licht brengen?
3. welke schommelingen vertoont de spreiding van de afzonderlijke
satisfactie-indices bij verschillende sociale groeperingen?
4. kunnen we spreken van satisfactie als een algemene factor? Bestaat er
1
functionele eenheid tussen de afzonderlijke vragen die de satisfactie trachten te
peilen? Indien deze laatste vraag enigszins positief wordt beantwoord, dan nog:
5. kan het onderzoek enig licht werpen op de mogelijke oorzakelijke factoren van
satisfactie-dissatisfactie in deze meer algemene zin?
1.5.3 Mogelijke factoren die de satisfactie beïnvloeden
Het is gemakkelijker om op het gebied der satisfactiestudie de vragen te stellen dan
beredeneerde, in theorie verankerde antwoorden te geven die als hypothesen
kunnen dienen in een onderzoek. Van de twee vooropgestelde theorieën laten zich
echter tenminste twee hypothesen afleiden.
Is de functionalistische theorie der maatschappelijke instellingen juist, dan zouden
we verwachten dat de satisfactie met een bepaald object (behuizing, eigen werk,
gezondheid, enz.) meer door de aard van het object
1
Zie voor dit concept H. Peak, ‘Problems of objective observation’ in L. Festinger, D. Katz,
Methods in Behavioral Sciences, New York, 1953, blz. 248 en volgende.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
176
dan door andere subjectieve factoren (houdingen, andere satisfactie-indicatoren)
wordt bepaald. Deze hypothese vindt tevens steun in de opvatting van satisfactie
1
als zijnde gebaseerd op de behoeftebevrediging van het subject .
Tal van deelhypothesen laten zich hiervan afleiden: we zouden bij de bewoners
van kleine huizen meer dissatisfactie verwachten dan bij de bewoners van grote
huizen, we zouden bij personen in hogere maatschappelijke posities, die materieel
vooruit zijn gegaan, eveneens een hogere satisfactie verwachten. Dit echter onder
de stille veronderstelling dat ‘de behoeften’ een relatief constante grootheid vormen.
Daar deze veronderstelling geenszins waar hoeft te zijn, moeten we voorzichtig
blijven met de interpretatie van de verwerping der deelhypothesen.
Is onze tweede theorie juist, dan zouden we een sterke intercorrelatie der
satisfactie-indicatoren onderling verwachten. Deze zullen dan minder objectief en
meer subjectief worden bepaald; d.w.z. dat de tevredenheid met de behuizing b.v.
minder van de feitelijke woonomstandigheden zou afhangen, dat we bij de
voorspelling van tevredenheid over de woning op de algemene satisfactie van de
persoon in kwestie moeten letten (dus tevredenheid met eigen gezondheid, eigen
werk, eigen loopbaan, enz.).
Slechts bescheiden hypothesen werden gewaagd over de mogelijke samenhangen
van de veronderstelde algemene satisfactiefactor. Dit werd medeveroorzaakt door
de twijfel omtrent het bestaan van deze factor. Want zelfs de hoge intercorrelatie
van de satisfactie-indicatoren geeft nog geen zekerheid dat onze tweede theorie
inderdaad de juiste is. De vraag werd gesteld of de ‘dissatisfactie’ in feite niet berust
op de grotere geneigdheid van bepaalde persoonlijkheidstype om ontevredenheid
te uiten (b.v. dat met een zwakke secundaire functie) of van bepaalde rollen in de
samenleving (b.v. die van de vrouw aan wie door de volksmond meer bereidheid
tot klachten wordt toegedicht). Een correlatie met geslacht en met regionale spreiding
(er wordt veelal verondersteld dat de bevolking ten noorden der rivieren meer
secondair functioneert) zou de validiteit van onze meetschaal van de algemene
satisfactie aantasten en tevens een alternatieve theorie vormen tot de theorie II.
Behalve deze negatieve (want onze begrippen zelf aantastende) hypothesen,
hadden wij ook meer positieve theoretische veronderstellingen over de oorzaken
van variabiliteit van de algemene satisfactie.
Zoals bij alle houdingen die op onze eigen persoon betrokken zijn, zouden we
dan met Sherif en Cantril de oorsprong van de tevreden of ontevreden houding
zoeken in de groepen, waarin de desbetreffende per-
1
Zie b.v.R.H. Schaffer, ‘Job satisfaction as related to need satisfaction in work’, Psychological
Monographs: General and Applied, 67 (1953) No. 364, blz. 29.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
177
soon is opgegroeid. Van de structuur van de groep waarin hij leeft, neemt de mens
zijn referentiekaders over, d.w.z. de normen en richtlijnen, die zijn gedrag alsmede
1
zijn kennis en waardensysteem medebepalen. Valt een referentiegroep uiteen ,
hetgeen soms reeds in de kinderjaren, meestentijds echter met de puberteit en
volwassenheid geschiedt, dan kunnen we een wijziging verwachten in het
referentiekader van de individu, een wijziging ook in zijn satisfactiepatroon. Zo
doorslaggevend is echter de invloed van de kinderjaren en van de dagelijkse routine
van oordelen, gevoelen en handelen, dat de verworven patronen een relatieve
bestendigheid vertonen. De mens uit zich in verscheidene situaties als ‘conservatief’,
‘pessimistisch’, ‘autoritair’ en wellicht ook als ‘tevreden’ of ‘ontevreden’.
Uitgaande van de referentiegroeptheorie verwachtten wij meer A.S. (algemene
satisfactie) bij de mensen, die intensiever aan het groepsleven deelnemen: leden
van de verenigingen, lidmaten van kerkgenootschappen, mensen met gezins- en
familiebindingen. Een negatieve correlatie werd verondersteld met die factoren, die
het groepsleven aantasten: het stadsleven, migratie, desintegratie van de
referentiegroep door echtscheiding of overlijden. Naast de participatie zou tevens
de innerlijke vereenzaming oorzaak zijn van dissatisfactie.
In overeenstemming met de opvatting, dat de eerste levensjaren doorslaggevend
zijn voor het ontstaan van de psychische referentiekaders, zouden de mensen met
een minder prettige jeugd tevens minder satisfactie vertonen dan personen met een
2
gelukkige, harmonische jeugd .
Nog een andere hypothese werd tenslotte ontleend aan de zelfconceptie
(‘self-concept theory’) die een meer psychologisch aspect weergeeft van het
sociale-rolconcept. Volgens bevindingen van Brophy schijnt de algemene satisfactie
veroorzaakt door de mate van overeenstemming tussen het ik-deaal (‘ideal self’
d.w.z. de verwachting die ik t.o.v. mij zelf koester, het beeld van mij zelf zoals ik
wens te zijn) en het eigenbeeld (‘self-concept’, d.w.z. het beeld dat een persoon
zich vormt omtrent zich zelf, zijn perceptie van zich zelf): ‘The findings suggest that
congruence in the interpersonal relationship between the self-concept and the ideal
self is one of the most fundamental conditions for both general happiness and for
3
satisfaction in specific life areas’ .
1
2
3
We gebruiken de term ‘referentiegroep’ hier in zijn oorspronkelijke wijde zin, dus ook ‘de groep
waarvan men lid is’; dit in afwijking van Lammers en Van Doorns ‘Moderne Sociologie’ (1959),
die hierin Mertons ‘Social Theory and Social Structure’ (1957) volgen.
Wij beschouwen M. Sherif, H. Cantril, The Psychology of Ego Involvement nog steeds als
een stimulerende samenvatting van een reeks onderzoekingen en theoretische beschouwingen
op dit typisch Amerikaanse studiegebied van de gedragswetenschappen. Het boek is
verschenen in New York, in 1947.
A.L. Brophy, ‘Self, role and satisfaction’ in Genetic Psychology Monographs 59 (May, 1959)
blz. 263-308.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
178
We trachtten in plaats van de nogal omslachtige meting van het ikideaal en het
eigenbeeld van de respondenten de congruentie tussen beide rechtstreeks door
middel van enkele vragen vast te stellen. Bij de tevreden mensen zou dan b.v. meer
tevredenheid moeten zijn over hetgeen zij zijn geworden; volgens de theorie zou
dan deze laatste ‘tevredenheidsindicator’ met alle andere indicatoren het hoogst
zijn gecorreleerd. Tenslotte zou de dissatisfactie geconcentreerd zijn b.v. bij mensen
die in de maatschappij trachten vooruit te komen maar het gevoel hebben dat dit
hun niet lukt.
Ziehier enkele hypothesen die aan de bestaande theorieën konden worden
ontleend. Hiernaast beschikten we nog over meer aan de praktijk ontleende
verwachtingen (b.v. omtrent de ontevredenheid met eigen woning bij de
leeftijdsgroepen van 25 tot 35 jaar waar zich de grootste bevolkingsdruk voordoet)
en over de verwachtingen aan bestaande onderzoekingen ontleend (het bekende,
maar nog niet voldoend verklaarde verband tussen de hogere werksatisfactie en
‘het vrouw-zijn in onze samenleving’). Deze werden met de hypothesen
‘meegenomen’ en door middel van onze landelijke steekproef nogmaals getoetst.
1.5.4 Gemeten aspecten van satisfactie en welvaart
Geheel in overeenstemming met het voorafgaande zullen we de spreiding van
enkele materiële omstandigheden weergeven alvorens op de tevredenheidsvragen
in te gaan.
De spreiding van de inkomsten (zoals opgegeven door de respondenten zelf) gaf
het volgende beeld te zien:
Tabel 1.5.1 Inkomsten en inkomsten van echtgenoten naar geslacht
Table 1.5.1 Distribution of respondents by income-level and sex
Inkomens per week in guldens
Weekly incomes in florins
geen geen ƒ40,- ƒ41,- ƒ51,- ƒ61,- ƒ71,- ƒ81,- - ƒ101,- ƒ151,- ƒ201,- Totaal
antƒ100,- woord none
ƒ50,- ƒ60,- ƒ70,- ƒ80,ƒ150,- ƒ200,Total
no
answer
Man- 53
nen
Men
4
35
20
49
8,7% 0,7% 5,7% 3,2% 8%
Vrou- 82
wen
Women
11
86
28
44
91
75
110
98
33
35
612
14,9% 12,3% 19,4% 16%
5,4% 5,7% 100%
91
34
75
110
96
12% 1,5% 12,6% 4,1% 6,4% 13,3% 10,9% 16,1% 14%
28
685
5,0% 4,1% 100%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Totaal 135
15
121
48
93
182
150
229
194
67
63
1.297
Total
10,4% 1,2% 9,3% 3,7% 7,2% 14,0% 11,6% 17,7% 15%
5,2% 4,7% 100%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
179
Hoewel het aantal personen die weigerden of aarzelden ons over eigen inkomens
in te lichten niet al te hoog was (10%), is het wel mogelijk dat door de weigeringen
een zekere vertekening ontstond in de spreiding, daar het waarschijnlijk zelfstandigen
zijn die elke aanwijzing over eigen inkomsten om fiscale overwegingen maar ‘een
precaire zaak’ vinden. Het gemiddelde inkomen was voor de groep die onze vraag
heeft beantwoord omstreeks ƒ 79,- per week (mediaan).
Het valt op dat de vrouwen, waarschijnlijk bij afwezigheid van de man, meer
aarzelen om inkomsten op te geven. Wellicht speelt hier in sommige gevallen de
onkunde eveneens een rol. Volgens de verwachting (gezien de lagere lonen voor
de vrouwen in Nederland en de over het algemeen mindere schoolopleiding) geven
zij tevens overwegend lagere bedragen op dan de mannen. De partiële correlaties
laten zien dat het verband tussen de inkomstenvariabele en het vrouw- of man-zijn
gehandhaafd blijft in homogene opleidingsgroeperingen (r4.1-3 = -.082).
Van overige factoren die de spreiding van inkomens bepalen, kunnen we hier
noemen: de leeftijd (r2-3 = -.104) en de burgerlijke staat (r3-8 = .334). Daar we bij de
inkomens het zuiver inkomen namen dat het gezin heeft (dus ook de kinderbijslag
en bijverdiensten van de vrouw) behoeft ons de betrekkelijk hoge correlatie met
‘gezinsbinding’ niet al te veel verbazen: gehuwden met veel kinderen verdienen nu
eenmaal meer dan ongehuwden.
Daar de jongeren voornamelijk tot de groeperingen met de zwakste ‘gezinsbinding’
behoren, zouden we bij hen eveneens lagere inkomsten verwachten. Des te meer
valt de correlatie op in tegenovergestelde richting: jongeren blijken hogere
verdiensten te hebben dan ouderen (r2-3 = -.104). Alweer vonden we door middel
van de partiële correlatie een oplossing voor deze merkwaardige bevinding: de
correlatie verdwijnt in de subcategorieën van opleiding (r2-3.4 = -.053); met andere
woorden, de jongeren (en dat is dus hier de jongere generatie) hebben meer
opleiding genoten en hebben zich hierdoor van hogere inkomsten verzekerd.
Eveneens vermeldenswaard zijn, behalve de reeds besproken verbanden met
het roken, drinken, koffiedrinken en snoepen (die allen positief met hogere inkomens
zijn gecorreleerd!), de verbanden met de migratie, sociale participatie, contact met
communicatiemedia, gemeentegrootte en kerkgenootschap. Alweer verdiepen de
partiële correlaties ons inzicht. Zo blijken de laatste twee verbanden slechts
bijkomstig te zijn. De samenhang tussen een losse kerkelijke binding en de hogere
verdiensten verdwijnt bij het invoeren van de migratiefactor als testvariabele: r3-12.7
= -.059. Er bestaat nl. een betrekkelijk significante samenhang tussen de migratie
en lossere (of het verlies van) kerkelijke binding (r7-12 = -.126) en eveneens een
samenhang met het inkomen: migranten verdienen meer (r3-7 = .155).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
180
De samenhang met gemeentegrootte, suggererend dat in kleinere gemeenten
minder verdiend wordt, is eveneens een schijnverband in die zin dat het niet zozeer
aan het aantal, maar aan de kwaliteit der inwoners ligt dat men in kleinere gemeenten
minder verdient. De samenhang verdwijnt immers indien we voor beide typen
gemeenten de factor schoolopleiding constant houden.
Alle andere gesignaleerde verbanden hebben de toets van het systematisch
invoeren van testvariabelen kunnen doorstaan. Bij de bespreking van de structurele
samenhangen in Nederland zullen we er meer rekening mee moeten houden dat
het inkomstenniveau positief is gecorreleerd zowel met de sociale participatie, d.w.z.
het deelnemen aan het verenigingsleven en aan het leven van maatschappelijke
instellingen, als met de intensiteit der contacten met culturele media: kranten, radio,
1
lezingen .
Dat tenslotte een hoge correlatie is gevonden met de inkomsten en het aantal
werkuren (r3-34 = .206) wekt wellicht geen verbazing.
Deze laatste vraag naar het aantal uren dat men in verband met het werk
doorbrengt (dus ook de tijd van gaan naar en komen van de plaats waar men werkt)
hebben we eveneens aan mannen en vrouwen (waaronder vele huisvrouwen)
gesteld. De spreiding was hier als volgt:
Tabel 1.5.2 Aantal werkuren per dag naar geslacht
Table 1.5.2 Distribution of respondents by number of working hours;
by sex
geen geen -5
ant- none
woord
no
answer
Man- 19
36
nen:
Men
6
7
8
9
10
11
12 of Totaal
meer
or
Total
more
21
11
10
121
160
111
39
88
616
Vrou- 14
wen:
Women
27
84
56
39
89
64
93
30
188
681
Totaal 33
63
105
67
49
207
224
204
69
276
1.297
*
Total
1
*
Het is vermeldenswaard dat in een vroegere studie (I. Gadourek, A Dutch Community,
Groningen, 1961) geen significant verband kon worden vastgesteld tussen de participatie en
de inkomsten. Wel vonden we een hoge correlatie met sociale rangstand. De aanwezigheid
van een grote groep mensen zonder veel schoolopleiding met hoge inkomsten en drukke
werkzaamheden (de bollenkwekers) verklaart wellicht het ontbreken van de correlatie in
Sassenheim. De overige correlaten van inkomsten zijn, voor zover gemeten, wel
teruggevonden: migratie-index, leeftijd, geslacht, kerkgenootschap.
Voor de bespreking van sociale participatie zie nader hoofdstuk 1.7 van dit boek.
Tabel opgemaakt voor de revisie der ponsingen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
181
Uit de bovenstaande tabel kunnen we afleiden dat er gemiddeld 8½ uur per dag
gewerkt wordt, dit vanzelfsprekend in de totale volwassen bevolking, de
gepensioneerden incluis. Ook kunnen we lezen dat de vrouwen tegen de beide
uitersten van onze werkurendimensie zijn geconcentreerd. Hierbij valt op dat
vergeleken met de mannen een dubbel aantal vrouwen opgeeft meer dan 12 uur
per dag te werken. Deze uitschieter kan echter niet verhinderen dat we een
samenhang vinden tussen het aantal werkuren en het geslacht die ten nadele van
de vrouwen uitvalt; mannen werken langer (r1-34 = -.107). Het bewijs dat het hier
om de groep huisvrouwen gaat die korter werken, vinden we in het feit dat de
correlatie verdwijnt indien we naar het verband zoeken in de homogene
subcategorieën van ‘aard van het werk’: buitenwerkers en binnenwerkers (r1-34.5 =
-.058). Personen werkzaam buitenshuis (overwegend mannen; boeren, land- en
wegarbeiders) hebben langere werktijden dan mensen die binnenshuis werken.
Van de andere structurele verbanden is vermeldenswaard de samenhang tussen
een hoog aantal werkuren en de participatie: tegen de verwachting in nemen mensen
die langer werken intensiever deel aan het leven der verenigingen. Het verband
met het kerkgenootschap (de Rooms-Katholieken werken langer) kon daarentegen
geheel worden verklaard uit de leeftijdsverschillen tussen personen van verschillende
kerkelijke gezindte: Rooms-Katholieken, dank zij het hoge geboortencijfer, vormen
nu eenmaal een jonger bevolkingsdeel in ons land en werken hierdoor langer: r32-34.2
= .057.
Dat er in kleinere gemeenten langer wordt gewerkt dan in grote steden kon niet
geheel aan de aard van het werk worden toegeschreven (de agrarische beroepen
op het platteland), noch aan de gunstige leeftijdsstructuur (jongeren). Wellicht spelen
deze factoren echter te zamen een rol.
Van deze objectieve gegevens kunnen we thans naar de meer subjectieve
belevingsaspecten overstappen. Aansluitend aan de vraag over het aantal werkuren
informeerden we naar de drukte die het dagelijkse werk meebrengt. Het bleek dat
de meerderheid het wel ‘druk heeft’, waarbij opvalt dat de mannen significanter
vaker de drukte aangeven dan de vrouwen, zoals de tabel op pag. 182 laat zien.
We bemerken dat mannen (volgens eigen opgave) langere werkuren hebben dan
vrouwen en dat zij tevens frequenter vinden dat zij ‘het druk hebben’. Beide indices,
de meer objectieve en de meer subjectieve, wijzen in dit geval in dezelfde richting.
Daar onze subjectieve variabele niet opgenomen werd in het uiteindelijk
verklaringsschema, werd slechts de opsplitsing naar beroep verricht. Duidelijk kwam
hier naar voren dat onder de mannen de arbeiders
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
182
Tabel 1.5.3 Klachten over de drukte in het werk bij mannen en vrouwen
Table 1.5.3 Complaints about strenuous work
Mannen
Men
Vrouwen
Women
Totaal
Total
Hebt U het druk in Uw werk?
Have you got strenuous work?
Ja
Zozo. Weet Neen
Yes
het niet
No
So, so. Does
not know
400
56
114
Geen adequaatTotaal
antwoord
Total
No (adequate)
response
42
612
65,4%
9,2%
18,6%
6,8%
100%
340
62
259
24
685
49,6%
9,1%
37,8%
3,5%
100%
740
118
373
66
1.297
57,1%
9,1%
28,8%
5,0%
100%
en kantoorbedienden opvallend minder de drukke werkzaamheden vermelden dan
middenstanders, zelfstandigen, en personen in vrije beroepen. Het verband bleek
significant zelfs indien de arbeiders tegenover alle resterende beroepsbeoefenaars
werden geplaatst.
In de vrouwengroepering schitterden de huisvrouwen door een relatieve
afwezigheid van klachten over de drukte in het werk zoals de volgende tabel laat
zien:
Tabel 1.5.4 Klachten over de drukte in het werk bij vrouwen naar beroep
Table 1.5.4 Women's complaints about strenuous work; by occupation
Hebt U het druk in Uw werk?
Have you got strenuous work?
Ja
Zozo
Neen
Yes
So, so
No
Huisvrouwen 207 (240)
45 (44)
Geen
Totaal
antwoord
Total
No response
215 (183,5) 18 (17)
485
House-wives
Werkende
vrouwen
Women in
jobs
133 (100)
17 (18)
44 (75,5)
6 (7)
200
Totaal
Total
340
62
259
24
685
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
2
χ = 34,2 bij
2
vrijheidsgraden;
P < .001
(berekend
voor de
eerste drie
kolommen
van de
tabel);
VCramér = .45
= ϕ = r.
Voor het ‘meten’ van de eigenlijke werksatisfactie is de oude vraag van Ydo gebruikt,
teneinde onderlinge vergelijking mogelijk te maken. Onze resultaten verkregen bij
het interviewen van een steekproef uit de ganse
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
183
volwassen bevolking overtroffen de reeds optimistische verwachting: nog geen 5%
van de ondervraagden vermeldden geen plezier te hebben in het werk. De reeds
eerder gesignaleerde tendens tot hogere satisfactie van vrouwen werd bij ons
materiaal teruggevonden, zoals de volgende Tabel 1.5.5 laat zien:
Tabel 1.5.5 Werksatisfactie naar geslacht
Table 1.5.5 Work-satisfaction of men and women
Heeft U plezier in Uw werk?
Do you enjoy your work?
Ja
Zozo
Weet niet Neen
Yes
So, so
No
Does not
know
17
6
34
44
Geen
Totaal
(adequ.)
Total
antwoord
No
(adequate)
answer
2
612
2,8%
1%
5,6%
7,2%
0,3%
100%
14
11
29
23
6
685
87,9%
2%
1,6%
4,2%
3,4%
0,9%
100%
1.111
31
17
63
67
8
1.297
85,6%
2,4%
1,3%
4,9%
5,2%
0,6%
100%
Mannen 509
Men
83,1%
Vrouwen 602
Niet
werkend
Does not
work
Women
Totaal
Total
De hoge positieve satisfactiescores die de tabel laat zien, verdienen een kort kritisch
commentaar.
Ten eerste valt het op dat, ondanks de gesignaleerde tendens, de satisfactie bij
de mannen en de vrouwen niet al te veel uiteenloopt. Bij de mannen blijft het
percentage ‘tevredenen’ boven 80% (83,1%) terwijl het percentage mannen dat een
duidelijk negatief antwoord gaf slechts 5,6% bedraagt. Hiermee is de veronderstelling
de kop ingedrukt als ware het hoge satisfactiepercentage bij onze steekproef te
danken aan het hoge percentage vrouwen, waaronder vele huisvrouwen. Opgesplitst
naar het beroep lieten de gegevens inderdaad zien dat huisvrouwen iets hogere
satisfactie vertoonden, niet echter noemenswaard hoger dan de totale groep
vrouwen; er waren 88% ‘tevredenen’ en 3,7% ontevredenen bij de huisvrouwen in
onze steekproef, bijna identieke percentages als voor de gehele groep van 685
vrouwen.
De hoge satisfactie, in onze enquête van 1958 vastgesteld, kan dus niet uit de
afwijkende samenstelling van de groep respondenten, zoals vergeleken met de
1
steekproeven van vorige jaren , worden verklaard. In een eveneens landelijk
onderzoek dat het N.I.P.O. tien jaar vóór onze studie
1
Dr.Th.J. Yzerman wijdt aan de vroegere onderzoekingen aandacht in zijn degelijk proefschrift
en geeft de voornaamste resultaten weer; zie zijn Beroepsaanzien en Arbeidsvoldoening,
Stenfert Kroese, Leiden, 1959, blz. 225-235.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
184
heeft uitgevoerd, werd het aantal ontevredenen gesteld op 8%, het aantal tevredenen
dan slechts op 67%; een jaar hiervóór waren de respectievelijke percentages 12%
en 61%. Dit laatste betekent een verschuiving van meer dan 25% in de loop van
de laatste 10 jaar bereikt. Een zo groot verschil kan nauwelijks aan toeval worden
toegeschreven. De vraag gaat dan onmiddellijk rijzen of er niet iets in de situatie
van de bevolking veranderd is waaraan de grotere mate van werksatisfactie te
danken is.
Op zoek naar mogelijke macrosociologische (d.w.z. hier de gehele Nederlandse
samenleving betreffende) factoren die in de loop van het laatste decennium
verandering hebben ondergaan, zijn we vanzelfsprekend bij de stijgende welvaart
beland. De verklaring lag voor de hand. Volgens de schattingen van Pen en Bouman
is in ons land het reële inkomen in de loop van deze eeuw gestegen met een factor
twee en een half. Ook de spreiding van dit inkomen is gunstiger geworden in dier
1
voege dat grotere groeperingen thans delen in de welvaart . De vraag of de toename
van welvaart niet met grotere satisfactie der bevolking gepaard ging, is door de
beide schrijvers expliciet gesteld.
Macrosociologisch bezien, bestaat er een parallel zo niet een correlatie tussen
de beide variabelen, de welvaart en de arbeidsvoldoening. Kunnen we deze parallelle
verandering inderdaad causaal interpreteren, kunnen we aannemelijk maken dat
meer welvaart, meer arbeidsvoldoening ten gevolge heeft?
Geheel getrouw aan onze methode om de macrosociologische samenhangen
begrijpelijk te maken door ze tot de microsociologische basis terug te brengen,
onderzochten we de arbeidsvoldoening der mensen waarvan we aannamen dat zij
materiële welvaart beleefden.
Nu is het ons gebleken dat er waarschijnlijk een verschil bestaat tussen de welvaart
en de welvaartsbeleving. We konden immers geen lineair verband vinden tussen
de hoogte van het inkomen en de arbeidsvoldoening. Tabel 1.5.7 laat duidelijk de
schommelingen zien tussen de onderscheiden inkomstengroeperingen. Zij blijken
eerder kwalitatief dan kwantitatief van aard te zijn. (De lezer zal wellicht zelf in staat
zijn de groeperingen van geschoolden en ongeschoolden in de tabel te identificeren!
Zie Tabel 1.5.7, blz. 185.)
Ecologisch gezien (indien we de toename in tijd verwisselen voor de toename in
structureel verband) bestaat er dus geen lineaire samenhang tussen welvaart en
satisfactie. Teneinde het tijdselement bij ons structureel onderzoek te betrekken,
hebben we de vraag naar de welvaartsvermeer-
1
Zie J. Pen en P.J. Bouman, ‘Een eeuw van toenemende welvaart’ in Drift en Koers. Een halve
eeuw sociale verandering in Nederland, Gedenkboek Nederl. Sociologische Vereniging,
Assen, 1961.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
185
Tabel 1.5.7 Spreiding der respondenten naar werksatisfactie en
inkomsten
Table 1.5.7 Work-satisfaction and income-level
Plezier in het werk
Work-satisfaction
Inkomsten in f % tevredenen %
% rest
per week
% satisfied
ontevredenen % the rest
Income-level: fl
% dissatisfied
per week
Aantal per
inkomstengroep
ƒ 40,-
93,5
4,7
1,8
Number per
income-bracket
106
ƒ 50,-
79
16,3
4,7
43
ƒ 60,-
96,5
3,5
-
85
ƒ 70,-
88
4
8
173
ƒ 80,-
91
6,2
2,8
145
ƒ 100,-
89
6,3
4,7
224
ƒ 150,-
92,5
3,1
4,4
192
ƒ 200,-
92
3
5
65
6,5
3,5
62
2,5
9
124
ƒ 201,- of meer 90
or more
geen antwoord 88,5
no response
67 personen zonder werk en 11 personen zonder inkomsten werden niet meegeteld.
67 persons without work and additional 11 persons without incomes were not
included in the table.
dering of -vermindering aan de bevolking voorgelegd (no. 19). De resultaten laten
nauwelijks zien dat de welvaartsstijging inderdaad met welvaartsbeleving gaat
gepaard: 548 (42,2%) van alle ondervraagden verklaarden zich thans meer te kunnen
permitteren dan een jaar of vijf geleden; slechts 111 (8,6%) meenden dat zij zelf
financieel achteruit zijn gegaan; 126 (9,7%) meenden gelijk te zijn gebleven, waarbij
echter dient vermeld te worden dat een grote groepering, nl. 493 personen (38%)
ontkenden vooruit te zijn gegaan, zonder expliciet te vermelden of men gelijk
gebleven dan wel achteruit gegaan was; 19 personen gaven geen of een ontwijkend
antwoord. Het is nauwelijks aan te nemen dat alle 493 personen die slechts ‘neen’
antwoorden op onze vraag tot de groepering te rekenen zijn, die vermindering van
inkomsten onderging. Dit versterkt ons vermoeden dat er in onze tijd meer mensen
zijn die vooruitgang dan achteruitgang hebben geboekt. Door het ontbreken van
vergelijkbare gegevens is het de vraag welk gedeelte van hen een vooruitgang
boekte dank zij de algemene objectief-economische welvaartsvermeerdering en
wie zijn welvaartsbeleving slechts aan het demografische proces te danken heeft:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
elk jaar wordt er immers een nieuwe cohorte van jongeren in het arbeidsproces
ingeschakeld; zonder twijfel valt bij deze jongeren ‘materiële vooruitgang’ te
constateren. Dat er door het proces van veroudering der bevolking een factor in het
spel komt tegenovergesteld aan de welvaarts-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
186
toename (gepensioneerden verdienen immers minder dan de actieve bevolking)
valt nauwelijks te betwisten.
Ondanks de onzekerheid omtrent de intensiteit van samenhang tussen
welvaartstoename (macro-economisch of sociologisch gezien) en de beleving ervan,
geven de antwoorden ons voldoende houvast om het verband tussen de
welvaartsbeleving en de arbeidsvoldoening te toetsen. In Tabel 1.5.8 zijn de
gelijkgeblevenen opgeteld in de middelste categorie bij mensen die zich niet over
achteruitgang of gelijke positie hebben uitgesproken doch duidelijk vermeldden niet
te zijn vooruitgegaan. De drie onderscheiden categorieën vormen een ordinale
schaal: de beleving van vooruitgang daalt van links naar rechts. De
gedichotomiseerde index van arbeidsvoldoening vertoont een duidelijke samenhang,
overeenkomstig de verwachting:
Tabel 1.5.8 Spreiding van de respondenten naar werksatisfactie en
welvaartsbeleving
Table 1.5.8 Work-satisfaction and the experience of material progress
Inkomstenverandering
Change of incomes
Plezier in het Thans meer
Gelijk, ‘neen’
werk
Now more
Just as much
Work-satisfaction
Tevreden
500 (92%)
507 (88%)
Satisfied
Thans minder Totaal
Now less
Total
90 (81%)
1.097
Matig tevreden 44 (8%)
of ontevreden
Poorly
satisfied,
dissatisfied
71 (12%)
21 (19%)
136
Totaal
Total
578 (100%)
111 (100%)
1.233
544 (100%)
2
χ = 12,79 (zonder correctie); bij 2 vrijheidsgraden P < .01 > .001.
* 64 personen zonder werk en personen die geen adequaat antwoord gaven op
de vraag naar inkomstenverandering werden niet meegeteld.
64 persons without work and persons who did not answer the question about the
change of incomes not included.
Uit Tabel 1.5.8 valt af te lezen dat we inderdaad mogen aannemen dat mensen die
financieel vooruitgang beleven ook een tendens vertonen tot meer arbeidsvoldoening.
Dit maakt het zinvol om ook andere verbanden te bespreken. Volgens onze gegevens
is de subjectieve welvaartsvermeerdering niet evenredig over alle bevolkingsgroepen
verdeeld. Tot de groepen met een positieve welvaartsbeleving behoren de hogere
functionarissen in het bedrijfsleven, de ondernemers, leden van vrije beroepsgroepen,
en personen werkzaam in het onderwijs. Tegen het andere uiteinde van
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
187
de schaal stonden de zelfstandige boeren en vissers, de zelfstandige winkeliers
(oude middenstand). Arbeiders namen een middenpositie in, waarbij opviel een
relatief hoge welvaartsbeleving bij de landarbeiders en een relatief lage bij de
1
geschoolde industriearbeiders .
Al zijn we erin geslaagd om een factor van de toegenomen arbeidsvoldoening te
identificeren, het is wellicht goed om de lezer te waarschuwen, dat de verklaring
van toegenomen werksatisfactie hierdoor nog niet geleverd is. De intensiteit van de
gesignaleerde samenhang is immers zeer laag. Berekenen we een eenvoudige
functie van het Chi-kwadraat, Cramér's V-coëfficiënt, dan verkrijgen we voor Tabel
1.5.8 V = .102. Indien we deze coëfficiënt beschouwen als een benadering van r,
dan zou dit betekenen dat de toename van welvaart slechts een percent van de
variantie in de arbeidsvoldoening verklaart. Zonder de absurde conclusie te trekken
dat de verdubbeling van het reële inkomen de satisfactie met twee percent deed
toenemen, willen we nog naar andere verklarende factoren zoeken.
De toegenomen sociale zekerheid is dan een andere mogelijke verklaring. Op
Tabel 2.8.3 vinden we een in hoge mate significante samenhang tussen de angst
voor werkloosheid en de satisfactie met werk (deze angst gaat immers met
dissatisfactie gepaard, rtetr. = .35). Deze samenhang werd in onze Sassenheimse
studie eveneens gevonden (T = .18, P < .001), zodat er o.i. geen bezwaar tegen
bestaat om zijn algemene geldigheid (in onze samenleving althans, zoals we deze
in ons tijdperk kennen) te betwijfelen. Vragen we ons thans af hoe het met de
spreiding van deze onzekerheid omtrent eigen werk bij onze bevolking staat, dan
verschaft de vraag no. 16 ons de benodigde inlichtingen. Slechts 107 personen in
onze steekproef van 1.297 menen in de komende tien jaren nog eens werkloos te
kunnen worden, dit is 8,2% van de totale bevolking (voor de gehuwde vrouwen werd
de vraag met betrekking tot hun echtgenoten gesteld). Omstreeks 69% van de
steekproef gaf een duidelijk negatief antwoord, aan 11 personen (onder wie de
studerenden en gepensioneerden) werd de vraag niet gesteld; 12% gaf een
ontwijkend antwoord (‘weet het niet’, ‘geen mening’, enz.). Merkwaardig genoeg, er
bestaat meer bezorgdheid omtrent de werkloosheid bij de vrouwen dan bij de
mannen; het percentage ‘onbezorgden’ is bij de vrouwen 7% lager dan bij de
mannen.
Al is de angst voor werkloosheid gelieerd met dissatisfactie en komt deze angst
bijna even schaars voor in onze bevolkingsgroep als dissatis-
1
Men zal zich in dit verband afvragen, hoe dit surplus wordt besteed. De meesten van onze
respondenten noemden het sparen, daarna ‘het zich beter kleden’ (door vrouwen twee keer
zo vaak genoemd als door mannen); het uitgaan (door mannen twee keer zo vaak vermeld
als door vrouwen); slechts een gering aantal noemde ‘het beter eten’ en niet meer dan 4
noemden ‘het snoepen’.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
188
factie, er valt aan de andere kant geen opvallende vermindering van deze angst
waar te nemen. In De Publieke Opinie 3, no. 3, van maart, 1949, lezen wij dat 76%
van de volwassenen meende toen niet in de komende twee jaar werkloos te worden,
7% meende van wel en 17% gaf een ontwijkend antwoord; deze percentages komen
vrijwel overeen met de percentages, die wij voor de mannelijke bevolking hebben
berekend (respectievelijk 73%, 8% en 19%).
De gereleveerde feiten doen ons de hypothesen eerder verwerpen dan bevestigen.
Dit doet de deur open voor nog een andere verklaring: dat zich in onze
werkverhoudingen zelf positieve veranderingen hebben voltrokken die tot meer
werksatisfactie voeren. Het toetsen en bespreken van de gehele industriële en
werkstituatie zou ons te ver leiden van ons centrale onderwerp. We hopen in een
1
afzonderlijke studie hierop terug te komen
Een andere indicator van tevredenheid vormde de vraag naar de evaluatie van
hetgeen men in het leven bereikt heeft (no. 17). Evenals de werksatisfactievraag
gaf deze stimulus een positief beeld te zien: 77,6% antwoordde positief, 6,2%
ontwijkend, 15,1% negatief; 1,1% gaf geen of geen adequaat antwoord op onze
vraag. De vrouwen toonden zich meer tevreden over eigen levensloop dan de
mannen: het verschil bij de positieve categorie bedroeg 7%, bij de negatieve
categorie 6%.
Alweer werden er belangwekkende verschillen bij de beroepsgroepen
geconstateerd. Het patroon van samenhangen was echter anders. Terwijl de
zelfstandige boeren en vissers het minst frequent meenden financieel te zijn
vooruitgegaan, behoren zij in sociaal en psychologisch opzicht tot de meest
‘geslaagde’ beroepsgroepen: van de 61 ondervraagde mannelijke boeren zijn er 51
tevreden met hetgeen zij in hun leven bereikten, 3 geven een aarzelend antwoord
en slechts 7 zeggen ontevreden te zijn. De tegenpool wordt hier gevormd door de
landarbeiders en de ongeschoolde industrie-arbeiders, bij wie het percentage
tevredenen zakt met 15% onder het gemiddelde van onze steekproef. Naast de
boeren vertonen de andere zelfstandigen, en ook de ondernemers en mensen in
vrije beroepen, een hogere satisfactie-index, terwijl de personen werkzaam bij het
onderwijs, ambtenaren en employés naast de overige arbeidersgroepen (met
uitzondering van geschoolde industrie-arbeiders) eveneens tot de meer
‘ontevredenen’ behoren. Reeds uit deze bespreking blijkt dat er een significant
verband bestaat tussen de zelfstandigheid van het beroep en de tevredenheid met
eigen levensloop bij de mannen. Het maatschappelijk succes wordt in Nederland
nog overwegend met een zelfstandige positie geassocieerd, zoals de volgende tabel
laat zien:
1
‘Onderzoek naar het welzijn en de werkomstandigheden in de arbeidsgroepen’ in TNO-Nieuws,
Jrg. 16, no. 188, blz. 570-571.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
189
Tabel 1.5.6 Tevredenheid met eigen loopbaan bij mannen naar aard van
het beroep
Table 1.5.6 Men's satisfaction with their life-careers; by occupation
Bent U tevreden met wat U in Uw leven bereikte?
Are you satisfied with the position that you reached in your
life?
Beroepsaard Tevreden
Tussengroep Ontevreden
Totaal
Occupational satisfied
Neutral
Dissatisfied
Total
category
Zelfstandigen 146
7
26
179
Working for
their own
De rest
The rest
306
29
87
422
Totaal
Total
452
36
113
601
*
2
χ = 40,86 (voor een dichotome tabel) P < .001.
VCramér = .384 = ϕ.
De samenhang met het beroep helpt waarschijnlijk ook begrijpen, waarom we in de
kleinere gemeenten over het algemeen meer tevredenheid in dit opzicht aantreffen
dan in de grote steden; het percentage zelfstandigen (landbouwers, tuinders) is er
immers groter.
Naast de retrospectieve waardering hebben we tevens de prospectieve waardering
van eigen leven betrokken bij onze studie. De vraag naar eigen toekomstige ‘kansen
om vooruit te komen’ heeft voor de eerste keer overwegend negatieve antwoorden
laten zien. Ook nog in een ander opzicht geeft zij een ander beeld: vrouwen zien
iets minder kansen dan mannen, zoals uit de volgende Tabel 1.5.9 kan worden
afgelezen:
Tabel 1.5.9 Perceptie van toekomstkansen bij mannen en vrouwen
Table 1.5.7 Women's and men's perception of chances to improve one's
position
Mannen
Men
Vrouwen
*
Ziet U nog kansen om vooruit te komen in Uw leven?
Do you see chances to improve your position in the future?
Ja
Tussengroep Neen
Geen
Totaal
Yes
No
adequaat
Total
Neutral
antwoord
No (adequate)
answer
239 39%
85 14%
275 45% 13 2%
612 100%
233 34%
104 15%
325 47,5% 23 3,5%
685 100%
11 mannen hebben hetzij geen adequaat antwoord gegeven of zijn foutief geponst.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Women
Totaal
Total
472 36,5%
189 14,5%
600 46%
36 3%
1.297 100%
Bij de interpretatie van deze uitkomsten dienen we rekening te houden met het feit
dat de vraag vanzelfsprekend met de leeftijd is gecorreleerd. Oudere mensen zien
nu eenmaal minder kansen voor de toekomst dan de
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
190
jongere mensen. Bij de veroudering der bevolking zal dus ook een verschuiving in
de negatieve richting plaatsvinden.
Deze correlatie met leeftijd maakt het zinloos om andere enkelvoudige tabellen
op te maken, daar we bij elk eventueel verband (b.v. met beroepsgroep, inkomsten)
ons moeten afvragen hoe zich de desbetreffende factor tot de leeftijdsvariabele
verhoudt. We vinden het meer belangwekkend hier de spreiding van de antwoorden
op de tweede vraag te vermelden, die aan de voorafgaande vraag werd toegevoegd:
(‘Indien U geen kansen meer ziet om in Uw leven vooruit te komen). Had U het
graag gewild?’
Van de 744 personen die deze vraag hebben beantwoord (behalve de ‘neen’-groep
ook de grote meerderheid van de aarzelenden met betrekking tot vraag 21) gaven
386 personen (d.w.z. 51,7%) een positief antwoord (204 mannen en 182 vrouwen),
303 personen (d.w.z. 40,8%) een negatief antwoord (121 mannen en 182 vrouwen)
en 55 personen (d.w.z. 7,5%) een aarzelend antwoord (19 mannen en 36 vrouwen).
We bemerken dat omstreeks een derde van de gehele bevolking in dit opzicht
een zeker gevoel van onbehagen koestert, men voelt zich teleurgesteld in het leven,
gefrusteerd. Daar we mogen aannemen dat in de groep aselect getrokken uit een
normale bevolking leeftijd en geslacht insignificant zijn gecorreleerd (r1-2 = .022
immers op onze Basis Correlatie Matrix), mogen we uit het bovenvermelde tevens
concluderen dat mannen tot de meer gefrustreerde groeperingen behoren;
waarschijnlijk hangt dit samen met de rol van de broodwinnaar en de statusdrager
in onze samenleving die aan de man wordt toegeschreven.
Behalve de aspecten van het beroep en van de maatschappelijke positie hebben
we nog enkele facetten van de habitat van onze respondenten bij het onderzoek
betrokken, enkele aspecten van hun materiële omgeving en woonmilieu. Zoals in
enkele publikaties van het C.B.S. is gebeurd, hebben we ook in onze studie de z.g.
index van woondichtheid opgesteld, d.w.z. het aantal personen per beschikbare
woonruimte. Uit opgaven van onze respondenten is dan de volgende spreiding
gereconstrueerd:
Bevolkingsdichtheid:
4 of meer personen per
vertrek
Aantal
1
Percent
0,1
3-3,9 personen per vertrek 14
1,2
2-2,9 personen per vertrek 76
5,9
1-1,9 personen per vertrek 585
45,1
1-1,9 vertrekken per
persoon
452
34,8
2-2,9 vertrekken per
persoon
81
6,2
3 vertrekken per persoon 26
of meer
2,0
‘op kamer wonend’
4,5
59
geen (adequaat) antwoord 3
0,2
Totaal
100,0
1.297
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
191
Over een echte woningnood kunnen we zeker spreken in het geval van meer dan
7 percent van onze bevolking die waarschijnlijk zonder enige afscherming leeft met
meer dan twee personen per vertrek. Het gemiddelde ligt boven de grens waar de
tabel omzwaait; 1 persoon per vertrek (mediaan; de personen op kamer wonend
buiten beschouwing latend).
De subjectieve waardering kan hierbij aansluiten: bijna elke vijfde ondervraagde
persoon gaf te kennen de beschikbare ruimte onvoldoende te achten. Voornamelijk
werd ook de badgelegenheid in onze Nederlandse huizen gemist; desgevraagd
antwoordde 38,7% van onze totale steekproef de wasgelegenheid in eigen huis
1
onvoldoende te vinden (15,3% vond deze matig) . Minder vaak klaagt men over de
vochtigheid of over het feit dat het huis donker is (te zamen zijn bij 18%
ondervraagden over deze twee aspecten klachten geregistreerd).
Kennisnemende van deze evaluatie van de concrete woonsituatie zouden wij
verwachten dat er een betrekkelijk groot percentage mensen ontevreden zou zijn
met eigen huisvesting. De antwoorden op onze meer algemene vraag (no. 33) geven
echter een beeld te zien dat niet al te veel afwijkt van de werksatisfactie: 994
respondenten (76,7%) zijn tevreden over hun woning en huisvesting, 160 (12,3%)
zijn matig tevreden en slechts 141 (10,8%) zijn ontevreden (3 personen, d.w.z. 0,2%
gaven geen of inadequaat antwoord).
Ook in een ander opzicht bleek de tevredenheid met huisvesting relatief
onafhankelijk te zijn van ‘objectieve factoren’: er kon geen lineaire samenhang
worden geconstateerd met de inkomsten. Mensen die minder dan ƒ 50,- per week
verdienen, vertonen een hoger percentage van ‘tevredenen’ dan de groepen met
een wekelijks inkomen tussen ƒ 51,- en ƒ 150,-. Pas bij de groeperingen met meer
dan ƒ 151,- aan wekelijks inkomen stijgt het percentage van tevredenen boven het
gemiddelde.
Wel vonden we een verband tussen beroep en inkomsten en de huishuur of het
eigendom van het huis, hetgeen ons niet behoeft te verbazen.
1
Er zijn redenen om aan te nemen dat de klachten omtrent de onvoldoende wasgelegenheid
objectief gegrond zijn. Volgens onze inventarisatie op dit gebied is gebleken dat 72 personen
(5,6%) slechts beschikken over pompwater, 546 personen (42,1%) hebben thuis slechts één
kraan of tappen water bij het aanrecht (geen wastafel!), 140 personen (10,8%) beschikken
over een wastafel, 43 personen (3,3%) over twee of meer wastafels; een douche wordt
vermeldt door 279 personen (21,5%), bad met warm water door 166 personen (12,8%); 16
(1,2%) vermelden weliswaar een douchecel te hebben, echter zonder douche, 7 personen
(0,5%) beschikken over een badkamer, echter slechts met koud water; 24 (1,9%) konden
niet geclassificeerd worden, 4 (0,3%) gaven geen antwoord. Samenvattend: we dienen te
beseffen dat slechts omstreeks een derde van onze volwassen bevolking beschikt over de
mogelijkheid om te gaan douchen of te baden in eigen woning of huis. In Lezerskringonderzoek
Margriet, Deel 2, blz. 22-23 lezen we dat 10% van alle gezinnen een bad en 39% een douche
bezit. In ruwe trekken bevestigt ook dit gegeven onze eigen bevindingen, al is een gezin als
teleenheid niet zonder meer met een inwoner te vergelijken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
192
Dat desondanks geen saménhang met inkomsten kon worden gesignaleerd duidt
o.i. aan, dat de meeste mensen bij de evaluering van eigen woning tevens de kosten
(huishuur) in overweging nemen, impliciet aangevend hun tevredenheid of
ontevredenheid, indien men rekening houdt met hetgeen zij voor eigen huis betalen.
Volledigheidshalve vermelden wij dat 348 (26,8%) personen in onze steekproef in
eigen huis woonden, 98 personen (7,6%) minder dan ƒ 5,- per week aan huishuur
betaalden, 111 (8,6%) tussen 5-7 gulden betaalden, 182 (14%) met een huishuur
tussen ƒ 7,00-ƒ 8,99, 212 (16,3%) betalend ƒ 9,00 -ƒ 10,99, 114 (8,8%) - ƒ 12,99, 74
(5,7 %) - ƒ 16,99 49, (3,8%) - ƒ 25,99 en 33 personen (2,5%) wekelijks meer dan ƒ
26,- aan huishuur betaalden. 68 personen (5,3%) gaven geen adequaat antwoord;
bij 8 personen (0,6%) werd de huishuur in de pacht verdisconteerd. Het gemiddelde
bedrag dat de huurders betalen, hebben we op ƒ 9,25 per week geraamd (mediaan).
Indien we beseffen dat bijna een derde van onze volwassen bevolking minder
dan negen gulden aan huishuur betaalde, dan hoeven we ons wellicht omtrent
enkele subjectieve houdingen t.o.v. de woonsituatie niet al te veel verbazen. Men
weet dat er voor het lage bedrag niet al te veel goeds beschikbaar kan worden
gesteld en neemt er genoegen mee.
Als laatste rechtstreekse indicator van tevredenheid werd de tevredenheid met
eigen gezondheid en fysieke toestand gekozen (vr. no. 23). Met opzet namen we
‘gezondheid’, daar verondersteld mag worden dat deze veel minder sociaal is
bepaald dan andere objecten (‘levensloop’, ‘het werk’, ‘woning en huisvesting’).
Eventuele samenhangen met sociale structuur zouden des te belangwekkender
zijn.
De spreiding van antwoorden op de tevredenheidsvraag week alweer weinig van
1
het ons reeds bekende beeld af .
Niet minder dan 1032 personen (79,6%) zijn tevreden over hun gezondheid, 160
personen (12,3%) zijn matig tevreden en 105 personen (8,1%) zijn ontevreden.
Op zoek naar meer ‘objectieve’ gegevens die met de subjectieve factor zinvol in
verband konden worden gebracht, hebben we, als niet-medici, naar de vroegere
ernstige ziekten van de patiënt geïnformeerd, alsmede naar het tijdstip van ziekte.
Het bleek dat 63,9% van de steekproef (829 personen) vermeldde nooit ernstig ziek
te zijn geweest; 3,2% (41) vermeldde een of ander besmettelijke ziekte, 9 personen
(0,7%) een ongeval; 21,4% (278 personen) noemden ziekten die door de
niet-deskundige
1
We willen hier vermelden dat, hoewel feitelijk gunstig, van het methodologisch standpunt
beschouwd de tevredenheidsindicatoren een dermate scheve verdeling te zien gaven, dat
het in sommige gevallen onmogelijk was de gegevens op te splitsen naar verschillende
subcategorieën.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
193
(want sociologisch opgeleide!) studenten-codeurs tot ‘inwendige ziekten’ werden
gerekend, 3,5% (45 personen) dan een of andere psychische stoornis of ziekte.
4,6% van de genoemde ziektebeelden konden, hetzij niet in een bredere groep
worden samengetrokken, hetzij geheel niet worden ‘thuisgebracht’. 34 personen
(2,2%) gaven geen of inadequaat antwoord.
Bij het opsplitsen naar ‘tevredenheid’ bleek uiteraard een significant verband
tussen beide factoren. Het percentage ‘tevredenen’ onder de mensen die nooit
ernstig ziek zijn geweest, bedroeg 86%, bij de mensen die wel een of andere ziekte
vermeldden slechts 66,6%. De respectieve percentages van ‘ontevredenen’
bedroegen 4% en 15%. Het verband is echter niet volledig: onder de mensen die
nooit ernstig ziek zijn geweest zijn er toch 14% te vinden die slechts matig tevreden
zijn of ontevreden. Zoals reeds vermeld, zijn twee derden van de vroegere zieken
thans geheel tevreden over hun gezondheid.
Nog een derde indicator op dit gebied vormde de frequentie van contacten met
de huisarts. Deze bleek niet slechts met de tevredenheid over eigen gezondheid
vanzelfsprekend te zijn verbonden, doch zelfs met de algehele satisfactieschaal die
we hebben opgebouwd. Om deze redenen willen we de bespreking hiervan uitstellen
deels tot de volgende twee paragrafen, deels tot het laatste hoofdstuk omtrent de
voorlichting en de individuele verantwoordelijkheid op het gebied van
gezondheidszorg. Evenmin zullen de andere subjectieve variabelen in detail hier
worden besproken, die door middel van onze analyse niet met de ‘algemene
satisfactie’, doch eerder met een andere algemene factor waren gecorreleerd. Zij
zullen in het volgende hoofdstuk onze aandacht krijgen.
Samenvattend willen we er nogmaals op wijzen dat de vier door ons uit het haast
oneindig aantal mogelijke tevredenheidsindicatoren gekozen variabelen een
opvallend positief beeld geven van de Nederlandse bevolking anno 1958. De
verhouding van tevredenen tot ontevredenen, zoals door middel van afzonderlijke
vragen vastgesteld is, is ongeveer 9 : 1, d.w.z. wij treffen één man of vrouw onder
de tien aselect gekozen volwassen personen aan, die ontevreden is. Indien de
‘tevredenheid met’ voornamelijk door het object wordt bepaald, dan kunnen we
stellen dat het onze bevolking wat betreft de werkverhoudingen, sociale verhoudingen
(de maatschappelijke positie), huisvesting en de gezondheidszorg niet al te slecht
gaat. Slechts de perceptie van eigen kansen tot stijging op de maatschappelijke
ladder valt uit in de negatieve richting. De onmogelijkheid, of althans de
veronderstelde onmogelijkheid, om eigen maatschappelijke positie te verbeteren
wekt bij velen, omstreeks een derde van onze volwassen bevolking, een gevoel van
onbehagen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
194
Met betrekking tot de twee vooropgestelde theorieën van satisfactie kunnen we
stellen dat daar, waar door voorafgaande onderzoekingen de spreiding bekend was,
zoals in het geval van plezier in het werk, een verschuiving plaatsvond in de positieve
richting die tot de stijging in welvaart en tot de grote sociale zekerheid kan worden
gerelateerd. De meeste tevredenheidsindicatoren gaven een zeker verband te zien
met de meer ‘objectieve’ factoren. Het verband bleek echter bij geen van de
onderzochte tevredenheidsvariabelen sterk genoeg om het grootste deel van de
spreiding over onze steekproef te verklaren en het zoeken naar andere verklaring
overbodig te maken. Hier komt nog bij dat ons reeds in deze fase van het werken
met afzonderlijke tevredenheidsvragen opviel, dat de correlaties met de subjectieve
indices (attitudes, percepties, enz.) over het algemeen hoger en makkelijker te
vinden waren dan die met meer ‘objectieve’ d.w.z. sociale factoren; een reden te
meer om thans de kwestie van het bestaan van een algemene satisfactie kritisch
te gaan onderzoeken.
1.5.5 Functionele analyse
De besproken tevredenheidsindicatoren bleken onderling relatief hoog te zijn
gecorreleerd. De werksatisfactie correleerde b.v. met de tevredenheid over eigen
gezondheid (de tetrachorische r = .37), de tevredenheid over de huisvesting (rtetr.
= .27), tevredenheid over eigen loopbaan (rtetr. = .64), met de vraag naar de
toekomstkansen (rtetr. = .16) en angst voor werkloosheid (rtetr. = .35). We vonden
echter nog andere correlaties, eveneens met ‘subjectieve’ variabelen: met de index
gebaseerd op de vragen of men zich eenzaam voelt, het leven zinloos vindt en/of
zich verveelt (vr. 136 t/m 139): rtetr. = .40; met de factor ‘jeugdherinneringen’ (of men
prettige of minder prettige herinneringen bewaart aan eigen jeugd, zie vr. 134): rtetr.
1
= .31 en nog anderen .
Het waren deze intercorrelaties die ons deden beslissen meer systematisch het
patroon van samenhangen te gaan onderzoeken van de vragen waarvan we a priori
veronderstelden dat zij op een of andere wijze functioneel waren verbonden met
het zich psychisch wel-bevinden van de mens. Naast de reeds besproken vragen
waren het nog de vragen naar de aanwezigheid van spanningen, angsten of druk
waaronder men leeft, die in een eenvoudige cumulatieve index zijn samengetrokken,
de vraag naar de beleving van doodsangst die we aan onze ‘zorgeninven-
1
Men raadplege onze tabel van intercorrelaties van de twaalf subjectieve variabelen, no. 2.8.3,
blz. 394, en de tekst die daaraan ter toelichting op de gevolgde methode is toegevoegd.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
195
tarisatie’ hebben ontleend (zie vr. no. 116; voor bespreking het volgende hoofdstuk
1.6), de vraag omtrent de optimistische of pessimistische levensverwachting en
tenslotte twee vragen die de mogelijke sociale oorzaken van satisfactie trachtten te
peilen: het ervaren van traumatische gebeurtenissen, hetzij thuis (sterfgevallen of
echtscheiding ouders; vraag no. 135), hetzij in latere levensgang (geschokt
vertrouwen; vr. no. 129).
Al deze dertien variabelen zijn op een matrix tegen elkaar gezet en met elkaar
gecorreleerd. Daar de gemiddelde correlatiecoëfficiënt van de optimismevariabele
te laag was, werd deze, zoals in hfdst. 2.8 vermeld, verwijderd.
De uitgevoerde factoranalyse bracht een duidelijke differentiatie onder de twaalf
variabelen aan. Drie algemene factoren werden geëxtraheerd, waarvan de eerste
heel sterk aan ‘de algemene satisfactie’ doet denken. Deze eerste factor laat nl.
hoge ladingen met onze tevredenheidsindicatoren zien, anders gezegd: is
verantwoordelijk voor de meeste intercorrelaties van deze indicatoren op onze
correlatiematrix. De zes variabelen het hoogst geladen met Factor I', waren de
volgende:
Factor I'
Variabele
Lading
Werksatisfactie
.864
Tevredenheid loopbaan
.731
Angst werkloosheid
.570
Tevredenheid gezondheid
.494
Eenzaamheid, verveling
.434
Tevredenheid huisvesting
.319
Hierna kwamen nog twee variabelen (toekomstkansen en jeugdherinneringen) elk
met een lading van .288. Daarna zakten de ladingen onder het niveau van .175.
We bemerken dat alle vier tevredenheidsindicatoren hoge ladingen met deze
eerste factor vertonen, waarbij echter dient te worden opgemerkt dat de
werksatisfactie en andere variabelen betrokken op eigen beroep of
werkomstandigheden hogere ladingen vertonen dan de overige indices. Indien we,
zoals we ook deden, Factor I' zien als ‘algemene satisfactie’ dan moeten we hieraan
toevoegen dat het hier om een sterk economisch getinte satisfactie gaat, satisfactie
zoals voornamelijk bepaald wordt door de tevredenheid over eigen beroepspositie.
Ook de tweede factor is betrekkelijk gemakkelijk te identificeren, mede
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
196
dank zij het feit dat de variabelen hiermee het hoogst geladen, de laagste ladingen
vertonen met de andere factoren en te zamen een zinvol geheel vormen. Het waren
voornamelijk de symptomen van een innerlijke spanning of onbehagen die o.i. eerder
in de richting van een licht verstoord psychisch evenwicht (neurose of een andere
psychische stoornis) wijzen dan de betekenisdimensie aanduiden die de taal aan
het begrip ‘tevredenheid’ of ‘satisfactie’ toeschrijft. De volgende variabelen waren
het hoogst met Factor II' geladen:
Factor II'
Variabele
Lading
Spanningssymptomen
.726
Traumatische jeugdervaring
.672
Jeugdherinneringen
.621
Zorgen over de dood
.621
Geschokt vertrouwen
.476
Eenzaamheid, verveling
.436
Tevredenheid gezondheid
.362
Hierna zakken alle ladingen onder de waarde van .130. In de lijst van zes treffen
we slechts twee variabelen aan die tegelijk met Factor I' betrekkelijk hoog zijn
geladen. We mogen erop wijzen dat het de laatste twee variabelen zijn, met de
laagste ladingen van de zes. Eveneens willen we wijzen op het feit dat van alle
tevredenheidsindices het juist de tevredenheid met eigen gezondheid is, die nog
een significante lading vertoont met beide factoren. Dit alles is o.i. zinvol te
interpreteren. De relatief hoge ladingen met de aanwezigheid van angsten, innerlijke
spanning of druk en met de doodsangst, versterken ons vermoeden dat we hier met
een algemene neurotische tendens te maken hebben. De ladingen met beide
jeugdvariabelen duiden dan o.i. in de causale richting, zoals we in het volgende
hoofdstuk nader uiteen zullen zetten. Is onze interpretatie juist, dat Factor II'
‘persoonlijkheidsevenwicht’ of ‘neurotische tendens’ aanduidt, dan behoeft het ons
niet te verbazen dat dezelfde groep mensen minder tevreden is over eigen
gezondheid. Vereenzaming, de gevoelens dat het leven zinloos en doelloos is,
alsmede de verveling zouden dan symptomatische verschijnselen zijn van beide
toestanden: algemene dissatisfactie en aanwezigheid van neurotische of andere
psychische spanningen.
De derde factor bracht vooral twee variabelen met hoge ladingen aan het licht,
waarvan de eerste (toekomstkansen: .795) met geen van beide
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
197
vorige factoren aanzienlijk geladen was. Dat hier de toekomstkansen met
tevredenheid over eigen huis gekoppeld worden, is een puzzel op het eerste gezicht.
We menen echter in deze factor de leeftijdsfactor te kunnen herkennen. Het feit dat
de ladingen in tegenovergestelde richting wijzen kan o.i. zo worden geduid dat er
jongere mensen zijn die veel kansen zien om in de toekomst eigen positie te
verbeteren (mede dank zij hun jonge leeftijd), maar die in een toestand van
1
woningnood leven door hun pas gestichte of zich uitbreidende gezinnen .
De resultaten van deze partiële factoranalyse hebben ertoe geleid, dat we de vier
satisfactievariabelen van de Factor I' samengetrokken hebben tot een nieuwe index,
die van ‘algemene satisfactie’. In tegenstelling tot Factor II' bracht Factor I' weinig
aansluiting voor de causale verklaring. Alle zes door ons besproken variabelen
kunnen nl. symptomatisch voor de satisfactie worden gezien, er bestaat een
functioneel, doch niet een causaal verband tussen hen. Het heeft dan o.i. niet veel
zin om te zeggen dat ‘vereenzaming oorzaak is van dissatisfactie’ of ‘angst voor
werkloosheid brengt dissatisfactie met zich’. We weten immers niets over de
temporele relatie tussen deze variabelen, zelfs de ‘externe’ of ‘interne’ aard van de
2
samenhangen laat zich moeilijk bepalen . Wat dit laatste betreft, lijkt het ons meer
verantwoord om zowel de variabele ‘vereenzaming, doelloosheid, verveling’ als de
variabele ‘angst voor werkloosheid’ in dezelfde dimensie te zien als de algemene
satisfactie (nu en dan A.S. in onze terminologie). Met andere woorden: we kunnen
wel een functionele eenheid veronderstellen tussen alle variabelen die hoge ladingen
vertonen met Factor I'.
Voor de causale relaties van deze A.S. zullen we onze toevlucht moeten nemen
tot andere gegevens dan de twaalf variabelen bij de constructie van de A.S.-schaal
betrokken. Een uitgangspunt hiervoor vormt dan onze grote Basis Correlatie Matrix,
in welke beide Factoren (I' en II') in verkorte vorm als afzonderlijke variabelen zijn
opgenomen (var.21 en 23). Dit maakte het mogelijk beide geïdentificeerde factoren
zowel in een nieuw, breder opgezet factoranalytisch schema op te nemen, als de
analyse via matrixvermenigvuldiging en partiële correlaties voort te zetten.
Voordat we echter tot de bespreking van de gevonden structurele verbanden van
de A.S. overgaan, willen we hier de vraag stellen naar de mate van de functionele
eenheid van de algemene satisfactie. Mogen we
1
2
Met behulp van afzonderlijke correlatietabellen bevonden wij dat de ontevredenheid met
huisvesting inderdaad in de leeftijdsgroepen van 22-40 jaar is geconcentreerd en in de
inkomstengroepen van ƒ 71,- tot ƒ 150,- per week.
Zie voor dit begrippenpaar in de sociologie: I. Gadourek, ‘Interne en externe relaties. Enkele
kentheoretische problemen der sociologie’ in Alg. Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte
en Psychologie, 53 Jrg. Afl. 3, april 1961, blz. 131-140.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
198
aannemen dat onze sociologische functionalistische theorie aan de hand van de
bovenbesproken bevindingen kan worden verworpen en dat de satisfactie, meer
dan van het ‘object’ van de geaardheid van de persoon afhankelijk is?
Hoewel de intercorrelatie van tevredenheidsvariabelen en de gevonden Factor I'
inderdaad deze conclusie steunen, dienen we tevens met een negatief resultaat
rekening te houden: het bleek onmogelijk de afzonderlijke tevredenheidsindices op
een unidimensionele schaal te plaatsen. De interne consistentie bleek te laag te
zijn. Met andere woorden, de verschillende objecten waarop we de satisfactie
betrekken, spelen toch een rol, het is niet geheel onverschillig of we ‘gezondheid’,
huisvesting of werksituatie als grondslag nemen voor de evaluatie der satisfactie.
Een indirecte steun vinden we hiervoor ook in de correlatie-analyse zelf. Terwijl
Factor III' een positief verband suggereert tussen satisfactie met huisvesting en de
leeftijd, terwijl dit verband ook afzonderlijk is gevonden, vinden we op de Basis
Correlatie Matrix geen verband tussen de A.S. en leeftijd. De verschillende
tevredenheidsindicatoren heffen elkaars invloed op: tevredenheid met de gezondheid
is in de jongere leeftijdsgroepen geconcentreerd, die met de huisvesting juist in
oudere leeftijdsgroepen.
Onze conclusie moet dan zijn dat beide door ons opgestelde theorieën van gelding
zijn. Ondanks de oorspronkelijke formulering in die richting vormen zij feitelijk geen
alternatieven. Er schijnt zo iets te bestaan als de algemene satisfactie, een
eigenschap die met de persoonlijkheidsstructuur verweven is. Met andere woorden,
mensen zijn in zekere mate te verdelen in de ‘tevredenen’ en ‘algemeen
ontevredenen’ (wellicht in de volksmond: kankeraars).
Satisfactie of dissatisfactie wordt echter tevens door de aard van het object
medebepaald. Dit houdt dan onder andere in, dat we in zekere mate inderdaad de
‘tevredenheid met’ mogen beschouwen als aangevend de functionele rechtvaardiging
van allerlei ‘objecten’ d.w.z. ook van sociale omstandigheden, toestanden (of
wantoestanden) en instellingen.
In welke mate dit mag gebeuren, laat zich ook in het licht van onze analyse slechts
gissen. Enige informatie hierover biedt het percentage van de totale variantie dat
wij door middel van de geëxtraheerde factoren hebben verklaard. Dit nu is niet al
te groot; Factor I' neemt, zoals we op Tabel 2.8.5 kunnen aflezen omstreeks 20%
van de variantie voor zijn rekening, de drie factoren te zamen ‘verklaren’ omstreeks
de helft van de schommelingen in spreiding zoals in de matrix van correlaties (Tabel
2.8.3) zichtbaar. Men bedenke echter de relativiteit van dergelijke schattingen; indien
we andere indicatoren hadden gekozen, andere variabelen in hetzij groter of kleiner
matrix hadden opgenomen, zou het resultaat zonder twijfel hierdoor beïnvloed zijn.
Juist het subjectieve element in ons
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
199
uitgangspunt (het selecteren van variabelen) maakt het onmogelijk ons resultaat te
generaliseren. Wij kunnen in geen geval beweren dat 20% van de variantie voor
rekening van de ‘psychologische’ en 80% voor rekening van de ‘sociologische’
factoren is. Het tot dusver bereikte resultaat laat ons zelfs in onzekerheid welke van
1
de beide groepen factoren belangrijker is .
Meer dan de verklaarde variantie kan ons wellicht de analyse van de structurele
verbanden van de verkregen A.S.-schaal helpen de invloed van de sociale factoren
te verkennen.
1.5.6 Structurele verbanden
Nadat we aan de hand van de analyse van de twaalf variabelen deze in groepen
hadden opgesplitst en in de vorm van nieuwe variabelen in de grote matrix hadden
opgenomen, kon er de invloed van de thans aanwezige 33 variabelen op de A.S.
worden nagegaan. Groot was onze verbazing toen we de door de partiële
factoranalyse afgezonderde factoren weer terugvonden in een gemeenschappelijke
factor van de grote matrix. Zoals we van Tabel 2.8.2 kunnen aflezen was de Factor
V betrekkelijk hoog geladen met de volgende variabelen:
Factor V
Variabele no.
Lading
24 Persoonlijkheidsevenwicht
.708
22 Bezorgdheid
.625
21 Algemene satisfactie
.592
25 Traumatische ervaringen
.473
26 Jeugdherinneringen
.438
33 Frequentie doktersbezoek
-.404
27 Optimisme
.247
7 Migratie-index
.242
6 Gemeentegrootte
.238
14 Houding t.o.v. het roken
.196
9 Sociale participatie
-.176
1
We menen zelfs dat naarmate onze inzichten groeien, het onderscheid tussen
‘persoonlijkheidsvariabelen’ en de variabelen met betrekking tot de sociale structuur zijn
rechtvaardiging verliest. De kennis laat zich formuleren in meer abstracte concepten die de
tegenwoordig gebruikte begrippen overschrijden. Een psychische of een sociologische
variabele moet immers niet gehypostaseerd worden, maar blijven wat zij is: een aan een
bepaalde wetenschappelijke situatie gebonden hulpmiddel om de realiteit te helpen vatten.
Naarmate de wetenschappelijke situatie verandert, verliest ook het begrip zijn functionele
rechtvaardiging en dient te worden vervangen. Hetzelfde geldt voor onze ‘factoren’ en
‘variabelen’.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
200
Hiertegenover stond het feit dat noch de A.S., noch het persoonlijkheidsevenwicht'
met een der andere acht geëxtraheerde factoren op een noemenswaarde wijze
geladen was. Hoe moeten we deze bevinding interpreteren?
Er is hier o.i. geen andere verklaring mogelijk dan dat de overige variabelen (d.w.z.
variabelen niet met Factor V geladen) van mindere invloed zijn zowel op de satisfactie
als op het ‘persoonlijkheidsevenwicht’. Met andere woorden, er zijn onder de 34
variabelen van onze Basis Correlatie Matrix nauwelijks andere sociale variabelen
die met A.S. samengaan, behalve diegenen die hoge ladingen met Factor V vertonen.
Van dit standpunt bezien geeft de bovenstaande lijst van variabelen ons niet al
te veel houvast. Want drie van de variabelen met de hoogste ladingen duiden meer
in de richting van de persoonlijkheidsstructuur dan van de sociale structuur, terwijl
van de resterende variabelen drie variabelen houdingen (attitudes) zijn. In de termen
van ons structureel interpretatieschema is dus de A.S. overwegend psychologisch
bepaald.
De vier meer sociale factoren verdienen niettemin om besproken te worden. Op
de samenhang tussen de A.S. en de frequentie van contacten met de huisarts
hebben we reeds gewezen. Deze is waarschijnlijk tot de gedragssymptomen of
-indicatoren van de subjectieve variabelen te rekenen, is zowel een gevolg als de
oorzaak van dissatisfactie. Wel kunnen we een stap verder gaan en veronderstellen
dat slechte gezondheid als zodanig oorzaak kan zijn van beide, frequente contacten
met huisartsen en mindere satisfactie met wat dan ook.
Duidelijker is waarschijnlijk de rol van de beide ‘jeugdvariabelen’; de ‘jeugd’ gaat
temporeel vooraf, en kan dan slechts als oorzaak en niet als gevolg worden gezien
van de ten tijde van de enquête omschreven gemoedstoestanden. Wij kunnen dan
aannemen dat mensen met een minder prettige jeugd, die sterfgevallen of
echtscheiding of alcoholisme van ouders hebben meegemaakt, tevens minder
prettige herinneringen hebben aan de jeugd en dat dit te zamen in een minder
evenwichtige of tevreden levenshouding resulteert.
Het is alweer de methode van het systematisch invoeren van testfactoren die ons
inzicht in de samenhangen verdiept. Beide ‘jeugdvariabelen’ (25 en 26) zijn uiteraard
met elkaar gecorreleerd en steunen tot zover onze interpretatie. Het is ons echter
gebleken dat de correlatie tussen A.S. en de ‘traumatische ervaringen’ (var. 25)
bijna verdwijnt indien de tweede factor, ‘persoonlijkheidsevenwicht’ als testvariabele
wordt ingevoerd: r21-25.24 = .066. Dit is volgens ons zo te interpreteren dat de minder
gunstige jeugdomstandigheden op de eerste plaats het algehele
persoonlijkheidsevenwicht verstoren en hierdoor ook tot minder algemene satisfactie
leiden.
De methode brengt haar nut op, ook ten opzichte van de resterende
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
201
sociale variabelen: de migratie en gemeentegrootte. Mensen die in grote steden
wonen en mensen die veelvuldiger zijn verhuisd zijn minder tevreden dan personen
in kleinere gemeenten wonend, personen die niet of weinig zijn verhuisd. Op de
Basis Correlatie Matrix (Tabel 2.7.5) vinden we beide samenhangen terug, hoewel
niet al te intensief. De partiële correlaties laten echter zien dat de samenhang met
de ‘gemeentegrootte’ voornamelijk aan de ‘persoonlijkheidsevenwicht’ variabelen
te danken is, daar r6-21 = .066; en dat de samenhang met de migratie praktisch
verdwijnt, indien het kerkgenootschap ingevoerd wordt als een testvariabele: r7-21.12
= .055. Kerkgenootschap verschijnt hier dus als een oorzakelijke factor van de
algemene satisfactie. Personen zonder kerkelijke gezindte zijn meer ontevreden
dan de leden der kerken: r12-21 = -.124. Onder de kerkelijk gezinden vonden we de
tendens dat de kerken met meer collectief gezag meer tevredene lidmaten blijken
te hebben; het percentage mensen dat alle vier vragen naar tevredenheid positief
heeft beantwoord, was bij onkerkelijken 31%, bij Nederlands Hervormden 47%, bij
Rooms-Katholieken 52% en bij Gereformeerden 56%. Duidelijk blijkt tevens uit deze
gegevens dat de tevredenheid niet aan de meer optimistische levenshouding der
Rooms-Katholieken valt toe te schrijven, zoals in ons land Van Heek heeft
1
gesignaleerd . De Gereformeerden vertonen immers meer tevredenheid dan de
Rooms-Katholieken. Bovendien werd er geen verband geconstateerd met de
variabele Kerkgenootschap II die de tegenstelling rooms-katholiek-protestant tot
uiting bracht (r21-32 = .026).
Geheel in overeenstemming met onze hypothese over het ontstaan van
dissatisfactie in de situatie van vereenzaming vonden we een zwak doch significant
verband met de sociale participatie. Het deelnemen aan het leven van verenigingen
en instellingen gaat met hogere (en/of frequentere) algemene satisfactie gepaard:
r9-21 = -.114. Het verlies van kerkelijke binding en verlies van sociale binding zijn
hier - zoals reeds Durkheim zag - beide verbonden in een complexe oorzaak van
dissatisfactie en van verlies van persoonlijkheidsevenwicht. De hogere dissatisfactie
in de steden en bij de migranten schijnt het beeld te completeren. De migratie gaat
immers met ontkerkelijking, het stadsleven met vereenzaming gepaard (r7-12 = -.126;
r6-9 = -.170; zie ook hoofdstuk 1.8).
1
Zie prof. Van Heeks doordringende studie: Het geboorteniveau der Nederlandse
Rooms-Katholieken. Een demografisch-sociologische studie van een geëmancipeerde
minderheidsgroep, Leiden, Stenfert Kroese, 1954.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
202
1.5.7 Interpretatie der bevindingen
Het herverschijnen van de meeste subjectieve variabelen in een gemeenschappelijke
factor in de analyse van 34 variabelen drukt, o.i., de weegschaal der evidentie in
de richting van de meer psychologische interpretatie der satisfactie (theorie II). Een
sceptische vraag komt daarbij echter op: zijn de intercorrelaties van houdingen en
negatieve uitingen niet veroorzaakt door één specifieke eigenschap van de
respondenten: bereidheid tot mededelingen, tot klachten, of juist de geremdheid
om op onze vragen in te gaan en het zich redden door ontkennen van
ontevredenheid, angsten, en dergelijke? Met andere woorden: de vraag naar de
validiteit van de enquêteresponsies in het algemeen, en van de houdingsvragen in
het bijzonder wordt opnieuw gesteld.
1
Indien deze psychologische ‘set’ geïdentificeerd wordt met de in Nederland door
psychologen omschreven secondaire functie en indien deze, zoals wij theoretisch
veronderstelden, minder aanwezig zou zijn bij de Zuiderlingen, minder bij de vrouwen
dan bij de mannen, dan kunnen we aan de hand van onze gegevens nagaan of van
een vertekening sprake kan zijn.
Het ontbreken van enige correlatie met het man- of vrouw-zijn hebben we reeds
vermeld. Met de woonstreek vinden we inderdaad een zwakke correlatie, maar deze
is van tegenovergestelde richting: de mensen in het Noorden uiten meer
dissatisfactie; bovendien verdwijnt deze correlatie geheel in subcategorieën van
‘kerkgenootschap’: r21-31.12 = .02. Het komt ons voor dat indien, zoals blijkt, de
bereidheid om klachten te uiten geheel aan de werking te wijten is van een
macrosociologische variabele als godsdienst, er dan nauwelijks sprake kan zijn van
een ‘agreeing response set as a personality variable’. Een scepticus die blijft
volharden zal tevens een gehele reeks sociale samenhangen moeten verklaren. Hij
zal moeten aantonen (want op hem rust de last van bewijsvoering) waarom de
psychische responsiebereidheid groter is bij non-participanten dan bij de deelnemers
aan het verenigingsleven, bij personen van gescheiden en overleden ouders, enz.
Hoe dan ook, de satisfactie of ‘de bereidheid om de satisfactie te uiten’ verschijnt
in het licht van onze gegevens deels als een psychische eigenschap of
persoonlijkheidsvariabele, deels als een functie van het object waarmee de mens
is geconfronteerd: zijn werkomstandigheden, zijn woning en huisvesting, zijn
loopbaan, zijn gezondheid. Onze beide theorieën vonden in ons onderzoek een
bevestiging; zij kunnen niet als alter-
1
Zie b.v.W.E. Broen, R.D. Wirt, ‘Varieties of response set’, Journal of Consulting Psychology
22 (1958), blz. 237-240, A. Couch, K. Kenniston, ‘Yeasayers and naysayers: Agreeing response
set as a personality variable’, Journal of Abnormal and Social Psychology 60 (1960), blz.
151-174.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
203
natieve, doch als elkaar aanvullende denkwijzen beschouwd worden. Aan de hand
van onze structurele analyse zijn we geneigd aan de psychische component in de
satisfactie meer waarde toe te kennen dan dit vooral door de sociologen en de
publieke-opiniedeskundigen wordt gedaan. De variantie in de satisfactie kon
veelvuldiger met andere subjectieve variabelen in verband gebracht worden dan
met de onderdelen van de sociale structuur.
Voor zover afhankelijk van het object, is de (voornamelijk beroeps- of
levenspositie)satisfactie voldoende aanwezig in onze bevolking. Analyse van
afzonderlijke indicatoren toonde het verband aan met de verschuiving in de sociale
situatie: de sociale zekerheid gaat met mindering van angst voor werkloosheid
gepaard; tevredenheid met de levensloop kan wellicht met de heersende welvaart
en het verwerven van een meer zelf-standige positie in verband worden gebracht;
de lage huishuur verklaart wellicht de nogal hoge woonsatisfactie van onze bevolking
(ondanks de woningschaarste en het gebrek aan sanitair).
Wat het gissen over de mogelijke oorzaken van de A.S. betreft, vonden de
hypothesen, afgeleid van de theorie van sociale referentiekaders steun in onze
gegevens: beide jeugdvariabelen bleken met satisfactie te zijn verbonden, al scheen
de ene slechts indirect (via ‘persoonlijkheidsevenwicht’) haar invloed te doen gelden.
Zowel de sociale participatie als de kerkelijke binding bevestigt de hypothese over
de invloed van de referentiegroep op satisfactie. Toch moeten we in dit verband
nogmaals het ontbreken onderstrepen van correlaties met de ‘gezinsbinding’ en
‘cultuuraanvaarding’, die we aan de hand van de theorie eveneens konden
verwachten. Wel spelen beide laatstgenoemde factoren een rol bij het verklaren
van een andere, o.i. deels polaire variabele: de bezorgdheid in de zin van het
koesteren van zorgen op allerlei levensgebieden. Deze variabele zal het onderwerp
vormen van het hierop volgende hoofdstuk, dat de kwestie van de (innerlijke)
bindingen van de individu behandelt.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
204
1.6 Bezorgdheid en onbehagen
1.6.1
Inleiding
1.6.2
Begripsuiteenzetting
1.6.3
Theoretische beschouwingen
1.6.4
Het vóórkomen en de spreiding van
bezorgdheid en onbehagen
1.6.5
Structurele verbanden
1.6.6
Interpretatie en conclusie
1.6.1 Inleiding
Een bijna polair begrip aan ‘tevredenheid’ en ‘satisfactie’, vormt de bezorgdheid,
een bijna onbekend thema van de sociaal-wetenschappelijke literatuur. De
belangstelling hiervoor is eerder aan de praktische overwegingen dan aan de lectuur
in de studeerkamer te danken. Ten tijde dat de meest knellende sociale vraagstukken
en noden van het verleden een oplossing nabij schijnen, rijst vanzelfsprekend de
vraag naar de volgende stappen die gedaan moeten worden, de volgende
maatregelen die moeten worden getroffen om het leven der mensen nog rijker en
gelukkiger te maken. De kwestie van het zich wel-bevinden van mensen krijgt in dit
licht een nieuw accent. Hoe is het immers gesteld met de gevoelens van de bevolking
op dit gebied? Voelt men zich verlost van de existentiële zorgen, zijn er minder
sociaal-gekrenkten, is het leven prettiger geworden nu we eenmaal een
verzorgingsstaat kennen en de materiële welvaart meemaken? Of treffen we in onze
‘beschutte samenleving’ nog mensen aan die evenals vroeger bezorgd in het leven
staan, bijna geen geluksbeleving kennen doordat zij, hetzij door zorgen geplaagd,
hetzij door angsten gejaagd, in psychische spanningstoestand vertoeven, of doelloos,
eenzaam of verveeld hun levenskar automatisch voortduwen? De vraag is gerichter
gesteld dan de meer algemene vragen in het voorgaande hoofdstuk waar men zowel
de tevredenheid als de ontevredenheid trachtte te peilen; thans richten we onze
aandacht op de aanwezigheid van de negatieve symptomen zelf, d.w.z. op de
uitingen der respondenten die suggereren dat de ondervraagden zich niet zo
wel-bevinden als men geneigd zou zijn te veronderstellen.
Is het antwoord in zekere mate positief, treffen we mensen met deze kenmerken
onder de bevolking aan, dan presenteert zich alweer de dubbele
verklaringsmogelijkheid; zijn er bezorgde, beangstigde, onder spanning levende of
zich vervelende mensen, of zijn er situaties die tot zorgen, spanningen, enz.
aanleiding geven? Moeten we van bezorgdheid spreken
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
205
als een eigenschap, of bestaan er slechts zorgen op afzonderlijke levensgebieden?
Dezelfde vraag kan ook met betrekking tot andere symptomen van onbehagen
gesteld worden. Welke zijn, tenslotte, de sociale oorzaken van, hetzij de afzonderlijke
indicatoren, hetzij ‘de bezorgdheid’ of het verstoorde persoonlijkheidsevenwicht?
Hiermee zijn we reeds bij de problematiek aangeland, die het thema vormt van dit
hoofdstuk.
1.6.2 Begripsuiteenzetting
Taalkundig schijnt het begrip ‘zorg’ of ‘bezorgdheid’ met dat van ‘probleem’ verwant
te zijn. We zeggen immers: ‘iemand heeft veel zorgen’ als zijnde equivalent aan ‘hij
heeft vele problemen’. Indien we echter de vooral zo uitgebreide Anglo-Saksische
sociologische literatuur raadplegen, dan bemerken wij dat vooral het vaak geciteerde
concept van ‘social problem’ afwijkt van het door ons aangeduide begrip. ‘Social
problem’ zouden wij immers als ‘maatschappelijk vraagstuk’ willen vertalen. Hieronder
verstaan dan de zich beijverende schrijvers van de handboeken over de sociale
1
desintegratie, sociale pathologie of juist ‘social problems’ de door hen ongewenste
toestanden of verschijnselen (alcoholisme, prostitutie, misdaad, pauperisme, enz.).
In haast geen van de beschikbare verhandelingen troffen we echter een poging aan
om door middel van een empirisch onderzoek bij een bredere bevolkingsgroep na
te gaan wat de bevolking zelf als zorgelijk beleeft, welke thema's het onderwerp van
bedenkingen of zorgen van de mensen zelf vormen.
2
Een uitzondering in dit opzicht vormt wellicht de studie van Fuller en Myers die
een sociaal vraagstuk beschouwen als empirisch gegeven en het proces beschrijven
van de bewustwording omtrent een ongewenst sociaal verschijnsel. ‘Social problems
are what people think they are.’ Met deze nogal krachtige uitspraak trachten zij het
oude dilemma van ‘sociaal-pathologen’ te ontwijken, die nl. volgens een
kennis-sociologische studie op dit gebied niet waardevrij te werk gaan, maar hun
eigen waardepatroon (nl. dat van een protestante, klein-burgerlijke onderwijzer uit
3
een kleine stad van het Mid-West) projecteren in hun studies . Door te
1
2
3
Slechts een greep uit vele titels: C.A. Ellwood, The Social Problem: A Constructive Analysis
(1919); G.S. Dow, Society and Its Problems (1920); J.H.S. Bossard, Problems of Social
Well-Being (1927); E.M. Lemert, Social Pathology: a Systematic Approach to Sociopathic
Behavior; New York (1951); M.H. Neumeyer, Social Problems and the Changing Society,
New York (1953); J. Bernard, Social Problems at Midcentury: Role, Status and Stress in a
Context of Abundance, New York (1957).
Richard C. Fuller, Richard R. Myers, ‘The Natural History of a Social Problem’, American
Sociological Review, VI, 1941, blz. 320 en volgende.
C. Wright Mills, ‘The professional ideology of social pathologists’, American Journal of
Sociology, XLIX, 1943-1944, 165-80.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
206
stellen dat de sociologen niet zelf moeten uitmaken wat als ‘pathologisch’ of
‘ongewenst’ beschouwd en bestudeerd moet worden, maar dat zij reeds in hun
keuze van probleemstelling rekening moeten houden met de normen en opvattingen
van de bevolking, slaan Fuller en Myers o.i. inderdaad een brug tussen de twee
verschillende concepten, tussen ‘social problem’ in de betekenis van ‘het sociale
vraagstuk’ enerzijds, en de zorgenthema's, objecten der bezorgdheid van de
bevolking anderzijds.
Wij willen ons aansluiten bij deze opvatting, echter in dier voege dat we de ietwat
‘atomistische’ denkwijze van deze Amerikaanse schrijvers zullen trachten te
vermijden: een sociaal vraagstuk is immers niet een ‘probleem’ op lokaal niveau,
zoals Fuller en Myers suggereren. In navolging van de klassieken op het gebied
1
van het maatschappelijk werk , zien immers Fuller en Myers het wezen van een
‘probleem’ in het gebrek aan aanpassing van de individu of van een kleine groep
aan de samenleving; de vraag naar de ‘problemen’ die in de samenleving zelf
verankerd zijn en wellicht slechts door een actie op een macro-sociologische schaal
verholpen kunnen worden, is bij hen niet opgekomen. Door in plaats aan een lokale
bevolkingsgroep onze vragen aan een steekproef uit de gehele bevolking voor te
leggen, willen we de mogelijkheid niet uitsluiten om met de ‘bezorgdheid’ conceptueel
een brug te slaan tot het sociale vraagstuk in zijn macrosociologische betekenis
van: een zorgelijk aspect van de sociale structuur, van de samenleving.
Maar ook zonder deze ‘brug’ lijkt ons het concept van ‘bezorgdheid’
onderzoekswaard. Gecombineerd met de functionalistische, cultuurantropologische
opvatting van het sociale leven dat belangrijke levensgebieden (cultuursegmenten)
beslaat zoals politiek, godsdienst, gezinsleven, economische activiteit, enz., kan
‘de zorg over ...’ ons tevens helpen de plaats te bepalen die deze cultuursegmenten
innemen in het leven van individuele mensen. De geuite ‘zorgen over ...’ zien we
dan als een indicator van twee (of drie) aspecten: a. van het waardepatroon van de
individu, d.w.z. de mate waarin de individu is geïnvolveerd in een der onderscheiden
cultuursegmenten (politiek, godsdienst, gezin, enz.); b. van zijn evaluering van dit
cultuursegment of ‘object’ als zodanig in verhouding tot zijn eigen gemoedstoestand;
c. van de algemene aard van de respondent, of hij alles zwaar opvat of gemakkelijk
door de levenssituatie heenschuift.
Denkbeeldig kunnen alle drie betekeniselementen in ons ‘zorgenbegrip’ aanwezig
geacht worden. Het zal dan weer van empirisch onderzoek afhangen welke betekenis
in onze samenleving prevaleert; of er een func-
1
Bv. Mary E. Richmond, Social Diagnosis, New York, 1917. Voor de meer moderne opvattingen
zie: A.L. Voiland, Family Casework Diagnosis, New York, 1962; ten onzent: M. Kamphuis,
Wat is sociaal casework, Alphen a.d. Rijn, 1958.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
207
tionele eenheid bestaat tussen verschillende ‘zorgenindicatoren’, of er een
samenhang bestaat tussen de ‘bezorgdheid’ en de ‘objectieve’ situatie.
Wat de andere indicatoren van ‘onbehagen’ betreft, aarzelen wij, nog meer dan
in het geval van ‘zorgen’, om deze in een vooropgesteld denkschema (concept) te
gieten. Zowel de vrees (of angst) als de eenzaamheid, de innerlijke spanning en
wellicht ook andere gemoedstoestanden, vormen allemaal object van verwante
wetenschappen (psychopathologie, psychiatrie). Het leek ons onverantwoord ons
eigen (sociologisch en sociaal-psychologisch) referentiekader te verlaten teneinde
de verwantschap tussen onze indicatoren met oudere concepten als ‘neurose’ of
‘psychose’ nauwkeurig te gaan bepalen. Gemakshalve willen we ons beperken tot
deze indicatoren zelf en op conceptueel gebied het medisch neutraal woord
‘onbehagen’ gebruiken voor gemoedstoestanden die door de woorden als ‘angst’,
‘eenzaamheid’, ‘verveling’, ‘leven onder druk’ worden aangeduid. Daar waar we
deze meer op de persoonlijkheidsstructuur dan op de sociale structuur of de
objectieve situatie’ betrekken zullen we het woord ‘persoonlijkheidsevenwicht’
gebruiken. Strikt operationeel gezien zijn mensen met ‘verstoord
persoonlijkheidsevenwicht’ mensen die bij onze inventarisatie van
gemoedstoestanden veelvuldiger de aanwezigheid van de genoemde symptomen
hebben toegegeven. In deze zin alleen willen we de mensen met angsten, die
zeggen onder druk te leven, die het leven zin- en doelloos vinden en zich vervelen,
als labiel beschouwen, wellicht met een zwakke tendens tot karakterneurose. In
deze, niet pathologische zin, is de nu en dan gebruikte term ‘neurotische tendens’
op te vatten. Al gaat ons vermoeden in de richting dat bij hen wellicht depressieve
toestanden en verzwakte realiteitszin frequenter zullen voorkomen, er valt hierover,
zonder klinisch onderzoek, weinig steekhoudends te zeggen.
1.6.3 Theoretische beschouwingen
Daar de begrippen ‘bezorgdheid’ of ‘onbehagen’ haast onvindbaar zijn in de
sociologische literatuur, behoeft het ons niet al te veel te verbazen dat, in
tegenstelling tot de ‘satisfactie’, ook de theorievorming omtrent de oorzaken die het
zich psychisch wel-bevinden van de bevolking beïnvloeden zeer schaars is. Een
aanknopingspunt voor het onderzoek vonden we derhalve in de drieledige betekenis
van het zorgenconcept, zoals onderscheiden in de vorige paragraaf.
Indien van de ‘objectieve situatie’ afhankelijk, dan zou bezorgdheid (zeker over
geldzaken) te verwachten zijn bij de personen met een smalle beurs, bij ouderen
meer bezorgdheid over gezondheid dan bij jongeren, enz. Is de aanwezigheid van
zorgen een indicator van de identificatie
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
208
met een bepaald cultuursegment (dus symptomatisch voor het waardepatroon van
de individu), dan zouden we meer zorgen over politiek, God of dood verwachten bij
personen met hogere identificatie met een van de culturele subsystemen (godsdienst,
politieke ideologie, enz.). Tenslotte zou de hoge intercorrelatie van de
‘zorgenresponsies’ en de correlaties met andere subjectieve variabelen een steun
geven aan de opvatting van de bezorgdheid als persoonlijkheidsvariabele.
Slechts ‘common-sense’ beschouwingen kunnen we aanvoeren over de mogelijke
sociale determinanten van de algemene bezorgdheid. Uitgaande van onze
aprioristische kennis van de belangrijkste kerkgenootschappen, zouden wij bij de
Protestanten meer bezorgdheid verwachten dan bij de Rooms-Katholieken ten
gevolge van hun minder levensblijde, van de persoonlijke verantwoordelijkheid
veeleisende levensbeschouwing. Hierbij aansluitend verwachtten wij eveneens meer
bezorgdheid in het Noorden dan in het Zuiden. Reeds in presociologische literatuur
wordt immers gewezen op het verschil tussen de meer ernstige aard der
Noorderlingen vergeleken met de meer levensblijde houding in het Zuiden. Gunstiger
klimaatsomstandigheden zouden hiervoor aansprakelijk zijn (meer zonneschijn).
Voor ons land, waar de klimatologische verschillen niet al te groot zijn, kunnen we
eerder aan de historische factoren denken die, naast de verschillen in de sociale
structuur, wellicht de meer onbezorgde aard van de Limburgers en Brabanders
zouden medebepalen.
Het tweede concept, ‘het persoonlijkheidsevenwicht’ dat als bijprodukt van onze
factoranalyse der 12 variabelen te voorschijn kwam, opent de weg tot de reeds rijke
(hoewel niet altijd even exacte) theorievorming op het gebied van de sociologie van
de geestelijke gezondheid, om maar één der recente termen voor dit grensgebied
tussen de psychiatrie, de psychologie, de sociologie en wellicht ook
1
cultuurantropologie te gebruiken .
Het behoeft weinig betoog dat het begrip ‘geestelijke gezondheid’ betrokken mag
worden op de verschijnselen die we als uitgangspunt namen van dit onderzoek; de
psychiaters beschouwen immers veelvuldig de angsten als symptomen nu eens
van psychosen dan weer van neurosen, de innerlijke vereenzaming als een
symptoom van depressieve toestanden, gespannen gemoedstoestand (vooral zonder
externe oorzaken) als mogelijk symptoom van neurose of psychose, terwijl de
verveling soms als een teken van frustratie wordt gezien. Dat deze laatste tegelijk
met de beleving van zinloosheid en doelloosheid van het leven eveneens
symptomatisch kan geacht worden voor een depressieve, zelfs suicidale tendens,
is zelfs de sociologen, die zelfmoord tot studieobject namen, opgevallen.
In de poging om de spreiding van de factor ‘persoonlijkheidsevenwicht’
1
Dit naar aanleiding van de door Arnold M. Rose gebundelde studies in Mental Health and
Mental Disorders. A Sociological Approach, London, 1956.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
209
te verklaren, kunnen we dan steunen op theorieën en inzichten over de
bovengenoemde geestelijke stoornissen door de sociale wetenschappen
gepresenteerd.
Uitgaande van de oude studie van Durkheim en zijn leerlingen (Halbwachs, b.v.),
zouden wij bij de onkerkelijken en leden van de meer ‘individualistische’
kerkgenootschappen meer symptomen van zwakker ‘persoonlijkheidsevenwicht’
verwachten dan bij leden van de meer ‘collectivistische’ kerken. Eveneens zouden
de personen die minder participeren aan het leven der verenigingen en personen
met een lossere gezinsbinding veelvuldiger negatieve symptomen vertonen dan de
goed geïntegreerde mensen in gezin en samenleving.
Denkend aan de mogelijke oorzaken van de integratie (en desintegratie) zouden
wij bij de migranten eveneens meer uitingen over verveling, angsten, spanningen,
enz. verwachten dan bij personen die hetzij in hun geboorteplaats zijn gebleven,
hetzij slechts weinig zijn verhuisd. De stedelingen, die bekend staan om hun lossere
kerkelijke en maatschappelijke bindingen, zouden wellicht ook in de meer labiele
groep betrekkelijk frequenter aanwezig zijn.
In analogie met de sociale integratietheorie kon wellicht theoretisch verwacht
worden dat ook culturele integratie, zoals gemeten door onze
cultuuraanvaardingsschaal, samen zou gaan met persoonlijkheidsevenwicht. Wij
verwachtten dat mensen die zich intensief met één der culturele subsystemen
(religie, politieke ideologie, filosofie) vereenzelvigen, psychisch evenwichtiger zouden
zijn, daar zij in hun secundaire bindingen een substituut zouden vinden voor de
eventueel ontbrekende heilzame sociale contacten.
Een grote overeenstemming troffen we in de literatuur over de rol die een
1
ongelukkige jeugd speelt bij het ontstaan van neurosen of andere stoornissen . Als
het kind in staat is gevoelens van eigenwaarde en zelfachting te ontwikkelen, en dit
gebeurt volgens de aangehaalde schrijver vooral in een gunstige opvoedingssituatie
waar het als een waardevolle individu wordt behandeld, kan het het best het gevaar
van neurotische angst trotseren.
Ook de invloed van de traumatiserende factoren, zoals gezinsonvolledigheid
2
vanwege tijdelijke afwezigheid of echtscheiding of vanwege overlijden , is in de
literatuur onderstreept. Bij de mensen die ‘onprettige
1
2
D.P. Ausubel, ‘Some comments on the nature, diagnosis and prognosis of neurotic anxiety’,
Psychiatric Quarterly, 1956, blz. 77-88, betrekt de jeugdfactor op een van de door ons
bestudeerde ‘symptomen’.
Zie een Nederlands proefschrift van Dr. P. Rijksen, Sociale en psychologische aspecten der
gezinsonvolledigheid, Utrecht, 1955; voor de rol van het overlijden bv. Edmund H. Volkart en
Stanley T. Michael, ‘Bercavement and Mental Health’ in A.H. Leighton, J.A. Clausen, R.N.
Wilson, Explorations in Social Psychiatry, New York, 1957.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
210
jeugd’ aan onze enquêteurs opgaven of die een der traumatiserende gebeurtenissen
op jeugdige leeftijd hebben meegemaakt zouden we derhalve minder
persoonlijkheidsevenwicht verwachten.
Over de invloed van de maatschappelijke positie is reeds veel geschreven, vaak
met tegenstrijdige conclusies. Enkele studies suggereren het hoger voorkomen van
neurosen vooral bij de intellectuelen en personen van hogere positie, andere
vermelden juist een hogere frequentie van geestelijke stoornissen bij de lagere
1
klassen .
In welke richting dan ook, er viel aan de hand van de beschikbare literatuur een
verband te verwachten tussen ‘persoonlijkheidsevenwicht’ en de opleiding of de
inkomsten, als zijnde de indicatoren van de maatschappelijke positie in onze
2
Nederlandse samenleving .
Aan de hand van de reeds uiteengezette theorie omtrent de oorsprong van de
individuele referentiekaders in de referentiegroepen meenden we tevens nog een
andere traumatische ervaring te moeten peilen door middel van onze enquête: het
verbreken van banden met personen die het vertrouwen van de respondent hebben
genoten, die hij waardeerde, die dus een referentiegroep in de
sociaal-psychologische zin des woords voor hem vormden. Wij meenden dat een
dergelijke ervaring van invloed zou zijn op het zelfvertrouwen van de persoon en
zijn zelfconcept in het algemeen. Twijfel aan zichzelf, gemis aan zelfwaardering zou
volgens onze verwachting resulteren uit dergelijke ervaringen en zou ook met hogere
frequentie van onbehagen gepaard gaan.
Alvorens na te gaan, welke van de hypothetische verwachtingen steun vonden
in onze gegevens, laten we thans eerst de indicatoren van de besproken concepten
in het kort de revue passeren.
1
2
Slechts enkele voorbeelden: A.B. Holingshead, L.Z. Freedman, ‘Social class and treatment
of neurotics’ in The Social Welfare Forum, Columbia University Press, 1955; A.B. Holingshead
en F.C. Redlich, Social Class and Mental Illness. A Community Study. New York, 1958; J.K.
Myers, B.H. Roberts, Family and Class Dynamics in Mental Illness, New York, 1959; M.L.
Fried, ‘Soziale Schichtung und psychische Erkrankung’, Kölner Zeitschrift für Soziologie und
Sozial Psychologie, 1958, Supplement 3, 185-218; echter ook een kritische stem van E.J.
Lotsof en R. Centers, ‘Anxiety und socio-economic stratification’ in J. of Clin. Psychology,
1959, blz. 439-442, die geen verband hebben gevonden tussen het vóórkomen van
angstbeleving en de maatschappelijke positie bij een steekproef uit de normale bevolking.
Men raadplege voor literatuur over de wortels van het beroepsaanzien in Nederland b.v.F.
van Heeks klassieke studie Stijging en Daling op de Maatschappelijke Ladder, Leiden, 1945;
ook onze A Dutch Community, Groningen, 1961, blz. 315; wij vonden een T-coëfficiënt van
contingentie T = .44 voor inkomsten en T = .385 voor opleiding
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
211
1.6.4 Het vóórkomen en de spreiding van bezorgdheid en onbehagen
Onze complexe vraag over de zorgen (no. 116 van de Vragenlijst, Bijlage 1)
verdeelde de bevolking, evenals de vragen over de tevredenheid, in ongelijke
groeperingen: telkens een grote meerderheid mensen die geen zorgen koesteren
over het door ons genoemde object en een kleinere groepering die toegeeft soms
zorgen te hebben. De verdeling is echter minder scheef dan in het geval van de
‘tevredenheidsvragen’. We kunnen de resultaten van onze enquête met betrekking
tot de zorgen als volgt samenvatten:
Tabel 1.6.0 Het voorkomen van zorgen
Table 1.6.0 Occurence of worries
Maakt U zich Ja
soms zorgen Yes
over:
Are you
sometimes
worried about:
Uw gezin en
377 29%
kinderen
Your family and
children
Weet het niet, Neen
geen antwoord No
Totaal
Total = 100%
126 10%
792 61%
1.297
Uw geldzaken 326 25%
Money and
affairs
14 1%
957 74%
1.297
De politieke
toestanden
The political
situation
269 21%
17 1%
1.011 78%
1.297
Uw gezondheid 257 20%
11 1%
1.029 79%
1.297
247 19%
27 2%
1.023 79%
1.297
Uw verhouding 223 17%
tot God
Your relation to
God
27 2%
1.047 81%
1.297
De dood
Death
25 2%
1.121 86%
1.297
Does not know,
no answer
Your health
Uw toekomst
Your future
151 12%
De vragen werden hier door ons met opzet gerangschikt in de volgorde van de
afnemende frequentie der positieve antwoorden. Het valt dan reeds bij een vluchtige
inspectie op, dat de meer concrete vragen meer positieve responsies hebben
uitgelokt. Indien we de ‘zorgen’ zien als symptomen van culturele waarden die men
aanvaardt, dan bemerken we ongeveer de volgende hiërarchie: 1. gezinsleven; 2.
economische waarden; 3. politieke waarden; 4. gezondheidswaarden; 5. religieuze
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
waarden. Wij dienen echter te beseffen dat ‘een zorg’ niet slechts betekent de mate
van involvering in een bepaald waardensysteem: hij bevat tevens de perceptie, de
evaluering van de concrete situatie waarin men zich bevindt. Vandaar dat de concrete
stimuli meer responsies hebben uitgelokt dan de vragen over de transcendente
vraagstukken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
212
Enkele verbanden die we konden waarnemen met deze afzonderlijke indicatoren
willen we de lezer niet onthouden. Zo valt op dat de vrouwen naar verhouding meer
bezorgd zijn over eigen gezin en de kinderen, hetgeen wellicht niet moeilijk is te
interpreteren, gezien de plaats die deze twee objecten in het leven van de meeste
vrouwen innemen. Dat ‘het te maken hebben met’ een der voorwaarden is voor het
ontstaan van zorgen, wordt bevestigd, indien we de factor ‘leeftijd’ beschouwen.
Het zijn voornamelijk de middengroepen waar de zorgen over eigen gezin zijn
geconcentreerd; de jongeren, alsmede de respondenten tegen zestig jaar en ouder,
geven minder zorgen op.
Interessanter in dit opzicht is het verband met de woonplaats: personen in de
grote steden woonachtig geven veelvuldiger zorgen op dan mensen uit de gemeenten
met minder dan 100.000 inwoners. Op zoek naar een verklaring van dit verschijnsel
troffen wij reeds spoedig een correlatie aan tussen de schoolopleiding en de zorgen
over gezin of kinderen: het zijn vooral personen die meer opleiding hadden dan
slechts de lagere school die geneigd zijn tot zorgen op dit gebied. Uit andere bronnen
weten we dat hogere opleidingsgroepen vooral in de grote steden zijn geconcentreerd
(op de Basis Correlatie Matrix vinden we r4-6 = .106). Kerkgenootschap en inkomen
gaven geen samenhang te zien.
In tegenstelling tot de zorgen over kinderen vertonen ‘zorgen over geldzaken’
geen verband met het man- of vrouw-zijn. Een ander verband werd echter
geconstateerd: dat met de inkomsten; onder de personen die zorgen vermeldden
over de geldzaken waren er 33% die minder dan ƒ 3.000,- aan jaarlijks inkomen
hadden, terwijl dezelfde inkomstengroep slechts omstreeks 20% personen telt onder
de gehele volwassen bevolking (althans zoals door middel van onze steekproef
geschat). Onze verwachting dat het protestante deel der bevolking meer bezorgd
zou zijn over financiële omstandigheden (een en ander in verband met de opvattingen
van Max Weber) werd niet vervuld.
De factor ‘godsdienst’ schijnt wel de andere ‘zorgen’variabelen te beinvloeden.
Onder de mensen die zorgen over de politieke toestanden hebben zijn slechts 29%
Rooms-Katholieken (vergeleken met ca. 42% Rooms-Katholieken onder de bevolking,
d.w.z., in onze totale steekproef) en 31% Nederlands Hervormden (vergeleken met
ca. 23,5% in de totale steekproef). Ook de Gereformeerden en de onkerkelijken zijn
overgerepresenteerd, het verschil hier is echter niet significant. Een andere factor
die de zorgen over de politieke toestanden schijnt te beïnvloeden is uiteraard de
opleiding: mensen met meer schoolopleiding zijn meer bezorgd in dit opzicht. Evenals
bij enkele andere variabelen gecorreleerd met opleiding troffen we ook bij ‘zorgen
over de politiek’ een verband met de woonplaats: in grote steden is men meer
bezorgd over de politieke toe-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
213
standen dan op het platteland. Wel moeten we in deze context wijzen op het feit
dat naast het verschil in opleiding ook het verschil in godsdienstige samenstelling
hier een rol kan spelen: er zijn naar verhouding meer onkerkelijken in de steden
met 100.000 inwoners dan in kleinere plaatsen (r6-12 = -.269).
De godsdienst speelt eveneens een rol t.o.v. de twee transcendente
zorgengebieden: over de verhouding tot God en over de dood. Indien we de mensen
die één van beide vragen positief beantwoordden, samentrekken, dan vinden we
in deze groepering slechts 26% Rooms-Katholieken tegenover 35,5% Nederlands
Hervormden, hoewel de verhouding van beide kerkgenootschappen in de totale
steekproef net omgekeerd ligt, nl. ca. 42% Rooms-Katholieken en 23,5% Nederlands
Hervormden. Ook de Gereformeerden zijn overgerepresenteerd in de groep
‘bezorgden’ (resp. 18% in de groepering ‘bezorgden’, 8% in de steekproef). Vrouwen
geven opvallend meer positieve antwoorden op deze vragen dan mannen, terwijl
we voor de eerste keer bemerken dat zorgen op het platteland meer voorkomen
dan in de grote steden. Gezien de reeds bekende hogere onkerkelijkheid in de grote
steden behoeft ons deze bevinding niet al te veel te verbazen. Wel waarschuwen
we er in dit opzicht tegen om alle personen zonder kerkelijke gezindte over één kam
te scheren: er waren 46 onkerkelijken in onze steekproef die zich bezorgd maakten
over hun verhouding tot God en over het leven hiernamaals (of beter: de dood).
De bezorgdheid over de dood (‘de doodsangst’) hebben wij nog afzonderlijk met
enkele andere variabelen gecorreleerd. Geen verband kon worden geconstateerd
met concrete variabelen (zoals ‘toekomstkansen’, ‘tevredenheid met huisvesting’,
‘angst dat men werkloos zal worden’); wel hebben we een samenhang gevonden
met het gevoel eenzaam te zijn en zonder doel leven. Eveneens kon een significante
samenhang worden vastgesteld met de tevredenheid over eigen gezondheid, al
was deze niet al te intensief.
Waarschijnlijk meer dan de satisfactie is ook de bezorgdheid over eigen
gezondheid van de objectieve situatie afhankelijk. We vinden nl. een zwak maar
consistent verband met de leeftijd: met de jaren neemt ook de bezorgdheid over
eigen gezondheid toe. De opleiding laat (voor de eerste keer in onze vragenbatterij
over de zorgen) een zwakke tendens zien in de tegenovergestelde richting: mensen
met lagere opleiding zijn meer bezorgd over hun gezondheid dan mensen met meer
opleiding. Of dit ligt aan slechtere objectieve gezondheid van de lagere
bevolkingsgroepen of aan de bevrijdende, de zorgenbestrijdende functie die kennis
nu eenmaal vervult, laten wij nog voor een ogenblik in het midden. Wel dient in dit
verband vermeld dat, ondanks een zwakke correlatie met genoten onderwijs, de
zorgen over gezondheid frequenter in grotere steden
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
214
voorkomen; dit keer kan het verband met de grootte van woonplaats zeker niet door
de verwijzing naar de opleidingsfactor worden ‘weggeredeneerd’.
Onze korte uiteenzetting van de afzonderlijke indicatoren van bezorgdheid
samenvattend, kunnen we stellen dat deze wel zinvolle samenhangen vertonen met
de sociale factoren. Zowel de interpretatie van zorgen als zijnde kenmerkend voor
het waardepatroon van de individu en als zijnde medebepaald door de ‘objectieve’
situatie waarin de individu zich bevindt, kunnen steun vinden in onze gegevens.
Wel dient hieraan toegevoegd dat tot dusver overwegend naar deze meer objectieve
verbanden gezocht werd en de onderlinge samenhangen niet werden besproken.
Ons uiteindelijk oordeel over het concept ‘bezorgdheid’ zullen we moeten uitstellen
juist totdat we de samenhangen van afzonderlijke vragen over zorgen met andere
persoonlijkheidsvariabelen hebben onderzocht.
Dat de zorgenvragen met elkaar waren gecorreleerd, bleek ons reeds in de eerste
fase van bewerking. Het viel ons tevens op dat de correlaties nogal uiteenliepen en
dat de verschillen een zinvol patroon gaven. In de onderstaande Tabel 1.6.1 geven
we de resultaten van onze analyse weer. We treffen hier de zeven oorspronkelijke
zorgenvariabelen reeds samengetrokken tot vijf: zorgen over de dood zijn gevoegd
bij de zorgen over eigen verhouding tot God, zorgen over de geldzaken met die
over eigen toekomst (‘hoe het U zal gaan’). Voor het vinden van de mate van
1
samenhang is de eenvoudige Q-coëfficiënt van contigentie gebruikt :
Tabel 1.6.1 Intercorrelaties van de vijf zorgenvariabelen
Table 1.6.1 Intercorrelations of the five questions on worries
Zorgen over:1
Worries
about:
1. eigen
gezin of
kinderen
one's own
family and
children
2. geldzaken
of eigen
toekomst
affairs or
one's own
future
3. politiek
politics
4.
gezondheid
1
-
2
3
4
5
.56
.09
.47
.34
.03
.59
.39
.35
.40
.50
De variabelen werden gedichotomiseerd in dier voege dat de groep mensen die een positief
antwoord gaf op een der ‘zorgenvragen’ tegenover de rest werd opgesplitst. Alle coëfficiënten,
op de twee na met de waarde onder .10, waren statistisch significant bij het
waarschijnlijkheidsniveau P < .001.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
health
5. de dood
of
verhouding
tot God
the death or
the relation
to God
-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
215
De coëficiënten zijn naar verhouding matig hoog, niet veel lager dan de
intercorrelaties van de tevredenheidsindices (al dient men niet zonder meer de
tetrachorische r's met de Q's te vergelijken; we hebben echter de bovenstaande
tabel eveneens in r's omgezet teneinde vergelijking mogelijk te maken; de gemiddelde
correlatiecoëfficiënt van de vier tevredenheidsvragen was rtetr. = .325; van onze tien
coëfficiënten is rtetr. = .306). We troffen correlaties zelfs daar waar er geen gelijkenis
was in de objecten: eigen kinderen en eigen gezondheid zouden we qua object van
vergelijking betrekkelijk onafhankelijk beschouwen, hetzelfde kan gezegd worden
b.v. over de politiek en eigen gezondheid of geldzaken en gezondheid (Q = .59!).
Dit alles bevestigt het vermoeden dat, naast afzonderlijke zorgen, werkelijk de
bezorgdheid bestaat als een persoonlijkheidskenmerk of een eigenschap, kortom
een reactiepatroon van de mens dat niet van de onmiddellijke situatie rechtstreeks
afhankelijk is. We besloten daarom om de afzonderlijke zorgenvariabelen tot een
enkele indicator van ‘bezorgdheid’ samen te trekken teneinde de mogelijke
samenhangen van deze meer algemene houding (of eigenschap) te vinden.
Een dergelijke werkwijze werd gevolgd ook bij de analyse van de overige indices
van het onbehagen. Kortheidshalve geven we hier het eerst de spreiding van
antwoorden op de afzonderlijke vragen weer:
Tabel 1.6.2 Spreiding van gevoelens van onbehagen over de steekproef
Table 1.6.2 Occurrence of the symptoms of the lack of well-being
Vraag no.
Question no.
Symptomen van Aantal
onbehagen:
respondenten
Symptoms of lack Number of
of well-being:
respondents
Angsten
287
Fears and anxieties
Percentage (100 %
= 1.297)
112
Leven onder druk
Inner pressure
335
25,5%
115
Piekeren
Obsessive
problems
374
28,8%
127
Voelt zich matig of 91
niet gewaardeerd
Lack of self-esteem
7,1%
129
Geschokt
531
vertrouwen
Broken confidence
41,2%
136
Eenzaamheid
Loneliness
266
20,7%
137
Gebrek aan
levensgerichtheid
Lack of the cause
to live for
501
38,6%
109
22,1%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
138
Zinloosheid en
doelloosheid van
het leven
Feeling that life is
purposeless and
meaningless
111
8,5%
139
Verveling
Boredom
156
12,0%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
216
Met opzet vermelden wij de plaats van de vragen in onze vragenlijst, daar, naar
onze ervaring, de spreiding van antwoorden als regel sterk door de bewoording en
de context der vragen wordt beïnvloed. Desondanks spreken deze gegevens een
duidelijke taal. We bemerken dat het vóórkomen van negatieve symptomen
frequenter is dan wij zouden denken. Tussen een vierde en een vijfde van de
bevolking vermeldt gevoelens van angsten, spanningen, eenzaamheid, dwangmatige
aard van eigen gedachten (‘het piekeren’). Elke negende of tiende man verveelt
zich weleens of vindt het leven zinloos. In dit verband moeten we echter opmerken
dat het percentage van degenen die niet in staat zijn bewust hun eigen leven in de
hand nemen om er iets van te maken (vraag 137) meer dan vier keer zo hoog is als
het percentage mensen dat het leven zinloos of doelloos vindt.
Bij het zoeken naar de mogelijke verbanden van deze indicatoren van onbehagen
trof ons alweer dat deze in hoge mate onderlinge samenhangen vertoonden. De
eerste drie symptomen zijn b.v. als volgt geïntercorreleerd:
1
2
3
1
Angsten
-
.30
.49
2
Leven onder
druk
.30
-
.45
3
Piekeren
.49
.45
-
De gemiddelde coëfficiënt (de Q-contingentiecoëfficiënt voor de gedichotomiseerde
variabelen berekend telkens voor het totaal aantal van 1.297 respondenten) bedroeg
.41, de statistische significantie kon niet betwijfeld worden (P < .001). Teneinde een
gunstiger verdeling te bewerkstelligen, besloten we de informatie verkregen door
deze drie vragen samen te voegen en, hoewel we geen zekerheid hadden dat deze
drie vragen een en dezelfde eigenschap of dezelfde toestand ‘maten’, in een nieuwe
variabele samen te trekken.
Bij een eerste benadering van de sociale aspecten van het zich welbevinden van
de bevolking leek het ons verantwoord de kenmerken te zoeken van de groep
mensen die een zeker onbehagen te kennen geeft, gezien als één geheel. Wij
beseffen dat een nader onderzoek naar het vóórkomen van afzonderlijke (en dan
nauwkeuriger, wellicht met behulp van test vastgestelde) symptomen kan volgen.
Een nog hogere mate van intercorrelatie gaven de vragen 136, 138 en 139 te
zien, die volgens dezelfde werkwijze werden behandeld:
1
2
3
-
.78
.64
1
Eenzaamheid
2
Zinloosheid van .78
het leven
-
.68
3
Verveling
.68
-
.64
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
217
De gemiddelde Q-coëfficiënt bedroeg hier .70 zodat we hierin geen bezwaar zagen
deze vragen in een samengestelde index op te nemen. We zouden deze
methodologische beschouwing in dit hoofdstuk niet opnemen als deze niet tevens
waardevolle informatie gaf over de door ons bestudeerde materie. We menen dat
het feit dat b.v. mensen die het leven zinloos en doelloos vinden zich tevens
overwegend eenzaam voelen vermeldenswaard is. Ook is het merkwaardig dat
gevoelens van verveling voornamelijk voorkomen bij mensen die zich eenzaam
gevoelen. De hoge correlaties die we hier aantreffen zijn, naar we menen, zelfs voor
sociologen een waarschuwing om in deze variabelen niet slechts afzonderlijke
produkten van een lagere sociale participatie of een andere sociale factor te zien,
doch eerder een indicator van een bepaald persoonlijkheidstype (of wellicht ‘veiliger’
uitgedrukt: psychische structuur).
Om echter onze analyse voort te zetten: hoe is het gesteld met de samenhang
van de beide onderscheiden complexe variabelen ‘spanningssymptomen’ en
‘eenzaamheid en verveling’? Een antwoord hierop verschaft ons de breder opgezette
correlatiematrix, die we deels reeds in het vorige hoofdstuk hebben besproken, de
Matrix van Twaalf Variabelen (Tabel 2.8.3, blz. 394).
We bemerken dat er inderdaad een significante correlatie bestaat tussen deze
twee variabelen (no. 7 en no. 12) op de matrix: rtetr. = .32.
Reeds bij oppervlakkige inspectie van Tabel 2.8.3 zien we dat beide
samengestelde variabelen tot de meest intergecorreleerde variabelen op de matrix
behoren (de gemiddelde correlatie van de ‘eenzaamheid’ was rtetr. = .32, die van
de ‘spanningssymptomen’ rtetr. = .35). In plaats van de afzonderlijke correlaties willen
we echter rechtstreeks de resultaten van onze factoranalyse bij onze bespreking
betrekken. Zoals in het voorafgaande hoofdstuk vermeld, gaf de analyse twee
afzonderlijke factoren te zien. In de eerste factor herkenden we vooral de
satisfactie-indicatoren, de tweede factor heeft dan op een merkwaardig duidelijke
wijze de symptomen van onbehagen naar voren gebracht, evenals enkele variabelen
die zonder veel moeite als mogelijke oorzakelijke factoren van ‘onbehagen’ kunnen
worden beschouwd. Zoals in 1.5 (blz. 196) vermeld, werden de variabelen volgens
de hoogte van hun lading met deze Factor II' als volgt gegroepeerd:
1. spanningssymptomen (lading: .726); 2. traumatische jeugdervaringen (.672);
3. jeugdherinneringen (.621); 4. zorgen over de dood (.621); 5. geschokt vertrouwen
(.476); 6. eenzaamheid, zinloosheid des levens, verveling (.436); 7. tevredenheid
met eigen gezondheid (.362).
De ietwat gewaagde stelling dat hier ‘symptomen’ met hun oorzaken te voorschijn
komen is o.i. bevestigd door het feit dat de tweede hoogste lading een variabele
vertoont die op een betrekkelijk objectief gegeven
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
218
berust: de nogal veelvuldige registratie van sterfte- of echtscheidingsgevallen in het
ouderlijk huis. Er zijn meer dergelijke variabelen die in deze richting van het feitelijk
gebeuren (en niet slechts van het ‘psychisch beleven’) wijzen: ‘geschokt vertrouwen’
is er zeker een goed voorbeeld van. Zoals uit onze vragenlijst blijkt, is deze variabele
gebaseerd niet slechts op een vraag vereisend een ‘ja-of-neen’ type responsie,
doch een nadere beschrijving van de situatie waarin het vertrouwen geschokt werd
(verloving, eigen huwelijk, medewerkers, vrienden).
We kunnen niet zonder meer aannemen dat een psychische ‘set’ (‘the agreeing
response set’) hier een rol speelt en vertekening veroorzaakt. Het ligt o.i. meer voor
de hand dat tenminste sommige mensen uit dergelijke situaties niet zonder
psychische ‘blessures’ komen en meer neiging vertonen tot de symptomen die we
oppervlakkig trachtten vast te stellen door middel van onze vragen.
Het feit dat er reeds indicerende en verklarende variabelen te zamen in een factor
gegroepeerd waren, gaf ons aanleiding voor de uiteindelijke analytische matrix
slechts de twee vragen betrokken op het onbehagen eruit te lichten en als een
nieuwe variabele (‘persoonlijkheidsevenwicht’, no.24) op de Basis Correlatie Matrix
(2.7.5) te plaatsen. Wij meenden dit te mogen doen daar met uitzondering van één
(‘geschokt vertrouwen’) alle overige variabelen, die hoog met Factor II' waren
geladen, eveneens op de grote matrix waren geplaatst: ‘jeugdherinneringen’ en
‘traumatische jeugdervaringen’ als twee afzonderlijke variabelen (no.'s 25 en 26 op
de Basis Matrix), ‘zorgen over de dood’ als onderdeel van nieuwe variabele
‘bezorgdheid’ (no. 22). Op de grote matrix treffen we eveneens nog variabele
‘optimisme’ aan, die we van de kleinere matrix hebben verwijderd daar slechts
geringe correlaties met onbehagenindicatoren en tevredenheid werden aangetroffen.
De grote matrix maakte het ons mogelijk alweer op een meer systematische wijze
de verbanden tussen de indicatoren van ‘onbehagen’ en ‘bezorgdheid’ en de sociale
structuuraspecten te gaan onderzoeken om op deze wijze de verklarende (en tevens
voorspellende ‘predictors’) variabelen te vinden.
Onze analyse samenvattend kunnen we stellen dat de empirische gegevens de
aanwezigheid van alle drie onderscheiden betekeniselementen in onze concepten
bevestigen: ‘bezorgdheid’ drukt een zekere waardeoriëntatie uit, bevat het element
van perceptie van de ‘objectieve situatie’ (sociale toestanden, echter ook eigen
gezondheid, eigen relatie tot God, enz.) en is tenslotte een uitdrukking van meer
constante, van de gegeven situatie of de gegeven stimulus relatief onafhankelijke,
psychische structuur. Het laatstgenoemde aspect speelt een overwegende rol bij
het ‘concept’ per-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
219
soonlijkheidsevenwicht dat gebaseerd is op de intergecorreleerde symptomen van
onbehagen. Al vormen beide concepten dus geenszins unidimensionele variabelen
(eigenschappen die in meettechnisch opzicht een zeker niveau van functionele
eenheid bereiken), zij kunnen o.i. toch gebruikt worden om de spreiding en de sociale
correlaten van het onbehagen in onze bevolkingsgroep te meten.
Over de verdeling van ‘bezorgdheid’ en ‘persoonlijkheidsevenwicht’ over onze
steekproef verschaft de lange Tabel 2.7.4 (blz. 371) voldoende overzicht:
Spreiding van
Aantal
bezorgdheid over
de bevolking:
Geen zorgen
448
genoemd
Percentage
Cumulatief
percentage
34,6%
100,0%
Zorgen over 1
object
332
25,6%
65,4%
Zorgen over 2
objecten
254
19,6%
39,8%
Zorgen over 3
objecten
130
10,0%
20,2%
Zorgen over 4
objecten
73
5,6%
10,2%
Zorgen over 5
objecten
36
2,8%
4,6%
Zorgen over 6
objecten
17
1,3%
1,8%
Zorgen over 7
objecten
7
0,5%
0,5%
-----
-----
-----
Totaal
1.297
100,0%
In bovenvermelde staat zijn mensen die geen (adequaat) antwoord hebben gegeven,
niet vermeld, zij hebben immers geen zorgen toegegeven. Op een voorafgaande
Tabel 1.6.0 (blz. 211) bemerken we dat hun percentage met uitzondering van de
‘zorgen over eigen gezin’ (vanwege het hoger aantal ongehuwden voor wie de vraag
niet van toepassing was) zeer laag bleef (1 à 2%, de aarzelende personen
inbegrepen).
De laatste kolom geeft het cumulatieve percentage aan, reciproque berekend.
Zo lezen wij b.v. dat een vijfde der bevolking (20,2%) zich zorgen maakt over
tenminste drie van de door ons genoemde zeven objecten.
De andere door ons opgestelde variabele is als volgt verdeeld:
Spreiding van
Aantal
persoonlijkheidsevenwicht:
Geen symptoom
490
Percentage
Cumulatief
percentage
37,8%
100,0%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
1 symptoom
aanwezig
367
28,3%
62,2%
2 symptomen
aanwezig
218
16,8%
33,9%
3 symptomen
aanwezig
136
10,5%
17,1%
4 symptomen
aanwezig
50
3,8%
6,6%
5 symptomen
aanwezig
26
2,0%
2,8%
6 symptomen
aanwezig
10
0,8%
0,8%
-----
-----
-----
Totaal
1.297
100,0%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
220
Alweer kunnen we de reciproque percentages in dier voege interpreteren dat we
het aantal negatieve symptomen rechtstreeks kunnen schatten; een derde (33,9%)
van de bevolking gaf positieve antwoorden op tenminste twee vragen.
1.6.5 Structurele verbanden
Reeds door middel van de factoranalyse van 12 variabelen hebben wij een mogelijke
causale factor van onbehagen geïdentificeerd: de blessures die ontstaan in het
sociale referentiekader waarmee men zich identificeert, tot welke men zich rekent,
waaraan men hoog aanzien toeschrijft en waardoor men tenslotte niet wordt
geaccepteerd. Dit is althans de betekenis die wij aan de factor ‘geschokt vertrouwen’
meenden te mogen toeschrijven (zie immers in dit verband de volledige tekst van
onze vraag 129). Deze variabele bleek positief te zijn gecorreleerd met de
spanningssymptomen (rtetr. = .33), iets minder sterk doch eveneens significant met
de symptomen van verveling, doelloosheid des levens (rtetr. = .19); een der
zorgenvragen (zorgen over de dood) vertoonde geen verband: rtetr. = .08. Wij menen
te mogen concluderen dat onze hypothese omtrent de oorsprong van het verstoorde
persoonlijkheidsevenwicht (althans in de betekenis van deze studie) uit de
traumatiserende ervaringen in referentiegroepen steun vindt in empirische gegevens
die wij hebben verzameld. Algemene bezorgdheid kan met deze ervaringen niet in
verband worden gebracht.
Bij de bovenvermelde bevinding sluit ook de ontdekte samenhang met de twee
jeugdvariabelen aan. Zoals uit onze bespreking van de Factor V van de Basis Matrix
(blz. 199) is gebleken, kan deze factor dank zij zijn hoogste ladingen met
‘persoonlijkheidsevenwicht’ (.708) en ‘bezorgdheid’ (.625) gemakkelijk worden
geïdentificeerd. De variabele ‘traumatische jeugdervaringen’ komt op de vierde
plaats, direct achter de algemene satisfactie met de lading: .473. Hierna pas komt
de subjectieve factor, ‘herinneringen aan eigen jeugd’, met een lading van .438.
Ook onze hypothese omtrent de doorslaggevende invloed van de jeugd bij de
persoonlijkheidsvorming of bij het ontstaan van bepaalde syndromen vindt dus steun
in onze gegevens.
Indien we de reeds gesignaleerde samenhang met ‘geschokt vertrouwen’ thans
vergelijken met die met ‘traumatische jeugdervaringen’, dan menen we in beide
factoren een zeker gemeenschappelijk element te kunnen vinden. In het analytisch
schema (Tabel 2.7.5) is de variabele ‘traumatische jeugdervaringen’ immers op een
eenvoudige driedeling gebaseerd waarbij mensen zonder ervaring worden geplaatst
naast mensen met een traumatiserende ervaring en mensen met meer dan één
ervaring
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
221
(zie Tabel 2.7.4, blz. 371). Als we thans de aard en de spreiding van deze ervaringen
over de bevolking wat nader trachten te bezien dan verkrijgen wij het volgende
beeld:
Traumatiserende
ervaringen in de jeugd
(vraag 135):
Geen
Aantal
Percent
635
49,0
Geen antwoord, niet
ingevuld
21
1,6
Sterfgeval vader
57
4,4
Sterfgeval moeder
75
5,8
Sterfgeval van broer of
zuster
125
9,6
Sterfgeval van moeder en 21
broer of zuster
1,6
Sterfgeval vader en broer 18
of zuster
1,4
Lange afwezigheid van
ouder(s)
42
3,2
Scheiding van ouders
15
1,2
Dronkenschap van een
gezinslid
51
3,9
Andere combinaties of
ervaringen
237
18,3
-----
-----
-----
Totaal
1.297
100,0
Al konden vanwege de beperking van een Hollerith-kaart tot 10 à 11 subcategorieën
niet alle combinaties (scheiding met sterfgeval, dronkenschap met sterfgeval, enz.)
worden geponst, de staat laat toch duidelijk zien dat de ‘traumatiserende ervaringen’
die we hebben geregistreerd overwegend bestonden uit de verstoring van de groep
waarmee men zich juist in de kinderjaren identificeert: het ouderlijk gezin. Beide
variabelen ‘het geschokt vertrouwen’ en deze hebben dus gemeen: het plotseling
uiteenvallen van eigen sociaal referentiekader.
Van de andere variabelen hoog met Factor V geladen, moet o.i. ‘de frequentie
van bezoek aan de dokter’ (lading: -.404) niet als een oorzaak doch eerder als een
gevolg of symptoom van labiel persoonlijkheidsevenwicht of van bezorgdheid worden
gezien. Hetzelfde geldt, echter op een geheel ander vlak, voor de variabele
‘optimisme’ die vooral met de bezorgdheid blijkt te correleren. Hierna komen echter
twee variabelen die reeds bij onze hypothesenvorming werden betrokken, nl.
variabele ‘migratie-index’ (lading .242) en ‘gemeentegrootte’ (lading: .238). Beide
ladingen zijn in de verwachte richting: mensen die meer migreren en personen
woonachtig in de grote steden zouden meer onbehagen kennen dan inwoners van
kleinere plaatsen en non-migranten. Het valt echter op dat de sociale participatie
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
lager is geladen (nl. .176) dan de beide bovengenoemde variabelen, terwijl wij
geneigd waren de causale werking van migratie en het wonen in de grote stad juist
toe te schrijven aan het verlies van maatschappelijke bindingen. De variabele
‘gezinsbinding’ vertoont een dermate lage lading dat deze niet vermeldenswaard
is.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
222
Nog andere vragen rezen voor de analyse op dit punt: moeten ‘jeugdherinneringen’
en ‘traumatische ervaringen’ als geheel identieke variabelen gezien worden of
vertonen zij ook in de termen van sociale samenhangen een zekere mate van
zelfstandigheid? Een antwoord op deze vraag werd langs de weg van
cluster-identificatie en partiële correlatie gezocht. Beide variabelen met betrekking
tot de jeugd kunnen de toets van het systematisch uitvoeren van partiële correlatie
doorstaan. Traumatiserende ervaringen in de jeugd en de evaluatie van eigen jeugd
in termen ‘prettig-onprettig’ blijven met ‘persoonlijkheidsevenwicht’ gecorreleerd.
Indien we deze drie variabelen als een cluster nemen en de partiële correlaties
berekenen, dan zien we dat de coëfficiënten iets dalen, maar ver boven
significantieniveau blijven: alle drie variabelen zijn in dezelfde richting verbonden:
r24-25.25 = .167; r24-26.25 = .160; r25-26.24 = .271; de corresponderende coëfficiënten
op de Basis Matrix zijn: .221; .216 en .306).
Van deze twee jeugdvariabelen bleken ‘traumatiserende ervaringen’ van dergelijke
causale invloed te zijn dat b.v. de correlatie met migratieindex geheel verdween,
indien gezocht in de afzonderlijke subgroepen van mensen met traumatiserende
ervaringen of zonder ervaringen: r7-24.25 = .041 (produktmoment r-coëfficiënt was
ook niet al te hoog doch significant, .084). Migratie schijnt met verstoring van
persoonlijkheidsevenwicht verbonden te zijn slechts voor zover zij een symptoom
en/of gevolg vormt van de desintegratie van het ouderlijk gezin; als gevolg van
echtscheiding of van sterfgeval is men blijkbaar meer geneigd te verhuizen (r7-25 =
.202!) - vandaar dat we van de migranten veelvuldiger de symptomatische klachten
vernemen.
De factor ‘woonplaats’ werd eveneens verzwakt in zijn causale werking door de
invoering van ‘jeugdervaringen’ als testvariabele, bleef echter bijna significant
gehandhaafd (r6-24.25 = .066). De correlatie tussen de lage sociale participatie en
het meer labiele evenwicht kon gehandhaafd worden in alle testvariabelen die in
aanmerking kwamen als mogelijke interveniërende factoren. De samenhang met
de leeftijd bleek een bijprodukt van de samenhang tussen het vrouw-zijn en het
meer labiele psychische evenwicht (beter wellicht de grotere neiging tot klachten
over eigen gemoedstoestanden bij vrouwen). Volgens de verwachting bleek ook de
kerkelijke gezindte van invloed te zijn: onkerkelijken en leden van meer
individualistische kerkgenootschappen (onze variabele 12: kerkgenootschap A)
vermeldden meer symptomen van onbehagen dan de leden van de meer
collectivistische kerkgenootschappen. Gedeeltelijk, echter niet geheel, kan deze
samenhang aan de woonstreek worden toegeschreven, daar de plattelandse
zuidelijke streek minder onkerkelijkheid, minder urbanisatie en ook minder labiel
persoonlijkheidstype kent dan het Noorden (r24-31 = - .187; r12-24.31 = - .076.
Naast deze correlaties, die waarschijnlijk in de richting van oorzaken
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
223
wijzen, troffen we ook verbanden aan die hetzij als symptomatisch voor, hetzij als
gevolgen van verzwakt persoonlijkheidsevenwicht kunnen worden gezien. De reeds
besproken verbanden met de houding t.o.v. het roken en met de aanvaarding van
kennis omtrent de gevolgen van het roken (mensen die meer symptomen vertonen
zijn meer afwijzend t.o.v. het roken en ‘geloven’ ook meer dat het roken longziekten
veroorzaakt, r14-24 = .140; r15-24 = .100) en het verband met de frequentie waarmee
men de arts raadpleegt (de personen die de aanwezigheid van angsten,
eenzaamheid, verveling, spanningen enz. toegeven, komen uiteraard frequenter
de arts raadplegen, r24-33 = - .171!), behoren tot deze categorie. Vooral de laatste
bevinding is zeer belangwekkend; van de arts wordt hier impliciet of expliciet verwacht
dat hij de angsten wegneemt, de eenzaamheid doorbreekt, verveling opheft en de
zorgen tot oplossing brengt (want ook r22-33 = - .154!). Al deze handelingen behoren
tot zijn sociale rol, de bevolking koestert immers verwachtingen van hem in deze
richting.
Tenslotte willen we wijzen op de verbanden die we verwachten en die niet zijn
uitgekomen: de intensiteit van de gezinsbinding (waarin het feit of men gehuwd of
ongehuwd is, weduwnaar, weduwe of gescheiden is, verdisconteerd is) vertoont
geen significante correlatie, daar r8-24 = .021. Hiernaast nog de identificatie met het
cultureel systeem (of subsysteem), onze variabelen van ‘cultuuraanvaarding’: r10-24
= .045. Met deze negatieve bevindingen zullen we bij de interpretatie van het
onbehagen evenzeer rekening moeten houden als met de positieve bevindingen.
De variabele ‘bezorgdheid’ heeft slechts iets minder sterke lading vertoond met
Factor V dan ‘persoonlijkheidsevenwicht’ (.625) zodat de vraag zou kunnen rijzen
of de twee toch niet één en hetzelfde verschijnsel aangeven. De correlatie-analyse
versterkt ons vermoeden dat dit niet het geval is. Op onze matrix van 34
gecorreleerde variabelen vinden we immers 9 verbanden die gelijk zijn zowel voor
de ‘bezorgdheid’ als het ‘persoonlijkheidsevenwicht’, echter ook zeven variabelen
die wel een samenhang vertonen met de laatste maar niet met de ‘bezorgdheid’
variabele, en 4 variabelen die met ‘bezorgdheid’ zijn verbonden maar niet met
‘persoonlijkheidsevenwicht’. Van de negen gelijke samenhangen vallen er, zoals
we straks hopen aan te tonen, tenminste twee weg doordat hetzij
‘persoonlijkheidsevenwicht’, hetzij ‘bezorgdheid’ als de enige causale factor optreedt.
De geconstateerde verschillen in het relatiepatroon zijn grotendeels zinvol te
interpreteren. Zo is het interessant te zien dat ‘bezorgdheid’ wel met
‘kerkgenootschap B’ echter niet met ‘kerkgenootschap A’ is gecorreleerd, terwijl de
zaak met ‘persoonlijkheidsevenwicht’ net andersom ligt. Met andere woorden de
‘bezorgdheid’ komt voornamelijk bij de Protestanten voor,
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
224
onverschillig of zij tot een meer hechte kerkelijke gemeenschap (Gereformeerden,
bij voorbeeld) behoren of niet. Het verlies van de kerkelijke bindingen speelt hier
minder een rol dan bij ‘persoonlijkheidsevenwicht’. Een dergelijk differentieel beeld
geven tevens de variabelen ‘sociale participatie’ en ‘cultuuraanvaarding’. De
onbezorgde mensen schijnen mensen te zijn zonder al te sterke culturele bindingen
(r10-22 = .140); het zich in gedachten bezighouden met een bepaald probleemgebied
gaat samen met het zich in gedachten bezighouden met eigen levensbeschouwing,
intensiever geestelijk leven. Het ontbreken van symptomen van verstoord evenwicht
gaat, zoals we reeds besproken hebben, met rijkere sociale bindingen samen. Het
valt in dit verband op dat de oorspronkelijke hypothese ten aanzien van de
bezorgdheid eigenlijk niet opgaat en in tegenovergestelde richting doorslaat: niet
het ontbreken, doch de aanwezigheid van culturele bindingen veroorzaakt immers
‘bezorgdheid’.
Van de overige factoren verdient wellicht slechts nog de leeftijd een causale
interpretatie: oudere mensen zouden veelvuldiger te kennen geven dat zij zich
eenzaam of beangstigd, enz. gevoelen; een hogere mate van bezorgdheid valt
echter bij hen niet waar te nemen. Bij nader inzien komen we echter tot de conclusie
dat de negatieve symptomen niet bij alle oudere mensen voorkomen maar slechts
bij degenen die in grotere steden wonen; daar de gemiddelde leeftijd in de grote
steden hoger is (vanwege, o.a. kleiner kindertal), komt het verband als schijnverband
naar voren, zijnde een bijprodukt van de samenhang tussen het stadsleven en het
veelvuldiger voorkomen van symptomen van onbehagen (r2-24.6 = .068, juist
significant volgens onze berekening). Dat ook van een samenhang van bezorgdheid
met migratie weinig valt te bespeuren, ligt voor de hand nadat we duidelijk hebben
aangetoond dat ook het verband tussen persoonlijkheidsevenwicht en migratie
onecht was. Evenmin werd de reeds puzzelende samenhang met snoepgewoonten
teruggevonden met betrekking tot bezorgdheid.
Voor het inzicht in de relatie tussen beide variabelen is het van belang de
voornaamste geïdentificeerde factor, ‘de traumatische jeugdervaringen’ onder de
loep te nemen. De methode van partiële correlatie bracht hier iets merkwaardigs
aan het licht: de samenhangen van beide ‘jeugdvariabelen’ met bezorgdheid
verdwijnen geheel in de subcategorieën van ‘persoonlijkheidsevenwicht’, met andere
woorden, zij zijn slechts schijnverbanden die uit de causale werking: ‘onprettige
jeugd → verstoord persoonlijkheidsevenwicht’ geheel kunnen worden verklaard. De
oorspronkelijke correlatie r22-25 = .146 wordt gehalveerd tot insignificantie, r22-25.24
= .063; de meer subjectieve variabele geeft nog sterkere vermindering te zien, nl.
van r22-26 = .107 tot r22-26.24 = .022. De situatie is hier geheel analoog aan de
samenhang van ‘jeugdervaringen’ met de ‘alge-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
225
mene satisfactie’, die eveneens bijna verdwijnt na de invoering van
‘persoonlijkheidsevenwicht’ als testvariabele.
De interpretatie van deze min of meer technische eigenaardigheden is dan dat
de jeugdervaringen voornamelijk de ‘neurotiserende tendens’ of ‘neutraler’ de
‘negatieve gemoedstoestanden’, teweegbrengen en slechts hierdoor eveneens de
bezorgdheid van de mens en zijn satisfactie beïnvloeden. Iemand die zich angstig,
eenzaam, verveeld, enz. voelt, is hierdoor geneigd tot zorgen en dissatisfactie. De
desintegratie van het ouderlijk gezin is op de dissatisfactie en op de bezorgdheid
slechts indirect van invloed.
Het zou verkeerd zijn uit het bovenstaande te concluderen dat van de twee
variabelen ‘bezorgdheid’ en ‘persoonlijkheidsevenwicht’, de laatste de enig
belangrijke is in causaal opzicht. Wij kunnen ook een geval vermelden waar de
situatie omgekeerd is, waar de ‘bezorgdheid’ de primaire en
‘persoonlijkheidsevenwicht’ slechts de secundaire rol speelt: het relatiepatroon van
beide variabelen tot ‘optimisme’. Uiteraard zijn zowel de ‘onbezorgden’ als mensen
‘zonder symptomen’ ook veelvuldiger van mening dat de toekomst voor de mensheid
beter zal zijn dan het verleden (of althans minder vaak geneigd te denken dat deze
slechter zal zijn): r22-27 = .173; r24-27 = .105. Met behulp van opslitsen der gegevens
(d.w.z. van partiële correlatie) verdwijnt de laatste coëfficiënt, terwijl de eerste
gehandhaafd blijft: r22.24-27 = .039; r24.22-27 = .143. Alweer zijn we geneigd te
concluderen dat ‘optimisme’ meer functioneel verbonden is met ‘bezorgdheid’ dan
met ‘persoonlijkheidsevenwicht’ en dat deze laatste variabele slechts indirect haar
1
invloed op ‘optimisme’ doet gelden (of hiermee verbonden is) .
De overige verbanden, die zowel met ‘bezorgdheid’ als met de tweede variabele
van onbehagen verbonden zijn, gaven geen aanleiding tot moeilijke interpretatie.
Vrouwen schijnen inderdaad meer ‘zorgend-in-de-wereld’ te staan zoals de leden
van een bepaald kerkgenootschap in ons land het plegen uit te drukken. De stedelijke
bevolking is ook meer tot zorgen geneigd, al is het verschil niet groot en is het deels
te danken aan de naar verhouding zwakke vertegenwoordiging van de stedelijke
bevolking in het zuiden des lands (r31.6-22 = .064).
Voordat we de uiteenzetting afsluiten van de structurele verbanden die het gevoel
van onbehagen met allerlei aspecten der sociale structuur ver-
1
Terloops willen wij wijzen op de tweede hoogste samenhang met het optimisme die wij hebben
vastgesteld, nl. die met het ‘kerkgenootschap B’: r27-32 = - .112. Dit wil zeggen dat de
pessimistische houding vooral bij de calvinistische groeperingen (Hervormden en
Gereformeerden) in ons land is geconcentreerd. De hypothese van Van Heek vindt hierin
een nieuwe bevestiging; zie Het geboorteniveau der Nederlandse Rooms-Katholieken, Leiden,
1954. Wat de interpretatie betreft willen we er slechts op wijzen dat het niet om het optimisme
der Rooms-Katholieken gaat (want buitenkerkelijken zijn even optimistisch), maar om het
pessimisme der Protestanten!
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
226
binden, willen we nogmaals op de belangrijkste geïdentificeerde oorzakelijke factor
ingaan: het vóórkomen van onprettige jeugdervaringen en -herinneringen bij onze
bevolking. De Basis Correlatie Matrix geeft tenminste drie variabelen aan die als
mogelijke oorzakelijke factoren van de spreiding van de traumatiserende invloeden
in het ouderlijk gezin kunnen worden gezien: migratie, grootte van gemeente en de
woonstreek: Zuid of Noord. Alle drie komen zij voor ons ietwat onverwachts te
voorschijn. Zij zijn dan ook niet gemakkelijk te interpreteren. Zij suggereren dat er
meer gezinsdesintegratie bestaat in de grote steden dan op het platteland, in het
Noorden dan in het Zuiden, bij de migranten dan bij de mensen die in hun
geboorteplaats blijven.
Dank zij een uitmuntende publikatie van het C.B.S. konden we inderdaad dit
vermoeden bevestigen voor zover één vorm van de desintegratie betreft, de
1
echtscheiding .
Volgens de gegevens door het C.B.S. verzameld, komt de echtscheiding in de
grote steden met meer dan 100.000 inwoners bijna acht keer zo frequent voor als
in de kleine plaatsen. Eveneens vinden we de echtscheiding veel meer in
Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, en Groningen dan in de overige provincies
geconcentreerd; Noord-Brabant en Zeeland staan vermeld onder de provincies met
het laagste echtscheidingscijfer, slechts overtroffen door Friesland en Drenthe beide zeer dunbevolkte provincies in Nederland. Uit de theoretische literatuur weten
we dat de echtscheiding veelvuldig met migratie gepaard gaat: men trekt vooral van
het platteland naar de meer anonieme sfeer van de grote stad. Het merkwaardige
van deze factoren voor Nederland is dat zij elkaars werking versterken: de
plattelandse bevolking vormt vooral het bevolkingsreservoir van het Zuiden en is
tevens van overwegend homogene godsdienstige structuur (rooms-katholiek)
eveneens gekenmerkt door een laag echtscheidingscijfer. Al is ons weinig bekend
over de frequentie der sterftegevallen in ouderlijke gezinnen te noorden en ten
zuiden der rivieren, wij hebben voor één aspect van de ‘traumatiserende ervaringen’
een verklaring gevonden.
Wel dienen we beducht te zijn voor de mogelijke schijnverbanden. Op de Basis
Correlatie Matrix treffen we b.v. een samenhang tussen ‘jeugdherinneringen’ en
‘woonstreek’, suggererend dat de ‘Noorderlingen’ minder prettige herinneringen
hebben aan eigen jeugd dan de ‘Zuiderlingen’. Deze samenhang verdwijnt indien
‘traumatische ervaringen’ als een testfactor worden ingevoerd: r25.26-31 = - .026. Dit
betekent dat er in het Noorden slechts sprake is van minder gezinsgeluk voorzover
er meer echtscheidingen en sterftegevallen en andere het gezinsleven ontsporende
gebeurtenissen voorkomen.
1
Het Centraal Bureau voor de Statistiek, Echtscheidingen in Nederland 1900-1957, W. de
Haan, N.V. Zeist, 1958.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
227
Tenslotte willen we wijzen op een zwakke maar significante samenhang met de
leeftijd, die alle tests heeft kunnen doorstaan; de jongeren hebben over het algemeen
een prettiger jeugd, althans in de termen van subjectieve oordelen, dan de ouderen.
De leeftijd helpt ons dan een schijnverband te verklaren met gezinsbinding,
suggererend een hogere frequentie van negatieve oordelen over eigen ouderlijk
huis bij gehuwden en bij ouders van (vele) kinderen: r8-26 = .085, echter r8-26.2 =
.062.
Het verband met kerkelijke binding (variabele: ‘kerkgenootschap A’) kan wellicht
toegeschreven worden aan de hogere frequentie van echtscheiding bij onkerkelijken
en bij in kerkelijk opzicht ‘gemengde’ huwelijken.
1.6.6 Interpretatie en conclusie
Wij voelen ons gedwongen om in het licht der bovenvermelde bevindingen ons
theoretisch uitgangspunt enigszins te gaan wijzigen. Het onbehagen werd
hypothetisch gezien als een produkt van de desintegratie van het sociale
referentiekader en van de primaire referentiegroep in het bijzonder. We menen deze
stelling te mogen aanvaarden, echter met die restrictie dat de invloed van de
desintegrerende referentiegroep in de jeugdige jaren waarschijnlijk sterker is dan
na het bereiken van de volwassenheid. Deze interpretatie geven we althans aan
het feit dat er geen verband kon worden vastgesteld tussen eigen gezinsbinding en
het onbehagen, doch wel degelijk tussen verlies aan gezinsbinding in de jeugd en
het onbehagen. Dit betekent o.i. echter niet dat we aan de kinderjaren de alles
overheersende rol moeten toeschrijven, zoals dit weleens in de psychiatrische
literatuur gebeurt. De samenhang met ‘geschokt vertrouwen’ duidt immers eveneens
in de richting van desintegratie van het sociale referentiekader, dit keer zeker op
een latere leeftijd dan de kinderjaren. Want ‘geschokt vertrouwen’ is slechts dan
mogelijk als men bewust het vertrouwen aan iemand schenkt; hieronder vallen de
verbroken verlovingen, wellicht ook deels teleurstellingen met eigen vrienden en
relaties.
Een andere modificatie betreft de onmogelijkheid om de theorie uit te breiden tot
de desintegratie van culturele bindingen. Het is niet zo, dat de personen met meer
innerlijke bindingen met de samenleving (zich sterk met eigen religie, politieke
denkrichting of filosofie vereenzelvigend), behoed zouden blijven voor vereenzaming,
innerlijke spanningen, angsten, enz., dat zij tevens minder bezorgd in het leven
zouden staan. Wat het laatste betreft, bemerkten wij in tegendeel meer zorgen bij
mensen met sterke binding. Hiertegenover staat dat de sociale participatie (het
deelnemen aan de activiteit van de instellingen en verenigingen) symptomatisch is
voor een ‘gezonde houding’, voor het ontbreken van onge-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
228
wenste symptomen. Het is echter onjuist om andere verbanden, stadsleven en
migratie, met deze causale factor van sociale participatie te vereenzelvigen. Het
stadsleven blijft een factor op zich zelf; hoewel versterkt door het hoger voorkomen
van traumatische jeugdervaringen in de stad (echtscheidingen), van zwakkere
participatie en onkerkelijkheid, schijnt het stadsleven op zich zelf nog het psychisch
evenwicht ietwat nadelig te beïnvloeden; we hebben immers telkens nog een
restwaarde in onze partiële correlaties overgehouden.
De migratie hielp ons de invloed van ontkerkelijking en onkerkelijkheid in zijn
causale betekenis te zien: de migranten vertonen symptomen van onbehagen slechts
naar mate zij meer tot groeperingen met lossere kerkelijke binding behoren. Dat
hier door middel van een betrekkelijk technische analyse de invloed van de
godsdienstfactor op het psychische evenwicht van de mens kon worden aangetoond
en dat tevens de verschillen in de mate van bezorgdheid tussen de
kerkgenootschappen duidelijk naar voren traden, beschouwen wij als een der meer
spectaculaire resultaten van ons werk: het protestantse deel van onze bevolking
laat een hogere mate van bezorgdheid zien dan het rooms-katholieke deel der
bevolking. Het Zuiden vertoont tevens veel minder symptomen van onbehagen dan
het Noorden; al deze verschillen zijn niet terug te brengen tot de (door ons als
relevant aangetoonde) verschillen in de mate van urbanisatie, in de leeftijdsstructuur
of de gehechtheid aan de geboorteplaats.
Elk volksdeel schijnt zodoende zijn eigen gevaren te kennen; tegenover de naar
levensvreugde strevende en veelvuldig ook genotmiddelen tolererende houding van
het rooms-katholieke en zuidelijke volksdeel, staat de strengere maar ook
vreugdelozer, bezorgde en tot depressieve verschijnselen neigende houding van
Protestanten en Noorderlingen. Het opheffen van beide gevaren kan gezocht worden
in een leefwijze die meer levensvreugde geeft zonder kunstmatige prikkels van
genotmiddelen en op zich zelf in staat is de verveling, de angsten, het gevoel van
doelloosheid en zinloosheid des levens het hoofd te bieden.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
229
1.7 Integratie van de individu in de samenleving
1.7.1
Inleiding
1.7.2
Begripsuiteenzetting
1.7.3
Theorie en hypothesen omtrent de
onderscheiden aspecten der integratie
1.7.4
Indicatoren van sociale participatie,
cultuuraanvaarding en solidaire houding
1.7.5
Structurele en functionele verbanden
1.7.6
Interpretatie en conclusie
1.7.1 Inleiding
Na het licht dat de bevindingen van het voorafgaande hoofdstuk werpen op bepaalde
gemoedstoestanden die wellicht als symptomen gezien kunnen worden van verstoord
persoonlijkheidsevenwicht, behoeft het waarschijnlijk geen breed betoog waarom
wij tot het onderwerp van de sociale bindingen van de individu terugkeren. De feiten
door ons onderzoek naar voren gebracht laten er nauwelijks twijfel over dat verzwakte
bindingen het zich wel-bevinden van de mensen aantasten, dat er met een verbroken
binding blijkbaar ook een stuk menselijk geluk verloren gaat.
Het vraagstuk van de integratie van de individu in de samenleving is zelfs voor
het andere, door ons behandelde onderwerp van belang. De gegevens versterken
het vermoeden dat er b.v. een samenhang bestaat tussen het plotseling verbreken
van een vertrouwensrelatie en de behoefte aan alcohol. We vonden immers een
zwakke samenhang tussen de antwoorden op onze twee respectieve vragen (no.
105 en no. 129; de ‘afstand’ tussen de twee vragen op de vragenlijst was te groot
2
om het verband te verklaren), die echter significant was: χ = 8,63; P < .01; ϕ = .082
(benadering voor r).
Verbonden met de centrale problematiek van dit onderzoek vraagt het probleem
van de integratie van de individu om aandacht en opheldering.
1.7.2 Begripsuiteenzetting
Naast de analytische en praktische kanten kleven er nog theoretische aspecten aan
het vraagstuk der sociale bindingen. Wat moeten we immers hieronder verstaan?
Hoe is de integratie van de individu op te vatten?
Verschillende wegen kunnen bewandeld worden. Langs de ene zouden we de
integratie van de individu kunnen beschouwen als de rol-integratie.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
230
Een persoon is dan geïntegreerd in de samenleving indien hij de rol speelt die de
samenleving aan iemand in zijn sociale positie en situatie toeschrijft. Met andere
woorden: zijn gedrag is geïntegreerd indien het aan de collectieve verwachtingen
beantwoordt.
Dit standpunt is te verdedigen, al is in een zo opgevat integratiebegrip het element
van bindingen niet al te sterk aanwezig. ‘Binding’ wordt hier min of meer tot een
‘plichtbesef’ gereduceerd, of tot de adequate perceptie die een persoon van de
verwachtingen van zijn sociale omgeving heeft. Voor het onderzoek vormt dit concept
een nogal moeilijke basis; de verwachtingen en de eisen t.a.v. het gedrag kunnen
immers van groep tot groep variëren, zij kunnen zelfs van bijeenkomst tot bijeenkomst
veranderen. Men zou zich hierdoor reeds tot de meer vaste verwachtingen moeten
beperken en de geïnstitutionaliseerde rollen als uitgangspunt nemen.
Dit is ook juist hetgeen we beogen indien we de sociale integratie opvatten als
zijnde integratie in de sociale instellingen (‘societal institutions’) rond welke de gehele
samenleving is opgebouwd. Een persoon is dan ‘geintegreerd’ indien hij aan het
leven van de maatschappelijke instellingen deelneemt, de taken hem opgedragen
vervult, kortom in het kader van deze instellingen functioneert. Met andere woorden,
wij nemen het rolgedrag in aanmerking voor integratie slechts voor zover de rol met
de functie overeenkomt. Een persoon die faalt in het kader van onze economische
instellingen, diensten of andere arbeid te verrichten of hoe dan ook in zijn onderhoud
te voorzien, functioneert economisch niet en is niet economisch geïntegreerd. Een
persoon die blanco stemt, lid is van geen partij, zich onthoudt van elke politieke
bezigheid, is dan ook politiek niet geïntegreerd. Men zou op een dergelijke wijze de
positie van elke persoon kunnen nagaan ook t.o.v. overige instellingen: de kerken,
de kunst, de wetenschap, de instellingen recreatief van aard, instellingen op het
gebied van gezondheidszorg (b.v. kruisverenigingen), van stands- en vakorganisaties,
enz.
Er valt nauwelijks iets tegen dit concept te zeggen, behalve tegen zijn
‘pluralistische’ aard. We verkrijgen immers zoveel ‘soorten van integratie’ als er
maatschappelijke instellingen zijn. Indien gebruikt in de praktijk of bij het sociaal
onderzoek geeft dit concept aanleiding tot een nieuwe vorm van nominalisme: het
gevaar dreigt dat men zoveel begrippen en typen krijgt als er individuen zijn;
generalisatie is nauwelijks mogelijk.
Teneinde tot een meer algemeen begrip te komen, ondernamen de sociologen
pogingen om: 1. de wijze waarop een functie vervult wordt te standaardiseren; en
2. de zo verkregen gestandaardiseerde aspecten bepaalde gewichten toe te kennen.
F. Stuart Chapin ging in deze richting verder dan anderen; hij voegde aan de poging
om een algemene sociale-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
231
participatie-index te vormen nog de veronderstelling toe van 3. de wezenlijke (of
1
operationele) gelijkheid van alle instellingen .
Deze gestandaardiseerde gedragsvormen waren dan volgens Stuart Chapin: 1.
het zich rekenen tot de instelling of de organisatie, het geven van morele steun aan
de instelling; 2. het betalen van contributies, het geven van financiële steun aan de
instelling; 3. persoonlijk deelnemen aan het leven (vergaderingen, bijeenkomsten,
enz.) van de instelling; 4. het bekleden van een bepaald ambt in het kader van de
vereniging of instelling; 5. het vervullen van een leidinggevende functie hierin. Zoals
reeds in brede kringen der sociaal-wetenschappelijke onderzoekers bekend, heeft
Stuart Chapin aan deze gestandaardiseerde handelingen en gedragsvormen
stijgende gewichten toegekend in de volgorde zoals hierboven vermeld: een persoon
die b.v. voorzitter is van twee, en nominaal lid van één vereniging verkrijgt dan een
score van 11 (5 + 5 + 1) op de algemene sociale-participatie-index, die op deze
wijze is opgebouwd.
Afgezien van bedenkingen van technische aard die we op een andere plaats naar
voren brengen (zie blz. 251), kunnen we ons hier afvragen of de op deze wijze
opgebouwde index van sociale participatie inderdaad het verschijnsel van ‘sociale
bindingen’ weergeeft.
Om te beginnen kunnen we stellig aannemen dat het functioneren in de instellingen
en het deelnemen aan het verenigingsleven niet alle maatschappelijke banden
weergeeft; er is b.v. het gezinsleven, er zijn de vriendschapsbanden, de frequente
contacten met kennissen. Duidelijk voelen we dan dat naast de bindingen met
‘formele groeperingen’ ook de informele bindingen in beschouwingen moeten worden
genomen, willen we tot het begrip van ‘integratie van de individu in de samenleving’
komen. De samenleving bestaat immers niet slechts uit de meer formele instellingen
maar tevens uit een fijn relatiepatroon van verhoudingen tussen de vrienden, buren
2
en kennissen .
Een andere leemte die we aanvoelen indien we Stuart Chapins
socialeparticipatie-index als een maatstaf voor de integratie en de maatschappelijke
bindingen gaan gebruiken, ligt op het gebied van de interactievormen die gekozen
zijn. Het gaat bij de ‘sociale participatie’ voornamelijk om duidelijk waarneembare
vormen van het sociaal gedrag, sterk aan de
1
2
F. Stuart Chapin, Social Participation Scale, University of Minnesota Press, 1937. Van dezelfde
schrijver tevens, ‘Social participation and social intelligence’, American Sociological Review,
April 1939, blz. 157.
‘Social network’ noemt een Engelse sociologe dit; zie Elisabeth Bott, ‘Urban families; conjugal
roles and social networks’, in Human Relations, Vol. VIII no.4 (1955) blz. 345-386. Ook het
boek van de schrijfster: E. Bott, Family and Social Network, London, 1957; tevens J.A. Barness,
‘Class and committees in a Norwegian Island Parish’ in Human Relations, Vol. 7, No. 1, 39-58
(1954).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
232
economische status en de sociale status (immers: het betalen van contributies, het
leidinggeven) van de persoon gebonden. Slechts de eerste categorie, het nominaal
lidmaatschap, duidt hier in de richting van ‘het zichvereenzelvigen met’ dat vooral
in de oude Duitse sociologische concepten (het saamhorigheidsgevoel) sterk naar
voren treedt als een element van de maatschappelijke binding. In de Stuart
Chapin-schaal is dit element echter zeer zwak en heel vaag vertegenwoordigd. Men
mag stellig Stuart Chapins index niet vereenzelvigen met de sociabiliteit, d.w.z. de
(mate van) geneigdheid om met andere mensen om te gaan, indien we niet met
homogene groeperingen mensen te maken hebben. Want verschil in status zal,
zoals we straks nader zullen toelichten, sommigen weerhouden om deel te nemen
aan een vereniging of instellingen met hoge contributie. Ook zal een stedeling meer
kans hebben tot participatie dan een dorpeling van een richting afwijkende van die
zijner dorpsgenoten; men participeert soms niet omdat men niet wil, maar omdat er
geen instellingen of verenigingen zijn waarin men kan participeren. Het
solidariteitsgevoel, het zich innig verbonden voelen met de doelstelling en de
lotgevallen van eigen groep of groepering (en wellicht gegeneraliseerd: van de
mensen in het algemeen) zouden we eveneens tot de integratie van de individu in
de samenleving willen rekenen.
Indien men zich, zoals Stuart Chapin, beperkt tot het interactiepatroon dan is er
nog de vraag waarom slechts de interactie met een concrete en niet die met een
ideële groepering telt, waarom de meer verborgen bezigheden als het denken over,
praten met, zich vereenzelvigen met, niet eveneens een aspect vormen van
maatschappelijke bindingen. Kortom een interactie met een cultuurgoed komt stellig
naast de interactie met de groep of instelling te staan. Om twee krasse en nogal
extreme voorbeelden te geven: een middeleeuwse religieuze kluizenaar en b.v. een
jonge in de gevangenis gehouden overtuigde communist (denk aan de moordenaar
van Trotski!) zouden o.i. niet gerekend moeten worden tot personen geheel zonder
maatschappelijke bindingen. De ene communiceert immers in zijn gedachten met
de gehele ‘gemeenschap der heiligen’ (communio sanctorum), de andere gevoelt
zich eveneens innig met de ‘maatschappij van morgen’ waarvan hij ‘bouwer’ en
‘verkondiger’ is, verbonden.
Onze beschouwingen samenvattend, willen we het begrip ‘sociale integratie van de
individu’ gebruiken voor de sterkte van zijn maatschappelijke bindingen. Beide
concepten berusten dan op de volgende betekeniselementen: a. het zich wel of niet
aansluiten bij de instellingen, verenigingen en maatschappijorganen waarvan het
lidmaatschap door de samenleving facultatief wordt gesteld; b. het vervullen van
elementaire functies en taken door de instellingen en de samenleving aan de individu
toegeschre-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
233
ven; c. het zich eens gevoelen met eigen samenleving, het solidariteitsgevoel in het
algemeen; en tenslotte, d. het zich vereenzelvigen met de doelstellingen en het
waardenpatroon van eigen samenleving, het intensieve psychische interactiepatroon
met het cultuurgoed.
1.7.3 Theorie en hypothesen omtrent de onderscheiden aspecten der
integratie
Al vatten wij in een complex begrip van maatschappelijke integratie van de individu
allerlei aspecten samen, deze zijn stellig niet op te vatten als subcategorieën van
een categorisch systeem of, om met de termen van de moderne meettheorie te
spreken, als zichtbare (manifeste) uitingen van een unidimensionele eigenschap.
Om deze moeilijke begrippen voor de leek begrijpelijker te maken: de onderscheiden
aspecten behoeven niet reeds per definitie samen te gaan; we hebben immers in
het vermelde voorbeeld aangetoond dat b.v. de sociale isolatie met sterke gevoelens
van identificatie met eigen groepering gepaard kan gaan en tevens met intensieve
psychische interactie met het cultuurgoed. In een sociaal wetenschappelijk onderzoek
zullen deze aspecten, alvorens hun functionele eenheid empirisch wordt aangetoond,
beter afzonderlijk moeten worden behandeld. Dit is wat ook in de literatuur over de
sociale participatie en de groepssolidariteit reeds feitelijk geschiedt.
Stuart Chapin bleef ook in zijn latere levensjaren de door hem geformuleerde
1
‘sociale participatie’ beschouwen als een zelfstandige (unidimensionele) eigenschap
die met de volgende aspecten der sociale structuur is verbonden: maatschappelijke
positie (gemeten ‘op de Amerikaanse wijze’ door middel van registratie van allerlei
utiliteitsgoederen als radio, wasmachine, enz.; r = .62 tot .66); inkomsten (r = .52);
opleiding (r = .54); en beroepsgroep (r = .63).
Reeds in de vroege fase van het denken over de sociale participatie bezint men
zich over haar voornaamste sociale determinanten. Guttman, die de
schaaleigenschappen (in de moderne betekenis van unidimensionaliteit) heeft
aangetoond, meende dat de maatschappelijke positie de voornaamste factor van
2
sociale participatie was . Stuart Chapin zelf had reeds eerder op de samenhang
met de maatschappelijke positie geatten-
1
2
Zie Appendix B bij de laatste uitgave van zijn Experimental Designs in Sociological Research,
New York, 1955, blz. 276.
Louis Guttman, ‘A revision of Chapin's social status scale’, American Sociological Review,
juni, 1942, blz. 362-369.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
234
deerd en beschouwt deze als een belangrijke bevinding: de welgestelde personen
1
participeren meer aan het verenigingsleven .
Chapins index is o.a. op de leidinggevende functie van leden gebaseerd en deze
bevinding zou in onze eigen beschavingskring waarschijnlijk weinig opzienbarend
zijn: vooral in kleinere gemeenten zullen ook in de verenigingen met duidelijke
recreatiefunctie de chefs, de bazen en de zelfstandigen waarschijnlijk niet gauw de
leiding van de arbeider aanvaarden.
Het zoeken naar andere mogelijke samenhangen werd voortgezet. Foskett heeft
met behulp van een ander meetinstrument aangetoond dat er waarschijnlijk verband
bestaat tussen de schoolopleiding en de participatie en schrijft aan de opleiding
2
zelfs een belangrijker rol toe dan aan de leeftijd en de inkomsten .
In een betrekkelijk recente, wetenschappelijk goed opgezette studie, komen
Freeman, Novak en Reader in dit opzicht tot een tegenovergesteld resultaat. Van
de vijf of zes indicatoren van status die zij gebruikten (loon of salaris, huishuur,
beroepsgroep van de broodwinnaar, Warners beroepsstratificatie-index) bleek de
opleiding heel laag te correleren (rtetr. = .08) zodat deze factor niet in de uiteindelijke
matrix van correlaties met participatie werd opgenomen. De schrijvers hebben echter
niet minder dan 15 variabelen gevonden die significant met de sociale participatie
waren gecorreleerd; naast de feitelijke gegevens tevens variabelen gebaseerd op
de houdingen, voornamelijk de houdingen t.o.v. het gemeentebestuur en de toekomst
3
van eigen gemeente . De factoranalyse van deze variabelen heeft de aanwezigheid
van vier factoren naar voren gebracht:
1. maatschappelijke positie (‘social class’); 2. tevredenheid met de gemeente en
haar bestuur; 3. toekomstverwachtingen omtrent de gemeente (optimistisch vs.
pessimistisch) en 4. horizontale mobiliteit, zowel wat de woonplaats als wat het werk
betreft. Personen van een hogere sociale rangstand, personen met een meer
positieve en optimistische houding t.o.v. eigen woongemeente, die langer op
hetzelfde adres verblijven en dezelfde baan houden, zouden meer deelnemen aan
het verenigingsleven en aan de activiteiten van allerlei maatschappijorganen.
Daar de schrijvers van deze belangwekkende studie de sociale participatie zelfs
niet opnemen in de correlatiematrix, valt het ons moeilijk het
1
2
3
F. Stuart Chapin, ‘Social participation and intelligence’ American Sociological Review, 1939,
blz. 161: ‘The participation scores of the higher occupational classes are as much as four
times the scores of the lower or unskilled classes ...’
John M. Foskett, ‘Social structure and social participation’, American Sociological Review,
Vol. 20, 1955, blz. 437.
Howard E.Freeman, Edwin Novak, Leo G. Reader, ‘Correlates of membership in voluntary
associations’ in American Sociological Review, Vol. 22, 1957, blz. 528-533.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
235
aandeel van deze vier variabelen aan het concept ‘participatie’ te gaan bepalen.
Toch schijnen hun bevindingen de opvatting te staven (door de schrijvers zelf niet
uitgesproken) dat de sociale participatie samengaat met de mate van steun die men
geeft aan eigen samenleving: moreel, materieel (economisch) en sociaal.
Andere bevindingen wijzen meer in de richting van gevolg dan oorzaak. De oude
theorieën van Durkheim c.s. omtrent de pathologische aspecten van verbroken
maatschappijbanden herleven in de moderne medische sociologie (of sociale
1
psychiatrie): vooral schizofrenie zou met sociale isolatie gepaard gaan . Terwijl
Rogers jaren lang het belang van het gezonde groepsleven (ook in verenigingen)
verkondigde, ontbreken ook de kritische noten niet: tijdens een ramp dreigt een
participatie in meerdere groeperingen tot innerlijke loyaliteitsconflicten te leiden, die
2
niet gemakkelijk zijn op te lossen .
Indien we thans de vraag aansnijden naar nog andere mogelijke oorzakelijke
samenhangen van de sociale participatie, dan kan het concept van de sociale
integratie van de individu ons een nuttige dienst bewijzen. Wij zouden immers aan
de hand van onze begripsuiteenzetting kunnen verwachten dat de door ons
onderscheiden aspecten van integratie inderdaad te zamen functioneel verbonden
zijn, dat er twee categorieën mensen te vinden zijn, nl. de wel- en de
niet-geïntegreerden. Met andere woorden, we zouden verwachten, dat de sociale
participatie tevens met hoger solidariteitsbesef samengaat, dat deze beide gepaard
gaan met het functioneren in allerlei instellingen (beroep, gezin, scholen, kerk) en
dat alle drie tevens met de interactie met en het zich vereenzelvigen met het culturele
(sub)systeem correleren.
Een alternatieve theorie zou zijn de substitutietheorie, veronderstellend dat de
onderscheiden aspecten elkaar compenseren: dat de secondaire (culturele) bindingen
van de mens het verlies van sociale bindingen helpen te vervangen, dat het goed
functioneren in centrale instellingen (beroep, gezin, kerk) ten koste gaat van
lidmaatschap in vrije verenigingen (‘voluntary associations’).
De volgende drie theorieën hebben dan betrekking op de sociale integratie van de
individu in zijn geheel: a. volgens de theorie van de anticiperende referentiegroep
en de sociale machtstheorie zouden de mensen met hogere maatschappelijke
positie (of naar deze maatschappelijke posities strevende) meer deelnemen aan
verenigingen, en zouden hierin meer
1
2
Zie b.v. M.L. Kohn, J.A. Clausen, ‘Social isolation and schizophrenia’ in American Sociological
Review, Vol. 20, 265-273.
Carl R. Rogers, Client-Centered Therapy, Boston, 1951; M. Lewis Killian, ‘The significance
of multiple group membership in disaster’, in American Journal of Sociology, 1952, 57, blz.
309-314.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
236
leidende functies bekleden; b. volgens de personalistische theorie zou integratie te
danken zijn aan een psychische eigenschap of zou zelfs als een kenmerk van de
persoonlijkheid worden opgevat; c. de compensatietheorie gaat eveneens van een
bepaald psychisch ‘mechanisme’ uit, veronderstelt echter een tegenovergestelde
werking: uitgaand b.v. van de veronderstelling van een beperkt reservoir van
psychische energie, zouden we verwachten dat mensen die een druk sociaal leven
hebben niet aan lezen toekomen, mensen die bezoeken ontvangen minder aan het
verenigingsleven deelnemen, enz.
Behalve de reeds bovenvermelde opvattingen omtrent de sociale participatie konden
we in de beschikbare literatuur nauwelijks iets vinden omtrent de spreiding en
verklaring van de andere aspecten van integratie. Deels droeg hieraan het feit schuld
dat de door ons opgestelde meetschalen niet door andere onderzoekers werden
gebezigd. De theoretische verwachtingen omtrent de ‘cultuuraanvaarding en
1
-ontwijking’ hebben wij elders uiteengezet .
Op het oorzakelijke vlak meenden wij in de frequente aanraking met
andersgezinden veroorzaakt hetzij door de differentiatie der samenleving, door
migratie of mobiliteit, hetzij door in cultureel opzicht gemengde huwelijkssluiting) de
voornaamste verklaring te moeten zoeken van verzwakking van de identificatie met
(sub)cultuur. De innerlijke vereenzaming van de individu met alle consequenties
van dien (de sociale anomie) voor het zich wel-bevinden der mensen behoorde tot
de voornaamste veronderstelde gevolgen.
Nog schaarser dan omtrent de cultuuraanvaarding (-ontwijking) bleek het
theoretisch denken omtrent de solidariteit te zijn. De reeds uitgebreide literatuur
omtrent de asocialen, minder socialen of anders socialen leverde weinig hypothesen
op voor de verklaring van de spreiding van de behulpzame (solidaire) houding jegens
medemensen onder de bevolking. Feitelijk konden we in de literatuur nauwelijks
iets vinden omtrent de sociaalstructurele aspecten van deze houding in zijn zuivere
vorm. Ondanks b.v. de gebruikelijke identificatie van de ‘asocialiteit’ met de lage
inkomengroepen, kan de vraag worden gesteld of mensen uit deze groepen juist
niet meer gewend zijn elkaar te steunen in geval van nood, of juist in de meer
competitieve leefwijze van de middenstand niet meer antagonistische, minder
solidaire houdingen aan te treffen zijn. Zelfs de schrijver die meer plaats aan het
vraagstuk der solidariteit in de samenleving heeft
1
Cultuuraanvaarding en cultuurontwijking, Groningen, 1958. Tevens: I. Gadourek, J. Oorburg,
L.T. van de Laar, ‘Involvement in cultural system in the Netherlands: its measurement and
social correlates’, Social Forces, Vol. 40, No. 4, (1962), blz. 302-308.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
237
gewijd dan anderen, P.A. Sorokin, wijst meer factoren aan die voor de solidariteit
1
niet relevant dan factoren die wel relevant zijn .
Ons eigen zoeken naar mogelijke oorzaken beperkte zich voornamelijk tot de
reeds boven gesignaleerde theorieën: wij verwachtten samenhangen tussen de
meer solidaire houding en de meer intensieve cultuuraanvaarding; tevens tussen
de solidaire houding en hogere mate van sociale participatie. Vooral het behoren
tot en het zich vereenzelvigen met sociale richtingen van universalistische strekking,
(d.w.z. de mensheid in zijn geheel omvattende leer of beweging) zou o.i. in een
meer solidaristische houding uitmonden.
1.7.4 Indicatoren van sociale participatie, cultuuraanvaarding en solidaire
houding
Zoals reeds in onze eerdere publikatie uitvoerig beschreven, kon Stuart Chapins
schaal van sociale participatie zowel voor de Nederlandse als voor de Amerikaanse
2
bevolking aangewend worden . In de onderhavige studie hebben wij afzonderlijk
nagegaan het lidmaatschap in één der kerkgenootschappen, voorts dat in een der
bestaande ‘kruisverenigingen’; bij beide vragen (no. 31 en 146) is uitvoerig op de
intensiteit van participatie ingegaan. Hiernaast werd nog afzonderlijk de vraag gesteld
naar lidmaatschap en intensiteit van deelname aan andere verenigingen en
instellingen (vraag no. 150). De scoring (zoals in 2.6 uitvoeriger uiteengezet)
geschiedde op de gebruikelijke cumulatieve wijze: voor elk lidmaatschap verkreeg
men 1 punt, voor leidinggevende functies 5 punten met daartussen de
corresponderende waarden.
De spreiding van de scores over de landelijke steekproef gaf een beeld te zien
dat niet veel afweek van de participatie in de kleine bollengemeente, die we hadden
bestudeerd. Volgens verwachting zijn er onder de landelijke bevolking meer mensen
met lagere scores en minder personen met hoge scores: het leven in de grote steden
gaat nu eenmaal met minder participatie gepaard. De volgende Tabel 1.7.1 geeft
de verdeling van de participatiescores over de groeperingen van mannen en vrouwen
weer:
1
2
P.A. Sorokin, Society, Culture, and Personality, New York, 1947; blz. 120. Volgens Sorokin
zouden sekse, ras, leeftijd, gezondheid, lichamelijke schoonheid of lelijkheid, intelligentie,
geestelijke vorming, welstandsverschillen, politieke factoren (het monarchist- of een
republikein-zijn, lid-zijn van democratisch of autocratisch staatsbestel), nationalisme, het
behoren tot specifieke etnische groeperingen niet van invloed zijn op het ontstaan van
antagonismen of van solidariteitsbanden.
A Dutch Community, 1961, blz. 228, 271 t/m 273, 306.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
238
Tabel 1.7.1 Sociale participatie van mannen en vrouwen
Table 1.7.1 Social participation of men and women
Geslacht
Sex
Sociale- Mannen
participatie-Men
index:
Social
participation
index:
Aantal
Percent
Number Percent
1 of 2
59
9,6%
punten
1 or 2
points
Vrouwen
Women
Totaal
Total
Aantal
Number
Percent
Percent
Aantal
Number
112
Percent
Percent
16,3%
171
13,1%
3 of 4
punten
3 or 4
points
87
14,2%
129
18,8%
216
16,7%
5 of 6
punten
5 or 6
points
134
21,9%
167
24,4%
301
23,2%
7 of 8
punten
7 or 8
points
141
23,0%
132
19,3%
273
21,0%
9 of 10
punten
9 or 10
points
98
16,0%
87
12,7%
185
14,3%
11 of 12
punten
11 or 12
points
38
6,2%
34
5,0%
72
5,6%
13 of 14
punten
13 or 14
points
26
4,2%
13
1,9%
39
3,0%
15 punten 28
of meer
15 points
or more
4,6%
11
1,6%
39
3%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Slecht
0
gecodeerd
0%
1
0%
1
0%
Mistake in
coding
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
612
100,0%
685
100,0%
1.297
100,0%
Mediaan =
6,7 punten
Median =
6.7 points
De gegevens voor Sassenheim laten zien dat er in die gemeente 2,7% minder
mensen waren met de score t/m 4 punten en 2,9% meer mensen met 13 of meer
punten. De gehele verdeling van scores is daar dus naar boven vertekend. Indien
we de Basis Correlatie Matrix raadplegen, dan bemerken wij tussen de grootte van
woonplaats en de sociale participatie inderdaad een relatief intensieve correlatie
(r6-9 = -.170); mensen in kleinere gemeenten participeren meer dan bewoners van
grotere gemeenten. De replicatie (het herhalen van onderzoek) heeft bijgedragen
zowel tot de validering van onze schaal als van onze analytische methode.
In Tabel 1.7.1 vinden we tevens de reeds eerder gesignaleerde samenhang met
het vrouw- of man-zijn terug. Mannen participeren in onze samenleving meer dan
vrouwen (r1-9 = -.163).
Naast de formele participatie hebben we ook de ‘informele participatie’ d.w.z. het
1
zoeken van contacten met vrienden en kennissen betrokken bij ons onderzoek .
1
Wij zijn door de heer L.T. van de Laar attent gemaakt op het algemene belang van deze
variabele. De heer Van de Laar wees op mogelijke verschillen in de mate van informele
contacten in verschillende typen gemeenten: op zandgronden en op kleigronden.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
239
De frequentie van deze informele contacten bleek bijzonder hoog te zijn. Slechts
16,6% van onze steekproef vermeldde in de week voorafgaande aan het gesprek
geen bezoeken te hebben afgelegd of ontvangen, 18,3% vermeldden één contact,
17,6% twee contacten in een week tijd, 12,4% drie bezoeken, 9,4% vier, 6,0% vijf,
3,7% zes, 15,5% zeven of meer contacten met hun familieleden of kennissen.
Gemiddeld komt dit op bijna drie bezoeken per week neer (mediaan werd geschat
op 2,85 bezoeken per week; 4 personen gaven geen antwoord).
Hoewel we niet over vergelijkbare gegevens uit andere landen beschikken, menen
we in de twee gemiddelden (bijna 7 punten op de participatieschaal en bijna drie
wekelijkse bezoeken aan familieleden en kennissen), een teken te zien van de
1
relatief hoge frequentie van de sociale contacten bij het Nederlandse volk .
Tussen beide indicatoren, de formele en de informele participatie, troffen wij een
positieve samenhang aan, zoals de gedichotomiseerde tabel suggereert:
Tabel 1.7.2 Sociale participatie en de bezoekfrequentie
Table 1.7.2 Formal and informal social participation
Sociale-participatie-Bezoeken in de afgelopen week:
index:
Number of visits in the week preceding the interview:
Social participation
index:
Geen
Wel
Totaal
None
Some
Total
1 t/m 8 punten
178
782
960
1 to 8 points
9 of meer punten
9 or more points
38
297
335
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
216
1.079
1.295
2 personen die geen adequaat antwoord gaven zijn niet opgenomen
2 persons did not response adequately
2
χ = 9,124; P < .01; ϕ (benadering tot r) = .084.
Hoewel het verband zeer zwak is, is het zeker niet aan toeval toe te schrijven.
Deze relatie tussen de formele en informele participatie is zeker in tegenspraak met
de ‘compensatietheorie’; de eerste onderzochte samen-
1
F. Stuart Chapin geeft voor de laatste editie (1952) van zijn schaal de volgende gemiddelde
scores weer: Industriëlen en leidinggevende functies: 20 punten; ambtenaren en vrije beroepen
(‘clerical’): 16 punten; geschoolden: 12 punten; geoefenden (‘half-skilled’): 8 punten;
ongeschoolden: 4 punten. Voor zover ons bekend, heeft men geen poging gedaan om de
schaal, zoals in het geval van het onderhavige onderzoek, te ijken op een representatieve
steekproef uit de gehele bevolking. De bovenste gegevens ontlenen wij aan: F. Stuart Chapin,
Experimental Designs in Sociological Research, 1955, blz. 276.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
240
hang wijst in de richting van de alternatieve theorie: de indicatoren versterken elkaar.
Dit konden we echter niet zeggen t.a.v. de gezochte samenhang tussen frequentie
van informele contacten en de mate van cultuuraanvaarding. Geen verband kon
worden ontdekt, ook echter niet in de negatieve richting.
Een heel zwakke tendens werd geconstateerd dat mensen die geen bezoeken
ontvangen of afleggen een minder hulpvaardige, solidaire houding t.o.v. hun
medemensen vertonen. Het verband was niet significant, doch wijst in de richting
van wederzijdse versterking van indicatoren.
Het is goed om de compensatietheorie niet al te snel van de tafel te vegen. Uit
de volgende Tabel 1.7.3 blijkt dat vrouwen opvallend meer bezoeken ontvangen en
afleggen dan mannen; dat de bewoners van de grote steden eveneens een hogere
frequentie van informele bezoeken vertonen en voorts, dat beide samenhangen
betrekkelijk onafhankelijk zijn van elkaar:
Tabel 1.7.3. Frequentie van bezoeken aan/van familie en kennissen naar
grootte van woonplaats en geslacht
Table 1.7.3. Informal social participation; by sex and the size of place
of living
Aantal bezoeken in de week
Number of visits in a week
Man- geen 1
2
3
4
none
nen
Men
5
6
7 of
meer
7 or
more
geen
Totaal
antwoord
Total
no
response
Wonend 28
in
steden
van
100.000
inwoners
en
meer
Living
in
cities
(100.000
inhabitants
or
more)
42
46
31
18
15
8
23
1
212
Wonend 90
in
kleinere
plaatsen
97
55
32
37
21
9
63
0
404
Living
in
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
smaller
places
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
----- -----
-----
-----
Sub- 118
totaal
139
101
63
55
36
17
86
1
616
Wonend 27
in
steden
van
100.000
inwoners
en
meer
Living
in
cities
(100.000
inhabitants
or
more)
31
45
44
29
21
13
42
2
254
Wonend 71
in
kleinere
plaatsen
66
83
54
39
22
17
75
0
427
-----
-----
-----
-----
-----
----- -----
-----
-----
97
128
98
68
43
30
117
2
681
236
229
161
123
79
47
203
3
1.297
Subtotal
Vrouwen
Women
Living
in
smaller
places
-----
-----
Sub- 98
totaal
Subtotal
Totaal 216
Total
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
241
Langs de gehele lijn maken en ontvangen de vrouwen meer bezoeken dan de
mannen, bij elke groepering is voorts de stedelijke bevolking meer geneigd contacten
te leggen dan de plattelandsbevolking. Het gemiddelde aantal bezoeken (mediaan)
bedroeg 3,52 per week voor de vrouwen in de grote steden, 2,92 per week voor de
vrouwen in kleinere gemeenten, 2,66 bezoeken per week bij mannen in de grote
steden en 2,27 bezoeken per week bij mannen in de gemeenten met minder dan
100.000 inwoners.
Deze bevindingen zijn des te belangwekkender daar de formele participatie juist in
de tegenovergestelde richting wijst: vrouwen participeren minder dan mannen (r1-9
= - .163), stedelingen eveneens (r6-9 = - .170). Dit valt duidelijk af te lezen van een
tabel die wij geheel analoog opsplitsen als Tabel 1.7.3, dit keer echter voor de sociale
participatie:
Tabel 1.7.4 Formele sociale participatie naar grootte van woonplaats
en geslacht
Table 1.7.4 Formal social participation in communities of different size;
by sex
Sociale-participatiescores
Social participation scores
Man- 0-2
3-4
5-6
7-8
9-10
nen
Men
In
34
steden
11-12 13-14 15-
geen
Totaal
antwoord
Total
no
response
36
52
34
28
11
11
6
0
212
53
82
107
71
27
15
22
1
404
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
89
134
141
99
38
26
28
1
616
In
cities
In
26
kleinere
plaatsen
In
smaller
places
-----
-----
Sub- 60
totaal
Subtotal
Vrouwen
Women
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
In
56
steden
55
59
43
30
9
1
1
0
254
72
108
89
56
25
12
10
0
427
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Sub- 111
totaal
127
167
132
86
34
13
11
0
681
216
301
273
185
72
39
39
1
1.297
In
cities
In
55
kleinere
plaatsen
In
smaller
places
-----
Subtotal
Totaal 171
Total
Indien we de gemiddelde scores van de formele participatie vergelijken met de
reeds aangehaalde gemiddelde frequenties van bezoeken voor de corresponderende
groeperingen, dan verkrijgen we een bijna omgekeerd beeld: de formele participatie
is het laagst bij de vrouwen in het stedelijke milieu, het hoogst bij de mannen in
kleinere plaatsen:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
242
Mediaan bezoeken
2,27 per week
Mediaan participatie
7,75 punten
Mannen in steden
2,66 per week
6,38 punten
Vrouwen in kleinere
plaatsen
2,92 per week
6,6 punten
Vrouwen in steden
3,52 per week
5,54 punten
Mannen in kleinere
plaatsen
We bemerken dat in die groepen waar de formele participatie hoog is, de informele
participatie aan de lagere kant is en omgekeerd. Beide variabelen (sekse, grootte
van woonplaats) die we hier ten tonele hebben gevoerd, hebben voldoende
aangetoond dat participatie geenszins een unitair concept is; ten opzichte van enkele
onderdelen der sociale structuur schijnen de formele en de informele participatie
elkaar niet te versterken, doch te compenseren.
Nog een andere negatieve bevinding heeft de vooranalyse der gegevens naar
voren gebracht: we konden geen verband vinden tussen de migratie en de frequentie
van informele contacten. Dit moge als een verrassing klinken in de oren van al die
theoretici die hun gedachten laten gaan over de vereenzaming van de individu als
gevolg van horizontale mobiliteit.
Voor ons is de verwerping van de hypothese reeds deels een logische
consequentie van de zojuist geconstateerde hoge frequentie van informele contacten
in de steden, daar het juist de (groot)stedelijke bevolking is die door hoge migratie
en mobiliteit is gekenmerkt (zoals reeds vermeld, r6-7 = .110 op onze Basis Correlatie
Matrix). Ook in dit opzicht geven onze gegevens een consistent beeld te zien.
Door de beperking die de technische uitrusting (de ‘geheugentrommel’ van de
ZEBRA) aan onze analyse oplegde, moesten we een selectie doen uit de gebruikte
indicatoren voor het factoranalytisch en correlatieschema. Onze keus viel op de
formele participatie, cultuuraanvaarding en de solidaire houding, ten dele vanwege
de hogere mate van intercorrelatie van deze indicatoren met verscheidene aspecten
van de sociale structuur, deels echter ook vanwege het onmiddellijke belang van
enkele van deze indicatoren voor het centrale thema van ons onderzoek (‘solidaire
houding’ heeft immers rechtstreeks met hulpverlening, dus ook met de zorg voor
het welzijn te maken). Vandaar dat we hier wat meer aandacht hebben besteed aan
de spreiding van de informele participatie, die in de Basis Correlatie Matrix niet werd
opgenomen, en dat we tevens korter kunnen zijn met de weergave van de overige
indices.
Teneinde de mate van de cultuuraanvaarding te meten hebben we in de eerste
plaats onderzocht welke leer of ideologie (politiek, religieus, filosofisch) men
aanvaardt, teneinde vervolgens na te gaan de volgende vormen van psychische
interactie: 1. het trachten te handelen in de geest
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
243
van eigen leer; 2. het onmisbaar vinden van eigen leer; 3. het praten over eigen
leer met anderen; 4. het nadenken over de leer; 5. het zich spontaan en bewust
rekenen tot de kring van geloofsgenoten of ‘een richting’; 6. het trachten anderen
tot eigen opvattingen en geloof over te halen (resp. vragen 125a, 125b, 122, 120,
125e, 123). Het is gebleken dat deze elementen vrij goed aan Guttmans criteria van
unidimensionaliteit voldoen; wij menen in de zo verkregen schaal een meetinstrument
te vinden van de intensiteit waarmee men een of ander cultureel systeem aanvaardt,
kortom, de intensiteit van de cultuuraanvaarding.
De volgende tabel vat in een beknopte vorm de twee belangrijkste gegevens op
dit gebied samen, nl. de richting en de intensiteit waarmee men zich met een
bepaalde richting identificeert.
Tabel 1.7.5 Richting en intensiteit van cultuuraanvaarding
Table 1.7.5 Direction and intensity of culture-involvement
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
244
Het zou onjuist zijn om in de (vermelde) richtingen tot welke men zich rekent een
equivalent te zien van ‘lidmaatschap in’ de desbetreffende instelling of organisatie.
Veel meer komt hierin het element van wereldbeschouwing tot uiting. Om deze
redenen is ook een conclusie omtrent het aantal ‘communisten’ of ‘socialisten’ enz.
in ons land uit de gegevens van Tabel 1.7.5. onjuist. Een persoon kan immers
Rooms-Katholiek van godsdienst zijn en er liberale politieke opvattingen op
nahouden, of Nederlands Hervormd zijn en toch in de Partij van de Arbeid (of een
andere politieke partij) actief bezig zijn en de politieke denkbeelden van de partij of
filosofische richting delen. In de gevallen dat men meer richtingen noemde werd
door middel van een additionele vraag (‘Wat vindt U dat U bent in de eerste plaats?’)
die richting genoteerd, tot welke men zich in de eerste plaats voelde aangetrokken.
We bemerken dat in ons land godsdienst de cultuuraanvaarding der mensen
domineert. We bemerken ook dat de gemiddelde scores van aanvaarding van
mensen van religieuze richting hoger zijn dan die van mensen van politieke richting.
De verschillen in de gemiddelde intensiteit zijn hier echter niet groot. Veel meer
vallen zij in het oog, indien we in plaats van de richting, de intensititeit van de
cultuuraanvaarding onderzoeken bij de verschillende beroepsgroepen. De volgende
tabel 1.7.6 geeft de resultaten van deze opsplitsing goed weer.
De intensiteit is meer dan twee maal zo hoog bij de laatstgenoemde beroepsgroep
als bij de groep ongeschoolde arbeiders en winkeliers. Het verband is zinvol te
interpreteren: vooral bij de laatste drie beroepsgroepen speelt immers het
‘ideologische’ element een sterke rol. Indien we bedenken dat het onderwijs
grotendeels verdeeld is naar de godsdienstige of ethische richtingen, dan is het
geen verrassing om bij het personeel in het onderwijs en de geestelijken de hoogste
cultuuraanvaarding aan te treffen. Hetzelfde geldt t.o.v. het maatschappelijk werk
en de verpleging, die eveneens ‘verzuild’ zijn. De hogere mate van
cultuuraanvaarding in de vrije beroepen is wellicht aan de grotere ‘mondigheid’,
hogere intensiteit van het psychisch en cultureel leven in de kringen der academici
te danken.
Wij willen volstaan met slechts enkele voorbeelden van de spreiding die de mate
van cultuuraanvaarding vertoont bij diverse sociale groeperingen. De overige
samenhangen vindt men in de vorm van correlaties die in de volgende paragraaf
zullen worden besproken. Een uitzondering vormt echter nog de veronderstelde
samenhang met gemengde huwelijken (in godsdienstig opzicht) die uit onze
confrontatie-theorie (dat een verzwakte cultuuraanvaarding zou resulteren uit
dagelijks contact met andersgezinden) af te leiden was. Bij het opsplitsen van
aanvaardingscores naar de kerkelijke gezindte der ouders trof men het volgende
beeld aan. (Zie Tabel 1.7.7).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
245
Tabel 1.7.6 Intensiteit van cultuuraanvaarding naar beroep
Table 1.7.6 Occupation and culture-involvement
Beroepsgroep:
Gemiddelde intensiteit Aantal personen
Occupational category: Mean involvement score Number of persons
Ongeschoolde arbeider
2,0
52
(noch in industrie, noch in
landbouw)
Unskilled labourer (not in
industry or agriculture)
Winkelier
Shopkeeper
2,0
94
Ongeschoolde
2,1
industriearbeider
Unskilled industrial worker
39
Landarbeider
Agricultural labourer
2,2
19
Winkelbediende
Shop-assistant
2,2
22
Overige geschoolde
arbeiders
Skilled workers (not in
industry)
2,5
93
Dienstbode, -knecht
House-servant
2,6
39
Baas, voorman
Foreman, supervisor
2,6
50
Huisvrouw
Housewife
2,7
485
Reiziger,
vertegenwoordiger
Salesmen
2,7
18
Kantoorbediende
Office-clerk
2,8
30
Geschoolde industrie
Skilled industrial worker
2,9
51
Werkgever, ondernemer
Industrialist, employer
2,9
23
Landbouwer
Farmer
3,0
69
Technicus
Technician
3,0
50
Vrije beroepen
Professional
3,3
23
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Maatschappelijk werker,
verpleger
Social worker, nurse
4,3
16
‘In onderwijs’, geestelijke 4,6
Teacher, preacher, priest
30
Tabel 1.7.7 Intensiteit van cultuuraanvaarding naar de samenstelling
van het ouderlijk gezin
Table 1.7.7 Structure of parental family and culture-involvement
Cultuuraanvaarding-score
Cultural-involvement
score
0
1
2
Uit
183
homogene
gezinnen
3
4
5
6
97
277
240
144
149
54
Totaal
Total
1.144
11
18
22
15
24
10
153
Out of
homogeneous
families
De rest 53
The
rest
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
236
108
295
262
159
173
64
1.297
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
246
Hoewel wij bij de personen uit het homogene gezinsmilieu inderdaad een iets hogere
cultuurbinding aantreffen (gemiddelde van 2,7 tegenover 2,3 bij de ‘restgroep’), is
het verschil niet statistisch significant, de nulhypothese kon niet worden verworpen.
Hiertegenover staat dat van de personen uit homogene gezinnen 58% de scores
1
2, 3 of 4 halen; het corresponderende percentage voor de ‘restgroep’ was slechts
36%. Dit gaf ons aanleiding tot bezinning op de oorspronkelijke theorie. Later, nadat
ook de correlaties met migratie en andere variabelen onderzocht werden, brachten
wij daarin een verandering aan: geen verzwakking maar polarisatie van de
cultuuraanvaarding resulteert waarschijnlijk uit de confrontatie met verschillende
wereldbeschouwingen.
De inlichtingen over de solidaire (of sociale) instelling werden ingewonnen door
middel van zes uitspraken die op afzonderlijke kaartjes aan de respondenten werden
voorgelegd met het verzoek om die uitspraak te kiezen waarmee men het het meest
eens was; vervolgens moest men zijn tweede keus bepalen om tenslotte een
uitspraak aan te duiden die helemaal niet de goedkeuring van de respondent kon
wegdragen (vraag 126 van de Vragenlijst). De resultaten van deze ‘volksstemming’
kunnen als volgt worden samengevat. (Zie Tabel 1.7.8).
De solidaire (en tevens behulpzame, sociale) houdingen prevaleren sterk boven de
asociale houdingen. Een duidelijk misantropische uitspraak wordt haast door niemand
onderschreven, al kunnen we veronderstellen dat onder de weigeraars wellicht meer
‘asocialen’ (in de betekenis van onze stimuli) te vinden zouden zijn. Wij kunnen ons
immers nauwelijks indenken dat iemand die zo een krasse asociale houding
aanneemt zoals door onze vraag g) tot uitdrukking gebracht, nog voor medewerking
te winnen is aan een enquête die voornamelijk aan het solidariteitsgevoel van de
respondenten appelleert. Ondanks de misschien ietwat hogere frequentie van de
extreme asociale houdingen bij de bevolking, menen wij een zekere consistentie te
kunnen ontdekken in onze gegevens. De uitspraken onderschreven in tweede
instantie vertonen dezelfde volgorde als de uitspraken die in de eerste instantie zijn
gekozen. Wat de verworpen uitspraken betreft, deze geven voor de enigszins grote
categorieën een spiegelbeeld te zien van de verkregen hiërarchie. Wel valt op dat
de verdeling bijzonder scheef is: de laatste vier uitspraken werden te zamen
1
Deze restgroep bestond uit 13 personen die onduidelijke antwoorden gaven omtrent de
kerkelijke gezindte van hun ouders en 140 personen (d.w.z. 91%) uit in kerkelijk opzicht
gemengd huwelijk. De geconstateerde verschillen in aanvaarding moeten inderdaad aan de
gemengde huwelijkssituatie (of een andere nog onbekende factor hiermee ten nauwste
verbonden) worden toegeschreven.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
247
Tabel 1.7.8 Reacties van 1.297 respondenten op de solidariteitsvragen
Table 1.7.8 Responses to the ‘solidarity’-stimuli
e.
d.
UitspraakOnderschreven in
1e instantie
Stimulus Accepted in the
first instance
Je moet 545
42%
eigenlijk
niet
alleen
voor je
zelf
leven,
maar ook
voor de
ander.
You
must not
actually
live only
for
yourself,
but also
for
others.
Onderschreven in 2eVerworpen
instantie
Rejected
Accepted as second
choice
451
34,8%
2
0,2%
Je moet 426
mensen,
al ken je
ze niet,
met
liefde als
broeders
en
zusters
behandelen.
You
must
treat the
people,
even if
you do
not know
them, as
brothers
and
sisters.
318
32,8%
24,5%
12
0,9%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
b.
In geval 198
van nood
moeten
de
mensen
wel een
beetje
geholpen
worden.
In cases
of need
people
should
be
helped a
bit.
15,3%
313
24,1%
6
0,5%
f.
Als het 58
nodig is
dan help
ik ze wel,
maar ik
vind het
ook best
om
alleen te
zijn.
If
necessary,
I help
them a
bit; but I
prefer to
be alone.
4,5%
78
6,0%
9
0,7%
a.
Iedereen 39
moet wel
voor zich
zelf
weten te
zorgen
en
andere
mensen
niet
lastig
vallen.
Everybody
must
know to
look after
himself
and
should
3,0%
63
4,9%
51
3,9%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
not
bother
other
people.
c.
Ik heb
8
met
andere
mensen
niets te
maken,
ze
moeten
me liever
met rust
laten.
I have
nothing
to do
with
others;
they
should
leave me
alone.
0,6%
8
0,6%
187
13,7%
g.
Ik geef
1
niets om
anderen.
Ik vind
het al erg
genoeg
dat zij
bestaan.
0,1%
3
0,2%
986
76,0%
Geen antwoord,
22
codeerfout
No answer, coding
error
1,6%
63
4,9%
53
4,1%
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
1.297
99,9%
1.297
100,0%
1.297
100,0%
I do not
care
about
others; it
is bad
enough
that they
exist.
door minder mensen onderschreven dan de uitspraken e, d, b, afzonderlijk. Om
deze redenen werden zij samengetrokken in één categorie en is een ‘semantische
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
schaal’ gevormd bevattende vier graden (zie Tabel 2.7.4), die als variabele no.20
bij onze uiteindelijke analyse werd betrokken. Bij de interpretatie van de
samenhangen dienen we met dit relatief ontbreken van sterk asociale groeperingen
in onze bevolking rekening te houden. De door ons opgestelde schaal (uitspraken:
d, e, b, en de rest, in deze volgorde) brengt waarschijnlijk naast de sociale houding
tevens de reactie van de respondenten op de kleine nuancen in formulering tot
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
248
uitdrukking (om concreet te zijn: het feit dat we uitspraak d boven uitspraak e hebben
geplaatst kan deels de correlatie met het ‘kerkgenootschap A’ en met
‘cultuuraanvaarding’ hebben veroorzaakt). Ondanks mogelijke tekorten van onze
meetindicatoren is het toch leerzaam hun onderlinge verbanden en de samenhangen
met enkele aspecten van de sociale structuur kritisch onder de loep te nemen.
1.7.5 Structurele en functionele verbanden
Het opnemen van de formele sociale participatie, cultuuraanvaarding en de sociale
instelling in de Basis Correlatie Matrix maakte het ons mogelijk de analyse van
samenhangen op een hoger statistisch niveau voort te zetten. De factoranalyse gaf
hier een verrassend resultaat te zien. De eerste drie geëxtraheerde factoren
vertoonden nauwelijks ladingen van betekenis. Er was een zwakke lading van sociale
participatie met Factor I (Noord (protestants) vs. Zuid (rooms-katholiek)) en met de
Factor II (man vs. vrouw), suggererend meer participatie bij mannen en in het kerkelijk
gebonden zuidelijke samenlevingstype. Geen ladingen van enige betekenis werden
echter geconstateerd met cultuuraanvaarding en solidaire (sociale) instelling, tot de
Factor IV werd geëxtraheerd. Deze vierde factor gaf een interessant beeld te zien.
We vonden hier alle indicatoren van integratie verenigd, met de volgende ladingen:
Factor IV
Variabele no.:
10
Intensiteit
cultuuraanvaarding
Ladingen
.722
9
Formele sociale
participatie
.638
20
Sociale (solidaire) instelling .570
12
Kerkgenootschap A
.453
6
Gemeentegrootte
-.237
4
Opleiding
.218
17
Houding t.o.v. het drinken .195
18
Intensiteit koffiegebruik
-.194
11
Contact met
communicatiemedia
.180
22
Bezorgdheid
.167
8
Gezinsbinding
-.164
Vertaald uit de taal van analytische ‘telegramstijl’, suggereert Factor IV dat de
bovenvermelde ‘eigenschappen’ bij onze bevolkingsgroep gekoppeld zijn, dat er
mensen te vinden zijn die de combinatie van de volgende kenmerken vertonen in
meer dan toevallige frequentie: intensief aanvaarden van eigen leer; intensievere
deelname aan het verenigingsleven en
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
249
sociale instellingen; een meer positieve (solidaire) houding tegenover de
medemensen; een sterkere kerkelijke binding of een lidmaatschap in de kerk met
veel gezag over de individu; woonachtig in een kleinere gemeente; wellicht zelfs
nog: meer schoolopleiding; een meer afwijzende houding t.o.v. de alcohol; intensiever
koffiegebruik; intensievere secondaire contacten (radio, pers); meer bezorgdheid.
Tenslotte nog een zwakke lading, suggererende dat bij deze groep mensen meer
ongehuwden dan gehuwden (met vele kinderen) te vinden zijn.
Indien we de laatste variabele vanwege de lage lading voorlopig buiten
beschouwing laten, dan vinden we deze groepering van eigenschappen aannemelijk
en deels in overeenstemming met onze theoretische verwachtingen. Daar de hoge
ladingen van de eerste drie variabelen in dezelfde richting wijzen, moeten we stellen
dat er wel degelijk steun is verleend aan de ‘personalistische’ integratietheorie.
Mensen die veel aan het verenigingsleven deelnemen (en die ook meer informele
contacten met familie of kennissen hebben, zoals we in de voorafgaande paragraaf
hebben aangetoond; zie Tabel 1.7.2), vereenzelvigen zich ook in sterkere mate met
een der culturele subsystemen dan zwakke of non-participanten. Dezelfde groep
mensen is tevens gekenmerkt door een meer sociale en behulpzame instelling
tegenover de medemensen in het algemeen. Al kunnen we de onderscheiden
aspecten van integratie niet als behorend tot een unitair concept beschouwen (we
wezen reeds o.a. op de differentiële samenhangen met de formele en informele
participatie), het is toch duidelijk dat in de termen van de 34 variabelen van
uiteenlopende aard in ons schema opgenomen, sociale participatie,
cultuuraanvaarding en sociale instelling een functioneel geheel vormen. In zwakkere
mate kunnen wellicht ook kerkgenootschap (weliswaar wel reeds begripsmatig met
sociale participatie zwak verbonden: de onkerkelijken verkregen immers minder
punten op de participatieschaal), opleiding en contacten met communicatiemedia,
tot de kenmerken van sociale integratie van de individu gerekend worden. Beide
laatstgenoemde variabelen maken het de individu mogelijk aan het
gemeenschapsleven intensiever deel te nemen door de frequentere contacten met
het cultuurgoed dat de gemeenschap produceert en/of bewaart. Met andere woorden,
zij blijken een belangrijke rol te spelen in het socialisatieproces van de individu; door
schoolopleiding en door middel van radio, kranten en tijdschriften voltrekt zich de
1
enculturatie en de socialisatie .
1
Voor een goede Nederlandse uiteenzetting van beide begrippen raadplege men J.A.A. van
Doorn, C.J. Lammers, Moderne sociologie. Systematiek en analyse, Aula-Boeken, 1959. De
schrijvers spreken van ‘socialisering’ waaronder zij m.i. een specifieke vorm van enculturatie
verstaan, nl. het overnemen van ‘cultuurelementen die het mogelijk maken zich op adequate
wijze te bewegen in de sociale groeperingen, welke voor de betrokkene relevant zijn’ (blz.
220-221); enculturatie wordt opgevat als ‘overdracht van de cultuur van de groepering aan
het “in te lijven” individu’. Het verband met de sociale participatie zou reeds uit woorden ‘zich
bewegen in de sociale groeperingen’ kunnen worden afgeleid. De auteurs definiëren echter
breder: ‘zich bewegen = interacteren en communiceren, relaties aanknopen en verhoudingen
opbouwen’. (Ibid., 221). Zie ook noot 1, blz. 47.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
250
Het zijn echter niet slechts de individuele processen die de integratie van de individu
bevorderen of belemmeren. Het feit dat we in ‘kleinere gemeenten’ een factor moeten
zien die met de integratie te maken heeft, richt onze aandacht op de sociale structuur:
een hechte plattelandse samenleving correleert nu eenmaal met meer participatie
en meer solidaire houding van de individu. (Dit valt des te meer op daar we mogen
veronderstellen dat er in het dorp minder verenigingen en instellingen voor participatie
beschikbaar zijn).
De overige variabelen met hogere ladingen behoren waarschijnlijk eerder tot de
gevolgen dan tot de oorzaken van integratie: lager koffiegebruik en de meer
afwijzende houding t.o.v. de alcohol vloeien voort uit (of gaan samen met) de
integratie van de individu. De door ons geformuleerde ‘hedonisme’-theorie komt
hier alweer om de hoek kijken; mensen zonder bindingen (zoals we op de Basis
Matrix zien: vooral culturele bindingen) zijn meer tolerant tegenover de sensuele
bevrediging die alcohol biedt en hebben minder de prikkels nodig, die koffie biedt.
We missen echter een lading met ‘snoepgewoonten’; op de Basis Correlatie Matrix
lezen we af dat er zelfs een positief verband (dus tegenovergesteld aan de
hedonismetheorie) bestaat tussen cultuuraanvaarding en snoepen: mensen die
hoge scores hebben, snoepen veel (r10-18 = - .112). Het is waarschijnlijk het
‘gevaar’-element dat bepaalde vormen van zelfbevrediging voor deze groepering
met hoge scores onaanvaardbaar maakt. Terwijl de ‘bezorgdheid’variabele via de
cultuuraanvaarding nog in zinvol verband met de integratie gebracht kan worden
(mensen die religie of een politiek systeem aanvaarden, maken zich meer zorgen
over de verhouding tot God, over de politieke toestanden, enz.), is de laatste
variabele nauwelijks ‘interpretabel’. Wij zouden immers eerder een grotere sociale
integratie bij gehuwden met kinderen verwachten dan bij ongehuwden of mensen
met kleinere gezinnen; de (overigens zeer lage) lading wijst echter in de
tegenovergestelde richting. Voordat we echter via de partiële correlaties tot de
detailanalyse overgaan, willen we tevens op de ladingen wijzen, die we verwachtten
en die ontbreken. Zoals uit Tabel 2.8.2 valt af te lezen, vertoont de variabele
‘inkomsten’ de laagste lading van alle 34 variabelen in ons schema ingelast.
Voorzover de maatschappelijke positie door de inkomsten wordt bepaald, heeft
deze met de sociale integratie van de individu nauwelijks iets te maken. Een
gedeeltelijke bevestiging, maar ook een verdieping van dit inzicht verkrijgen we
indien we de ladingen van de integratie-indicatoren onderzoeken met de Factor VI
die we als ‘maatschappelijke status’ hebben herkend (lading met inkomsten: .730):
slechts sociale participatie
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
251
vertoont een lading van betekenis (.328); cultuuraanvaarding is alweer het laagst
geladen (.004), sociale instelling zonder betekenis (- .088). We menen hier een
bevestiging te vinden van onze kritiek op Stuart Chapins index, die deze nog sterk
gebonden zag aan de financiële en maatschappelijke positie (bij koos ‘contributies’
en ‘leidinggeven’ als doorslaggevend voor de intensiteit van deelname aan de
instelling).
Onze detailanalyse heeft op de eerste plaats de zelfstandige invloed bevestigd van
elke van de vier sterk intergecorreleerde variabelen: sociale participatie,
cultuuraanvaarding, sociale instelling en kerkelijke binding (kerkgenootschap A).
Niet alleen waren deze variabelen gecorreleerd in die mate, dat de wederzijdse
correlaties tot de hoogste correlaties behoorden van alle correlaties met 30 overige
variabelen, ook de partiële correlaties bleven steekhoudend. Met andere woorden,
de samenhangen met b.v. sociale participatie konden niet verklaard worden uit de
werking van cultuuraanvaarding en andersom; de samenhangen met de sociale
instelling konden niet worden toegeschreven hetzij aan de cultuuraanvaarding, hetzij
aan de sociale participatie. Wel dient in dit verband vermeld te worden dat behalve
de correlatie met de grootte van de woonplaats geen additionele echte verbanden
met sociale instelling werden gevonden. Mensen in kleinere plaatsen, mensen die
een cultureel systeem aanvaarden, veel aan het verenigingsleven deelnemen, lid
zijn van een kerk met gezag, dit zijn in onze samenleving personen die meer
behulpzaam en solidair zijn met de medemensen.
Indien we de twee hoofdvariabelen, sociale participatie en cultuuraanvaarding
vergelijken met betrekking tot hun relatiepatronen, dan zien we naast de
overeenkomsten reeds door de factoranalyse gesuggereerd ook belangrijke
verschillen.
Alweer bemerken we dat, terwijl de sociale participatie meer door de
inkomstenfactor dan door de opleiding wordt bepaald (r3.4-9 = .088; 4.3-9 = .161), de
cultuuraanvaarding geheel niet met de inkomsten is gecorreleerd, maar wel met de
opleiding (r4-10 = .139). De volgende variabelen zijn wel met de sociale participatie
en niet met de cultuuraanvaarding verbonden: geslacht (vrouwen participeren
minder), grootte van woonplaats (meer participatie in kleinere plaatsen),
rookgewoonten (meer roken van participanten), tevredenheid (meer satisfactie van
1
participanten), persoonlijkheidsevenwicht (meer klachten bij non-participanten) ,
jeugdherinneringen (prettige jeugd bij participanten).
1
Met nadruk willen we hier stellen dat we hier tussen de haakjes slechts de richting van de
samenhang aanduiden, onze uitspraak heeft geen betrekking op een beperking van een
variabele tot een tweedeling. Het ging ons niet om participanten en niet-participanten maar
om verschillende graden van sociale participatie; hetzelfde geldt voor de variabele ‘kerkelijke
binding’ en andere, die volledig in Tabel 2.7.4 zijn weergegeven.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
252
De volgende variabelen bleken, op hun beurt, wel met de cultuuraanvaarding maar
niet met sociale participatie gecorreleerd: aanvaarding kennis omtrent schadelijke
gevolgen van het roken (meer aanvaarding bij mensen met intensiever culturele
binding); koffiegebruik (minder bij mensen met de hoge scores); houding t.o.v.
alcohol (afwijzend bij mensen met hogere scores); bezorgdheid (meer bezorgdheid
bij cultuuraanvaarding); kerkgenootschap B (minder intensieve innerlijke binding bij
Rooms-Katholieken dan bij Protestanten). Zowel met cultuuraanvaarding als met
sociale participatie correleerden, behalve het reeds vermelde kerkgenootschap A,
opleiding en sociale instelling. Tevens: snoepgewoonten (meer participatie en meer
aanvaarding gaat met meer snoepen gepaard) en contact met communicatiemedia
(meer contacten bij participanten en mensen met hogere scores van aanvaarding).
Tenslotte willen we de verbanden vermelden die niet echt bleken te zijn, die de
toetsing door middel van een testfactor niet hebben kunnen doorstaan. Gezinsbinding
bleek noch met sociale participatie, noch met sociale instelling gecorreleerd; een
zwakke samenhang met cultuuraanvaarding werd tot de grens van insignificantie
gereduceerd in de sub-groeperingen van kerkgenootschap (r12.8-10 = .074). Het feit
dat er onder de niet-gehuwden meer aanvaarding voorkomt, valt o.i. deels te
verklaren uit het feit dat de lidmaten van kerken met een sterker collectief gezag
(Rooms-Katholieken, Gereformeerden) kinderrijk en dus ook gemiddeld jonger zijn
dan de rest der bevolking; hierdoor zijn er relatief meer ongehuwden in deze
groeperingen; een samenhang tussen ongehuwd (gehuwd) zijn en de
cultuuraanvaarding drukt dus eigenlijk deels de samenhang tussen
cultuuraanvaarding en kerkgenootschap uit.
Als onecht werd verder gevonden: de correlatie tussen inkomstenvermeerdering
en participatie (reeds te verklaren uit de werking van opleiding en inkomsten op
participatie); tussen de meer sociale instelling en de prettige jeugdherinneringen (te
verklaren uit de werking van sociale participatie).
Laten we nogmaals de resultaten van onze analyse in een iets overzichtelijker vorm
samenvatten, ons beperkend tot de echte samenhangen, die de toets van het
systematisch invoeren der testfactoren hebben doorstaan:
Samenhangen met formele sociale participatie
Meer participatie gaat samen met:
var. 12
meer kerkelijke binding
r = .293
var. 10
meer cultuuraanvaarding
r = .282
var. 20
meer sociale houding
r = .194
var. 3
hogere inkomsten
r = .193
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
253
var. 5
kleinere woonplaatsen
r = -.170
var. 1
het man-zijn in onze
samenleving
r = -.163
var. 11
meer contacten met
massacommunicatie
r = .145
var. 4
meer schoolopleiding
r = .138
var. 24
meer
r = -.137
persoonlijkheidsevenwicht
var. 21
meer algemene satisfactie r = -.114
var. 26
prettige
jeugdherinneringen
r = -.114
var. 19
meer snoepen
r = .098
var. 12
meer roken
r = .097
Het lijkt futiel de temporele prioriteit van alle variabelen te bepalen en zodoende de
waarschijnlijke oorzaken en gevolgen uit de geconstateerde samenhangen af te
leiden. Zelfs ‘jeugdherinneringen’, waarvan we zouden denken dat zij voorafgaan
aan de participatie, kunnen een gevolg en niet een oorzaak vormen hiervan. We
kunnen ons immers goed de situatie denken waarin door de prettige sociale
contacten het persoonlijkheidsevenwicht van de persoon verbeterd wordt en hij tot
betere evaluatie komt van eigen jeugd. Want het is het oordeel over de jeugd, niet
de jeugd zelf waarmee we hier te maken hebben en dit oordeel wordt gelijktijdig
met de participatie (of non participatie) geveld. Hetzelfde kan, strikt genomen, gezegd
worden ook van vele andere variabelen.
Aan de andere kant kunnen we ons moeilijk voorstellen dat b.v. opleiding,
inkomsten, woonplaats, kerkelijke binding en cultuuraanvaarding een mogelijk gevolg
kunnen zijn van participatie. Deze kunnen o.i. hetzij als waarschijnlijk oorzakelijke
factoren van participatie gezien worden, hetzij als factoren die met de nog onbekende
oorzaak van beide (de participatie en de variabele in kwestie) verbonden zijn. Zo
kan hogere inkomsten inderdaad aan leidinggevende positie verbonden zijn; daar
sociale participatie eveneens de leidinggevende rol (of vermogen tot leidinggeven)
tot uiting brengt, is zij hiermee gecorreleerd. Het is eveneens zinvol om b.v. een
algemene integratiefactor te veronderstellen als een psychische eigenschap en te
poneren dat mensen met neiging tot integratie hierdoor reeds èn participeren, èn
kranten lezen en naar de radio luisteren, èn een solidaire houding kennen t.o.v. de
medemensen.
Al is hier dus een gebied van onzekerheid, we willen ons toch niet onthouden van
een oordeel, dat wellicht speculatief en subjectief zal moeten blijven. Het is onze
opvatting dat de cultuuraanvaarding eerder als oorzaak dan als gevolg moet worden
gezien van zowel participatie als solidaire houding; het bestaande verenigingsleven
is immers dermate exclusief voor personen van dezelfde geloofsrichting toegankelijk
dat het moeilijk denkbaar is dat personen die de richting in kwestie niet hebben
aanvaard er ooit inkomen. Hetzelfde kan wellicht ook t.a.v. de variabele ‘geslacht’
gesteld worden: leidinggeven over de gemengde groepen van mannen en vrouwen
wordt nog steeds aan mannen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
254
voorbehouden en eveneens aan mensen van hogere positie (meer opleiding en
hogere inkomsten). Wat de solidaire houding betreft hebben we reeds de theoretische
verwachting uitgesproken dat een universalistische leer tevens een humanitaire
houding impliceert. Indien niet door bepaalde andere (in ons analytisch schema niet
opgenomen) variabelen veroorzaakt, kunnen de samenhangen met roken en snoepen
als waarschijnlijke gevolgen van socialisatie gezien worden. Beide, roken en
snoepen, zoals voldoende in vorige hoofdstukken is besproken, zijn immers sociale
gewoonten, die in sociale situaties worden aangeleerd en aangekweekt.
Samenhangen met cultuuraanvaarding
Meer aanvaarding gaat samen met:
var. 9
hogere participatie
r = .282
var. 12
meer kerkelijke binding
r = .269
var. 20
meer sociale houding
r = .251
var. 22
meer bezorgdheid
r = .140
var. 4
meer schoolopleiding
r = .139
var. 19
meer snoepen
r = .124
var. 18
minder koffiegebruik
r = -.112
var. 11
meer contact met
massacommunicatie
r = .107
var. 32
Protestants zijn meer dan r = .104
R.-K. zijn
var. 17
meer afwijzing van alcohol r = .097
var. 10
meer aanvaarding kennis r = .089
omtrent gevolgen van
roken
We bemerken hier dat de correlatie met sociale houding hier sterker is dan in het
vorige geval, een reden te meer om aan de oorzakelijke invloed van aanvaarding
gewicht toe te kennen. Verbanden met snoepen en koffiegebruik zijn nog
intrigerender. We vonden tevens een significant verband met de houding t.o.v. het
drinken dat echter bij opsplitsing bijna tot non-significantie werd gereduceerd; we
bemerken bij de mensen die zich in hogere mate met eigen leer identificeren een
sterke mensheid-beschermende houding. Men bant gevaarlijke gewoonten uit,
aaanvaardt ook de alarmerende kennis omtrent gevolgen van roken; het onschadelijk
geachte snoepen blijft dan als compensatie. Van alle integratievariabelen is
cultuuraanvaarding de enige die een positief verband vertoont met ‘kerkgenootschap
B’, gebaseerd, zoals men weet op de driedeling Protestant - onkerkelijke Rooms-Katholiek. Volgens deze bevinding is er sterkere identificatie met eigen leer
in protestantse dan in de rooms-katholieke kringen, althans in de termen van
psychische interactie zoals gemeten door onze cultuuraanvaardingsschaal.
Indien we ons op het gebied van speculatie omtrent de mogelijke oorzaken en
gevolgen begeven, dan zouden we kerkgenootschap (dat men immers nog steeds
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
255
overwegend van huis uit meekrijgt) en schoolopleiding als de mogelijke oorzaken
willen zien en alle andere samenhangen als hetzij gevolgen, hetzij symptomen van
aanvaarding willen beschouwen.
Samenhangen met sociale instelling
Meer solidaire houding gaat samen met:
var. 10
cultuuraanvaarding
r = .251
var. 9
meer sociale participatie
r = .194
var. 12
meer kerkelijke binding
r = .144
var. 6
kleinere woonplaats
r = -.140
Het is merkwaardig dat uit de 33 variabelen van ons schema er bijna geen te vinden
is, behalve de overige integratievariabelen, die met sociale instelling is gecorreleerd.
Zonder op de conclusies te willen vooruitlopen moeten we hier toch vermelden dat
Sorokins opvatting (zie blz. 237), een kern van waarheid bevat: noch de
maatschappelijke positie, noch het geslacht, de leeftijd, of een ander aspect van de
sociale structuur blijkt deze houding te bepalen. Uitzondering moeten we maken
voor de grootte van de woonplaats. In onze samenleving zijn mensen in kleinere
gemeenten gekenmerkt door een meer behulpzame houding dan in de steden
(althans: in zover door middel van onze vraag gemeten). We aarzelen niet om zowel
in de ‘woonplaats’ als in de kerkelijke binding een oorzakelijke factor te zien.
Tenslotte willen we hier nog blijven stilstaan bij een andere variabele, die zowel
met de participatie als de cultuuraanvaarding is gecorreleerd en wellicht eveneens
als een indicator van integratie in de samenleving gezien kan worden, althans voor
de mate van secundaire contacten: onze variabele 11, contacten met de
massa-communicatiemedia, zoals radio, krant, tijdschrift, lezingen.
Contacten met massa-communicatiemedia
Meer contacten gaan samen met:
var. 3
hogere inkomens
r = .197
var. 31
het wonen in het Noorden r = -.175
var. 9
meer sociale participatie
r = .145
var. 4
meer schoolopleiding
r = .134
var. 10
meer cultuuraanvaarding
r = .107
Alweer vermelden we slechts die verbanden die voor zover we konden nagaan
‘zuiver’ zijn. Op de oorspronkelijke Basis Correlatie Matrix vinden we b.v. nog de
correlatie met het wonen in steden (r6-11 = .100); deze kon echter geheel door de
werking van de variabelen ‘Zuid-Noord’ worden verklaard (r31.6-11 = .046; r6.13-11 =
- .151).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
256
Alle vermelde variabelen zijn eerder als oorzaken dan als gevolgen van contacten
met pers en radio te zien: inkomsten waarschijnlijk via de beschikbaarheidstheorie;
hogere inkomsten maken het mogelijk zich op meerdere kranten en ev. ook op
tijdschriften te abonneren en een radiotoestel aan te schaffen (hoewel de meeste
gezinnen hiervan reeds zijn voorzien, ev. door middel van draadomroep).
Schoolopleiding wekt wellicht belangstelling en helpt een positie te bereiken waarin
krant of radio een noodzaak zijn: men moet geïnformeerd zijn. Hetzelfde geldt
wellicht voor de sociale participatie, hoewel hier eerder een andere verklaring voor
te geven is: naast de contacten met concrete sociale instellingen verlangt een goed
geïntegreerd mens naar secundaire contacten met de ‘society at large’ zoals de
Amerikanen het noemen, met de macrosociologische aspecten van de samenleving
(althans in zijn Nederlandse afmetingen); de indicatoren versterken elkaar.
Ietwat moeilijk valt de samenhang met de Noord-Zuidverdeling van ons volk te
verklaren. Misschien speelt hier de aard van de Zuiderling en tevens zijn betere
klimaat een rol: de primaire, onmiddellijke contacten, in huis, buiten of in de kroeg,
vervangen de secundaire contacten van de Noorderling, die niet naar buiten kan
vanwege het slechtere klimaat en niet naar de kroeg mag, vanwege zijn godsdienst
en geweten.
1.7.6 Interpretatie en conclusie
Terugkerend tot ons theoretische uitgangspunt bemerken wij dat de empirische
analyse de resultaten van onze ontleding van het begrip ‘maatschappelijke integratie
van de individu’ ondersteunt. De onderscheiden elementen van de integratie, het
zich aansluiten bij instellingen en verenigingen, het bekleden van functies, de
solidaire, behulpzame houding tegenover de medemensen en het delen van
waarden- en doelstellingspatroon van eigen samenleving zijn alle relatief sterk
intergecorreleerd in de steekproef van 1.297 volwassen leden van de Nederlandse
samenleving. De samenhangen tussen deze aspecten van integratie zijn zo intensief
dat voor de meeste geen sterkere verbanden te vinden waren uit de gehele reeks
van 30 variabelen. Geen wonder dan dat het concept van maatschappelijke integratie
als de vierde factor te voorschijn kwam bij onze poging om door middel van de
factoranalyse de variantie van de 34 maatschappelijke en gedragsvariabelen te
verklaren. Met andere woorden, uiteenlopende aspecten van de sociale structuur
en van maatschappelijke en psychische omstandigheden worden door de sociale
integratie medebepaald; in causaal opzicht volgt deze factor rechtstreeks na
Zuid-Noordfactor, man- of vrouw-zijnfactor, opleiding-emancipatiefactor. Nadat deze
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
257
factoren hun rol hebben gespeeld en de verschillen in de spreiding van onze 34
variabelen hebben verklaard, komt de Factor IV omstreeks 5,5 % van de totale
variantie voor zijn rekening nemen (zie Tabel 2.8.2). Hierna volgen pas de reeds
besproken factor van satisfactie en persoonlijkheidsevenwicht, factor
‘maatschappelijke positie’, factor ‘leeftijd’, enz. Het algemene belang van de
maatschappelijke integratie als een verklarende factor in het sociaal onderzoek is
duidelijk aangetoond.
Wij mogen in dit verband vermelden dat de mogelijke samenhang van de formele
participatie met de solidaire houding en de cultuuraanvaarding van de sociologen
tot heden o.i. onvoldoende aandacht heeft verkregen. De psychologen en in ons
land vooral de groepspsychologen, hebben voor deze meer innerlijke banden meer
1
begrip getoond . Zij wijzen op het feit dat de voornaamste motieven die aan
groepsattractie ten grondslag liggen zijn: a. sympathie voor de medegroepsleden;
b. interesse voor de activiteiten van de groep; c. het delen van de doelstelling van
de groep; d. het prestige van het lidmaatschap.
Vooral de eerste twee aspecten, verwaarloosd tot dusver in de sociologische
research, vinden in de macrosociologische vertaling een ondersteuning in ons
onderzoek. Sociale participatie vormt wellicht een macrosociologische ‘pendant’
van groepslidmaatschap; de algemene solidaire of sociale houding kan dan als een
vertaling voor ‘sympathie voor de medegroepsleden’ dienen, de cultuuraanvaarding
(eigenlijk subcultuuraanvaarding in onze complexe samenleving) vormt wellicht een
analogie met het accepteren van de doelstelling van de groep. Wel weten wij dat
we hier voornamelijk met analogieën te maken hebben, dat een kleine groep nooit
met de ganse samenleving op gelijke voet is te plaatsen. De vraag is echter, of wij
bij de vergelijking of ‘vertaling’ van micro- in macrosociologische bevindingen en
2
theorieën (en andersom) verder kunnen komen dan de analogie .
Van de drie door ons vermelde theorieën van integratie vonden twee weinig steun
in onze bevindingen. De factor maatschappelijke positie bleek minder relevant voor
de integratie dan de onderzoekers, die uitsluitend werken met Stuart Chapins index
gewend zijn aan te nemen. ‘Inkomsten’ bleek wel voor de participatie van belang
te zijn, kwam echter in de geëxtraheerde Factor IV met de laagste ladingen te
voorschijn. Waarschijnlijk is het element van vorming, dat het beroep van de mens
1
2
Zie vooral J. Koekebakker, A. van Bergen, ‘Group-cohesiveness in laboratory experiments’,
in Acta Psychologica, XVI, 1959, blz. 81 v.v. Tevens: J. Koekebakker, ‘Enkele beschouwingen’
in het Sociologisch Jaarboek XIII, (1959) blz. 106 v.v.
Voor een kritische stem hieromtrent zie P.J. Bouman, ‘Sociologische en psychologische
aspecten van de studie van de kleine groep’, Sociologisch Jaarboek IX, (1955). Tevens de
recente dissertatie van J.A.A. van Leent, De macro-micro-verhouding bij de sociologie, de
psychologie en de sociale psychologie, Den Haag, 1962.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
258
vergt, aansprakelijk voor de hogere cultuurbinding die wij in bepaalde
beroepsgroepen aantreffen. Noch beroep noch opleiding bleek met de solidaire
houding verbonden te zijn.
De compensatietheorie wordt tegengesproken door de reeks van onderlinge
verbanden die de indicatoren van integratie vertonen. Informele participatie gaat
samen met de formele participatie, deze laatste is dan zowel met cultuuraanvaarding
als met solidaire houding gecorreleerd, terwijl de laatste twee variabelen ook een
verband vertonen. De elkaar versterkende werking gaat nog verder: contacten met
massacommunicatiemedia zijn frequenter naar mate men meer participeert en
dieper in eigen leer is geïnvolveerd. De opvatting alsof de ene de andere uitsluit,
alsof de mens een beperkte psychische energie heeft, die van hem hetzij een
1
verenigingslid, hetzij een lezer en radioluisteraar maakt, gaat niet op .
Hoe moeten we dan deze sterke intercorrelatie der indicatoren duiden? Hoe zijn
de samenhangen tussen de onderscheiden aspecten der integratie te verklaren?
Een voor de hand liggende verklaring zou zijn in de veronderstelde psychische
2
eigenschap: ‘sociabiliteit’, of ‘sympathie’ om met David Hume te spreken .
Hoe moeten we ons echter een dergelijke eigenschap indenken? Als erfelijk
bepaald of als simpel gegeven volgens het populaire dictum ‘je bent het of je bent
het niet’? Dit komt echter neer op de constatering van integratie en de ‘verklaring’
vervalt in cumulatie van woorden. De sociogenese van een dergelijke eigenschap
(trouwens zelfs Hume spreekt reeds over ‘sentiment’ dat meer vergankelijk van aard
is dan een aangeboren eigenschap) komt in het brandpunt der belangstelling te
staan.
Een dynamisch verklaringsmodel verkiezend boven een meer statisch model van
‘Aristoteliaanse psychologie’, maken we dan dankbaar gebruik van inzichten die de
groepspsychologie op dit gebied heeft verzameld. De brug vormt onze kennis omtrent
de structuur van de samenleving: de sociale instellingen bestaan nu eenmaal uit
kleine groepen, de samenleving is op groepsrelaties gebouwd. Het is dan ook
duidelijk dat iemand die zich voor de Kerk wil inspannen in de kleine gemeente of
parochie van zijn dorp of buurt terechtkomt, zoals iemand die ‘de maatschappij van
mor-
1
2
Wij wensen op deze plaats te wijzen op de bevinding dat ook het lezen van boeken meer bij
(betere) participanten voorkomt; zie onze A Dutch Community, Wolters, Groningen 1961, blz.
313. Al was ook in het onderhavige onderzoek de samenhang met de lange werkuren deels
aan de inkomsten te wijten, het blijft een feit dat de participanten meer uren op een dag werken
dan non-participanten of slechte participanten. Mensen met vele informele contacten vermelden
significant frequenter drukker werk dan mensen die weinig op bezoek gaan. De evidentie
tegen de ‘compensatie’theorie, tegen de opvatting dat de beperkte tijd of energie de mens
één vorm van contacten doet kiezen en andere verwaarlozen, is inderdaad bijzonder groot.
David Hume, An Enquiry Concerning the Principles of Morals, Oxford University Press, 1902.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
259
gen’ wil bouwen, tenslotte in de kiesvereniging van zijn woonplaats, een vakbond
of het secretariaat van een politieke partij gaat werken. Andersom kan ook gebeuren
dat uit informele contacten een gezamenlijk lidmaatschap in één of andere
recreatievereniging tot stand komt; dat de sympathie voor de concrete leden tenslotte
in de formele participatie of cultuuraanvaarding uitmondt. In kleinere groepen
versterken immers deze motieven elkaar; daar de samenleving uit kleine groepen
bestaat, houdt hier de analogie op en kan van functioneel of structureel verband
gesproken worden.
Ondanks het feit dat de onderscheiden betekeniselementen van integratie in
dezelfde Factor IV verenigd zijn, ondanks hun hoge onderlinge intercorrelaties,
vormen zij geen unitair concept. Zij vertonen differentiële samenhangen met andere
variabelen, d.w.z. een ieder van hen is verbonden met andere oorzakelijke factoren.
Wij willen niet in herhaling vervallen door hier opnieuw in te gaan op de samenhangen
in de vorige paragraaf opgesomd. Slechts willen we erop wijzen dat de integratie
van meer operatieve (d.w.z. doelbewust manipuleerbare) factoren afhangt dan van
sommige andere hoofdvariabelen in die boek behandeld; opleiding is er één van;
hiernaast kunnen ook de activiteit van de verenigingsleiders, van de talrijke
aftakkingen van de kerken, de gerichtheid van de massacommunicatie en particulier
initiatief van bezoekers de isolatie van de individu, die vooral bij de onkerkelijken in
de grote steden is gesignaleerd, doorbreken. Dit is wellicht een niet al te ongegrond
optimistische conclusie, die we uit de wederzijdse versterking van integratievariabelen
kunnen afleiden. De toenemende integratie heeft dan voor meerdere thema's in
deze studie behandeld positieve consequenties: we hebben immers gezien, dat
zowel de satisfactie als het persoonlijkheidsevenwicht althans met één der variabelen
(formele participatie) verbonden is en als een waarschijnlijk gevolg hiervan is te
beschouwen. We hebben eveneens gezien dat de cultuuraanvaarding leidt tot het
uitbannen of tenminste afkeuren van de meer riskante of gevaarlijke gewoonten,
zoals koffiedrinken, alcoholgebruik en roken. Thans willen we nog wijzen op twee
andere variabelen, die o.i. van groot praktisch belang zijn en die het thema zullen
vormen van ons laatste hoofdstuk.
Op de eerste plaats is het de meer solidaire houding die zowel uit de intensieve
culturele binding als uit de meer intensieve sociale participatie schijnt te resulteren.
Het is deze houding waarop grotendeels niet slechts ons maatschappelijk werk en
onze hulpverlening berust, maar ook elke grotere actie die het welzijn en het zich
wel-bevinden der mensen beoogt te verbeteren: wij kunnen geen reuma bestrijden,
invaliditeitspensioenen gaan invoeren of verhogen, kinderen uitzenden of misdadigers
reclasseren indien deze houding niet bij de bevolking in voldoende mate aan te
treffen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
260
is. Het kan daarom van nut zijn voordat men acties in deze en aanverwante gebieden
gaat ontketenen zich van de bovenomschreven spreiding van deze houding, en van
de factoren die deze houding bevorderen, grondig rekenschap te geven.
De variabele die op de frequentie van contacten met massa-communicatiemedia
is gebaseerd, is eveneens van de integratievariabelen afhankelijk. Het belang hiervan
voor de voorlichting behoeft geen nader betoog. Het is interessant te zien dat we
nauwelijks andere factoren konden vinden dan de integratiefactor en de hiermee
gecorreleerde variabelen die contacten met massacommunicatie bevorderen. Dit
reeds rechtvaardigt o.i. het opnemen van het vraagstuk der integratie in de studie
die een evaluering van een voorlichtingscampagne als een van zijn hoofdthema's
had. Tot dit thema willen we thans dan ook overgaan.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
261
1.8 Voorlichting en zorg voor eigen welzijn
1.8.1
Theoretische beschouwingen
1.8.2
Enkele indicatoren
1.8.3
Case study: voorlichting omtrent het
roken en de reactie hierop
1.8.4
Samenvatting en nabeschouwing
1.8.1 Theoretische beschouwingen
Begripsomschrijving: ‘Welzijn’ is geen eenduidig woord in de Nederlandse taal. Wij
voelen er het element van voorspoed, welvaren in. Dit betreft de economische kant
van iemands positie en situatie. Nog sterker echter denken we aan de goede
gezondheid die het welzijn impliceert. Met opzet hebben we dit dubbelzinnige concept
gekozen om het onderwerp van onze studie aan te duiden. Beide soorten van welzijn
hebben nl. gemeen dat zij een objectieve, feitelijke grondslag vormen van het zich
psychisch wel-bevinden van de mens. Dat de goede gezondheid een noodzakelijke
voorwaarde is van het harmonisch psychisch leven behoeft wellicht geen betoog.
Reeds de Ouden spraken van ‘mens sana in corpore sano’, van de gezonde geest
in het gezonde lichaam. Vooral bij het ontbreken van het somatische evenwicht dat
we fysieke gezondheid noemen, beleven we de waarheid van dit dictum. Eveneens
beleven we het belang van de materiële factor in de situatie van nood, zoals het
Nederlandse volk deze b.v. gedurende de laatste wereldoorlog heeft leren kennen.
Indien we deze twee factoren, de fysieke gezondheid en de materiële welvaart, hier
benadrukken, behoeven we nog niet in materialisme te vervallen. Zoals de
bevindingen van onze voorafgaande hoofdstukken aantonen, spelen b.v. de prettige
gezinsverhoudingen in het ouderlijk gezin, de sociale contacten en andere structurele
factoren eveneens een rol bij het tot stand komen van satisfactie of welbehagen bij
de bevolking. Het welzijn, zowel in de betekenis van de goede gezondheid als van
de welvarendheid, vormt een positieve waarde en spreekt ook voor zich zelf.
Wat het tweede begrip betreft dat het hoofdthema zal vormen van dit slothoofdstuk
kunnen we wellicht nog korter zijn. Onder de voorlichting verstaan we de verspreiding
van kennis onder de bevolking. Het gaat hier, vanzelfsprekend, vooral om de
relevante kennis, kennis die de mensen nodig hebben. Wij zijn geneigd om beide
begrippen aan elkaar te koppelen en de voorlichting voornamelijk te betrekken op
het welzijn. Kennis, die het welzijn verhoogt, dient verspreid te worden; het proces
noemen we voorlichting. Teneinde het doel te bereiken, zijn er, zuiver concep-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
262
tueel gezien, twee voorwaarden voor nodig: a. de kenniselementen moeten binnen
het bereik van de mensen gebracht worden; b. de personen die we in dit proces
bereikt hebben moeten bereid zijn (of bereid gemaakt worden) om deze kennis als
zodanig te aanvaarden; want indien de kennis niet aanvaard wordt, indien men b.v.
de kennis voor gerucht of ‘verhaaltje’ houdt, dan verspreidt men de kennis op zijn
beurt niet verder.
Duidelijk treedt hier het element van beïnvloeding naar voren. Wij lichten iemand
voor, niet met de bedoeling om de wetenschap te dienen, maar om zijn gedrag te
beïnvloeden. Wij verwachten dat hij het ene zal doen en het andere zal laten als
gevolg van de verworven kennis. Wij verwachten dat hij voor zijn welzijn door middel
van de voorlichting beter zorg zal kunnen dragen. ‘Voorlichting’ en ‘zorg voor eigen
welzijn’ zijn o.i. reeds begripsmatig met elkaar verbonden.
In onze opvatting heeft het woord ‘voorlichting’ dan duidelijk positieve betekenis,
normatieve betekenis, zo men wil.
Bij voorlichting moet de waarheidsnorm niet worden overschreden: slechts ware
kennis, geen leugens of bekende onjuistheden, mag verspreid worden, wil men nog
van voorlichting spreken. De ethische norm mag evenmin worden overschreden;
slechts de kennis die het welzijn der mensen bevordert en niet schaadt, dient
verspreid te worden; dit vloeit reeds voort uit de samenvoeging van beide begrippen,
zoals hierboven aangeduid.
Hierom reeds geven we aan het woord ‘voorlichting’ de voorkeur boven een
andere term vaak op dit gebied gebezigd: de propaganda. ‘Propaganda’ is een
ruimer begrip, hierdoor wellicht ook met pejoratieve betekenis geladen. Het
beïnvloeden van gedrag op het gebied van politiek handelen, vooral indien de
belangen van de politieke partijen ermee gemoeid zijn, heeft ertoe bijgedragen dat
‘propaganda’ niet identiek aan het verspreiden van kennis wordt gesteld. In de
volksmond geldt zelfs ‘het is maar propaganda’ = ‘het is niet waar of juist’. Maar ook
indien we de engere betekenis aanhouden, dan moet ‘propaganda’ juist in een
technische, neutrale zin, worden gebruikt. Dit is het begrip zoals het in de
‘propagandaresearch’ opduikt: onderzoek naar de beïnvloeding van het menselijk
gedrag door middel van berichtgeving of massa-communicatiemiddelen. Neutraal
of pejoratief opgevat kan het woord ‘propaganda’ nauwelijks gebruikt worden voor
1
het normatief-positieve doel waarvoor ‘voorlichting’ ons meer geschikt lijkt .
1
Dit neemt niet weg dat er onder de titel van propaganda belangrijke publikaties verschijnen.
Zo heeft één van de vooraanstaande onderzoekers op dit gebied in Nederland, Dr. W.
Winsemius, een belangwekkende studie van ‘veiligheidspropaganda’ gemaakt. ‘Voorlichting
ter bevordering van veiligheid’ zou o.i. juister maar tevens omslachtiger zijn. Zie hieromtrent:
W. Winsemius, Een analyse van veiligheidspropaganda, in Mens en Onderneming, 10 (1956)
blz. 1-29.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
263
Enkele theoretische aspecten
De literatuur omtrent het door ons aangesneden onderwerp is nogal schaars. In ons
land is het de verdienste van G. van Zoest geweest in de kringen van sociologen
en sociografen het probleem van verantwoordelijkheid t.o.v. eigen gezondheid
1
expliciet te stellen . In zijn dissertatie heeft de schrijver zich afgevraagd hoe het
publiek reageert op de veranderingen die zich in de loop der laatste jaren in onze
sociale structuur hebben voltrokken en die zich ook op het gebied van de
gezondheidszorg uitbreiden. De vraag of men thans in een tijdperk van toegenomen
sociale zekerheid niet het verantwoordelijkheidsbesef verliest en roekeloos met
eigen gezondheid gaat omspringen, vormt o.i. een impliciete achtergrond van deze
bescheiden studie. Als een indicator voor het gebrek aan verantwoordelijkheid zag
Van Zoest het weigeren van medewerking aan de massadoorlichting van de
bevolking in het kader van het t.b.-opsporingsprogramma, dat in tal van Nederlandse
2
gemeenten werd uitgevoerd . Het is te betreuren dat Van Zoest niet wat meer
oorspronkelijke gegevens van de weigerende personen zelf heeft kunnen verzamelen
en dat zijn analyse van kenmerken van weigeraars niet verder ging dan enkelvoudige
samenhangen aan te duiden; het feit, dat er meer weigeraars onder de
niet-participanten en de personen met een lossere kerkelijke binding waren
geconcentreerd, is echter belangwekkend.
In de V.S. werd in opdracht van de Health Information Foundation een reeks
studies verricht gedeeltelijk op een aanverwant gebied: de houding van het publiek
t.o.v. de poliovaccinatie. Later werd het probleemgebied uitgebreid tot de houding
t.o.v. nog andere aspecten van de gezondheidszorg, de gezondheidszorg in het
3
algemeen . Slechts enkele van deze studies bereikten ons ten tijde van de
voorbereiding van ons onderzoek en van het schrijven van dit rapport.
Ons eigen denken omtrent de individuele zorg voor eigen welzijn en de sociale
factoren die deze zorg bepalen, bewoog zich in de richting reeds door onze
begripsuiteenzetting aangeduid. De vraag naar de factoren die
1
2
3
G. van Zoest, Verantwoordelijkheid op de weg naar gezondheid, Leiden, 1956 (diss.
Amsterdam G.U., 1956).
De idee om de houding t.o.v. de ziekte als een indicator van de morele houding te zien, is
niet geheel nieuw, zoals blijkt uit het proefschrift van J. Stoffelsma, A-sociale Tuberculoselijders,
Gem. Universiteit te Amsterdam, 1947, door Van Zoest zelf aangehaald.
J.L. Feldman, P.B. Sheatsley, ‘Public Attitude toward Polio Vaccine - Its Development and
Distribution’ in National Opinion Research Center Report No.57, Chicago, 1957.
J.L. Feldman, ‘What Americans think about their medical care’, in Proceedings of the Social
Statistics Section, 1958 Annual Meetings of the American Statistical Association, 1959; en
vooral ook E. Freidson, J.L. Feldman, ‘Public attitudes toward health insurance’, in Health
Information Foundation Research Series, 1958, (New York). Zie ook René König en Margret
Tönnesman, Problemen der Medizin-Soziologie, Köln u. Opladen, 1958, vooral blz. 219-235.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
264
het verantwoordelijkheidsbesef op het gebied van gezondheidszorg bepalen, mondde
uit in de vraag naar de efficiency van de voorlichting; naast het probleem van de
sociale factoren die de mens belemmeren om gezonder leefwijze te verkiezen of
gezonder levensomstandigheden voor zich zelf te scheppen, kwam de vraag te
staan van het aanvaarden of nietaanvaarden van kennis die hem in deze richting
kon leiden. Zijn er sociale factoren of ‘mechanismen’ te vinden die de een de
verstrekte kennis omtrent de gezonde leefwijze doen aanvaarden en de ander deze
1
als gerucht doen verwerpen? Zie hier enkele vraagstukken die ons bezighielden .
Tussen de beide onderscheiden aspecten van het welzijn werd niet slechts een
semantisch doch ook een empirisch verband gelegd. Wij meenden in de materiële,
economische omstandigheden een factor te moeten zien, die de gezondheid
voordelig of nadelig beïnvloedt. Het beschikbaar stellen van meer middelen zou
volgens onze redenering de gezondheid moeten bevorderen; hierbij dachten we
niet zo zeer aan voeding (het algemene tekort aan eiwitten en de overvloed van
vetten die de gemiddelde Nederlandse keuken schijnen te kenmerken in de
naoorlogse jaren), als wel aan de gehele ‘habitat’ van de mensen: meer woonruimte,
minder vocht, meer lucht, meer rust (ook de tijd die men voor nachtrust gebruikt, is
vaak van economische factoren afhankelijk; men denke aan onze vertegenwoordigers
of andere middenstanders die vaak heel lange werkuren kennen!), meer zon en
afwisseling (vakantie- en weekeindbesteding), tijdige en goede medische hulp,
beschikbaarheid van wasgelegenheid - al deze en nog andere economisch
medebepaalde factoren hebben o.i. direct of indirect eveneens met gezondheid te
maken. Dit heeft voor een onderzoek naar de zorg aan eigen gezondheid besteed
die droevige consequentie, dat men al deze omstandigheden (uren die we aan
nachtrust besteden, gelden die we aan voeding uitgeven, echter ook: baden die we
nemen of niet nemen, slaapruimte die we voor kinderen beschikbaar stellen, enz.)
niet als een indicator van de mate van verantwoordelijkheidsbesef mag beschouwen,
zonder dat men de materiële omstandigheden van de betrokkenen eveneens in
beschouwing neemt.
Al is het welzijn dus medeafhankelijk van de welvaart, deze laatste is een subjectief
2
begrip . De spreiding van het welvaartspeil onder de be-
1
2
De problematiek van de voorlichting en van de aanvaarding van de verstrekte kennis is de
Nederlandse sociologie niet vreemd. Gaarne verwijzen we in deze context naar de publikaties
van Prof. Dr. E.W. Hofstee en zijn medewerkers die in het monografisch opgezette Bulletin
van de Afdeling Sociologie en Sociografie van de Landbouwhogeschool te Wageningen
verschijnen; no's 1, 5, 6, 10, 13, 17, 18 en 19 zijn rechtstreeks op de voorlichtingsproblematiek
betrokken.
Het behoeft wellicht geen uitvoerig betoog dat ‘welvaart’ hier niet als een macro-economisch
concept wordt gehanteerd. Wij doelen hier meer op een welvaartbeleving, d.w.z. evaluering
van eigen economische situatie door de individu. De spreiding van dergelijke individuele
oordelen over de gehele bevolking zal stellig grote schommelingen vertonen, die slechts deels
met de werkelijke economische situatie zullen correleren: wat voor de ene welvaart is, is voor
de andere nood.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
265
volking gaat gepaard met een zeker niet kleinere spreiding in het individuele
behoeftenpatroon. Zonder hier de theorie van grensnut en andere modellen van het
economisch handelen op het vraagstuk van de individuele gezondheidszorg te willen
toepassen, menen we toch een samenspel van de motieven van de naar welzijn
strevende mens te moeten onderstrepen. ‘We kunnen niet vaker baden want we
hebben geen badkamer en we hebben geen badkamer want we kunnen ons deze
niet permitteren’ vernemen we van een trotse eigenaar van een televisietoestel, van
eigen plezier- (of prestige-) autootje, of van een slager die zojuist van zijn
vakantietoer rond het Gardameer is teruggekeerd.
Het bovenstaande voorbeeld en betoog maakt het duidelijk dat juist het
bestedingspatroon van de mens door allerlei sociale overwegingen wordt beïnvloed;
het is hier, waar maatschappelijk prestige, referentiegroep, maatschappelijke
beheersing (‘social control’), gedragslijn door middel van reclame en
massacommunicatiemiddelen ons opgedwongen, en andere maatschappelijke
1
‘mechanismen’ hun causale invloed doen gelden . Behoeften worden niet slechts
bevredigd maar vooral ook gestimuleerd onder de constante begeleiding van allerlei
maatschappelijke factoren. Allerlei veronderstellingen omtrent de individuele
gezondheidszorg laten zich uit deze algemene uitspraak afleiden. We zouden wellicht
mogen veronderstellen dat twee personen van dezelfde maatschappelijke positie
(met ongeveer gelijke beschikbare middelen), maar in verschillende sociale situaties
geplaatst, ongelijke zorg aan eigen gezondheid zouden besteden. Indien de ene
naar een promotie streeft en reeds zijn gedrag richt naar het bestedingspatroon van
de meerderen (althans de meest zichtbare aspecten hiervan), terwijl de andere in
zijn positie berust; indien men in verschillende mate aan de invloed van de
consumptie prikkelende reclame blootgesteld staat, zoals stellig b.v. bij de
plattelandsen de stedelijke bevolking aangenomen mag worden; indien het
maatschappelijk aanzien nu eens door het eigendom van consumptiegoederen dan
door andere factoren (opleiding, diploma's, manieren, enz.) wordt bepaald; in al
deze differentiële, sociale situaties zouden wij, bij gelijk houden van andere
omstandigheden, telkens in het tweede geval wellicht een ‘nuchtere’, met
gezondheidsoverweging rekening houdende, leefwijze verwachten.
Eén veronderstelling ligt echter aan het bovenstaand model ten grondslag:
gelijkheid van kennis omtrent de gezondheid, of om tot ons uitgangspunt terug te
keren, gelijkheid van de voorlichting die de mensen ontvangen. Met andere woorden,
we zouden een meer verantwoordelijke houding t.o.v. eigen gezondheid bij die
personen verwachten die beter
1
Een goede poging om enkele van deze invloeden te beschrijven, vinden we in de
beschouwelijke studie van Ernest Zahn, Leven met de welvaart, Amsterdam, 1962.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
266
voorgelicht zijn, die door middel van de moderne massacommunicatiemiddelen of
via sociale contacten de noodzakelijke kennis omtrent de gezonde leefwijze konden
verwerven.
Het verschil tussen het potentieel kunnen verwerven en werkelijk aanvaarden
van kennis, compliceert de zaak enigszins, al is er nauwelijks een stelling houdbaar
dat meer voorlichting juist tot averechtse resultaten, d.w.z. tot minder aanvaarding
van kennis voert. Wel zal waarschijnlijk de aanvaarding van kennis van afzonderlijke
sociale factoren afhankelijk zijn. Voor zover de voorlichting de verspreiding van
nieuwe kennis betreft, zouden we bij de meer terughoudende groeperingen ook
meer weerstanden verwachten en meer aarzeling om de kennis als zodanig te
aanvaarden. Leeftijd komt dan als mogelijke factor in aanmerking daar het
radicalisme met jongere leeftijdsfase correleert en behoudzucht (een sociologische
parallel tot een groepspsychologische ‘resistance to change’) meestentijd is
geïdentificeerd in de hogere leeftijdsgroepen.
Deels kan de werking van de leeftijdsfactor verklaard worden uit de theorie die
de bekende sociaal-psycholoog, L. Festinger, verkondigt onder de naam van de
theorie van cognitieve dissonantie. Deze helpt echter ook onafhankelijk van de
leeftijd, zonder twijfel, de aanvaarding of de verwerping van verstrekte kennis te
1
verklaren . De grondslag van deze theorie vormt de veronderstelling dat het menselijk
organisme naar een innerlijke harmonie streeft en naar consistentie van zijn
opvattingen, houdingen, kenniselementen en waarden. Dit is wat Festinger ‘drives
toward a consonance among cognitions’ noemt, hierbij klaarblijkelijk ‘cognitie’
(cognitions) zeer ruim opvattend, zonder deze zoals gebruikelijk tot de meer rationele
of feitelijke sfeer te beperken. ‘Cognitie’ is bij Festinger een complex proces of
toestand en kan in de (boven reeds aangeduide) elementen ontleed worden. Deze
elementen zijn niet geheel onafhankelijk van elkaar; een systeem van relaties
verbindt ze alle tot een structuur. Tussen elk paar elementen zijn de volgende relaties
denkbaar: a. een irrelevante relatie wanneer de twee elementen niet met elkaar te
maken hebben; b. een gelijkgerichte relatie (‘consonant relation’) wanneer één van
de twee elementen uit het andere voortvloeit of afgeleid kan worden; c. een
discrepantierelatie (‘dissonant relation’) als het tegenovergestelde van een element
uit het andere afgeleid kan worden of hieruit voortvloeit (op. cit., blz. 260-261).
Festinger geeft een aantal scherpzinnige en frappante voorbeelden om de door
hem gevonden ‘discrepantie’ te demonstreren.
Bij het nemen van een belangrijke beslissing tussen twee alternatieven
1
Leon Festinger, A Theory of Cognitive Dissonance, New York 1957. Wij zouden wellicht beter
van ‘discrepantie’ kunnen spreken.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
267
treedt discrepantie op: wij verdringen de kennis omtrent de positieve aspecten van
het verworpen, alsmede de kennis omtrent de negatieve aspecten van het aanvaarde
alternatief, nadat we de beslissing hebben genomen. Iemand die aarzelt tussen de
aankoop van b.v. een Volkswagen of een Renault 8, zal tot aan zijn aanschaffing
wellicht objectief de vooren nadelen van beide wagens tegen elkaar afwegen. Nadat
hij eenmaal een wagen gekocht heeft, zal hij slechts artikelen lezen die zijn wagen
aanprijzen of de andere wagen in een ongunstig licht plaatsen: de wetenschap dat
hij een mindere, slechtere wagen gekocht heeft, is onaangenaam, in discrepantie
met zijn handelswijze en zelfperceptie (eigenbeeld). Deze kennis wordt dan ook
niet aanvaard, men laat deze kennis niet eens tot zich doordringen.
Discrepantie ontstaat tevens, volgens Festinger, indien we door middel van het
bekende ‘mechanisme’ van straf of beloning iemand willen dwingen tot een actie
die tegen zijn opvattingen indruist; slagen we hierin, dan zijn de heimelijke gedachten
van de persoon in tegenspraak met zijn oordeel over eigen gedrag; heeft men de
actie niet tot stand kunnen brengen dan zijn de heimelijke gedachten weliswaar in
harmonie met de kennis omtrent hetgeen de persoon heeft gedaan, maar de
gedachten aan de beloning die hem ontsnapt is of de straf die hem bedreigt, is
kwellend en in discrepantie met hetgeen hij uiteindelijk heeft gedaan. Een ieder van
ons die de psychische ontwikkeling van mensen die onder de pressie van een
dictatuur moeten leven van dichtbij heeft gadegeslagen, zal het inzicht waarderen
dat Festingers theorie biedt om het menselijk handelen en de vertekening van het
karakter onder deze moeilijke omstandigheden te begrijpen en te verklaren.
Wat is immers de reactie van een persoon op de hem bedreigende discrepantie?
Hij beleeft deze als dermate onaangenaam dat hij tracht de discrepantie zoveel
mogelijk te verminderen. Drie wegen staan hem dan open, volgens Festinger:
1. hij kan trachten een der beide discrepante elementen te veranderen; om tot
ons voorbeeld terug te keren, de koper van de Volkswagen zal zich zelf trachten te
overtuigen dat de remmen die de Volkswagen heeft net zo goed zijn als de geprezen
schijfremmen van de Renault 8; de persoon die onder pressie trouw bleef aan zijn
geloof zal zich zelf trachten te overtuigen dat de hem ontsnapte beloning toch niet
zou worden uitbetaald, of dat de straf hem zou treffen ook al had hij zijn principes
prijsgegeven en zich aan de wil van de machtshebber geconformeerd.
2. een andere weg om de discrepantie te vermijden is nieuwe cognitieve elementen
te verzamelen die in harmonie zijn met de reeds bestaande en aanvaarde kennis:
de jonge Volkswageneigenaar zal zich inlezen in allerlei technische details over de
constructie van het chassis of
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
268
van de motor teneinde tegenover die schijfremmen toch nog wat te kunnen plaatsen
en zich zelf in eigen besluit te sterken.
Tenslotte vermeldt Festinger nog 3. de tendens om het belang van beide cognitieve
elementen te kleineren om op die wijze aan de cognitieve discrepantie te ontsnappen:
‘de auto's zijn tenslotte niet belangrijk in je leven; het zijn slechts instrumenten en
het doet er weinig toe welke je tenslotte kiest’; zo ongeveer zal de nieuwe
auto-eigenaar de hem bedreigende berichten over de ev. superieure kwaliteit ‘van
die andere wagen’ van zich afschudden.
De waarde van de theorie voor het verklaren van het falen van enkele
voorlichtingscampagnes ligt voor de hand. Festinger zelf haalt het voorbeeld van
een roker aan. Door het genot dat het roken verschaft, meer echter door de
jarenlange beoefening (vandaar onze hypothese omtrent de invloed van leeftijd),
maar ook, zoals ons onderzoek heeft aangetoond, door de identificatie van het roken
met de energievolle jaren van puberteit en rijping en wellicht nog andere factoren,
is het roken betrekkelijk diep in de persoonlijkheid van de mens verankerd. Men
kan er niet zo gemakkelijk af. Indien thans berichten beginnen te verschijnen dat
het roken schadelijk is, bevindt de roker zich in een toestand van innerlijke spanning,
die uit de discrepantie voortvloeit tussen de hem aangeduide consequenties van
roken en zijn feitelijk gedrag. Indien het roken longziekten veroorzaakt en één der
belangrijkste oorzaken van sterfte aan longkanker is, hoe kan ik dan van mij zelf
denken dat ik een rationeel handelend mens ben als ik rook? Tussen de twee, het
aanvaarden van kennis dat er verband bestaat tussen het roken en het ontstaan
van longkanker en het blijven doorroken, begint een discrepantie, een kloof zich af
te tekenen. Deze wordt overbrugd volgens één der handelswijzen, door Festinger
aangeduid als wegen naar de reductie van discrepantie.
Zo kan de roker de discrepantie trachten te verminderen door een der elementen
te wijzigen: òf hij geeft het roken op òf hij verklaart de kennis tot een gerucht, een
verhaaltje, geen bewijs. De andere weg volgend, zal de roker door blijven roken en
zich beijveren om de gegevens te verzamelen of de literatuur te lezen omtrent het
verschil tussen de correlatie en de oorzaak, of over de invloed van de stedelijke
atmosfeer op de toename van longkanker in de loop der laatste jaren; hij zou
eventueel zijn rookgewoonten wijzigen en zich thans van filtersigaretten bedienen,
lange sigaretten prefereren of naar de sigaren of de pijp overgaan. Een derde groep
rokers zou, indien de theorie van Festinger juist is, het belang van het roken in eigen
leven of van de kennis omtrent de longkanker bagatelliseren: ‘ik rook tenslotte niet
zoveel als X die 40 sigaretten per dag rookt (vergeleken met de 30 die ik zelf
verbruik)’; ‘wij doen meer riskante dingen, zoals het autorijden, die we ook niet
opgeven al zijn onze sterfte-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
269
kansen hierdoor hoger’; ‘je moet tenslotte toch heengaan en dan is de pijnloze dood
aan longkanker nog niet zo'n slecht alternatief’ - zie hier enkele overwegingen die
de mensen hetzij voor zich zelf, hetzij zelfs expliciet naar voren zullen brengen
teneinde eigen gedrag in harmonie te brengen met de nieuwe kennis.
De drie wegen die voor de rokende mens openstaan teneinde de ‘cognitieve
discrepantie’ te verminderen, kunnen als hypothesen dienen in het onderzoek naar
de mate van aanvaarding van kennis door de rokers. Is de theorie juist, dan zouden
we bij de rokers inderdaad de door Festinger omschreven reacties op de
berichtgeving omtrent longkanker verwachten.
Het is waarschijnlijk dank zij de krachtige formulering en de toepassing op concrete
sociale situaties dat deze psychologische theorie in ons de onmiddellijke indruk van
een nieuw inzicht en van een ontdekking achterlaat. Het is hier niet onze taak om
de historie van het psychologisch- en sociaal-wetenschappelijk denken te schrijven.
Trouw echter aan onze werkwijze om een parallelle benadering van de
psychologische en de sociologische standpunten te geven, willen we vermelden
dat Festingers grondgedachte ook de sociologen niet al te vreemd in de oren zal
klinken. In de kennissociologie werd erop gewezen dat er een onvoldoend
onderscheid wordt gemaakt tussen het gevaar of voordeel dat voortvloeit uit een
bepaalde situatie en het gevaar of voordeel dat voortvloeit uit de kennis omtrent
1
deze situatie . Op een bijna kinderlijke wijze keert de mens zich tegen de
onaangename kennis en tegen diegenen die deze kennis verspreiden in plaats van
de feitelijke situatie zelf te trotseren. Dit geheel in de lijn van het gedrag van de
despoten in de Oudheid die de boodschapper van onfortuinlijke berichten doodden
in een plotselinge aanval van woede en onmacht.
De kennissociologie heeft echter deze irrationele handelwijze van de mens niet
nader omschreven of geanalyseerd op de manier zoals Festinger dit voor ons deed,
doch heeft hieruit slechts de conclusie getrokken dat de geldigheid van de kennis
door aanvaarding of niet-aanvaarding niet behoeft beïnvloed te worden.
Eenmaal getrokken in de sfeer van het irrationeel handelen, geeft de theorie van
cognitieve discrepantie ons tenslotte aanleiding tot de formulering van de hypothese
omtrent de spreiding van de irrationele houding onder de bevolking. We zouden op
zijn minst mogen verwachten dat bij mensen met meer opleiding een meer rationele
houding zal prevaleren en dat zij meer weerstand zullen bieden aan de irrationele
krachten die zich aan de mens opdringen bij de confrontatie van zijn habitueel
gedrag met de recent verworven kennis.
1
Zie onze Kennissociologie, Servire, 1955 (Den Haag), blz. 82.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
270
Onze beschouwingen samenvattend, kunnen we de zorg voor eigen welzijn zien
als een objectief pendant van het subjectief streven naar het zich welbevinden van
de mens. De twee betekeniselementen van welzijn, de materiële voorspoed en de
gezondheid, zien we als functioneel verbonden: de zorg voor eigen gezondheid
heeft slechts kans op succes indien een zeker materieel minimum aan welvaart
wordt bereikt. Hypothetisch hebben we gesteld dat voor de meeste mensen de
individuele gezondheidszorg gezien moet worden in het kader van het patroon van
de algemene behoeftenbevrediging. Andere omstandigheden gelijk houdend,
meenden we in de situaties van geringe sociale behoeftenstimulatie meer werkelijke
gezondheidszorg aan te treffen.
Een van de veronderstellingen, waarop de bovengenoemde verwachtingen
berusten, is, dat ook de mate van kennis ‘vastgehouden’ d.w.z. constant gehouden
wordt. Dit is vanzelfsprekend een zuiver theoretische veronderstelling daar we in
feite wel degelijk verschillen in de mate van ontvangen voorlichting kunnen
verwachten. ‘Voorlichting’ kunnen we zien als toestand (in de betekenis van
verstrekte kennis aan een bepaalde groep of persoon) en als proces. Het
voorlichtingsproces zien we als het verspreiden van kennis onder de bevolking door
middel waarvan het welzijn van de bevolking bevorderd kan worden. T.o.v. de
propaganda onderscheidt de voorlichting zich door de ware (of als zodanig beoogde)
kennis, positief normatief gericht (immers: het bevorderen, niet het benadelen van
welzijn). De efficiëntie van de voorlichting hebben wij in verband gebracht met het
begrip van kennisaanvaarding. Het verspreiden van kennis is slechts één kant van
de zaak, van de zijde van het voorlichtinggevend orgaan gezien. Pas indien de
individu met de nieuwe kennis vertrouwd raakt en deze als zodanig aanvaardt,
kunnen wij van een efficiënte voorlichting spreken.
Hypothetisch hebben we alweer gesteld dat vanzelfsprekend het in aanraking
komen met de media door middel waarvan kennis verspreid wordt, andere
omstandigheden gelijk houdend, bevorderend zal werken: mensen die (frequenter)
met de kennis werden geconfronteerd maken een betere kans om deze als kennis
te aanvaarden. Hiernaast zullen er echter sociale factoren aanwezig zijn die het
proces van kennisaanvaarding belemmeren. De sociale determinanten van de
behoudzucht (b.v. de leeftijd) zagen we als mogelijke sociale oorzaken van
onvoldoende kennisaanvaarding. Hiernaast vonden we in Festingers theorie van
de cognitieve discrepantie een denkinstrument om enkele kennisaanvaarding
belemmerende factoren te verklaren; naar mate men sterkere rookgewoonten heeft,
zou men minder geneigd zijn de berichten omtrent het verband tussen roken en
longkanker als waarheid te aanvaarden. Wij zouden tevens onder de vroegere
rokers meer personen verwachten, die geheel met het roken zijn opgehouden.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
271
Daar we in de niet-aanvaarding van kennis een vorm van irrationeel gedrag kunnen
zien, mogen wij bij de meer rationele groeperingen meer bereidwilligheid verwachten
om zich bij het resultaat van het wetenschappelijk onderzoek neer te leggen.
1.8.2 Enkele indicatoren
Er zijn talrijke gedragingen te vinden die met de individuele zorg voor eigen welzijn
te maken hebben. Elke poging om enkele hiervan uit te lichten en te gaan gebruiken
als mogelijke indicatoren van individuele gezondheidszorg is reeds hierom van te
voren als subjectief te beschouwen. Desondanks was het noodzakelijk een selectie
toe te passen, niet slechts met het oog op de zich steeds uitdijende vragenlijst, maar
ook vanwege de kosten die de machinale bewerking van gegevens van een kleine
1300 personen met zich meebrengt.
Een zekere informatie werd ons verschaft door middel van de vragen naar de
aanwezigheid van de elementaire benodigdheden die men voor het geval van ziekte
of ongeval thuis dient te houden: een koortsthermometer, jodium met verband of
pleister, en de meest voor de hand liggende geneesmiddelen zoals aspirine, A.P.C.
of dergelijke. Volgens de verwachting troffen we dan ook in de meeste huishoudens
enkele van de bovengenoemde objecten thuis, howel slechts 57,2% van de gehele
volwassen bevolking, volgens onze steekproef, beschikt over wat men een compleet
apotheekkastje zou noemen, bevattende alle bovengenoemde middelen. Over een
koortsthermometer beschikken 798 personen in onze steekproef, d.w.z. ca. 61,5%
van de bevolking; over jodium en verband 1.116 personen, d.w.z. 86,1% van de
bevolking. Hetzelfde aantal (en percentage) bezit thuis één of ander geneesmiddel,
aspirine, slaaptabletten, enz. Met het oog op het signaleren van een ernstige ziekte
zou het wellicht beter zijn indien het bezit van een koortsthermometer nog meer
was verspreid; wellicht zou men hierdoor onnodig doktersbezoek voorkomen.
Bij het opsplitsen van onze gegevens naar inkomsten troffen we tussen het bezitten
van een elementaire uitrusting van een apotheekkastje en de welstand een bijna
rechtlijnige samenhang aan, zoals Tabel 1.8.1, blz. 272, duidelijk laat zien.
Met uitzondering van de mensen met ƒ 61, - ƒ 70, - aan wekelijks inkomen
(waarschijnlijk de bovengrens van ongeschoolde arbeiders), zien we een evenredige
stijging in het laatstgenoemde percentage met inkomenniveau. In de hogere
inkomstengroepen beschikken bijna negen van elke tien volwassen personen over
de door ons omschreven artikelen; bij de laagste inkomstengroep zijn het slechts
vier op de tien. De spreiding
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
272
Tabel 1.8.1 Bezit van elementaire apotheekkastje-uitrusting naar
inkomenniveau
Table 1.8.1 Possession of first-aid requisites; by income-level
Bezit van koortsthermometer, jodium, verband en enkele
geneesmiddelen
Possession of a clinical thermometer, iodine, gauze
bandage and some medicines
Aantal
Totaal
Percent
Number
Total
Percent of total
Inkomsten per
week in guldens
Weekly incomes in
florins
-ƒ 40,48
121
40,0%
ƒ 41,- -ƒ 50,-
20
48
41,6%
ƒ 51,- -ƒ 60,-
44
83
47,5%
ƒ 61,- -ƒ 70,-
79
182
43,5%
ƒ 71,- -ƒ 80,-
85
150
56,5%
ƒ 81,- -ƒ 100,-
143
229
63,0%
ƒ 101,- -ƒ 150,-
129
194
66,5%
ƒ 151,- -ƒ 200,-
56
67
83,5%
ƒ 201,- -
56
63
87,5%
geen inkomsten
no incomes
14
15
93,5%
geen antwoord
no response
68
135
49,3%
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
742
1.297
57,2%
bij verschillende inkomstengroepen is zeer behoorlijk, daar het percentage meer
dan verdubbeld is: van 40% bij de laagste groep tot 87,5% bij de hoogste
inkomstengroep.
Onze hypothese dat de gezondheidszorg van de materiële welstand afhankelijk
zou zijn, zien we met betrekking tot de door ons gekozen indicator bevestigd; beide
onderscheiden aspecten van het welzijn, de welvarendheid en de goede gezondheid
(of althans de voorwaarde hiervoor) schijnen functioneel verbonden te zijn. Mogen
we echter de resultaten van één enkele meting generaliseren en van het bezit van
een koortsthermometer op de individuele gezondheidszorg in het algemeen gaan
concluderen? De twijfel omtrent deze vraag deed ons nog naar andere mogelijke
indicatoren zoeken. De frequentie waarmee men de huisdokter of een specialist
raadpleegt werd eveneens bij ons onderzoek betrokken. Men zou immers kunnen
veronderstellen dat men er geen apotheekuitrusting op na behoeft te houden, indien
de medische hulp voorhanden is. Ook zouden we onze bevinding t.o.v. de
samenhang tussen inkomsten en eigendom van medische artikelen op het bezoek
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
aan de dokter kunnen projecteren. De frequentie van de contacten met de huisartsen
gaf het volgende beeld te zien:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
273
Tabel 1.8.2 Frequentie contacten met huisarts naar geslacht
Table 1.8.2 Frequency of contacts with one's family-doctor; by sex
Wanneer heeft menMannen
de laatste keer de Men
huisarts bezocht?
When did you
consult your
doctor, the last
time?
nog deze week
49
still this week
Vrouwen
Women
Totaal
Total
74
123
8 t/m 14 dagen
geleden
8 to 14 days ago
17
34
51
15 t/m 31 dagen
geleden
15 to 31 days ago
46
77
123
2 t/m 6 maanden
geleden
2 to 6 months ago
76
92
168
½ jaar t/m 1 jaar
geleden
½ year to 1 year
ago
92
101
193
langer dan 1 jaar
gelden
longer than 1 year
ago
254
241
495
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
496
676
1.272
*
We bemerken dat bijna de helft van de bevolking de huisarts binnen een half jaar
van het tijdstip van gesprek heeft geraadpleegd; de mediaan ligt iets boven deze
waarde van 6 maanden zodat we kunnen concluderen dat de volwassen Nederlander
gemiddeld bijna twee keer per jaar de huisarts bezoekt. Er zijn allicht grote verschillen
in de frequentie van artsbezoek bij de onderscheiden aspecten der sociale structuur.
Zoals de Tabel 1.8.2 reeds laat zien, zoeken de vrouwen vaker hulp dan de mannen.
Aan de hand van de gegevens in deze tabel vervat, is de correlatie-coëfficiënt
berekend en in de desbetreffende cel van onze Basis Correlatie Matrix ingevuld:
r1-33 = - .098. De coëfficiënt is significant bij P < .01 waarschijnlijkheidsniveau. Wij
mogen aannemen dat ook onder de resterende bevolking (d.w.z. buiten onze
steekproef) vrouwen significant vaker de hulp van de huisarts zoeken. Dit is des te
opvallender daar bij hen, voornamelijk huisvrouwen, niet de plicht wordt opgelegd
in geval van ontstentenis de arts te raadplegen, hetgeen de verplicht verzekerde
*
27 personen gaven geen antwoord op de vraag naar contacten met huisartsen
27 persons did not answer the question
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
mannen wel verondersteld worden te doen bij het tijdelijk neerleggen van de
werkzaamheden. Hoewel laag, kon de samenhang de toets der partiële correlaties
doorstaan; noch de lagere opleiding noch een andere factor die kenmerkend is voor
het vrouw-zijn in onze samenleving, kon voor deze samenhang aansprakelijk worden
gesteld.
Op dezelfde wijze als het verband met geslacht werden ook de statistische
verbanden met andere variabelen onderzocht. Reeds bij de oppervlakkige inspectie
van de Basis Correlatie Matrix valt de afwezigheid op
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
274
Tabel 1.8.3 Frequentie contacten met de huisarts bij enkele
beroepsgroepen
Table 1.8.3 Frequency of contacts with the family-doctor by some
occupational groups
Wanneer de laatste keer contact met de huisarts gehad?
1.
When did you consult your doctor, the last time?
Beroeps- Nog deze Nog dit
Langer dan Geen
Totaal
groep:
maand
jaar, voor 1 jaar
antwoord Total
OccupationalStill this deze maandgeleden
category: month
More than 1No
Still this
year ago response
year
Onder3 13%
7 30,5%
13 56,5% 0 0%
23 100%
nemers,
directeuren
N.V.
Employers,
senior
managers
2.
Landbouwers
Farmers
10 14%
3.
Makelaars, 2 11%
assuradeurs,
vertegenwoordigers
20 39%
37 54%
2 3%
69 100%
7 39%
9 50%
0 0%
18 100%
33 35,5%
37 40,5%
5 5%
93 100%
Brokers,
estateagents,
salesmen
4.
Winkeliers, 18 19%
oude
middenstand
Shopkeepers,
‘old middle
class’
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
5.
Lager
4 8%
toezichthoudend
personeel
19 38%
27 54%
0 0%
50 100%
10 45,5%
6 27%
1 4,5%
22 100%
10 33%
11 37%
0 0%
30 100%
17 46%
14 38%
1 2,5%
37 100%
Supervisors,
junior
managers
6.
Winkel5 23%
bedienden
Shopassistants
7.
Kantoor- 9 30%
bedienden
Clerks
8.
Vrije
5 13,5%
beroepen,
academici
Professionals
9.
Technische 6 26%
employés,
analisten
Technicians,
chemists
10 43%
6 26%
1 5%
23 100%
0.
Industrie- 15 30%
arbeiders geschoold
18 35%
18 35%
0 0%
51 100%
21 54%
10 26%
0 0%
39 100%
5 36%
6 43%
0 0%
14 100%
31 33%
0 0%
93 100%
Skilled
industrial
workers
1.
Industrie- 8 20%
arbeiders ongeschoold
Unskilled
industrial
workers
2.
Land3 21%
arbeiders
Farm-hands
3.
Overige
20 21,5% 42 45,5%
arbeiders,
geschoold
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Other
skilled
workers
4.
Overige
8 15%
arbeiders,
ongeschoold
26 50%
17 33%
1 2%
52 100%
164 34%
168 35%
6 1%
485 100%
Other
unskilled
workers
5.
Huis147 30%
vrouwen
Housewives
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
275
van een significant verband met inkomsten: r3-33 = .063. De coëfficiënt nadert de
significantiegrens, echter in de tegenovergestelde richting dan we zouden verwachten
aan de hand van onze ervaring met het bezit van de apotheekkastje-uitrusting.
Mensen met meer inkomen raadplegen de huisarts minder vaak. Dit hoeft echter
geenszins te betekenen dat t.o.v. het bezoek aan huisartsen de materiële factor
geen rol speelt. Het zijn immers de lagere inkomstengroepen die verplicht verzekerd
zijn en voor wie het bezoek aan de arts niet met financiële nadelen is verbonden.
Zoals hierboven vermeld, zijn zij tevens verplicht de huisarts te waarschuwen bij
het zich onttrekken aan het werk, een factor die bij de zelfstandigen (juist de hogere
inkomstengroepen) onbekend is. Al is het verband niet statistisch significant en
deels ook aan de leeftijdsfactor te wijten, het ontbreken van het verband met de
inkomsten hoeft in dit licht geplaatst onze stelling niet aan te tasten, dat het materiële
welzijn ook de gezondheidsbevorderende handelingen medebepaalt. Sterker nog
treedt dit naar voren, indien we de frequentie van huisartsenbezoek bij de
verschillende beroepsgroepen beschouwen.
De informatie, die Tabel 1.8.3 ons verschaft spreekt voor zich zelf. We bemerken
dat het percentage mensen dat langer dan een jaar geen arts heeft geraadpleegd,
in sommige categorieën zelfstandigen bijna twee keer zo hoog is als in sommige
categorieën arbeiders (verschil van meer dan 30%!). Aan de andere kant zien we
bij dezelfde beroepscategorieën veel minder personen die in de maand voorafgaand
aan het gesprek bij de dokter zijn geweest; bij de zelfstandigen is het percentage
nog niet de helft van het percentage bij de arbeiders in loondienst. Trekken wij de
informatie voor de zelfstandigen samen en vergelijken wij deze met de frequentie
van doktersbezoek bij de arbeiders (dus categorieën 1, 2, 3, 4, tegenover 10, 11,
12, 13 en 14) dan verkrijgen wij het volgende beeld:
Tabel 1.8.4 Frequentie contacten met de huisarts bij zelfstandigen en
arbeiders
Table 1.8.4 Frequency of contacts with a doctor; by occupational
dependence
Wanneer de laatste keer huisarts gezien?
The time of the last contacts with doctor
Beroepscategorie:Deze maand 2-12 maanden langer dan 1 jaarTotaal
This month
geleden
terug
Total
Occupational
2-12 months agolonger than 1
dependency:
year ago
Zelfstandigen 33 (39)
67 (79)
96 (78)
196
Working for
their own
Arbeiders
56 (50)
Employee-workers
112 (100)
82 (100)
250
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
89
179
178
446
2
χ = 12,3; bij 2 vrijheidsgr. ϕ = VCramér = 1.65; P < .01.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
276
Tabel 1.8.4 laat er geen twijfel over dat in onze Nederlandse bevolkingsgroep de
arbeiders frequenter de arts raadplegen dan de zelfstandigen. Zoals reeds boven
vermeld, is hun deels deze handeling opgelegd door de wet, daar zij bij orgeoorloofde
afwezigheid van hun werkplaats verplicht zijn de huisarts erbij te roepen. Hiernaast
dienen we te beseffen dat zij hun medische verzorging vergoed krijgen, terwijl de
zelfstandigen zelf de kosten van medische hulp moeten dragen (de vrijwillige
verzekering dekt, naar ons vermoeden, in de meeste gevallen niet de kosten van
de huisarts).
Niet alle informatie van Tabel 1.8.3 gewonnen, laat zich echter door deze materiële
factor verklaren. Het valt op dat de ziektefrequentie (of althans het raadplegen van
de huisarts) bij de bezen die, evenals de arbeiders verplicht verzekerd zijn, nog
lager ligt dan bij de meeste categorieën zelfstandigen (xsu2 in een gedichotomiseerde
tabel van arbeiders tegenover de bazen, gecorrigeerd voor de kleine getallen, was
4,6, zodat P < .05; het verband mag op de ganse populatie betrokken worden, al
betrof het niet een vooraf opgestelde hypothese). Waarschijnlijk is dit toe te schrijvan
aan het hoge moreel in deze groep die zich sterk met de doelstelling van de
bedrijfsorganisatie identificeert en de gemaakte promotie met extra ijver tracht te
rechtvaardigen. Dit lijkt ons een meer plausibele verklaring dan de theorie van de
biologische plus-eigenschappen die bij de bazen meer dan bij de overige arbeiders
(juist dank zij de bedrijfsselectie) zouden worden geconcentreerd.
Een andere groep die zich onttrekt aan het bovenvermelde verklaringsschema is
de groep huisvrouwen, die het frequentiepatroon van de arbeiders volgen al behoeft
bij hen geen plicht, om een huisarts te raadplegen, verondersteld te worden.
Tenslotte willen wij wijzen op de opvallend lage frequentie bij de landbouwers.
Ook de landarbeiders liggen iets lager dan de andere arbeiderscategorieën wat het
bezoek aan de huisarts betreft, doch reeds aanzienlijk hoger dan de landbouwers.
De verklaring als ware de hoge frequentie van doktersbezoeken bij de industriële
werkers veroorzaakt door het milieu, gaat slechts gedeeltelijk op.
De samenhang met de beroepsaard helpt ons wellicht die met de woonplaats te
begrijpen. Mensen in de grote steden raadplegen immers de huisarts vaker dan
mensen ten plattelande (rin6-33 = -.112). Het verband werd echter teruggevonden
in alle onderscheiden sociale subgroepen op onze Basis Correlatie Matrix, zodat
we o.i. de zelfstandige werking van deze factor mogen erkennen. Ook vinden we
meer op neurose lijkende klachten in de grote steden en, al zijn er waarschijnlijk
minder zelfstandigen woonachtig, er blijft toch o.i. nog een restfactor over die de
stedeling er makkelijker toe brengt de huisarts te raadplegen. Of dit aan de
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
277
andere mentaliteit ligt, of aan de korte afstand die de stadsbewoner naar zijn dokter
af moet leggen, valt nog te onderzoeken.
Wat ons echter opvalt als we ons in de factoren verdiepen die de frequentie van
artsenbezoek bepalen, is het feit dat de psychologische factoren waarschijnlijk een
sterkere rol spelen dan de onderscheiden aspecten der sociale structuur. Indien we
van de Basis Matrix alle correlaties van deze variabele overnemen, dan verkrijgen
we het volgende beeld:
Frequentie bezoeken aan of van huisarts:
Meer bezoeken gaan samen met:
var. 21
meer algemene
dissatisfactie
r = -.211
var. 24
meer symptomen van
minder evenwicht
r = -.171
var. 22
meer algemene
bezorgdheid
r = -.154
var. 6
woonplaats in de grote
steden
r = -.112
var. 1
vrouwelijk geslacht
r = -.107
var. 19
meer frequente
snoepgewoonten
r = -.105
var. 14
een meer afwijzende
houding t.o.v. het roken
r = -.097
var. 31
woonplaats in het Noorden r = .096
var. 4
minder schoolopleiding
r = .087
var. 18
minder koffiegebruik
r = .086
var. 8
minder gezinsbinding
r = -.085
var. 25
meer onprettige
jeugdervaringen
r = -.084
var. 13
minder tabaksgebruik
r = .076
var. 2
hogere leeftijd
r = -.066
var. 26
onprettige
jeugdherinneringen
r = -.065
Ook al weten we dat één der vijf subcategorieën van de tevredenheid rechtstreeks
1
op de gezondheid was betrokken , de correlatie is te hoog om als geheel zinloos
op zij te worden gelegd. Bovendien wijzen de twee andere correlaties (met
bezorgdheid en symptomen van minder persoonlijkheidsevenwicht) in dezelfde
richting: mensen met meer klachten over eenzaamheid, angsten, doelloosheid des
levens, verveling, innerlijke spanning gaan frequenter naar de huisarts, eveneens
als mensen die zich bezorgd maken over allerlei zaken. Al is een causale interpretatie
vanwege onze momentopname een uiterst precaire zaak, we menen toch ons op
1
De correlatie van de ‘frequentie van het artsenbezoek’ met ‘gezondheidssatisfactie’ bleek
uiteraard hoog te zijn, r = .291, hoger dan welke samenhang dan ook.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
dit gebied te moeten wagen. Wij zouden wel kunnen veronderstellen dat verstoord
somatisch evenwicht tevens bepaalde gevoelens van onbehagen meebrengt en dat
hierdoor een bijkomstige correlatie van bezoek aan of van huisartsen, met onze
variabele ‘persoonlijkheidsevenwicht’ ontstaat. Het valt echter moeilijk dezelfde
verklaring te hanteren voor de samenhang met bezorgdheid;
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
278
het lijkt ons onwaarschijnlijk dat ook de zorgen over politiek eigen kinderen,
verhouding tot God door de mindere fysieke gezondheid worden veroorzaakt, al is
deze interpretatie niet uitgesloten. Eerder denken wij, in overeenstemming met de
ervaring van medici en met de literatuur op dit gebied, aan een zekere neurotische
1
tendens, die mensen de hulp van de huisarts doet inroepen. .
Deze veronderstelling wordt versterkt door het feit dat we niet slechts verbanden
aantreffen met de drie subjectieve variabelen, maar ook met de variabelen die deze
houdingsvariabelen bepalen: onprettige jeugdervaringen, herinneringen aan de
jeugd, het wonen in de grote stad, enz.
Van andere meer ‘objectieve’ variabelen valt de correlatie met de schoolopleiding
in het oog. Deze vormt een bevestiging van een reeds eerder gesignaleerde zwakke
2
samenhang tussen de opleiding en de tevredenheid over eigen gezondheid .
Het valt echter op dat de geconstateerde verbanden nog lager zijn dan de reeds
niet zeer intensieve samenhangen met de subjectieve variabelen. Zwak maar toch
interessant zijn de verbanden met het habitueel gedrag: de doktergangers zijn
snoepers, anti-rokers en niet-koffiegebruikers. Deze uitspraak geldt zowel voor de
mannen als de vrouwen.
Wanneer wij de bevindingen overzien, dringt zich nog een andere interpretatie
aan ons op: de doktergangers zijn mensen die uiterst consciëntieus met eigen
gezondheid omgaan. Zij drinken minder koffie, snoepen meer, wijzen het roken af
(zij roken ook minder, maar dit is aan het hogere percentage vrouwen onder hen te
danken); zij zijn meer bezorgd over allerlei dingen. Dat deze mensen meer in het
Noorden dan in het Zuiden aan te treffen zijn, meer in de steden dan in de kleine
plaatsen, stemt hiermee overeen: het verzwakte collectieve gezag van de kerk gaat
immers vaak met versterkt individueel verantwoordelijkheidsbesef gepaard. Kortom:
we menen althans bij een deel van de frequente artsenbezoekers een sterker
verantwoordelijkheidsbesef voor eigen gezondheid te mogen constateren en hierdoor
de hogere frequentie van het bezoek te verklaren. Dat de ‘neurose’ hypothese
hiernaast een sterke steun krijgt door onze gegevens, spreekt vanzelf. Van de
andere factoren werken de materiële factor (kosten van artsenbezoek, onvervangbare
werkfunctie) en de schoolopleiding (waarschijnlijk door meer inzicht) remmend op
de frequentie van het artsbezoek.
Andere vragen dan die naar de frequentie van doktersbezoek zijn door ons opgesteld
als mogelijke indicatoren van de zorg die men aan eigen gezondheid besteedt. Niet
alle vragen konden echter in de uiteindelijke
1
2
Zie b.v.J.T. Buma, De huisarts en zijn patiënt. Grondslagen van het medisch denken en
handelen, Amsterdam, 1950. Meindert J.W. de Groot, Kwantitatieve benadering van het
verzuim door neurosen bij Nederlandse fabrieksarbeiders, N.I.P.G., Leiden, 1958.
A Dutch Community, blz. 322.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
279
matrix van correlaties worden opgenomen, we beschikken slechts over
fragmentarische informatie over hun samenhangen. Het kan desondanks van belang
zijn om de spreiding van antwoorden weer te geven, daar het hier om statistieken
gaat waarvan de meeste niet algemeen bekend zijn.
Van het standpunt der persoonlijke hygiëne is het b.v. zeker nuttig te weten welke
rust men zich gunt, welk aantal uren slaap men krijgt. De resultaten van onze
desbetreffende vraag (no. 40) kunnen als volgt worden samengevat:
Tabel 1.8.5 Aantal uren nachtrust bij mannen en vrouwen
Table 1.8.5 The length of night-rest; by sex
Aantal uren dat
men gemiddeld
slaapt:
Number of
hours one
usually sleeps:
Mannen
Men
- 5 uur
15
- 5 hours
Totaal
Total
Vrouwen
Women
18
Aantal
Number
33
Percent
Percent
2,5%
- 6 uur
- 6 hours
38
37
75
5,8%
- 7 uur
- 7 hours
168
127
295
22,7%
- 8 uur
- 8 hours
277
305
582
44,9%
- 9 uur
- 9 hours
87
145
232
17,9%
- 10 uur
- 10 hours
20
37
57
4,4%
- 11 uur
- 11 hours
1
3
4
0,3%
12 uur of meer 0
3
3
0,2%
12 hours or
more
geen
(adequaat)
antwoord
no (adequate)
answer
10
6
16
1,3%
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
616
681
1.297
100,0%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Wij bemerken dat de nachtrust bijna normaal verdeeld is over de bevolkingsgroep
zoals bestudeerd door ons onderzoek. Gemiddeld krijgt men 7 uur 25 minuten slaap
(mediaan). Duidelijk is de verschuiving naar lagere waarden bij de mannen,
vergeleken met de vrouwen. Mannen krijgen gemiddeld minder slaap. Onwillekeurig
dringt de verklaring zich op dat hier ook de factor van materiële noodzaak om de
hoek komt kijken: mannen slapen minder doordat hun werk het niet toelaat om
langer te rusten; de alternatieve verklaringen, alsof de mannen minder slaap nodig
hadden of, overeenkomstig ons uitgangspunt, alsof zij minder om eigen gezondheid
gaven, lijken ons minder waarschijnlijk.
Teneinde meer inzicht te verkrijgen in deze materie, hebben wij de 1.297 personen
van onze steekproef getabuleerd naar het aantal uren dat zij slapen en het aantal
uren dat zij in verband met hun werk doorbren-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
280
gen. Er bleek een sterk verband te zijn tussen de beide variabelen, zoals de volgende
verkorte tabel 1.8.6 weergeeft:
Tabel 1.8.6 Percentage personen met minder dan zeven uur nachtrust
naar aantal uren met dagelijks werk doorgebracht
Table 1.8.6 Association between working-hours and hours of rest
Uren dat men werkt
The hours one works
Aantal geen -5 uur -6 uur
personen:none -5
-6
hours hours
Number
of
persons:
64
105
67
Percen- 15%
tage
hiervan
met 7
uur
nachtrust of
minder:
19%
17%
-7 uur -8 uur -9 uur -10 uur -11 uur
-7
-8
-9
hours hours hours -10
-11
hours hours
12 uur
of meer
12 hours
or more
49
206
224
204
69
273
33%
23%
29%
39%
38%
42%
Percentage of
this
number
with
less
than 7
hours
rest:
33 personen gaven geen of geen adequaat antwoord.
33 persons gave no or no adequate answer.
We bemerken dat, met uitzondering van de groep mensen die tussen 6 à 7 uur per
dag werken, er een bijna lineaire samenhang bestaat tussen de lange werkdagen
en korte nachten van rust, hegeen te verwachten viel. Wij vragen ons af of de korte
nachtrust bij de mensen die 6-7 uur per dag werken niet veroorzaakt is door halve
banen (‘half-time jobs’); naast studie of huishoudelijke werkzaamheden gaat men
nog uit werken; na terugkeer moet dan de dagelijkse normale taak vervuld worden,
hetgeen ten koste van de nachtrust gaat.
Ook de subjectieve vraag naar het wel of niet druk hebben in het werk leverde
een positieve samenhang op, zoals de volgende tabel 1.8.7 vertoont:
Tabel 1.8.7 Lengte van nachtrust en de drukte in het werk
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Table 1.8.7 Length of night-rest and complaints of ‘pressing work’
Hebt U het druk in Uw werk?
Have you got a busy job?
Uren slaap:
Wel
Weet het niet, Neen
Hours of sleep:Yes
ontwijkend
No
antwoord
Does not know,
evasive
Zeven uur per 275 (228)
48 (57,3)
79 (117)
nacht of minder
Totaal
Total
402
Seven hours
per night, or
less
Meer dan
zeven uur
More than 7
hours
445 (492)
133 (123,7)
290 (252)
868
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
720
181
369
1.270
2
χ = 31,8; P < .001; VCramér = ϕ
= .16.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
281
Tenslotte hebben we nog de gemiddelde nachtrust (mediaan) per beroepsgroep
berekend. Tegen onze verwachting in, bleken niet de zelfstandigen en
middenstanders maar de ‘buitenwerkers’ de kortste slapers te zijn:
Tabel 1.8.8 Mediaanlengte van nachtrust per beroepsgroep
Table 1.8.8 Median length of night-rest; by occupation
Beroepsgroep:
Occupation:
Aantal respondenten
Mediaannachtrust in uren
Number of respondents
Median night-rest in hours
14
6,8
Landarbeiders
Farm-hands
Landbouwers
Farmers
69
7,1
Geschoolde arbeiders
93
(bouwvak en
straatwerkers)
Skilled workers (other than
industry)
7,2
Ongeschoolde overige
arbeiders
Unskilled workers
52
7,2
Geestelijken, in onderwijs 30
7,2
Priests, preachers,
teachers
Ondernemers, directeuren 23
N.V., bedrijfsleiders
Employers, senior
managers
7,3
Vertegenwoordigers,
makelaars, assuradeurs
Salesmen, brokers
18
7,3
Lager toezichthoudend
personeel
Supervisors, junior
managers
50
7,3
Winkeliers, oude
middenstand
Shopkeepers
94
7,3
Kantoorbedienden
Clerks
30
7,3
Geschoolde
industriearbeiders
Skilled industrial workers
51
7,4
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Ongeschoolde
39
industriearbeiders
Unskilled industrial workers
7,5
Huisvrouwen
Housewives
485
7,6
Winkelbedienden
Shop-assistants
22
7,7
De materiële omstandigheden, in de zin van het aantal uren dat men werkt en het
soort beroep dat men uitoefent, zijn zonder twijfel de oorzaak van een groot deel
van variantie der slaapgewoonten, vooral bij de mannen. Zij zijn niet de enige
oorzaak. Vooral voor de vrouwen geldt dat de neurotische tendens, de innerlijke
spanningen die men beleeft, sterk met uren van slaap correleren. Gemakshalve
drukken wij hier een tabel af, waar beide variabelen zijn gedichotomiseerd:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
282
Tabel 1.8.9 Uren van nachtrust (slaap) bij vrouwen naar de aan- of
afwezigheid van innerlijke spanningen
Table 1.8.9 Distribution of 681 women in the sample by the length of
night-rest and the experience of inner tensions
Uren slaap
Hours of sleep
*
Spanningssymptomen:minder dan 7 uur meer dan 7 uur
less than 7 hours 7 hours or more
Symptoms of
tensions:
afwezig
69
230
not reported
Totaal
Total
299
aanwezig
reported
213
169
382
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
282
399
681
2
χ = 73,8 (1 vrijheidsgraad); ϕ = r = .33; P < .001.
Mogelijke interveniërende invloeden werden niet nagegaan. Wij dienen daarom
voorzichtig te zijn met de interpretaie. Wel moeten wij beseffen, dat de ‘objectieve
gezondheidstoestand’ (zoals b.v. door middel van een medisch onderzoek is
vastgesteld) niet bij ons onderzoek werd betrokken. Het is dus mogelijk dat mensen
met slechte gezondheid weinig slapen en ook allerlei angsten en gevoelens van
onbehagen beleven. Meer voor de hand liggend lijkt ons echter dat de twee
variabelen, betrekkelijk hoog met elkaar gecorreleerd, elkaar beïnvloeden. Al is de
kwestie van oorzaak en gevolg alweer een onzekere zaak in het onderhavige geval,
we zijn geneigd bij de vrouwen korte slaapuren eerder als gevolg dan als oorzaak
te zien. Dezelfde psychische instelling die de vrouwen tegenover de interviewers
deed klagen over de angsten en de spanningen die zij beleefden, is waarschijnlijk
de oorzaak van het vermelde tekort aan slaap.
Dat het zich wassen en het baden gezien kunnen worden als kenmerkend voor de
zorg die men aan eigen hygiëne en gezondheid besteedt, behoeft wellicht geen
breedvoerig betoog. Gegevens van ons onderzoek geven een inzicht in de
omstandigheden waaronder wordt gebaad. In hoofdstuk 1.5 (blz. 191) werd vermeld
dat slechts ongeveer een derde der bevolking beschikt over een douche of een bad
thuis. Hoe doen de resterende twee derden het? Op onze desbetreffende vraag
(no. 44) is ons gebleken dat het grootste deel van de bevolking thuis in een tobbe
of een teil zich nu en dan (waarschijnlijk niet al te frequent) grondig wast: 503
personen (d.w.z. 38,9% van de steekproef) vermeldden deze oplossing. Van ge-
*
Angstgevoelens, zwaarmoedige gedachten, (piekeren), druk, zoals door middel van vragen
no. 109 t/m 115 vastgesteld.
Anxieties, pressure, gloomy thoughts (questions no's 109-115).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
283
meentelijke badbedrijven of andere openbare badinstellingen wordt door 160
personen (12,3%) gebruik gemaakt; 31 personen (2,4%) zeggen oprecht haast nooit
te baden, hetzelfde aantal baadt bij familie of kennissen. Het aantal mensen dat
thuis een bad neemt, is 178 (13,7%), het thuis douchen is een privilege van 288
personen (22,2%); 103 respondenten (7,9%) hebben verscheidene andere
oplossingen gevonden voor eigen baadprobleem, 3 gaven geen of een ontwijkend
antwoord.
Het behoeft ons niet te verbazen dat onder deze omstandigheden slechts de helft
van de bevolking de wasgelegenheid in eigen huis voldoende acht (649 personen,
d.w.z. 50,0%); 489 personen (37,7% van de steekproef) vinden deze uitgesproken
onvoldoende, 154 (11,9%) taxeren deze als matig, 3 zijn onverschillig en 2 geven
geen adequaat antwoord.
Alweer valt het ons moeilijk om het baden als een gestandaardiseerde maatstaf
te zien van de zorg voor eigen gezondheid; het is slechts een indicator van het
algemene welzijn, waarbij zowel de materiële als de gezondheidsaspecten ten
nauwste met elkaar zijn verweven. Gaarne brengen we echter in herinnering de
reeds in hoofdstuk 1.5 vermelde bevindingen dat bij toenemende welvaart nauwelijks
aan een beter woonklimaat wordt gedacht. Waarschijnlijk mede door de naoorlogse
woningschaarste heeft zich bij de bevolking een mentaliteit ontwikkeld waarbij men
eigen woonsituatie als relatief stabiel beschouwt en bij toenemende welvaart niet
direct aan gezonder, hygiënischer wonen en leven denkt. De sociale zekerheid, het
sparen, alsmede het zich beter kleden (door vrouwen), het uitgaan - ziehier de
posten die in eigen behoeftenbevredigingspatroon boven de verbetering van woonen eetgewoonten staan. Gezondheidszorg verschijnt als een assepoester of, wellicht
nog beter uitgedrukt, als die ‘ideale’ echtgenote in de oude tijden: waaraan men
slechts denkt en waarover men pas spreekt als er iets niet in orde is.
Het patroon der samenhangen overziend, dat de afzonderlijke indicatoren van de
persoonlijke gezondheidszorg te zien geven, komen we tot de conclusie dat zowel
de materiële welvarendheid, als een neurotische tendens, naast de bewuste zich
om de gezondheid bekommerende houding, het gedrag en de leefomstandigheden
der mensen op dit gebied beïnvloeden. Van deze factoren is de materiële factor
wellicht de meest complexe van aard. Aan één kant zagen wij dat de
maatschappelijke positie de gezondheid via het beschikbaarheidsmechanisme
beïnvloedt: een zekere welstand maakt het hygiënisch wonen mogelijk
(badgelegenheid, ruimte, licht, droog binnenhuisklimaat), bevordert zelfs het bezit
van een koortsthermometer en eerste hulpmiddelen. Aan de andere kant zagen we
de hogere maatschappelijke positie gepaard gaan met weinige, schaarse contacten
met artsen; we willen aannemen dat dit een teken is van exquisiete ge-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
284
zondheid, hoewel de gedachte aan verwaarlozing der medische controle bij de
zelfstandigen ons blijft plagen als een alternatieve verklaring. De lagere
inkomstengroepen behoren in dit opzicht zeker niet meer tot de verwaarloosde
groepen: de voornaamste aandacht van de medici (althans: huisartsen) is op hen
gericht. Wij hebben tevens gezien dat ook wat de rusturen betreft wij bij de arbeiders
niet meer van een bepaald tekort kunnen spreken; korte nachtrust werd door ons
slechts bij de ‘buitenwerkers’ geconstateerd, hetgeen deels wellicht valt te verklaren
uit het feit dat de meeste interviews in de zomermaanden werden gehouden.
De materiële welvarendheid of het beroep, de neurotische tendens of de zorgende
houding zijn echter niet de enige factoren die de leefwijze van mensen onder het
etiket van ‘gezond’ of ‘ongezond’ doen vallen. Kennis, het vertrouwd zijn met de
juiste of gezonde leefwijze, speelt zonder twijfel ook een rol. We krijgen de indruk
dat de meer elementaire beginselen van hygiëne, dank zij de voorlichting en de
nauwe sociale contacten van de bevolking zelf reeds betrekkelijk brede kringen van
het publiek hebben bereikt. De vraag die we stelden over het inzicht in de waarde
van de vitaminen (no. 32) werd b.v. door de meerderheid van de bevolking adequaat
beantwoord: 59% van de ondervraagden zegt dat blikgroenten uit
gezondheidsoogpunt niet boven de verse groenten zijn te prefereren, additionele
33% verwerpt het kopen van blikgroenten om andere dan expliciet hygiënische
overwegingen, geeft althans in zijn motivering aan deze niet te kennen. Slechts
4,2% (55 personen van onze steekproef) keurt de handelswijze zoals door ons
geschilderd (‘voorraad blikken kopen in plaats van wekelijkse voorziening in verse
groenten’) goed; 38 personen (2,9%) ‘weten het niet’ (9 gaven geen antwoord).
Het vraagstuk krijgt een ander accent indien wij in plaats van de reeds vanouds
bekende leefregels, de nieuwe elementen van kennis omtrent de
gezondheidbevorderende en -schadende handelswijze bij ons onderzoek betrekken.
Zoals reeds in de inleidende hoofdstukken van dit boek vermeld, vormde de
voorlichtingscampagne omtrent het verband tussen roken en longkanker een
aanleiding om de factoren te onderzoeken die nieuwe kennis door de bevolking
doen aanvaarden. De volgende paragraaf wordt geheel hieraan gewijd.
1.8.3 Case study: voorlichting omtrent het roken en de reactie hierop
Uit het bijzonder informatieve proefschrift van Van Proosdij leren we dat hypothesen
omtrent het verband tussen roken en longkanker reeds in de eerste decennia van
1
deze eeuw zijn gelanceerd . Het was echter
1
C. van Proosdij, Roken, Amsterdam 1957, blz. 66.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
285
waarschijnlijk aan de toepassing van de verfijnde statistische methode te danken
dat onder de kritisch denkende deskundigen de zekerheid reeds dat de
rookgewoonten op een nog niet geheel te verklaren wijze rechtstreeks de kansen
doen vermeerderen op individuele sterfte aan longkanker. Dank zij de retrospectieve
studie van R. Doll en A.B. Hill, in 1950 gepubliceerd en die van E.L. Wynder en E.A.
1
Graham , werd de aandacht van de wereldpers en artsengemeenschap in de
westerse wereld op dit verband gericht. Kritiek die de onderzoekers in de
desbetreffende landen vooral van de kant der rokende artsen kregen te verduren,
werd met nieuwe, anders of breder opgezette onderzoekingen beantwoord. Doll en
Hill hebben dit keer de artsen zelf als proefpersonen gekozen (mede om aan te
tonen dat werkelijk: tua res agitur?), de retrospectieve opzet van onderzoek
waartegen vooral in Engeland nogal bezwaren bestaan, werd door een prospectieve
opzet vervangen: de rookgewoonten van artsen werden door middel van vragenlijst
2
vastgesteld en de hierna plaatshebbende sterftegevallen nauwkeurig onderzocht .
De resultaten bevestigen het reeds in 1950 bekendgemaakte beeld: de kansen
op sterfte door longkanker zijn aanzienlijk groter bij de rokers dan bij de niet-rokers,
bij de sterke rokers dan bij de lichte rokers, bij de sigarettenrokers dan bij de rokers
die de tabak in een andere vorm consumeren.
In Nederland is aan het vraagstuk van het begin af wel degelijk aandacht
geschonken. Terugkerend van een in 1952 in Leuven gehouden symposion over
longkanker, heeft Dr. R. Korteweg in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde
van 14 maart 1953 in een artikel over ‘Bestrijding van longkanker’ gepleit voor de
preventieve bestrijding van longkanker; door het roken te verminderen zou het
mogelijk zijn deze echte ‘volksziekte’ sterk te doen afnemen. Sedert die tijd zien we
een groeiende belangstelling voor het vraagstuk zich uiten in een levendige discussie
in de afleveringen van het tijdschrift. In april 1954 vraagt de Directeur-Generaal voor
de Volksgezondheid (prof. Dr. P. Muntendam) de wetenschappelijke raad van advies
voor kankerbestrijding om een rapport over het verband tussen roken en longkanker.
Een maand later, mei 1954,
1
2
R. Doll en A.B. Hill, ‘Smoking and carcinoma of the lung’ in British Medical Journal, blz. 739,
1950-II; van dezelfden ook: ‘A study of the aetiology of carcinoma of the lung’ ibid. 1952-II,
blz. 1271. E.L. Wynder en E.A. Graham, ‘Tobacco smoking as a possible etiologic factor in
bronchiogenic carcinoma’, Journal of American Medical Association, 143, 329, 1950.
Reeds in 1954 werd een voorlopig rapport uitgebracht: R. Doll en A.B. Hill, ‘The mortality of
doctors in relation to their smoking habits. A preliminary report’. British Medical Journal, 1954-I,
blz. 1451.
Voor de bezwaren tegen ‘effect-to-cause’ studies zie ook het sociologische handboek van
John Madge, The Tools of Social Science, London, 1957, blz. 273-274; wij delen schrijvers
bezwaren tegen ‘inverse probability’ niet.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
286
werd hetzelfde verzoek gericht tot de Gezondheidsraad, die onder voorzitterschap
van Dr. J. Wester in maart 1956 een rapport van een voor dit doel benoemde
1
commissie aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid heeft uitgebracht .
De commissie was eenstemmig van oordeel dat de toename van de sterfte aan
longkanker dreigend is en dat er een ‘associatie’ tussen roken en longkanker bestaat
(de keuze van de term is interessant vanuit kennissociologisch oogpunt); over het
bestaan van een oorzakelijk verband was de commissie verdeeld; de statistici achtten
het bewijs menselijkerwijs geleverd, de klinici niet; ook deze laatsten achtten echter
een causaal verband niet uitgesloten. Ook de leden die de causale aard van het
verband niet zagen, meenden echter tot een positief advies te kunnen overgaan.
Een waarschuwing tegen het roken zou voornamelijk tot de jeugd worden gericht
teneinde de toekomstige toename van sterfte te voorkomen en tegelijkertijd de
kankervrees en andere psychologische complicaties bij ouderen, aan het roken
gewenden, te voorkomen. De reactie van de regering bleef een tijd uit.
Geïnterpelleerd reeds op 28 april 1956 in de Eerste Kamer, heeft de Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid (J.G. Suurhoff) zich het recht voorbehouden
het rapport te bestuderen alvorens stappen te nemen. Hij handelde in
overeenstemming met de reeds eerder (12 april 1956) gedane verklaring dat hij
slechts tot een waarschuwing wil overgaan indien deze in krachtige termen kon
geschieden, daar ‘het beter was geen waarschuwing te geven dan een vage’.
(Verklaring in de Eerste Kamer in verband met de interpellatie van Dr. Wibaut; zie
Algemeen Handelsblad van 12 april 1956). In mei 1956 bracht de dagbladpers het
2
berichtje dat de Minister zelf het roken heeft gestaakt . Waarschijnlijk was het de
verdeeldheid van de Commissie van de Gezondheidsraad inzake de oorzakelijke
samenhang tussen roken en longkanker die de regering deed aarzelen tot actie
over te gaan. Inmiddels zijn er berichten gekomen dat Zweden het adverteren met
sigaretten, sigaren en tabak wettelijk heeft verboden (Nederlands Tijdschrift voor
Geneeskunde, 23 juni 1956) en dat de Britse regering een grootscheepse campagne
voorbereidt tegen het roken. In december 1956 wijdt o.a. Het Parool zijn wekelijks
bijvoegsel aan het roken door de jeugd, zich baserend op de gegevens van Dr. R.
Korteweg, lid van de Commissie, in Medisch Contact van 19 juli 1956.
Langzamerhand dringen de Eerste-Kamerleden erop aan dat het rapport van de
Gezondheidsraad inderdaad wordt gepubliceerd en de Minister de eis, dat een
rapport eensgezind moet zijn, laat varen (De Telegraaf, 9 februari 1957).
1
2
Gepubliceerd o.a. in Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Jaargang 101, no. 10, 9 maart
1957, blz. 459-463.
De Telegraaf, 16 mei 1956: ‘Ik heb het roken gestaakt. Niet uit vrees voor ziekte, maar omdat
drie pakjes sigaretten mij te veel lijkt, en ik het met één pakje per dag niet kan doen’.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
287
Begin maart 1957 wordt het rapport dan inderdaad aan de pers medegedeeld en
heeft de regering een verklaring afgelegd, waarin zij het advies van de
Gezondheidsraad opvolgt en vooral de jeugd van het roken zal afhouden:
‘De regering heeft met bezorgdheid kennis genomen van de snelle toeneming van
longkanker, die zich de laatste decenniën heeft voltrokken. In de medische kringen
en ook in de lekenpers wordt veelal gesteld, dat sterk roken, in het bijzonder van
sigaretten, het ontstaan van longkanker bevordert. De regering heeft zich op dit
punt door deskundigen laten voorlichten.
Dezen hebben als hun mening gegeven, dat hoewel het bewijs van een causaal
verband in bovengenoemde zin begrijpelijkerwijs niet geleverd kan worden, er geen
afdoende argumenten verzameld werden tegen de aanname van een dergelijk
verband.
Indien genoemde stijging met gelijke of zelfs maar vergelijkbare tred zou voortgaan,
zal de frequentie aan longkanker (overledenen? de S.) in de volgende generatie
verontrustend groot zijn. Het is daarom, dat de huidige jeugd er goed aan zal doen
zich het roken, althans van sigaretten, niet aan te wennen.’ (Nieuwe Rotterdamse
Courant, 9 maart 1957).
Het was deze verklaring, waarvan de tekst door alle Commissieleden werd aanvaard,
die aanleiding gaf tot een intensieve perscampagne. Indien we slechts een greep
doen uit de neutrale (algemene) pers dan zien we dat de N.R.C. aan het vraagstuk
uitgebreide artikelen wijst op 9 maart, 28 juni, 26 juli 1957. Het Parool brengt
eveneens een uitgebreid verslag op 9 maart, verder een verwijtend artikel: ‘Ondanks
waarschuwing tegen longkanker, publiek rookte tien procent meer dan jaar geleden’
op 19 juli 1957, na een reeds eerder gepubliceerd artikel over een onderzoek in
zeven landen (28 juni 1957) en een uitgebreid advies hoe men van het roken afkomt,
op 6 juli van dat jaar. Dezelfde krant brengt op 17 augustus nog een uitgebreid
interview met Dr. E.L. Wynder met vet gedrukte tabellen over de toename van sterfte
aan kanker in de loop der laatste jaren.
Het Algemeen Handelsblad begon met de voorlichting reeds voor de
regeringsverklaring op 9 maart en brengt op 31 maart 1955, 12 april 1956, 8 mei
1956, 18 mei 1956 en voorts op 14 december 1956 uitvoerige artikelen over het
roken en de longkanker. In 1957 verschijnen artikelen op 8 februari, 8 maart, 9
maart, 20 april, 28 juni en 12 juli.
De Telegraaf wijdt eveneens veel ruimte aan het vraagstuk in 1957, doet echter
o.i. ietwat meer concessies aan het rokende publiek dan andere bladen. Zo wordt
het proefschrift van Dr. Van Proosdij aangekondigd onder de titel ‘Amsterdamse
arts in proefschrift: Naast gevaren heeft roken ook voordelen. Mits niet wordt
geïnhaleerd’. (De woorden ‘Naast gevaren
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
288
heeft roken ook voordelen’, worden in De Telegraaf vet en groot afgedrukt; zie het
blad van 22 juni 1957). Ook verschijnt hier op 20 juli 1957 een artikel onder de titel
‘Hebben de dokters het mis?’ waarin de opvattingen van Sir Heneage Ogilvie worden
weergegeven alsof het verband tussen roken en kanker op zelfselectie berustte.
De confessionele bladen en zelfs vele weekbladen brengen echter een adequate
voorlichting met een welgemeende waarschuwing niet slechts aan de jeugdigen,
maar aan de rokers in het algemeen. Ook hier zien we het jaar 1957 als een
hoogtepunt van de ganse voorlichtingscampagne tegen het roken. Zo was ongeveer
de situatie aan de vooravond van onze landelijke enquête: door de pers, door middel
van radio-uitzendingen, maar ook door inschakeling van het verenigingsleven en
geïnstitutionaliseerde jeugdzorg (zie de verklaringen van jeugdleiders, de secretaris
van de Nederlandse Jeugdgemeenschap, de voorzitter van Ajax, enz. in Het Parool
van 9 maart 1957) tracht men de kennis omtrent de risico's bevattende aspecten
van het roken aan het publiek door te geven.
Hoe was de reactie van het publiek hierop? Heeft de campagne de bevolking
bereikt? Wellicht nog belangrijker: heeft de bevolking de kennis aanvaard, het advies
opgevolgd en de leefwijze gewijzigd? Zo niet welke waren de voornaamste (sociale)
oorzaken van het falen of van het slechts gedeeltelijke succes? Zie hier enkele
vragen waarmee we ons geconfronteerd zagen. De hierop volgende gegevens
werpen hopelijk enig nieuw licht op deze nogal gecompliceerde materie, al hebben
zij geen pretentie het vraagstuk volledig door te lichten.
De bovengeschetste voorlichtingscampagne plaatst ook onze eigen bevindingen
in een nieuw licht. Het feit dat, toen we medio 1958 onze respondenten bezochten,
er nog maar een kleine 11% niet-rokers onder de mannen waren en dat bijna een
kwart van alle volwassen mannen (22,6%) het, om met de woorden van de Minister
te spreken, bij een pakje sigaretten (of equivalente hoeveelheid tabak) niet liet,
spreekt zijn eigen taal. Men zou hiertegen kunnen inbrengen dat de voorlichting van
de regering er niet op was gericht de rokers hun dagelijkse gewoonte te doen
opgeven, dat de campagne zich voornamelijk richtte tegen het roken bij de jeugd.
Ook in dit opzicht leveren de gegevens van hoofdstuk 1.4 nog een weinig zichtbaar
resultaat. Nog geen 9% van de gehele bevolking is van mening dat hun zoons (of
jonge mannen) geheel niet mogen roken, een grote meerderheid staat het roken
van minderjarigen toe: 86,7% van de steekproef (mannen en vrouwen) vindt het
niet bezwaarlijk indien hun zoon jonger dan 20 jaar gaat roken! De resultaten van
onze enquête, zoals in de eerste hoofdstukken van dit boek weergegeven, zijn
dermate intrigerend van het standpunt van de preventie van longkanker dat men
de vraag kan stellen: heeft de voorlichtingscampagne dan helemaal geen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
289
effect gesorteerd? Vindt men ondanks de reeks krante- en tijdschrift-artikelen,
radiolezingen en verenigingsacties het roken gezond en gaat men rustig door?
Teneinde antwoord te krijgen op deze laatste vraag hebben wij aan de bevolking
rechtstreeks de vraag voorgelegd: ‘Vindt U het roken gezond of ongezond?’ (no.
75). De antwoorden gaven een ietwat ‘positiever’ beeld te zien dan we aan de hand
van beide zojuist vermelde gegevens zouden verwachten:
Tabel 1.8.10 Evaluatie van roken van het gezondheidsstandpunt naar
geslacht
Table 1.8.10 Health-evaluation of smoking; by sex
We bemerken dat ondanks de wijd verspreide rookgewoonten in ons land en ondanks
de zwakke verbodsnorm op het roken betrokken, de meerderheid der mensen reeds
het roken ongezond vindt. Mannen en vrouwen denken hieromtrent verschillend;
vrouwen zijn uiteraard zich meer bewust van de ongezonde aard van deze gewoonte.
Het percentage mannen dat het roken gezond vindt, is meer dan het dubbele van
het corresponderende percentage vrouwen; er zijn eveneens meer vrouwen dan
mannen in de groep mensen die het roken ongezond vindt (het verschil beloopt hier
tot 7,2 %). De geconstateerde discrepanties zijn statistisch significant. Zij zijn echter
niet de enige die wij bij onze respondenten konden constateren. Leeftijd schijnt
eveneens een variantie aan te brengen in de evaluering van roken: jongeren vinden
het roken veelvuldiger ongezond dan ouderen. Alweer kan men in dit opzicht ietwat
meer ‘optimistisch’ zijn omtrent de gevoerde voorlichtingscampagne. Tabel 1.8.11
geeft de antwoorden op onze vraag weer door verscheidene leeftijdsgroepen
gegeven:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
290
Tabel 1.8.11 Evaluatie van roken naar leeftijd
Table 1.8.11 Health-evaluation of smoking; by age
leeftijd:
Age:
21-25 jaar
years
Vindt U het roken gezond of ongezond?
Do you find smoking healthy or unhealthy?
gezond
weet het niet ongezond geen
Totaal
healthy
zozo
unhealthy antwoord Total
does not
no response
know
6 4,3%
34 24,7%
94 68,1%
4 2,9%
138 100%
26-30 jaar
years
10 6,5%
45 29,0%
97 63,2%
2 1,2%
154 100%
31-40 jaar
years
17 5,5%
101 32,7%
186 60,2%
5 1,6%
309 100%
41-50 jaar
years
17 6,8%
71 28,4%
159 64,0%
2 0,8%
249 100%
51-60 jaar
years
15 6,8%
85 38,9%
115 52,5%
4 1,8%
219 100%
61-70 jaar
years
20 13,2%
53 35,1%
76 50,4%
2 1,3%
151 100%
71 jaar en
meer
years and
more
11 14,5%
27 35,5%
36 47,4%
2 2,6%
76 100%
1
1
geen
antwoord
no response
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
96 7,4%
416 32,1%
763 58,8%
22 1,7%
1.297 100%
2
χ = 33,3 (12 vrijheidsgraden; de categorie ‘geen antwoord’ niet meegerekend);
(12 degrees of freedom; the category ‘no response’ left out)
P < .001; VCramér = .115.
We bemerken dat het percentage in de linkerkolom haast evenredig stijgt met de
stijgende leeftijd, terwijl het percentage mensen dat het roken ongezond vindt met
de leeftijd haast evenredig aan het dalen is. Festingers theorie komt onwillekeurig
in onze gedachten, wanneer we deze bevinding trachten te interpreteren. Het zijn
immers de jongeren die wellicht nog niet dermate ‘verslaafd zijn’ aan het roken, bij
hen is de gewoonte nog niet ‘vastgeroest’ in de ganse persoonlijkheidsstructuur,
hetgeen wij bij de ouderen wel mogen veronderstellen. Vandaar dat bij de jongeren
nog een meer ‘objectieve’ houding t.o.v. het roken kan worden geconstateerd, zij
staan meer open voor de kennis die hun wordt gebracht.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Combineren we echter deze bevinding met de reeds gesignaleerde meer negatieve
evaluatie van het roken door de vrouwen, dan valt het gemeenschappelijke kenmerk
van beide groeperingen in het oog: vrouwen roken uitgesproken minder dan mannen;
ook jongere personen roken nog iets minder dan oudere personen, al is het verband
niet significant. Hoe staat het nu met het verband tussen het roken en de evaluering
van het roken?
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
291
De volgende verkorte Tabel 1.8.12 vat onze gegevens in dit opzicht samen:
Tabel 1.8.12 Evaluatie van roken naar intensiteit van eigen rookgewoonte
Table 1.8.12 Health-evaluation of smoking; by smoking habits of the
respondents
Men vindt het roken:
One considers smoking:
Aantal
gezond
zozo, weet het ongezond
sigaretten of g healthy
niet
unhealthy
tabak dagelijks
so, so, does not
gerookt
know
Number of
cigarettes (or g
of tobacco)
smoked a day
geen of 1 per 24 4,5%
169 31,5%
343 64%
dag
none or 1 a day
Totaal
Total
536 100%
2 t/m 21 per
dag
2-21 a day
47 8,0%
186 32%
347 60%
580 100%
22 en/of meer
21 or more
25 17,5%
53 37%
65 45,5%
143 100%
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
96 7,6%
408 32,4%
755 60,0%
1.259 100%
P < .001.
Het verband is min of meer duidelijk: mensen die roken, vooral mensen die zwaar
roken, zijn minder geneigd toe te geven het roken ongezond te vinden. Dit is op
zich zelf geen nieuwe wijsheid; toch ligt de bevinding geheel in de lijn van de theorie
van de cognitieve discrepantie: de kennis die interfereert met een (langdurige)
gewoonte wordt niet als zodanig aanvaard. Onze vraag vormt echter nog een te
vaag meetinstrument voor de ‘aanvaarding van kennis omtrent de gevolgen van het
roken’ om deze conclusie te mogen trekken. In feite vormde deze slechts een
inleiding tot een gehele reeks vragen die wij op dit gebied aan de respondenten
stelden (no.'s 75 t/m 79).
Een van de eerste vragen betrof de bron van informatie (indien aanwezig) waarop
zij hun oordeel omtrent de gezonde of ongezonde aard der rookgewoonten
baseerden. De antwoorden op deze vraag (no. 76 op de Vragenlijst) kunnen als
volgt worden samengevat. (Zie Tabel 1.8.13, blz.292).
We bemerken in de eerste plaats dat het aantal mensen dat geheel niets van de
ev. schadelijke aspecten van het roken heeft vernomen, relatief klein is, nl. 14%;
d.w.z. dat slechts een van de zeven volwassen mannen en vrouwen niet door de
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
voorlichtingscampagne direct of indirect (via kennissen of familieleden) werd bereikt.
Onder deze groep van ‘onwetenden’ zijn relatief meer vrouwen dan mannen, het
verschil is bijna 5%. Nog andere
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
292
Tabel 1.8.13 Bron van informatie over de gezondheidsaspecten van het
roken naar geslacht
Table 1.8.13 Sources of knowledge about health-aspects of smoking;
by sex
Informatie:Mannen
Men
Information:
Aantal
Number
Nooit iets 71
vernomen
Vrouwen
Women
Totaal
Total
Percent
Percent
11,5
Aantal
Number
112
Percent
Percent
16,4
Aantal
Number
183
Percent
Percent
14,2
In de krant 194
gelezen
(a)
Read in
the
newspapers
31,5
168
24,7
362
27,9
Boeken
2
gelezen
erover (b)
0,3
3
0,4
5
0,4
5,4
55
8,1
88
6,8
Van
102
kennissen
of familie
(d)
Heard
from
familymembers
or
acquaintances
16,6
119
17,5
221
17,0
a+c
62
10,1
63
9,3
125
9,6
a+d
83
13,5
70
10,3
153
11,8
Never
heard of
Read in
books
Per radio
erover
gehoord
(c)
Came to
know
through
radio
33
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
c+d
19
3,1
18
2,7
37
2,8
andere
37
combinatie
6,0
60
8,8
97
7,5
geen
13
(adequaat)
antwoord
no
(adequate)
answer
2,1
13
1,8
26
2,0
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
616
100,1
685
100,0
1.297
100,0
other
combinations
*
*
verschillen tussen de beide kunnen vallen te constateren uit de bovenstaande tabel.
Mannen zijn naar verhouding makkelijker te bereiken door de krant, vrouwen door
middel van de radio, al is ook bij de laatsten de krant een belangrijkere bron van
informatie dan het laatst genoemde medium. De krant blijkt het belangrijkste
instrument te zijn geweest bij de verspreiding van de kennis over de mogelijke
schadelijke aspecten van het roken: bijna de helft van onze steekproef (49,3%) las
over het roken in de krant (waarbij dient te worden vermeld dat de rubriek ‘andere
combinatie’, die 7,5% van de respondenten bevat waarschijnlijk ook vele krantelezers
telt). De informele bronnen (familie of kennissen) komen op de tweede plaats
(31,6%), pas daarna gevolgd door de radio (19,2%).
Wij zouden aan de hand van het model van strikt rationeel gedrag verwachten,
dat mensen die nog nooit hebben gehoord dat roken schadelijk is, meer zouden
roken dan mensen tot wie deze kennis is doorgedrongen. De bovenstaande
verschillen in de mate van het geïnformeerd zijn tussen de mannen en de vrouwen
(algemeen bekend als zwakkere rokers) suggereren echter een tegenovergesteld
beeld. Geïntrigeerd door deze bevinding hebben wij de correlatietabel opgesteld
van wel of niet geïnfor-
*
*
Tabel opgemaakt vóór de revisie der ponsingen
The table was set up before the revision of cards
Tabel opgemaakt vóór de revisie der ponsingen
The table was set up before the revision of cards
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
293
meerd zijn over de schadelijke effecten van het roken naar de intensiteit van eigen
rookgewoonten. In een verkorte vorm drukken we ook deze tabel hier af:
Tabel 1.8.14 Intensiteit van rookgewoonten naar de informatie over de
schadelijke gevolgen van het roken
Table 1.8.14 Information about lung-cancer; by smoking habits of the
respondent
Informatie:
Information:
Wel
geïnformeerd
Informed
Intensiteit van het roken
Intensity of smoking habits:
rookt niet
rookt weinig (2 rookt wel (14 g Totaal
does not smoket/m 13 g)
of meer)
Total
light smoker (2 heavier smoker
to 13 g)
(14 g or more)
436 (460)
184 (178)
456 (438)
1.076
Niets van
vernomen
Noi informed
101 (77)
24 (30)
55 (73)
180
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
537
208
511
1.256
*
2
χ = 15,3; 2 vrijheidsgraden; P < .001; ϕ = VCramér = .11.
2 degrees of freedom
Indien we de tussen haakjes geplaatste cijfers, die de verwachte frequenties
uitdrukken, vergelijken met de werkelijk gevonden frequenties, kunnen wij gemakkelijk
de richting van de associatie vaststellen: rokers zijn beter geïnformeerd over de
gevolgen van het roken dan de niet-rokers, zware rokers beter dan de lichte rokers.
Wij kunnen slechts gissen over de ‘mechanismen’ of factoren die de rokers meer
in contact met de verspreide kennis hebben gebracht. Wellicht worden zij vaker
door de omgeving op de berichtgeving attent gemaakt, of zij schenken hieraan
onbewust meer aandacht terwijl de niet-rokers desbetreffende artikelen of berichten
ongelezen laten. Hoe dan ook, hier zien we reeds een discrepantie, die geen twijfel
overlaat: mensen die roken zijn veelvuldiger in contact geraakt met berichten of
voorlichting omtrent de schadelijke effecten van roken; desondanks zij hun
gewoonten niet gestaakt. Aanvaarden zij de kennis die verstrekt wordt?
Teneinde dit aspect zichtbaar te kunnen maken hebben wij de vraag ingelast of
men wel of niet geloofde dat roken een oorzaak is van longziekten (alsnog de ene
gevreesde ziekte om psychologische redenen vermijdend; slechts indien de vraag
positief beantwoord werd hebben we naar de naam van deze ziekte(n) geïnformeerd).
Het percentage mensen dat niet in de oorzakelijke werking van het roken t.o.v. de
longziekten
*
41 personen gaven geen antwoord op een der vragen
41 persons gave no answer
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
294
gelooft, is hoger dan het percentage mensen dat nooit hieromtrent heeft gehoord
of gelezen; het is ook hoger dan het percentage mensen dat het roken gezond vindt.
Tabel 1.8.15 vat de resultaten van onze ondervraging samen:
Tabel 1.8.15 Aanvaarding van kennis omtrent de gevolgen van roken
naar geslacht
Table 1.8.15 Acceptance of knowledge about the effects of smoking;
by sex
‘Gelooft U, Mannen
dat het
Men
roken de
oorzaak is
van
longziekten?
Zo ja, van
welke?’
‘Do you
believe
that
smoking
causes
lung-disease?
If yes, what
disease?’
Gelooft
145
niet
Does not
believe so
Weet het
niet
Does not
know
186
Gelooft
27
wel, weet
niet welke
Vrouwen
Women
Totaal
Total
23,7%
118
17,2%
263
20,3%
30,4%
260
38,0%
446
34 3%
4,4%
34
5,0%
61
4,7%
35,9%
234
34,2%
454
35,0%
3,1%
26
3,8%
45
3,5%
Yes, does
not know
what
Ja, kanker 220
Yes,
cancer
Ja, een
andere
ziekte
19
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Yes,
another
disease
Ja, kanker 6
en andere
1,0%
5
0,7%
11
0,8%
Yes,
cancer
and others
Geen
antwoord
No
response
10
1,5%
8
1,2%
18
1,4%
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
612
100,0%
685
100,1%
1.297
99,9%
We bemerken dat ongeveer een vijfde van de bevolking de gedachte verwerpt dat
het roken een longziekte kan veroorzaken; iets meer dan een derde twijfelt en
verkeert in onzekerheid hieromtrent; eveneens ietwat meer dan een derde stelt
duidelijk, in de oorzakelijke factor van longkanker te geloven. De rest is verspreid
over kleinere groeperingen die hetzij ‘het hoesten’ of bronchitis noemen, hetzij
geheel geen reden kunnen opgeven voor hun geloof dat roken ongezond is.
Het verschil in kennisaanvaarding tussen de mannen en de vrouwen is slechts
zeer klein (de correlatie is r1- 5 = .037, d.w.z. niet significant). Wel bestaat er een
significant verband met de intensiteit der rookgewoonten, zoals de volgende Tabel
1.8.16 duidelijk doet uitkomen.
We bemerken dat zowel bij de mannen als bij de vrouwen het percentage mensen
dat niet gelooft dat het roken een oorzaak is van longziekten evenredig stijgt met
het aantal sigaretten dat men dagelijks rookt (of een equivalente hoeveelheid tabak
die men consumeert). Het verband is vrijwel lineair en verklaart geheel de
oorspronkelijk gesignaleerde kleine verschillen tussen de beide seksen. Vrouwen
die in dezelfde rokerscategorie vallen als mannen ontkennen zelfs iets
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
295
Tabel 1.8.16 Percentages mensen die het roken niet als oorzaak der
longziekten aanvaarden, naar intensiteit rookgewoonten en geslacht
Table 1.8.16 Accepting of knowledge about smoking; by sex and the
smoking habits of the respondent
sterker in een verband tussen het roken en de ziekte te geloven. (Wij vragen ons
af of het niet gaat om de echtgenoten van de rokende mannen en dus om de elkaar
versterkende ‘resistance’ tegenover de doordringende onaangename berichten; wij
zullen op dit vraagstuk terugkomen). De proportie van mensen die de kennis
verwerpen is bij de mannelijke sterke rokers bijna verdrievoudigd, bij de mannelijke
rokers meer dan verdubbeld.
Een aspect van Festingers theorie schijnt dus geheel bevestigd door onze
gegevens. Naarmate men meer rookt (en indien onze bevinding omtrent de
leeftijdsfactor erbij wordt betrokken ook: naarmate de rookgewoonte door jarenlange
werking in de persoonlijkheid is verankerd) bestaat er meer neiging de berichten
over de recente onderzoekingen niet au serieux te nemen, de kennis niet als zodanig
te aanvaarden en zich zelf vrij te pleiten voor eigen, met deze berichten niet in
verzoening te brengen, gedrag.
De op de tabel 1.8.16 zichtbare samenhang is door ons ook kwantitatief getoetst;
tussen beide variabelen, het roken (no. 13 op de Basis Correlatie Matrix) en de
aanvaarding van kennis omtrent de gevolgen van het roken (no. 15) werd een
correlatie gevonden, die niet al te hoog was, maar desondanks significant bij het
waarschijnlijkheidsniveau P < .001 (r13-15 = - .110). Geen van de andere 33 variabelen
kon als een interfererende factor worden aangeduid; we hebben hier in de termen
van onze matrix
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
296
met een echte oorzakelijke samenhang te maken. De correlatie is niet als intensief
te beschouwen. Hiertegenover staat echter het feit dat van de 33 variabelen in onze
matrix er slechts drie aan te wijzen zijn (naast de intensiteit van roken) als
medebepalend de aanvaarding van kennis omtrent het roken. Het zijn: de opleiding
(r4-15 = .108); de cultuuraanvaarding (r10-15 = .089); en het persoonlijkheidsevenwicht
(r24-15 = .100). Mensen die meer schoolopleiding hebben genoten zijn eerder bereid
om aan te nemen dat er een oorzakelijk verband tussen het roken en de longziekten
bestaat. Deze samenhang geldt ook onafhankelijk van het feit of deze personen
roken of niet, de partiële correlaties komen zelfs hoger uit dan de gewone
(‘produktmoment’) correlaties (r4-15.13 = .120; r13-15.4 = - .121).
Ook mensen die een hogere mate van culturele binding vertonen, aanvaarden
veelvuldiger de kennis omtrent het roken. De partiële correlatie werd verzwakt door
de testfactor ‘opleiding’, maar bleef nog significant (r10-15.4 = .075). Teneinde te
begrijpen waarom hier een verband bestaat, is het goed om te beseffen dat handelen
in overeenstemming met, nadenken over en spreken over eigen leer, de basis
vormden waarop onze variabele van ‘cultuuraanvaarding’ werd opgebouwd. We
kunnen aannemen dat mensen met een hoge aanvaardingscore tot de meer
consciëntieuze personen behoren en tevens tot de personen die rijke sociale
contacten hebben. De kans zowel op aanraking met de kennis als op de ethisch
meer verantwoorde beslissing hieromtrent is bij hen waarschijnlijk groter.
Terwijl dus onze ‘rationaliteit’ hypothese eveneens bevestigd wordt, duikt in de
onverwachte correlatie, tussen een minder ‘persoonlijkheidsevenwicht’ en een
grotere geneigdheid aan de berichten omtrent longkanker geloof toe te kennen, een
nieuwe bevinding op. Al is de correlatie niet zeer intensief (r24-15 = .100), zij is
statistisch significant en heeft de toets van het invoeren van testfactoren kunnen
doorstaan.
De aanwezigheid van angsten, gevoelens van eenzaamheid, verveling,
doelloosheid, dwangmatige gedachtengang, die wij als symptomatisch voor een
neurotische tendens hebben gesteld, correleert met een positief aanvaarden van
kennis omtrent de longkanker. Naast de elementen van ‘piekeren’ en ‘angsten’ is
het wellicht de overconsciëntieuze levenshouding, die volgens de clinici met bepaalde
neurotische symptomen gepaard gaat, die hier een positieve samenhang kan
veroorzaken. Het is echter interessant dat ‘bezorgdheid’ lager is gecorreleerd (r15-22
= .069), zodat de coëfficiënt net de significantiegrens passeert en niet meer in onze
analyse, die in dit opzicht iets aan de veilige kant ligt, werd opgenomen. Het ligt dus
niet slechts aan de ‘overbezorgde’ houding dat we hier een samenhang aantreffen
tussen var.24 en de aanvaarding der kennis. Een sterke roker zal hier waarschijnlijk
opmerken: ‘Zie je wel, het zijn slechts neurotici die zich iets van de berichtgeving
aantrekken!’ Deze uitspraak bevat nauwelijks de halve waarheid. Het
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
297
zijn niet slechts, maar wellicht ietwat meer mensen, die met allerlei symptomen van
onbehagen te kampen hebben. Hiernaast vinden we echter ook de meer rationele
(althans: beter opgeleide) mensen; personen meer geïnvolveerd in eigen leer en
voorts mensen die zelf niet aan het roken ‘verslaafd’ zijn en daarom een betere
positie hebben om te oordelen, onder de groepen die de voorlichting hebben
aanvaard.
Een aspect van de zaak blijft ons nog steeds intrigeren. We hebben gezien dat de
rokers meer met de berichten over de longkanker in aanraking zijn gekomen dan
niet-rokers of slechts zwakke rokers. We hebben eveneens gezien dat deze mensen
minder geneigd zijn om de hun verstrekte kennis als zodanig te aanvaarden. Moeten
we hieruit concluderen dat er zelfs een negatief verband valt te constateren tussen
de voorlichting en de aanvaarding van kennis?
Dit schijnt een overdreven conclusie. De volgende Tabel 1.8.16a laat duidelijk
zien dat het in aanraking komen met de voorlichtingsmedia (althans voor zover door
de respondenten zelf vermeld) wel duidelijk ‘positief’ invloed uitoefent op de
aanvaarding van kennis. De groep twijfelaars, personen die zich van de vraag
afmaken met de bekende uitweg ‘ik weet het niet’, is veel kleiner bij de mensen die
iets over de kwestie hebben gelezen of gehoord. De campagne heeft dus niet tot
een vertroebeling of verdoezeling geleid: de meer ‘gepolariseerde’ opinies zijn er
een gevolg van.
Tabel 1.8.16a Aanvaarding kennis omtrent het roken naar het wel of niet
geïnformeerd zijn
Table 1.8.16a Acceptance of knowledge and information
Aanvaarding kennis
Acceptance of knowledge
gelooft wel
weet het niet
believes
does not know
46 (80)
103 (62)
gelooft niet
Totaal
does not believe Total
30 (37)
179
Wel
geïnformeerd
Informed
517 (483)
334 (365)
231 (224)
1.082
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
563
437
261
1.261
Informatie:
Information:
Niet
geïnformeerd
Not-informed
*
2
χ = 50,1 (2 vrijheidsgraden); P < .001.
Indien we de tussen de haakjes geplaatste verwachte frequenties bezien, dan
bemerken we dat het vooral om de eerste twee kolommen gaat, die grote
veranderingen ondergaan. Met andere woorden de groep mensen
*
26 personen die geen (adequaat) antwoord gaven op een der beide vragen werden niet
opgenomen in de tabel
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
298
die een ontwijkend antwoord ‘ik weet het niet’ geven, krimpt in onder de
‘geïnformeerden’ van 57,5% tot 30,9%. We bemerken dat de overgebleven personen
voornamelijk in de categorie kennis aanvaardenden vallen, al vertoont de categorie
‘gelooft niet’ ook een kleine winst. Met de gevonden samenhangen zijn niet alle
‘intrigerende’ aspecten van een voorlichtingscampagne over het roken opgehelderd.
Volgens Festingers theorie zouden wij, als een alternatief tot het niet-aanvaarden
van kennis, een wijziging in eigen gedrag verwachten: onder de druk van ‘hard facts’
zouden de kritische rokers (de rokers die de waarschijnlijkheid van een oorzakelijk
verband niet lichtzinnig afwijzen) eigen leefpatroon wijzigen en eigen gewoonten
verzaken. Teneinde deze hypothese te toetsen werd, alvorens op de vragen omtrent
de longziekten in te gaan, een ‘onschuldige’ vraag gesteld of men thans meer,
minder of ongeveer in dezelfde mate rookt als enkele jaren geleden. De antwoorden
kwamen als volgt verdeeld:
Tabel 1.8.17 Verandering in rookpatroon
Table 1.8.17 Change in individual's smoking pattern
Rookt U thans
aantal
meer, net zo veel ofnumber
minder dan
voorheen?
Do you smoke now
less or more than a
time ago?
meer
79
more
percent
per cent
percent actieve
bevolking
per cent of active
population
6,1
9,8
net zo veel
just as much
333
25,7
41,3
minder
less
143
11,0
17,8
anders
in a different way
13
1,0
1,6
rookt nooit
does not smoke
492
37,9
-
geen (adequaat)
antwoord
no (adequate)
answer
237
18,3
29,5
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
1.297
100,0
100,0
Het resultaat van onze ondervraging stelt in meerdere opzichten teleur. Om te
beginnen is het percentage mensen dat hun rookgewoonten ging minderen en dit
expliciet vermeldde, niet zeer hoog. Indien we slechts op de personen in de vier
bovenste regels afgaan, dan kunnen we stellen dat omstreeks een kwart van de
actieve rokers in ons land in de jaren voorafgaand aan het onderzoek (in de tweede
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
helft 1958) hun rookgewoonten gingen minderen tegenover driekwart die hun
gewoonten onbeinvloed voortzetten of zelfs gingen intensifiëren.
Wat ons inzicht vertroebelt, is het relatief hoge percentage responden-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
299
ten die op deze vraag weigerden een antwoord te geven; zij vormden omstreeks
een vijfde van de totale steekproef, bijna een derde van de totale rokende bevolking.
Het ontbreken van antwoorden van deze groep is des te meer betreurenswaard,
daar we veel reden hebben om aan te nemen dat deze mensen niet uit
onverschilligheid ons hun antwoord schuldig bleven. In tegendeel, we vermoeden
dat het zich onthouden van antwoord in vele gevallen veroorzaakt werd door de
emoties die het aangesneden onderwerp in de ondervraagden (die vaak met hun
echtgenoten in één kamer de enquêteur hebben ontvangen) opwekten.
Iets van de paradoxale, irrationele houding van de respondenten bespeuren we
aan de correlaties van deze vraag met de reeds besproken andere aspecten van
het roken. Indien we de variabele no. 29 raadplegen op de Basis Correlatie Matrix
(blz. 384A) dan valt ons in de eerste plaats de correlatie met geslacht op (r1-29 = .101). Bij nadere analyse van deze samenhang bemerken wij echter I. dat de
correlatie bijna uitsluitend te danken is aan de middengroep, d.w.z. personen die
onveranderd bleven in hun rookpatroon; het zijn waarschijnlijk de vrouwelijke
nietrokers die het grootste deel van de associatie hebben doen ontstaan; 2. dat bij
de mannen inderdaad relatief ietwat meer ‘minderen’ der rookgewoonten voorkomt
dan bij de vrouwen (d.w.z. 6,85% van mannen tegenover 5,4% van alle vrouwen
rookt thans meer; 15,3% van alle mannen tegenover 7,1% van alle vrouwen rookt
thans minder); 3. dat de weigeringen op onze vraag dubbel zo vaak komen van de
mannen (24,7% van alle mannen geeft geen antwoord tegenover 12,5% van alle
vrouwen), dus: van het sterk rokende deel der bevolking.
We kunnen trouwens in het algemeen stellen dat deze variabele van verandering
der rookgewoonten schittert door afwezigheid van significante correlaties. Het meest
valt wellicht het ontbreken van de correlatie met aanvaarding der kennis op: r15-29
= -.039. Merkwaardig dat er zelfs een zwakke tendens bestaat in de richting
tegenovergesteld aan onze hypothese: mensen die geloof hechten aan de recente
berichtgeving omtrent longkanker vertonen de tendens om het roken eerder te
intensifiëren dan te minderen! In dit opzicht gaat Festingers theorie zeker niet op
en we kunnen niet stellen dat de aanvaarding van kennis omtrent het roken de
wijziging van het (discrepante) habituele gedrag ten gevolge heeft, zoals we aan
de hand van deze theorie zouden verwachten. Indien we de middengroep (waaronder
ook vele niet rokende vrouwen vallen) buiten beschouwing laten, en onze analyse
(hetgeen in bepaalde omstandigheden als methodologisch minder toepasselijk wordt
geacht) beperken tot mensen die hun gewoonten wijzigden in een of andere richting,
dan verkrijgen wij zelfs een significante samenhang, zoals de tabel op blz. 300 laat
zien:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
300
Tabel 1.8.18 De 235 personen die in de recente jaren hun rookgewoonten
wijzigden naar hun aanvaarding van kennis omtrent roken
Table 1.8.18 235 repondents who changed their habits; by their
acceptance of knowledge about smoking
Rookt thans
Smoking now
Kennisaanvaarding:anders of minder meer
less or differently more than a time
Acceptance of
ago
knowledge:
gelooft wel
68 (83)
57 (42)
believes in it
Totaal
Total
125
gelooft niet
does not believe
88 (73)
22 (22)
110
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
156
79
235
2
χ = 17,23; 1 vrijheidsgraad; P < .001.
1 degree of freedom
(berekend zonder correctie voor
continuïteit)
(without a correction for continuity)
Dit is inderdaad een opmerkelijke bevinding. Mensen die zeggen niet te geloven
dat roken schadelijke gevolgen heeft minderen het roken sterker dan mensen die
zeggen in de schadelijke gevolgen van het roken wel te geloven - althans in de
groepering respondenten die überhaupt eigen rookpatroon hebben gewijzigd. Hoe
is deze bevinding te interpreteren? Hecht men aan de dreigende longkanker geen
betekenis, vreest men deze ziekte niet?
Reeds aan het begin van ons gesprek, voordat het roken aan de orde kwam,
hebben we door de respondenten een aantal ziekten en lichamelijke gebreken laten
beoordelen (zie vraag no. 30 in onze Vragenlijst). Alweer werden de ziekten die
men het ergst vond opgeteld en in volgorde gerangschikt en ook de tweede keus,
de ziekten en gebreken die men het minst bezwaarlijk vindt, op een dergelijke wijze
geëvalueerd. De resultaten kunnen in het volgende beeld vervat worden. (Zie tabel
1.8.19).
Ook dit is een opvallend resultaat; in een enquête waarvan de ondervraagden in
het geheel niet wisten dat de vragen over de rookgewoonten gesteld zouden worden,
plaatst meer dan de helft van de ondervraagden longkanker vóór krankzinnigheid,
en blindheid in de volgorde van vrees en afkeur. De resultaten van de twee
beoordelingen bevestigen alweer elkaar: de drie ziekten die bij afkeuring geheel
bovenaan staan, staan bij de goedkeuring (of althans: waardering als het minst
bezwaarlijk) geheel achteraan, in dezelfde volgorde. Wegens plaatsgebrek laten
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
we de lezer zelf de kleine, overigens interessante afwijkingen, beoordelen en
interpreteren.
Ondanks het feit dat longkanker als de meest (of één der meest) gevreesde
ziekte(n) ‘uit de bus’ komt, bemerken wij bij mensen die het
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
301
Tabel 1.8.19 Ziekten die men vreest
Table 1.8.19 Most abhorred sorts of illness
Het ergst gevonden
Judged the worst
Ziekten die menAantal
vreest:
Number
Disease or
illness:
Longkanker
661
Lung-cancer
Percent
Per cent
Minst bezwaarlijk gevonden
Judged as the least
objectionable
Aantal
Percent
Number
Per cent
50,9
4
0,3
Krankzinnigheid 298
23,0
8
0,6
Mental illness
Blindheid
Blindness
216
16,7
20
1,5
Tuberculose
Tuberculosis
33
2,4
69
5,3
Epilepsie
(vallende
ziekte)
Epilepsy
22
1,7
19
1,5
Verlies van arm 8
of been
Loss of arm or
leg
0,6
159
12,3
Suikerziekte
Diabetes
6
0,5
179
13,8
Doofheid
Deafness
6
0,5
395
30,5
Maagzweer
Ulcer
2
0,2
352
27,1
Geen
45
(adequate)
keuze
No (adequate)
choice
3,5
92
7,1
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
1.297
100,0
1.297
100,0
roken als oorzaak van deze ziekte beschouwen geen zichtbare verandering in eigen
rookgewoonten.
Is er dan geen verband tussen de aanvaarding van kennis en expliciet gedrag?
Blijft de mens geheel innerlijk gespleten in de latente en expliciete gedaanten, die
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
als Dr. Jekyll en Mr. Hyde van Stevenson elkaars werking teniet doen? Naar onze
mening is de kennisaanvaarding niet geheel zonder invloed op het expliciete gedrag.
Men kan dit o.i. door middel van een indirecte methode vaststellen. Als aanloop
hebben we de vraag gesteld aan de gehele steekproef (waaronder vele huisvrouwen
die 's middags alleen thuis werden aangetroffen), hoe men tegenover het roken
stond van de echtgenoot. Deze vragen (no. 78 en 79) werden geheel concreet
gesteld nadat het gesprek over longziekten reeds had plaatsgehad. De helft van de
gehele steekproef heeft hetzij met zijn huwelijkspartner of familie omtrent het roken
gesproken. De door de respondenten weergegeven opvattingen van de echtgenoten
gaven haast nauwkeurig het beeld weer zoals door de respondenten zelf vermeld:
47 (8,5%) vond het roken gezond, 194 (28%) gaf een ontwijkend antwoord of ‘wist
het niet’, 353 (54,5%) vond het roken ongezond, 9% gaf geen antwoord. Uit het
oogpunt van een mogelijk verband tussen kennisaanvaarding en expliciet ge-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
302
drag interessanter, was de houding van de respondent zelf t.o.v. het roken van
echtgeno(o)t(e). Hier bevonden we inderdaad een significant (hoewel ook een zwak:
Tschuproffs coëfficiënt T = .08) verband tussen de aanvaarding der kennis en de
houding tegenover het roken van de partner. Echtgenoten die wel degelijk geloof
hechtten aan de berichten over de longkanker, stonden meer afwijzend tegenover
het roken van hun partners (significantie van P < .05 kon worden geconstateerd in
de groep personen voor wie de vraag van toepassing was, P was kleiner dan .02
indien de gehele steekproef dichotoom werd opgesplitst).
Het is echter goed om zich deze ‘beschermende’ en ‘kritische’ houding van
echtgenoten niet al te rooskleurig voor te stellen. Het is ons opgevallen welk een
klein percentage van hen werkelijk het roken van de partner durft af te keuren en
zich in deze richting tegenover enquêteurs uit; op onze vraag no. 74 waren de
antwoorden als volgt verdeeld:
Houding t.o.v. de rookgewoonten van echtgenoten:
Hoe vindt men het roken van huwelijkspartner:
‘aardig, gezellig’
180
26 %
‘goed’
284
41 %
onverschillige houding
135
19,5 %
‘niet zo best’
87
12,5%
‘erg’
7
1%
-----
-----
-----
Totaal
693
100 %
*
Wij bemerken dat ondanks het feit dat het roken door de grote meerderheid der
mensen als ongezond wordt gezien, ondanks het feit dat men over het algemeen
geïnformeerd is over het mogelijk verband tussen roken en longkanker en deze
laatste als een der grootste euvelen ziet, er slechts weinig verandering in eigen
rookpatroon viel te constateren (zeker niet meer bij mensen die aan de voorlichting
geloof hechtten) en dat men tegenover de enquêteurs te kennen gaf ook het roken
van echtgenoten goed te keuren. Slechts minder dan een zevende van de
echtgenoten van rokende mannen of vrouwen neemt een afwijzende houding aan.
Waar komt deze ‘irrationaliteit’ van gedrag vandaan, dat men de gevaren die de
levenspartner bedreigen, niet tracht tegen te houden?
Een zeker inzicht in de dynamiek van de bedreigde roker verkrijgen wij indien we
aan de bevolking rechtstreeks de vraag voorleggen: ‘Hebt U er ooit over gedacht
om op te houden met roken of althans minder te roken?’
*
575 personen hadden of een niet rokende partner of waren ongehuwd; 29 personen gaven
geen antwoord.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
303
Tabel 1.8.20 Pogingen om het roken te staken
Table 1.8.20 Attempts to give up smoking
Gedacht om het
aantal
roken te staken: number
Thought to stop
smoking:
wel, nog steeds,
105
dezer dagen
yes, still now, one
of these days
percent actieve
bevolking
per cent of active
population
13,1%
cumulatief
percentage
cumulative
percentage
13,1%
wel, een paar
weken geleden
yes, a few weeks
ago
22
2,5%
15,6%
wel, een dezer
maanden
yes, one of these
months
58
7,2%
22,8%
wel, omstreeks een 30
halfjaar terug
yes, about half a
year ago
3,7%
26,5%
wel, nog dit jaar
yes, yet this year
32
3,9%
30,4%
wel, vorig jaar
yes, the past year
65
8,1%
38,5%
wel, 2-3 jaar
geleden
yes, about 2-3
years ago
70
8,7%
47,2%
wel, jaren geleden 60
yes, years ago
7,5%
54,7%
wel, weet niet meer 13
wanneer
yes, does not know
when, any more
1,6%
56,3%
neen, nooit
no, never
337
42,0%
98,3%
geen antwoord
no answer
15
1,7%
100,0%
-----
-----
-----
Totaal
805
*
*
100,0%
492 respondenten op wie de vraag niet van toepassing was (die niet rookten) werden niet
meegeteld.
492 respondents who did not smoke or gave no adequate answer were left out.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Total
We bemerken dat ruim een kwart van alle rokers praktisch rondliep met de gedachten
om met het roken op te houden tijdens onze interviewcampagne in de tweede helft
van 1958. Bijna de helft dacht eraan in de tijd, toen de berichten over nieuwe
onderzoekingen het land begonnen binnen te dringen. Slechts vier van elke tien
rokers hebben nooit het roken willen staken. Wij hebben de indruk dat een goed
deel hiervan betreft de jeugdige rokers, die zich de gewoonte zojuist hebben
aangewend. We vonden nl. een positieve correlatie tussen de intensieve
rookgewoonten en de gedachten om met het roken op te houden; en de jeugdigen
roken minder dan de ouderen. Ook kunnen wij in deze laatste bevinding een
bevestiging zien van een gemodificeerde toepassing van de theorie van discrepantie:
al geven de sterke rokers hun gewoonte niet op, we bemerken bij hen veelvuldiger
de poging om dit te doen. Deze poging is dan in de meeste gevallen niet succesvol
geweest. Dit geeft men uiteraard niet gaarne expliciet toe, zelfs niet in een
vertrouwelijk gesprek.
We kunnen wellicht de geestelijke situatie van de ‘bedreigde roker’ zien als een
resultante van drie factoren, die we in navolging van de sociaal-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
304
1
psycholoog Hutte met de werkwoorden kunnen uitdrukken: weten, willen, en kunnen.
Er zullen verschillende typen rokers zijn naar gelang zij de kennis omtrent de
gevolgen van het roken wel of niet aanvaarden, naar gelang zij nog steeds hun
eigen gewoonte willen opgeven, en naar gelang zij menen dat zij wel of niet in staat
zijn dit te doen. Door een eenvoudige combinatie van deze drie kenmerken kan
men een typologie opbouwen van verschillende soorten rokers in onze tijd van
voorlichting over het dreigende gevaar. Deze typologie hebben wij aan de bevolking
voorgelegd in de vorm van uitspraken die op afzonderlijke kaartjes vermeld stonden
met het verzoek die uitspraak te kiezen die het dichtst de situatie benaderde, waarin
de respondent zich zelf zag geplaatst. De spreiding van de door ons onderscheiden
typen rokers op grond van de zelfidentificatie, was als volgt:
Tabel 1.8.21 Zelfidentificatie rokerstype
Table 1.8.21 Self-identification types of smokers
Welke van de volgende
Aantal
uitspraken drukken het best UwNumber
standpunt uit?
Which of the following
statements describes your
standpoint?
a.
Het roken is
110
best en ik wil er
niet af.
Smoking is all
right I do not
want to give it
up.
Percent
Per cent
Percent actieve
bevolking
Per cent active
population
8,5%
13,7%
b.
Het roken is
97
niet zo best, ik
wil er af en dat
kan ook.
Smoking has
got its
shadow-sides;
I want to
abandon it and
I will do it, too.
7,5%
12,0%
c.
Het roken is
187
niet zo best,
maar ik kan er
niet af.
Smoking is not
so good, but I
cannot give it
up.
14,4%
23,2%
1
De analogie is uiteraard zeer vaag daar prof. Hutte de modale werkwoorden gebruikt om de
integratie van de individu in een organisatie of groep tot uitdrukking te brengen; zie H.A. Hutte,
‘Ontwerp voor een Nederlandse arbeidssociatrie’, een reeks artikelen in Mens en Onderneming,
1959-1960 (jrg. XIII en XIV).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
d.
Het roken is
134
noch goed
noch slecht, ik
weet niet of ik
zal roken of
niet.
Smoking is
neither good
nor bad, I do
not know
whether I shall
smoke or not.
10,3%
16,7%
e.
Het roken is
17
best; ik wil er
toch af en dat
kan ik
gemakkelijk.
Smoking is all
right; I will still
cease with it
and I can stop
easily.
1,3%
2,1%
f.
Het roken is
176
niet zo best,
maar ik wil er
niet af.
Smoking is no
good, but I do
not want to give
it up.
13,6%
21,9%
g.
Combinatie van 18
bovenstaande
uitspraken
Combination of
foregoing
statements
1,4%
2,2%
Geen van alle
Agree with no
statement
24
1,9%
3%
Geen antwoord 42
3,2%
5,2%
No response
Niet van
toepassing,
rookt niet
Non-smoker
492
37,9%
-
-----
-----
-----
-----
-----
Totaal
Total
1.297
100 %
100,0%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
305
We bemerken dat de twee grootste groepen, die te zamen bijna de helft van de
rokende bevolking bevatten, expliciet het roken ‘niet zo best’ vinden. De allergrootste
groep geeft toe dat de sterkte der gewoonten het hun onmogelijk maakt ondanks
hun negatieve houding het roken te staken. De tweede grootste groep is van het
wetende type, dat het gezicht niet wil verliezen: ‘ik wil er niet af’. Dan is er het
aarzelende type, dat zich niet geheel aan de buitenstaander geeft (d). Het ‘type a’
zocht duidelijk de weg der ontwijking der kennis: òf men is (mede door verdringing)
niet op de hoogte gekomen van berichten over longkanker, òf men aanvaardt de
kennis niet. ‘Type b’ vormt een tegenpool, zal waarschijnlijk tot het niet-roken
overgaan; men ziet tenminste de schadelijke aspecten van het roken in en meent
(nog?) eraf te kunnen komen.
Of onze redenering juist is, kunnen we toetsen door na te gaan de frequentie van
geloof die de onderscheiden typen hechten aan de berichten omtrent longkanker.
Zoals de volgende tabel toont, vinden we bij de rokerstypen die nog geloven met
het roken te kunnen ophouden de meeste aanvaarding van kennis omtrent de
gevolgen van het roken.
Tabel 1.8.22 Aanvaarding van kennis omtrent roken naar
zelfidentificatietypen van rokers
Table 1.8.22 Acceptance of knowledge about smoking by
self-identification types of smokers
Gelooft U dat roken oorzaak is van longziekten?
Do you believe that smoking causes lung-diseases?
Rokerstype:Geen
Gelooft welWeet het
Neen
Totaal
antwoord
niet
No
Total
Type of
No answer Yes, does Does not
smoker:
believe
know
a.
‘volhardend’ 2
29
38
41
110
‘persistent’
d.
‘aarzelend’ -
40
55
39
134
‘hesitant’
c.
‘wetende
fatalist’
‘knowing
fatalist’
5
80
60
42
187
f.
‘wetende
speler’
‘sophisticated’
1
91
47
37
176
b.
‘wetende
optimist’
‘knowing
optimist’
2
55
25
15
97
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
e.
‘optimis- tische
rollenspeler’
11
5
1
17
geen van alle
none of all
9
10
5
24
niet-roker 7
nonsmoker
226
188
71
492
anderen
others
-
30
18
12
60
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Total
Total
17
571
446
263
1.297
‘optimistic
roleplayer’
-----
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
306
Vergelijken wij b.v. de twee typen, a en b, die de twee tegenpolen vormen met
betrekking tot de waarschijnlijke vermindering der rookgewoonten (want ‘a’ vindt
het roken ‘best en wil er niet af’, terwijl ‘b’ het roken niet zo best vindt, eraf wil, en
meent dat te kunnen ook), dan zien wij, dat zij ook tegenpolen vormen in de mate
waarin door beide typen geloof wordt gehecht aan de voorlichting omtrent het roken.
Op deze indirecte wijze vindt dan ook de tweede hypothese, afgeleid van de theorie
van cognitieve discrepantie, steun in onze gegevens: mensen die de kennis omtrent
de gevolgen van roken aanvaarden, vertonen een sterkere tendens om het gedrag
te wijzigen. Bovendien, zoals reeds vermeld, trachtten de sterke rokers veelvuldiger
het roken te verminderen of te staken dan de matige of zwakke rokers.
Het blijft niettemin een puzzel waarom er zo weinigen zijn die kennis aanvaardden
en op grond hiervan hun rookgewoonten reeds in positieve zin hebben gewijzigd.
Onze Basis Correlatie Matrix geeft ons hier weinig aanknopingspunten om
verklarende factoren te vinden. Slechts zeer weinige correlaties konden worden
geïdentificeerd. Naast de reeds vermelde verbanden was er nog een niet minder
puzzelend verband met migratie: mensen die vaak verhuizen zijn meer geneigd om
het roken te verminderen (r7-29 = .100). Het is niet uitgesloten dat dit verband een
bijprodukt is van toeval of van een ons nog onbekende, of in de matrix in ieder geval
niet opgenomen, variabele. Ietwat meer houvast voor de interpretatie bieden de
zwakke verbanden met drinkpatroonverandering en inkomstenverandering (r28-29 =
.065; r29-30 = .093) en met algemene satisfactie (r21-29 = .100). Dat er een bepaalde
groep mensen tegelijkertijd het roken en het gebruik van alcoholica op medisch
advies of om andere redenen zal staken, behoeft wellicht geen betoog. Zoals reeds
in hoofdstuk 1.2 vermeld, bemerken wij ook een zeer zwak verband met de
verandering in inkomsten, hetgeen onze ‘beschikbaarheidstheorie’ staaft. Het verband
met satisfactie (minder tevredenheid gaat samen met het minderen van
rookgewoonten en/of andersom) is interessant. Het is gemakkelijk te plaatsen in
het kader van de algemene spanningen die het minderen of verzaken van
rookgewoonten bij sterke habituele rokers veroorzaakt.
Dit laatstgenoemde verband is wellicht het enige dat ons op het spoor kan brengen
waarom de aanvaarding van de kennis omtrent de gevolgen van roken eerder tot
direct vermeerderen dan verminderen der individuele tabaksconsumptie leidt. Bij
het zoeken en tasten naar een verklaring die ons deze ietwat paradoxale bevinding
aannemelijk zou maken, komen we op de ervaringen terug, die menigeen tijdens
de oorlog of de periode van schaarste heeft meegemaakt. (Schrijver dezes, al is hij
tijdens de oorlog niet voor hongerperioden gespaard gebleven, bemerkte bij het
aanbreken van het oorlogstijdperk dat sommige, nogal sobere gezinnen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
307
op het wereldconflict reageerden niet slechts door het bekende ‘hamsteren’, doch
ook door een wijziging van eetgewoonten: men at meer dan vroeger, al moest men
hiervoor met resten van de bruidsschat, met eigen linnenvoorraad enz. betalen: ‘Eet
tot zover de voorraad strekt; laten we eten terwijl we nog eten kunnen’.) Wij zouden
een analogie kunnen bemerken tussen het gedrag van rokers en de eveneens
irrationele gedragsvorm: het zich overeten in het aangezicht van de dreigende
hongersnood. Wij vragen ons af, of het hier in wezen niet om hetzelfde psychische
proces gaat. De dreigende schaarste (of het verbod), maakt dat men zich van de
tot dusver bijna onbewuste gewoonte bewust wordt, hieraan aandacht gaat besteden,
en door de algemene toestand van geprikkeldheid wellicht ook tot overschrijden
van de maat overgaat.
Ook de fragmentarische inlichtingen die wij verkregen van ca. 125 personen in
onze steekproef die vroeger hebben gerookt en later met het roken zijn opgehouden,
bevestigen onze indruk dat het proces vaak met psychische spanningen gepaard
gaat. Omstreeks een derde van deze jonggewonnen niet-rokers kende de tijden
van het terugvallen op de oude gewoonte. Ongeveer 24 personen vermeldden dat
zij in gewicht aangekomen zijn in de periode na het staken van het roken. Daar wij
geen zekerheid hebben dat deze vragen omtrent ev. vroegere rookgewoonten door
de enquêteurs gesteld werden aan alle niet-rokers (zoals in onze bedoeling lag),
menen we te moeten afzien van het trekken van quantitatieve conclusies uit dit
onvolledig materiaal.
1.8.4 Samenvatting en nabeschouwing
Vele van onze vooronderstellingen in het theoretische gedeelte van dit hoofdstuk
vonden een bevestiging en steun in de verzamelde gegevens. Wij hebben gezien
dat de twee onderscheiden betekenissegmenten van ‘welzijn’ met elkaar functioneel
verbonden zijn: de mens schept zich een meer gezond ‘leefklimaat’ (habitat)
naarmate hij meer welvarend is. De ruimte waarin men leeft (en slaapt), de
mogelijkheid tot baden, het voorhanden hebben van de eerste-hulpoutillage, zelfs
het wel of niet naar de dokter gaan indien men zich (of eigen gezinslid) niet gezond
voelt - dit alles is mede afhankelijk van de materiële factor. De toename van materiële
welvaart is echter geen panacee voor individuele welzijnszorg. Er kleven ook
negatieve aspecten aan: met toenemende welvaart nemen ook sociale verplichtingen
en sociale gewoonten toe, sommige daarvan gaan met risico's gepaard.
Het is t.o.v. twee van deze gewoonten, het roken en het drinken, dat we in
Nederland nogal uitgebreide voorlichtingscampagnes houden. Ons
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
308
onderzoek heeft duidelijk aangetoond, dat het verstrekken van kennis en het
aanvaarden van kennis twee verschillende zaken zijn. In het geval van roken, hier
als case study beschouwd, bevonden we dat de meer bedreigde groeperingen ook
beter geïnformeerd waren. Instinctief wellicht, zoekt de mens wat voor hem goed
is, de nieuwsgierigheid wordt door de bedreiging geprikkeld. Met aanvaarding van
kennis, met het geloof dat eraan wordt gehecht, staat echter de zaak anders. Hier
zijn het de meest bedreigden die zich het meest verzetten. Er bestaat, volgens onze
bevindingen, een lineair verband tussen de hoeveelheid tabak die men dagelijks
consumeert en het percentage personen dat de kennis verwerpt, dat aan de
voorlichting weinig geloof hecht.
De verklaring hiervan ligt o.i. in het feit dat de van oorsprong sociale gewoonte
tot een gewoonte in de psychologische zin is geworden, in de gehele
persoonlijkheidsstructuur van de mens ingebed. In dergelijke situaties, waar de
individuele gewoonte met de voorlichting interfereert, mogen we verwachten dat de
mens inderdaad één der drie wegen bewandelt door Festingers theorie van cognitieve
discrepantie voorspeld. Heel duidelijk treedt de neiging van de mens naar voren,
om de kennis te verwerpen, te bagatelliseren, kortom: niet te aanvaarden. Zo
onbewust en zo wijd verspreid is deze reactiewijze, dat zelfs de deskundigen er
beter aan zullen doen, om zich van elk ‘deskundig’ oordeel te onthouden zolang zij
zich niet van hun vooringenomenheid hebben bevrijd; of zij moeten hun ‘niet
verslaafde’ collega's laten oordelen.
Minder sprekend was de steun die onze gegevens gaven aan de tweede
veronderstelling uit de theorie afgeleid: dat de mensen die zich bij de nieuw
bekendgemaakte feiten neerlegden veelvuldiger de oude gewoonte zouden opgeven.
Geen correlatie werd vastgesteld tussen de desbetreffende variabelen; een tendens
in tegenovergestelde richting werd zelfs geconstateerd. Bij nadere analyse is echter
gebleken dat meer dan de helft van de rokers, vooral de sterke rokers, in de tijd van
het onderzoek het minderen of opgeven van het roken aan het overwegen was.
Door zelfidentificatie hebben de rokers blijk gegeven van de psychische spanningen,
waarin zij verkeren; een kwart van alle rokers keurde het roken af, maar gaf expliciet
toe niet in staat te zijn om op te houden. De opgestelde typologie maakte het mogelijk
om althans indirect de theorie van cognitieve discrepantie te toetsen door de
potentiële toekomstige niet-rokers en de volhardende rokers met elkaar te vergelijken
in termen van kennisaanvaarding. Rokerstypen die de kans hebben om van hun
gewoonte af te komen, aanvaarden de kennis meer, naderen het
aanvaardingspatroon van de niet-rokers, dat het patroon van de rokers verre overtrof
in positief geloof gehecht aan de voorlichting.
De overcompensatie bij bedreiging, bewustwording over eigen ge-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
309
woonten, is wellicht de oorzaak van de (tijdelijke?) toename in het roken bij diegenen
die de kennis aanvaarden. Wij dienen trouwens ook te beseffen dat al met al er toch
bijna twee keer zoveel mensen zijn die het roken aan het minderen zijn dan die het
intensifiëren. Dit is op zich zelf geen slecht resultaat indien wij bedenken dat zonder
voorlichting het roken waarschijnlijk een constant toenemende tendens zou vertonen
tot aan de hoogste leeftijd.
Het is moeilijk de invloed te schatten van allerlei factoren bij de genomen
beslissing. Wij zagen dat de echtgenoten, waarschijnlijk om elkaars steun niet te
verliezen, een weinig kritische houding aannamen t.o.v. het roken. Toch bemerkten
wij hier bij aanvaarding van kennis een wijziging in de houding t.o.v. het roken van
hun partner. Daar de nietrokers over het algemeen ook veel meer geloof hechten
1
aan de voorlichting, is hier zeker een weg uitgestippeld voor de sociale verandering .
Opleiding en cultuuraanvaarding bleken de enige althans begrijpelijke factoren uit
onze sociale matrijs die de kennisaanvaarding bevorderen, al is dit niet in hoge
mate.
Opvallend waren ook de ontbrekende correlaties: geen verband troffen we aan
met contacten met communicatiemedia! Wel weten we dat mensen die gelezen of
via radio gehoord hebben over longkanker, ook vaker de nadelige gevolgen van het
roken inzien. Sociale participatie bleek zonder invloed. Wel dient nog vermeld dat
de meer bezorgde mensen en mensen met meer symptomen van onbehagen aan
de voorlichting meer geloof hechten.
Het is het ontbreken van andere structurele verbanden, dat het belang van de
theorie van ‘cognitieve discrepantie’ naar voren doet treden. Indien de conclusies
van onze vorige hoofdstukken juist zijn, dat het roken bij vrouwen zich nog aan het
verspreiden is, dan zou aan de preventie van roken meer moeten gebeuren dan
thans het geval is. Men bedenke hierbij, dat bij de jeugdigen de weerstanden tegen
verstrekte kennis afwezig zijn; deze treden pas met de ‘ingeslepen’ gewoonten op.
Aan de andere kant is het eveneens goed te bedenken, dat men het bij het
afschilderen van deze gewoonten als ‘gevaarlijk’ niet moet laten. Is onze analyse
juist, dan is het juist het risico, het gevaar dat een volwassen man draagt, dat de
jonge man aantrekt en hem in de sigaret of in het glaasje nog meer aureool van
volwassenheid geeft. Vooral indien de ouderen (en ouders) volharden in oude
gewoonten, loopt men het risico dat de jeugd zich van hun ‘gepraat’ weinig aan zal
trekken.
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien, dat het ‘solidariteitsgevoel’
1
Men denke ook aan het feit dat zelfs rokende vrouwen minder geneigd zijn het roken van
zoons toe te staan; blz. 162.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
310
heel sterk verspreid is in ons land. Wij weten ook dat 72% van alle volwassenen
(volgens onze steekproef) lid is van één of andere kruisvereniging, waaraan men
braaf zijn jaarlijkse contributie betaalt, teneinde de verdubbeling met behulp van de
overheidssubsidie te verkrijgen. Zou de zorg voor de jonge, beginnende rokers en
voor de oudere ex-alcoholici, die in de sociale drinkgewoonten de bedreiging van
1
hun bestaan zien , niet een nieuwe stimulus kunnen geven aan deze of andere
maatschappijorganen om in de verenigingen, kleine groepen, doelmatiger actie te
voeren dan tot nu toe geschiedde? Wij menen, dat we in Nederland, zo ijverig
zoekend naar nieuwe hervormingsprogramma's, er aan toe zijn.
Zonder in veel gemoraliseer te vervallen, rekenen we het tot onze
verantwoordelijkheid dit woord hier te laten vallen.
1
Dit gevaar van de sociale drinkgewoonten voor de ex-alcoholici is door de psychiater prof.
Dr. H.C. Rümke onderstreept op de studiedag gewijd aan de preventie van het alcoholisme
te Utrecht, op 25 november 1960.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
311
1.9 Conclusie
Met gemengde gevoelens sluiten we de bespreking van onze onderzoeksresultaten
hier af. Aan de ene kant is er het bekende gevoel van onvolmaakt, onvoltooid werk,
het groeiende besef van hetgeen wij allemaal niet weten dat het toenemende inzicht
begeleidt. Wij hadden graag nog meer (dan de honderden) tabellen met behulp van
de Hollerith-machine laten opmaken, meer mogelijke verbanden op hun significantie
getoetst. Sterk is het gevoel dat niet alles uit het materiaal werd gehaald wat eruit
te halen was. Wij hadden graag case-studies willen maken, niet van
voorlichtingscampagnes maar van individuen, teneinde de lezer aanschouwelijk te
maken hoe de onderscheiden sociale krachten in de mens als centrale knoop elkaar
snijden en gebundeld zijn, teneinde de temporele prioriteit en hierdoor de causale
aspecten van bepaalde samenhangen vast te stellen. Nog meer of wellicht beter
gerichte vragen hadden we in nog meer eenduidiger schalen willen samenbinden,
teneinde de motieven, de houdingen en gemoedstoestanden van de bevolking te
meten. Dit alles is vanwege de noodzakelijke beperking van tijd en plaatsruimte niet
geschied.
Aan de andere kant is er het gevoel van zelfverwijt voor de reeds al te uitgebreide,
van de aandacht en het geduld van de lezer veelvergende tekst. Zou een wijze
beperking van de behandelde materie niet een oplossing vinden voor beide
vraagstukken: dat van verdieping en specialisatie der studie en dat van de omvang?
Dit was inderdaad de gedachtengang die ons lang vasthield, voordat we besloten
aan ons rapport zijn tegenwoordige vorm te geven. De brede schaal onderwerpen
aangesneden in dit boek kan zonder twijfel het object van twee of zelfs meerdere
afzonderlijke monografieën vormen. Of we echter hierdoor tot een beter inzicht
zouden komen in de structurele verbanden, betwijfelen we hier ten sterkste. Want
het is de eenheid van de methode die ons deed beslissen tot eenheid in de
rapportering.
In de bespreking zowel van rookgewoonten als van drinkgewoonten van satisfactie
als van onbehagen of participatie, zijn we immers van dezelfde steekproef, en ook
van dezelfde Basis Correlatie Matrix afhankelijk geweest. Wat de inhoud aangaat,
kunnen we stellen dat het in onze studie niet ging om de rookgewoonten als zodanig,
om drinkgewoonten, om participatie, enz. afzonderlijk beschouwd, doch mede om
de vraag: hoe verhouden zich al deze gedragsvormen, gewoonten, houdingen,
maatschappij-aspecten tot elkaar? De specialisatie die we hebben verkozen is
omschreven door de variabelen in onze uiteindelijke factoranalyse opgenomen;
operationeel gezien is de sociale structuur in het kader van het
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
312
onderhavige onderzoek niets anders dan het geheel van schalen, gewichten, kortom
grootheden die allerlei gedrags- en maatschappij-aspecten tot uitdrukking brengen.
Laten we sommige (en we geven volgaarne toe: soms subjectief gekozen) variabelen
weg, of voegen we andere aan de analysematrijs toe, dan is het mogelijk dat het
beeld verandert, dat de verbanden die in de tegenwoordige studie-opzet als ‘echte
oorzakelijke samenhangen’ naar voren treden, uit de werking van een nog onbekende
factor worden ‘weggeredeneerd’.
Ondanks deze beperking die o.i. aan elke empirische kennis kleeft, menen we in
de structurele analyse zoals hier getoond een instrument te hebben gevonden, dat
de in de oren van menige jonge socioloog magisch klinkende woorden van ‘sociale
interdependentie’ in een hanteerbare onderzoekopzet helpt te vertalen. De lange
lijst van de detailbevindingen overziend, kunnen wij stellen dat de structurele
werkwijze haar vrucht heeft opgebracht, al zal er inzicht in de meer specifieke
oorzaken of functionele aspecten van de behandelde thema's van ‘facet-studies’
(wij zouden liever zeggen: monografieën) moeten komen.
Indien we thans, vóór afsluiting, deze structurele denkwijze nog even voortzetten,
dan kunnen we aan de hand van de geëxtraheerde factoren nogmaals de
voornaamste bevindingen ietwat meer synthetisch aan elkaar gaan rijgen. Met opzet
zullen we hierbij dit keer niet uitgaan van de ‘afhankelijke’ (d.w.z. de te verklaren)
variabelen, maar van de factoren in de volgorde waarin zij aandeel hebben aan de
totale variantie, door middel van de factoranalyse geëxtraheerd.
Het valt dan op dat de verdeling van onze samenleving in het zuidelijke
(rooms-katholieke) en het noordelijke (protestantse maar ook overwegend
onkerkelijke, meer individualistische) volksdeel als één der belangrijkste factoren
naar voren trad uit ons analytisch schema. Elk volksdeel kent zijn eigen leefwijze,
zijn eigen levensstijl. Tegenover het meer optimistische, levenslustige, de seksuele
moraliteit accentuerende rooms-katholieke of zuidelijke patroon, staat de meer
sombere en sobere, zakelijke en vooral leugens en diefstal afkeurende protestante
(calvinistische) of noordelijke leefwijze.
Van het standpunt der geestelijke volksgezondheid kent elk van de onderscheiden
leefwijzen ook haar eigen gevaren. Wij menen bij de Rooms-Katholieken en in het
Zuiden een tendens te hebben waargenomen om van het levenslustige naar het
genietende over te gaan, ook daar waar de sombere werkelijkheid hiertoe geen
aanleiding biedt: een toevlucht tot substituten in de vorm van genotmiddelen. Het
gebruik hiervan wordt in deze kringen minder sterk afgekeurd dan in de protestantse
kringen (al geldt bijna hetzelfde voor de buitenkerkelijke groeperingen). Excessieve
drinkgewoonten, vooral bij de jeugdige, ongehuwde mannen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
313
die in het weekeinde in kroegen hun vertier zoeken, zijn er veelvuldiger te vinden
dan bij andere groeperingen. Minder sterk, desondanks in dezelfde richting, wijzen
de verbanden met het roken, de houding tegenover het roken, en het koffiegebruik.
De Noorderlingen kennen hun eigen risico's in het verlies aan bindingen; de
urbanisatie verzwakt de formele participatie en tast ook het gezinsleven aan: er zijn
vele gevallen van echtscheiding gemeld in de grote steden, ‘traumatiserende
ervaringen’ werden bij onze steekproef ook voornamelijk in de grote steden
geregistreerd. De onkerkelijkheid is eveneens kenmerkend voor het stedelijke
Noorden. Al deze verschijnselen zijn dan met symptomen van onbehagen
gecorreleerd: gevoel van eenzaamheid, doelloosheid, angsten en zwaarmoedige
gedachten. Al deze factoren zijn echter niet in staat de samenhang tussen de
woonstreek en het onbehagen geheel te verklaren: er blijft nog altijd een restfactor
over. Het is niet aan ons, de sociologen, om de betekenis van deze bevinding te
evalueren van het gezondheidsstandpunt en het standpunt van persoonlijke hygiëne.
Wel mogen we opmerken dat er onder de invloed van deze factoren een stuk
menselijk geluk verloren gaat. Want naast de reeds bovenvermelde symptomen
van onbehagen kunnen we ook een concentratie van algemene dissatisfactie
constateren in deze groeperingen. Onprettige herinneringen aan eigen jeugd, het
verstoorde gezinsleven in het ouderlijk huis, evenals het ontbreken van sociale
contacten bleken de voornaamste oorzaken van mindere satisfactie te zijn.
Beide volksdelen kunnen dus van elkaar leren: de Noorderling iets van de
levenskunst van de Nederlander beneden de rivieren, die hem van het leven doet
genieten; een houding, die thans, jaren na de oorlog en in een tijdperk van welvaart
wellicht niet al te ongepast lijkt. De man van het Zuiden het hoge
verantwoordelijkheidsbesef, de afkeur van genotmiddelen en excessen, die de
Noorderling kenmerkt. Alweer hopen wij niet misverstaan te worden; door de
verschillen scherp te stellen, willen we deze geenszins generaliseren. Er zullen wel
levensgenieters ‘benoorden de rivieren’ te vinden zijn, zoals er zonder twijfel mensen
van een zelfs ascetische levenswandel in het Zuiden wonen. Wel menen we hier
met macrosociologische tendensen te maken hebben die kenmerkend zijn voor de
twee belangrijkste subculturen in ons land.
Een tweede belangrijke verdeling bleek die in ‘de mannenwereld’ en ‘de
vrouwenwereld’ te zijn. Vooral op het gebied van de dagelijkse gewoonten treden
de rolverschillen tussen de beide kunnen in onze samenleving sterk naar voren.
Terwijl op het gebied van de ethische normen en van waarden het vrouwelijke
waardenpatroon dat van de Rooms-Katholieken benadert (het normatieve oordeel
van de vrouwen is gericht vooral tegen de seksuele misstappen, en op bescherming
van het huwelijksleven,
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
314
dat van de mannen tegen fraude, diefstal of landverraad), is bij het roken en drinken
de situatie net omgekeerd. Zowel tabak als alcohol zijn in onze maatschappij nog
steeds de zichtbare kenmerken van ‘het man-zijn’. De ladingen van de tweede factor
die uit onze factoranalyse te voorschijn kwam, laten hier geen twijfel over bestaan.
Indien we, zoals vele deskundigen van oordeel zijn, in de rook- en drinkgewoonten
riskante gedragingen moeten zien, dan zijn het overwegend de mannen in onze
samenleving die een bedreigde groepering vormen.
Toch menen we bij het opsplitsen van de gegevens naar leeftijd een kentering te
mogen waarnemen vooral wat de rookgewoonten betreft: jonge meisjes nemen
veelvuldig deze gewoonte over. Terwijl bij de mannen waarschijnlijk de verspreiding
der rookgewoonten reeds over haar hoogtepunt heen is, meenden wij bij de vrouwen,
indien de huidige tendens wordt voortgezet, nog een toename te moeten verwachten.
Deze toename houdt zonder twijfel verband met de derde factor, uit onze gegevens
gedistilleerd: de verschillen die er in ons land bestaan tussen de ongeschoolde, ter
plaatse blijvende ouderen, en de beter opgeleide, in hun leven vaker verhuisde,
veelvuldiger in de grote steden woonachtige jongeren; kortom verschillen die we
aan het ‘emancipatieproces van de jongere generatie’ toeschrijven. Ook met deze
factor heeft vooral het drinken sterk te maken; de ‘geëmancipeerde groepering’
drinkt meer, is toleranter tegenover drinken en drinkers, wijst het roken nog minder
af dan de ouderen; het is in deze groepering waar we ook nog een toename van
individuele drink- en rookgewoonten constateren. Het is deze factor geweest die
ons de beide sociale gewoonten deed zien als het sociale mechanisme dat de rol
van ‘de volwassene’ in onze samenleving zichtbaar moet maken.
De hierop volgende factor is meer van belang reeds voor een mogelijke actie, die
op de kritiek van bestaande maatschappij aspecten (en de sociale gewoonten
behoren daar ook toe) moet volgen. De analyse heeft ons nl. gewezen op de hoge
mate van interrelatie tussen allerlei structurele onderdelen van de samenleving en
sociale processen zoals de sociale participatie, de mate van identificatie met eigen
leer of richting, de solidaire houding tegenover de medemensen en de informele
sociale contacten.
Deze factor, de mate van integratie van de individu in de samenleving, heeft
zonder twijfel een inherente waarde voor het welzijn van de mens. Hij behoedt hem
voor het excessieve gebruik van genotmiddelen (zowel de houding t.o.v. het drinken
als die t.o.v. het roken zijn ‘geladen’ met deze factor) en ook het koffiegebruik schijnt
hiermee te zijn gecorreleerd. Hiernaast menen we echter in de solidaire houding,
de bereidheid om voor de ander iets te doen, in de sociale contacten en de
standvastige, principiële houding een weg te zien, waarlangs ook een toekomstige
voor-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
315
lichtingscampagne of preventieve actie zich moet voortbewegen. Men vergete niet
dat zelfs de contacten met communicatiemedia en het lezen bij de
sociaal-geïntegreerde personen veelvuldiger voorkomen. Secundaire en primaire
sociale contacten compenseren elkaar niet, doch versterken elkaar.
Uitgerust met deze kennis zou de voorlichting in de toekomst veel meer gebruik
moeten maken van de geïnstitutionaliseerde media en ‘zuilen’ dan tot heden is
geschied. Het verenigingsleven biedt, vooral waar men de mogelijkheid benut om
met kleine groepen te werken, zeker een goede werkplaats tot het ombuigen van
menselijk gedrag. De massacommunicatiemedia dienen slechts daar gebruikt te
worden, waar de voorlichting zich aan kan sluiten bij de reeds in de bevolking
verankerde waarden en opvattingen (b.v. ‘de veiligheid - dus geen alcohol bij
snelverkeer’; ‘moeder- en vaderliefde - dus geen slecht voorbeeld van roken aan
de jongeren’). Dat de ‘timing’, het op elkander afstemmen van voorlichtingsacties
(in verenigingsleven en door radio of pers) noodzakelijk is, zullen de deskundigen
op dit gebied van sociaal-psychologische onderzoekingen reeds tot zich hebben
laten doordringen.
De bescheiden bijdrage die onze studie tot een dergelijk praktisch probleem kan
leveren ligt o.a. op het gebied van de ‘detection’ d.w.z. het opsporen van bedreigde
groeperingen. Zowel de talrijke tabellen als de Basis Correlatie Matrix zullen in dit
opzicht zonder twijfel hun functie vervullen. Want elke correlatie kan ook zodanig
worden geïnterpreteerd dat hij ons een sociaal verschijnsel in de ‘maatschappelijke
ruimte’ helpt te plaatsen, dat we weten waar het over- en waar het
ondergeconcentreerd is.
Met behulp van de geconstateerde samenhangen kan een beter gerichte actie
gevoerd worden.
De verzamelde inzichten in deze studie zullen hopelijk niet slechts als middel
dienen. In vele opzichten helpen zij het doel van de te nemen actie zelf te bepalen.
Wat betreft de persoonlijke welzijnszorg zal het er vooral om gaan de mens te leren
bij toenemende welvaart het gezondheidsaspect bij de samenstelling van het
bestedingsbudget te laten meespreken. Voor velen is de gezondheid slechts iets
waaraan men pas denkt, als het teloorgaat. ‘Van een goede vrouw hoor je niet
spreken’ hebben wij reeds gesteld. Wellicht geldt dit bij de gezonde mensen ook
t.a.v. de fysieke toestand. Gezondheid is een vanzelfsprekendheid, waaraan men
niet denkt en niet twijfelt. Men besteedt de geldmiddelen aan hobby's en andere
dingen (en ook deze zijn zonder twijfel nodig, gezien van het standpunt van meerdere
levensvreugde dat we bepleiten) tot ... er iets niet klopt. Vaak is het echter reeds te
laat.
Hoe we onze bevestiging van de theorie omtrent het verwerpen van
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
316
onaangename, met eigen gewoonten onverzoenbare kennis dienstbaar kunnen
maken aan voorlichting omtrent gezondheid, staat ons nog niet geheel duidelijk voor
ogen. Deze theorie vormt echter een kennissociologische, een
sociaal-psychologische waarschuwing aan deskundigen van allerlei pluimage dat
het standpunt van wetenschappelijke objectiviteit niet mag worden verzaakt: ‘je mag
geen rechter in je eigen zaken zijn!’ geldt hier meer dan elders. Voor de rest bestaat
er wellicht de mogelijkheid de werking van de geestvertroebeling aan het publiek
bekend te maken om het publiek op dezelfde wijze te beschermen als tijdens de
tweede wereldoorlog (en reeds ervoor) het Amerikaanse publiek door middel van
de z.g. geruchtenklinieken attent werd gemaakt op de werking van de
moreel-ondermijnende geruchten, die de geheime diensten van de Nazi's in de
1
Verenigde Staten aan het verspreiden waren . Van de bewustwording zelf kan een
beschermende invloed uitgaan (men denke aan de jongere generatie).
Indien onze eigen studie ertoe heeft bijgedragen dat de mens een meer rationele
houding aanneemt op de weg naar eigen welzijn dan achten we onze taak hiermee
vervuld.
1
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
317
Deel II
Methodologische verantwoording
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
319
2.1 Algemeen: keuze en verantwoording van de onderzoekopzet
Zoals de in de laatste jaren uitgedijde literatuur op dit gebied aantoont, zijn er
verschillende alternatieven waartussen een onderzoeker moet kiezen bij het bepalen
1
van zijn onderzoekopzet . Ook Ook bij de studie van rooken drinkgewoonten deden
zich verschillende mogelijkheden voor. Het was denkbaar de ontwikkeling van de
rookgewoonten te volgen gedurende de voorlichtingscampagne omtrent het verband
tussen roken en longkanker; men kon een ex-post-facto-experiment houden, waarbij
telkens rokers en niet-rokers in tal van relevante opzichten te zamen zouden worden
vergeleken, en deze eigenschappen in beide groeperingen gelijk gehouden; in de
zo verkregen homogene groeperingen zou men dan doelmatiger zoeken naar de
sociale oorzaken van het roken (of ev. het drinken).
Tenslotte kon men naar analogie met het laboratoriumexperiment
semiexperimentele situaties in ‘het veld’ zoeken, in de samenleving: b.v. de groepen
die door omstandigheden zich aan de invloed van de voorlichtingscampagne hebben
onttrokken; de rookgewoonten in deze groepen zouden dan vergeleken worden met
de rookgewoonten van de groepen wel aan de invloed der voorlichting blootgesteld,
het liefst op twee tijdstippen, vóór en na het ‘oplaaien’ van de publiciteit op dit gebied.
Wij meenden in plaats van deze (en nog andere hier vanwege plaatsgebrek niet
genoemde vormen van onderzoek) de voorrang aan de massaenquête te moeten
2
geven. Dit om de volgende redenen. Zoals we elders hebben betoogd , zijn de
verschillende vormen van het sociaal onderzoek niet te beschouwen als alternatieven
in de betekenis van keuzemogelijkheden van dezelfde mate van toelaatbaarheid.
3
Ze zijn in verband te brengen met de wetenschappelijke situatie op het gebied,
waartoe het onderzoek zich uitstrekt. Benadert men een nieuw onderwerp, ontbreken
de meest fundamentele gegevens omtrent het voorkomen en de intensiteit van het
te bestuderen verschijnsel, dan is o.i. de enquête de aangewezen
2
3
Onze bijdrage tot de discussie in de werkgroep over de experimentele sociologie van het IVe
Wereld Congres van de Sociologie in Stresa; ‘A substitute for randomization designs in
sociological research’; in Indian Journal of Social Research, Vol. III, no. 1, blz. 12-24. (1961).
Dit begrip is thans reeds ingeburgerd in de wetenschappelijke kringen onder de invloed van
de ‘decisieleer’. Reeds in zijn Methodology of the Social Science (uitgegeven in 1944 door
de Oxford U. Press, zie blz. 52) geeft F. Kaufmann de volgende definitie: ‘the totality of
synthetic propositions accepted at a particular time (in a corpus of science)’.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
320
weg. Want de meeste bovenvermelde vormen van het onderzoek kunnen slechts
dan met succes worden toegepast, indien we reeds over een bepaalde kennis
omtrent ons studie-onderwerp beschikken. Het aanbrengen van ‘controls’ zowel bij
de ex-post-facto-studies als bij het werkelijke experiment (gebaseerd op de
waarnemingen in twee steekproeven aselect getrokken uit de bevolking), kan slechts
dan doelmatig geschieden, indien de voor de hand liggende gevolgen van de
experimentele stimuli reeds van tevoren bekend zijn. De samenstelling van de
steekproef bij een longitudinale studie (‘panel study’) kan eveneens doelmatiger
gebeuren nadat door middel van een enquête de belangrijkste ‘parameters’, d.w.z.
de spreidingscijfers van de te onderzoeken verschijnselen over de bevolking, bekend
zijn.
Zonder de andere onderzoeksmogelijkheden als minder waardevol te beschouwen
(zij vormen eerder een latere, meer gevorderde fase van de wetenschap), besloten
we tot een massa-enquête naar de rook- en drinkgewoonten en naar enkele andere
variabelen bij de volwassen Nederlandse bevolking. Een enquête zou, indien
geslaagd, ons gegevens verschaffen omtrent de frequentie en de intensiteit van de
onderzochte variabelen niet slechts m.b.t. de totale bevolking (binnen de
betrouwbaarheidsgrenzen van onze steekproef), maar tevens m.b.t. de belangrijke
onderdelen hiervan. Het samengaan van de door ons onderzochte variabelen met
andere aspecten der sociale structuur zou dan een basis vormen voor een
aansluitende functionele en causale analyse.
Nadat de belangrijkste beslissing ten gunste van een massa-enquête was gevallen,
moest er nog een gehele reeks andere vraagstukken worden aangesneden die ons
onderzoekontwerp hielpen te structureren. Zij kunnen onder de volgende hoofden
worden gerangschikt:
I. opbouw en testen van de vragenlijst; II. techniek en verloop der ondervraging; III.
samenstelling van de oorspronkelijke steekproef, evaluering van de uiteindelijk
bereikte steekproef en bepaling der betrouwbaarheidsgrenzen; IV. bewerking van
de gegevens: coderen en evaluatie van het coderen; V. constructie van schalen en
meetindices; VI. statistische bewerking; VII. classificatie en verdere analyse der
samenhangen.
Vanwege de technische aard van de beslissingen genomen in dit verband, zullen
we trachten de meer specifieke vraagstukken in de vorm van aanhangsels te gieten
en ons hier slechts tot de opsomming der belangrijkste aspecten te beperken.
Eindnoten:
1 Zie b.v.R.L. Ackoff, The Design of Social Research, Univ. of Chicago Press, 1953; H. Hyman,
Survey Design and Analysis, Glencoe, 1955; ten onzent, E.V.W. Vercruijsse, Het ontwerpen
van een sociologisch onderzoek. Uitgangspunten en richtlijnen, Assen, 1960.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
321
2.2 Vragenlijst
Vroegere ervaringen (zie voetnoot 2 op blz. 20) hebben de overtuiging bij ons
gevestigd dat een betrekkelijk groot aantal gestandaardiseerde stimuli aan een
steekproef uit de normale bevolking kan worden voorgelegd in een kort mondeling
gesprek. Teneinde de standaardisatie der stimuli te waarborgen, bedient de
ondervrager zich van een uniforme vragenlijst en tracht de vragen voor zover mogelijk
in dezelfde volgorde en in dezelfde vorm te stellen. Het gehele gesprek wordt op
deze wijze van te voren gepland en voorbereid. Dit brengt uiteraard bij een
ondervraging van de steekproeven uit de gehele bevolking de niet te onderschatten
moeilijkheden met zich om de vragenlijsten zelfs voor de afwijkende groeperingen
beantwoordbaar te maken; met alle alternatieve antwoordcategorieën moest rekening
worden gehouden. Eén vragenlijst moest immers dienen voor rokers en niet-rokers,
voor drinkers en geheelonthouders.
Naast de moeilijkheden voortspruitend uit de heterogeniteit van de steekproef
kwamen andere, veroorzaakt door de heterogene doelstelling van het onderzoek.
Daar de ondervraging geheel vrijwillig werd, moesten de respondenten voldoende
motieven krijgen om aan het onderzoek hun medewerking te verlenen. De interne
dynamiek van het gesprek vereiste dat slechts die vragen werden gesteld, die men
met het centrale introductiethema in verband kon brengen. Aan de andere kant
bleek het psychologisch bezwaarlijk het grote aantal stimuli zonder een bepaalde
structuur aan de respondent toe te dienen. Vandaar dat we besloten het gehele
gesprek in een aantal onderwerpen op te splitsen, die weliswaar met de centrale
introductie (‘het onderzoek van het Nederlands Instituut voor Praeventieve
Geneeskunde naar de gewoonten en de levensomstandigheden der mensen’) nog
verenigbaar waren, maar die tevens betrekkelijk zelfstanding waren en afzonderlijk
met een paar zinsneden werden geïntroduceerd. Zoals uit Bijlage 1 blijkt, heeft men
het eerst enkele personalia verzameld (geboorteplaats, leeftijd, opleiding, burgerlijke
staat, enz.) om hierna tot het algemene satisfactiethema over te gaan; hierna werden
vragen gesteld over de gezondheid, enkele houdingen t.o.v. de ziekte en de hygiëne,
woonomstandigheden en voeding. Pas nadat op deze wijze een vijftigtal stimuli aan
de ondervraagde was toegediend, begon men vragen over de rookgewoonten te
stellen, over de houding t.o.v. roken en rokers, naar de reacties op de berichten
omtrent het roken en de longkanker en normen t.o.v. het roken; te zamen omstreeks
30-40 stimuli.
Een korte introductie luidde hierna het tweede hoofdthema van het gesprek in:
de drinkgewoonten. Hieraan zijn 23 vragen besteed, waarvan
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
322
sommige echter meerdere stimuli bevatten. Hierop volgde een korte reeks vragen
omtrent zorgen en psychische toestanden; angsten, bezorgdheid, eenzaamheid,
verveling, doelloosheid. Teneinde de indruk weg te nemen dat men tot de diepere
persoonlijkheidsproblemen wilde doordringen, werd de reeks vragen onderbroken
door een rij stimuli die de mate van de identificatie met een der culturele subsystemen
zouden meten en door vragen die de houding van de respondent jegens de
medemensen zouden verkennen. Hierna werd de reeks hervat met de vragen over
ev. traumatische ervaringen. Een serie vragen omtrent de sociale participatie,
contacten met de massacommunicatiemedia, en personalia besloot de vragenlijst.
Met opzet zijn dus de meer intieme onderwerpen, die nogal emotionele spanning
konden veroorzaken, tegen het einde van de vragenlijst geplaatst, echter met
voldoende speling om via de meer neutrale onderwerpen tot een wat kalmere
afsluiting te komen. Door de gehele groepen vragen af te wisselen hoopte men
voldoende belangstelling van de respondent in de enquête te wekken en
gespreksmoeheid te voorkomen.
De zorg voor de dynamiek van het gesprek en voor de algemene aard van de
vragen die aan de gehele bevolking moesten kunnen worden voorgelegd was niet
de enige overweging bij het opstellen van de vragenlijst. Aan de selectie van vragen
met het oog op hun validiteit en betrouwbaarheid is eveneens aandacht besteed.
Met opzet hebben we de ‘feitelijke vragen’ met de opinievragen afgewisseld, zodat
een deel der verstrekte inlichtingen ook met de informatie uit andere bron (b.v. het
bevolkingsregister) kon worden vergeleken. Voor vele variabelen werd meer dan
één vraag gebruikt, vaak op verschillende tijdstippen van het gesprek gesteld. Dit
maakte de controle op de interne consistentie mogelijk (zie b.v. Vraag 51: ‘Hoeveel
rookt U ongeveer per dag?’ en Vraag 57: ‘Hoeveel heeft U gisteren gerookt?’). Dit
argument geldt ook voor de constructie van de meetschalen, waarbij vaak meer
dan tien stimuli werden verwerkt in één uiteindelijke variabele.
Daar het gesproken woord uiterst ongeschikt is om mensen uit een groter aantal
alternatieven te doen kiezen (de alternatieven worden immers achter elkaar
voorgelezen, hetgeen de positie van de eerst- en de laatstgenoemde
antwoordmogelijkheden versterkt en het geheugen van de respondent te zwaar
belast), hebben we nu en dan de techniek van de mondelinge ondervraging
aangevuld met visuele hulpmiddelen: de uitspraken of antwoordcategorieën
waartussen de ondervraagde moest kiezen zijn op kaartjes gezet, de kaartjes aan
de desbetreffende persoon voorgelegd met het verzoek om een of twee hiervan te
selecteren of te rangschikken naar gelang zijn instemming of afkeuring.
Al naar gelang de aard van het onderwerp zijn echter ook stimuli in andere vorm
aan de ondervraagde personen toegediend. Het moderne
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
323
streven naar unidimensionele schalen (van Guttman-type) maakt het gewenst om
de respondenten niet uit een reeks alternatieven te doen kiezen, maar hen op elk
van de stimuli hun responsie kenbaar te laten maken. Beseffend dat een dergelijke
batterij van vragen slechts de schijn van betrouwbaarheid wekt indien de respondent
de vragen hetzij niet begreep, hetzij volstrekt indifferent stond tegenover het object,
hetzij een scherp geformuleerde mening bezat omtrent het onderwerp, trachtten we
voor zover mogelijk aan de respondent voldoende vrijheid te laten. Dit geschiedde
gedeeltelijk door meer algemene vragen die de aanwezigheid van een opinie,
houding of waardeoordeel zouden peilen (voorbeeld: vraag 102, vraag 115, vraag
119, alle gevolgd door de meer specifieke vragen die de houding helpen preciseren).
Daar waar de antwoordcategorieën niet adequaat de responsie van de ondervraagde
uitdrukten, zou de enquêteur letterlijk het antwoord van de respondent noteren (met
opzet is hiervoor ruimte in de vragenlijsten gelaten).
Om nog wat meer inzicht te verkrijgen in de betrouwbaarheid van onze
vraagstimuli, in hetgeen onze vragenlijst eigenlijk vaststelt en meet, is er een
proefenquête gehouden voordat het instrument op de eigenlijke steekproef uit de
bevolking is toegepast. Nadat de vragenlijst binnen de wetenschappelijke staf zelf
enige keren was gebruikt, werd er een aselecte steekproef uit het Bevolkingsregister
van Leiden getrokken bevattende 10 vrouwen en 12 mannen. Zij werden
aangeschreven op dezelfde wijze zoals ook onze uiteindelijke steekproef later
schriftelijk over het onderzoek zou worden ingelicht. Hoewel bij sommige personen
de onderzoekers meer dan drie keer langs zijn geweest voordat zij werden
binnengelaten, werden geen weigeringen genoteerd en de introductie werd
goedgekeurd. De vragenlijsten ondergingen intussen grotere wijzigingen, vooral
wat de volgorde en de formulering van de gestelde vragen betreft.
Het is door dit proces van navraging over de gestelde vragen dat de meer
‘traumatische’ vragen verhuisd zijn naar het einde van de vragenlijst en dat tal van
vragen omtrent de hygiëne geschrapt zijn uit de vragenlijst. Eveneens verdwenen
zijn: de vragen omtrent de contacten met de medische diensten (ziekenhuis), de
houding tegenover de arts, de ziekte, de magnetiseur, geesteszieken, enz. Ondanks
hun praktisch belang konden deze vragen niet met de centrale probleemstelling in
verband worden gebracht en verloren hun verantwoording. Om psychologische
redenen bleek het wenselijk om de (nog thans waarschijnlijk te uitgebreide) vragenlijst
te beperken; ook zijn de vragen verwijderd die te veel aan een testsituatie deden
denken, daar tijdens de proefenquête de eerste symptomen van een ‘guinea pig
complex’ gesignaleerd werden: de vragen over de elementaire kennis der hygiëne
ging men als strikvragen beschouwen, waardoor de emotionele binding met de
enquêteur, noodzakelijk voor het
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
324
beantwoorden der meer intieme houdingsvragen, verloren dreigde te gaan.
Een niet te verwaarlozen controle-element vormde tenslotte de kritiek geleverd
door de groep van omstreeks twintig enquêteurs gedurende de periode van
‘in-training’, van het bespreken en het leren begrijpen van de vragenlijst. De
enquêteurs hadden de opdracht elkaar en hun naaste kennissen, vrienden of
familieleden te gaan interviewen alvorens ‘het veld’ in te gaan. Bovendien hebben
zij bij het begin van de enquête de eerste twee ingevulde lijsten aan de projectleiders
ter controle ingezonden.
Tijdens dit proces van wederzijds geven en nemen zijn ook nog aanvullingen en
wijzigingen aangebracht. Niet slechts zijn vragen weggevallen; de belangrijke vraag
naar het inhaleren is b.v. pas gedurende deze laatste fase aan het vraaggesprek
toegevoegd.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
325
2.3 Techniek en verloop der ondervraging
Zoals reeds boven vermeld, hebben we besloten de meeste gegevens voor ons
onderzoek te verzamelen door middel van de mondelinge ondervraging bij de
mensen thuis, waarbij de enquêteur de antwoorden zou noteren op de vragenlijsten.
Hij zou dit doen tijdens het gesprek zelf, door de in de meeste gevallen reeds
voorgedrukte antwoordcategorieën te omcirkelen. De vroegere ervaring heeft reeds
aangetoond dat het Nederlandse publiek de rol van de sociaal-onderzoeker aanvaardt
en dat er tegen het notities-maken tijdens het gesprek zelden bezwaren worden
geuit.
Desondanks is alle zorg besteed aan de introductie. Zoals uit Bijlage 2 blijkt, heeft
elke ondervraagde een schrijven ontvangen, persoonlijk tot hem gericht en getekend
door de projectleider. Hierin werd zijn medewerking gevraagd voor het onderzoek
waarvan de strekking in algemene termen is aangeduid. De enquêteur zelf zou
immers op de doelstelling van het onderzoek persoonlijk toelichting geven, indien
de respondent dit wenselijk achtte. Op deze wijze hoopte men het aantal weigeringen
te couperen door de decisie van de respondent uit te stellen; men hoopte dat het
de enquêteur zou lukken menig bezwaar tegen bepaalde aspecten van het onderzoek
op te vangen. Dit zou gebeuren door middel van andere, bij het taalgebruik van de
respondent beter aansluitende uitdrukkingen of door verwijzing naar andere, voor
de respondent wellicht belangwekkende, of in ieder geval onschadelijke aspecten
van het onderzoek. Op de ondervraagden werd geen pressie uitgeoefend om aan
het onderzoek mee te doen. Nadrukkelijk is aan de interviewers gevraagd het
uiteindelijke doel van het onderzoek niet door leugens te camoufleren.
Met de introductiebrief ontving elke voor het onderzoek geselecteerde persoon
een retourbriefkaart die hij zou invullen in geval van verhindering. Hierop zou hij
tevens uur en datum invullen die hem beter uitkwamen dan het door de enquêteur
voorgestelde tijdstip. Een deel van deze briefkaarten kwam terug met de mededeling
dat de aangeschrevene niet wenste mede te werken. Al deze ‘weigeraars’ zijn door
de enquêteurs opgezocht teneinde hetzij nog hun medewerking te verzekeren hetzij
tenminste de motieven van hun weigering vast te stellen.
Reeds bij de oefenperiode ontving elke interviewer instructies omtrent de meer
frequent voorkomende motieven van weigering: zorgen waarom juist hij of zij voor
het onderzoek werd geselecteerd, angst voor onvoldoende anonimiteit of doorgeven
van de gegevens (aan de baas, de belastingen, enz.). Uitgerust met de
tegenargumenten (o.a. de beschrijving van de wijze waarop de steekproef werd
getrokken of althans van de be-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
326
langrijkste principes hiervan) lukte het in menig geval de respondent ‘om te praten’.
De enquêteurs bezaten bij het aanbellen aan de deur van de respondent tweeërlei
bescheiden: a. de vragenlijsten en de bijbehorende ‘kaartjes’ waarop de stimuli van
de meer complexe vragen (de alternatieve antwoordcategorieën) gedrukt stonden;
b. een uittreksel uit het bevolkingsregister omtrent de te interviewen personen en
de voorpagina van de vragenlijst. Deze laatste moest pas na afloop van het interview
ingevuld worden, buiten de gezichtskring van de geënquêteerde. Op de voorpagina
werd het volgnummer van de respondent alsmede zijn woongemeente ingevuld en
de tijd van het interview. Hiernaast schreef de interviewer zijn naam op en gaf hij
tevens een beschrijving van zijn introductie of, in geval van weigering, van zijn
pogingen om de respondent te bereiken. De voorpagina bevatte tevens de meer
subjectieve gegevens: een beschrijving van het woonmilieu (of althans van de plaats
waar het interview plaatshad), van de respondent zelf zoals de enquêteur hem zag,
de typering van de interviewsituatie (aanwezige personen, ruimtelijke verdeling van
de personen tijdens het gesprek, enz.), het verloop van het gesprek. Verder werd
ruimte opengehouden voor de bijzondere opvattingen van de respondent, voor zover
deze niet bij de vragen zelf voldoende waren omschreven en voor alle andere
opmerkingen die voor het onderzoek van belang konden zijn.
Het uittreksel uit het bevolkingsregister bevatte de gangbare personalia. (geslacht,
burgerlijke staat, leeftijd, adres, godsdienst en het eenmaal opgegeven beroep) en
diende vooral tot oriëntatie van de enquêteur. Met behulp hiervan kon hij zich wat
voorbereiden op de ontmoeting die hem te wachten stond. Hij zou echter tijdens
het gesprek niet te kennen geven dat hij reeds enige voorkennis had van de
respondent en zou trachten de spontane aard van de ontmoeting te handhaven.
Een andere functie van de van tevoren verzamelde gegevens was de respondent
te plaatsen: andere leden van het huishouden die de enquêteur ev. te woord stonden,
moesten op tijd worden herkend, de vader niet met de zoon verwisseld en andersom.
Het streven om slechts die persoon te spreken te krijgen die van tevoren voor het
gesprek was geselecteerd stuitte, zoals verwacht, op moeilijkheden. De enquêteurs
kregen instructies om voor zover mogelijk de aanwezigheid van de tot het huishouden
van de respondent niet behorende personen te weren. Men zou dit op een tactvolle
wijze doen met de verwijzing naar het feit dat men nogal persoonlijke vragen te
stellen had. De aanwezigheid van de familie- en gezinsleden werd in uiterste gevallen
getolereerd. Indien zij echter begonnen antwoorden te geven op de gestelde vragen
werd hun kenbaar gemaakt dat, hoewel men hun opinie op prijs stelde, men slechts
de opvattingen en
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
327
antwoorden van de geselecteerde persoon moest hebben. De verwijzing naar het
‘uitloten’ van een bepaald aantal mensen, teneinde, in het klein, de weerspiegeling
van de gehele bevolking te verkrijgen, bleek in de meeste gevallen een afdoend
argument.
Zowel bij het begin van het gesprek als bij de afsluiting zou de enquêteur zijn
gastheer of gastvrouw de gelegenheid geven zelf vragen over het onderzoek te
stellen. Om een dergelijke ‘rollenverwisseling’ te stimuleren zou hij eventueel iets
vertellen over zijn eigen persoon; dit echter slechts in die gevallen waar men dacht
dat een persoonlijke mededeling op prijs zou worden gesteld en ertoe zou bijdragen
om het interview tot een werkelijk gesprek te maken.
De enquêteurs zouden zich daarentegen onthouden van de uitspraken, die de
ondervraagde persoon zouden kunnen beïnvloeden bij het beantwoorden van de
belangrijkste vragen van het onderzoek. Indien ‘in het nauw gedreven’, d.w.z. indien
de respondent niet zou volstaan met een ontwijkend antwoord of met zwijgen,
zouden zij om uitstel vragen. De persoonlijke mening van de enquêteur werd dan
na afloop van het gesprek kenbaar gemaakt.
Indien een sigaret aangeboden werd, zouden de mannelijke enquêteurs voor
zover mogelijk het aanbod aanvaarden; daar het roken onder de mannelijke bevolking
in Nederland vrijwel algemeen is, zou een principiële afwijzing van het roken de
respondent kunnen beïnvloeden om een verontschuldigende (of juist een overdreven
uitdagende) houding aan te nemen.
Al deze eisen, alsmede lengte en aard van de vragenlijst, maakten het wenselijk
om aan de selectie van de enquêteurs de nodige aandacht te besteden. Twee
criteria drongen zich op: 1. bekwaamheid om het rollenspel van de interviewsituatie
te hanteren; 2. kennis van de streektaal van het gebied waar men wenste te
opereren.
Wat het eerste criterium betreft, meenden we door het inschakelen van studenten
in de sociale wetenschappen en de psychologie aan de belangrijkste eisen te hebben
voldaan. Hiermee kon tevens een voldoende dislocatie van de enquêteurs worden
nagestreefd door verschillende universiteiten op te nemen in onze
wervingscampagne. Een schriftelijk verzoek is gericht tot de sociologische instituten
van de Rijksuniversiteit te Leiden, van de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam
en van de Rooms-Katholieke Universiteit te Nijmegen, een oproep te willen plaatsen
dat er een mogelijkheid bestond voor betaald enquêteurswerk. Door plaatselijke
omstandigheden is aan deze omroep door Nijmeegse studenten veel meer gehoor
gegeven dan door de studenten aan de andere twee universiteiten, hetgeen zich
duidelijk in de samenstelling van de groep enquêteurs weerspiegelt.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
328
Door een vroegtijdig persbericht omtrent het onderzoek hebben zich hiernaast ook
twee beroepsenquêteurs aangemeld, een uit Amsterdam, de ander uit Enschede,
die beiden reeds lange ervaringen met de ondervraging voor het Nederlands Instituut
voor de Publieke Opinie (N.I.P.O.) en de Nederlandse Stichting voor de Statistiek
hadden opgedaan. Vanwege hun gunstig gelegen operatiegebied werden ze
opgenomen in ons enquêteursteam.
Daar onder de in Leiden en in Nijmegen aanwezige studenten zich Groningers
en Friezen van geboorte bevonden, achtte men de inschakeling van een vierde
universiteit (hetgeen extra kosten zou betekenen) niet noodzakelijk.
Elke in aanmerking komende enquêteur heeft een korte vragenlijst ingevuld,
hetgeen het ons mogelijk maakte om de samenstelling van de gehele groep
interviewers te evalueren.
Tabel 2.3.1 Samenstelling van de 25 bij het onderzoek betrokken
enquêteurs naar geslacht, leeftijd en enkele andere opzichten
Table 2.3.1 Social characteristics of the group of 25 interviewers
Specificatie
Specification
Geslacht:
Sex:
Leeftijd:
Age:
Godsdienst:
Religions:
Studierichting,
beroep:
Subject of study,
occupation:
Subcategorie
Sub-category
Mannen
Men
Aantal
Number
19
Percent
Per cent
76
Vrouwen
Women
6
24
- 23 jaar (years)
13
52
- 25 jaar (years)
8
32
- 27 jaar (years)
2
8
28 jaar (years) -
2
8
Rooms-Katholiek
Roman Catholic
17
68
Nederlands
Hervormd
Dutch Reformed
3
12
Zonder
kerkgenootschap
Without
Denomination
3
12
Een streep gezet
Not filled in
2
8
sociale
wetenschappen
social sciences
14
64
psychologie
psychology
6
24
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
rechten
law
2
8
andere richting
other subject
1
4
beroep
already on job
2
8
12
48
Leiden
9
36
Amsterdam
3
12
Elders
Elsewhere
1
4
Universiteit,
Nijmegen
woonplaats:
University, place of
living
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
329
Uit nevenstaande tabel 2.3.1 blijkt dat onze enquêteurs als groepering in belangrijke
opzichten afweken van de bevolkingsgroep die moest worden bestudeerd. Bij een
latere evaluering van de mogelijk onbewuste vertekening die optreedt bij een
massa-enquête als gevolg van het feit dat de interviewers meer, en meer
betrouwbare, responsies van hun gelijken verkrijgen, dienen we te beseffen dat er
opvallend meer mannen waren, opvallend meer jeugdige personen, meer
Rooms-Katholieken en meer mensen uit hogere welstandsgroeperingen onder onze
enquêteurs dan in de normale Nederlandse bevolking. Zeeland en de noordelijke
provinciën waren slechter vertegenwoordigd dan het zuiden en het westen des
lands, ofschoon men dient te beseffen dat de universiteitsplaats in onze tabel vermeld
niet met de plaats van herkomst overeenkomt; de eigenlijke woonplaats werd slechts
in twee gevallen (van de twee beroepsenquêteurs genoteerd.
Uit de vragenlijsten bleek dat de interview-ervaringen van de enquêteurs nogal
uiteenliepen. Meer dan een derde gaf toe eigenlijk zonder praktische
interview-ervaring te zijn. Teneinde een minimum aan instructie aan de interviewers
te geven werden aan elke enquêteur per post de vragenlijst en de schriftelijke
aanwijzing toegezonden betreffende de wijze waarop de vragen gesteld dienden te
worden.
Hierna is gedurende vier dagen de vragenlijst met de enquêteurs besproken, de
belangrijkste spelregels van het interviewen zijn theoretisch en in de praktijk
toegelicht: de enquêteurs gingen elkaar interviewen, stelden aan de projectleider
vragen over de juiste interpretatie van vragen en over de introductie van het gesprek.
Na afloop van deze bijeenkomsten zijn de 85 te interviewen gemeenten onder
de enquêteurs verdeeld. Met uitzondering van de grote steden viel meestal een
gehele gemeente onder het operatiebereik van één enquêteur. Teneinde de
reiskosten zoveel mogelijk te drukken, is bij de verdeling der plaatsen met de
woonplaats of verblijfsmogelijkheid van de enquêteur rekening gehouden. Indien
echter bleek dat door de bekendheid van de interviewer in een al te kleine plaats
de anonimiteit van de onderzoeker en van de onderzochte bedreigd zou worden,
is voor vervanging gezorgd.
Elke enquêteur werd uitgerust met een voldoende aantal vragenlijsten en door
de projectleider getekende introductiebrieven, reeds geadresseerd, die hij aan de
respondenten geleidelijk verzond, omstreeks vijf dagen voorafgaande aan zijn
bezoek. Dit om de respondent tijd te gunnen om ev. de verhinderingskaart in te
vullen en naar de centrale coördinatieplaats te Leiden te zenden. Een medewerker
aan het onderzoek zorgde uit Leiden voor de coördinatie van het gehele onderzoek
en voor het tijdig doorzenden van de verhinderingsberichten. De enquêteurs werden
zodoende verplicht regelmatig met de onderzoeksleiding contact te onder-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
330
houden, het aantal weigeringen te melden, hun moeilijkheden te rapporteren. De
eerste twee ingevulde vragenlijsten werden rechtstreeks ter beoordeling aan de
projectleider toegezonden, de andere in groepen van 10 à 20. Na afloop van de
enquête is er een bijeenkomst met de enquêteurs belegd teneinde de eerste
resultaten van het onderzoek te bespreken en elkaars ervaringen uit te wisselen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
331
2.4 Steekproef
De keuze van de uiteindelijk te interviewen steekproef werd door de volgende
overwegingen bepaald. In de eerste plaats was er de kwestie van de beschikbare
middelen, die omvang en betrouwbaarheid van de enquête beïnvloedde. Volgens
de oorspronkelijke raming zouden de kosten van de enquête (de salariëring van de
vaste medewerkers niet inbegrepen) omstreeks ƒ 6.000, - bedragen. Men dacht aan
een 1200-tal gesprekken met gemiddelde kosten van omstreeks ƒ 5, - per
vraaggesprek (reiskosten en verblijfkosten van enquêteurs inbegrepen). Van
theoretisch standpunt gezien zou het onderzoek van meer intensieve dan extensieve
aard zijn, vergeleken met de gangbare enquêtes van de publieke
opinieonderzoekingen: een groot aantal vragen zou aan een middelgrote steekproef
uit de bevolking worden voorgelegd. Daar men echter besefte dat ook een structurele
en causale statistische analyse het meest verantwoord met behulp van een aselecte
steekproef kon geschieden, en daar men tevens hoopte door middel van het
onderzoek een schatting van bepaalde parameters te geven (percentages van niet
rokers, van drinkers, spreiding van de voornaamste ‘zorgengebieden’ over de
bevolking, enz.), werd aan de opbouw van de steekproef alle aandacht besteed.
Reeds in de vroege fase van ons denken, meenden we afstand te moeten doen
van de gebruikelijke ‘quota sampling’ die door de sociale onderzoekers in de
Verenigde Staten is uitgewerkt en vervolmaakt. We meenden in de registratie van
de bevolking door het administratief personeel van de Nederlandse gemeenten een
hulpinstrument te hebben dat het trekken van een meer verantwoorde steekproef
mogelijk zou maken. Indien we eerst een aselecte steekproef uit de Nederlandse
gemeenten zouden trekken om hierna uit elk bevolkingsregister een aselecte
steekproef van de plaatselijke inwoners te nemen, zouden we dan niet een
representatief beeld verkrijgen van de ganse bevolking? Spoedig realiseerden we
echter dat de grote steden in het bijzonder de representatieve aard van een op deze
wijze verkregen steekproef zouden verstoren en dat we in het algemeen moesten
zoeken naar een correctie voor de gemeentegrootte. Een oplossing voor het
probleem heeft Drs. Ch.A.G. Nass, Hoofd Afdeling Statistiek van het Nederlands
Instituut voor Praeventieve Geneeskunde, in de volgende steekproefopzet gevonden.
Alle gemeenten met honderdduizend inwoners en meer werden bij ons onderzoek
betrokken. Zij zouden evenredig naar het aantal inwoners in de steekproef
vertegenwoordigd zijn; per 5.000 inwoners namen we 1 kaart uit het
bevolkingsregister als in aanmerking komend voor het ge-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
332
Tabel 2.4.1 Selectie en samenstelling van de steekproef
Table 2.4.1 Selection and composition of the sample
No.
No.
GeProvincie Inwonertal
meente
in 1.000
Commu- Province No. of
nity
inhabitants
in 1.000
Oorspron- Te inter- Weigekelijke
viewen ringen
steekproef To be
Refusals
interOriginal viewed
sample
Bereikte
steekproef
1
2
4
5
6
7
8
1
Akersloot NH
3
20
18
0
18
2
Almelo
O
48
20
10
0
10
3
Amersfoort U
66
20
13
1
12
4
Assendelft NH
7
20
15
0
15
5
Barneveld Gld
22
20
15
0
15
6
Bergen
L
9
20
10
0
10
7
Best
NBr
10
20
8
0
8
8
Bloemen- NH
daal
20
20
13
1
12
9
Boskoop ZH
9
20
12
1
11
10
Budel
NBr
8
20
7
0
7
11
Culemborg
Gld
12
20
9
0
9
12
Delft
ZH
70
20
15
1
14
13
Deventer O
53
20
13
0
13
14
Domburg Z
1
20
20
0
20
15
Dordrecht ZH
78
20
10
1
9
16
Ede
Gld
54
20
13
1
12
17
Emmen
D
63
20
11
0
11
18
Ermelo
Gld
26
20
13
1
12
19
Geldrop NBr
17
20
11
0
11
20
Gilze en NBr
Rijen
14
20
11
0
11
21
Gouda
42
20
13
0
13
22
Harden- O
berg
21
20
13
0
13
23
Heemstede
25
20
13
1
12
3
ZH
NH
Sample
reached
in the
end
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
24
Heerlen
L
10
20
10
0
10
25
Den
Helder
NH
46
20
10
0
10
26
Helmond NBr
41
20
11
1
10
27
's-Hertogen- NBr
bosch
67
20
14
1
13
28
Hoensbroek
21
20
10
1
9
29
Hoogkerk Gr
5
20
9
0
9
30
Jutphaas U
4
20
9
0
9
31
Kerkrade L
47
20
12
2
10
32
Kruiningen Z
5
20
18
2
16
33
Leeuwarden F
81
20
15
3
12
34
Leiden
ZH
95
20
18
0
18
35
Lichten- Gld
voorde
12
20
8
0
8
36
Losser
O
16
20
12
0
12
37
Maastricht L
87
20
14
0
14
38
Meerlo
L
3
20
9
0
9
39
Mill en
St.
Hubert
NBr
8
20
16
1
15
40
Naarden NH
13
20
15
3
12
41
Nieuwkoop ZH
4
20
8
0
8
42
Nuenen
6
20
9
1
8
L
NBr
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
333
1
2
43
3
4
5
6
7
8
Oisterwijk NBr
11
20
11
1
10
44
Oostdon- F
geradeel
8
20
15
1
14
45
Opsterland F
21
20
12
1
11
46
Oud
Z
Vossemeer
2
20
12
1
11
47
Ravenstein NBr
6
20
13
1
12
48
Ridderkerk ZH
24
20
11
2
9
49
Roosendaal/ NBr
Nispen
34
20
12
1
11
50
Rijswijk
ZH
29
20
14
0
14
51
Schiedam ZH
77
20
16
2
14
52
Schijndel NBr
13
20
11
0
11
53
Sliedrecht ZH
17
20
16
0
16
54
Someren NBr
11
20
15
0
15
55
Stouten- U
burg
2
20
11
0
11
56
Tiel
Gld
17
20
12
1
11
57
Uden
NBr
14
20
8
0
8
58
Veghel
NBr
12
20
17
2
15
59
Venlo
L
51
20
17
1
16
60
Vlaardingen ZH
62
20
11
0
11
61
Vlijmen
9
20
8
1
7
62
Vreeswijk U
4
20
12
0
12
63
Wageningen Gld
21
20
15
0
15
64
Weert
L
26
20
7
0
7
65
Wierden O
14
20
12
0
12
66
Wisch
Gld
14
20
10
0
10
67
Wijhe
O
6
20
16
0
16
68
Zaandam NH
47
20
16
1
15
69
Zevenbergen
NBr
10
20
11
2
9
70
Zutphen Gld
24
20
12
2
10
71
Zijpe
6
20
10
1
9
NBr
NH
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
72
Amsterdam
NH
870
174
136
13
123
73
Apeldoorn Gld
100
20
10
1
9
74
Arnhem
Gld
120
24
13
3
10
75
Breda
NBr
100
20
12
1
11
76
Eindhoven NBr
160
32
23
1
22
77
Enschede O
120
24
18
0
18
78
's-Graven- ZH
hage
610
122
77
6
71
79
Groningen Gr
140
28
19
3
16
80
Haarlem NH
170
34
22
1
21
81
Hilversum NH
100
20
15
0
15
82
Nijmegen Gld
120
24
12
2
10
83
Rotterdam ZH
720
144
91
4
87
84
Tilburg
NBr
130
26
15
2
13
85
Utrecht
U
250
50
43
4
39
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
2.182
1.382
85
1.297
Totaal
Total
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
334
sprek. Als voorbeeld: Amsterdam met omstreeks 870.000 inwoners heeft 174 leden
van de oorspronkelijke steekproef geleverd (5.000 × 174 = 870.000), Utrecht met
250.000 inwoners slechts 50 leden, enz.
Uit de overige gemeenten is een aantal uitgekozen op die wijze dat elke
geselecteerde gemeente 20 personen zou bijdragen voor de oorspronkelijke
steekproef en dat tevens elke gemeente in principe in de steekproef kon worden
opgenomen met een kans die evenredig was aan het aantal inwoners.
In een alfabetische lijst van alle Nederlandse gemeenten werden de aantallen
inwoners progressief opgeteld. Door loting werd uit de cijfers 0, 1, 2, ... 9, het cijfer
7 getrokken. Alle gemeenten waarbinnen een progressief totaal valt van 70.000
(men kon eveneens b.v. 7.000 nemen) plus een veelvoud van 100.000, werden in
de steekproef opgenomen, behalve de gemeenten met, afgerond, meer dan 100.000
inwoners, die reeds in de steekproef (A) waren vertegenwoordigd. (Wij namen dus
gemeenten waarbinnen het totaal 70.000 viel, hierna 170.000, dan 270.000, 370.000
enz. totdat de gehele lijst der Nederlandse gemeenten was afgewerkt.)
Tabel 2.4.1 geeft een overzicht van alle bij ons onderzoek betrokken gemeenten
met het aantal inwoners en de quota die de desbetreffende gemeente in onze
oorspronkelijke steekproef heeft bijgedragen.
De kans om in onze oorspronkelijke steekproef opgenomen te worden werd voor
elke Nederlander (en elke persoon in Nederland woonachtig) gelijk gehouden, zowel
in de grote steden als in kleinere gemeenten, nl. 1 op 5.000. Zoals echter blijkt uit
de discrepantie tussen de kolommen 5 en 6 van de Tabel 2.4.1, eindigde de opbouw
van de steekproef niet met het bepalen van de ‘probability-sample’. Het lag voor de
hand dat de kinderen en de jeugdigen bij het onderzoek naar de rookgewoonten
en drinkgewoonten niet zouden worden betrokken. Het leek ons onverantwoord
deze groepen bij de enquête te betrekken zonder hun ouders om toestemming te
vragen, hetgeen ons werk zou compliceren. Aan de andere kant waren we reeds
bij de voorbereiding van het onderzoek op de hoogte van de enquête, die dokter
1
Fokkens onder de scholieren zou houden .
Als laagste leeftijdsgrens is het bereiken van het 20ste jaar gehouden, d.w.z.
mensen geboren na 1937 werden in onze uiteindelijke steekproef niet opgenomen.
Deze uiteindelijke steekproef werd als volgt voorbereid:
Aan de secretaris van elke van de 85 voor onze enquête geselecteerde gemeenten
werd door de Directeur van het Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde
een brief gezonden waarin de medewerking van de gemeente werd gevraagd voor
‘een onderzoek naar een aantal vragen welke met de algemene gezondheid in
verband staan’. Toestem-
1
Zie O.Fokkens, De Ontwikkeling van Rookgewoonten bij de Jeugd, Utrecht, 1960.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
335
ming werd gevraagd om de registers - zo mogelijk kosteloos - te raadplegen teneinde
een aantal personen op een ‘willekeurige’ wijze uit de registers te lichten. Het bezoek
van een der onderzoekers werd op deze wijze aangekondigd en geïntroduceerd.
De medewerking van de gemeenten bleek inderdaad bijzonder groot te zijn; er werd
begrip getoond voor de wetenschappelijke aard van ons werk. Met twee of drie
uitzonderingen werd aan de onderzoeker toegestaan zelf de steekproef te trekken.
Dit geschiedde door het uitlichten van kaarten (blindelings, teneinde de onbewuste
selectie van mannen of vrouwen te voorkomen, voor wie verschillend gekleurde
kaarten in de registers aanwezig zijn), op afstanden die ongeveer het vereiste
fragment van de ganse bevolking vormden dat men moest verkrijgen. Personen
geboren na 1937 werden teruggelegd, van de resterende personen werden de
personalia overgenomen. Men hoopte door aselecte werkwijze het aantal jeugdigen
evenredig te houden aan de bezetting van de cohortes in de desbetreffende
gemeenten; daar het geboortencijfer varieert van plaats tot plaats, hoopte men
binnen de grenzen aangegeven door de wet der grote getallen een representatief
beeld van de volwassen bevolking te krijgen.
De methode van het prikken op vaste afstand is niet zonder aarzeling gekozen.
Daar we echter de waarschijnlijkheid, dat de alfabetische volgorde der kaarten zou
correleren met een der basisvariabelen van het onderzoek, gering achtten, is hiertoe
gemakshalve besloten. (In tegenstelling tot b.v. de Verenigde Staten is onze
bevolking niet uit etnische groeperingen samengesteld die sterk met de beginletters
van de namen correleren: M met het Schotse en O met het Ierse bevolkingsdeel.)
In de drie gemeenten waar de onderzoekers niet zelf de keuze van hun
respondenten mochten bepalen is aan het personeel ter secretarie een schriftelijke
instructie ter hand gesteld teneinde de uniforme selectie te waarborgen.
De medewerking van de gemeenten bleek bijzonder goed en prompt te zijn. Het
verloop van het onderzoek kan als volgt worden samengevat:
Eind 1957: theoretische voorbereiding van het onderzoek; officiële toestemming
van de leiding van het Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde
om een landelijke enquête naar rook- en drinkgegewoonten te houden;
januari-maart 1958: opbouw van de vragenlijst; het ontwerpen van het
steekproefplan;
april-juni 1958: het toetsen van de vragenlijst door middel van een proefenquête;
het trekken van de aselecte steekproef uit de 85 gemeenten; het aanwerven
van de enquêteurs.
juli 1958: het adstrueren van de enquêteurs; eerste interviews.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
336
2 augustus 1958: 589 ingevulde vragenlijsten; 28 weigeringen;
9 augustus 1958: 714 ingevulde vragenlijsten; 41 weigeringen;
16 augustus 1958: 820 ingevulde vragenlijsten; 50 weigeringen;
21 augustus 1958: 933 ingevulde vragenlijsten; 51 weigeringen;
20 september 1958: 1.187 ingevulde vragenlijsten; 68 weigeringen;
22 januari 1959: 1.297 ingevulde vragenlijsten; 85 weigeringen.
september-oktober 1958: coderen van de handsorteerkaarten.
november-december 1958: coderen van de Hollerith-kaarten.
januari 1959: ponsen van de Hollerith-kaarten.
februari 1959-juli 1960: tabellarisch rangschikken van gegevens; berekenen
van percentages; constructie van schalen; eerste evaluatie van verbanden.
augustus 1960: eerste plannen voor een elektronische bewerking.
december 1960: factoranalyse en de systematische analyse van partiële
correlaties.
januari 1961-september 1962: additionele berekeningen en schrijven van dit
rapport.
Dit korte overzicht zou de valse indruk kunnen wekken alsof de weigeringen in
bepaalde tijdsperioden waren geconcentreerd en het afnemen van de interviews
na september 1958 op bijzondere weerstanden van de respondenten zou stuiten.
We dienen echter te bedenken dat de meeste enquêteurs voor een bepaald rayon
werden aangetrokken en dat de resterende ‘interviewees’ later uit een centraal punt
moesten worden bereikt. Het lukte immers niet alle respondenten in de korte periode
van een of twee weken thuis aan te treffen (vakantie-afwezigheid, ziekte) zodat de
onderzoekers in een aantal gevallen moesten terugkeren; dit echter ten tijde toen
reeds het grootste aantal enquêteurs alweer aan de studie was en voor het
onderzoek niet meer beschikbaar. Het feit dat sommige ‘weigeraars’ meerdere keren
werden benaderd voordat men hun definitieve ‘neen’ vernam en van verdere
contacten afzag, veroorzaakte de schijnbare concentratie van de weigeringen tegen
het einde van de enquêteperiode.
Het tijdsaspect dient nog om andere redenen in het methodologische kader
geplaatst te worden. In de eerste plaats moeten we bedenken dat de enquête
voornamelijk in de zomermaanden, d.w.z. tevens de vakantiemaanden, werd
gehouden. Dit had waarschijnlijk minder invloed op het uiteindelijk aantal weigeringen
dan op de kwaliteit van de responsies op bepaalde vragen. Naast de vragen wat
men ‘meestal’ of ‘gebruikelijk’ drinkt of rookt, hadden we ook de vragen omtrent
hetgeen men in de afgelopen periode (de week, ‘gisteren’, enz.) gedaan of gebruikt
heeft. Bij de interpretatie van de responsies dient met de periode waarin de enquête
gehouden werd terdege rekening te worden gehouden. Vooral die hande-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
337
lingen en gewoonten waarbij de jaarlijkse cyclus een rol speelt, moeten wat
voorzichtiger worden geïnterpreteerd.
Dit alles brengt ons reeds tot de belangrijkste vraag van deze methodologische
uiteenzetting, nl. naar de betrouwbaarheid en de representatieve aard van onze
steekproef. De 85 personen die aan onze enquête weigerden mee te werken vormen
3,9% van de oorspronkelijke steekproef van 2.182 personen, maar niet minder dan
6,15% van het aantal 1382 werkelijk te interviewen volwassen mannen en vrouwen.
In hoever vermindert deze groepering van niet bereikte personen de representatieve
aard van ons werk? In welke mate is het trouwens verantwoord de bevindingen
opgedaan bij nog geen dertienhonderd mensen te generaliseren voor de ganse
volwassen bevolking van omstreeks 6,9 miljoen?
Daar we alle aandacht hebben besteed om bij de keuze van de respondenten
strikt aselect te werk te gaan, was de weigering van bepaalde personen de
voornaamste bron van onze onzekerheid. Hier kwam nog bij dat onze oorspronkelijke
steekproef niet een zuiver aselecte steekproef (‘strictly random sample’) is geweest,
maar eigenlijk in twee fasen was opgebouwd. Dit bracht het probleem met zich van
de mogelijke vertekening door het feit dat rokers en niet-rokers, wijndrinkers en
bierdrinkers, aangepaste en onaangepaste mensen niet noodzakelijk evenredig
over de Nederlandse gemeenten verspreid zijn; het was mogelijk dat er in bepaalde
gemeenten concentraties van één der door ons onderzochte categorieën mensen
waren. Daar we slechts omstreeks 8,5% van alle Nederlandse gemeenten bij ons
onderzoek betrokken, zou dan de kans bestaan dat er of te weinig of te veel mensen
van een bepaalde groep zouden komen. We zouden, met andere woorden, het
‘clustering-effect’ moeten trachten te beramen en indien mogelijk, corrigeren.
De gegevens die we over elk lid van de te interviewen steekproef uit de
bevolkingsregisters verzameld hadden, maakten het mogelijk de vertekening ontstaan
door de weigeraars te evalueren, of althans in bepaalde opzichten de grootte van
de ontstane afwijking te bepalen. Daar de groep weigeraars slechts betrekkelijk
weinig afsteekt bij het gebruikelijke waarschijnlijkheidscriterium (6,15% vergeleken
met de gebruikelijke 5%-foutenmarge), ligt het voor de hand dat de groepering
weigeraars in bepaalde opzichten geheel verschillend zou moeten zijn van de groep
respondenten, voordat we tot een significante vertekening van onze resultaten
zouden moeten concluderen (50% verschil in de samenstelling van de
weigeraarsgroepering betekent immers slechts een 3,6% afwijking van de
oorspronkelijke aselecte steekproef, d.w.z. de helft van 6,15%). De vergelijking van
beide groeperingen, respondenten en weigeraars, is in de volgende Tabel 2.4.2
samengevat.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
338
Tabel 2.4.2 Respondenten en weigeraars naar geslacht, leeftijd,
burgerlijke staat en enkele andere kenmerken
Table 2.4.2 Respondents and refuses; by sex, marital status and some
other characteristics
SpecificatieRespondenten
Respondents
Specification
Aantal
Number
Geslacht 1.297
Sex
%
100
WeigeraarsVerschil Significantie
Difference van verschil1
Refusers
Significance
of difference
Aantal
%
%
Number
2
100
84
Mannen
Men
616
47
35
42
-5
Vrouwen
Women
681
53
49
58
+5
Geboorte- 1.297
jaar
Year of
birth
100
84
100
1937-1933 138
10,5
4
5
-5,5
1932-1928 154
12
5
6
-6
1927-1918 309
24
14
16,5
-8
1917-1908 249
19
24
29
+10
1907-1898 219
17
20
24
+7
1897-1888 151
11,5
11
13
+1,5
1887-
6
6
7
+1
Burgerlijke 1.297
staat
Marital
status
100
84
100
Ongehuwd 231
18
8
9,5
76
n.s.
P < .05
onbekend 1
unknown
-8,5
n.s.
Single
1
2
Berekend met toepassing van de Chi-kwadraattest.
Computed by applying the Chi-square test.
Een voorpagina van een vragenlijst werd vermist tijdens de bewerking. One title page was
missing.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Gehuwd
Married
985
76
64
76,5
+0,5
6
12
14
+8
100
84
100
544
42
30
36
-6
N.H.
306
Dutch
Reformed
24
26
31
+7
Gereformeerd
Calvinist
Church
105
8
10
12
+4
Andere
Other
41
3
7
8
+5
Geen
Without
301
23
11
13
-10
Beroep
1.297
Occupation
100
84
100
Zonder
Without
2
8
9,5
+7,5
38
35
41,5
+3,5
8
7
8
0
Andere
81
subcategorieën
Other subcategories
Kerk1.297
genootschap
Religious
denomination
R.-K.
Roman
Catholic
24
Huisvrouw 485
n.s.
Housewife
Werkgevers, 103
vrije
beroepen,
onderwijzend
personeel
n.s.
Employer,
professional
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
teaching
job
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
339
SpecificatieRespondenten
Respondents
Specification
Weigeraars
Refusers
Verschil Significantie
Differencevan verschil
Significance
of difference
Aantal
Number
‘Middenstand’ 249
%
%
%
19
Aantal
Number
13
15,5
-3,5
28
18
21
-7
5
3
3,5
-1,5
Gemeente- 1.297
grootte
Size of
Community
100
84
100
100.000
465
inw. en
meer
100.000
inhabitants
or more
36
40
47,5
+11,5
Kleinere
832
gemeenten
64
44
52,5
-11,5
‘Middle
Class’
Werknemers 374
Employees
Andere
Other
62
P < .05
Smaller
communities
We bemerken dat de weigeraars betrekkelijk evenredig verspreid zijn over de zes
basisvariabelen die wij voor onze vergelijking hebben gebruikt. Van ernstige
verstoring van de representatieve aard van de steekproef zou pas dan sprake kunnen
zijn indien door het proces van weigeren zestig à zeventig personen aan één
subcategorie zouden worden onttrokken of hieraan toegevoegd. Reeds een
oppervlakkige inspectie van Tabel 2.4.2 leert ons dat dit nergens het geval is
geweest. Gezien het kleine totaal van de weigeraars (85, resp. 84 in onze tabel)
zou dit betekenen dat de weigeraars geheel uit tegenovergestelde categorieën
werden gerekruteerd dan de respondenten, dat de cijfers in de desbetreffende
kolommen ‘omslaan’. Zelfs de subcategorie t.a. waarvan de groepering van
weigeraars het meest afwijkt van de respondenten, die van personen geboren in
1917 en eerder, onttrekt slechts 15 personen boven de verwachte quota aan de
door ons te interviewen steekproef (dit is slechts 1,1% van de 1.381 personen die
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
we wensten te bereiken en nog geen 1,2% van de werkelijk door on bereikte
steekproef).
Het boven vermelde wil echter niet zeggen dat er geen belangrijke tendensen tot
weigering uit onze tabel kunnen worden afgelezen. Zoals uit het verschil tussen de
percentages weigeraars en respondenten blijkt, waren er meer vrouwen, meer
oudere personen, meer gescheidenen en weduwnaars, meer Nederlands
Hervormden en Gereformeerden (tevens meer onkerkelijken), meer personen uit
lagere standen en meer bewoners van de grote steden onder de weigerende
groepering. Hoewel slechts het leeftijdsverschil en de gemeenteklasse statistisch
significant bleken te zijn en hoewel het verschil m.b.t. de burgerlijke staat door
leeftijdsverschil schijnt medeveroorzaakt, zijn deze vastgestelde tendensen
methodologisch zeer leerzaam. Vergelijken we nl. Tabel 2.4.1 met Tabel 2.4.2 dan
zien we dat de geconstateerde afwijking geheel in dezelfde richting gaat. Zowel
onder de respondenten als onder onze enquêteurs bevinden zich waar-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
340
schijnlijk wat meer jeugdigen, ongehuwden, mannen, personen uit hoger sociaal
milieu en personen afkomstig uit kleinere gemeenten. Al dachten we door middel
van onze steekproefopzet de gebruikelijke vertekening, die de ‘quota-sampling’
karakteriseert, te vermijden, dit is slechts gedeeltelijk gelukt. Zonder de
representatieve aard van onze steekproef aan te tasten, speelde de samenstelling
van de enquêteursgroep waarschijnlijk een rol bij het proces van het verzamelen
der gegevens. Van hun gelijken verkregen zij waarschijnlijk betere medewerking
dan van personen die in sociaal opzicht veel verschilden. Deze onbewuste
vertekening van de resultaten der publieke-opinie-onderzoekingen, daar waar de
keuze der respondenten uiteindelijk aan de enquêteurs werd overgelaten, is reeds
gesignaleerd en onderzocht door anderen. (Merton heeft de grotere responsie van
1
de gelijksamengestelde groeperingen ‘het principe van homifilie’ genoemd) . Het
schijnt dat niet slechts de selectie maar ook de poging der weigeraars ‘om te praten’
van deze sociaal-psychologische factoren afhankelijk zijn. Tenslotte nog een woord
van rechtvaardiging: we hebben de invloed van de samenstelling der enquêteurs
wel vermoed en geanticipeerd. Opererend uit één der stedelijke centra in het
protestantse westen des lands, waren we bezorgd over de responsiebereidheid van
voornamelijk de rooms-katholieke groeperingen in het Zuiden. Door de spontane
medewerking van de studenten uit Limburg en Brabant zijn deze zorgen niet alleen
teniet gedaan maar zelfs overgecompenseerd.
De zes variabelen, vermeld in de Tabel 2.4.2, geven ons uiteraard geen zekerheid
dat onze steekproef in andere opzichten niet door de weigering is verstoord. We
dienen echter te bedenken dat in de introductie met opzet niet is gerept van de
uiteindelijke doelstelling van het onderzoek en dat het onderzoek in kleinere
gemeenten bijzonder arbeidsintensief verliep (meestal binnen enkele
achtereenvolgende dagen) zodat de weigering op grond van negatieve instelling
t.o.v. de ondervraging onwaarschijnlijk is. Wel konden enkele personen in de instelling
die het onderzoek uitvoerde een reden vinden tot weigering (enkele Gereformeerde
subgroeperingen hadden bezwaren tegen het woord ‘preventie’ dat in de introductie
vermeld werd; zie Bijlage 2). Beschouwen we de zes variabelen, ten opzichte
waarvan de vergelijking van de twee groeperingen is uitgevoerd als zijnde aselect
gekozen uit alle andere mogelijke variabelen, dan versterkt het resultaat van onze
vergelijking het vertrouwen dat door weigeringen geen noemenswaardige vertekening
van onze steekproef is ontstaan.
1
Herbert Hyman (c.s.), Interviewing in Social Research, The University of Chicago Press, 1954.
Ook Mark Benney c.s. in the American Journal of Sociology, LXII, blz. 143-152; deze gehele
aflevering is aan het interviewen besteed. Ook: Robert N. Merton, Social Theory and Social
Structure, Glencoe, 1957.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
341
Ons vertrouwen is echter ook dan slechts gebaseerd op de gegevens via de
steekproef zelf verzameld. Om de betrouwbaarheid van onze onderzoekresultaten
te schatten, zou het wenselijk zijn een objectief, d.w.z. van onze werkwijze
onafhankelijk, criterium toe te passen. Indien we b.v. de samenstelling van onze
uiteindelijke steekproef in bepaalde opzichten konden vergelijken met de
samenstelling van de Nederlandse bevolking zoals bekend aan de hand van
gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek, zou dan niet ons inzicht
verdiept worden in de representatieve aard van ons werk?
Nu is het aantal parameters die vergelijkbaar zijn met onze steekproef niet al te
groot. In het Statistisch Zakboek 1958 treffen we twee tabellen aan die de gegevens
bevatten omtrent de bevolking van 20 jaar en ouder, nl. Tabel 8 en Tabel 10. Uit de
eerste leren we dat het aantal personen beneden 20 jaar in 1957 37,8% van de
ganse bevolking was. Dat wil zeggen dat bij het begin van ons onderzoek het
percentage van de volwassen bevolking (20 jaar en ouder) 62,2% bedroeg. Indien
we het totaal van kolom 6 in onze Tabel 2.4.1 delen door het totaal van kolom 5 dan
verkrijgen we 1.381/2.182 = 0,633, d.w.z. 63,3%. Dit getal is slechts 1 percent hoger
dan het percentage voor de ganse bevolking door het C.B.S. opgegeven. Het vormt
tevens een rechtvaardiging van de door ons gevolgde werkwijze waarbij we de
kaarten van de jeugdigen in de bevolkingsregisters teruglegden in het vertrouwen
dat de verhouding van jeugdigen tot volwassenen door de aselecte keuze goed uit
zou komen.
Terwijl Tabel 8 van het Zakboek 1958 ons in staat stelt de aselecte werkwijze bij
het trekken van de steekproef te controleren, maakt Tabel 10 een vergelijking van
meerdere parameters mogelijk waardoor we inzicht krijgen in de mate van afwijking
ontstaan door de ‘sampling’ als geheel. Volgens de gegevens van het C.B.S.
bedraagt het percentage van gehuwden onder de volwassen mannen (van 20 jaar
en meer) 72,65%, volgens onze eigen gegevens 76,6% dus 3,9% meer. Hetzelfde
percentage voor de volwassen vrouwen is volgens het C.B.S. 69,95%, volgens onze
steekproef 68,6%, een afwijking van 1,35%.
In de Maandstatistiek van de bevolking 1959 (W. de Haan, 1959, blz. 199) vinden
we gegevens over de samenstelling van de bevolking in de gemeenten met 100.000
inwoners op 31 december 1958, naar leeftijd gerangschikt. Hieruit lezen we dat
onder bewoners van de grote steden de verhouding van mannen en vrouwen 48,9%
tot 51,1% was; het desbetreffende percentage in onze steekproef bedroeg 48,4%
tot 51,6%; dit is slechts ½% minder voor de mannen (dus vertekening in de
tegenovergestelde richting dan te verwachten aan de hand van de weigeringen),
een verschil dat praktisch te verwaarlozen is. Volgens dezelfde bron bedraagt het
percentage van Nederlanders ouder dan 19 jaar, woonachtig in de
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
342
gemeenten met 100.000 en meer inwoners: 32,3% van de totale bevolking. Onze
steekproef geeft de waarde van 35,8% aan, dit is 3,5% meer. Dit verschil is eveneens
in tegenovergestelde richting dan aan de hand van de weigeringen was te
verwachten. De vergelijking van de statistische waarden verkregen door middel van
onze steekproef met de bevolkings-parameters geeft een bijzonder gunstig beeld.
De geconstateerde verschillen blijven allemaal onder het niveau van 5%.
Deze vergelijking geeft ons echter nog geen zekerheid dat ook ten aanzien van
de andere, onbekende variabelen, de samenstelling van onze steekproef
overeenkomt met de samenstelling van de normale Nederlandse bevolking. Indien
een zeker kenmerk met een bepaalde frequentie in onze steekproef voorkomt, welke
zekerheid hebben we dat ook de bevolking in dezelfde mate door dit kenmerk wordt
gekarakteriseerd? Binnen welke grenzen van betrouwbaarheid kunnen we de
gevolgtrekkingen op de steekproefwaarnemingen gebaseerd generaliseren tot het
universum, de volwassen bevolking in Nederland?
Het is bij het oplossen van dit oude vraagstuk der inductie dat we dankbaar gebruik
hebben gemaakt van hetgeen de moderne statistiek ons op dit gebied te bieden
heeft. Door de overschrijdingskansen van de variabelen te bepalen kan de inductieve
statistiek ons zo niet de zekerheid dan toch de waarschijnlijkheid aangeven van het
voorkomen van een kenmerk met de vastgestelde frequentie (of, nog nauwkeuriger,
binnen de van tevoren te schatten spelingmarge rond deze frequentie) in de
bevolking. Zoals reeds boven aangeduid was het echter in onze ogen niet
verantwoord om de statistische werkwijze bestemd voor het werken met strikt
aselecte steekproeven te gaan toepassen op onze complexe steekproef. Hoewel
de kans voor elke Nederlander om in onze steekproef opgenomen te worden gelijk
werd gehouden, zou het feit dat we de proefpersonen slechts uit 85 gemeenten en
niet uit een volledige lijst van de bevolking hebben getrokken waarschijnlijk tot een
afwijkend resultaat leiden. Het effect van ‘clustering’, van concentratie in bepaalde
gemeenten moest worden opgevangen. We prijzen ons gelukkig dat Drs. Ch.A.G.
Nass niet slechts de grote steden in onze steekproef wist op te nemen maar tevens
met het ontwerpen van de steekproef ons een techniek in handen heeft gesteld, die
het mogelijk maakte het ‘clustering-effect’ te ramen. De door hem voorgestelde
covariantieberekening die ons in staat stelt de variantie binnen de
gemeentecategorieën te bepalen dient tot het vaststellen van de
overschrijdingskansen van variabelen en tevens tot het bepalen van de standaardfout
van de proporties. Dit laatste maakt het mogelijk de verbanden tussen twee
variabelen dusdanig te toetsen dat in het berekende significantieniveau het ‘clustering
effect’ reeds is verdisconteerd.
De beschrijving van de gevolgde methode volgt verder op (2.7); hier
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
343
willen we slechts de resultaten van enkele berekeningen vermelden teneinde de
lezer een indruk te geven van de mate van betrouwbaarheid van onze
steekproefgegevens.
In een vroege fase van het onderzoek is het percentage rokers berekend op
56,7% voor de gehele bevolking. Het was wat hoger voor de grote gemeenten
(60,7%) dan voor de kleinere gemeenten (54,5%). De desbetreffende waarden van
de standaardfout bedroegen respectievelijk 1,7% (voor de gecombineerde
steekproef), 2,25% (voor de gemeenten met 100.000 inwoners en meer) en 2,27%
voor de kleinere gemeenten. We kunnen redelijk zeker zijn dat het percentage rokers
in de werkelijke bevolking binnen de marge ligt aangegeven door de dubbele
standaardfout in beide richtingen rond de gevonden waarde. Voor de ganse
Nederlandse bevolking betekent dit dat het percentage rokers zich ergens tussen
53,3% en 60,1% zal bewegen; onder stedelingen zullen er 56,2% à 65,2% rokers
zijn, onder de bewoners van kleinere plaatsen ligt de waarde ergens tussen 50%
en 59%. De kans dat elk van deze uitspraken onjuist zou zijn is 1 op 20 (d.w.z. voor
zover de juistheid slechts van de steekproef afhankelijk is, zouden we gemiddeld
meer dan twintig keer het procédé van sampling moeten herhalen om een afwijking
te vinden die buiten de door ons aangegeven grenzen zou vallen).
De lezer mag zich afvragen of de foutenmarge van bijna 7% voor de totale
bevolking niet te hoog is; hij mag teleurgesteld zijn dat het onderzoek niet tot
nauwkeuriger resultaten heeft geleid. Hij bedenke echter dat er wel degelijk
mogelijkheden waren om de nauwkeurigheid van de enquête te verhogen: 1. men
had meer gemeenten bij ons onderzoek kunnen betrekken (daarbij het totaal aantal
te interviewen personen ongewijzigd latend); 2. men had het aantal te interviewen
personen hoger kunnen stellen. Beide methoden houden echter een aanzienlijke
stijging van de kosten van het onderzoek in. We menen dat in onze tegenwoordige
steekproefopzet een redelijk evenwicht is gehouden tussen de quota's te interviewen
personen en het aantal gemeenten (dat wil hier zeggen: de grootte van het ‘clustering
effect’), en dat van het standpunt van steekproefefficiëntie het beschikbaar gestelde
1
bedrag goed is besteed .
Tenslotte een woord van waarschuwing: het bovenbeschreven voorbeeld dient
slechts ter illustratie. De foutenmarge van 7% die we voor de rookgewoonten hebben
vastgesteld, dient niet gegeneraliseerd te worden voor alle variabelen bij ons
onderzoek betrokken. Naarmate een variabele een grotere mate van spreiding over
de Nederlandse gemeen-
1
Voor een goede uiteenzetting omtrent het verband tussen de kostenfactor en de
wetenschappelijke precisie in ‘survey-research’ zie: Leslie Kish, ‘Selection of the sample’ in
L. Festinger, D. Katz, Research Methods in the Behavioral Sciences, New York, 1953, hfdst.
5.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
344
ten vertoont, zal ook het clustering-effect sterker en de foutenmarge groter zijn. Het
is echter gebleken dat de rookgewoonten een betrekkelijk sterke spreiding vertonen
(vrouwen in de steden roken meer dan ten plattelande) en dat ons voorbeeld in dit
opzicht niet slecht gekozen is. Daar het hier tevens een der centrale variabelen van
ons onderzoek betreft, is de keuze en de plaatsing van deze variabele op deze
plaats alleszins verantwoord.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
345
2.5 Coderen van gegevens
De grote hoeveelheid gegevens maakte mechanisatie van de bewerking noodzakelijk.
Daar het op een tijdstip niet geheel zeker was of het onderzoek aan het Nederlands
Instituut voor Praeventieve Geneeskunde geheel zou worden afgewerkt, zijn de
voornaamste variabelen op de handsorteringskaarten overgebracht. Hiervoor zijn
de kaarten gebruikt met 72 randperforaties. Het meeste sorteer- en tabelleerwerk
is echter verricht met behulp van de Hollerith-kaarten. Oorspronkelijk zijn drie
Hollerithkaarten ontworpen, elke behelzend de voornaamste variabelen op een
bepaald gebied (het roken, het drinken, de houdingsvragen) en de voornaamste
basisfactoren (leeftijd, geboorteplaats, opleiding enz.). De laatste waren in dezelfde
kolommen op alle drie kaarten geponst, teneinde de mechanische ponsing mogelijk
te maken. Op deze wijze hoopten we het tabelleren van gegevens die zich op twee
afzonderlijke Hollerith-kaarten bevonden voor zover mogelijk te vermijden. Nadat
de meeste schalen waren geconstrueerd en de voornaamste variabelen voor een
globale analyse waren uitgezocht, werd tenslotte nog een vierde kaart ontworpen.
Deze vormde als het ware een synthese van de gegevens meer analytisch behandeld
op de afzonderlijke kaarten.
Zoals voor het interviewen is ook voor het coderen de hulp der studenten
ingeroepen. Een negental personen ingeschreven aan de Leidse universiteit werd
voor deze taak aangesteld onder leiding van de twee vaste leden van het
onderzoeksteam. Daar de vragenlijst weinig open vragen bevatte en daar
voornamelijk de vragen met van tevoren geformuleerde antwoordcategorieën voor
de quantitatieve analyse werden bestemd, verwachtten wij een grote mate van
uniformiteit bij het coderen. De codelijsten in gestencilde vorm zijn aan de codeurs
rondgedeeld, die te zamen in één vertrek werkten. Slechts een betrekkelijk klein
aantal variabelen is opengelaten (beroep, onderwijs, enz.). Hiervoor is gedurende
het coderen zelf een aantal subcategorieën ontworpen door de codeurs. Eveneens
toegevoegd aan de codelijsten is een aantal subcategorieën betreffende de
combinatie van antwoorden die nogal vaak voorkwamen.
Over het algemeen is het proces van coderen minder bevredigend verlopen dan
de enquête zelf. Reeds in de beginfase is nl. controlecodering ingevoerd; aanvankelijk
is van elke vijf vragenlijsten één voor de tweede keer gecodeerd en de afwijkingen
zijn vergeleken; later is de verhouding op 1 : 10 gesteld. In totaal zijn er 194
vragenlijsten gecontroleerd, dit is omstreeks 15% van het totaal. Er zijn gemiddeld
5,1 codeerfouten per
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
346
lijst gevonden, d.w.z. 3,3% van het totaal aantal coderingen (154) per vragenlijst.
Tabel 2.5.1 Spreiding van codeer-fouten over de negen codeurs
Table 2.5.1 Distribution of errors as made by the nine coders
Gecodeerde
vragenlijsten
Schedules coded
A
Gecontroleerde
Geconstateerde fouten
vragenlijsten
Errors
Check-coded
schedules
1
2
3
4
5
6
Aantallen PercentageAantallen PercentageAantallenAantallen per
Numbers van totaal Numbers van kolom
vragenlijst
Per cent
1
Numbers Number per
Percent of
interview-schedule
1
279
21,5
47
16,8
212
4,51
B
230
17,7
29
12,6
187
6,45
C
201
15,5
29
14,2
150
5,17
D
164
12,6
20
12,2
67
3,35
E
148
11,4
16
10,8
73
4,56
F
94
7,3
18
19,1
76
4,22
G
79
6,1
11
13,9
40
3,64
H
59
4,6
8
13,6
42
5,25
*
43
3,3
16
37,2
158
9,88
1.297
100,0
194
14,0
1.005
5,18
Codeur
Coder
I
Tabel 2.5.1 laat zien hoe de codeerfouten verdeeld zijn over de negen codeurs. Met
uitzondering van codeur I die ongeschikt bleek voor het werk en wiens werk
grotendeels is overgedaan, ligt het gemiddeld aantal fouten per vragenlijst ergens
tussen 3,35 (codeur D) en 6,45 (codeur B). Het feit dat het aantal fouten bij beide
codeurs, die grote aantallen hebben verwerkt (resp. 164 en 230) dermate verschillend
is, suggereert reeds dat het proces van coderen meer dan van het te coderen
materiaal van de persoonlijkheid van de codeur afhankelijk is geweest.
Een analyse der gemaakte ‘fouten’ toont eveneens dat het merendeel der
vergissingen door aandachtverslapping is veroorzaakt. Veel van deze fouten zijn
later opgespoord door middel van de consistentietests die consequent zijn toegepast:
nadat het materiaal gecodeerd werd, heeft men alle kolommen gesorteerd. Alle
kaarten die in andere regels ponsingen vertoonden dan op het codeschema
aangeduid zijn stuk voor stuk opgezocht, vergeleken met de vragenlijsten en
overgeponst. Hiernaast is ook de inherente-consistentiecontrole toegepast: twee of
meerdere kolommen zijn in correlatietabellen tegen elkaar uitgezet; b.v. de vraag
naar de rookgewoonten van de echtgenoten (73) heeft men vergeleken met de
*
Het werk van I werd grotendeels door anderen overgemaakt.
The work of I has been for a good deal done over again.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
347
vraag naar de burgerlijke staat (vraag 6); de vraag door middel waarvan men de
niet-rokers identificeerde (50) is consequent met alle vragen omtrent roken
vergeleken (de niet-rokers moesten immers in de meeste gevallen onder de categorie
‘niet van toepassing’ vallen). Hetzelfde is gedaan met de subcategorie van personen
die verklaarden geen alcoholische dranken te gebruiken en een aantal andere
vragen.
Het is gebleken dat de meeste codeerfouten op verwisseling van deze negatieve
antwoordcategorieën berustten: ‘niet van toepassing’, ‘niet gesteld’, ‘(rookt of drinkt)
nooit’, ‘niet ingevuld’.
Meer dan 4.000 kaarten zijn gedurende deze periode opgespoord en vernietigd
dank zij de systematische controle van de heer G.W. Gemert, van de Afdeling
Statistiek van het N.I.P.G. Niet alle fouten konden echter op deze wijze worden
geïdentificeerd. Daar waar de beide consistentietests faalden, bleek de ‘check-coding’
een waardevol hulpmiddel te zijn. Deze maakt het ons mogelijk de spreiding van
de codeerfouten over de variabelen te onderzoeken. Tabel 2.5.2 op blz. 348 geeft
een overzicht van de variabelen die meer dan 5% fouten hebben opgeleverd.
Uit de bovengenoemde tabel blijkt dat er veel fouten ontstaan zijn door het
samentrekken van meerdere vragen tot één ponsing of één index. Bij de
sociale-participatie-index moesten de codeurs een groter aantal, over de gehele
vragenlijst verspreide vragen inspecteren, aan de antwoorden een gewicht toekennen
en alle gewichten optellen tot een gezamenlijke index. Allicht is hier het aantal
verrichte handelingen medeverantwoordelijk voor het aantal fouten. Hetzelfde geldt
voor de variabelen ‘tevredenheid met de huisvesting’, ‘contact met
massacommunicatiemiddelen’, ‘drinkgewoontenpatroon’, ‘aanpassingsindex’ en
nog andere. Alweer bleek de ‘zuinigheid’ in het ontwerpen van de code (het streven
om het aantal kaarten per vragenlijst beperkt te houden) mede schuld hieraan: door
combinatie van antwoordcategorieën trachtten we soms zelfs drie vragen op een
kolom te plaatsen. Hierin zijn dan (bij het coderen van de ‘combinaties’) de meeste
fouten gemaakt. Naast de (zoals blijkt: verkeerde) zuinigheid was echter ook het
streven om tot een synthese van de over de drie ponskaarten verspreide informatie
te komen, medeverantwoordelijk voor het werken met gecombineerde variabelen.
Uit de tabel kunnen we eveneens zien dat sommige variabelen aanzienlijk zijn
gecorrigeerd na het testen van de consistentie der antwoorden. Het feit dat enkele
variabelen met een groot aantal codeerfouten (variabelen 1, 2, 4, 5, in Tabel 2.5.2)
aan de correctie zijn ontsnapt, is te verklaren uit het feit dat niet alle vragen voor de
correctie vatbaar waren: wij beschikten over geen additionele informatie, behalve
die vermeld in kolom twee van de tabel, om deze vragen mee te vergelijken. Terwijl
de
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
348
Tabel 2.5.2 Variabelen gekenmerkt door meer dan vijf percent
codeerfouten
Table 2.5.2 Variables with more than five per cent coding mistakes
Variabele
Variable
1.
Vraag no.
Aantal
Question no.Number
Woondichtheid 34,35
36
Percent van Gecorrigeerd
de 194
na
gecontroleerdeconsistentievragenlijstentests
Corrected
Per cent of after the
the 194
consistency
checkcoded tests
interview
schedules
18,5
-
Housingdensity
2.
Sociale
31,146-150 35
participatie
Social
participation
18
-
3.
Het leren
roken
Source of
smoking
habits
27
14
48
4.
Tevredenheid 35,38,42
huisvesting
Satisfaction
with housing
26
13
-
5.
Bronnen van 76
informatie
Sources of
information
20
10
-
6.
Dagritme
86b
van drinken
20
10
11
Contact
151,153,156 20
communicatiemiddelen
Contacts
with radio,
television
etc.
10
-
65,66
Daily rhythm
of drinking
7.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
8.
Roken
73
echtgeno(o)t(e)
19
10
15
Smoking of
wive or
husband
9.
Hygiënisch 32
inzicht
Elementary
knowledge
of hygiene
18
9
6
10.
Drinkgewoonten- 84,94,100
patroon
Drinkingpattern
18
9
35
11.
Beroepsgroep 9
16
8
7
16
8
1
Occupational
category
12.
Financiële 19
vooruitgang
Financial
progress
13.
Opleiding
Education
5
15
8
1
14.
Wat men
drinkt
Beverage
preferred
84
15
8
21
15.
Persoonlijkheids- 136,138,139 15
evenwicht
Symptoms
of lack of
well-being
8
-
16.
Levensgerichtheid
Purpose of
life
137
15
8
-
17.
Pessimisme 117
- optimisme
14
7
4
Pessimismoptimism
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
18.
Vroegere
64
rookgewoonten
13
7
-
Earlier
smoking
habits
19.
Hoeveelheid 57
gisteren
gerookt
Actual
tobacco
consumption
13
7
-
20.
Aanleiding 54
om meer te
roken
Motives to
smoke more
than usually
12
6
31
21.
Beroep
vader
Father's
occupation
10
12
6
4
22.
Mocht men
roken
Parents'
attitude to
smoking
67
12
6
75
23.
Bezwaren
83
roken zoons
12
6
-
Attitude to
smoking of
sons
24.
Bezwaren
roken
dochter
Attitude to
smoking of
daughters
83
11
5,5
-
25.
Was41
gelegenheid
in huis
Sanitary
equipment
11
5,5
-
26.
Huishuur
Rent of
house
11
5,5
1
34,35
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
349
variabele ‘van wie het roken geleerd’ kon worden vergeleken met de vraag of men
thans of vroeger heeft gerookt, stond de vraag naar het aantal personen per vertrek
b.v. geheel ‘geïsoleerd’ in de vragenlijst.
Terwijl dus niet alle foutief gecodeerde variabelen, die door de ‘checkcoding’ zijn
ontdekt bij de controle op de consistentie zijn opgevangen, waren er, aan de andere
kant, ook variabelen als foutief gesignaleerd door middel van de consistentietest,
die niet tijdens de controlecodering waren ontdekt. Dit is te verklaren uit het feit dat
de ‘check-coding’ rechtstreeks van het begin af is ingesteld en noch bij het coderen
noch bij het controlecoderen de differentiatie tussen de onderscheiden negatieve
categorieën (‘niet ingevuld’, ‘niet van toepassing’ enz.) consequent is doorgevoerd.
De belangrijkste correcties uitgevoerd door middel van consistentietests betreffen
dan het aanbrengen van een nieuwe ponsing voor de categorie ‘niet ter zake doende’
waaronder de personen vielen die verklaarden niet-rokers en geheelonthouders te
zijn. Deze differentiatie tussen de niet gestelde vragen en vragen ‘niet ter zake
doende’ is vooral aangebracht bij de vragen 62 (237 correcties) en 63 (234 correcties)
naar de vroegere rookgewoonten en naar de moeilijkheden die men ondervond bij
de poging om op te houden met roken. Alle vragen verband houdend met roken zijn
zodoende gecontroleerd: 50a: ‘hoe men rookt’ (64 correcties); 51: ‘hoeveel?’ (14
correcties); 53: ‘hoe laat men met roken begint’ (88 correcties) enz. tot vraag 80 (41
correcties). Wat het drinken betreft bracht vraag 86b: ‘wanneer men meestal drinkt’,
het grootste aantal correcties op (51), gevolgd door vraag 94 (44 correcties); vrijwel
alle vragen vanaf 86b tot 101 zijn op deze wijze gecorrigeerd.
Tenslotte willen we t.a.v. het betrekkelijk hoge foutenpercentage in Tabel 2.5.2
op het volgende wijzen: 1. de eerste twee variabelen (woondichtheid en sociale
participatie) zijn vooral door de telfouten slecht gecodeerd; daar de vergissingen in
de meeste gevallen echter een of twee teleenheden betreffen en daar het om een
groot aantal subcategorieën gaat, blijken de codeerfouten minder zware
consequenties te hebben voor het analytisch werk waarvoor zij zijn bestemd dan
de hoge foutenpercentages (18,5% en 18%) schijnen te suggereren; 2. de variabelen
die op de combinatie van meerdere vragen berusten, bevatten eveneens een groot
aantal subcategorieën; het hoge percentage fouten deed ons afzien van gebruik
van verfijnde analytische technieken; zij werden in twee- of driedelingen door middel
van eenvoudige Chi-kwadraattests bewerkt; 3. het hoge percentage fouten bij
sommige eenvoudige vragen met beperkt; 3. het hoge percentage fouten bij sommige
eenvoudige vragen met beperkt aantal antwoordcategorieën (naar financiële
vooruitgang - vraag 19; naar vroegere rookgewoonten - vraag 64; hygiënisch inzicht
- vraag 32; en enkele andere) werd veroorzaakt door het feit dat bij deze vragen
nogal veel losse opmerkingen van de ondervraagden zijn genoteerd, die zich niet
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
350
lieten dwingen in ons van tevoren voorgeschreven antwoordpatroon; deze
opmerkingen hadden de enquêteurs volgens instructie letterlijk genoteerd; door ze
terug te vertalen in de antwoordcategorieën hebben de codeurs nogal uiteenlopende
resultaten bereikt; de nadere inspectie door de onderzoeksleider heeft echter
aangetoond dat het hier meestal om gevallen van rationalisatie ging en dat de fouten
meestal betroffen de middelste subcategorie en niet de beide belangrijkste uiteinden
van een variabele; 4. de vraag naar de rookgewoonten van echtgenoten bleek
slechts voor de rokers betrouwbare resultaten te hebben opgeleverd; door de
ongelukkige plaats op de interviewlijst is zij bij de gesprekken met nietrokers vaak
overgeslagen. De vraag naar de bronnen van informatie omtrent het verband
roken-longkanker bevatte meerdere combinaties. De indeling van beroepen in de
beroepsgroepen is door de niet uitgewerkte code met veel ‘fouten’ gepaard gegaan;
5. zonder de codeerfouten te willen ‘goedpraten’ moeten we er tevens op wijzen
dat de door ons in Tabel 2.5.2 besproken 26 variabelen slechts een deel zijn van
de meer dan 150 variabelen bij ons onderzoek betrokken, waarvan de meeste met
minder fouten zijn bewerkt en dat de validiteitstest (de vergelijking van de
steekproefresultaten met de C.B.S.-gegevens) niet slechts de betrouwbaarheid van
het enquêteren, maar tevens die van het coderen meet. Desondanks zullen we bij
de bespreking en de interpretatie van de niet gecorrigeerde variabelen in de Tabel
2.5.2 terdege met een afwijking rekening moeten houden; de zojuist gegeven
toelichting kan als leidraad dienen bij het zoeken naar de richting en afmeting van
deze afwijking.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
351
2.6 Constructie van meetschalen en meetindices
Teneinde de inconsistentie in het beantwoorden der vragen en andere fouten die
aan de afzonderlijke vragen kleefden op te vangen, hebben we ernaar gestreefd
meerdere vragen telkens samen te trekken tot één variabele. Een andere reden
hiervoor was de wenselijkheid om het materiaal te quantificeren. Want het invoeren
van kwantitatieve variabelen maakte het gebruik van de moderne verfijnde statische
technieken mogelijk en zou ons tevens helpen het effect van ‘clustering’ op te
vangen.
Op de eerste plaats trachtten we een aantal unidimensionele meetschalen van
het Guttman-type te construeren. In combinatie met een methode die het ons mogelijk
zou maken de reeksen van intergecorreleerde factoren aan te geven (de
matrijsanalyse, zie verder), dachten we in de schaalanalyse een volwaardig alternatief
te vinden voor de constructie van schalen volgens de correlatieve methode (‘principle
component analysis’) en de factoranalyse. Indien mogelijk, zouden de beide
benaderingswijzen bij ons onderzoek worden vergeleken en op hun merite voor de
sociologische methodologie beoordeeld.
De constructie van schalen bleek nogal een omslachtig proces te zijn. In principe
1
is de werkwijze van Ford gevolgd ; de criteria van unidimensionaliteit van Ford zijn
aangevuld met het criterium van de verwachte reproduceerbaarheid (‘reproducibility
2
by chance’) zoals uitgewerkt door Toby en Moore en door Green . Greens index
van consistentie, die wij meerdere keren hebben berekend, bleek ook bij de schalen
die aan alle andere criteria voldeden iets te hoge eisen aan ons materiaal te stellen;
de verkregen waarden naderden .50, maar overschreden deze kritieke waarde niet.
Teneinde onze werkwijze te illustreren, willen we hier de schaal bespreken die
ontworpen is om de houding van de bevolking t.o.v. het alcoholgebruik te meten.
Vragen 84 t/m 108 van onze vragenlijst (zie Bijlage 1) boden een ruime keus om
te zoeken naar stimuli, die in een unidimensionele schaal te ver-
1
2
Robert N. Ford, ‘A rapid scoring procedure for scaling attitude questions’, Public Opinion
Quarterly, Fall 1950, blz. 507-532.
M. Riley et al. Sociological Studies in Scale Analysis Rutgers University Press, 1954; vooral
hoofdstuk XIII van Marcia L. Toby en Mary Moore, ‘Object scale procedure, using hand
tabulation’.
B.F. Green, ‘A method of scalogram analysis using summary statistics’, Psychometrika, Vol.
21, No. 1, March 1956, blz. 79-88.
Zie ook B.W. White, E. Saltz, ‘Measurement of reproducibility’ in Psychological Bulletin, Vol.
54, No. 2, maart 1957, blz. 81-99.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
352
werken waren. Door middel van semantische analyse van de inhoud, alsmede met
met behulp van de beoordeling van de spreiding der antwoorden (men moest immers
de vragen trachten te vermijden, die de bevolking in de al te ongelijke groeperingen
verdeelden), en van de intercorrelatie, werd tenslotte een zevental vragen uitgekozen,
te weten vragen no.'s 100a, 100b, 103a, 103b, 103d, 103f en 108. Deze zijn hierna
gedichotomiseerd, d.w.z. de antwoordmogelijkheden zijn bij elke vraag
samengetrokken tot twee (dus b.v. een positief antwoord op de vraag en de
resterende antwoorden, of een negatief of neutraal antwoord en de resterende
responsies). Hierna zijn de vragen gerangschikt in twee groepen van zes (daar de
Fordtechniek van bewerking bij een hoger aantal vragen moeilijk toepasbaar is),
waarbij de vragen 103f, 103a als alternatieve vervangvragen dienden (de groepen
waren identiek op deze vragen na). Vervolgens werden de vragen gerangschikt in
de volgorde van ‘moeilijkheid’: de vragen, die semantisch de ergste aspecten van
het alcoholgebruik beschreven en tevens door het grootste percentage van de
steekproef werden verworpen, kwamen bovenaan te staan, de minder negatieve
stimuli (met lager percentage van verwerping van het omschreven gedrag) volgden
onder aan. Tabel 2.6.1 geeft dit beeld weer.
Eenmaal gerangschikt werden de twee batterijen van vragen gesorteerd en werden
hieraan scores toegeschreven volgens het procédé voor de Hollerith-bewerking
ontworpen door Ford. Reeds bij de eerste inspectie is gebleken dat de stimulus C
niet voldeed aan de criteria van monotonische schalen. Deze werd daarom
verwijderd; van de alternatieve stimulus A' werd geen gebruik gemaakt. De
resterende vijf vragen bleken redelijk goed aan de criteria te voldoen:
I. het totaal aantal fouten zou minder zijn dan 10%; dit bleek bij deze schaal 6,7%;
II. het aantal fouten per negatieve en positieve categorie zou in geen geval de helft
van de antwoordmogelijkheden in de desbetreffende categorieën overschrijden; in
ons geval treft men de meeste fouten in de (positieve) categorie bij de stimulus F
(vraag 103d: ‘Zoudt U het erg vinden ... elke dag voor of na tafel een glas dronk’?);
het percentage ‘fouten’ bedroeg hier 39%; III. geen enkele vraag zou in haar positieve
en negatieve antwoordcategorieën te zamen meer dan 15% ‘fouten’ bevatten; aan
dit criterium is niet geheel voldaan daar dezelfde vraag als sub II vermeld, 20%
fouten leverde; IV. de fouten zouden over alle scores evenredig verdeeld moeten
zijn, er zou geen al te grote concentratie van fouten in een bepaalde score moeten
optreden; bij ons voorbeeld treffen we het hoogst aantal fouten bij score 19 aan:
6,2%, d.w.z. iets boven de gestelde norm van 5%.
Daar de oorspronkelijke ‘vuistregels’ van Guttman twijfel overlieten of
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
353
Tabel 2.6.1 Vragen gebruikt bij de constructie van de schaal naar de
houding t.o.v. het alcoholgebruik
Table 2.6.1 Questions measuring the attitude towards drinking
Vraag no.
Question no.
A 103a
Omschrijving AntwoordSpecification categorie
Response
category
Zoudt U het erg ja
vinden als
yes
iemand van Uw
gezin of familie
zo nu en dan
dronken was?
Would you
mind if
someone of
your family was
drunken, now
then?
rest
the rest
B 103b
... nu en dan
ja
aangeschoten yes
was?
... slightly
intoxicated?
rest
the rest
C 108a
‘Het zich
het minst erg
stiekem thuis the least
bedrinken.’
objectionable
‘Secret drinking
at home.’
rest
the rest
D 100b
Hoeveel
minder dan 4
glaasjes mag less than 4
een vrouw op
een avond
drinken?
How many
glasses may a
woman drink in
an evening?
rest
the rest
Percentage
Totaal
responsies
Total
Percentage of
answers
85,4
1.108
14,6
189
68,2
885
31,8
412
59,4
527
40,6
770
54,4
706
45,6
591
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
E 100c
Hoeveel
minder dan 5
glaasjes mag less than 5
een man op
een avond
drinken?
How many
glasses may a
man drink in an
evening?
40,7
529
59,3
768
29,9
388
rest
the rest
70,1
909
Zoudt U het erg neen 40
vinden ... uit
no
principe
helemaal niet
dronk?
Would you
mind ... if he,
on principle, did
not drink at all?
85,9
1.114
rest
the rest
14,1
183
rest
the rest
F 103d
Zoudt U het erg ja
vinden als
yes
iemand van Uw
gezin of familie
elke dag voor
of na tafel een
glas dronk?
Would you
mind if
someone of
your family took
a glass at table
every day?
Alternatieve stimulus:
Alternative stimulus:
A' 103f
1
de door ons gekozen vragen tot één en dezelfde genotypische basis teruggebracht
konden worden, hebben we nog de verkregen coëfficiënt van reproduceerbaarheid
van Guttman vergeleken met de verwachte repro-
1
Zie voor de omschrijving van dit begrip Clyde H. Coombs, ‘Theory and Methods of Social
Measurement’, hoofdstuk II, in L. Festinger, D. Katz, Research Methods in the Behavioral
Sciences, New York, 1953, blz. 488-9; ook W.S. Torgerson, Theory and Methods of Scaling,
New York, 1958.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
354
duceerbaarheid, zoals deze door Green en Toby en Moore is uitgewerkt. Guttmans
coëfficiënt bedroeg in het geval van de schaal naar de houding t.o.v. het
alcohologebruik .933, de verwachte reproduceerbaarheid was .868. Indien we beide
coëfficiënten gebruiken om de z.g. index van consistentie (I) te berekenen, dan
verkrijgen we
Alweer bemerken we dat de schaal de waarde van I ≥ .50 nadert, door Green
genoemd als de grens van ‘scalability’. Het is waarschijnlijk aan vraag 103d te wijten
dat onze schaal, bevattende vijf stimuli, slechts matig homogeen genoemd mag
worden. Aan de andere kant bleek de betrouwbaarheid (reliability) die we met behulp
1
van Zetterbergs formule berekend hebben zeer hoog te zijn, nl. .96 .
Teneinde de niet ingewerkte lezer een indruk te geven van de wijze waarop de
bovengenoemde criteria zijn toegepast en waarop de respondenten uiteindelijke
scores verkregen, geven we in Tabel 2.6.2 de belangrijkste gegevens van de z.g.
working-sheet weer.
De alternatieve vraag (‘Zoudt U het erg vinden als iemand uit Uw gezin of familie
uit principe helemaal niet dronk?’) werd reeds uit semantische overwegingen
verworpen. De houding ten opzichte van alcoholgebruikers leek ons toch verschillend
van de houding t.o.v. de geheelonthouders. Bij de toepassing van de Guttmans
criteria van unidimensionaliteit en door middel van de berekening van de
consistentie-index bleek ons ook, dat we geen verbetering van de homogeniteit van
ons meet-instrument via deze weg konden verwachten. Terwijl de alternatieve schaal
aan alle criteria van Guttman (I t/m IV) bleek te voldoen, was de index van
consistentie lager dan bij de eerstgenoemde schaal, nl. I = 0,41.
Het is ons herhaaldelijk gebleken dat de ‘duimregels’ van Guttman niet geheel
overeenstemmen met de indices van consistentie of homogeniteit
1
We gebruikten de formule
waarbij
ta = de hoogst mogelijke score; tb = de laagst mogelijke score aan een persoon toegeschreven,
die wij ontleenden van H.L. Zetterberg, On Theory and Verification in Sociology, New York,
1954, blz.52.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
355
Tabel 2.6.2 Gewichten, antwoordpatronen en foutenverdeling bij de
1
schaal ‘houding t.o.v. alcoholgebruik’
Table 2.6.2 Scores, response-patterns, and errors of the ‘attitude to
drinking’-scale
Unieke scores AntwoordUnique scores patroon:
Response
pattern:
Stimuli:
ABDEF
Fouten in:
Errors in:
Totaal aantal
fouten
Total number of
errors
0
-----
negatieve
categorieën
negative
categories
0
1
+----
0
0
0
2
-+---
½
½
1
3
++---
0
0
0
4
--+--
0
1
1
5
+-+--
½
½
1
6
-++--
1
0
1
7
+++--
0
0
0
8
---+-
0
1
1
9
+--+-
0
1
1
10
-+-+-
1
1
2
11
++-+-
½
½
1
12
--++-
1
1
2
13
+-++-
1
0
1
14
-+++-
1
0
1
15
++++-
0
0
0
16
----+
0
1
1
17
+---+
0
1
1
18
-+--+
½
1½
2
19
++--+
0
1
1
20
--+-+
0
2
2
1
positieve
categorieën
positieve
categories
0
0
Deze tabel wijkt van de ‘scaling scheet’ van Ford af, in zoverre we ervan afzagen het aantal
fouten per vraag te noteren; wel hebben wij hieraan twee kolommen bevattende de laagst
mogelijke en de hoogst mogelijke gewichten toegevoegd; het zijn deze kolommen die in de
formule van precisie van Zetterberg als ‘ta’ en ‘tb’ opereren. Voor het gemak van de lezer
staat het antwoordpatroon symbolisch vermeld; daar elke vraag tweedelig is, kan hierop hetzij
een positief, hetzij een negatief antwoord verwacht worden. De +- en --tekens duiden aan
welke antwoordmogelijkheid werd gekozen. De vragen staan steeds in dezelfde volgorde van
links naar rechts in afnemende moeilijkheid (dus A, B, D, E, F in de termen van Tabel 2.6.1).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
21
+-+-+
1
1
2
22
-++-+
1½
½
2
23
+++-+
½
½
1
24
---++
0
2
2
25
+--++
1
1
2
26
-+-++
2
0
2
27
++-++
1
0
1
28
--+++
2
0
2
29
+-+++
1
0
1
30
-++++
1
0
1
31
+++++
0
0
0
Unieke scores Frequentie
Unique scores Frequency
0
105
Gewichten:
Scores:
laagst mogelijk hoogst
mogelijk
lowest possiblehighest
possible
0
0
1
89
1
1
1
2
1
0
2
2
3
222
3
3
2
4
27
0
0
0
5
38
1
3
3
6
2
3
3
3
7
110
3
3
3
8
5
0
0
0
9
3
1
1
1
10
0
0
4
2
11
32
2
4
2
12
26
0
4
4
13
52
4
4
4
14
1
4
4
4
15
199
4
4
4
16
11
0
0
0
17
28
1
1
1
18
1
0
2
2
19
80
2
2
2
20
5
0
0
0
werkelijk
toegekend
actual score
0
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
21
10
1
5
3
22
1
3
5
3
23
39
3
5
3
24
2
0
0
0
25
1
1
5
1
26
0
5
5
5
27
11
5
5
5
28
1
5
5
5
29
11
5
5
5
30
0
5
5
5
31
184
5
5
5
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
356
zoals door de latere onderzoekers ontwikkeld. Schalen die geheel aan Guttmans
criteria voldoen blijken lage consistentie te hebben of omgekeerd, zoals in het
aangehaalde voorbeeld: schalen die de kritieke waarde van I = .50 behalen, voldoen
niet aan overige criteria. Hoe dan ook, het bleek dat er uit ons materiaal slechts met
moeite enkele unidimensionele variabelen konden worden gedistilleerd, die aan de
1
meeste criteria voldeden .
Wellicht is dit te wijten aan het feit dat wij bij de keuze van onze variabelen niet a
priori de vragen formuleerden die in een schaal zouden passen doch de
schaalconstructie gebruikten als een der methoden die eenheid zou helpen
ontdekken in de fenotypische (manifeste) verscheidenheid. Om te verduidelijken:
door de vragen te formuleren als volgt: ‘Hebt U gisteren alcohol gebruikt?’, ‘Hebt U
de afgelopen week alcohol gebruikt?’, ‘Hebt U deze maand alcohol gebruikt?’, ‘Hebt
U gedurende het laatste jaar tenminste een keer alcohol gebruikt?’ verkrijgt men
een schaal die in hoge mate ‘monotoon’ (cumulatief) is en over de homogeniteit
2
waarvan men haast niet behoeft te twijfelen . Wel kunnen we twijfelen over de
zinvolheid van deze wijze van schaalconstructie; het lijkt ons dat de betrouwbaarheid
van een dergelijke schaal slechts een schijnbetrouwbaarheid is, daar de
onderscheiden vragen slechts als varianten van een en dezelfde vraag kunnen
worden gezien. Met andere woorden, er bestaat haast geen verschil tussen de
manifeste en latente componenten van de schaal; de schaal brengt ons geen nieuwe
informatie, zij kan zonder de empirische toets analytisch (d.w.z. logisch noodzakelijk)
worden herleid.
In tegenstelling tot deze werkwijze hebben we vaak stimuli gebruikt die
ogenschijnlijk zeer verschillend waren; zo b.v. de vragen ‘Hoeveel glaasjes mag
een vrouw op een avond drinken?’ en ‘Zoudt U het erg vinden als iemand van Uw
gezin of familie nu en dan aangeschoten was?’ Het feit dat deze manifest
verschillende vragen een gemeenschappelijke latente structuur vertonen, draagt
o.i. bij tot onze kennis van de onderzochte samenleving, al heeft deze bijdrage door
verlies aan precisie (waarschijnlijk te wijten aan de toch nog te specifieke aspecten
van de vragen) ingeboet.
In enkele gevallen echter nam de verscheidenheid dermate de overhand boven
de gemeenschappelijke aspecten van de vragen dat het on-
1
2
Zie in dit opzicht b.v.I. Gadourek, J. Oorburg, L.T. van de Laar, ‘Involvement in cultural system
in the Netherlands: its measurement and social correlates’ in Social Forces, 40 no. 4 (1962),
blz. 302-307.
Deze vragen zijn in feite gebruikt en verwerkt in een schaal. Zie hierover de overigens
voortreffelijke studie van Erik Allardt, Tuoko Markkanen en Martti Takala, Drinking and Drinkers.
Three Papers in Behavioral Sciences, The Finnish Foundation for Alcohol Studies, Helsinki,
1957.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
357
Tabel 2.6.3 Vragen die gebruikt zijn bij de constructie van de schaal
naar de houding t.o.v. het roken en de rokers
Table 2.6.3 Questions devised to measure the attitude to smoking and
smokers
Vraag no.
Question no.
A 81d
A' 75
B 81f
Omschrijving AntwoordSpecification categorie
Response
category
‘Wie rookt weet niet eens
van het leven disagree
te genieten en
het beste ervan
te maken.’
‘The smoker
knows how to
enjoy life and
how to make
the best of it.’
‘Vindt U het
roken gezond
of ongezond?’
Do you find
smoking
healthy or
unhealthy?
Frequentie
Frequency
Percentage
Percentage
926
71,4%
rest
the rest
371
28,6%
ongezond, zo
zo
unhealthy, so,
so
1.026
79,1%
rest
the rest
271
20,9%
777
59,9%
520
40,1%
‘Of je roker
eens
bent of niet
agree
maakt geheel
niets uit.’
‘It does not
matter at all
whether you
smoke or don't.’
rest
the rest
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
C 83
D 81c
E 82a
‘Als U getrouwd
bent of later
gaat trouwen
zoudt U het
bezwaarlijk
vinden indien
Uw zoon
rookte? Zo niet,
op welke
leeftijd?’
‘If you are
married or think
to do so in the
future, would
you object
against the
smoking of
your son? If
not, at what
age would you
allow him to do
so?’
‘Rokers zijn net
kleine kinderen,
die zich een
pleziertje niet
kunnen
ontzeggen.’
‘Smokers are
just like little
children who
cannot abstain
from what
satisfies their
appetite.’
18 jaar en
ouder
18 years and
older
523
40,3%
rest
the rest
774
59,7%
eens, matig,
403
weet het niet
agree, almost
agree, does not
know
31,1%
rest
the rest
894
68,9%
328
25,3%
969
74,7%
‘Flinke en
eens
verstandige
agree
mensen roken
niet.’
‘Strong and
wise people do
not smoke.’
rest
the rest
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
F 82a
‘Hoe ziet U de
niet-rokers?’
‘How do you
see the
non-smokers?’
als flinke
mensen met
een sterke wil
as strong
people with a
strong will
197
15,2%
rest
the rest
1.100
84,8%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
358
mogelijk bleek een homogene schaal te construeren. Wij kunnen dit illustreren aan
de hand van onze poging om de houding t.o.v. het roken te peilen. Zoals uit Tabel
2.6.3 blijkt, zijn er niet minder dan zeven stimuli in het proces van schaalconstructie
betrokken geweest; deze vertegenwoordigen dan slechts een keuze uit nog meer
mogelijkheden, ons door de vragen 50 t/m 83 geboden. De hoogste
intercorrelatiecoëfficiënten speelden alweer een belangrijke rol bij de voorselectie
van de stimuli. Bij de toepassing van Fords techniek bleek dat vraag A een lagere
mate van reproduceerbaarheid tot stand bracht dan een alternatieve schaal met de
stimulus ‘Vindt U het roken gezond of ongezond?’ Deze laatste vraag werd uiteindelijk
gebruikt. Vraag B (‘Of je roker bent of niet maakt geheel niets uit’) bleek evenmin
in het schaalpatroon te passen en werd geelimineerd. De resterende vijf vragen
gaven een schaal met coëfficiënt van reproduceerbaarheid .904. De score 5 bevatte
echter 8,5% fouten (tegen de toelaatbare 5%) en de verwachte reproduceerbaarheid
was .88. De coëfficiënt van consistentie was als gevolg hiervan bijzonder laag, nl.
I = .20.
Het was bij de constructie van deze schaal dat we voor de eerste keer gebruik
maakten van een alternatieve bewerkingsmethode, die door Drs. Ch.A.G. Nass
werd ontworpen (zie Aanhangsel). Dezelfde vragen (als in Tabel 2.6.3 vermeld) zijn
zowel bij de constructie van een schaal van Guttmans type als bij de iteratieve
statistische methode gebruikt, die de hoofdcomponenten van een aantal variabelen
zoekt langs de weg van de langste correlatie-as. Zoals uit het Aanhangsel blijkt
heeft ook deze methode tot een gelijkluidend, hoewel negatief, resultaat geleid. De
langste as duidde niet in de richting van de door ons gezochte variabele.
Indien men zich beperkt tot de stimuli van vraag 81 dan bemerkt men dat de
langste as de volgende rangorde hierin aanbrengt:
rangorde
vraagno.
uitspraken
81f
score voor ‘niet
eens’
35
1
2
81e
59
‘Flinke en
verstandige
mensen roken niet.’
3
81c
75
‘Rokers zijn net
kleine kinderen, die
zich een pleziertje
niet kunnen
ontzeggen.’
4
81d
84
‘Wie rookt weet van
het leven te
genieten en er het
beste van te
maken.’
5
81a
267
‘Sommigen zeggen
dat je nog een klein
kind bent als je niet
rookt.’
‘Of je roker bent of
niet maakt geheel
niets uit.’
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
6
81b
303
‘Anderen zeggen
dat het stom zou
zijn om niet te roken
daar haast iedereen
het doet.’
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
359
Het zou mogelijk zijn in de volgorde van de stimuli een aanduiding te zien voor het
bestaan van een latente polaire structuur die overeenkomt met de positieve en de
negatieve houding t.o.v. het roken, indien stimulus 81f er niet was, die semantisch
niet in overeenstemming kan worden gebracht met de aangrenzende stimuli ‘e’ en
‘c’. Al willen we geen vèrstrekkende conclusies trekken uit de negatieve resultaten,
het valt toch op dat de rangorde hier door dezelfde stimulus is verstoord die ook
tijdens de schaalconstructie verwijderd moest worden.
Daar de correlatietechnieken bij uitstek geschikt zijn voor meerdimensionele
analyses, kunnen we de vraag stellen naar de voortgezette ontleding van de latente
1
dimensies . De tweede langste as kwam dan ook beter overeen met het
veronderstelde patroon van de polaire houding t.o.v. het roken:
vraagno.
81f
rangorde
6
scores
-63
81e
1
72
81d
5
-36
81c
2
41
81b
4
-27
81a
3
-14
De positieve scores krijgt men voor het verwerpen van beide uitspraken die
denigrerend zijn t.o.v. de rokers en overdreven positief zijn t.o.v. de niet-rokers. De
negatieve scores duiden een negatieve houding t.o.v. het roken aan. Degene die
het niet eens is met de uitspraak ‘Of je roker bent of niet maakt geheel niets uit’,
toont immers kenmerken van onverdraagzaamheid t.o.v. de rokers, staat aan de
meest negatieve kant van de schaal. Andere stimuli kunnen inderdaad om
semantische redenen als tussenwaarden van de schaal worden beschouwd.
Nadat de statisticus een polaire dimensie heeft gevonden die inderdaad in de
richting wijst van een affectieve houding t.o.v. het roken, kan hij de inlichtingen,
gewonnen door middel van andere stimuli, correleren met de verkregen dimensie.
Vraag 82 (uitspraken over de niet-rokers) en vragen 83a en 83b leenden zich hiertoe
bij uitstek. Op deze wijze is een schaal ontstaan die de gegevens verwerkt van niet
minder dan negen stimuli (zie Aanhangsel).
Samenvattend kunnen wij stellen dat zowel de schaalanalyse als het zoeken naar
een schaal in de vorm van de langste as van een correlatiematrix tot gelijkluidende,
hoewel negatieve, resultaten hebben geleid. De van tevoren gekozen
responsie-eenheden bleken niet unidimensioneel te
1
Ook deze beschouwing is ontleend aan de bewerking van Drs.Ch.A.G.Nass. Voor een nadere
uiteenzetting wordt de belangstellende lezer verwezen naar het Aanhangsel.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
360
zijn in de termen van Guttmans criteria en van het consistentiecriterium van Green.
Dezelfde stimuli, bewerkt door middel van een iteratieve analyse, gaven in eerste
instantie een rangorde van waarden die niet overeenkwam met de gezochte houding
tegen het roken of de rokers. Pas de tweede dimensie kon met deze houding worden
geïdentificeerd.
Hierin zien we tevens een methodologische winst van de
iteratieve-correlatie-analyse boven de schaalanalyse: wij kunnen immers meerdere
latente dimensies opsporen.
Dit neemt echter niet weg dat de vraag naar de validiteit, de vraag ‘Wat meten
wij eigenlijk met deze schaal?’ onze gemoederen blijft bezighouden bij de verdere
ontleding van onze gegevens. Een van de wegen om de validiteit van de schaal te
onderzoeken is het nagaan of de correlaties met deze schaal een zinvol beeld geven
en met de overige informatie in een theorie zijn te voegen. Significante samenhangen
zijn gevonden met de aanvaarding van kennis over de relatie ‘roken-longkanker’,
met de intensiteit van eigen rookgewoonten, met de houding t.o.v. het drinken. Dit
duidt aan dat de schaal inderdaad met de houding t.o.v. het roken of de rokers te
maken heeft. Waar heeft echter deze schaal nog mee te maken? Een kritische
methodologische vraag doet zich voor, of de eerste, door de iteratieve analyse
gesignaleerde, dimensie niet een basisvertekening van alle sociologische
enquêtegegevens aanduidt: de mate van bereidheid om inlichtingen te verstrekken
en eigen gevoelens aan de enquêteur kenbaar te maken. Voordat we echter op dit
vraagstuk van validering nog dieper ingaan, dienen we een en ander te vermelden
over de volgende stap in de bewerking der gegevens, de statistische analyse.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
361
2.7 Statistische bewerking
Zowel klassieke (parametrische) als verdelingsvrije methoden werden toegepast
om significante verbanden tussen de afzonderlijke variabelen aan te tonen. Het
materiaal leende zich hier goed voor: leeftijd, intensiteit der rookgewoonten, intensiteit
en frequentie der drinkgewoonten, gebruik van koffie, van versnaperingen konden
zonder meer als kwantitatieve variabelen worden beschouwd. Het bleek mogelijk
door middel van de analyse der covariantie de gemiddelde waarde (mediaan) van
deze variabelen te berekenen voor allerlei kwalitatieve categorieën zoals
kerkgenootscha, woonstreek, positieve of negatieve houding, gemeente. Het verschil
tussen de gemiddelden binnen de categorie alsmede de variantie van de
gemiddelden in twee of meerdere categorieën kon worden onderzocht en de
significantie hiervan berekend. Op deze wijze is ook het clustering-effect
gecorrigeerd, dat door de opbouw van de steekproef in twee stappen was
veroorzaakt.
Hiervoor heeft Drs. Ch.A.G. Nass ons twee formules gegeven die het mogelijk
maken de standaarddeviatie van een proportie te schatten met inachtneming van
de invloed van de woongemeente; dit zowel voor de steekproef getrokken uit de
grote steden (met 100.000 inwoners en meer), als voor de steekproef getrokken uit
de 71 kleinere gemeenten. Voor de steden (A-gemeenten) luidde de formule als
volgt:
(1)
Hier is:
x index voor een onderzocht aspect, b.v.: ‘roker’;
y index voor een ander aspect, b.v.: ‘boven 20 jaar’;
px/py schatting van het aantal personen in alle A-gemeenten met eigenschap y.
Als eigenschap x eigenschap y insluit dan is dit een schatting van de fractie
x-personen onder alle y-personen.
Verder:
waarbij Cixy is covariantie van de eigenschappen x en y in gemeenten i. Hij wordt
als volgt berekend:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
362
indien de eigenschap x de eigenschap y insluit dan wordt deze laatste formule:
waarbij
Mi is het aantal proefpersonen per gemeente, dat uit de dossiers moest worden
getrokken;
fix is het aantal personen met eigenschap x onder de Mi personen uit de gemeente
i;
pix = fix/Mi de fractie voor de personen met eigenschap x in de gemeente i;
M is het aantal personen te kiezen uit de grote steden, nl. 742 personen;
fx = fixhet aantal personen met eigenschap x onder M (742 potentiële
respondenten);
2
ix
s
= fix(Mi - fix)/Mi(Mi - 1) is de variantie van eigenschap x in gemeente i.
fixy is het aantal personen in gemeente i die zowel eigenschap x als eigenschap y
hebben. Als iedere persoon met eigenschap x (boven 20 jaar en roker) noodzakelijk
ook eigenschap y (boven 20 jaar) heeft, dan geldt fixy = fix.
Voor de kleinere plaatsen, waar immers een vaste quota per gemeente werd
getrokken (20 personen), gold eveneens de formule voor de variantie van proportie
(1). De onderscheiden leden werden echter als volgt berekend:
Notaties:
n = 71 kleinere gemeenten:
m = 20 personen, het aantal personen per gemeente;
i = 1, 2, ..., 71;
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
363
fix = het aantal personen met eigenschap x onder de m proefpersonen van gemeente
i;
pix = fix/m;
px = fx/nm = Σ pix/n.
Tenslotte kon de informatie verkregen door middel van beide methoden worden
gecombineerd met gebruik van de formule
waar (2)
een proportie in beide steekproeven te zamen; dus aantal rokers gedeeld door
aantal personen boven 20 jaar onder de 1.297 proefpersonen;
W is dan het aantal proefpersonen in beide steekproeven;
Wa en Wb het aantal proefpersonen in elke steekproef afzonderlijk;
Var qa en Var qb: variantie van de proportie in elke steekproef afzonderlijk.
Met behulp van deze methode was het ons mogelijk om voor de gevonden proporties
de overschrijdingskansen te bepalen en op deze wijze tot verantwoorde uitspraken
te komen niet slechts over de 1.297 personen in onze steekproef, maar over de
ganse Nederlandse bevolking. Hiernaast werd het ons mogelijk reeds tot de
opsporing van causale verbanden over te gaan, door de gevonden proporties met
de desbetreffende standaardfouten met elkaar statistisch te vergelijken. Dit alles,
men vergeve ons de herhaalde beklemtoning, met de correctie voor de steekproeffout
ontstaan door het trekken van de steekproef uit de (eveneens getrokken)
Nederlandse gemeenten, in plaats vanuit het ganse universum. Laten we de
toepassing van de bovenvermelde formules aan een enkel voorbeeld illustreren.
De vraag waarop wij door middel van de variantie-analyse een antwoord hopen
te verkrijgen, betreft de schatting van de proportie van de niet-rokers onder de
volwassen Nederlandse bevolking; als hypothese nemen wij aan dat er in de grote
steden significant meer rokers zijn dan in de gemeenten met minder dan 100.000
inwoners. Wij stellen in de eerste plaats twee tabellen op bevattende de percentages
rokers en het te interviewen aantal personen in de afzonderlijke gemeenten, alsmede
andere nodige cijfers, die wij zullen gebruiken in de variantieformule. Eén tabel is
opgesteld voor de kleinere, een andere voor de grotere gemeenten:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
364
Tabel 2.7.1 Spreiding van rokers en personen boven 20 jaar over de
grote steden, in onze steekproef
Table 2.7.1. Respondents in the original sample from the cities; by
smoking habits and age
Gemeente:1
Community:Mi
2
fix
3
Mi - fix
4
fiy
5
Mi - fiy
6
7
2
Mis ix
2
Mis iy
Amster- 174
dam
83
91
123
51
43,659 36,260 24,468
Apeldoorn
7
13
9
11
4,789
5,211
4,053
Arnhem 24
10
14
11
13
6,087
6,217
5,652
Breda
20
8
12
11
9
5,053
5,211
3,789
Eindhoven
32
12
20
22
10
7,742
7,097
3,871
Enschede 24
9
15
18
6
5,869
4,696
2,348
's-Graven- 122
hage
41
81
71
51
27,446 29,926 17,281
Groningen
28
11
17
16
12
6,926
7,111
4,889
Haarlem 34
14
20
21
13
8,485
8,273
5,515
Hilversum 20
11
9
15
5
5,211
3,947
2,895
Nijmegen 24
5
19
10
14
4,130
6,086
3,043
Rotter- 144
dam
42
102
87
57
29,958 34,678 16,741
Tilburg 26
7
19
13
13
5,320
6,760
3,640
Utrecht 50
23
27
39
11
12,673 8,755
5,163
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Som
742
283
459
466
276
173,348 170,228 103,348
20
-----
8
MiCixy
Sum
total
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Daar het gevonden percentage rokers in de steekproef getrokken uit de grote steden
60,7% was, kunnen we stellen dat het werkelijke percentage rokers onder de
volwassen bevolking in de gemeenten met meer dan 100.000 inwoners tussen
56,2% en 65,2% is. De kans dat het buiten dezen grenswaarden ligt is kleiner dan
5%.
Voor de kleinere gemeenten hebben we de volgende tabel samengesteld:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
365
Tabel 2.7.2 Spreiding van rokers en van personen boven 20 jaar uit onze
steekproef over de 71 kleine woonplaatsen
Table 2.7.2 Respondents in the original sample from smaller
communities; by smoking habits and age
Gemeenten: 1
Community: fix
2
3
fiy
4
Akersloot
11
121
18
324
198
Almelo
6
36
10
100
60
Amersfoort
7
49
12
144
84
Assendelft
8
64
15
225
120
Barneveld
9
81
15
225
135
Bergen
4
16
10
100
40
Bloemendaal 6
36
12
144
72
Boskoop
5
25
11
121
55
Budel
3
9
7
49
21
Culemborg
4
16
9
81
36
Delft
9
81
14
196
126
Deventer
8
64
13
169
104
Domburg
12
144
20
400
240
Dordrecht
4
16
9
81
36
Ede
5
25
12
144
60
Emmen
4
16
11
121
44
Ermelo
9
81
12
144
108
Geldrop
7
49
11
121
77
Gilze- en
Rijen
7
49
11
121
77
Gouda
7
49
13
169
91
Hardenberg 5
25
13
169
65
Heemstede 7
49
12
144
84
Heerlen
7
49
10
100
70
Den Helder 5
25
10
100
50
Helmond
7
49
10
100
70
's-Hertogen- 6
bosch
36
13
169
78
Hoensbroek 5
25
9
81
45
Hoogkerk
16
9
81
36
4
2
f ix
2
f iy
5
fixfiy
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Jutphaas
6
36
9
81
54
Kerkrade
9
81
10
100
90
Kruiningen
5
25
16
256
80
Leeuwarden 3
9
12
144
36
Leiden
81
18
324
162
Lichtenvoorde 3
9
8
64
24
Losser
9
81
12
144
108
Maastricht
9
81
14
196
126
Meerlo
5
25
9
81
45
Mill en St.
Hubert
10
100
15
225
150
Naarden
8
64
12
144
96
Nieuwkoop
2
4
7
49
14
Nuenen
5
25
8
64
30
Oisterwijk
4
16
10
100
40
Oostdongera- 8
deel
64
14
196
112
Opsterland
36
11
121
66
9
6
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
366
Gemeente: 1
Community:
Oud
6
Vossemeer
2
3
4
5
36
11
121
66
Ravenstein
6
36
12
144
72
Ridderkerk
4
16
9
81
36
Roosendaal/ 5
Nispen
25
11
121
55
Rijswijk
8
64
14
196
112
Schiedam
7
49
14
196
98
Schijndel
9
81
11
121
99
Sliedrecht
11
121
16
256
176
Someren
7
49
15
225
105
Stoutenburg 5
25
11
121
55
Tiel
3
9
11
121
33
Uden
5
25
8
64
40
Veghel
6
36
15
225
90
Venlo
9
81
16
256
144
Vlaardingen 4
16
11
121
44
Vlijmen
5
25
7
49
35
Vreeswijk
10
100
12
144
120
Wageningen 7
49
15
225
105
Weert
4
16
7
49
28
Wierden
2
4
12
144
24
Wisch
4
16
10
100
40
Wijhe
11
121
16
256
176
Zaandam
10
100
15
225
150
Zevenbergen 5
25
9
81
45
Zutphen en 12
*
Best
144
18
324
216
Zijpe
6
36
9
81
54
-----
-----
-----
-----
-----
-----
Som
453
3.343
831
10.459
5.743
Sum total
*
Door een machinale fout zijn de gemeenten no. 7 (Best) en 70 (Zutphen) op deze tabel
samengevoegd. Daar het in het geval van Best slechts om 8 personen ging, achtten wij het
niet nodig om de tabel over te doen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
367
Passen we dit reusltaat op onze bevindingen toe, dan kunnen we stellen dat het
percentage rokers onder de volwassen bewoners van de gemeenten met minder
dan honderdduizend inwoners ongeveer tussen 50 en 59 percent ligt. De kans dat
er meer rokers zijn dan 59% of minder dan 50% is kleiner dan 5%. We zien dat het
percentage rokers volgens onze schatting in de kleinere gemeenten inderdaad lager
ligt, het verschil bedraagt immers 6,2%. Is dit verschil toevallig of kunnen we hieraan
een zekere significantie toeschrijven? Volgens de bekende formule is de
standaardfout van het verschil tussen twee proporties uit onafhankelijke steekproeven
met de berekende waarden:
Het verschil is bijna significant bij het 0,05%-niveau van waarschijnlijkheid (P is ca.
.054).
Om de proportie van rokers in de gehele volwassen bevolking in Nederland (q)
te schatten, gebruikten wij de formule (2) met de door ons berekende waarden voor
afzonderlijke steekproeven. Dan verkregen wij
De foutenmarge voor de beide steekproeven te zamen ligt aanzienlijk lager dan
voor de steekproeven afzonderlijk, zodat wij kunnen stellen dat er onder de
volwassenen in Nederland 56,7% ± 3,6% rokers zijn. Bij het significantieniveau van
1
P < .05 ligt het percentage rokers tussen 53,1% en 60,3% .
In plaats van x en y (in ons geval ‘boven 20 jaar’ en ‘roker boven 20 jaar zijn’)
kunnen andere eigenschappen gebruikt worden. Zo hebben wij b.v. voor x genomen
‘vrouwelijke niet-roker boven 20 jaar’ en voor y ‘niet-roker boven 20 jaar’. De
standaardfout voor beide steekproeven te zamen bedroeg 0,03364.
Een corresponderende standaardfout voor de mannen onder de nietrokers bedroeg
1,75%. Daar het verschil tussen de percentages niet-rokers bij de mannen en
vrouwen in onze steekproef hoger was dan 50%, is het duidelijk dat de hypothese
dat een zo hoog verschil op toeval berust, ver-
1
Als rokers beschouwden wij bij deze berekening personen die meer dan 1 sigaret (of 1 g
tabak) per dag rookten, niet de personen die geheel niets rookten. De tabellen 2.7.1 en 2.7.2
werden opgemaakt voor de revisie der ponsingen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
368
worpen mag worden. De standaardfout van het verschil (3,8%) is meer dan 13 ×
kleiner dan het verschil zelf, zodat we bijna zekerheid hebben dat het roken niet
toevallig meer bij mannen dan bij vrouwen voorkomt.
Aan deze min of meer evidente voorbeelden kunnen we de mogelijkheden zien
die de methode van covariantie biedt voor het toetsen van hypothesen met betrekking
tot de gehele populatie bij de steekproeven die aan het z.g. clustering-effect
onderhevig zijn. Eveneens kunnen we zien dan de methode bijzonder omslachtig
is en niet geschikt voor een diepergaande analyse van het materiaal. Bij het
inschakelen van meer dan twee variabelen (in de vorm van proporties) zou de
methode nog bewerkelijker worden, terwijl een analyse van de interactie in een
gehele matrix van variabelen onmogelijk zou zijn.
Een andere reden waarom we hebben besloten bij de meeste variabelen het
effect van clustering te verwaarlozen, was de betrekkelijk geringe waarde die aan
de natuurlijke groepering van de respondenten in de woonplaatsen kon worden
toegeschreven. Voor zeven variabelen of proporties hebben we de standaardfout
berekend volgens de bovenbeschreven methode en volgens de formule die wordt
toegepast op aselecte, normaal verdeelde steekproeven:
De resultaten kunnen in de volgende tabel worden samengevat:
Tabel 2.7.3 Standaarddeviaties van een zevental verbanden berekend
met en zonder de correctie voor het ‘clustering-effect’
Table 2.7.3 Standard deviations for seven proportions: random-sample
method vs. method controlling clustering effects
x
y
Rokers boven
20 jaar
Smokers over
20 years
σ aselecte
σ tweeverschil
steekproef
fasensteekproefdifference
random sample
two phases
sample
Respondenten 1,35%
1,77%
-0,35%
boven 20 jaar
Respondents
over 20 years
Niet-rokers
boven 20 jaar
Non-smokers
over 20 years
Vrouwen boven 3,57%
20 jaar
Women over
20 years
3,35%
0,22%
Rokers boven
20 jaar
Smokers over
20 years
Vrouwen boven 1,63%
20 jaar
Women over
20 years
2,6%
-1,0%
Niet-rokers
boven 20 jaar
Non-smokers
over 20 years
Mannen boven 3,57%
20 jaar
Men over 20
years
1,75%
1,85%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Rokers boven
20 jaar
Smokers over
20 years
Mannen boven 1,63%
20 jaar
Men over 20
years
2,1%
-0,6%
Drinkers boven
20 jaar
Alcohol-users
over 20 years
Respondenten 1,1%
boven 20 jaar
Respondents
over 20 years
1,8%
-0,7%
Lage
CAS-scores
boven 20 jaar
Persons with
low culture
involvement
scores over 20
years
Respondenten 1,4%
boven 20 jaar
Respondents
over 20 years
1,45%
0,05%
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
369
Wij bemerken dat t.o.v. de belangrijkere afhankelijke variabelen de vertekening
veroorzaakt door de natuurlijke groepering der respondenten voor de gehele
steekproef onder de waarde van 1% blijft, waar slechts een proportie van de
steekproef wordt beschouwd (‘mannen onder de respondenten’) is de vertekening
uiteraard groter. Ook hier echter bleef de waarde van deze vertekening onder de
2%. Al hadden wij geen zekerheid dat t.o.v. andere door ons onderzochte variabelen
de foutenmarge niet groter zou uitvallen, wij hebben toch besloten de
clustering-correctie slechts tot de in Tabel 2.7.3 opgenomen variabelen te beperken.
Doorslaggevend voor onze beslissing was het feit dat wij ten tijde van de bewerking
van onze gegevens niet over een adequate methode beschikten die deze correctie
zou mogelijk maken ook voor de correlatieberekening, noch over andere technieken
1
die zich leenden voor de analyse van een groot aantal variabelen .
Nadat de beslissing werd genomen om van de minder bewerkelijke technieken
gebruik te maken, werden voor de analyse van afzonderlijke hypothesen zowel de
parametrische (het verschil tussen de twee gemiddelden, correlatie- en
variantieanalyse) als non-parametrische (vooral de Chi-kwadraat berekening)
toetsingstechnieken aangewend. Reeds spoedig stuitten we echter op het probleem
van de interrelatie van de onderzochte variabelen, die de aanwending van statistisch
toetsen op de afzonderlijke hypothesen van ons heterogeen materiaal moeilijk zo
niet onmogelijk heeft gemaakt. Wilden wij de veronderstelling toetsen of mensen
die veel deelnemen aan het verenigingsleven vaker of meer roken dan personen
met lagere sociale participatie (hetgeen uit de theorie omtrent de sociale functie van
de rookgewoonten kon worden afgeleid), dan zagen we ons met het feit
geconfronteerd, dat zowel de sociale participatie als de rookgewoonten waarschijnlijk
gecorreleerd waren met een aantal andere variabelen in overeenkomstige richting;
wij verwachtten immers meer rokers in de hogere inkomstengroepen (en deze zijn
tevens de groepen met meer opleiding) en bij mannen (en alweer hebben de mannen
onder de bevolking meer opleiding en hogere inkomsten). Uit een voorgaand
onderzoek leerden wij dat zowel mannen als personen met hogere status tevens
2
hoge scores behaalden op de sociale-participatieschaal die wij gebruikten . Door
middel van non-parametrische tests bemerken wij
1
2
Het is de verdienste van professor Leslie Kish geweest dat de sociale onderzoekers attent
zijn gemaakt op de gevaren van overbrengen van technieken bestemd voor aselecte
steekproeven op gegevens uit ‘clustered samples’ (zie vooral zijn ‘Confidence intervals for
clustered samples’) in American Sociological Review, Vol. 22 (1957) blz. 154-165). Professor
Kish vermeldde in zijn publikatie (op. cit. blz. 164) dat hij werkte aan de ontwikkeling van een
techniek die de schatting van gecorrigeerde variantie voor verschillende statistische waarden
mogelijk zou maken. Op onze schriftelijk vraag kon prof. Kish ons echter nog geen resultaten
van zijn speuren in deze richting geven. Wel hoopte hij in de loop der tijd de werkzaamheden
op dit gebied te hervatten.
I. Gadourek, A Dutch Community, blz. 432.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
370
dat inderdaad ook de inkomsten en de opleiding in onze steekproef met de sociale
participatie zijn gecorreleerd.
De vraag doet zich dan voor: indien wij een positieve correlatie tussen de sociale
participatie en de intensiteit van de rookgewoonten vaststellen (hetgeen inderdaad
geschiedde, zie de Matrix van Intercorrelaties, op blz. 384A), hoe moet deze
correlatie worden uitgelegd? Mogen wij aannemen dat de sociale participatie als
zodanig oorzaak is van het roken in onze samenleving, of is deze correlatie met de
participatie slechts een bijprodukt van de samenhang tussen het roken en andere
factoren (c.q. het man- of vrouw-zijn, opleiding, inkomsten)? Teneinde een antwoord
te geven op deze vraag zouden wij deze correlatie moeten trachten terug te vinden
in de kunstmatig homogene groeperingen van mensen met dezelfde opleidingsgraad,
van dezelfde inkomsten en hetzelfde geslacht. De beperkte omvang van onze
steekproef liet nauwelijks een dergelijke opsplitsing in vier of meer categorieën
(waarvan de meeste met meer dan twee subcategorieën) toe. Bovendien werd de
analyse nog verzwaard door het feit dat wij bij andere verbanden geheel in het
duister tastten over de mogelijke factoren die de gezochte samenhang konden
verstoren en dat wij niet (als in het aangehaalde voorbeeld het geval is geweest)
beschikten over de kennis verzameld in voorafgaande onderzoekingen. Al deze
overwegingen deden ons zoeken naar een techniek die het mogelijk zou maken de
gelijktijdige werking (interactie) van een groot aantal variabelen te onderzoeken
zonder al te groot verlies van informatie door de voortdurende inkrimping van onze
steekproef.
Nu beschikt men vooral in het psychologisch gerichte onderzoek sedert jaren
over een methode die bij uitstek geschikt is om structuur aan te brengen in het
materiaal bestaande uit responsies van een groot aantal individuen op een groot
aantal ‘tests’ (c.q. vragen): de factoranalytische bewerking van de
correlatiecoëfficiënten. Zo groot was het nadeel van de causale interpretatie van
het afzonderlijk beschouwde statistische verband tussen telkens slechts twee
variabelen, dat we besloten deze methode te gebruiken ondanks de bezwaren die
kleven aan de toepassing van de correlatietechnieken op de enquêtegegevens: de
nu en dan voorkomende afwijking van de normale verdeling bij vele variabelen en
de onvoldoende quantificatie der gegevens; strikt genomen, laten immers zelfs de
Guttman-schalen slechts de rangmethode toe, terwijl het gebruik van dichotome
variabelen met risico's en het gebruik van de slechts nominale variabelen (als
‘kerkgenootschap’) met onzekerheid gepaard gaan. Wij besloten de factoranalyse
der correlatiecoëfficiënten niet als de enige methode aan te wenden, doch slechts
als een methode die de afzonderlijk verkregen informatie zou trachten te
synthetiseren. Daar waar het ging om de sterkte van de gesignaleerde samenhang,
zou men zowel de spreiding als de mate
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
371
1
van quantificatie van de variabele in beschouwing nemen teneinde de adequate
test van de hypothese te kiezen.
Voor het voornaamste factoranalytische schema zijn in de eerste plaats 34
variabelen uit ons materiaal gekozen. Om onderzoektechnische redenen (de
elektronische machine die wij voor de bewerking zouden kiezen, liet uitgebreider
schema's niet toe) en methodologische overwegingen (het was bedenkelijk zelfs in
de groep van 34 heterogene sociologische variabelen naar de gemeenschappelijke
factoren te gaan zoeken) moest een groot gedeelte van het door middel van onze
enquête verzamelde materiaal worden weggelaten. De selectie van variabelen werd
geheel gedicteerd door onze wetenschappelijke belangstelling, hoewel systematische
overwegingen (het opnemen van de basisvariabelen als geslacht, opleiding,
inkomsten, burgerlijke staat enz.) een zekere beperking legden op de vrijheid van
keuze. Behalve de selectie van variabelen is ook de selectie van subcategorieën
aansprakelijk geweest voor de reductie van informatie. Er zijn tweedelige categorieën
gebruikt (geslacht, woonplaats, aard van beroep) naast driedelingen (vooral met
betrekking tot de verandering) en variabelen bestaande uit een groter aantal
subcategorieën (hieronder vallen ook de echte kwantitatieve variabelen in
gegroepeerde vorm: gemeentegrootte, inkomsten, leeftijd, intensiteit rook- en
drinkgewoonten enz.). Voor de goede orde geven wij in Tabel 2.7.4 deze 34
variabelen weer, te zamen met de gebruikte subcategorieën gerangschikt in dezelfde
richting waarin deze ook in de correlatiematrix zijn opgenomen.
Tabel 2.7.4 Variabelen opgenomen in de matrix van intercorrelaties voor
het uiteindelijke factor-analyseschema
Table 2.7.4 Specification of the 34 variables of the Basic Correlation
2
Matrix
No.
Variabele
Bron: vraagno. Frequentie
Subcategorie
Geslacht:
1
1.
2.
I.
man
612
II.
vrouw
685
Leeftijd:
2
I
I. 21 t/m 25 jaar
138
II.
26 t/m 30
jaar
154
III.
31 t/m 40
jaar
309
IV.
41 t/m 50
jaar
249
V.
219
51 t/m 60
jaar
1
2
Gebruikte
subcategorie
I, II
t/m VII
Wij denken hier aan de classificatie van schaaltechnieken zoals ontworpen door S.S. Stevens
en Clyde H. Coombs. Zie ook W.S. Torgerson, Theory and Methods of Scaling, New York,
1958, hfdst. 2.
For English text see Summary, p. 432.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
VI.
61 t/m 70
jaar
150
VII.
71 jaar en
meer
76
VIII.
1
niet
adequaat
ingevuld
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
372
No.
3.
Variabele
Bron: vraagno. Frequentic
Subcategorie
Inkomsten:
18
I.
geen t/m ƒ
40,- per week
136
II.
ƒ 41,- t/m ƒ
50,- per week
48
III.
ƒ 51,- t/m ƒ
60,- per week
93
IV.
ƒ 61,- t/m ƒ
70,- per week
182
V.
ƒ 71,- t/m ƒ
80,- per week
150
VI.
ƒ 81,- t/m ƒ
100,- per week
229
VII.
ƒ 101,- t/m ƒ
150,- per week
194
VIII.
ƒ 150,- per
week en meer
130
IX.
135
geen
adequaat
antwoord
4.
Opleiding:
5
5.
I
I.
geen (geen
antwoord)
11
II.
slechts
L.S.-opleiding
765
III.
MULO, LTS,
HLS, enz.
395
IV.
HBS,
Gymn.,
Kweeksch.,
MTS
99
V.
NOIB,
Belastingacademie, enz.
7
VI.
20
Universiteit
of Hoge School
Aard van het
werk:
9
Gebruikte
subcategorie
I t/m VIII
t/m VI
I, II
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
6.
I.
buitenwerk
228
II.
binnenwerk
1.069
Gemeentegrootte: bevolkings-register
I.
- 3.000
inwoners
69
II.
- 6.000
inwoners
91
III.
- 10.000
inwoners
104
IV.
- 15.000
inwoners
121
V.
- 20.000
inwoners
62
VI.
- 50.000
inwoners
216
VII.
- 100.000
inwoners
169
VIII.
465
100.000
inwoners en
meer
7.
8.
Migratie-index: 4
I.
niet verhuisd
626
II.
1 × verhuisd
407
III.
2 × verhuisd
122
IV.
3 × verhuisd
62
V.
4 × verhuisd
33
VI.
5 × verhuisd
20
VII. 6 × verhuisd
10
VIII.
7×
verhuisd
2
IX.
15
8 × of meer
Gezinsbinding: 6 t/m 8
I.
ongehuwd
zonder
kinderen, niet
verloofd
199
II.
41
verloofd
I
t/m VIII
I
t/m IX
I
t/m V
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
III.
gehuwd
zonder
kinderen
133
IV.
ongehuwd
met kinderen
72
V.
852
gehuwd met
kinderen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
373
No.
9.
Variabele
Bron: vraag no.Frequentie
Subcategorie
Sociale
13, 146-150
participatie:
Gebruikte
subcategorie
I t/m VIII
(laag)
0 t/m 2 punten
171
3 t/m 4 punten
216
5 t/m 6 punten
301
7 t/m 8 punten
273
9 t/m 10 punten
185
11 t/m 12
punten
72
13 t/m 14
punten
39
15 en meer
punten
39
(hoog)
10.
Cultuuraanvaarding:
125b, c, e, 120,
122, 123
I
t/m VII
I
t/m V
(laag)
I.
score 0
234
II.
score 1
108
III.
score 2
295
IV.
score 3
262
V.
score 4
161
VI.
score 5
173
VII.
score 6
64
(hoog)
11.
Contacten met 151, 153, 156
communicatiemedia
I.
geen
contacten
7
II.
52
contact met
een der media
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
III.
contacten
met twee
media
218
IV.
contacten
met drie media
553
V.
467
alle drie
media plus
lezingen
12.
Kerkgenootschap 146
A:
I
t/m V
I
t/m VII
(gezagsverhouding)
I.
geen
301
II.
41
Doopsgezind,
Remonstrants,
Ev. Luthers,
enz.
III.
Nederl.
Hervormd
306
IV.
Gereform.,
Chr. Ger.,
Geref.
Gemeente,
enz.
105
V.
544
Rooms-Katholiek
13.
Intensiteit
roken:
51
I.
0- 1 sigaret
per dag
549
II.
2- 5
sigaretten per
dag
126
III.
6- 9
sigaretten per
dag
87
IV.
10-13
sigaretten per
dag
129
V.
243
14-22
sigaretten per
dag
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
VI.
23-29
sigaretten per
dag
65
VII.
30sigaretten of
equivalent
82
VIII.
16
geen
adequaat
antwoord
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
374
No.
14.
Variabele
Bron: vraagno. Frequentie
Subcategorie
Houding t.o.v. 81 t/m 82
het roken:
Gebruikte
subcategorie
I t/m V
(tolerant)
I.
0- 3 punten
81
II.
4- 8 punten
388
III.
9-10 punten
435
IV.
11-12
punten
363
V. 13-16 punten
30
(intolerant)
15.
Roken oorzaak 77
van
longziekten:
I.
gelooft niet
263
II. weet het niet,
463
I
t/m III
I
t/m VII
I
t/m VI
geen antwoord
III.
gelooft van
wel
16.
571
Intensiteit
89
drinkgewoonten:
I.
drinkt niet,
dronk niet
752
II.
1- 3 glazen
301
III.
4- 6 glazen
101
IV.
7- 9 glazen
52
V. 10-15 glazen
42
VI.
16-21
glazen
18
VII. 22 glazen of
13
meer
VIII.
geen
adequaat
antwoord
17.
Houding t.o.v.
het drinken:
18
101,103
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
(tolerant)
I.
score 0
155
II.
score 1
121
III.
score 2
336
IV.
score 3
200
V.
score 4
278
VI.
score 5
207
(intolerant)
18.
Intensiteit
koffiedrinken:
46
I.
drinkt geen
koffie
59
II. 1 kopje koffie
103
I
t/m VIII
I
t/m V
per dag
III.
2 kopjes
koffie
239
IV.
3 kopjes
koffie
249
V.
4 kopjes
koffie
255
VI.
5 kopjes
koffie
131
VII.
6 kopjes
koffie
124
VIII.
137
7 kopjes
koffie of meer
19.
Intensiteit
47
snoepgewoonten:
I.
snoept
helemaal niet
132
II.
soms, niet
elke dag
563
III.
1-2 koekjes
per dag
357
IV.
3 koekjes
per dag
203
V. elke dag veel
42
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
375
No.
20.
Variabele
Bron: vraag no.Frequentie
Subcategorie
Sociale
126
instelling:
Gebruikte
subcategorie
I t/m IV
(asociaal)
I.
score 0
106
II.
score 1
198
III.
score 2
545
IV.
score 3
426
(behulpzaam)
geen adequaat
antwoord
21.
22
Teveredenheid: 12,17,23,33
I.
tevreden met
4 stimuli
618
II. tevreden met
405
I
t/m V
I
t/m VIII
3 stimuli
III.
tevreden
met 2 stimuli
198
IV.
tevreden
met 1 stimuli
60
V.
60
tevreden
t.o.v. geen
stimulus
22.
Bezorgdheid:
I.
116
geen zorgen
448
II. bezorgd over
332
1 object
III.
bezorgd
over 2 objecten
254
IV.
bezorgd
over 3 objecten
130
V. bezorgd over
73
4 objecten
VI.
bezorgd
over 5 objecten
36
VII.
17
bezorgd
over 6 objecten
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
VIII.
bezorgd
over 7 objecten
23.
7
Normenbeleving: 108
I
t/m VII
I
t/m VII
(seksueel,
collectiv.)
I.
't ergste j
438
II.
't ergste f, c
316
III.
't ergste g
202
IV.
't ergste h
103
V.
't ergste e
38
VI.
't ergste b, d
108
VII.
't ergste a, i
26
(individual.)
VIII.
geen
adequaat
antwoord
24.
66
Persoonlijkheids- 109-115, 138,
evenwicht:
139
I. geen negatief
490
symptoom
II.
1 negatief
symptoom
367
III.
2 negatieve
symptomen
218
IV.
3 negatieve
symptomen
136
V.
4 negatieve
symptomen
50
VI.
5 negatieve
symptomen
26
VII.
10
geen
adequaat
antwoord
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
376
No.
25.
Variabele
Bron: vraagno. Frequentie
Subcategorie
Traumatische 135
ervaringen:
I.
geen
traumatische
ervaring
635
II.
1 ervaring
365
III.
meer dan 1
ervaring
277
IV.
20
geen
antwoord
26.
Jeugd134
herinneringen:
I.
prettig
Gebruikte
subcategorie
I, II, III
I
t/m IV
I
t/m IV
I
t/m III
995
II. weet het niet,
55
zozo
III.
minder
prettig
148
IV.
89
onprettig
V.
geen
adequaat
antwoord
27.
Optimisme:
10
117-118
I.
toekomst
beter
293
II.
dezelfde,
weet het niet
466
III. slechter, niet
341
bezorgd
IV.
slechter,
bezorgd
183
V.
14
geen
adequaat
antwoord
28.
Inkomstenverandering:
I.
thans meer
19
548
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
II.
gelijk, weet
het niet
619
III. thans minder
111
IV.
19
geen
adequaat
antwoord
29.
Rookpatroonverandering:
I.
62
thans meer
79
II.
gelijk, niet
van toepassing
838
III. thans minder
143
IV.
237
geen
adequaat
antwoord
30.
Drinkpatroonverandering:
I.
31.
32.
97
thans meer
204
II.
gelijk, weet
het niet
790
III. thans minder
303
Woonstreek:
bevolking-register
I
t/m III
I
t/m III
I, II
I.
het Noorden
928
II.
het Zuiden
369
Kerkgenootschap 146
B:
I
t/m V
(hervormd katholiek)
I. Gereformeerd
105
II.
Nederlands
Hervormd
306
III.
Andere
41
IV.
Geen
301
V.
544
Rooms-Katholiek
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
377
No.
33.
Variabele
Bron: vraagno. Frequentie
Subcategorie
Frequentie
27
contact
huisarts:
I.
deze week
123
tot 2 weken
geleden
51
III.
123
II.
deze maand
IV.
tot 3
maanden
geleden
168
V.
tot 6
maanden
geleden
119
VI.
tot 1 jaar
geleden
193
VII.
meer dan 1
jaar geleden
495
VIII.
25
geen
adequaat
antwoord
34.
Aantal
werkuren:
I.
geen
11
I
t/m VII
64
II.
- 5 uur per
dag
105
III.
- 6 uur per
dag
67
IV.
- 7 uur per
dag
49
V.
- 8 uur per
dag
206
VI.
- 10 uur per
dag
428
VII.
11 uur per
dag of meer
345
VIII.
33
geen
adequaat
antwoord
Gebruikte
subcategorie
I t/m VII
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Het is niet moeilijk om uit Tabel 2.7.4 de inlichtingen te distilleren die wij nodig
hebben om de correlatiecoëfficiënten te interpreteren die voor elk van de omschreven
variabelen paarsgewijs met alle overige variabelen zijn berekend. De subcategorieën
geven immers de richting van de associaties aan, daar de volgorde (aangeduid door
de Romeinse cijfers) bij het coderen van het materiaal is aangehouden. Uit de laatste
kolom leren wij welke subcategorieën bij de berekening van de coëfficiënt buiten
beschouwing zijn gelaten. Het ging hier om betrekkelijk kleine aantallen mensen
die hetzij geen opinie hadden, hetzij geen adequaat antwoord op onze vraag hebben
gegeven. Daar waar het zinvol was (de categorie ‘niet van toepassing’ bij de mensen
die geheel geen alcohol gebruiken), werden deze mensen aan de neutrale of andere
corresponderende subcategoric gevoegd. In geen van de onderscheiden gevallen
daalde het N (totaal aantal respondenten wier antwoorden werden gecorreleerd)
onder 1000 personen.
Slechts een kleine toelichting willen wij hier geven, betreffende de reden waarom
sommige variabelen werden opgenomen en betreffende de wijze waarop het
quantificatieproces zich voltrok. De eerste vier variabelen behoeven wellicht geen
commentaar; wat variabele 5, beroepsgroep, betreft, hebben wij besloten om van
de gebruikelijke classificatie der beroepen in sociale rangstanden af te zien; wij
meenden dat zowel ‘inkomsten’ als ‘opleiding’ reeds belangrijke informatie in dit
opzicht verschaften en dat door het beroep uitsluitend te zien als indicator van de
sociale status een
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
378
stuk van de sociale realiteit teloor zou gaan. Als kleine aanduiding van ‘de aard van
het werk’ namen we de verdeling van beroepen berustend op de werkzaamheden
buitens- en binnenshuis.
Variabele 8, gezinsbinding, ontstond door samentrekken van informatie, verkregen
op twee vragen. We meenden dat de instelling en het geestelijke evenwicht in
belangrijke mate worden beïnvloed door het feit of de mens deel uitmaakt van een
gezinsgroep en de intieme sfeer kent van een ‘man-vrouw’- of een
‘ouder-kind’-verhouding. Vandaar dat we een eenvoudige schaal opstelden die de
verloofden boven de niet-verloofden en ongehuwden zonder kinderen plaatste, de
gehuwden zonder kinderen boven de verloofden en, met enige aarzeling,
ongehuwden met kinderen nog hierboven. Deze laatste categorie omvatte nl. vooral
de weduwen met kinderen, hiernaast ook gescheiden moeders of vaders met
kinderen; slechts in enkele gevallen ging het om moeders met buitenechtelijke
kinderen. Veronderstellend dat bij de weduwen het proces van de
persoonlijkheidsvorming zich reeds heeft voltrokken en dat in hun psychisch
referentiekader toch een ‘partner’ heeft bestaan, meenden we deze categorie een
hogere score te moeten geven. Het kleine aantal (72 personen) excuseert een
mogelijke vergissing; de correlaties zullen waarschijnlijk voornamelijk bepaald worden
door de laatste categorie (gehuwd met kinderen: 852 personen) duidelijk meer
scorend dan ‘de rest’.
Sociale participatie (variabele 9) is gebaseerd op de Stuart Chapin-schaal, die
wij voor Nederland hebben vertaald en bij een kleine steekproef in een voorgaand
1
onderzoek geijkt : voor elke respondent werd nagegaan het lidmaatschap in
verenigingen en instellingen (o.a. kerkgenootschap) alsmede de intensiteit van zijn
deelname aan het leven en het functioneren van de vereniging (c.q. instelling). De
som van de behaalde punten bepaalde de mate van de formele sociale participatie
van de individu.
Cultuuraanvaarding (variabele 10) is gebaseerd op de reeds aangehaalde schaal
van Guttmans type.
Contacten met communicatiemedia (variabele 11) is een eenvoudige cumulatieve
index; regelmatige toegang tot een krant, een of meer weekbladen, een radio vormen
de basis van de index; het geregeld luisteren naar lezingen en voorlichting werd
hieraan als nieuwe categorie toegevoegd.
Kerkgenootschap bleek een der moeilijkst te quantificeren categorieën. Na enige
aarzeling besloten wij twee aspecten hiervan door de rangschikking van
subcategorieën tot uiting te brengen: A. de mate van maatschappelijke binding en
collectief gezag die een bepaald kerkgenootschap voorstelt; wij meenden in de
organisatie van de Rooms-Katholieke kerk een hechtere binding en een meer
conformiteit vereisende structuur te vinden
1
A Dutch Community, 1955, blz. 271-273.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
379
dan in een der Gereformeerde kerken; en bij de Nederlands Hervormde kerk een
iets hechtere binding en sterker collectief gezag dan bij de Remonstranten of
Doopsgezinden. B. het verschil tussen de ethiek van het protestantisme en van het
rooms-katholicisme; de groepering personen zonder godsdienstige binding werd
bij deze tweede variabele (no. 32) tussen beide belangrijkste aftakkingen van de
christelijke godsdienst in Nederland geplaatst; volgens de informatie die wij verkregen
1
uit de publikaties van het C.B.S. worden de onkerkelijken in Nederland niet
uitsluitend uit de protestante of rooms-katholieke gezinnen gerekruteerd, zodat ook
t.o.v. ‘de nawerking’ van de ethos der kerkgenootschappen in generaties
onkerkelijken de personen zonder kerkgenootschap tot een gemengde, dus in
statistische termen: neutrale, groepering behoren.
Houding t.o.v. het roken (var. 14) is de schaal verkregen door het zoeken van de
langste correlatie-as van een aantal vragen omtrent roken (zie bespreking op blz.
357 vlg.).
Sociale instelling (var. 20) is ‘een semantische schaal’; de onderscheiden
responsiemogelijkheden werden geanalyseerd naar de mate van behulpzame of
‘asociale’ houdingselementen, zonder enige empirische toets van unidimensionaliteit.
Wel werden er meerdere beoordelaars ingeschakeld bij de classificatie van ‘items’.
De ‘unfolding technique’ van Coombs, die we oorspronkelijk op dit soort vraag
hoopten toe te passen, bleek te omslachtig te zijn om de latente structuur in de
responsiepatronen te ontdekken. Daar we zelf bezwaren hadden tegen de constructie
van schalen uitsluitend aan de hand van semantische analyse van de stimuli,
beperkten wij de oorspronkelijke 7-gradenschaal tot een schaal met vier
subcategorieën. Deze bevatte de mensen die de volgende uitspraken kozen.
1. Je moet de mensen, al ken je ze niet, met liefde als broeders of zusters
behandelen. Score 3.
2. Je moet eigenlijk niet alleen voor je zelf leven maar ook voor de ander. Score
2.
3. In geval van nood moeten de mensen wel een beetje geholpen worden. Score
1.
4. Alle andere uitspraken (zie vraag 126 in Bijlage 1: ‘iedereen moet wel voor zich
zelf weten te zorgen’, ‘heb met andere mensen niets te maken’, ‘geef niets om
anderen’, ‘vind het best om alleen te zijn....’). Score o.
Tevredenheid (vr. 21) was alweer een eenvoudige combinatie-index, verkregen
door het samentrekken van antwoorden op de vier ‘satisfactie-
1
Uit de Statistische Zakboeken van 1948 en 1958 vernemen we dat de toename van
‘onkerkelijkheid’ niet slechts in de noordelijke of westelijke doch ook in de zuidelijke provinciën
valt waar te nemen. Deze toename is in absolute percentages in het geïndustrialiseerde
westen veel groter; het verhoudingsgetal blijft zeker voor N.-Brabant en Limburg onder het
Rijksgemiddelde.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
380
vragen’ in onze vragenlijst: tevredenheid met werk, gezondheid, huisvesting en
eigen levensloop .Deze vragen bleken in de factoranalyse van de tetrachorische
r-coëfficiënten van 12 houdingsvragen met de eerste factor bijzonder hoog geladen
(zie Tabel 2.8.4 en Tabel 2.8.5 op blz. 396). Wij hebben afgezien van een
scoringprocédé dat met de intensiteit der ladingen rekening zou houden, daar twee
variabelen zowel met Factor I' als Factor II' bleken te zijn geladen; om semantische
redenen werden deze afzonderlijk in ons breder factoranalytisch schema opgenomen
(var. 24 en 25: zie verder).
Bezorgdheid (var. 22): eveneens een combinatie-index. De zorgen over geldzaken,
gezondheid, dood enz. werden als quantitatief equivalent beschouwd en het aantal
levensgebieden waarop men zorgen koesterde werd eenvoudig voor elke respondent
opgeteld.
Normenbeleving (var. 23) is waarschijnlijk de meest zorgelijke variabele van ons
schema. Als grondslag lag de veronderstelling dat de bevolking kan worden verdeeld
langs de scheidslijn van de collectivistische, maatschappijbeschermende en de
meer individualistische, minder traditionele moraal. Daar vraag 108, evenals de
reeds besproken vraag 126, die de bron vormde van onze variabele ‘sociale
instelling’, was van het type ‘order 2 en reject 2’, in de termen van Coombs
1
terminologie , het bleek alweer moeilijk aan de hand van de tegenwoordige kennis
van de schaalconstructie hier een empirische schaal te construeren. Wij besloten
tot de classificatie van de responsies volgens de in Tabel 2.7.4 aangeduide wijze.
Abortus (vanwege het belang van de voortplantingsfunctie voor de maatschappij)
wordt als meer ‘collectivistisch’ gezien dan andere inbreuken op de normen van
seksueel gedrag (prostitutie); de religieuze norm werd boven de politieke norm
geplaatst, deze beide boven de economische; en deze alweer boven de zuiver
individualistische normen als de zorg voor eigen gezondheid.
Persoonlijkheidsevenwicht (var. 24) werd gebaseerd op de informatie die de
respondenten verstrekten over hun eigen psychische toestanden, als ‘onder spanning
of druk leven’, ‘angsten hebben’, ‘zich vervelen’, ‘het doel van eigen leven niet
inzien’, enz. Een eenvoudige combinatie-index werd opgesteld, waarbij de
kwalitatieve verschillen tussen deze ‘symptomen’ werden verwaarloosd en slechts
de groepen mensen met en groepen mensen zonder ‘symptomen’ in het
correlatieschema werden opgenomen, terwijl aan mensen met meer dan één
‘symptoom’ nog hogere scores werden gegeven, evenredig met het aantal
symptoomresponsies dat zij gaven.
Van de overige variabelen behoeft slechts var. 31, woonstreek enig com-
1
Clyde H. Coombs, ‘Theory and methods of social measurement’ in Leon Festinger, Daniel
Katz, Research Methods in the Behavioral Sciences, New York, 1953, blz. 499-508.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
381
mentaar: de gebruikelijke verdeling van ons land langs de lijn aangegeven door de
grote rivieren werd door ons gevolgd bij de verdeling van de personen uit de 85
gemeenten in onze steekproef in de twee groepen van ‘Zuiderlingen’ en
‘Noorderlingen’. Deze categorie werd opgenomen daar we van tevoren grote
verschillen in gedrag en levensstijl in beide onderdelen van ons land verwachtten
en geïnteresseerd waren o.a. in de vraag in hoeverre deze geografische verschillen
door structurele (vooral godsdienstige) verschillen waren veroorzaakt.
Tenslotte nog een beschouwing van dit schema van 34 variabelen als geheel.
Het valt niet te ontkennen dat bij de samenstelling hiervan, bij de selectie van de
categorieën, het subjectieve element, in de vorm van de belangstelling van de
onderzoekers of de opdrachtgever een sterke rol heeft gespeeld. Wij kunnen de
opgenomen variabelen classificeren ongeveer in dezelfde groepen als de
hoofdstukken van het eerste deel van ons rapport.
Bij de onafhankelijke variabelen hebben wij naast de gebruikelijke ‘basisfactoren’
(zoals leeftijd, sekse, inkomsten, enz.) ook enkele nieuwe concepten toegevoegd:
de mate van cultuuraanvaarding of -ontwijking, sociale participatie, gezinsbinding,
frequentie contact huisarts, contacten met communicatiemedia, traumatische
ervaringen, evaluering van eigen jeugd, algemene normbeleving en tevens de
dynamische aspecten (levensstandaardverandering). Het spreekt vanzelf dat dank
zij het algemene referentiekader van deze studie, gebaseerd op de hypothese der
sociale interdependentie, de scheiding tussen de onafhankelijke en afhankelijke
factoren niet systematisch is doorgevoerd: de correlatiematrix hielp ons ook de
causale relaties tussen de onafhankelijke variabelen onderling vinden. Een kritische
bedenking moet ons in dit verband van het hart: hoewel we zoveel mogelijk ernaar
streefden om bij het opstellen van het correlatieschema aan de eis van de
1
begripsmatige onafhankelijkheid te voldoen, is het evident dat niet alle variabelen
als onderling onafhankelijk in semantische of operationele zin kunnen worden
beschouwd. Zowel kerkgenootschap A als kerkgenootschap B zijn immers van
dezelfde feitelijke basis afgeleid, nl. van de vraag tot welk kerkgenootschap de
respondent zich rekende. Met beide variabelen is tevens var. 9 begripsmatig
verbonden: het is a priori uitgesloten dat de leden van een kerkgenootschap de
score van o punten behalen, daar wij bij onze inventarisatie van instellingen en
verenigingen waarvan men lid was tevens aan de kerk hebben gedacht. Een
correlatie tussen variabelen 6 en 31 is ook betrekkelijk
1
Zie voor de definitie van dit begrip ons artikel ‘Interne en externe relaties. Enkele
kentheoretische problemen der sociologie’ in Algemeen Nederlands Tijdschrift voor
Wijsbegeerte en Psychologie, 53e jrg., 3e Afl. (april, 1961), blz. 134.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
382
weinig zeggend, daar beide variabelen op dezelfde feitelijke basis terug te brengen
zijn.
Voor de resterende concepten kunnen wij echter stellen dat zij wederzijds a priori
onafhankelijk zijn en dat het daarom zinvol kan zijn naar de empirische onderlinge
verbanden te speuren.
Plaatsen we de zojuist omschreven variabelen in een matrix, dan bemerken wij
dat er in principe
correlatieberekeningen moeten gebeuren teneinde alle statistische samenhangen
te vinden, die de variabelen onderling verbinden. (Langs de hoofddiagonaal
verwachtten wij nl. correlaties 1, terwijl de tweede helft van de matrix symmetrisch
is). Wij prijzen ons gelukkig dat dank zij de medewerking van het Mathematisch
Instituut van de Rijksuniversiteit te Groningen, op ons verzoek een apart programma
voor de berekening van correlaties (Pearsons produkt-momentcoëfficiënten) uit de
gegroepeerde gegevens werd ontworpen voor de elektronische rekenmachine (de
ZEBRA). Op deze wijze werden de Hollerith-lijsten, afkomstig van de afdeling Statistiek
van het N.I.P.G. door ons slechts samengetrokken in de gewenste categorieën en
op de band geponst. De correlatierekening geschiedde machinaal.
Tabel 2.7.5 geeft de resultaten van deze fase van de bewerking weer. Teneinde
ruimte te besparen hebben we in de cellen van de matrijs slechts de getallen achter
de komma opgenomen, rekening houdend met de richting van de correlatiecoëfficiënt
(negatief of positief). Op deze wijze kon een decimale plaats gewonnen worden
voor nauwkeuriger weergave van de coëfficiënten. Cursief gedrukte getallen duiden
de coëfficiënten aan die volgens onze berekening een significantieniveau behalen
1
van .01 of meer. We volgden hierin de door De Jonge opgegeven methode .
voor n = 1.297 en r = .06 vonden wij P < 0.05 > 0.02. Met andere woorden: r =
.056 bleek nog net significant bij .05 niveau van waarschijnlijkheid, terwijl de
drempelwaarde voor het .02 niveau lag bij r = .064. De inkrimping van n bleek van
veel minder invloed te zijn, de tabel van ‘Fractielen van de verdeling van de
correlatiecoëfficiënt r voor ρ = o’ (Tabel E, de Jonge, deel I, blz. 298) die de Jonge
ontleent aan Walker
1
H. de Jonge, Inleiding tot de medische statistiek, II, Leiden 1960, blz. 522 en volg.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
383
en Lev geeft voor n - 2 = 1000 de volgende waarden op: r0,95 ... 0,052 r0,975 ... 0,062;
r0,99 ... 0,073; r0,995 ... 0,081.
Daar bij elke correlatieberekening in ons schema n kleiner was dan 1000
respondenten, kunnen wij aannemen dat de grenswaarde van r = .065 voor de nog
significante verbanden gehandhaafd kan worden. Teneinde de kans op toevallige
verbanden te verminderen, hebben we de waarde van r = .075 als kritieke waarde
gekozen, die met P < .01 correspondeert.
Een niet te verwaarlozen aantal significante samenhangen kan van onze
basismatrix van intercorrelaties worden afgelezen. Deze vormen de eerste stap op
zoek naar causale samenhangen, daar we veronderstellen dat oorzaak en gevolg
werkelijk moeten samengaan, hetzij structureel of in de loop der tijd, wil er van een
oorzakelijk verband sprake zijn.
Op grond van onze vroegere onderzoekervaring waren we echter voorzichtig om
de gesignaleerde verbanden zonder meer causaal te gaan interpreteren. In
overeenstemming met het theoretisch denken over de echte en onechte verbanden
1
dat vooral door Herbert A. Simon pregnant is geformuleerd , kan een statistisch
verband tussen twee variabelen van een sociologische enquête dan causaal worden
geïnterpreteerd indien het de toets van het systematisch invoeren van de mogelijk
interveniërende variabelen heeft doorstaan. Indien wij deze stelling consequent
doordenken, dan zal ook de intensiteit van het verband, de waarde van de
correlatiecoëfficiënt, niet doorslaggevend zijn voor de beslissing of wij met een
causaal echte of onechte samenhang te maken hebben. Toegepast op onze matrix
van intercorrelaties vindt deze redenering haar bevestiging. Nemen wij een der
belangrijkste variabelen van ons onderzoek, de intensiteit der rookgewoonten, in
beschouwing, dan vinden wij naast een verwachte, vanzelfsprekende correlatie met
het geslacht, ook een correlatie met de aard van het werk. Deze correlatie hebben
wij niet verwacht; wij konden niet zonder meer theoretisch verklaren waarom
personen buitenshuis werkend significant meer rookten dan personen binnenshuis
(r = .30!). Wij waren eerder geneigd te denken dat de industriële arbeid en het leven
in de steden het gebruik van stimulantia in de hand zou werken. Toen we echter
variabele 1 (geslacht) als een testfactor invoerden, verdween het verband geheel.
Simon volgend hebben wij voor de toets de partiëlecorrelatiemethode gebruikt:
1
Zie zijn ‘Spurious Correlation: a Causal Interpretation’, in the Journal of the American Statistical
Association, vol. 49, September, 1954; later opgenomen tevens met ‘Causal Ordening and
Identifiability’ and andere stukken in Models of Man; Social and Rational, New York, 1957.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
384
Lezen wij voor 1 = aard van beroep (var. 5); voor 2 = intensiteit rookgewoonten (var.
13); en voor 3 = geslacht (var. 1), dan kunnen we in de corresponderende cellen
van de matrix rechtstreeks de waarden voor onze formule vinden. Na het invullen
verkrijgen wij
De oorspronkelijke coëfficiënt van .30 wordt hier op .02 gereduceerd. Duidelijk wordt
hier aangetoond dat het gesignaleerde verband, hoewel significant bij het niveau P
< .0001, causaal gezien een schijnverband voorstelt, dat geheel ‘weg kan worden
verklaard’ uit andere associaties: vrouwen roken opvallend minder dan mannen en
vrouwen werken tevens opvallend meer binnenshuis dan mannen.
Hierin hebben wij dan een statistisch instrument gevonden dat het ons mogelijk
maakt om structuur aan te brengen in de honderden statistische significante
verbanden die wij hebben berekend. Door middel van de partiële correlatie indien
het om correlatiecoëfficiënten gaat, door middel van de combinatie van de
1
significantietoetsen daar waar b.v. nonparametrische statistieken worden berekend ,
kunnen wij immers de schijnverbanden scheiden van de statistische associaties die
niet kunnen worden toegeschreven aan een of ander interveniërende factor en die
ons een stapje nader kunnen brengen tot de oorzaken van de bestudeerde
verschijnselen.
1
Zie ons artikel ‘A substitute for randomization designs in sociological research’ in the Indian
Journal of Social Research, III, no. 1 (1962) en de literatuur daar aangehaald.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
384A
Tabel 2.7.5 Basis correlatiematrix
Table 2.7.5 Basic Correlation Matrix
1 Geslacht: man - vrouw
2 Leeftijd: 21-25 jaar - ouderen
3 Inkomsten: - ƒ 40,- - hogere
4 Opleiding: geen - L.O. - hogere
5 Aard van het werk: buitenwerk - binnenwerk
6 Gemeentegrootte: -3.000 - groter
7 Migratie-index: 0, 1 × - meerdere keren
8 Gezinsbinding: ongehuwd z.k. - gehuwd m.k.
9 Sociale participatie: - 2 p. - 4 p. →
10 Cultuuraanvaarding: o (laag) - hoog
11 Contact met communicatiemedia: geen - meer
12 Kerkgenootschap A: geen - And. - N.H. - Ger. - R.-K.
13 Intensiteit roken: geen, - 1 → veel
14 Houding t.o.v. roken: tolerant → intolerant
15 Roken oorzaak longziekten: gelooft niet - wel
16 Intensiteit drinken: niets - vaak (veel)
17 Houding t.o.v. drinken: o (tolerant) → 5 (intolerant)
18 Intensiteit koffiegebruik: niets - veel
19 Snoepgewoonten: niet - elke dag veel
20 Sociale instelling: asociaal - behulpzaam
21 Tevredenheid: tevreden - ontevreden
22 Bezorgdheid: geen zorgen - vele zorgen
23 Normenbeleving: collectief (seksueel) - individueel
24 Persoonlijkheidsevenwicht: geen symptomen - wel symptomen
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
25 Traumatische ervaringen: geen - vele
26 Jeugdherinneringen: prettig - onprettig
27 Optimisme: optimistisch - pessimistisch
28 Inkomstenverandering: thans meer - thans minder
29 Rookpatroonverandering: thans meer - thans minder
30 Drinkpatroonverandering: thans meer - thans minder
31 Woonstreek: Noorden - Zuiden
32 Kerkgenootschap B: N.H. - Ger. - And. - Geen - R.-K.
33 Frequentie doktersbezoek: vaak - nooit
34 Aantal werkuren: geen, - 5 → veel
1
2
3
4
5
1
1.00
.022
-.111
-.113
.424
2
.022
1.00
-.104
-.187
.003
3
-.111
-.104
1.00
.289
.067
4
-.113
-.187
.289
1.00
.122
5
.424
.003
.067
.122
1.00
6
.035
.075
.079
.106
.155
7
.016
-.211
.155
.194
.080
8
-.041
.249
.334
-.163
-.007
9
-.163
.006
.193
.138
-.036
10
.010
-.007
.022
.139
.047
11
.003
.011
.197
.134
.061
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
.009
-.059
-.077
-.062
-.023
13
-.674
-.061
.149
.094
-.299
14
.008
.084
-.117
-.119
-.052
15
.037
-.008
.034
.108
.037
16
-.273
-.097
.089
.119
-.105
17
.129
.239
-.029
-.047
.086
18
-.137
-.116
.115
-.032
-.113
19
.162
-.009
.119
.096
.183
20
-.023
.042
-.018
.071
-.014
21
-.034
.049
-.049
.009
-.009
22
.120
-.016
.000
-.008
.073
23
-.121
.136
-.030
-.046
-.079
24
.115
.080
-.037
-.006
.094
25
.002
.027
.054
-.028
-.018
26
.049
.101
.013
-.078
.004
27
.054
.051
-.004
-.045
.012
28
-.025
.185
-.119
-.105
-.064
29
-.101
.020
.023
.046
-.047
30
-.192
.151
.001
-.084
-.162
31
-.041
-.080
-.058
-.093
-.045
32
-.045
-.104
.054
-.003
-.019
33
-.098
-.066
.063
.087
-.043
34
-.107
-.316
.206
.049
-.129
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
1
.035
.016
-.041
-.163
0.10
2
.075
-.211
.249
.006
-.007
3
.079
.155
.334
.193
.022
4
.106
.194
-.163
.138
.139
5
.155
.080
-.007
-.036
.047
6
1.00
.110
.072
-.170
.005
7
.110
1.00
.007
-.059
.012
8
.072
.007
1.00
.058
-.101
9
-.170
-.059
.058
1.00
.282
10
.005
.012
-.101
.282
1.00
11
.100
.044
.055
.145
.107
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
-.269
-.126
-.114
.293
.269
13
.004
.025
.034
.097
-.063
14
.078
-.038
.015
-.046
.024
15
-.037
.020
-.034
.054
.089
16
-.015
.034
-.097
.050
-.046
17
.071
-.062
.120
.056
.097
18
-.066
-.018
.034
-.019
-.112
19
.196
.110
.054
.098
.124
20
-.140
.009
-.069
.194
.251
21
.096
.079
.041
-.114
-.064
22
.106
.051
.098
-.024
.140
23
.064
-.021
-.039
-.069
-.036
24
.177
.084
.021
-.137
.045
25
.160
.202
.059
-.054
-.005
26
.108
.065
.085
-.114
.007
27
.005
-.022
.048
-.021
.005
28
-.022
-.024
.083
-.075
-.030
29
-.001
.100
.043
-.033
-.059
30
.003
.006
.107
-.029
-.007
31
-.329
-.139
-.072
.051
.004
32
-.030
-.031
-.057
.021
-.104
33
-.112
-.059
-.085
.011
-.017
34
-.098
.010
.031
.111
.025
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
1
.003
.009
-.674
.008
.037
2
.011
-.059
-.061
.084
-.008
3
.197
-.077
.149
-.117
.034
4
.134
-.062
.094
-.119
.108
5
.061
-.023
-.299
-.052
.037
6
.100
-.269
.004
.078
-.037
7
.044
-.126
.025
-.038
.020
8
.055
-.114
.034
.015
-.034
9
.145
.293
.097
-.046
.054
10
.107
.269
-.063
.024
.089
11
1.00
-.097
.023
-.041
-.008
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
-.097
1.00
-.022
-.074
-.005
13
.023
-.022
1.00
-.066
-.110
14
-.041
-.074
-.066
1.00
.176
15
-.008
-.005
-.110
.176
1.00
16
-.010
.033
.308
-.069
-.044
17
.087
-.135
-.152
.157
.042
18
.017
.009
.273
.015
-.055
19
.114
-.156
-.173
.012
.074
20
.034
.144
-.035
.007
.045
21
-.041
-.124
.073
.080
.022
22
.043
-.053
-.070
.127
.069
23
-.045
-.197
.104
.040
.013
24
.071
-.152
-.045
.140
.100
25
.089
-.146
.037
.101
-.004
26
.029
-.119
-.043
.047
.002
27
.002
-.025
-.047
-.056
.035
28
-.021
.014
.000
.015
-.021
29
.053
-.057
.076
.018
-.039
30
-.024
.011
.144
.073
-.024
31
-.175
.459
.036
-.070
-.024
32
-.044
.339
.092
-.054
.005
33
-.021
.052
.076
-.097
.003
34
.019
.072
.106
.032
-.006
11
12
13
14
15
16
17
1
-.273
.129
2
-.097
.239
3
.089
-.029
4
.119
-.047
5
-.105
.086
6
-.015
.071
7
.034
-.062
8
-.097
.120
9
.050
.056
10
-.046
.097
11
-.010
.087
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
.033
-.135
13
.308
-.152
14
-.069
.157
15
-.044
.042
16
1.00
-.250
17
-.250
1.00
18
.091
-.136
19
-.033
.175
20
-.068
.056
21
.003
-.044
22
-.035
.112
23
.064
.002
24
-.069
.063
25
-.006
.116
26
-.045
.040
27
-.066
.064
28
-.060
.016
29
-.018
-.015
30
-.062
-.024
31
.041
-.299
32
.124
-.243
33
.058
-.040
34
.048
-.045
16
17
18
19
20
21
22
1
-.137
.162
-.023
-.034
.120
2
-.116
-.009
.042
.049
-.016
3
.115
.119
-.018
-.049
.000
4
-.032
.096
.071
-.009
-.008
5
-.113
.183
-.014
-.009
.073
6
-.066
.196
-.140
.096
.106
7
-.018
.110
.009
.079
.051
8
.034
.054
-.069
.041
.098
9
-.019
.098
.194
-.114
-.024
10
-.112
.124
.251
-.064
.140
11
.017
.114
.034
-.041
.043
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
.009
-.156
.144
-.124
-.053
13
.273
-.173
-.035
.073
-.070
14
.015
.012
.007
.080
.127
15
-.055
.074
.045
.022
.069
16
.091
-.033
-.068
.003
-.035
17
-.136
.175
.056
-.044
.112
18
1.00
-.152
-.015
-.075
-.051
19
-.152
1.00
-.018
-.006
.059
20
-.015
-.018
1.00
-.044
.008
21
-.075
-.006
-.044
1.00
.206
22
-.051
.059
.008
.206
1.00
23
.028
-.013
-.048
.001
-.062
24
-.066
.086
-.002
.308
.406
25
-.011
.089
-.052
.129
.146
26
-.031
.008
-.080
.145
.107
27
-.021
.081
.030
.037
.173
28
-.030
-.064
-.032
.043
.055
29
.000
-.004
.009
.100
.002
30
-.012
-.095
-.013
.095
-.004
31
.070
-.312
.026
-.071
-.140
32
.062
-.149
-.066
.026
-.099
33
.084
-.105
-.031
-.211
-.154
34
.110
-.074
.030
-.063
.052
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
1
-.121
.115
.002
.049
.054
2
.136
.080
.027
.101
.051
3
-.030
-.037
.054
.013
-.004
4
-.046
-.006
-.028
-.078
-.045
5
-.079
.094
-.018
.004
.012
6
.064
.177
.160
.108
.005
7
-.021
.084
.202
.065
-.022
8
-.039
.021
.059
.085
.048
9
-.069
-.137
-.054
-.114
-.021
10
-.036
.045
-.005
.007
.005
11
-.045
.071
.089
.029
.002
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
-.197
-.152
-.146
-.119
-.025
13
.104
-.045
.037
-.043
-.047
14
.040
.140
.101
.047
-.056
15
.013
.100
-.004
.002
.035
16
.064
-.069
-.006
-.045
-.066
17
.002
.063
.116
.040
.064
18
.028
-.066
-.011
-.031
-.021
19
-.013
.086
.089
.008
.081
20
-.048
-.002
-.052
-.080
.030
21
.001
.308
.129
.145
.037
22
-.062
.406
.146
.107
.173
23
1.00
-.022
.007
-.028
.013
24
-.022
1.00
.221
.216
.105
25
.007
.221
1.00
.306
.077
26
-.028
.216
.306
1.00
.046
27
.013
.105
.077
.046
1.00
28
.014
.066
-.023
-.020
.040
29
-.009
.026
.007
-.035
-.010
30
.032
.030
0.69
.016
.021
31
-.152
-.187
-.181
-.080
-.055
32
-.111
-.049
-.064
-.020
-.112
33
.045
-.171
-.084
-.065
-.007
34
-.032
-.058
.027
-.032
.018
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
1
-.025
-.101
-.192
-.041
-.045
2
.183
.020
.151
-.080
-.104
3
-.119
.023
.001
-.058
.054
4
-.105
.046
-.084
-.093
-.003
5
-.064
-.047
-.162
-.045
-.019
6
-.022
-.001
.003
-.329
-.030
7
-.024
.100
.006
-.139
-.031
8
.083
.043
.107
-.072
-.057
9
-.075
-.033
-.029
.051
.021
10
-.030
-.059
-.007
.004
-.104
11
-.021
.053
-.024
-.175
-.044
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
.014
-.057
.011
.459
.339
13
.000
.076
.144
.036
.092
14
.015
.018
.073
-.070
-.054
15
-.021
-.039
-.024
-.024
.005
16
-.060
-.018
-.062
.041
.124
17
.016
-.015
-.024
-.299
-.243
18
-.030
.000
-.012
.070
.062
19
-.064
-.004
-.095
-.312
-.149
20
-.032
.009
-.013
.026
-.066
21
.043
.100
.095
-.071
.026
22
.055
.002
-.004
-.140
-.099
23
.014
-.009
.032
-.152
-.111
24
.066
.026
.030
-.187
-.049
25
-.023
.007
.069
-.181
-.064
26
-.020
-.035
.016
-.080
-.020
27
.040
-.010
.021
-.055
-.112
28
1.00
.065
.108
-.005
-.016
29
.065
1.00
.093
-.033
.064
30
.108
.093
1.00
.035
.069
31
-.005
-.033
.035
1.00
.371
32
-.016
.064
.069
.371
1.00
33
-.036
-.037
-.044
.096
.045
34
-.051
-.034
-.022
.051
.087
28
29
30
31
32
33
34
1
-.098
-.107
2
-.066
-.316
3
.063
.206
4
.087
.049
5
-.043
-.129
6
-.112
-.098
7
-.059
.010
8
-.085
.031
9
.011
.111
10
-.017
.025
11
-.021
.019
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
12
.052
.072
13
.076
.106
14
-.097
.032
15
.003
-.006
16
.058
.048
17
-.040
-.045
18
.084
.110
19
-.105
-.074
20
-.031
.030
21
-.211
-.063
22
-.154
.052
23
.045
-.032
24
-.171
-.058
25
-.084
.027
26
-.065
-.032
27
-.007
.018
28
-.036
-.051
29
-.037
-.034
30
-.044
-.022
31
.096
.051
32
.045
.087
33
1.00
.064
34
.064
1.00
33
34
1 Sex: man - woman
2 Age: young - old
3 Incomes: low - high
4 Education: low level - high level
5 Kind of work: outdoors - indoors
6 Size of residence place: small - big
7 Migration index: low - high frequency
8 Family integration: single without children - married with children
9 Social participation index: low scores - high scores
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
10 Culture involvement: low scores - high scores
11 Contacts with mass communication media: none - many
12 Church-affiliation A: none - smaller churches - Dutch Reformed - Calvinist Roman Catholic
13 Smoking habits: does not smoke - smokes much
14 Attitude to smoking: tolerant - intolerant
15 Smoking as cause of lung-illness: does not believe it - believes it
16 Drinking habits: does not drink - drinks much
17 Attitude to drinking: tolerant - intolerant
18 Coffee drinking habits: does not drink - drinks much
19 Habit of eating sweets: non-existent - intensive
20 Social attitude: asocial - altruistic, helpful
21 General satisfaction: content - discontent
22 Worries: no worries - many worries
23 Normative pattern: collectivistic - individualistic
24 Symptoms of lack of well-being: no symptoms - many symptoms
25 Traumatic youth experiences: none - more than one kind
26 Youth-reminiscences: warm - unpleasant
27 Optimism: optimistic - pessimistic
28 Change in incomes: now higher - now lower
29 Change in smoking pattern: now more - now less
30 Change in drinking pattern: now more - now less
31 Residential region: the North - the South
32 Church-affiliation B: Protestant - Without - Roman Catholic
33 Contacts with family-doctor: frequent - none
34 Working-hours: none, short - long
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
385
2.8 Verdere analyse
Met het opstellen van de basismatrijs van correlaties waren de voorbereidende
bezigheden beëindigd en kon men tot een verdere analyse der gegevens overgaan.
Zoals in de meeste ecologische studies, stond bij ons onderzoek naar de spreiding
van gewoonten en houdingen bij de Nederlandse bevolking de vraag naar de
wetenschappelijke verklaring van de variabiliteit van de bestudeerde eigenschappen
in het centrum der belangstelling. De meest voor de hand liggende ‘verklaring’ werd
gezocht in het ‘samengaan’ van twee of meerdere verschijnselen; de spreiding van
een eigenschap (b.v. de intensieve rookgewoonten) valt samen met de spreiding
van een ander kenmerk (b.v. de subcategorieën van ‘geslacht’, d.w.z. ‘mannen’ en
‘vrouwen’) of een gehele reeks van kenmerken.
Allerlei alternatieve statistische methoden boden zich aan voor een eventuele
toepassing. Zoals in de voorafgaande paragraaf vermeld, deed de angst voor de
mogelijke interveniërende (d.w.z. de statistische relatie verstorende) invloeden ons
naar de techniek zoeken die de maximale informatie zou benutten, die althans met
alle bij onze analyse betrokken variabelen rekening zou houden. De factoranalyse
leek in dit verband de aangewezen werkwijze te zijn.
De keuze van een adequaat factoranalytisch procédé werd ons vergemakkelijkt
door het feit dat op verzoek van prof. Dr. B.J. Kouwer door de medewerkers van
het Mathematisch Instituut te Groningen een programma voor de elektronische
bewerking van factoranalyse (voor de ZEBRA) was opgesteld waarvan we gebruik
konden maken bij de bewerking van onze gegevens. Professor Kouwer verkoos
1
voor de programmering H.F. Kaisers Varimax-methode . Zoals reeds de naam
aanduidt, is deze gebaseerd op het principe dat een correlatiematrijs tot een minimaal
aantal dimensies wordt gereduceerd die de maximale variantie van de variabelen
‘verklaren’. Daar het zo verkregen model, bestaande uit een beperkt aantal
dimensies, optimale eigenschappen heeft, is de oplossing uniek (d.w.z. zijn er geen
alternatieve oplossingen bij de toepassing van deze methode mogelijk) en bezit
daardoor een hogere objectieve waarde dan de meeste andere methoden van
factoranalyse en van de rotatie waarbij zowel het aantal als ook de aard en de ligging
der dimensies subjectief worden bepaald. Het principe van het zoeken naar de
maximale variantie wordt ook bij de rotatie van de factoren toegepast: hierdoor
1
H.F. Kaiser, The Varimax Method of Factor Analysis, University of California, Microfilm van
een dissertatie. Zie ook H.F. Kaiser, ‘The varimax criterion for analytical rotation in factor
analysis’, Psychometrika, 23, (1958) blz. 187-200.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
386
verkrijgt men factoren die gemakkelijker te interpreteren zijn daar de verschillen
tussen de hoge en lage ladingen tot de hoogste waarden zijn opgevoerd.
In Tabel 2.8.1 zijn de resultaten van de factoranalyse neergelegd. Al heeft men
hier machinaal een groot aantal factoren geëxtraheerd (10 in totaal), men dient te
bedenken dat de residuwaarden afnemen met elke
Tabel 2.8.1 Factoranalyse van de 34 variabelen uit de basis correlatie
matrix
Table 2.8.1 Factor analysis of the 34 variables of the Basic Correlation
Matrix
Factoren
Factors
Varia- I
II
bele
Variable
1
+440 -634
III
IV
V
VI
VII
VIII
IX
X
+046
-313
+051
+182
-087
-040
-007
-009
2
+274
-051
-401
+434
-248
+168
+293
+233
+024
+153
3
-048
+355
+520
+042
-018
+499
-038
-049
+116
+153
4
-049
+182
+606
-118
+018
-183
+263
-098
+044
+070
5
+335
-357
+283
-299
+012
+188
+195
+042
+019
+180
6
+441
+282
+087
-198
-062
+016
+207
+203
+125
+107
7
+166
+259
+302
-267
+189
-025
+131
-190
-011
-385
8
+186
+225
-075
+280
-084
+691
-061
-085
+078
+157
9
-239
-076
+448
+534
+030
+072
+071
+124
+025
+054
10
+037
-222
+397
+456
+201
-253
+094
+185
-071
-060
11
+161
+157
+369
+155
-055
+179
+099
+069
-050
-076
12
-492
-439
+056
+242
+368
+085
+096
+159
-028
+003
13
-417
+682
-032
+165
+010
-100
+059
+078
-080
+072
14
+227
+025
-196
+197
+139
-225
-255
-048
+610
+004
15
+116
-099
+146
+111
+149
-222
-100
-120
+495
+309
16
-326
+350
+110
-156
+046
-195
+125
+270
-081
+303
17
+451
-121
+049
+379
-266
+028
-161
-005
+104
-137
18
-291
+272
-032
-074
-021
+114
-348
-056
-003
+067
19
+425
-029
+390
+008
-147
+007
+120
+035
+037
+073
20
-069
-197
+217
+418
+094
-229
+047
-132
-130
-207
21
+262
+258
-222
-045
+440
-097
+215
-090
-023
+120
22
+404
+066
+039
+142
+475
-059
-190
-133
-192
+297
23
+050
+238
-164
+029
-360
-307
-029
+074
+036
+188
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
24
+498
+154
-081
+015
+479
-119
-005
+004
-078
+195
25
+354
+317
+008
+012
+251
+044
-183
+331
-030
-381
26
+310
+164
-133
-044
+265
+139
-149
+492
-056
-244
27
+191
-009
-021
+135
+083
+039
-219
-154
-524
+240
28
+062
+005
-333
+188
+018
+072
+184
-289
-172
+083
29
+007
+201
-062
+030
+071
+065
+358
=483
+067
-259
30
-043
+235
-304
+292
+120
+115
+207
-105
+130
-197
31
-591
-320
-184
-041
+322
+182
+044
+066
+038
+038
32
-415
-051
-072
-197
+395
+262
+215
+131
+258
+083
33
-312
-016
+099
-082
-277
-019
-190
+075
-039
+015
34
-242
+153
+253
+034
+194
+099
-548
-217
+058
-056
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
387
nieuwe factor en dat de eerst geëxtraheerde factoren voor de interpretatie
belangrijker zijn dan de later geëxtraheerde factoren.
De som van de waarden langs de hoofddiagonaal daalde van 34 bij de eerste
factor tot 30,790 bij de tweede factor, 28,401 bij de derde factor, 26,220 bij de vierde
tot 17,569 bij de tiende factor.
Tabel 2.8.2 Varimax-rotatie van de negen factoren
Table 2.8.2 Results of the rotation of nine factors according to Varimax
procedure
2
I
II
III
IV
V
VI
VII
VIII
IX
1
-13
-838
-43
-107
+69
-82
+33
+111
-31
Σv
0,742
2
+157
+40
-553
+52
+47
+161
+536
-83
-21
0,658
3
-22
+75
+296
-2
-65
+730
-188
+33
-13
0,667
4
+79
+61
+669
+218
-65
+126
+48
-53
+30
0,531
5
-24
-587
+252
-41
+23
+117
+219
+89
-70
0,485
6
+265
-17
+231
-237
+238
+187
+349
+156
+74
0,423
7
+68
-28
+497
-102
+242
+112
-55
-99
-16
0,347
8
+36
-15
-346
-164
+91
+700
-47
-143
-42
0,671
9
-111
+117
+19
+638
-176
+328
-8
+50
+34
0,576
10
+9
-46
+75
+722
+97
-4
+93
+138
+51
0,569
11
+156
-6
+168
+180
+44
+400
+73
+58
-86
0,263
12
-653
-45
-131
+453
-112
-79
-25
+48
-48
0,675
13
-29
+809
+110
-8
-0
+109
-73
-37
-81
0,693
14
+112
+8
-212
-19
+196
-73
-63
+14
+730
0,639
15
+28
-120
+97
+161
+64
-34
-66
-31
+580
0,397
16
-123
+464
+313
-25
-53
-86
+76
+208
-109
0,400
17
+462
-231
-302
+195
+15
+199
+60
+27
+178
0,472
18
-61
+274
-28
-194
-115
+89
-398
+77
-12
0,303
19
+343
-279
+245
+133
+52
+232
+188
+79
+34
0,372
20
+41
-14
-12
+570
-3
-88
-69
-153
-7
0,363
21
-5
+114
+76
-117
+592
-88
+128
-180
+36
0,444
22
+117
-136
-18
+167
+625
-3
-238
-11
-27
0,509
23
+380
+288
-62
-115
-137
-175
+126
+38
+84
0,318
24
+109
-77
+37
+8
+708
-56
+21
+32
+51
0,528
25
+139
+110
-20
-79
+473
+170
-0
+380
+25
0,436
26
-19
+34
-159
-141
+438
+121
+109
+483
-46
0,500
27
+212
-94
-159
+129
+247
-35
-280
-50
-414
0,410
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
28
+19
+31
-261
-23
+142
-47
+69
-426
-156
0,303
29
-24
+86
+154
-86
+118
+105
+67
-592
+32
0,420
30
-111
+290
-237
-23
+181
+141
+140
-307
+114
0,333
31
-741
+20
-148
+52
-162
-138
-96
-21
-45
0,631
32
-717
+76
+104
-133
+5
+80
+79
+13
+111
0,574
33
+9
+109
+25
-26
-404
-37
-164
+155
-73
0,234
34
-79
+92
+81
+55
-16
+164
-687
+74
+128
0,545
2
ΣΣv =16,431
2
Σf
2,258 2,429 1,945 1,898 2,250 1,714 1,460 1,266 1,209
2
ΣΣf =16,429
%:
6,64+ 7,14+ 5,72+ 5,58+ 6,62+ 5,04+ 4,29+ 3,72+ 3,56=48,32
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
388
In Tabel 2.8.2 vinden we dan de resultaten van het roteren van de factoren volgens
Kaisers Varimax-techniek. Zoals in de tabel van factoren, duiden de getallen in de
eerste kolom de variabelen aan in dezelfde volgorde als in de Basis Correlatie
Matrix. De sommen in de laatste kolom en in de laatste regel geven de ‘verklaarde’
variantie aan. Het percentage van de verklaarde variantie wordt verkregen indien
we deze verklaarde variantie delen door de som van ‘communalities’; voor de 34
factoren bedraagt deze 34. De verklaarde variantie is dan
Met andere woorden, wij zijn erin geslaagd factoren te vinden die met bijna de helft
van de geconstateerde variabiliteit van de onderzochte kenmerken in verband
kunnen worden gebracht.
Beperken we echter onze analyse, om de redenen zojuist vermeld, tot b.v. de
eerste vier factoren, dan verkrijgen we een veel lager percentage, nl.
6,6% + 7,1% + 5,7% + 5,6% = 25,0%.
Waarschijnlijk is het aan de heterogeniteit van de gekozen variabelen te wijten dat
er zo weinig eenheid kon worden gevonden in ons onderzoekmateriaal.
Richten we onze aandacht in plaats van op de factoren op de onderzochte
variabelen, dan bemerken we dat b.v. het geslacht, de intensiteit van roken, het
kerkgenootschap, het inkomstenniveau, de leeftijd, de burgerlijke staat, de houding
t.o.v. het roken, en de woonplaats betrekkelijk hoge ladingen vertonen, terwijl de
frequentie van contacten met de dokter, met de communicatiemedia, de intensiteit
van koffiegebruik, de normbeleving, de verandering in het drinkpatroon en nog
andere tot de weinig ‘verklaarde’ of ‘verklarende’ variabelen behoren in onze matrijs
van 34.
Beschouwen we de ladingen van de afzonderlijke factoren, dan bemerken we dat
de factoranalyse van het onderzoeksmateriaal zeker niet geheel zinloos is geweest.
Factor I vertoont de volgende hogere ladingen:
Factor I
31
Woonstreek: -.741
Noord-Zuid
23
normbeleving .380
32
Kerk-.717
genootschap
B
19
Snoepgewoonten
12
Kerk-.653
genootschap
A
6
Grootte van .265
woonplaats
17
Houding
.462
t.o.v. drinken
27
Optimisme
.343
.212
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
389
Het valt niet moeilijk in deze factor de verdeling van ons land in de twee voornaamste
geografische en culturele onderdelen te herkennen. De eerste drie ladingen
behoeven nauwelijks commentaar, behalve het feit dat kerkgenootschap B
(Katholiek-Protestant continuüm) een hogere lading heeft dan A (het veronderstelde
‘kerkelijkheid-onkerkelijkheid’ of ‘kerkelijk gezag’ continuüm). Zowel ‘normbeleving’
als ‘houding t.o.v. het drinken’ kan in zinvol verband met de wereldbeschouwing
worden gebracht. De snoepgewoonten schijnen daarentegen bij het rooms-katholieke
volksdeel in het Zuiden niet met dezelfde regelmaat voor te komen als in het
nietkatholieke Noorden. De veel lagere lading van variabele 6 (grootte van de
gemeente waarin men woont) schijnt op de geografische omstandigheden te
berusten, nl. hogere agglomeratie van de bevolking ten noorden van de rivieren in
de grote steden met meer dan 100.000 inwoners. Het verband tussen de
wereldbeschouwing en de optimistische mentaliteit is reeds in vroegere studies
1
gesignaleerd .
Niet slechts de variabelen met de opvallend hoge, immers ook de variabelen met
opvallend lage ladingen laten een zinvolle interpretatie toe. Zoals verwacht, vertonen
het geslacht, de inkomsten, de aard van het werk (buiten- of binnenwerk), het aantal
werkuren of de frequentie van bezoek aan de dokter bijzonder lage ladingen; geen
van de bovenvermelde variabelen werd immers verondersteld met de
sociaal-culturele verdeling van ons land in de twee belangrijkste subgroepen te
correleren. Niet verwacht, maar desondanks zinvol, is het ontbreken van een verband
tussen Factor I en onze variabele 10, die de intensiteit van cultuuraanvaarding (de
mate van het geïnvolveerd-zijn-in) tracht te meten. De betrekkelijke onafhankelijkheid
van deze schaal van de beide variabelen ‘Kerkgenootschap’ en ‘Verdeling
Zuid-Noord’ rechtvaardigt o.i. de constructie hiervan. Eveneens opvallend is de lage
lading van alle variabelen betrokken op het roken en de vermoede gevolgen van
het roken. Terwijl de houding t.o.v. het drinken een betrekkelijk hoge lading kent,
ontbreekt het verband tussen het roken en Factor I bijna geheel.
Gaan we thans van Factor I naar de tweede factor van onze tabel, dan kan ook
deze betrekkelijk gemakkelijk worden geïdentificeerd. Hoge ladingen vertoonden
de volgende variabelen:
Factor II
1
Geslacht:
man-vrouw
-.838
30
Drinkpatroon- .290
verandering
13
Intensiteit
roken
.809
23
Normbeleving .288
5
Aard van het -.553
werk
19
Snoepgewoonten
16
Intensiteit
drinkgewoonten
18
Koffiegebruik .274
1
.464
-.279
A Dutch Community, blz. 446 en de literatuur daar aangehaald, zie ook 1.5, blz. 201.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
390
Indien we beseffen dat de correlatie tussen het roken en het geslacht tot de hoogste
behoorde op onze basismatrijs, en dat de vrouwen (huisvrouwen) voornamelijk de
binnenwerkers zijn, dan zal het ons niet moeilijk vallen deze Factor II te zien als het
sociale equivalent van het man-zijn in onze samenleving. Vandaar dat zowel het
roken als het drinken positief is geladen hiermee, terwijl het snoepen negatieve en
het koffiedrinken positieve ladingen vertonen. Dat mannen er een meer
individualistisch normenstelsel op na houden, terwijl de vrouwen vooral het
overtreden van seksuele delicten afkeuren, hebben wij door middel van de analyse
der correlaties kunnen vaststellen. Eveneens in overeenstemming met onze
hypothesen kon het verband met drinkpatroonverandering worden geinterpreteerd:
in de puberteitsjaren gaan vooral de jonge mannen zich weleens aan drank te buiten
teneinde hun volwassen rol te accentueren; na eigen huwelijkssluiting valt er een
vermindering van alcoholgebruik waar te nemen. Bij vrouwen hebben we deze
cyclus niet kunnen constateren.
Moeilijker dan de beide eerste factoren was Factor III te interpreteren. De hoogste
ladingen zijn hier als volgt verdeeld:
Factor III
4
Opleiding: lagere - hogere .669
2
Leeftijd: lagere - hogere
7
Migratie-index: laag - hoog .497
8
Gezinsbinding: laag - hoog -.346
16
Intensiteit drinkgewoonten .313
17
Houding t.o.v. het drinken -.302
3
Inkomsten
.296
28
Inkomstenverandering
-.261
19
Snoepgewoonten
.245
6
Grootte van de woonplaats .231
-.553
Het gaat hier om de groepering van jongere ongehuwde mensen met meer opleiding,
die (mogelijk als gevolg hiervan) verhuisden, zodat ze thans overwegend in grote
steden wonen; hiermee gaat samen zowel meer alcoholgebruik als een meer
tolerante houding t.o.v. het drinken en - dit in tegenstelling tot het door
correlatie-analyse gesignaleerde negatief verband - tevens het snoepen. Wij menen
dat we hier met een algemeen emancipatieverschijnsel te maken hebben, met de
tweede generatie (of beter: generatie jongeren) die, zonder nog tot eigen
gezinsvorming over te gaan, door opleiding en migratie naar de stedelijke
samenleving zich van de generatie ouders losrukte.
Factor IV geeft eveneens nog een zinvol resultaat te zien; onze werkwijze volgend,
verkrijgen we hier:
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
391
Factor IV
10
Intensiteit
.722
cultuuraanvaarding: laag hoog
9
Sociale participatie: laag - .638
hoog
20
Sociale instelling: asociaal .570
- behulpzaam
12
Kerkgenootschap A: laag .453
gezag - hoog gezag
6
Gemeentegrootte: klein groot
-.237
4
Opleiding: laag - hoger
.218
Bij de constructie van onze schalen hebben we niet durven hopen dat deze schalen
zelfs door de factoranalyse naar voren zouden worden gebracht. Met de
‘cultuuraanvaardingschaal’ bleek dit wel het geval. We menen in deze Factor IV de
mate van maatschappelijke binding te zien; zowel kerkgenootschap (gerangschikt
naar de mate van het collectieve gezag!) en opleiding waren reeds door vroegere
onderzoekingen in verband gebracht met participatie. De samenhangen tussen de
cultuuraanvaarding en het participatiecomplex, evenals die met de sociale instelling
t.o.v. de medemensen, is echter aanwinst, die theoretische verklaring vereist. De
oudere theorie omtrent het verlies van sociale bindingen in de steden komt in de
hogere lading met variabele 6 om de hoek kijken.
Aangemoedigd door de zinvolle interpretatie van de ladingen van de voortgezette
factoranalyse hebben wij ook nog aan andere factoren aandacht geschonken:
Factor V
24
Persoonlijkheidsevenwicht: .708
geen klachten - klachten
22
Bezorgdheid: geen zorgen .625
- vele zorgen
21
Tevredenheid: tevreden - .592
ontevreden
25
Traumatische ervaringen: .473
geen - veel
26
Jeugdherinneringen:
prettig - onprettig
33
Frequentie doktersbezoek: -.404
vaak - nooit
.438
We treffen een opvallende consistentie aan in de richting der ladingen en tevens in
de semantische aard van de betrokken variabelen. Want dit zijn de subjectieve
variabelen die we bij ons onderzoek hebben ingelast teneinde het zich wel-bevinden
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
der mensen te kunnen meten. We aarzelen dan ook niet om deze Factor V aan te
duiden als: de mate van psychisch evenwicht of ‘tevredenheid’. De hoge ladingen
van beide ‘jeugdvariabelen’ zijn interessant: zowel de psychiatrie als ook de
ontwikkelingspsychologie en de sociale psychologie leggen, zoals bekend, de nadruk
op de invloed van de jeugdjaren op de persoonlijkheidsvorming. Alweer zijn ook de
ontbrekende ladingen niet zonder betekenis: het valt b.v. op dat nauwelijks één der
objectieve factoren met de ‘batterij’ in verband kan worden gebracht. Tabel 2.8.2
geeft nog de volgende twee ladingen weer:
7
Migratie-index: o meerdere keren
.242
6
Grootte van de
woonplaats: klein - groot
.238
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
392
Deze ladingen suggereren dat er inderdaad minder ‘tevredenheid’ bestaat bij
migranten en dat de subjectieve klachten ook in de grote steden frequenter
voorkomen.
We kunnen kort zijn met de bespreking van de overige factoren. Factor VI bundelt
samen: inkomsten, gezinsbinding, contact met massacommunicatiemiddelen en
sociale participatie. Er is enige aanleiding om in deze factor de ‘maatschappelijke
status’ te zien: gehuwden hebben immers hogere inkomsten dan ongehuwden
(kinderbijslag) en kunnen zich makkelijker een radio, een krant of weekbladen
permitteren dan ongehuwden en mensen met lagere inkomsten. Uit vorige
onderzoekingen weten we dat participatie aan het verenigingsleven met hogere
sociale status gepaard gaat (A Dutch Community, blz. 421).
Factor VII bindt op nog zinvolle wijze te zamen de hogere leeftijd met korte
werkuren en het wonen in de kleine gemeenten. Wellicht gaat het hier om
‘gepensioneerden’ of ‘bejaarden’. Opvallend is het lage koffiegebruik (door
hartziekten?), aangeduid door de hoge lading van variabele 18.
In de hieropvolgende Factor VIII zijn op nog steeds zinvolle wijze de drie
‘veranderingsvariabelen’ gekoppeld: inkomstenvermeerdering gaat met meer roken
en drinken gepaard.
In de laatste geroteerde Factor IX treedt tenslotte de gezochte houding ten opzichte
van het roken naar voren; deze is hier gekoppeld aan de aanvaarding van de kennis
dat de rookgewoonten van invloed zijn op het ontstaan van longkanker. Het valt op
dat de variabele optimismepessimisme in de verwachte richting geladen blijkt te
zijn: optimisten aanvaarden immers de kennis niet en staan ook minder afwijzend
tegenover het roken dan pessimisten.
We behoeven niet ontevreden te zijn over de methodologische evaluatie van de
toepassing van factoranalyse op onze gegevens. Zelfs de factoren die geëxtraheerd
werden uit de zeer geringe residuwaarden van de correlatiematrix bleken nog
semantisch zinvol te zijn en in overeenstemming met de verwachtingen.
Er zijn echter ook bezwaren tegen een zo brede en heterogene opzet van
factoranalyse naar voren te brengen. Zoals reeds vermeld, is de ‘verklaarde’ variantie
niet al te hoog. Dit bevestigt het vermoeden dat de deelonderzoekingen, afzonderlijk
gericht nu eens op de rookgewoonten, dan weer op de drinkgewoonten en andere
afhankelijke variabelen wellicht meer licht zullen werpen op de causale
samenhangen.
Een tweede bezwaar treft juist de synthetische denkwijze die bij de factoranalyse
wordt toegepast. Het is prettig om te weten, dat formele sociale participatie,
kerkgenootschap en cultuuraanvaarding een com-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
393
plexe factor vormen. Onze belangstelling gaat echter vaak naar deze variabelen
afzonderlijk: hoe verklaren we de variatie in participatie en cultuuraanvaarding
afzonderlijk?
Dergelijke vragen kunnen deels worden beantwoord indien we een meer
homogene reeks variabelen dan de totale matrix in een nieuw factoranalytisch
schema opnemen. Als voorbeeld kunnen dienen de subjectieve variabelen, die pas
in de vijfde kolom (factor V) van onze Tabel 2.8.2 aanzienlijk hoge ladingen vertonen.
Ter vergelijking met de tot dusver gevolgde methode stellen we een nieuwe matrijs
van correlaties op, dit keer echter gebaseerd op de afzonderlijke vragen en bewerkt
niet door middel van het ‘produktmoment’ maar met behulp van de tetrachorische
correlatie.
Het voordeel hiervan is dat deze coëfficiënt dank zij de schattingstabellen makkelijk
1
kan worden vastgesteld . Teneinde de geschatte waarden te verkrijgen, werden de
variabelen in tweedelingen samengetrokken (gedichotomiseerd); daar de
tetrachorische correlatie slechts op de niet al te scheve verdelingen mag worden
toegepast, trachtten wij bij het dichotomiseren de meest gelijke, nog zinvolle verdeling
in twee subcategorieën te verkrijgen. De volgende variabelen werden bij de analyse
betrokken:
Vraag no.
12
Specificatie
Werksatisfactie
Subcategorieën
‘ja’ - de rest
Variabele no.
1
16
Angst werkloosheid ‘neen’ - de rest
17
Tevredenheid
loopbaan
‘tevreden’ - de rest 3
21
Toekomstkansen
‘wel kansen’ - de
rest
23
Gezondheidssatisfactie ‘tevreden’ - de rest 5
33
Tevredenheid
huisvesting
109t/m115
‘Spanningssymptomen’ geen - de rest
7
116
Zorgen over de
dood
‘neen’ - de rest
8
129
Geschokt
vertrouwen
‘neen’ - de rest
9
135
Traumatische
ervaringen
geen - de rest
10
134
Jeugdherinneringen prettig - de rest
11
136-9
Eenzaamheid,
doelloosheid
12
2
4
‘tevreden’ - de rest 6
geen - de rest
De vragennummers corresponderen met de nummering op de vragenlijst in de
Bijlage. De specificatie is uiterst beknopt gehouden; men raadplege de
oorspronkelijke vragen om de betekenis van de variabelen te vatten.
1
Wij maakten een dankbaar gebruik van ‘A table for the rapid determination of the tetrachoric
correlation coefficient’ van M.D. Davidoff en H.W. Goheen, in Psychometrika, Vol. 18, blz.
118 en Vol. 19, blz. 163-164 (1953 en 1954).
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Teneinde de subcategorieën aan te duiden, hebben we ons van de antwoorden
op de oorspronkelijke vragen bediend; indien op de vragen 109
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
394
t/m 115 geen positief antwoord werd gegeven, werd de desbetreffende persoon
onder de categorie ‘geen’ gerangschikt; alle andere personen zijn voor de schatting
van de correlatie onder de categorie ‘de rest’ opgenomen. Op dezelfde wijze is ook
de complexe variabele 12 opgebouwd op de positieve antwoorden op de vragen
naar eenzaamheid, verveling of doelloosheid van het leven.
Oorspronkelijk hadden we nog de houding t.o.v. de toekomst bij deze analyse
willen betrekken (de optimisme-pessimismevariabele no.27 van de Basis Matrix);
deze bleek echter bijzonder laag met de overige 12 grootheden te correleren
(gemiddelde coëfficiënt was .07) zodat we besloten haar te elimineren. Zoals de
Tabel 2.8.3 weergeeft, vertoonden de overige variabelen veel hogere statistische
samenhangen:
Tabel 2.8.3 Intercorrelaties van de twaalf subjectieve variabelen
Table 2.8.3 Correlation matrix of 12 subjective variables
Werk1
satisfactie
1
1.00
2
.35
3
.64
4
.16
5
.37
6
.27
1.00
.20
.14
.17
.13
1.00
.03
.28
.21
1.00
.18
-.10
1.00
.18
Worksatisfaction
Angst
2
werkloosheid
Fear of
unemployment
Tevreden- 3
heid
loopbaan
Satisfaction
with
one's
own
career
Toekomst- 4
kansen
Perception of
chances
Tevreden- 5
heid
gezondheid
Satis-
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
faction
with
one's
health
Tevreden- 6
heid
huisvesting
Satisfaction
with the
housing
conditions
1.00
Spannings- 7
symptomen
Symptoms
of inner
tensions
Zorrgen
over de
dood
Worries
about
death
8
Geschokt 9
vertrouwen
Broken
confidence
Trauma- 10
tische
ervaringen
Traumatic
experiences
Jeugd- 11
herinneringen
Evaluation
of one's
own
youth
Eenzaam- 12
heid enz.
Loneliness,
lack of
purpose,
etc.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
Tabel 2.8.3 Intercorrelaties van de twaalf subjectieve variabelen
Table 2.8.3 Correlation matrix of 12 subjective variables
7
.23
8
.00
9
.20
10
.13
11
.31
12
.40
Som
4.06
.11
.00
.06
.09
.22
.17
2.64
.13
.03
.18
.13
.17
.33
3.33
-.02
.11
-.01
-.03
.12
.05
1.95
Tevreden- 5
heid
gezondheid
Satisfaction
with
one's
health
.39
.03
.23
.23
.24
.23
3.53
Tevreden- 6
heid
huisvesting
.11
.03
.14
.14
.17
.06
2.54
Werk- 1
satisfactie
Worksatisfaction
Angst 2
werkloosheid
Fear of
unemployment
Tevreden- 3
heid
loopbaan
Satisfaction
with
one's
own
career
Toekomst- 4
kansen
Perception of
chances
Satisfaction
with the
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
housing
conditions
Spannings- 7
symptomen
Symptoms
of inner
tensions
Zorrgen 8
over de
dood
Worries
about
death
Geschokt 9
vertrouwen
1.00
.34
.33
.30
.30
.32
3.58
1.00
.08
.22
.18
.24
2.26
1.00
.21
.27
.19
2.90
1.00
.47
.18
3.13
1.00
.31
3.76
1.00
3.48
Broken
confidence
Trauma- 10
tische
ervaringen
Traumatic
experiences
Jeugd- 11
herinneringen
Evaluation
of one's
own
youth
Eenzaam- 12
heid
enz.
Loneliness,
lack of
purpose,
etc.
De cursief gedrukte coëfficiënten zijn naar schatting als significant te beschouwen
1
bij het waarschijnlijkheidsniveau van P < .02 . De coëfficiën1
Bij de schatting is dankbaar gebruik gemaakt van tabellen van S.P. Hayes, ‘Tables of the
standard error of tetrachoric correlation coefficient’, Psychometrika, 1943, 8, 193-203. Vóór
de significantieschatting is de correctie van Jenkins toegepast, die echter in de matrix die de
basis vormde voor de factoranalyse (Tabel 2.8.3), niet is aangebracht. Vooral de hogere
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
395
ten geven iets hogere waarden aan, daar zij op schattingen berusten. Zij werden
echter niet gebruikt om rechtstreeks de causale hypothesen te toetsen, maar slechts
als een basis voor verdere ontleding.
Volgens het Varimax-procédé werden door de medewerkers van het Mathematisch
Instituut van de R.U. te Groningen alweer de factoren geëxtraheerd en geroteerd.
In de volgende twee tabellen zijn de resultaten hiervan samengevat:
Tabel 2.8.4 Factor analyse van de twaalf variabelen betrokken op het
zich wel-bevinden der mensen
Table 2.8.4. Factor analysis of twelve subjective variables
Variabele
1
Factor I'
+.713
Factor II'
-.510
Factor III'
+.046
2
+.409
-.348
+.265
3
+.589
-.492
-.166
4
+.148
-.082
+.829
5
+.601
-.077
+.087
6
+.365
-.193
-.482
7
+.602
+.428
-.046
8
+.301
+.573
+.237
9
+.479
+.443
-.254
10
+.509
+.200
-.153
11
+.634
+.251
+.057
12
+.605
+.023
+.129
Vanwege de beperkte doelstelling bij de factoranalyse van de subjective variabelen,
besloten we de vierde factor niet meer op te nemen. De rotatie van de verkregen
drie factoren liet het volgende zien. (Zie tabel 2.8.5).
Waarschijnlijk dank zij de meer homogene aard der variabelen is de ‘verklarende’
waarde van de drie geïdentificeerde factoren hoger dan bij onze analyse van de 34
variabelen uit de Basis Correlatie Matrix. Tegenover 6 à 7% van de ‘verklaarde’
variantie per factor in Tabel 2.8.2, staat 19,8% en 19,4% voor de eerste twee factoren
van de analyse der tetrachorische correlatiecoëfficiënten. De ladingen zijn nog hoger
en het valt ons dan ook niet moeilijk deze zinvol te interpreteren.
Teneinde onnodig overschrijven te voorkomen, hebben we in Tabel 2.8.5 de
hogere ladingen cursief laten zetten. We bemerken dat de Factoren I' en II' in sterke
mate complementair zijn: variabelen hoog geladen met Factor I' zijn over het
algemeen laag geladen met Factor II' en andersom. Met betrekking tot Factor I' zijn
het vooral de satisfactievragen, die hoge ladingen vertonen; hiervan prevaleert
alweer de satisfactie met werk of werksituatie over de tevredenheid met andere
situaties: huisvesting, gezondheid. Angst dat men werkloos zal worden, is, volgens
waarden van rtet zijn door middel van correctie gereduceerd: r1-3 = .55 (in plaats van .64 op
Tabel 2.8.3), r1-5 = .31 (in plaats van .357) enz. Zie hiervoor: W.L. Jenkins, ‘An improved
method for tetrachoric r’ in Psychometrika, Vol. 20, no. 3, September, 1955, blz. 253-258.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
396
Tabel 2.8.5 Rotatie van de drie factoren volgens het varimax-procédé
Table 2.8.5 Varimax rotation of the three factors of table 2.8.4
1.
Variabele:
Factor I'
Variable:
Werksatisfactie 0.864
Factor II'
Factor III'
0.128
-0.086
Worksatisfaction
2.
Angst
0.570
werkloosheid
Fear of
unemployment
0.033
0.180
3.
Tevredenheid 0.731
loopbaan
Satisfaction
with one's own
career
0.054
-0.280
4.
Toekomstkansen 0.288
0.044
0.795
Perception of
chances
5.
Tevredenheid 0.494
gezondheid
Satisfaction
with one's own
health
0.362
0.012
6.
Tevredenheid
huisvesting
Satisfaction
with the
housing
conditions
0.319
0.114
-0.537
7.
Spanningssymptomen
Symptoms of
inner tensions
0.128
0.726
-0.066
8.
Zorgen over de -0.143
dood
Worries about
death
0.621
0.262
9.
Geschokt
vertrouwen
Broken
confidence
0.476
-0.282
0.165
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
10.
Traumatische
ervaringen
Traumatic
experiences
0.035
0.672
-0.160
11.
Jeugdherinneringen
Evaluation of
one's own
youth
0.288
0.621
0.013
12.
Eenzaamheid
enz.
Loneliness,
lack of
purpose, etc.
0.434
0.436
0.064
Percentage van de totale
variantie
Percentage of total variance
19,8% + 19,4% + 10,2% = 49,4%
onze vroegere studie, met de werksatisfactie causaal geliërd zodat de hoge lading
(.570) ons niet behoeft te verbazen (zie A Dutch Community, blz. 445). Een andere
variabele met een nog betrekkelijk hoge lading (.434) werd verkregen door het
samenvoegen van informatie verkregen door middel van drie vragen. Daar één
dezer vragen luidde: ‘Verveelt U zich nogal vaak?’, ligt het verband met satisfactie,
die voornamelijk door de werkomstandigheden bepaald is, voor de hand.
De tweede factor bindt op een consistente wijze de variabelen te zamen die
gebaseerd zijn op het vermelden van negatieve, d.w.z. onprettige en ongewenste,
gemoedstoestanden (zoals innerlijke spanningen, angst voor de dood, het
zich-ziek-gevoelen) met een aantal variabelen die wellicht in de richting van een
verklaring wijzen: onprettige herinneringen aan de jeugd, het beleven van een
sterfgeval, echtscheiding of dronkenschap van ouders in de jeugd, het verlies van
vertrouwen in mensen die men zelf waardeerde. Indien we Factor I' zien als de
algemene satisfactiefactor, dan kan deze Factor II' worden beschouwd als gebaseerd
op het ‘zich psychisch wel-bevinden’ in de engere zin. (Men bedenke echter dat sle
vragen niet in de situatie van het klinische interview zijn gesteld, doch dechts naast
tientallen andere, ‘oppervlakkige’ vragen.)
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
397
Een variabele die bijzondere aandacht verdient is no. 12, de complexe variabele
gebaseerd op eenzaamheid, doelloosheid van het leven en verveling. Het zijn
waarschijnlijk de eerste twee componenten die een hoge lading met Factor I' tot
stand brengen. Het ‘zich eenzaam voelen’ en het ‘piekeren’ of het ‘vaak angsten
hebben’ kunnen met elkaar in zinvol verband worden gebracht.
Wat Factor III' betreft, hier vinden wij slechts twee variabelen met enigszins hogere
ladingen: 4 (toekomstkansen) en 6 (ontevredenheid met huisvesting). Er zijn
inderdaad onder onze bevolking vrij veel mensen die ontevreden zijn met hun
behuizing, terwijl zij de toekomst met vertrouwen tegemoet treden: de jonggehuwden
met de zich uitbreidende gezinnen en hieruit voortvloeiende hoge dichtheid van
behuizing (groot aantal mensen per woonvertrek). We vragen ons af of Factor III'
niet deze categorie van jongere mensen en de jonggehuwden aanduidt, die door
hun jeugd meer toekomstkansen zien.
We menen uit de factoranalyse van de overwegend subjectieve variabelen wellicht
de bescheiden conclusie te mogen trekken dat het verantwoord is de
satisfactievragen en de vragen met betrekking tot eigen psychische toestand als
afzonderlijke variabelen aan de grote matrix toe te voegen (variabelen 21 en 24 in
de Basis Correlatie Matrix). Daar de twee factoren naast de subjectieve echter ook
enkele meer ‘objectieve’ variabelen omvatten (traumatische ervaringen, geschokt
vertrouwen) en daar één der variabelen (no. 12) met beide factoren geladen was,
is er aan de hand van de desbetreffende vragen slechts een cumulatieve index
opgebouwd, die in de Basis Matrix is opgenomen, zoals op blz. 380 reeds is vermeld.
Vergelijken we de resultaten van beide analysen, dan bemerken we een zekere
tegenstelling. De bewerking van de subjectieve variabelen heeft o.i. duidelijk de
satisfactievragen gescheiden van de vragen die op de Basis Matrix zijn opgenomen
onder een algemene term van ‘persoonlijkheidsevenwicht’. Nu laat Factor V van
Tabel 2.8.2 ons zien, dat beide zijn geladen in dezelfde richting. Dit suggereert dat
de twee variabelen die als afzonderlijke factoren naar voren traden bij het
factoranalyseren van subjectieve variabelen, in breder context van 32 variabelen
geplaatst een gemeenschappelijke basis blijken te bezitten, d.w.z. in zekere mate
dezelfde variabiliteit vertonen ten opzichte van de overige variabelen. De verschillen
tussen de beide componenten van de subjectieve variabelen (‘satisfactie’ en
‘persoonlijkheidsevenwicht’) zijn waarschijnlijk kleiner dan de verschillen in de
variabiliteit tussen de ‘subjectieve’ en de ‘objectieve’ variabelen (gewoonten,
sociologische basisvariabelen). We geven aan deze interpretatie de voorkeur boven
de alternatieve conclusie, dat de ladingen van Factor V vanwege de lage
residuwaarden van de matrix
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
398
toevallig of misleidend zijn. We bemerken immers dat naast de verschillen, beide
factoranalysen ook overeenstemming vertonen: de beide ‘jeugdvariabelen’ zijn met
de subjectieve kenmerken in verband gebracht zowel door de bewerking van de
grote, als van de kleinere matrix.
Toch namen we er geen genoegen mee onze bewerking tot de factoranalyse te
beperken. Zoals uit het bovenvermelde voorbeeld van subjectieve variabelen moge
blijken, geeft de factoranalyse ons weliswaar een goed inzicht in de interne structuur
van een geheel complex van kenmerken en eigenschappen, doch betrekkelijk weinig
informatie wordt daarentegen gewonnen omtrent de afzonderlijke oorzaken van de
variabelen. Daar de meeste van onze variabelen begripsmatig onafhankelijk zijn
van elkaar, gaat onze belangstelling uit naar deze variabelen afzonderlijk. Want,
om nog even te blijven bij het aangehaalde voorbeeld, we bemerken dat ondanks
de betrekkelijk hoge lading door een gemeenschappelijke factor (V) elk van de twee
variabelen, ‘satisfactie’ en ‘persoonlijkheidsevenwicht’, is gekenmerkt door een
andere patroon van statistische samenhangen. Vergelijken we de regels 21 en 24
in Tabel 2.7.5, dan treffen we vaak verschillende waarden aan in de desbetreffende
kolommen. ‘Persoonlijkheidsevenwicht’ blijkt te correleren met geslacht, leeftijd,
aard van het werk, het wel of niet aanvaarden van kennis over de oorzaak van de
longkanker, snoepgewoonten, optimisme, woonstreek, d.w.z. alle variabelen die
geen samenhang met de satisfactie vertonen. Deze laatste, op haar beurt, correleert
met de intensiteit van koffiegebruik en de verandering in het rook- en drinkpatroon,
die geenszins met de satisfactie zijn gecorreleerd. Wat is de betekenis van deze
afzonderlijke reeksen van correlaties? Is het verantwoord om deze te gebruiken bij
de poging om de spreiding van beide verschijnselen causaal te verklaren?
In de voorafgaande sectie hebben we gesteld dat het wellicht mogelijk is de
correlatiecoëfficiënt causaal te interpreteren indien door middel van het invoeren
van een testfactor systematisch de echte verbanden van de schijnverbanden worden
gescheiden. Dit is ook de interpretatie die we geven aan de onlangs gevoerde
discussie omtrent de toepassing van de significantietoetsen bij het sociaal onderzoek,
1
die door Hanan C. Selvin is uitgelokt . McGinnis meent dat de niet-experimentele
onderzoekopzet wel degelijk tot het toetsen van causale hypothesen kan worden
aange-
1
Hanan C. Selvin, ‘A critique of tests of significance in survey research’, American Sociological
Review, 22, 1957, pp. 515-527; Robert McGinnis, ‘Randomization and inference in sociological
research’, American Sociological Review, 23, 1958, 408-414 en de brieven aan de ‘editors’
door David Gold en J.M. Beshers. In Nederland: Ronald Freedman, ‘Some observations on
sampling tests’, in Sociologische Gids, V, 1958, 114-118; en M.J. Brouwer en R.J. Mokken,
‘Over de bruikbaarheid van statistische toetsen in het sociaal wetenschappelijk onderzoek’,
Sociologische Gids, VI, (1959), blz. 81-88.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
399
wend, indien een groter aantal factoren onder controle wordt gebracht. In de termen
van onze onderzoekopzet geformuleerd: we zullen slechts dan een
correlatiecoëfficiënt causaal gaan interpreteren, indien we een redelijke zekerheid
hebben dat alle mogelijk relevante factoren als testfactoren onder controle werden
gebracht.
Een absolute zekerheid kan men hieromtrent in een empirisch onderzoek
waarschijnlijk nimmer verkrijgen: we kunnen nooit zeker zijn dat een of ander
relevante vraag niet werd gesteld, of bij het proces van samentrekken der variabelen
in een analytisch schema buiten beschouwing is gelaten. Wel kunnen we, gegeven
een bepaalde onderzoekopzet, streven naar de maximale controle van de
onderzochte variabelen. Een middel hiertoe vonden we in de combinatie van de
partiële analyse van de ‘clusters’ der inter-gecorreleerde samenhangen en de
identificatie van deze clusters volgens het procédé door ons vroeger gebruikt (zie
A Dutch Community, Deel II). Het is nl. mogelijk alle series van drie variabelen te
vinden die op de Basis Matrix significant onderling zijn gecorreleerd. Elke van deze
series kan dan door middel van drie partiële correlaties nader worden geanalyseerd.
Symbolisch uitgedrukt, we zoeken een serie van variabelen A - B - C op dergelijke
wijze samengesteld, dat zowel rAB als rAC en rBC gelijk of groter is dan een
corresponderend aan een bepaald niveau van waarschijnlijkheid, dus:
rAB ≥ P rAC ≥ P rBC ≥ P.
Hierna berekenen we partiële correlaties, telkens een der factoren ‘vasthoudend’,
d.w.z. telkens zoekend naar het verband in de homogene subgroepen van deze
derde factor, dus:
rAB.C en rAC.B en rBC.A.
Zakt de waarde van één der partiële correlaties onder de waarde van het statistische
significantieniveau, dan beschouwen we het verband als zijnde van onechte,
niet-causale aard; het valt immers te verklaren met behulp van de derde, constant
gehouden variabele.
Zoals vermeld, hebben we voor de ad hoc analyse van onze Basis Correlatie
Matrix het significantieniveau van P = .05 als uitgangspunt gekozen; volgens de
schatting hebben alle correlatiecoëfficiënten van .065 en groter dit niveau behaald.
Om echter ons criterium ietwat scherper te stellen, hebben we de waarde van r =
.075 als grenswaarde gebruikt: alle coëfficiënten die deze of hogere waarden
bekleedden, zouden bij de systematische analyse worden betrokken.
Indien we de Basis Correlatie Matrix raadplegen, bemerken we dat er niet minder
dan 426 series van drie significant onderling gecorreleerde variabelen te vinden
zijn. Aangezien elk van deze series door middel van
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
400
drie partiële correlaties ontleed zou worden, zouden we naast de moeizame arbeid
besteed aan de identificatie van de series ook 1275 × de formule voor de partiële
correlatie moeten gaan toepassen.
Zoals reeds vermeld, was het een gelukkige omstandigheid dat we bij de bewerking
van ons materiaal op de steun konden rekenen van de medewerkers van het
Mathematisch Instituut te Groningen en hun outillage. Het is de heer H.J. Burema,
assistent van prof. Dr. Ir. A.I. van de Vooren, gelukt, om beide bewerkingen, de
identificatie van reeksen (‘clusters’) van gecorreleerde variabelen en hun ontleding
door middel van partiële correlatie, in een programma te verenigen voor de
elektronische rekenmachine, de ZEBRA. Toen het programma was opgesteld, kon
het rekenwerk dat zonder de elektronische rekenapparatuur zeker enkele maanden
in beslag zou nemen, binnen een half uur nauwkeurig worden uitgevoerd.
In de hieropvolgende Tabel 2.8.6 vatten we de resultaten van beide bewerkingen
samen. In de eerste drie kolommen zijn alle series weergegeven van drie
intergecorreleerde variabelen uit de Basis Matrix. Zij zijn gerangschikt in stijgende
volgorde zodat ze gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd. De hierop volgende
kolommen geven de partiële correlaties weer op die wijze, dat rA.BC de
correlatiecoëfficiënt aangeeft tussen B en C indien A wordt ‘vastgehouden’, d.w.z.
in de subcategorieën van A; dat rB.AC aangeeft de waarde voor de correlatie tussen
A en C bij gelijktijdige controle over de invloed van B, en dat rC.AB tenslotte aangeeft
de verandering in de waarde van rAB onder de invloed van C.
Teneinde de betekenis van onze analyse thans te illustreren, richten we onze
aandacht op deze Tabel 2.8.6. In de voorafgaande sectie hebben we het geval van
onecht verband tussen de intensiteit van het roken en de aard van het werk (het
werk buitens- en binnenshuis) geanalyseerd. Beschouwen we de series, beginnende
met de variabelen 1 en 5, dan zien we dat ‘geslacht’ aansprakelijk is voor een gehele
reeks van schijnverbanden: niet slechts de correlatie tussen het roken en werken
buitenshuis, maar ook de samenhangen tussen de aard van het werk en het drinken
(variabele 16), de houding t.o.v. het drinken (no. 17), intensiteit van koffiegebruik
(no. 18), normbeleving (no. 23) en persoonlijkheidsevenwicht (no. 24) verdwijnen
in de afzonderlijk beschouwde groeperingen van mannen en vrouwen. De verbanden
met variabelen 19 (snoepgewoonten) en 30 (drinkpatroonverandering) vertonen
dezelfde dalende tendens, blijven echter boven het significantieniveau gehandhaafd.
Dit laat de interpretatie toe dat de aard van het werk van invloed is op de
snoepgewoonten (dat de landarbeiders en landbouwers minder snoepen dan mensen
werkend binnenshuis) en op de drinkgewoontenverandering (dat de
buitenshuiswerkenden de tendens vertonen het drinken te minderen.
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
401
Tabel 2.8.6 Drieledige reeksen van intercorrelaties systematisch
geëxtraheerd uit de basis matrix en hun desbetreffende partiële
correlaties
Table 2.8.6 Series of three inter-correlated variables systematically
extracted from the Basic Correlation Matrix and their corresponding
partials
No.
A
B
C
rA.BC
rB.AC
rC.AB
1
1
3
4
+.280
-.085
-.082
2
1
3
9
+.178
-.145
-.082
3
1
3
13
+.101
-.669
-.014
4
1
3
16
+.061
-.266
-.090
5
1
3
18
+.101
-.126
-.097
6
1
3
19
+.140
+.178
-.133
7
1
3
34
+.196
-.087
-.137
8
1
4
5
+.189
+.444
-.183
9
1
4
9
+.122
-.150
-.093
10
1
4
13
+.024
-.671
-.068
11
1
4
16
+.092
-.263
-.084
12
1
4
19
+.117
+.175
-.131
13
1
4
30
-.108
-.204
-.132
14
1
4
33
+.077
-.089
-.105
15
1
5
13
-.020
-.633
+.316
16
1
5
16
+.012
-.254
+.413
17
1
5
17
+.035
+.103
+.418
18
1
5
18
-.061
-.099
+.415
19
1
5
19
+.128
+.095
+.406
20
1
5
23
-.031
-.097
+.419
21
1
5
24
+.050
+.083
+.418
22
1
5
30
-.091
-.138
+.406
23
1
5
34
-.093
-.058
+.416
24
1
9
13
-.018
-.670
-.133
25
1
9
19
+.128
+.181
-.182
26
1
9
24
-.121
+.095
-.150
27
1
9
34
+.096
-.091
-.153
28
1
13
16
+.174
-.093
-.645
29
1
13
17
-.089
+.036
-.668
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
30
1
13
18
+.247
+.066
-.668
31
1
13
19
-.088
+.062
-.665
32
1
13
23
+.031
-.069
-.670
33
1
13
29
+.011
-.068
-.672
34
1
13
30
+.020
-.130
-.666
35
1
13
33
+.014
-.064
-.672
35a
1
13
34
+.058
+.060
-.675
36
1
16
17
-.225
+.065
-.251
37
1
16
18
+.056
-.117
-.264
38
1
17
18
-.120
-.122
+.112
39
1
17
19
+.157
+.143
+.104
40
1
17
22
+.098
+.107
+.117
41
1
18
19
-.133
+.144
-.115
42
1
18
33
+.072
-.088
-.130
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
402
No.
A
B
C
rA.BC
rB.AC
rC.AB
43
1
18
34
+.097
-.093
-.127
44
1
19
24
+.069
+.103
+.154
45
1
19
30
-.066
-.180
+.147
46
1
19
33
-.091
-.083
+.153
47
1
22
24
+.398
+.073
+.081
48
1
22
33
-.144
-.081
+.107
49
1
24
33
-.162
-.080
+.100
50
1
29
30
+.075
-.184
-.085
51
2
3
4
+.276
-.165
-.053
52
2
3
6
+.088
+.084
-.111
53
2
3
7
+.137
-.198
-.074
54
2
3
8
+.374
+.303
-.205
55
2
3
14
-.109
+.073
-.095
56
2
3
16
+.080
-.089
-.096
57
2
3
18
+.104
-.105
-.092
58
2
3
28
-.102
+.173
-.084
59
2
3
34
+.183
-.303
-.042
60
2
4
6
+.123
+.097
-.197
61
2
4
7
+.161
-.181
-.152
62
2
4
8
-.122
+.225
-.153
63
2
4
14
-.106
+.063
-.179
64
2
4
16
+.103
-.077
-.178
65
2
4
26
-.060
+.088
-.181
66
2
4
28
-.073
+.167
-.172
67
2
4
30
-.057
+.138
-.177
68
2
4
31
-.110
-.100
-.196
69
2
6
7
+.129
-.221
+.101
70
2
6
14
+.072
+.079
+.069
71
2
6
24
+.172
+.068
+.062
72
2
6
26
+.101
+.094
+.065
73
2
6
31
-.325
-.059
+.052
74
2
6
34
-.078
-.311
+.047
75
2
7
24
+.104
+.100
-.219
76
2
7
31
-.160
-.113
-.225
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
77
2
8
16
-.076
-.076
+.242
78
2
8
17
+.064
+.217
+.229
79
2
8
26
+.062
+.083
+.243
80
2
8
28
+.039
+.168
+.239
81
2
8
30
+.072
+.129
+.237
82
2
14
17
+.142
+.229
+.048
83
2
14
24
+.134
+.069
+.074
84
2
16
17
-.235
+.223
-.040
85
2
16
18
+.081
-.108
-.087
86
2
16
32
+.115
-.093
-.085
87
2
17
18
-.112
-.087
+.227
88
2
17
31
-.289
-.009
+.226
89
2
17
32
-.226
-.049
+.222
90
2
18
34
+.078
-.307
-.086
I. Gadourek, Riskante gewoonten en zorg voor eigen welzijn
403
No.
A
B
C
rA.BC
rB.AC
rC.AB
91
2
23
31
-.143
-.061
+.126
92
2
23
32
-.098
-.090
+.126
93
2
24
26
+.210
+.086
+.060
94
2
24
31
-.182
-.066
+.066
95
2
26
31
-.073
-.073
+.095
96
2
28
30
+.083
+.134
+.170
97
2
31
32
+.366
-.080
-.045
98
2
32
34
+.057
-.310
-.081
99
3
4
6
+.087
+.051
+.283
100
3
4
7
+.158
+.105
+.267
101
3
4
8
-.288
+.403
+.369
102
3
4
9
+.088
+.161
+.270
103
3
4
11
+.082
+.167
+.270
104
3
4
13
+.054
+.128
+.279
105
3
4
14
-.090
-.087
+.279
106
3
4
16
+.098
+.057
+.282
107
3
4
19
+.065
+.096
+.281
108
3
4
28
-.074
-.093
+.280
109
3
6
7
+.099
+.148
+.063
110
3
6
9
-.189
+.210
+.116
111
3
6
11
+.086
+.191
+.061
112
3
6
12
-.265
-.058
+.061
113
3
6
14
+.088
-.124
+.089
114
3
6
19
+.189