PDF

Comments

Transcription

PDF
JAARGANG 3
I
NUMMER 12
I
JULI 2010
ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR ERFGOEDPROFESSIONALS
O
A
EM RN
TH TE
A
K
P
L
E
N
A R C H E O L O G I E
C U LT U U R LA N D S C H A P
MONUMENTENZORG
JAARGANG 3
I
NUMMER 12
I
JULI 2010
BOUWHISTORIE:
GEWAPEND BETON DEEL 2
STEENHARDE
BROKKEN
12
THEMAKATERN
16
POLEN
RIJKDOM
IN GRAAN
MONUMENTEN
ENTEN
BELEID IN
POLEN
34
24
WEDERDOPERS
DOPERS
IN DE
DELTA
WIJSSELDELTA
MOLENS IN POLEN
40
28
KO R T o.a. Opstellen van een MER Molenzorg op nieuwe leest •
Nyenrode en Verduurzamen beeldbepalende gebouwen Park Zorgvliet •
Romeinse weg op Locatie Valkenburg • Crisis- en herstelwet en erfgoedzorg • Nationale Automatiek • Monumenten van de straat •
Rotterdam-Maaskantprijs Auke van der Woud • Grafveld Noviomagus
Huizenonderzoek in Holland • Weblog Van Goghs atelierpraktijk
Duurzamere restauraties historisch metselwerk • PA G I N A 4 - 14
RES NOVA - RUBRIEK
VOOR U GELEZEN
PA G 1 5
PAG 43-49
R E C E N T V E R S C H E N E N PA G 5 1 - 5 4
AGENDA
PAG 55-59
VITRUVIUS
NUMMER 12
2
JULI 2010
EEN UITGAVE VAN
Vitruvius is een informatief, promotioneel,
onafhankelijk vaktijdschrift dat beoogt
kennis en ervaring uit te wisselen, inzicht
te bevorderen en belangstelling te kweken
voor de vakgebieden archeologie, cultuurlandschap en monumentenzorg.
Uitgeverij Educom BV
Mathenesserlaan 347
3023 GB Rotterdam
Tel. 010-425 6544
Fax 010-425 7225
[email protected]
www.uitgeverijeducom.nl
SUB-SPONSORS
Postbus 15, 3870 DA Hoevelaken
Tel. 033-253 9439
[email protected]
www.restauratiefonds.nl
Postbus 842
3800 AV Amersfoort
Tel. 033-460 5020
[email protected]
www.shmn.nl
Postbus 1600, 3800 BP Amersfoort
Tel. 033-421 7421 www.cultureelerfgoed.nl
Joint venture van de Alliantie en Mitros
MEDE-ONDERSTEUNERS
Nijverheidsweg-Noord 114
Tel. 033-299 8181
3812 PN Amersfoort
Fax 033-299 8180
Postbus 1513
800 BM Amersfoort
www.archeologie.nl
B. Minkenberglaan 2 – 6109 AL Ohé en Laak
Tel. 06-11 454 247 / 0475-55 23 30
www.res-nova.nl
Spoorstraat 5
3811 MN Amersfoort
Tel. 033-277 9200
www.vestigia.nl
Scheveningseweg 46, 2517 KV Den Haag
Tel. 070-306 6800 Fax 070-306 6870
www.hobeon.nl
Pelmolenlaan 12-14
3447 GW Woerden
Tel. 0348-437 788
www.the-missinglink.nl
COLOFON
Vakblad Vitruvius werkt met een onafhankelijke redactie
en redactieraad. Artikelen worden pas gepubliceerd na
peer reviews door experts uit het werkveld.
UITGEVER/BLADMANAGER
Robert Diederiks
REDACTIE
Dr. J.E. Abrahamse
Drs. H.G. Baas
mw. Drs. P. J. Braaksma
R.P.H. Diederiks
Ir. M. van Hunen
Dr. H.C.M.Kleijn
S.A. Muller
E. Raap
mw. Dr. E.M. Theunissen
Drs. H. van de Velde
REDACTIERAAD
Dr. C.H.M. (Chris) de Bont
Wageningen Universiteit
Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester
RCE
Drs. B. (Boudewijn) Goudswaard
TheMissingLink/Archeologic
Dr. B. (Bernadette) van
Hellenberg Hubar
Res nova
Dr. R.J. (Reinout) Rutte
TU Delft
ABONNEMENTEN
Nederland 4 nrs/jaar E 45.België 4 nrs/jaar E 55.Voor betaling wordt een factuur
verzonden.
Vermeld bij correspondentie altijd
het abonneenummer (zie de factuur). Tijdige betaling garandeert
regelmatige toezending.
Abonnementen lopen automatisch
door. Opzeggingen (uitsluitend
schriftelijk per aangetekend
schrijven) dienen uiterlijk twee
maanden voor afloop van de
abonnementsperiode in ons
bezit te zijn.
LEZERSSERVICE /
NABESTELLINGEN
Adresmutaties/abonnementen
en nabestellingen doorgeven
via [email protected]
Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek
Rijksdienst voor het
Cultureel erfgoed,
Rijksuniversiteit Groningen
Ir. F.G.M. (Frank) Véhof
NRf
Ir. G.A. (Gerdy)
Verschuure-Stuip
TU Delft
Drs. H. (Henk) van de Velde
ADC
© Copyrights
Uitgeverij Educom BV
JULI 2010
Niets uit deze uitgave mag worden
gereproduceerd door middel van
boekdruk, foto-offset, fotokopie,
microfilm of welke andere methode
dan ook, zonder schriftelijke
toestemming van de uitgever.
ISSN 1874-5008
VAN
3
DE REDACTIE
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
VRIEND & VIJAND
oeval bestaat niet, kent u die uitdrukking? Op het
moment dat verschillende auteurs nog druk doende
zijn met de afronding van hun artikelen ten
behoeve van Vitruvius’ Polen-special, bereikt ons het
bericht van de overstromingen van de Wijssel, de
grootse en belangrijkste rivier van Polen.
T
Nederland en Polen hebben niet alleen gemeen
dat beide landen regelmatig door watersnoodrampen zijn getroffen maar ook door de rijkdom die datzelfde water deze naties bracht.
Water als vriend en vijand. Onze hout- en later
graanhandel met Polen heeft na 300 jaar z’n sporen
vooral in Dantzig, huidige Gdansk, nagelaten. Hoe is
de zorg voor dit erfgoed in Polen tegenwoordig geregeld?
Verschilt het Poolse monumentenbeleid van het Nederlandse?
Hoe gaan Polen om met hun molens? Hoe is het de (vooral
Friese) Mennonieten vergaan die zich vanaf de 16e-eeuw in
de Wijsseldelta vestigden? Voor u geen vragen meer als u
het themakatern heeft gelezen.
We houden onszelf in ‘erfgoedland’ steeds meer
bezig met symposia, workshops, themadagen en
andere natuurlijk leerzame nuttige en inspirerende bijeenkomsten. Daarvan getuigt de
immer groter wordende hoeveelheid korte
berichten die u in Vitruvius aantreft. Of dit
een slechte of goede ontwikkeling is, laten wij
graag aan u. Iets om over na te denken?
Ondertussen gaan wij er gewoon vanuit dat u ons
blijft voeden met artikelen, persberichten, recensies
en ja, ook korte stukjes over uw congres of symposium:
[email protected]
–– De redactie
4x jaarlijks op uw deurmat...
...de nieuwste kennis op erfgoedgebied.
Ontvang als abonnee 4 keer per jaar vakblad Vitruvius.
Of geef een abonnement cadeau! Neem contact op met
Uitgeverij Educom: 010-425 6544, info uitgeverijeducom.nl.
KO R T
4
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Hoe diep moeten we spitten bij het
opstellen van een MER?
GEERTJE KORF
WERKGROEPSECRETARIS COMMISSIE
VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
O
p 15 april jl. vond in Woerden het seminar ‘Effect van het verleden: archeologie
en m.e.r.’ plaats, georganiseerd door de
Commissie voor de m.e.r en ArcheoLogic (The
Missing Link). Dit seminar had tot doel de
discussie over archeologie binnen de m.e.r. op
gang te brengen bij alle betrokken partijen.
Met de artikelen over archeologie in m.e.r. in
Vitruvius 11 gaven de auteurs G. Korf (Commissie voor de m.e.r.) en J. de Jong en S. van
der End (ArcheoLogic – The Missing Link)
reeds een aanzet.
Ingeleid door V. ten Holder, de directeur van
de Commissie m.e.r. en B. Goudswaard, directeur van The Missing Link, beloofde dit een
inspirerende middag te worden. Op een nauwgezette, doch luchtige manier werd de discussie
to the point gehouden door de dagvoorzitter
M. van der Tas, plaatsvervangend voorzitter
Commissie voor de m.e.r. en lid van de VROMraad.
Bij de opening van het seminar werd een beeld
geschetst van de situatie waarbinnen de archeologie en de m.e.r. zich bewegen. Eerst werd
een kort overzicht van het huidige archeologische bestel in Nederland gegeven door B.
Goudswaard, waarbij het publiek meermaals
om hun mening werd gevraagd. Vervolgens
lichtte V. Ten Holder de functie en het doel van
de m.e.r. toe. Belangrijk is niet te vergeten dat
de m.e.r. geen doel op zich is, maar een middel
om tot een beter besluit te komen.
Na de inleiding werd het woord gegeven aan
G. Korf. Als archeoloog werkend bij de
Commissie voor de m.e.r. is zij de aangewezen
persoon om de positie van archeologie binnen
de huidige en toekomstige (vanaf 1 juli) m.e.r
te bespreken. Zij benadrukte dat de m.e.r. niet
een onderzoeksinstrument uit de Archeologische Monumenten Zorg (AMZ)-cyclus is
hoort, maar een instrument voor de ruimtelijke
ordening. Daarbij is de m.e.r. een procedure,
waarbij rekening gehouden wordt met de maat
en schaal, zo ook voor de factor archeologie.
Niet altijd stelt de initiatiefnemer bij offerte-
vraag de archeologische opdrachtnemer op de
hoogte van de specifieke omstandigheden en
gegevens over de m.e.r. Evenmin stellen de
archeologische opdrachtnemers altijd de vraag
voor welk besluit het MER dient. Het besluit
is echter bepalend voor de benodigde informatie:
m.e.r. is maatwerk!
Bovendien komt het nogal eens voor dat aan
de hand van, en gedurende het m.e.r.-proces
het voornemen wordt bijgesteld. Bijvoorbeeld
doordat alternatieven afvallen of andere oplossingsrichtingen in beeld komen.
De vergelijking van archeologie met de overige
factoren binnen een m.e.r. is geen gemakkelijke
taak. Hoe kan je immers de veelal kwalitatieve
archeologie vergelijken met andere, vaak meer
kwantitatieve, omgevingsfactoren? Hierop ging
de volgende spreker, D. Bel, adviseur m.e.r. bij
Witteveen+Bos, in. Hij ontwikkelde in 2008
een handreiking cultuurhistorie in m.e.r. en
MKBA (maatschappelijke kosten-batenanalyse)
in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Projectbureau Belvedere.
Hierin staat een methodiek voor waardering
en effectbepaling van cultuurhistorie centraal.
De waarde van cultuurhistorische elementen
wordt kwantitatief berekend aan de hand van
enkele waarderingscriteria, te weten beleefde
kwaliteit, fysieke kwaliteit en inhoudelijke
kwaliteit. Deze criteria worden voor de waardering van archeologische resten ook in het
veld gehanteerd. Bij het gehele proces is het
belangrijk dat de benodigde informatie op het
juiste niveau beschikbaar is en dat er rekening
gehouden wordt met het detailniveau van
de besluitvorming. Aangezien het bij de m.e.r.
om maatwerk gaat, is de handreiking geen
standaard instrument en blijft het dus een
keus of en tot op welk detailniveau de informatie verzameld moet worden.
De volgende spreker vertelde over praktijkvoorbeelden uit het veld. B. Gerrits, planoloog
met specialisatie historische geografie, werkzaam bij Tauw, ontwikkelde met zijn collega’s
een eenduidige methode voor de aanpak van
cultuurhistorie binnen de m.e.r., gebaseerd op
de handreiking de RCE en Belvedere. Alhoewel historisch-geografische en historisch-bouwkundige elementen nog zichtbaar zijn aan het
oppervlak (in tegenstelling tot archeologie)
heerst ook hier het probleem van kwantificeerbaarheid. Vooral bij grotere projecten maakt
dit de vergelijking tussen deelgebieden lastig.
Door het gebruik van getallen worden kwalitatieve waarden geobjectiveerd en kun je een
vergelijking maken met andere omgevingsfactoren. We kunnen concluderen dat ook
KO R T
cultuurhistorie in brede zin als onderdeel van
de m.e.r. maatwerk vereist.
De afsluitende presentatie van J. de Jong, als
(erfgoed)planoloog werkzaam bij ArcheoLogic
(The Missing Link) bracht de uitgangspunten
van archeologie als ruimtelijke conditie bij
elkaar. Hierna werd gediscussieerd aan de
hand van enkele stellingen.
Bij de eerste stelling ‘Is een gespecificeerd
archeologisch verwachtingsmodel voldoende
als basis voor een effectenbepaling’ kwam de
essentie van de problematiek direct aan de
orde. De reactie van de zaal was overwegend
‘Ja, tenzij het verwachtingsmodel is gebaseerd
op onvoldoende informatie om het besluit te
nemen’. Wat dan ‘voldoende informatie’ is
5
bleef echter onderwerp van discussie. Maat en
schaal bleven hierin de kernwoorden. Ook de
waardering van het verschil in effect bij
behoud in situ of ex situ is een relevante vraag
bij m.e.r.
Het panellid R. Kleijberg, ecoloog en hoofd
adviesgroep natuur & archeologie van ARCADIS, kon vanuit eigen ervaring een vergelijking trekken tussen de ontwikkelingen die het
vakgebied ecologie heeft doorgemaakt en
archeologie nu doormaakt. Hij waarschuwde
bij kwantificerende methodes de oorsprong
van de cijfers niet te vergeten en te waken voor
te grote juridificering van het onderwerp.
Verder adviseerde hij de archeologen om, naar
analogie van de ecologie, zich te richten op een
aantal (belangrijke) zaken binnen een project-
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
gebied, in plaats van alles te willen omvatten.
Alles overziend kan gesteld worden dat het
seminar een goede discussie op gang heeft
gebracht. Het is duidelijk geworden dat m.e.r.
ook voor archeologie maatwerk is en het
gebrek aan wederzijdse kennis tussen archeologen aan de ene kant en m.e.r.-schrijvers aan
de andere kant nog problemen vormt. Kunnen
we komen tot overeenstemming over wat nu
‘voldoende informatie’ is voor een besluit? Is
daar wellicht een breed gedragen kwaliteitsnormering van verwachtingsmodellen voor
nodig? En hoe zit het met MoMo en de modernisering van m.e.r.?
Dit najaar geeft de RCE een vervolg aan de discussie met een volgende bijeenkomst over
m.e.r. – dit onderwerp is nog lang niet afgerond! Molenzorg op een nieuwe leest
Aanbieding reader naar een herzien molenbeleid
n de loop van de twintigste eeuw heeft het
behoud van molens zich ontwikkeld tot
een hoeksteen van de Nederlandse monumentenzorg. Het is tijd om onze zorg voor het icoon
van Nederland op een nieuwe leest te schoeien
met meer aandacht voor het historisch materiaal
en de historische locatie.’ Dit zei Jos Bazelmans, hoofd sector Kennis van de Rijksdienst
voor het Cultureel Erfgoed, tijdens de opening
van de Nationale molen- en gemalendag, 6
mei jl., in molen De Ster in Utrecht.
De Rijksdienst gaat daarom in samenspraak
met molenaars, eigenaren en molenorganisaties binnen een jaar het molenbeleid herzien.
Namens het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap overhandigde de
Rijksdienst de reader ‘Naar een herzien molenbeleid’ aan Leo Endedijk, directeur van de
Vereniging De Hollandsche Molen. Hiermee
start het traject om gezamenlijk tot een zo
breed mogelijk gedragen rijksbeleid voor
molens te komen.
‘I
Het huidige molenbeleid stamt uit 1966 en
richt zich vrijwel uitsluitend op het draai- en
maalvaardig maken van molens. Dat is succesvol gebleken. Ambachtelijke beroepen van
molenaar en molenmaker bleven daardoor
voortbestaan. Draaiende molens zijn onderdeel
van het Nederlandse landschap en leveren zo
een grote bijdrage aan het toerisme. In toenemende mate is ook de historische waarde en
de historische locatie van de molen van belang.
Daarom is een herziening van het molenbeleid
gewenst.
Molenbeleid herzien
In samenspraak
Een herziening van het molenbeleid is nodig,
omdat molens ook getuigen zijn van een
inmiddels verdwenen industrialisatie. Ze zijn
door de tijd heen steeds verder ontwikkeld en
kennen verschillende typen en soorten gaand
werk. Molens kregen ook toevoegingen, zoals
stoom-, diesel- en elektromotoren. De beleidsfocus op de draaiende molens leidde ertoe dat
molens geregeld verplaatst of ingrijpend hersteld werden. Dat ging soms ten koste van
identiteit van de plek of van de authentieke en
monumentale waarden van de molen zelf. In de
recente beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg wordt het belang en de betekenis
van het monument in zijn historische omgeving genoemd. Ze versterken elkaar. Door
meer aandacht te schenken aan cultuurhistorische waarde, waaronder ook van de molenlocatie,
krijgt het molenbeleid meer diepgang.
Voor het raadplegen van moleneigenaren en
molenaars organiseert de Rijksdienst na de
zomer verspreid over het land een aantal bijeenkomsten. Daarnaast benadert de dienst ook
diverse molenorganisaties en bestuurlijke partners zoals de gemeenten en provincies. Belangrijke thema's in de beleidsherziening zijn het
bouwhistorisch onderzoek en documentatie, de
molenbiotoop, het completeren en verplaatsen
van molens, maar ook het immaterieel erfgoed
van molenaar en molenmaker.
Reader
De reader ‘Naar een herzien molenbeleid’ bevat
een bundeling van artikelen over de omgang
met molens, het huidige beleid, de dilemma’s
en bouwstenen voor het toekomstige herzien
molenbeleid. De reader is te downloaden op
www.cultureelerfgoed.nl. KO R T
6
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Nyenrode start programma
Verduurzamen beeldbepalende gebouwen
uurzaamheidsambities en behoud van
historische of architectonische waarde
van gebouwen leiden dikwijls tot complexe
vraagstukken. Nyenrode Business Universiteit
start een netwerk en activiteitenprogramma
voor gemeenten en andere overheden, gericht
op het integreren van het realiseren van klimaatambities en de zorg voor historische waardevolle gebouwen en stadsdelen.
Belangen van partijen gericht op behoud van
historische en architectonische waarde en partijen die hoge duurzaamheidsambities nastreven, leiden in de praktijk tot een complexe spagaat. Vanuit welstandsoogpunt is sprake van
terughoudendheid ten opzichte van het treffen
van energiebesparende maatregelen, uit angst
dat ingrepen onomkeerbare gevolgen hebben
voor de monumentale en architectonische
waarde van gebouwen. Tegelijkertijd stellen
gemeenten en eigenaren ambities wat betreft
het terugdringen van CO2-uitstoot en van energielasten voor gebouwgebruikers. Er is daardoor behoefte aan kennis en samenwerking bij
het ontwikkelen van strategieën om op een verantwoorde wijze óók deze categorie gebouwen
te verduurzamen.
D
Netwerk en
activiteitenprogramma
Het Center for Sustainability (CfS)
van Nyenrode Business Universiteit
heeft daarom het initiatief genomen
tot het opzetten van een 'Netwerk en
activiteitenprogramma 2010-2012
voor overheden die willen investeren
in het middels proces- en systeeminnovaties
stimuleren van het op grotere schaal en versneld verduurzamen van historische en beeldbepalende gebouwen, al dan niet monumenten'. Dit netwerk en programma is in maart jl.
van start gegaan.
Inmiddels hebben de gemeenten Delft, Haarlem, Utrecht, Den Haag en de provincie Drenthe hun deelname toegezegd, evenals de
Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Daarnaast is
belangstelling getoond door de Rijksgebouwendienst. Stichting BouwResearch (SBR) onderschrijft het belang van dit initiatief en stelt een
sponsorbedrag ter beschikking. De lijst van
deelnemende partijen is nog groeiende en de
mogelijkheid tot deelname staat nog steeds
open.
Center for Sustainability (CfS)
Het CfS stelt zich tot doel overheden, bedrijven
en andere organisaties te helpen duurzaamheid
zo integraal mogelijk in hun strategie en
bedrijfsvoering te integreren. Het bouwteam
van het CfS, vallend onder de leerstoel Sustainable Building & Development van prof. dr.
ir. Anke van Hal, heeft het verduurzamen van
monumentale en beeldbepalende gebouwen als
een van haar aandachtsvelden benoemd. Het
team is betrokken bij diverse onderzoeks- en
adviestrajecten rond dit onderwerp.
Over het Center for Sustainability, het netwerk
en andere projecten rond het thema ‘Verduurzamen historische en beeldbepalende gebouwen’
is meer informatie verkrijgbaar bij Birgit
Dulski, telefoon 0346 - 291 280 of via e-mail:
[email protected] Park Zorgvliet bij Catshuis nu ‘groen’ rijksmonument
et Haagse park Zorgvliet kreeg begin april
jl. van de Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed de status van ‘groen’ rijksmonument.
Het park met slingerende lanen en paden, stinsenflora en aarden wallen is onderdeel van een
17de eeuwse historische buitenplaats.
Raadspensionaris en dichter Jacob Cats kocht
het in 1643 en liet er zijn buitenhuis bouwen.
Dit Catshuis, nu de ambtswoning van de
minister-president, was al rijksmonument. Op
dit moment worden door de Rijksdienst in
ruim 400 buitenplaatsen ook de samenhangende
onderdelen, zoals bijgebouwen en de aanleg
van bomen en waterpartijen, meebeschermd.
H
Monumentaal complex
De
uit
het
leg
historische buitenplaats Zorgvliet bestaat
vier onderdelen: het hoofdgebouw ofwel
Catshuis, de historische tuin- en parkaanZorgvliet, de zeldzame overwelfde door-
KO R T
gang die diende als doorgang naar de doolhof
(eind 17de eeuw) en de scheidingsmuren
(1920). Zorgvliet is een fraai en vroeg voorbeeld
van een formeel park dat in de loop der tijd verlandschappelijkt is en dat van grote invloed is
geweest op de ontwikkeling van de Nederlandse en Europese tuinkunst.
De geschiedenis van Zorgvliet is sterk beïnvloed door drie gegoede families:
Familie Cats
Jacob Cats beschreef in Ouderdom, buytenleven en hof-gedachten op Sorghvliet (1658)
met trots de ontginning en aanleg van zijn
landgoed. De zanderige grond werd omgeploegd, afgegraven, bemest en door aarden wallen omgeven. Deze wallen moesten de plantages tegen wind en zand beschermen en zijn
grotendeels bewaard gebleven. Als curator van
7
de botanische tuin van de Leidse Universiteit
kon Cats zeldzame zaden en stekken bemachtigen. Hij plantte bijvoorbeeld de paardenkastanje, Corsicaanse den en gevlekte aronskelk,
die nog steeds in het park te vinden zijn.
Familie Bentinck
In 1674 werd de buitenplaats verkocht aan
Hans Willem Bentinck, vertrouweling van
Prins Willem III van Oranje en later hoofdopzichter van de koninklijke tuinen in Holland
en Engeland. Tot 1819 zou Zorgvliet in het
bezit van deze familie blijven. Een prentenreeks uit de late 17de eeuw van Johannes van
den Aveele toont uitgestrekte tuinen in barokstijl met parterres, fonteinen, lanen en hagen. In
de loop van de 18de eeuw werd de Engelse
landschapsstijl geïntroduceerd. De vroeg-landschappelijke aanleg, die binnen de wallen-
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
structuur werd ingebed, is nu nog herkenbaar.
Familie Goekoop
Uiteindelijk werd de buitenplaats in 1906
gekocht door bouwondernemer Adriaan
Goekoop, die vanwege de stadsuitbreidingen
aan de zuid- en westzijde een bakstenen muur
liet optrekken. In de oorlog legden de Duitsers
in het park een tankgracht aan en stelden zij
een V2-raketinstallatie op. In 1948 werd een
groot deel van het park aan de Verenigde Staten
verkocht voor de bouw van een ambassade. De
VS verkochten het park in 1955 vervolgens aan
de Nederlandse Staat en die stelde het park in
1957 open voor het publiek. Het Catshuis met
omringend park werd in 1961 staatseigendom
en uiteindelijk ambtswoning van de ministerpresident. Romeinse weg ontdekt op Locatie Valkenburg
egin mei is bekend geworden dat houten
resten die begin maart al werden ontdekt
op Locatie Valkenburg (Z-H), vrijwel zeker de
resten zijn van een Romeinse weg. Deze ontdekking en andere vondsten met een Romeins
militair karakter ten zuiden van de weg wijzen
er op dat de militaire Limes zone waar
Valkenburg zo beroemd om is zich uitstrekt tot
in het plangebied Locatie Valkenburg.
B
De nu ontdekte Romeinse weg bestaat uit een
dijk opgebouwd uit plaggen, verstevigd aan
weerszijden met een palenrij en aflopend talud.
(zie afbeelding). Het is de eerste Romeinse weg
binnen het voormalige vliegkamp, maar al de
derde weg die archeologen door de jaren heen
hebben ontdekt in Valkenburg.
Zo loopt over het Marktveld en de Woerd een
Romeinse weg uit het jaar 123/124 na Christus.
Deze weg is aangelegd naar aanleiding van het
bezoek dat keizer Hadrianus bracht aan de
noordgrens van zijn immense rijk.
In 1996 is bij de aanleg van de wijk Veldzicht
ook een stuk van de Romeinse weg ontdekt.
Ook deze weg dateert uit de periode van Keizer
Hadrianus. De opbouw van deze weg lijkt op
die van het vliegkamp, zij het dat die weg van
eiken palen is gemaakt. De weg op Locatie
Valkenburg bestaat uit elzenhout.
Met de ontdekking van de weg dringen zich
twee vragen op. Waarheen leidt de weg? Sluit
hij aan op de weg van het Marktveld, is het een
weg langs de zuidkant van de nederzetting op
De Woerd of ontsluit hij het agrarische achterland? De andere prangende vraag betreft de
PAALFUNDERING ONTDEKT APRIL 2010 OP LOCATIE VALKENBURG
datering. De plaggen waarmee het dijklichaam
is opgebouwd, bevatten aardewerkscherven uit
het begin van de 2e eeuw. Vanaf dat moment
kan de weg zijn aangelegd. Maar wanneer exact
is nu nog onzeker.
Ruim 300 meter ten zuiden van de weg stonden
twee stiepen – paalfunderingen – die op hun
beurt weer rusten op plankjes met houten
ankers, zoals dit bekend is van militaire bouwwerken uit Tiel en Woerden. Dit wijst op militaire gebouwen van oudere datum dan de weg.
Langs dit mogelijke gebouw is over lange
afstand een grote greppel gezien, die op grond
FOTO : A R C H O L
van de vorm als spitsgracht kan worden aangeduid. Spitsgrachten kennen we vooral van
Romeinse fortificaties.
Voorlopige conclusie
De ontdekking van de weg betekent de eerste
mogelijkheid om het huidige onderzoek te
laten aansluiten bij de grote opgravingen in
Valkenburg in de 20e eeuw. En zoals vooraf verwacht herbergt het noordenoostelijke deel van
het plangebied Locatie Valkenburg de uitlopers van de limes, de militaire zone langs de
noordgrens van het toenmalig Romeinse Rijk,
die Valkenburg zo beroemd heeft gemaakt. KO R T
8
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Symposium
Atlantikwall
uinen vol beton, wat moet je ermee? De
Atlantikwall, de Duitse verdedigingslinie
uit de Tweede Wereldoorlog, ligt nog immer
genadeloos langs de Noordzeekust. Onder de
titel Redefining the Atlantikwall organiseren
het programma Erfgoed van de Oorlog, de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de
provincie Zeeland op 2 en 3 september a.s. een
internationale bijeenkomst. De eerste dag
vindt plaats bij de Rijksdienst in Amersfoort
en bestaat uit lezingen en workshops.
Op de tweede dag zet het programma zich
voort in het provinciehuis in Middelburg en is
er onder andere een uitgebreide excursie langs
bunkers in Zeeland. Voertaal op beide dagen is
Engels.
Kosten: € 90 twee dagen, € 65 één dag.
Inschrijven: [email protected]
Informatie: Geert Jan Mellink 06-8155 3043. D
ACHTERZIJDE VAN EEN WALZKÖRPERSPERRE BIJ IJMUIDEN, EEN KANTELBARE
WEGVERSPERRING IN EEN TANKMUUR,
ONDERDEEL VAN DE ATLANTIKWALL.
FOTO BEN DE VRIES
Crisis- en herstelwet en de erfgoedzorg
p 31 maart jl. is de Crisis- en herstelwet
(Chw) in werking getreden. Deze wet
maakt het mogelijk om projecten op het gebied
van duurzaamheid, bereikbaarheid en (woning)bouw sneller uit te voeren. De wet kan
ook gevolgen hebben voor rijksmonumenten
of beschermde gezichten. Om een versnelde
uitvoering van bouwprojecten mogelijk te
maken, is in bepaalde gevallen geen monumentenvergunning nodig.
O
Procedures versnellen
Met de Crisis- en herstelwet wil het kabinet de
procedures voor grote projecten versnellen en
de gevolgen van de economische crisis bestrijden. Daarbij bevat de wet enkele tijdelijke
maatregelen, die een werkingsduur hebben tot
1 januari 2014, naast een flink aantal wijzigingen in andere bestaande wetten, die een
blijvende werking hebben.
De wet kan gevolgen hebben voor werkzaamheden aan beschermde rijksmonumenten of
in beschermde stads- en dorpsgezichten. Dit
betreft vooral de artikelen over de versnelde
uitvoering van bouwprojecten uit de Chw.
Deze hebben betrekking op woningbouwprojecten en andere projecten van maatschappelijke betekenis, inclusief de bijbehorende
voorzieningen.
Voor zulke projecten kan de gemeenteraad of
provinciale staten een zogeheten projectuitvoeringsbesluit vaststellen. Met zo’n besluit is
geen vergunning overeenkomstig de Monumentenwet 1988 nodig voor het wijzigen,
slopen, verstoren et cetera van een beschermd
rijksmonument, of voor het slopen van een
bouwwerk in een van rijkswege beschermd
stads- of dorpsgezicht.
Voor de erfgoedzorg betekent dit:
Dat in zo’n geval voor beschermde archeologische rijksmonumenten de vergunningverlenende bevoegdheid vervalt. Deze bevoegdheid
ligt nu bij de minister van OCW (lees: de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
In plaats daarvan krijgt de Rijksdienst de gelegenheid binnen vier weken advies uit te bren-
KO R T
gen op het voornemen tot het vaststellen van
een projectuitvoeringsbesluit.
Dat voor de niet-archeologische beschermde
rijksmonumenten ook deze gelegenheid tot
adviseren geldt voor die activiteiten waarbij de
minister van OCW (Rijksdienst voor het
Cultureel Erfgoed) normaliter op grond van de
Monumentenwet adviesbevoegd is.
Dat voor de beschermde stads- en dorpsgezichten geldt dat met projectbesluitvorming
eenvoudiger van geldende bestemmingsplan-
9
nen kan worden afgeweken.
Als het besluit sloop in een beschermd gezicht
betreft, dienst de minister van OCW (de
Rijksdienst) wel een afschrift van het vastgestelde projectuitvoeringsbesluit te ontvangen.
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
In vervolg op de inwerkingtreding van de
Crisis- en herstelwet is op 26 april 2010 in de
Staatscourant het ontwerp gepubliceerd van
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.
Dit besluit beoogt nieuwe gebieden, experimenten of projecten toe te voegen aan de werkingssfeer van de Chw. Zo wordt het project
Stadshavens – rondom de voormalige
Rotterdamsche Droogdokmaatschappij – in
Rotterdam toegevoegd aan de lijst met ontwikkelingsgebieden. En wordt het onderdeel versnelde uitvoering van bouwprojecten uitgebreid met voorzieningen voor onderwijs en
gezondheidszorg. Trek in Geschiedenis? Haal een historisch
object uit de
Nationale Automatiek
ot en met 29 augustus 2010 presenteert het
Nationaal Historisch Museum de
Nationale Automatiek in het Amsterdams
Historisch Museum. Deze 'historische' automatiek bevat oer-Nederlandse objecten die
bezoekers voor één of twee euro 'uit de muur'
kunnen halen om mee naar huis te nemen.
T
Elk object vertelt zijn verhaal
In de automatiek liggen herkenbare en alledaagse historische objecten, zoals een 18e
eeuwse pijpenkop, een gloeilamp en een porseleinen homopaartje. De trekmuur laat zien dat
al deze objecten een geschiedenis hebben. Hoe
zat het ook alweer met het kwartje van Kok,
wie droegen de anti-kernwapen-buttons, en
wat is de geschiedenis van de Nederlandse tulpenbol?
History tags
De opstelling in het Amsterdams Historisch
Museum is vrij toegankelijk en makkelijk
bereikbaar, meteen bij de ingang van het museum. De bezoeker meldt zich voor een persoonlijke 'history tag'(kaart) waarmee hij een vakje
naar keuze kan openen. Labels bij de objecten
bieden een historische beschrijving en verwijzen voor meer informatie naar www.innl.nl.
Ook kan de bezoeker hier filmpjes over de
objecten zien en zijn eigen historisch profiel
samenstellen.
Beleving van historische objecten
De Nationale Automatiek is een project van
het Nationaal Historisch Museum in samenwerking met Mediamatic en het Amsterdams
Historisch Museum en wordt mede mogelijk
gemaakt door de Mondriaan Stichting. Het
ontwerp van de automatiek is van de kunstenaar Frank Bruggeman.
Het Amsterdams Historisch Museum, het
grootste historische stadsmuseum van Nederland, biedt het Nationaal Historisch Museum
voor deze tentoonstelling onderdak. De plaatsing van de historische trekmuur in Amsterdam is een pilot voor een serie trekmuren die
later op andere locaties in Nederland zullen
komen. Op elke locatie worden nieuwe objecten aan de automatiek-collectie toegevoegd.
2010 INNL
De Nationale Automatiek past in een serie
activiteiten van het Nationaal Historisch
Museum gericht op publieksparticipatie. Zo
opende op 21 mei jl. in het koetshuis in Arnhem de tentoonstelling Nieuwe Groeten Uit...
waarvoor Nederlanders massaal beelden instuurden voor nieuwe ansichtkaarten voor
Nederland. Op 28 november a.s. zijn in Para-
diso Amsterdam films te bewonderen ingezonden voor de The One Minutes INNL, korte
films over het thema ‘Waar geschiedenis
begint’.
Het Nationaal Historisch Museum
Het Nationaal Historisch Museum wil de historische verbeelding stimuleren, enthousiasme
voor geschiedenis teweegbrengen en nieuwsgierigheid opwekken. Op dit moment werkt
een gedreven team intensief aan de ontwikkeling en de bouw van het Nationaal Historisch
Museum in Arnhem. Het museum heeft straks
een gebouw, maar het bestaat ook daarbuiten.
Onder het thema INNL biedt het Nationaal
Historisch Museum ook nu al een blik op de
rijke geschiedenis van Nederland. In samenwerking met organisaties op het terrein van
erfgoed, geschiedenis, onderwijs, wetenschap
en media presenteert INNL allerlei activiteiten, projecten en tentoonstellingen. Hierbij
ontstaan daarbij voortdurend prikkelende verbindingen tussen heden en verleden. De programmering voor 2010 staat op www.innl.nl. KO R T
10
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Website KICH vernieuwd
n maart jl. is een vernieuwde versie van de
KICH website www.kich.nl gelanceerd. De
nieuwe website maakt het mogelijk om makkelijker te zoeken naar cultuurhistorische informatie. In de oude versie moest je als gebruiker
weten waar je moest zoeken. De nieuwe website werkt veel meer als een zoekmachine. Als
het gezochte onderwerp in KICH zit, dan
wordt het gevonden.
De website Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie (KICH) richt zich primair op professionals die actief zijn op het raakvlak van
ruimtelijke ordening en cultuurhistorie. Het
doel is om cultuurhistorische informatie van
verschillende bronhouders te koppelen en
ontsluiten zodat deze in samenhang kan worden beoordeeld. De Rijksdienst voor het
Cultureel Erfgoed is de trekker van KICH.
De mogelijkheden van de nieuwe versie zijn te
danken aan het gebruik van de standaard voor
cultuurhistorische informatie: IMKICH2008.
Met het toepassen van deze standaard is één
grote collectie van cultuurhistorische informatie gevormd die je integraal kunt doorzoe-
I
ken. In de oude website
kon je als gebruiker alleen
gericht zoeken als je wist in
welke kaartlaag de informatie zich bevond. Deze
verbetering is ook zichtbaar in de presentatie van
de zoekresultaten. Net als
bij een zoekmachine, zoals
bijvoorbeeld Google, worden deze in eerste instantie
in één lijst getoond.
De vernieuwde aanpak van
het de KICH website geeft ruimte om ook in de
toekomst meer cultuurhistorische informatie
op te nemen. Een goed voorbeeld is de nieuwe
versie van CultGIS die in april zal verschijnen.
Deze gegevensverzameling geeft een nog completer beeld van het Nederlandse cultuurlandschap en is afkomstig van het ministerie van
LNV. Maar ook andere organisaties, zoals provincies en gemeenten, kunnen hun gegevensverzamelingen toevoegen aan de cultuurhistorische informatie in KICH.
Onderzoek Nova kunst
en cultuur bezuinigingspost
Zes op de tien Nederlanders wil dat kunst en
cultuur in de top vijf van populairste bezuinigingsposten staan. Ontwikkelingssamenwerking staat op één, kunst en cultuur en
Defensie op een gedeelde tweede plaats,
gevolgd door wonen, en landbouw en visserij.
Uit het onderzoek blijkt ook dat meer kiezers
van de rechtse dan van de linkse partijen op
kunst en cultuur willen bezuinigen. Monumenten: niet van de staat, maar van de straat
onumenten zijn belangrijk voor de culturele en economische ontwikkeling van
Nederland, maar vooral ook voor de mensen,
die er wonen. Daarom worden monumenten
uit het verleden bewaard voor de toekomst,
vaak met verrassende nieuwe bestemmingen.
Het kabinet heeft daarvoor de basis gelegd
door te investeren en te moderniseren. De
achterstanden in de restauratie worden weggewerkt en de rompslomp voor eigenaren van
monumenten wordt beperkt.
M
Nederland telt 60.000 rijksmonumenten, waarvan er ruim 45.000 worden bewoond. Staatssecretaris van Bijsterveldt (OCW): ‘Monumenten zijn niet van de staat, maar van de
straat. De zorg voor de 60.000 Nederlandse
rijksmonumenten vraagt om duidelijk beleid,
dat niet nodeloos ingewikkeld is’. Dat beleid
is erop gericht om monumenten eerst op te
knappen (restauratie), en er daarna goed voor
te zorgen (instandhouding). Die twee staan in
verband met elkaar: als je zorgt dat een monument niet in slechte staat raakt, is minder geld
nodig voor restauratie. Dat is een speerpunt
van het monumentenbeleid van het kabinet.
Om dat beleid uit te voeren is de afgelopen
kabinetsperiode fors geïnvesteerd. Bovenop
het bestaande budget kwam er in 2007 en 2008
in totaal 140 miljoen euro beschikbaar voor de
bestrijding van de restauratieachterstand.
Daarbovenop werd in 2009 nog extra geld gereserveerd, deels voor religieus erfgoed (amendement van Vroonhoven, 50 miljoen), deels uit
de crisisbestrijdingsmiddelen (in samenwerking met het ministerie voor WWI, 44 miljoen)
en deels door de afschaffing van de overdrachtsbelasting (23 miljoen per jaar voor de
jaren 2010 en 2011). De restauratieachterstanden kunnen daarmee verder worden weggewerkt. De focus verschuift dan dus naar de
instandhouding van monumenten, waarvoor
ieder jaar 52 miljoen euro beschikbaar is.
Daarvan kunnen sinds dit jaar ook eigenaren
van ‘groene monumenten’, zoals parken, tuinen
en begraafplaatsen gebruik maken. De komende
jaren kan Nederland dus aan de slag met de
instandhouding van monumenten.
Eigenaren van monumenten spelen daarin de
hoofdrol. De administratieve rompslomp,
waarmee ze te maken kregen, wordt de komende
jaren zoveel mogelijk beperkt. Het aanvragen
van subsidies wordt makkelijker en procedures
STAATSSECRETARIS VAN BIJSTERVELDT
OP WERKBEZOEK IN BREDA.
rond het aanvragen van vergunningen een stuk
eenvoudiger. Dat is de kern van de ‘Modernisering Monumentenzorg’ (MoMo), waar dit
kabinet een start mee heeft gemaakt. Naast het
verminderen van de administratieve lasten is
ook het geven van een nieuwe bestemming aan
oude gebouwen één van de speerpunten van
deze ‘MoMo’ – niet slopen, maar hergebruiken.
Daarnaast staat MoMo ook voor het besef dat
monumenten niet op zich staan, maar altijd
deel uitmaken van een wijk, landschap of ander
breder verband. Dat wordt vastgelegd in de
KO R T
regelgeving voor ruimtelijke ordening, zodat
cultuurhistorie daar altijd een belangrijk
onderdeel is van wat er met een gebied gebeurt.
De ingangsdatum van de Modernisering
Monumentenzorg is 1 januari 2011; vanaf 2012
is er jaarlijks 39 miljoen euro voor beschikbaar
(23 miljoen in 2011).
Staatssecretaris van Bijsterveldt lichtte de
kabinetsvisie op de monumentenzorg toe
tijdens een werkbezoek aan twee Brabantse
oude gebouwen, die een nieuw leven krijgen.
In Oosterhout bezocht ze de voormalige
Leerlooierij Huijben, die een andere bestemming krijgt en met subsidie van het rijk verbouwd gaat worden tot drie woningen. Daarna
was ze in Breda in het voormalig sanatorium
11
De Klokkenberg (foto), één van de 100 zgn.
‘Topmonumenten van de vroege Wederopbouw’. In dit complex, waar vroeger nonnen
voor tbc-patiënten zorgden, komen 377 zorg-
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
appartementen en 36 psychogeriatrische woonéénheden. Van Bijsterveldt maakte bekend dat
De Klokkenberg nu officieel een rijksmonument is. Rotterdam-Maaskantprijs voor
prof. dr. Auke van der Woud
rof. dr. Auke van der Woud (1947) is de
winnaar van de Rotterdam-Maaskantprijs
2010. Van der Woud krijgt deze prijs vanwege
zijn excellente onderzoek naar de negentiende
eeuw. De jury is van mening dat hij het denken
over de negentiende eeuw heeft verdiept en
een nieuw licht heeft geworpen op de architectuurgeschiedenis. Van der Woud heeft een
monumentaal, oorspronkelijk en gezaghebbend oeuvre opgebouwd dat
nog lang zijn waarde zal
behouden.
P
De Groningse hoogleraar Architectuur- en Stedenbouwgeschiedenis werkt aan een
consistent oeuvre waarin hij
de algemeen aanvaarde geschiedbeelden kritisch tegen
het licht houdt en een genuanceerder beeld van de architectuurgeschiedenis construeert.
Dit leidde tot een overtuigende rehabilitatie van de negentiende eeuw waarin hij de
lezers van Het lege land en Een nieuwe wereld
versteld deed staan van de dynamiek en vooruitstrevendheid van dit tijdperken de overeenkomsten die deze tijd met de huidige maatschappij vertoont.
Ook deinst Van der Woud er niet voor terug
vastgeroeste academische beelden en reputaties omver te werpen en te pleiten voor een
andere architectuurgeschiedenis. Met zijn
boeken Waarheid en karakter (1997) en
Sterrenstof. Honderd jaar mythologie in de
Nederlandse architectuur (2009) zette hij
vraagtekens bij de reputaties van Berlage en
Cuypers en stelde dat rond deze figuren een
mythevorming is ontstaan die continu kritiekloos wordt herhaald.
Auke van der Woud begon zijn carrière als
conservator en later adjunctdirecteur bij het Kröller-Müller
Museum in Otterlo, waar hij
onder meer verantwoordelijk
was voor een tentoonstelling over
Congrè Internationaux d’Architecture Moderne. In 1987 promoveerde hij cum laude met zijn
proefschrift Het Lege Land. De
ruimtelijke orde van Nederland
1798-1848.Tussen 1990 en 2002
was hij hoogleraar Architectuurgeschiedenis aan de Vrije
Universiteit Amsterdam en is
sindsdien hoogleraar Architectuur- en Stedenbouwgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Van der Woud verwierf bij het grote publiek
bekendheid met zijn boek Een nieuwe wereld –
het ontstaan van het moderne Nederland uit 2007.
De Rotterdam-Maaskantprijs is een oeuvreprijs voor een of meer personen die het debat
over architectuur, landschapsinrichting en stedenbouw in belangrijke mate stimuleren met
publicaties, onderwijs of opdrachtgeverschap.
De prijs wordt sinds 1978 in de even jaren
uitgereikt en bestaat uit een geldbedrag van
€ 25.000, een oorkonde en subsidie voor een
communicatieve uiting. De jury bestond dit
jaar uit Henry Lenferink (burgemeester van
Leiden), Peter Kuenzli (directeur Gideon
Consult), Wim Derksen (Chief scientist van
het ministerie van VROM en hoogleraar
bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit
Rotterdam), Michael van Gessel (landschapsarchitect) en Marina de Vries (journalist/
recensent beeldende kunst en architectuur).
Van der Woud ontvangt de prijs op 29 oktober
a.s. uit handen van Ahmed Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam en vanuit die functie
voorzitter van de Stichting Rotterdam-Maaskant. Eerdere winnaars van de Rotterdam- Maaskantprijs waren ondermeer Adri Duivesteijn
(2008), Carel Weeber (2006) en Dirk Sijmons
(2002).
In de oneven jaren wordt de 'Jonge' Maaskantprijs uitgereikt, een aanmoedigingsprijs
voor jonge architecten, landschapsarchitecten
of stedenbouwers tot 35 jaar, waarbij het architectonisch of stedenbouwkundig werk voorop
staat. KO R T
12
VITRUVIUS
Grafveld Noviomagus: geen
Romeinen, maar Bataafse elite RECONSTRUCTIE
VAN DE GRAFMONUMENTEN EN
OMMURINGEN VAN
HET GRAFVELD
NOVIOMAGUS.
TEKENING
P. MAAS EN E.
VAN ROOTSELAAR
NUMMER 12
JULI 2010
geen lijken maar urnen met de as van de gecremeerde doden. Dat was in die tijd gebruikelijk.
Stedelijke elite
De families die binnen de ommuurde grafcomplexen op het grafveld begraven zijn, behoorden tot de stedelijke elite van Noviomagus,
stelt Koster. Waarschijnlijk zijn zij nauw
betrokken geweest bij het bestuur van de stad.
Zij hadden een zo hoge status dat zij niet werden begraven met ‘gewone’ leden van hun
gemeenschap – die liggen elders op de begraafplaats, buiten de muren.
Deze families waren rijk en cultureel sterk
gericht op Rome en geïnteresseerd in het
Romeinse. Dat leidt Koster onder meer af uit
de grote hoeveelheden Romeins aardewerk
(terra sigilata) dat is teruggevonden, en uit
andere spullen waarvan is aan te tonen dat ze
oorspronkelijk uit Italië of het Middellandse
Zeegebied komen.
Rijke vondsten
et grafveld van Noviomagus, in het huidige Nijmegen-West, is hét grootste
Romeinse grafveld van Nederland. Enkele graven behoren tot de rijkste van West-Europa.
Het – belangrijke – deel van het grafveld dat
tussen 1981 en 1983 werd blootgelegd is nu
volledig gedocumenteerd door Annelies Koster, conservator archeologie van Museum Het
Valkhof in Nijmegen. Zij concludeert dat hier
geen Romeinen begraven zijn, maar stedelijke
elite van Bataafse herkomst. Koster promoveerde op 20 april jl. aan de Radboud Universiteit.
H
Grootste Romeinse grafveld in
Nederland
Rond het jaar 100 verhief keizer Traianus de
nederzetting Noviomagus, gelegen aan de
westkant van het huidige Nijmegen, tot stad
en gaf haar zijn familienaam Ulpia. En daarmee begon de geschiedenis van de oudste stad
van Nederland.
Kort voor het jaar 100 zijn langs een van de
uitvalswegen naar het zuiden grote grafcomplexen aangelegd. Ze bestonden uit ommuringen, grafmonumenten en uitzonderlijk rijke
graven in ondergrondse houten grafkamers.
Hier (in het huidige Waterkwartier) bevond
zich ook hét grootste Romeinse grafveld in
Nederland. Een deel werd tussen 1981 en 1983
blootgelegd door archeologen van de afdeling
Provinciaal-Romeinse archeologie van de
Radboud Universiteit Nijmegen.
Inheemse bevolking
Het vele aardewerk, bijzondere glaswerk, bronzen en ijzeren vaatwerk, toiletgerei, meubilair,
wapens, schrijfgerei, sieraden, kostbaar textiel
met gouddraad en uit barnsteen en bergkristal
gesneden beeldjes en snuisterijen - kortom: de
rijke vondsten uit het grafveld van Noviomagus zijn vrijwel allemaal te zien in Museum
Het Valkhof.
Nieuwe opgravingen
In het Waterkwartier verwijst niets nog naar
de bijzondere plek. Wel wordt op dit moment
opnieuw gegraven in Nijmegen-West, op een
terrein dat grenst aan het hier beschreven grafveld. In dit ‘nieuwe’ stuk liggen vooral lijkbegravingen uit de derde eeuw. Dat de oogst
daar weer zo rijk zal zijn, is niet te verwachten,
aldus Koster, omdat tot nu toe in die graven
steeds maar één of twee bijgaven zijn aangetroffen. Annelies Koster groef destijds zelf mee. De
afgelopen jaren wijdde ze zich aan een
beschrijving van alle vondsten en de omstandigheden waaronder ze gevonden zijn. Zij stelt
in haar proefschrift dat de families die hier
begraven zijn geen Romeinen waren maar
waarschijnlijk Bataven. Die kwamen oorspronkelijk van elders, maar je mag ze rond 100 na
Christus wel ‘inheemse bevolking’ noemen.
Koster concludeert dat uit
EEN VAN DE GRAVEN UIT HET GRAFVELD NOVIOMAGUS.
de grote, ‘on-Romeinse’
hoeveelheid bijgaven en
uit de aard ervan: wapens
bijvoorbeeld werden door
Romeinen niet meegegeven. Ook het bouwen van
grafkamers behoort meer
tot de Gallische of Keltische traditie, niet tot de
Romeinse. ‘Romeins was:
zichtbare monumenten
bouwen, boven de grond,
waardoor de doden ook in
de toekomst herinnerd
zouden worden.’
Overigens begroef men
KO R T
13
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Congres Arbeitskreis für Hausforschung in Amsterdam, 28.9-1.10.2010
Huizenonderzoek in Holland
e Arbeitskreis für Hausforschung (AHF)
is een Duitssprekende, Europese vereniging die komend najaar neerstrijkt in de
Randstad om naar de structuur en afwerking
van huizen te kijken. Daarnaast komen aspecten van stedelijke ontwikkeling, archeologie
en de geschiedenis van het bouwen aan bod.
Dit maal staat Amsterdam centraal met excursies naar Leiden en Amersfoort, waarbij de
gemeentelijke diensten monumentenzorg en
archeologie samenwerken met de Rijksdienst
voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
D
Het Nederlandse onderzoek vertoont de laatste
jaren een grote opbloei met opmerkelijke nieuwe inzichten en resultaten die rechtvaardigen
om daarmee internationaal naar buiten te treden. Er is gezocht naar evenwicht tussen de
lezingen en het aanschouwen ter plaatse maar
het programaanbod is als zodanig behoorlijk
vol. De AHF organiseert jaarlijks zo’n congres
op wisselende locatie waaraan de uitgave van
een Jahrbuch für Hausforschung gekoppeld is
dat tijdens dit congres al beschikbaar is.
De leden zijn professioneel werkzaam in de
monumentenzorg, museale wereld, aan universiteiten, als architect of als bouwhistoricus.
Omdat het congres voor en door vakgenoten
georganiseerd wordt en studenten/stagiaires
van harte welkom zijn, streeft men naar een
PANORAMA OVER
AMSTERDAM
VANAF HET
SCHEEPVAARTHUIS
(FOTO D.J. DE
VRIES 2007
laagdrempelige (goedkope) opzet waarbij overheden als gastheer functioneren.
In haar meer dan 50-jarige bestaan is de AHF
enkele keren eerder in Nederland geweest:
Bentheim/Zwolle (1972), Utrecht/Den Bosch
(1988) en Maastricht (2001). Dankzij excursies
naar Leiden en via Hilversum (stadhuis) naar
Amersfoort komen ook huizen uit de middeleeuwen en de moderne tijd aan bod. De afslui-
ting vindt plaats in Amersfoort, met lezingen
in het gloednieuwe kantoor van de RCE, met
excursies in de stad en een diner in ‘De
Observant’. Inhoudelijk en informatief; veel
waar voor je geld!
Kosten: € 125 leden/ € 150 niet-leden/ € 80
studenten en werklozen. Programma en aanmelden: www.arbeitskreisfuerhausforschung.de. Nieuwe weblog over Van Goghs atelierpraktijk
iet Vincent van Gogh zich beïnvloeden
door zijn kunstenaarsvrienden? Gebruikten ze dezelfde materialen en technieken?
Werd hij geïnspireerd door handboeken en
tentoonstellingen? Dit soort vragen vormt de
kern van het project Van Goghs Atelierpraktijk,
een onderzoek dat wordt uitgevoerd door het
Van Gogh Museum, Shell en het Instituut
Collectie Nederland. Dit onderzoek is te volgen via de speciaal ontwikkelde weblog:
www.vangoghsatelierpraktijk.nl.
Het onderzoek naar Van Goghs atelierpraktijk
is verdeeld over drie werkgroepen die gericht
zijn op een bepaalde periode uit Van Goghs
leven: de eerste behandelt de Hollandse tijd
van Van Gogh (1880-1885). Dit is de periode
waarin hij koos voor het kunstenaarschap en
zich het vak moest eigen maken. De tweede en
derde werkgroep onderzoeken respectievelijk
de periode Antwerpen/Parijs (1885-1888) en
Arles/Saint-Rémy/Auvers (1888-1890).
L
In de vorm van blogposts, foto’s en video’s
laten kunsthistorici, restauratoren en technisch/natuurwetenschappelijk onderzoekers
van de drie partners zien welke vragen ze zich
stellen, welke hoogwaardige technieken ze
gebruiken en welke antwoorden dat oplevert.
Door de resultaten van dit multidisciplinaire
team te combineren, worden verrassende
inzichten verkregen in de werkwijze van Van
Gogh en wat daarop van invloed was.
Het onderzoek wordt eind 2012 afgesloten met
een publicatie en een tentoonstelling in het
Van Gogh Museum, waarin de onderzoeksresultaten met het publiek gedeeld worden. Tot
die tijd blijven geïnteresseerden op de hoogte
van de ontwikkelingen via de weblog. KO R T
14
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Duurzamere restauraties
historisch metselwerk
e faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen (TU Delft) en de Vereniging Monumentenwacht Nederland hebben
afgelopen januari het derde onderzoekscontract ondertekend binnen de raamovereenkomst ‘Aanpak Vochtproblematiek Massief
Metselwerk’. Dit nieuwe onderzoek moet leiden
tot een verbeterde voegmethode om de duurzaamheid van restauraties te verhogen.
D
Het accent van het contract ligt op het voegwerkherstel van zwaar regenbelaste historische muren. Daarnaast het inboeten van slecht
metselwerk en de voorzieningen voor hemelwaterafvoer bij klassieke windmolens. Teveel
hervoegbeurten van monumentale gebouwen
mislukken. Bij vorst worden de voegen uit de
muur gedrukt of er ontstaat lekkage. Het blijkt
dat naast materiaalkundige (mortelreceptuur)
redenen ook uitvoeringstechnische redenen
zorgen voor deze problemen.
Het nieuwe onderzoek (Cluster 3) leidt tot verantwoorde keuzen bij toe te passen materialen
en mondt uit op richtlijnen op besteksniveau
voor restauratievoegmortel en de wijze van
uitvoering. Deze richtlijnen kunnen worden
toegepast door architecten, consulenten,
aannemers, restauratievoegbedrijven en individuele vaklieden. Het onderzoek wordt gerealiseerd met subsidie van de provincie ZuidHolland en uitgevoerd onder supervisie van de
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (vroegere Rijksdienst voor de Monumentenzorg).
Baksteenmetselwerk
Het onderzoek wordt uitgevoerd door de
onderzoekers dr.ir. Caspar Groot en Jos Gunneweg van de sectie Gebouwen en Civieltechnische Constructies. Hun sectie heeft
jarenlange expertise met materiaalkundige
aspecten van baksteenmetselwerk. Groot is
voorzitter van de internationale RILEM commissie Restauratiemortels.
Doordat de onderzoekers ook werkzaam zijn
binnen een eigen particuliere adviespraktijk,
kunnen zij hun ervaringen in de uitvoering
van restauratieprojecten koppelen met het
wetenschappelijk onderzoek en ontstaat een
synthese tussen de benadering vanuit het labo-
ONDERZOEK MET KARSTENBUISJE OP AANWEZIGHEID VAN
LEKKAGE LANGS HECHTVLAK NIEUWE VOEG.
ratorium en die vanuit de praktijk. ‘De kennis
binnen CiTG van diverse bindmiddelen in
metsel- en voegmortels wordt verdiept en meer
inzicht wordt verkregen over de invloed van
uitvoeringscondities op de duurzaamheid van
metsel- en voegwerk,’ zegt Jos Gunneweg.
Vergelijkend onderzoek
restauratievoegmortel
Voor het onderzoek worden een aantal proefpanelen opgezet met verschillende zelf gemixte voegmortelrecepturen en een aantal prefab
mortels. Hieraan zullen laboratoriumtests
worden uitgevoerd naar de hygrische, mechanische en fysische eigenschappen.
Daarnaast zullen vries-dooiproeven worden
uitgevoerd. Ook wordt aan enkele objecten de
toestand van een aantal jaren geleden uitgevoerde hervoegbeurten onderzocht. Aan de
hand van deze resultaten zullen grenswaarden
voor bepaalde materiaalparameters worden voorgesteld die als richtlijn kunnen dienen voor de
keuze van een restauratievoegmortel en de
ideale uitvoeringswijze‚ worden beschreven.
Raamovereenkomst
In oktober 2003 is tussen de toenmalige
Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de
faculteit CiTG een ‘raamovereenkomst’ gesloten waarin beide partijen intenties en uitgangspunten hebben vastgelegd voor een
meerjarig onderzoeksproject voor de bescherming van het Nederlandse gebouwde erfgoed
tegen de bedreiging door water en vocht.
Met grote regelmaat kreeg deze Rijksdienst
verzoeken om hulp en bijstand bij het in orde
brengen van ‘lekkende’ molenrompen. Ook bij
andere categorieën beschermde monumenten
werden in toenemende mate vergelijkbare
schadefenomenen gesignaleerd waarvoor
geschikte behandelmethoden niet of nauwelijks voorhanden leken.
Het eerste onderzoekscontract ‘kwaliteitseisen
restauratiebaksteen en kalkgebaseerde metselmortels’ werd in 2007 voltooid en uitgewerkt
in een ontwerprichtlijn. Aan het tweede
onderzoekscontract, ‘detectie holten en lateraalscheuren’ en ‘richtlijnen injecteren’ wordt
inmiddels de laatste hand gelegd. RE S
NOVA
RU B R I E K
15
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
‘Nou, nou’, hoor ik u denken, ‘Weet Res nova
eigenlijk wel wat dat betekent, supernova?’ Ja hoor,
want dit is zo ongeveer het effect dat ons te
wachten staat als de omgevingsvergunning per 1
juli verplicht wordt. Ik zal u niet vervelen met
details over de Wabo1, maar er gaat heel wat veranderen: niet alleen wordt het aantal vergunningvrije bouwwerken sterk verruimd, maar het
gros daarvan mag zelfs in strijd met het bestemmingsplan plaatsvinden. O, u maakt zich geen
zorgen? Beschermde monumenten kennen
immers geen vergunningvrije bouwwerken?
Maar wat dacht u van al die prachtige straatbeelden en pittoreske hoekjes die meestal niet
beschermd zijn? Wat dacht u van de vele onbeschermde beeldbepalende panden? ‘De wal keert
het schip’, zei Flip ten Cate van de Federatie
Welstand bij een studiedag van Monumentenhuis Brabant, en hij liet de ene ontnuchterende
dia na de andere zien. Heel in het kort komt het
er op neer dat de wetgever een nieuw begrip
heeft bedacht – het achtererf – waar vergunningvrij gebouwd mag worden. Het toegepaste voorzetsel blijkt echter rekbaar te zijn, want dit erf
begint namelijk al 1 meter achter de voorgevel.
Vanaf dat punt kun je, als je het handig aanpakt,
zowat je hele perceel vergunningvrij volbouwen.
Wen er maar alvast aan, want u zult nog vaak
ww
w.o
mg
evin
gsv
erg
unn
ing
.nl
SUPERNOVA
horen over de artikel-2-categorie
en de artikel 3-categorie van de BOR2.
Bouwen zonder (omgevings)vergunning
Artikel 2 van de BOR (Bijlage II) betreft de ‘gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische
gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is
vereist’. Kort door de bocht gaat het hier om een
verruiming van de categorie die we sinds de
nieuwe woningwet van 2003 al kennen. Wat
anders is, is dat verschillende ingrepen die toen
alleen aan de achterkant mochten plaatsvinden
– zoals het plaatsen van zonnecollectoren –
voortaan ook aan de voorkant toelaatbaar zijn.
Zo zijn er nog meer verschillen, maar het
belangrijkste novum is wel dat voortaan álle
gebouwen in strijd met het bestemmingsplan
mogen worden uitgebreid. Als omwonenden
heb je het nakijken, want je hebt geen inspraak
en er is geen bezwaar of beroep mogelijk.
Het andere artikel staat in hoofdstuk 3 van bijlage
II bij de BOR en betreft de ‘gevallen waarin voor
bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is
vereist’. Ook hier is het perspectief onthutsend,
want er kan maar liefst een volume toegevoegd
worden van 5 meter hoog, waarvan de omvang
niet gemaximeerd is (ook al zijn er wel marges
ten opzichte van het hoofdgebouw, de publieke
ruimte en de perceelsgrenzen). Mocht dit in
strijd zijn met het bestemmingsplan, dan hoeft
er slechts ontheffing gevraagd te worden.
Als we deze twee artikelen optellen krijgen we
de illustratie rechtsboven3.
PER© saldo
‘Maar jullie hadden toch een planologisch erfgoedregime© bedacht’, hoor ik u denken. ‘Staat dat
nu al op de helling?’ Nee hoor, dat staat als een
huis. Omdat in het PER© een koppeling wordt
gemaakt tussen het bestemmingsplan en één
artikel in de monumentenverordening, kun je
vergunningvrije werken uitsluiten. Wat dit
schrikbeeld ons wel leert is dat gemeenten hiermee niet te lang moeten wachten. Vooral niet nu
onlangs gebleken is dat hoogwaardig erfgoed
niet alleen een sterke economische motor is,
maar zelfs een remedie tegen de gevreesde
krimp die Nederland te wachten staat.
Bernadette van Hellenberg Hubar
1 Wabo:
Foto: Don Rackham
Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht.
Of deze per 1 juli echt in werking treedt staat nog
niet vast (zie www.federatiewelstand.nl).
2 BOR: Besluit omgevingsrecht
(zie www.federatiewelstand.nl).
3 Herkomst model: ingezonden stuk Wico Ankersmit
Via Adviseurs op www.omgevingsvergunning.nl.
www.res-nova.nl [email protected]
Tel. 0475 - 552 330
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
RONALD STENVERT
ARCHITECTUUR- EN BOUWHISTORICUS,
MEDEOPRICHTER EN FIRMANT VAN
BBA.BUREAU VOOR BOUWHISTORIE
EN ARCHITECTUURGESCHIEDENIST
TE UTRECHT
16
In de eerste aflevering stonden de wortels van het gewapend beton en het begin van de
betontechnologie centraal.1 In deze tweede bijdrage wordt de aandacht gericht op de
‘tweede betonrevolutie’. Innovaties van kort voor de Tweede Wereldoorlog, die dunnere en
lichtere betonconstructies opleverden, kwamen met de wederopbouw tot volle bloei.
Ook vernieuwingen op het gebied van de wapening, zoals voorspanning, gingen een rol
spelen. Daarnaast zorgden een verbeterde betontechnologie en verwerkingsmethoden
voor een harder beton dat fabrieksmatig geproduceerd kon gaan worden. Schaaldaken
en schokbeton zullen hier de grootste aandacht krijgen, maar ook zal blijken dat verdergaande specialisatie op dit gebied leidde tot een toenemende scheiding tussen architect,
ingenieur, constructeur en bouwer. Dit levert soms auteursproblemen op over wie de vorm
‘werkelijk’ bedacht heeft.
B O U W H I S TO R I E :
G E WA P E N D B E TO N
DEEL 2
Stampen,
spuiten &
schokken
Steenharde brokken
1 – ROME, PALAZETTO DELLO SPORT NAAR ONTWERP VAN PIER LUIGI NERVI, 1959.
og steeds tot de verbeelding sprekend, is
het werk van de architect Pier Luigi Nervi
(1891-1979). Deze Italiaan was een gelauwerd ontwerper van knap ontworpen
betonconstructies, waaronder stadions en
vliegtuighallen, en van het na de Tweede
Wereldoorlog gebouwde grote Palazzo en het
kleinere Palazetto dello Sport voor de
Olympische spelen van Rome in 1960 (figuur
1).2 Eén van zijn grote verdiensten was dat hij
nog de kwaliteiten van zowel architect als
constructeur in zich verenigde, een combinatie die inmiddels schaars was geworden. De
voortschrijdende splitsing van taken maakt
N
het voor de architectuurhistoricus steeds
moeilijker precies te achterhalen wie de auctor
intellectualis van menig bouwwerk is. Niet
zelden is er daarbij sprake van een esthetisch
ontwerper, een uitvoerend architect, een
constructeur, een ingenieursbureau, een al dan
niet door een octrooi beschermd systeem,
uitgevoerd door een licentiehoudende bouwfirma of tenslotte de grotere toevloed van kant
en klare producten uit de betonfabriek.
Van planetarium tot fabriek
Eén van de hoogtepunten uit de vroeg betonbouw is de imposante Jahrhunderthalle te
Breslau (nu Wroclaw, Polen) uit 19113 met een
koepel van 65 meter doorsnede. De hal werd
gebouwd door de in 1865 te Karlsruhe als
‘Zementwarenfabrik’ gestichte bouwonderneming Dyckerhoff & Widmann. Deze firma
werkte vanaf 1906 als vaste aannemer voor de
firma Zeiss te Jena en de hieraan gelieerde
Jenaer Glaswerke. Voor deze laatstgenoemde
fabriek maakten ze in 1924 een gebouw met
een koepel van 40 meter doorsnede en slechts
zes centimeter dikte. Deze vernieuwende
constructie bracht het gewicht van de koepel
terug tot slechts twintig procent van die te
Breslau. Dit werd bereikt door een schaal-
17
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
constructie die in verhouding dunner was dan
een eierschaal.4
Walter Bauersfeld (1879-1959) van de firma
Zeiss was twee jaar eerder, in 1922, begonnen
met de ontwikkeling van een planetariumprojector. Om te kunnen projecteren, had hij
een halfrond hemelgewelf nodig en dacht daarvoor aan een schaalconstructie. Op het dak van
de Zeiss-fabriek bouwde hij een koepelvormige
schaal van zestien meter doorsnede door ijzeren staven in driehoeksvormen met elkaar te
verbinden, ze vervolgens van een dun ijzeren
draadnet te voorzien en het geheel zowel van
binnen als van buiten met enkele centimeters
snelverhardend spuitbeton te bedekken. De
firma Zeiss patenteerde dit procédé.5
Voor het ontwerp werkte Bauersfeld samen
met Franz Dischinger (1887-1953) van de
genoemde bouwonderneming. Samen construeerden ze een grotere versie van dit planetarium elders in Jena. Deze schaalconstructie met
een doorsnede van 25 meter kwam in 1926
gereed en werd een voorbeeld voor vele andere
planetaria in de wereld (figuur 2).6 In 1923 trad
Ulrich Finsterwalder (1897-1988) tot de bouwonderneming toe. Beide concurrerende constructeurs legden zich toe op de ontwikkeling
van schaalconstructies: Dischinger op tonschaaldaken en veelhoekige koepelconstructies en Finsterwalder op de ontwikkeling van
de segmentvormige schaaldaken.7 Finsterwalder ontwikkelde ook een methode voor een
rechthoekige schaal met een halve cilindervorm die zijn dwarsbelasting op de vier hoekpunten afdroeg door middel van gebogen
wapeningsstaven in het vlak van de cilindervorm. Deze staven volgden de richting van de
spanningsbanen (zogeheten trajectoriënwapening).
Eenlaagse fabrieksgebouwen bestonden tot die
tijd uit sheddaken met een steilere schuine
zijde voorzien van een vensterstrook voor de
lichttoetreding en een flauwhellend deel als
dak. Dit laatste werd vervangen door een gebogen cilindersegment. De eerste belangrijke
toepassing van dergelijke segmentvormige
shedschalen geschiedde in 1933 bij de textielfabriek ‘Grafa’ te Buenos-Aires.8 Nadat in 1934
een vergelijkbare schaalconstructie van een
vliegtuighal in Cottbus was bezweken, werden
de tonschalen versterkt met knikribben.9
De in 1923 opgerichte ‘Kuppelbau-Gmbh’
beheerde de patenten van wat bekend werd als
het ‘systeem Zeiss-Dywidag’. Ze verleenden
licenties aan buitenlandse firma’s. In Nederland blijkt de ‘Nederlandsche Maatschappij
voor Havenwerken NV’ (NMH) rond 1939 een
licentie te bezitten.10 Een artikel in De 8 en
Opbouw maakt hier melding van. Het artikel
3 – ARNHEM, TONSCHALEN VAN DE
DRIEBEUKIGE STROLOODS VOOR DE
ALGEMENE KUNSTZIJDE INDUSTRIE
IN DE KLEEFSE WAARD, 1942.
2 – JENA, PLANETARIUM GEBOUWD VOLGENS
HET ZEISS-DYWIDAG-SYSTEEM, 1926.
4 – NIJMEGEN, CONTINUESPINNERIJ VAN DE NYMA
MET TWEE KEER VIER TONSCHALEN, 1948.
werd geïllustreerd met een door Derk Masselink (1909-1982) ontworpen driebeukige stroloods van drie maal van 100 bij 25 meter in opdracht van de Algemene Kunstzijde Unie in de
Kleefsche Waard te Arnhem uit 1942 (figuur 3).11
Gebogen schalen
Na de oorlog leverden schaaldaken een belangrijke bijdrage aan de grote vraag naar fabrieksruimte. Als belangrijke voordelen werden aangevoerd een geringer staalgebruik, grote brandveiligheid, weinig onderhoudskosten, ideale
verlichting en last but not least ‘een aesthetische aantrekkelijkheid’. Ten gevolge van de
financiële oorlogsafwikkeling was het octrooi
op het systeem Zeiss-Dywidag eind 1949 vervallen verklaard. Toch bleef de NMH sterk
betrokken op dit gebied.12 Met Marshallhulp
bouwde men in 1948 voor de NYMA te
Nijmegen een continuespinnerij met acht tonschalen (figuur 4).13 Het jaar daarop bouwde
men voor de firma Bates Cepro Zakken Maatschappij N.V. te Velsen-Noord een fabrieksgebouw van twaalf segmentvormige schalen,
waarbij het beton werd niet gespoten, maar
‘aardvochtig’ op de wapening werd aangebracht en handmatig werd afgewerkt met de
plakspaan.14 De NHM bouwde ook in 19461947 naar ontwerp van J.D. Postma (18901960) de Ned. Am. Bandenfabriek Vredestein
te Enschede en in 1952 de eveneens door
Postma ontworpen J.B. Bussink’s Koninklijke
Nederlandse Koekfabrieken te Deventer. De
berekeningen van deze schalen werden uit-
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
gevoerd door ingenieur Arend Maarten Haas
(1898-1972), de toenmalige directeur van de
bouwer die het werk uitvoerde.15 Haas was in
1949 gepromoveerd op de berekening van paddestoelvloeren en legde zich vooral toe op de
berekening van schaalconstructies nadat hij
1953 hoogleraar te Delft was geworden.
In Hengelo was Gerrit Beltman jr. (1905-1967)
in 1954 verantwoordelijk voor de realisatie van
de fabriek van de Koninklijke Weefgoederenfabriek C.T. Stork & Co. (figuur 5). De berekening was van B.A. Sassen (1923-2000), die na
zijn afstuderen bij Haas in Delft van 1952 tot
1959 aan bureau Beltman was verbonden.16
De bouw werd opnieuw uitgevoerd door de
NHM. Dezelfde combinatie van architect,
constructeur en aannemer stond ook in 1956
aan de basis van de nieuwe fabriek voor de
Coöperatieve weverij en textielhandel De
Ploeg te Bergeijk. Vermaard werd de fabriek
doordat Gerrit Rietveld (1888-1964) voor de
esthetische vormgeving werd ingeschakeld.
Het verhaal dat Rietveld tijdens een studiereis
naar Noord-Italië op het idee van de gebogen
schaaldaken was gekomen, blijkt een fabel en
is feitelijk onjuist. Als esthetisch adviseur
beperkte Rietvelds invloed zich tot de lichte
verdraaiing van de kopse gevels, het kleurenschema van de bekleding en de staalconstructie bij de ingangspartij (figuur 6).17
Staven onder spanning
Een tweede belangrijke ontwikkeling werd het
toepassen van voorgespannen beton. De
Fransman Eugène Freyssinet (1879-1962)
kreeg hier in 1928 een patent op. Al eerder
bestonden er patenten op aangespannen stalen
5 – HENGELO,
SHEDS CHALEN
VAN DE KON.
EEFGOEDERENFABRIEK
C.T. STORK
& CO., 1954.
6 –BERGEIJK,
SHEDSCHALEN
VAN DE WEVERIJ
DE PLOEG MET
ESTHETISCH
ADVIES VAN
GERRIT
RIETVELD, 1956.
18
draden die in beton waren ingegoten, maar
krimp en kruip van beide materialen maakte
dat de spankracht al na korte tijd verloren
ging. Freyssinet toonde aan dat blijvende voorspanning enkel mogelijk is met staal van een
zeer hoge vloeigrens. Het normale bouwstaal
dat in die tijd met St. 37 werd aangeduid, was
daarvoor niet voldoende. Kort na de oorlog
kwam hoogsterk staal beschikbaar, aangeduid
als St. 90, dat bijna drie keer zo sterk was en,
na aftrek van krimp en kruip, een flinke
hoeveelheid effectieve trekkracht overhield.18
Sterker staal impliceerde echter ook harder
beton en dat stelde extra eisen aan de samenstelling en de verdichting van het beton.
Voor kleinere constructieonderdelen als lateien,
vloerbalken etc. wordt de wapening eerst op
spanning gebracht (voorgerekte wapening) en
in het beton gegoten. Voor grotere constructies
maakt men eerst de betonconstructie met daarin kokers. In de kokers worden tot spankabels
samengestelde wapeningstaven getrokken die
door middel van vijzels op spanning worden
gebracht (nagerekte wapening).19 De holten
tussen koker en kabel worden vervolgens
gevuld met grout (een mengsel van water en
cement).
schappij in Ohio (VS). De berekening voor de
schalen met voorgespannen staven werd
gemaakt door de latere Eindhovense hoogleraar Bartel Willem van der Vlugt (1923-2001)
van de I.B.I.S. (Ingenieursbureau voor Industrie-Service).201
Het jaar daarop, in 1955, kwam bij Oosterhout
de nieuwe Jaminfabriek tot stand, eveneens
met voorgespannen schaaldaken. In het proces
keren een aantal bekenden terug. Architectonisch advies berustte bij D. Masselink, de
uitvoering was in handen van de NHM en de
berekeningen werden door A.M. Haas uitgevoerd. Deze laatste had in het kader van zijn
hoogleraarschap een kartonnen model op
schaal 1:10 laten maken, dat in het Instituto
Téchnico de la Construcción y de Cemento te
Madrid werd beproefd.22 In 1961 publiceerde
Haas een overzicht van schaalconstructies,
waar naast diverse van de al genoemde schaalconstructies ook de melkfabriek te Hilversum
van de in het ontwerp van melkfabrieken
gespecialiseerde architectenfirma Martens &
Kramer uit 1955 was opgenomen. Zij ontwierpen, eveneens met de I.B.I.S. als constructeur,
het jaar daarop een kleinere variant in Heiloo
(figuur 7).24
De eerste toepassing van voorgespannen beton
in een fabriek dateert uit 1949 bij een door
Dyckerhoff & Wildmann gebouwde weverij
van Weber & Ott. te Forchheim.20 Vermoedelijk het eerste Nederlandse fabrieksgebouw
met voorspanning is de in 1954 geopende Cincinnatifabriek voor gereedschapswerktuigen te
Vlaardingen. Het architectenbureau Van Tijen
en Maaskant was bij de uitvoering betrokken,
maar het ontwerp stamde van de moedermaat-
De toen net gefuseerde textielfirma NijverdalTen Cate te Almelo liet in 1952 de hele firma
doorlichten door het Zwitserse textieladviesbureau Gherzi. Dit bureau was in 1948 begonnen met het aanbieden van kant en klare
bouwkundige oplossingen en leverde de ontwerpen voor zowel een weefhal in Almelo als
in Nijverdal. De firma Van Heek & Co. te
Enschede, ooit de grootste werkgever van
Nederland, kon niet achterblijven en nam in
19
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
7 – HEILOO, INTERIEUR MET TONSCHALEN VAN DE CAMPINA-FABRIEK, 1955.
1958 eveneens een dergelijke weefhal in
gebruik. Gherzi zorgde opnieuw voor het plan
en voor de enorme airconditioning-installatie
met manshoge luchtkokers. De uitvoering
geschiedde door het Enschedese aannemersbedrijf Van Eegteren & Zn. dat de voorgespannen balken ter plekke op de bouwplaats goot,
afspande en vervolgens in de constructie takelde. Op de balken kwamen prefab dakplaten
van bimsbeton te liggen (figuur 8).24 Op deze
manier werd eveneens een relatief licht geconstrueerde hal gerealiseerd. Lang heeft de firma
niet van hun toen hypermoderne weefhal kunnen profiteren, want in 1967 ging ze failliet.
Ook het hoogtepunt van de schaalconstructies
was toen voorbij ten gevolge van de loonronden uit het begin van de jaren zestig die de
voor de schaaldaken benodigde tijdsintensieve
bekistingen te duur maakten.26
levert meer dan anderhalf keer de sterkte van
gewoon beton op. Andersom kan met een kleine doorsnede eenzelfde sterkte bereikt worden
en dat is voordelig bij het maken van de betonnen kozijnen. In het begin legde Schokbeton
zich toe op de productie van kleinere prefabelementen. Vanwege hun grote dichtheid worden ze tot de hardbetonproducten gerekend.28
Schokbetonnen stalvensters werden toegepast
bij de boerderijen in de nieuwe Wieringermeerpolder. Wel was het van belang om van te
voren precies te bepalen waar de gaten, pluggen en draadeinden moesten komen, in een
tijd vóór de uitvinding van de hamerboor.
Schokbeton in Zwijndrecht startte begin 1940
met de productie van elementen voor de
afbouw van de Rivièrahal van de door S. van
Ravesteyn (1889-1983) ontworpen Rotter-
Hard als schokbeton
Op 4 juli 1935 kreeg Gerrit Lieve (1888-1944)
een octrooi op betonverdichting door middel
van schokken.27 In 1932 had hij samen met
Matthijs Elias Leeuwrik (1900-1980) de N.V.
Schokbeton opgericht. Het principe van het
schokken is verdichting zonder ontmenging,
zoals ook een zak suiker door enkele keren op
tafel stoten inklinkt. Ellipsvormige wielen
onder een schoktafel met daarop een kist vol
aardvochtige beton zorgen voor deze schokken
en voor een mechanische verdichting. Dit
8 –ENSCHEDE, GHERZI-WEEFHAL VAN DE FIRMA VAN HEEK & CO., 1958.
VITRUVIUS
NUMMER 12
20
JULI 2010
9 – ROTTERDAM, DE IN 1972 GESLOOPTE
UITZICHTTOREN VAN DE DIERGAARDE
BLIJDORP SCHUIN NAAR BOVEN GEZIEN,
UIT HET NIEUWE DIERGAARDE BOEK.
11 – ENSCHEDE, TORENBEKRONING VAN HET
STATION MET HARDBETONNEN ARTISTONE
SIERELEMENTEN VAN DE FIRMA METEOOR
UIT DE STEEG, 1949-1950.
10
– ROTTERDAM, DETAIL VAN DE RIVIÈRAHAL
IN DE DIERGAARDE BLIJDORP MET SCHOK BETON
VENSTERS EN LICHT PAARS GEKLEURD
SCHOKCRETE SIERBETON.
damse Diergaarde Blijdorp. Naast schokbetonvensters werden ook elementen geproduceerd
die als montagebouw op de bouwplaats tot grotere delen werden samengesteld (figuur 9).29
Daarbij leverde de firma betonnen elementen,
die op de in het zicht komende oppervlakten
van een extra deklaag waren voorzien.
Natuursteengruis werd daarin verwerkt, zoals
dat ook al langer bij sierbeton gebeurde, waarna de oppervlakte een speciale nabewerking
kreeg (figuur 10). Schokbeton bracht dit sier-
beton op de markt onder de naam Schokcrete.30
Ondanks het octrooi van Schokbeton gingen
ook andere betonfabrieken hun eigen hardbeton en sierbeton produceren. Een belangrijke
concurrent was de in 1931 gestichte betonfabriek De Meteoor in De Steeg, die naast
Stelconplaten (hardbetonplaten met een stalen
rand) vanaf 1938 sierbeton onder de naam
Artistone ging produceren. In 1946 blijken
diverse firma’s beton-kunststeen te leveren,
met namen als Ostalon, Articon en Colcret.31
12 – OUDEMIRDUM, LUCHTWACHTTOREN VOLGENS HET RAAT-SYSTEEM, 1953. FOTO 2009
Later kwam daar nog Bastolite Sierbeton bij
van de firma Bastolite te Oudenbosch.32
Niet alle hardbeton blijkt Schokbeton. Zo worden leveringen van betonelementen voor het
Rotterdamse Groothandelsgebouw (19491950) zowel in het jaarverslag van Schokbeton
als in het jubileumboek van de Meteoor
genoemd.33 Uit dit laatste boek blijkt ook dat
De Meteoor ook de betonelementen leverde
voor het door H.G.J. Schelling (1888-1978)
ontworpen station van Enschede uit 19491950. Voor dit en enkele andere stations experimenteerde Schelling met diverse toeslagstoffen, waaronder gemalen baksteen en glas
(figuur 11).34 Uiteindelijk was het aanbod aan
betonwaren dermate groot dat de in 1922 opgerichte Bond van Fabrikanten van Betonwaren
in 1957 een compendium van de betonproducten uitgaf, helaas zonder verwijzingen naar de
afzonderlijke producenten.35
Onder leiding van Leeuwrik maakte Schokbeton na de oorlog een enorme bloei door, van
32 werknemers in 1933 tot 1090 in 1950. Dit
kwam door bijna on-Nederlandse ambitieuze
projecten, zoals een slechts ten dele gerealiseerd plan uit 1953 voor de bouw van een
geheel nieuw stadsdeel aan Accra in de Goudkust (nu Ghana) vol systeemwoningen en een
wel gerealiseerd project uit 1957 voor prefabgebouwen op militaire vliegbasissen op Groenland en IJsland.36 Met het oog op de toekomstige ontwikkeling in de nieuwe IJsselmeerpolders werd in 1947 een tweede vestiging te
Kampen gesticht.37 Daar werd in 1950 geëxpe-
21
rimenteerd met een proefwoning volgens het
bouwsysteem Raatbouw, dat door de Friese
architect Marten Zwaagstra (1895-1988) was
ontwikkeld. Indien gewenst konden de raten
met betontegels gevuld worden. Als woningbouwsysteem had het geen succes, maar het
werd wel in 1953 succesvol toegepast bij de
bouw van 138 luchtwachttorens voor een netwerk van uitkijkposten voor het Korps
Luchtwacht Dienst (figuur 12).38 Ook produceerde Schokbeton onder meer in 1950-1954
de gevelelementen voor de elektriciteitscentrales in Harculo bij Zwolle, Hemweg, Geertruidenberg en Buggenum. Hun grootste
opdracht was de bouw van ruim 900 montageschuren in de Noordoostpolder. In 1949-1950
werd een eerste serie van ruim honderd geproduceerd, in 1951-1953 gevolgd door een tweede serie en in 1954-1958 een derde serie, waarvan er ook nog ruim 200 in Oostelijk Flevoland gebouwd werden. Een montagestal met
gemiddeld 180 betonelementen, inclusief een
aantal gelamineerde houten spanten, kon met
een team van zes man en één kraan in drie
dagen op een van te voren gestorte fundering
gemonteerd worden (figuur 13).39
Hoewel ze nog jaren lang betonelementen bleven produceren (figuur 14), richtten ze zich
vanaf 1950 ook op voorgespannen spantconstructies, nadat ze een licentie voor het systeem Freyssinet hadden verworven. Voor de
ontwikkeling trokken ze Bernardus Hermanus
Henricus Zweers (1900-1967) als adviseur aan.
Hij was hoogleraar utiliteitsbouw in Delft van
1946 tot 1965 en ontwierp naast voorgespannen boogspanten ook tweescharnierportalen
met voorspanning. Hoeveel er daarvan zijn
gebouwd en nog bestaan is helaas onbekend
(figuur 15). In 1960 opende Schokbeton een
nieuwe vestiging in Vianen speciaal voor de
productie van grote wandelementen ten
behoeve van de zware montagebouw die in die
tijd tot ontwikkeling kwam voor de productie
van seriematige galerijflats. In 1968 leverden
ze de gevelplaten voor de kantoortoren van de
uitbreiding van het Bouwcentrum in Rotterdam dat in 1947 door de Stichting Ratiobouw
in het leven was geroepen als coördinatiepunt
van de wederopbouw. Die wederopbouw kon in
1968 echter als afgesloten beschouwd worden.
Verkruimelen in turbulente tijden
Voor de viering van hun 75-jarig jubileum in
1966 liet Philips door L.C. Kalff (1897-1976)
en L. de Bever (*1930) een expositiegebouw
ontwerpen. Dit Evoluon lijkt op een vliegende
schotel en bestaat uit een bovenbouw van
betonelementen en een voet van twaalf V-vormige poten. Deze poten werden in het werk
gestort. Schokbeton leverde de drie maal 100
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
13 – LELYSTAD, MONTAGESCHUUR UIT DE
NOORDOOSTPOLDER, NU IN HET NIEUW LAND
ERFGOEDCENTRUM, 1949-1953. FOTO 2006
14 – AMSTERDAM, CHR. LAGERE EN MIDDELBARE
TECHNISCHE SCHOOL PATRI MONIUM AAN DE
VROLIKSTRAAT MET EEN BETONSKELET EN
BEKLEDING MET SCHOKBETONELEMENTEN,
1956-1957. FOTO 2009
15 – BROCHURE SCHOKBETON OVER VOOR GESPANNEN SPANTEN MET DAARTUSSEN
BIMSBETONPLATEN, 1954.
16 – HENGELO, SLOOP VAN DE SHEDSCHALEN
VAN DE KON. WEEFGOEDERENFABRIEK, 2008.
FOTO 2008 JAAP KROMMENDIJK
schalen voor ieder van de drie ringen van de
onderschotel. De firma Abex uit Hoogkerk
produceerde de ruim 800 dakelementen van de
bovenkoepel.40
De opvallende vormgeving leidde tot keuze
voor schalen in een tijd dat de bouw daarvan
normaal gezien te duur was geworden. Nadat
in 1989 het museum over wetenschap en techniek in het Evoluon werd gesloten, zag het er
enige tijd somber voor het gebouw uit, maar
het bleef gelukkig behouden. Dat geldt niet
voor vele andere gebouwen die in hun tijd als
belangrijke constructies werden beschouwd,
maar inmiddels in de vergetelheid zijn
geraakt. Zo wordt de hier afgebeelde stroloods
in Arnhem – de oudste tonschaalconstructie in
Nederland – bedreigd. Ook de melkfabriek in
Heiloo en de weefhal in Enschede zijn hun
VITRUVIUS
NUMMER 10
JA N U A R I 2 0 1 0
toekomst niet zeker. Hier wreekt zich hier het
feit dat bij het onderzoek naar de wederopbouw wel categorieën gebouwen onder de loep
zijn genomen, maar onderzoek naar constructies is vergeten. Dit leidt ertoe dat in de
Wederopbouw top-100 wel de shedschaalconstructie te Bergeijk wordt beschermd,41 maar
zijn directe voorbeeld uit Hengelo recentelijk
ongedocumenteerd werd gesloopt (figuur 16).
Noten
Stenvert, Ronald, ‘Stampen, spuiten en schokken
I: Gestolde massa’, Vitruvius, 3(2009)10, 22-29.
2 Huxtable, Ada Louise, Pier Luigi Nervi: The
masters of world architecture series, New York 1960.
Zie ook: Oosterhoff, J., Constructies: Momenten
uit de geschiedenis van het overspannen en ondersteunen,
Delft 1980.
3 Gebouwd naar ontwerp van Max Berg (18701947) ter herdenking van de Slag bij Leipzig in
1813. Na 1945 Hala Ludowa genoemd en sinds
2006 Unesco-monument.
4 Klass, Gert von, Weit spannt sich der Bogen 18651965: Die Geschichte der Bauunternehmung Dyckerhoff
& Widmann, Wiesbaden 1965, 68-70. Het ging om
1467 ton ten opzichte van slechts 325 ton.
5 Kurze, Bertram, Industriearchitektur eines
Weltunternehmens: Carl Zeiss 1880-1945,
Erfurt 2006, 64. In 1922 kregen ze een patent op
‘Knotenpunktverbindung für eiserne Netzwerke’.
Gebruikt werd een machine die Carl Weber in
1919 had uitgevonden om een droog mengsel
van snelverhardend beton te kunnen spuiten.
Zijn firma ging Torkret AG heten en het proces
van spuitbeton werd in Duitsland bekend werd
als Torkretverfahren.
6 De op het Romeinse Pantheon geïnspireerde
architectuur was van de architectenfirma Schreiter
& Schlag uit Jena. Deze huisarchitecten van Zeiss
waren ook betrokken bij de Venlose Nedinscofabriek (een dochterfirma van Zeiss). Zie:
Hermans, Frans, De Nedinsco-fabriek in Venlo 19212008: Monument van het Modernisme, Venlo 2008.
7 Hij promoveerde hierop in 1930. Finsterwalder,
Ulrich, Die querversteiften zylindrischen Schalengewölbe mit kreissegmentförmige Querschnitt,
Berlin 1933.
8 Ontworpen door Hubert Rüsch (1903-1979),
hoofdingenieur aan de Argentijnse vestiging van
Dyckerhoff & Widmann. Von Klass 1965, 78.
9 Dischinger, Fr. e.a., Neues Bauen in Eisenbeton:
Herausgegeben vom Deutschen Beton-Verein,
Berlin 1938 (tweede druk), i.h.b. 62-74.
10 Nederlandsche Maatschappij voor Havenwerken
N.V., Daken in betonschaalbouw: Systeem ‘ZeissDywidag’, Amsterdam s.a. (circa 1939). De
firma was in 1912 opgericht.
11 Weiden, P.A. van der, Schaaldakconstructies,
De 8 en opbouw, 13(1942), 141-146. De auteur
had onder meer de betonconstructies voor de
AVRO-studio in 1936 berekend. Stro werd
gebruikt als surrogaatmateriaal voor het schaarse
naaldhout voor de winning van cellulose ten
behoeve van de kunstzijdeproductie, maar was
volumineuzer en leverde minder cellulose op.
1
22
12 Bloem, H., Betonnen schaaldaken, Cement,
5(1953), 78-79, 209-211.
13 Naar ontwerp van de architectencombinatie
Zanstra, Giesen en Sijmons. Stenvert, Ronald,
Voormalige N.V. Kunstzijdespinnerij NYMA,
Winselingseweg 12-16 en 41, Nijmegen,
Bouwhistorische verkenning, Utrecht 2006.
14 Schrier, W. van der, Schaaldaken en fabriek voor
de papierverwerkende industrie, uitgevoerd met daken
in betonschaalbouw, Cement, 1(1949), 220-226.
In 1936 vestigde de fabriek van papieren zakken
zich in de nabijheid van de ENCI cementfabriek.
In 1949 stichtten ze een tweede fabriek nabij
de CEMIJ fabriek van hoogovencement.
De fabriek nabij de staalhaven in IJmuiden is
inmiddels weer verdwenen.
15 Postma, J.D., Moderne fabrieksbouw te Deventer,
De Ingenieur, (1953), B73- B76. De bouwer was
de N.V. Ned. Aann.mij v/h Fa. H.F. Boersma,
later Nedam genoemd.
16 Stenvert, Ronald, Ontwerpen voor wonen en
werken: 125 jaar bureau Beltman, Utrecht 1996.
17 Ook in Kuipers, Marieke (red.), Toonbeelden
van de wederopbouw: Architectuur, stedenbouw en
landinrichting van herrijzend Nederland, Zwolle 2002,
106-107 wordt deze fabel nog ten tonele gevoerd.
18 St. 37 heeft een trekkracht van 37-45 kg/mm2; St.
90 staal van 90-100 kg/mm2 waarvan 55 kg/mm2
voorspanning leidt tot 40 kg/mm2 effectief.
Kokje, J.K.J., Schaaldaken in voorgespannen beton
volgens het voorspansysteem ‘Dywidag’, Cement,
6(1954)19-20, 329-332.
19 Bruggeling, A.S.G. mmv J.A.H. Hartmann &
J.C. Meischke, Voorgespannen beton, Delft 1950.
20 Joedicke, Jürgen, Schalenbau: Konstruktion
und Gestaltung, Hilversum 1962.
21 Maaskant, H.A., Voorgespannen schaaldaken:
Nog eens het oude probleem: ijzer of beton?,
Bouw, 9(1954)I, 370-375, 504-507.
22 Haas, A.M., Ontwerp en berekening van schaaldaken in voorgespannen beton voor 2 x 40 m overspanning, De Ingenieur, 68(1956)15, 35-44; Baas, J.G.,
Over de uitvoering van de voorgespannen schaaldaken
van de fabriek voor de N.V. C. Jamin te Oosterhout
(N.Br.), De Ingenieur, 68(1956)20, 47-53; W[erf],
A. van der, Voorgespannen schaaldaken te Oosterhout,
Katholiek Bouwblad, 24(1956-1957)16, 253-254,
269-271; Bruins, G. & A. van der Zoo de Jong,
De fabriek van C. Jamin N.V. te Oosterhout (N.-Br.),
Cement, 10(1958), 799-803 en Garcia, Rafael &
Maria Teresa Valcarce, Cylindrical Shed Construction:
The Shell Roof on te Jamin Factory at Oosterhout,
Netherlands, in: Kurrer, Karl-Eugen, Werner
Lorentz & Volker Wetzk, Proceedings of the
Third International Congress on Construction
History, Cottbus 2009, 647-654.
23 Haas, A.M., Betonnen schaalconstructies in
Nederland, Cement, 13(1961), 421-453.
24 Stenvert, Ronald, Campinafabriek,
Kanaalweg 32, Heiloo, Bouwhistorische
verkenning met waardestelling, Utrecht 2009.
25 Stenvert, Ronald, Weverij Van Heek & Co., Lage
Bothofstraat 159-175, Enschede, Bouwhistorisch
rapport, Utrecht 2009. Het adviesbureau werd in
1929 gesticht door Giuseppe L. Gherzi (1902-1992).
Bimsbeton is een lichtgewichtbeton met als
toeslagstof poreus vulkanisch gesteente. Bimsbetonplaten zijn al vanaf 1916 op de markt.
26 Dat weerhield Haas er overigens niet van om
zijn berekeningsmethoden verder te verfijnen:
Haas, A.M., Design of thin concrete shells: Vol. 1
Positive Curvature Index, New York/London
1962 en Vol. 2 Negative Curvature Index,
New York/London/Sidney 1967.
27 Octrooi no. 36029. Zuijlen, Lucas van,
Schokbeton is Superbeton, do.co.mo.mo-nl
nieuwsbrief, 3(2003)6, 16-19. Bij de brand op
13 mei 2008 bij Bouwkunde in Delft is een doos
met onderzoeksmateriaal over Schokbeton
verloren gegaan, verzameld door Lucas van Zuijlen
voor zijn artikel. Het Stadsarchief Dordrecht
bezit het archief van de N.V. ‘Schokbeton’
(Toegangsnummer 517), maar dit is nog
ongeïnventariseerd en daardoor ontoegankelijk.
28 K., Schokbeton, Gewapend Beton, 24(1936)6,
81-90.
29 Ginkel-Meester, Saskia van & Ronald Stenvert,
Rivièrahal Blijdorp, Van Aerssenlaan bij 47,
Rotterdam: Bouwhistorische verkenning en kleuronderzoek met waardestelling, Utrecht 2008.
De schokbetonelementen werden tegen het staalskelet van de toren gemonteerd. De toren is
in 1972 gesloopt.
30 Bonnema, Tj. & J.J.M. Vegter, Kennis van
Bouwstoffen: Kunststeen II: Niet gebakken
kunststeen, artikelen van asbest-cement en
beton, Deventer 1946 106-110.
31 Scharroo, P.W., Betonkalender voor 19451946, Amsterdam 1945 (33ste druk), 50-51.
32 Verschuyl, P.J. & O. Jelsma, Catalogus voor
de Bouwwereld 1955, ’s-Gravenhage 1955, 32.
33 Elias, E., 50 jaren Meteoor beton: 1907-1957,
De Steeg 1957.
34 Schelling, H.G.J., Enkele mededelingen in verband
met het nieuwe stationsgebouw te Enschede, Cement,
391951)1-2, 12-17. Zie ook: Nijland, Timo G.,
Van Doornikse kalksteen tot beton ‘als het definitieve
materiaal’: Het materiaalgebruik van spoorwegarchitect
H.G.J. Schelling, Bulletin KNOB, 108(2009)5/6,
210-216.
35 Bond van Fabrikanten van Betonwaren in
Nederland, Betonwaren, Amsterdam 1957
(tweede druk 1964).
36 Schokbeton, N.V., Survey report on the development
of the schokbetonprocess in the Gold Coast, Zeist 1952
en Wolbeer, H.J., Schokbeton in de Poolstreken:
Bij de aanleg van Amerikaanse luchtbases,
Bouw, 12(1957), 310-313.
37 Meijn, S.J., Een na-oorlogse industrie te Kampen
[Schokbeton], Kamper Almanak, (1954-1955),
208-224. De Kampense vestiging werd in 1982
gesloten.
38 Kruidenier, Michiel, Militair Erfgoed: Categoraal
Onderzoek Wederopbouw 1940-1965, Zeist 2007.
39- Eck, A.D. van, Boerderijenbouw in de
Noordoostpolder: Landbouwschuren in montagebouw,
Bouw, 4(1949), 690-709.
40 www.evoluon.org.
41 Santen, Jacqueline von e.a., Monumenten van
Herrezen Nederland, Amersfoort 2007, 55. 23
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
NAMENS AUTEURS EN REDACTIE
Themakatern
Polen
e laatste jaren bracht de Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed verschillende bezoeken aan Polen. Op basis
daarvan is dit themakatern tot stand gekomen, waarin aandacht
wordt besteed aan Poolse monumentenzorg, het Koninklijk Slot
in Warschau, molens in Groot-Polen en de Wijsseldelta, de
ontginning- en bewoningsgeschiedenis van dezelfde Wijsseldelta
met nadruk op de Mennonieten en – onder water – schade door
de paalworm in de Oostzee. Polen heeft door de eeuwen heen
relaties met Nederland gehad, tot op de huidige dag.
In 2008 bracht minister-president Balkenende er nog een bezoek.
Polen was in 2009 en 2010 geregeld in het nieuws, niet alleen
door het tragische vliegtuigongeluk waarbij een groot aantal
prominente Polen omkwam, maar ook doordat de economische
recessie aan Polen voorbij leek te gaan. En door de voortdurende
nadruk in de Poolse geschiedenis op de Tweede Wereldoorlog.
Doordat Rusland en Polen dit jaar gezamenlijk de moord in Katyn
– door de Russen – op 22.000 Poolse militairen en intellectuelen
zouden herdenken kwam het denken over Polen en de oorlog
weer in een nieuw vaarwater. Alles bij elkaar genoeg aanleiding
voor vier artikelen over Polen in deze Vitruvius.
D
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
JAN VAN ’T HOF
HOOFD ONDERZOEK
I N S TA N D H O U D I N G , R C E
24
1 – DE RUÏNE VAN HET KONINKLIJK SLOT
TE WARSCHAU NA HET OPBLAZEN DOOR DE
DUITSERS. FOTO UIT DECEMBER 1944.
2 – DE VOORZIJDE VAN HET KONINKLIJK
SLOT. FOTO JAN VAN ’T HOF 2009
Monumentenbeleid
in Polen
Polen: een traumatische geschiedenis
olen heeft een dramatische, zelfs traumatische geschiedenis. Na eeuwen van
voorspoed onder eigen, keurvorstelijk
bestuur werd Polen als staat in 1793 opgeheven
en pas in 1918 opnieuw gesticht. Maar spoedig
daarna volgden de Duitse bezetting – de
Tweede Wereldoorlog begon in Polen, in 1939
in Gdansk – en na 1945 kwam Polen sterk
onder de Russische invloedssfeer. Die eindigde
in 1990 toen de Volksrepubliek Polen werd
opgeheven.
In gesprekken met Polen, en met Poolse
Nederlanders, komt de Tweede Wereldoorlog
steevast en vrijwel direct ter sprake. Door de
wisselende machtsverhoudingen zijn de Poolse
landsgrenzen geregeld verschoven en dat ging
bovendien met volksverhuizingen gepaard.
Daardoor kent bijvoorbeeld de Wisladelta geen
gewortelde autochtone bevolking. De eeuwenlange steeds wisselende onderdrukking heeft
tot gevolg gehad dat Polen het centrale gezag
wantrouwen en zich liever richten op regionale
verbanden of, nog kleiner, vooral op de eigen
familie.
In Warschau is deze spanning goed te zien:
enerzijds het kleinschalige, na 1945 door de
Polen zelf herbouwde historische centrum,
anderzijds de grote alleeën bedoeld voor grootschalige parades en geflankeerd door enorme
gebouwen met als hoogtepunt het cultuurpaleis, een ‘socialistische wolkenkrabber’
gebouwd in 1955.
Polen zijn gezien hun geschiedenis veel meer
ingesteld op improviseren dan op samenwerken en de veelvoud aan meningen onder de
bevolking is spreekwoordelijk, ‘twee Polen,
drie meningen’. De traumatische geschiedenis
van Polen kwam in Nederland duidelijk aan de
oppervlakte bij de recente vliegramp. Marlena
Koscielniak schreef in NRC Next van 12 april
2010 onder meer: ‘Bij ieder bezoek aan Polen
(…) heb ik mij altijd afgevraagd waarom iedereen het nog steeds heeft over de Tweede
P
25
Wereldoorlog en de overheersing door de
Sovjet-Unie.’ En: ‘De Polen zijn nog steeds
bezig met een zoektocht naar buitenlandse
erkenning van de Poolse strijd tegen, en de
verliezen door de communistische cultuur én
tegen de nazi’s’. Een opvallend monument is
in de dit kader de kathedraal van de Poolse
strijdkrachten. In deze kerk in Warschau
worden talloze onderscheidingen van Poolse
militairen bewaard.
Erfgoedzorg
De zorg voor erfgoed is in Polen anders geregeld dan in Nederland. In Polen worden rijksmonumenten op regionaal niveau aangewezen,
maar in een landelijk register opgenomen en
afvoering gebeurt ook op landelijk niveau.
Omdat er al voor de Tweede Wereldoorlog
beschermd werd, lopen de aanwijzingscriteria
en de wijzen van beschrijving zeer uiteen.
Grofweg wordt er nu beschermd op basis van
historische, artistieke en wetenschappelijke
waarde. Men streeft op middellange termijn
naar een lijst van enkele honderden topmonumenten, terwijl er nu ca. 62.000 gebouwen, ca.
7.500 archeologische sites en ruim 200.000
voorwerpen beschermd zijn. Dat laatste betreft
vooral liturgische voorwerpen. Voorwerpen
die als museumstuk kunnen worden aangemerkt, worden als zodanig beschermd en niet
als monument. Vergunningen en subsidies
kent men beide ook in Polen, alleen komen in
de praktijk meestal alleen topmonumenten,
hoofdzakelijk gelegen in de steden, voor deze
ondersteuning in aanmerking. Aan de digitalisering van gegevensbestanden en aan digitale
geografische informatie wordt wel gewerkt,
maar een en ander bevindt zich nog in de
opbouwfase. Ook het belang van toerisme
wordt erkend, maar heel veel wordt er nog niet
aangedaan. Terwijl dit in Polen toch onder de
(mede-)verantwoordelijkheid van de overheid
valt.
Erfgoeddenken
Het denken over erfgoed wordt net als veel
andere dossiers impliciet nog bepaald door
de moeizame Poolse geschiedenis. Men is door
de vele verwoestingen gewend geraakt aan
herbouwen van monumenten en daarom is
3 – HET CULTUURPALEIS (1955) IN
WARSCHAU, EEN GESCHENK VAN DE
SOCIALISTISCHE LANDEN AAN HET POOLSE
VOLK. HET HERINNERT DE BEVOLKING VAN
WARSCHAU NOG DAG IN, DAG UIT
AAN DE RUSSISCHE OVERHEERSING.
FOTO JAN VAN ’T HOF 2009
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Samenvatting
Beleidsmatig verschillen Polen en Nederland behoorlijk. Het is interessant de Poolse
en de Nederlandse monumentenzorg naast elkaar te leggen. In Polen ligt de nadruk op
de stad en worden goedwillende eigenaren geholpen met kennis en subsidies. De
samenwerking tussen centraal en regionaal gezag is zwak en beleid is landelijk niet
eenduidig, wat monumenten niet altijd ten goede komt. In Nederland is veel meer
sprake van een spreiding van middelen en bevoegdheden. Ook lopen de erfgoedfilosofieën sterk uiteen: in Polen is reconstructie ten behoeve van een ‘mooi’ aanzicht
gebruikelijk, terwijl in Nederland veel meer wordt ingezet op behoud van materialen en
bouwfasen, waarbij beeldherstel vaak niet voorop staat. Hieronder wordt nader op deze
aspecten ingegaan, beginnend met de achtergrond waartegen het Poolse beleid is
ontstaan, de traumatische geschiedenis van Polen. Bijzondere aandacht wordt daarbij
besteed aan het voormalige Koninklijk Slot te Warschau.
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
26
4 – MUURRESTANT IN HET KONINKLIJK SLOT
MET BOORGATEN BEDOELD VOOR EXPLOSIEVEN.
5 – DE CANALETTOZAAL IN HET KONINKLIJK SLOT MET 23 SCHILDERIJEN VAN BERNARDO
BELLOTTO (1720-1780) BIJGENAAMD CANALETTO. DE SCHILDERIJEN SPEELDEN EEN
GROTE ROL BIJ DE HERBOUW VAN WARSCHAU EN HET KONINKLIJK SLOT.
identiteit van het land dan het platteland. Op
het platteland heeft men gezien de armoedige
omstandigheden vaak ook wel wat anders aan
het hoofd dan erfgoedzorg. En als mensen welvarender worden laten ze dat ook graag blijken
door middel van royale nieuwe landhuizen die
niets met de lokale bouwtraditie te maken hebben. Overigens is er naast de conserverende,
reconstruerende benadering in Polen ook een
andere stroming in de erfgoedzorg, namelijk
een gebouw ingrijpend aanpakken om het
weer economisch potentieel te geven. De voorbeelden hiervan liggen echter minder voor het
oprapen dan die van de eerder geschetste
invalshoek.
Casus Koninklijk Slot
reconstructie, onder erfgoedzorgers in Nederland nog steeds een omstreden begrip, in
Polen volledig geaccepteerd en zelfs het ideaalbeeld. Zoals één van onze lokale gidsen zei:
‘Nederlanders zijn de besten in watermanagement, Polen de besten in restaureren.’ En
onder dat laatste wordt dan vooral reconstructie verstaan, die zich bovendien soms slechts
tot de gevels uitstrekt. Beeldherstel, met andere woorden. Bij een bezoek aan een herbouwde
boerderij in een openluchtmuseum trof een
Nederlandse delegatie historisch behang aan,
maar het was zonneklaar dat dit niet bewaard
zou blijven. In Nederland zou zoiets op zo’n
locatie zeker gedocumenteerd en bewaard
blijven.
Overigens mag voor de enorme inspanningen
die men zich voor de herbouw van Warschau
wel waardering bestaan; eigenhandig en met
nauwelijks middelen is de stad weer herbouwd
en om die reden ook aangewezen als Unesco
werelderfgoed. Hoe dan ook dragen de binnensteden in Polen meer bij aan de beleefde
Het Koninklijk Slot in Warschau is een bijzondere casus. Eeuwenlang was deze van oorsprong veertiende-eeuwse burcht de residentie
van de Poolse monarchen. Het slot was in eerste aanleg een verdedigbaar huis, maar kende
ook al nadrukkelijk een woonfunctie. Deze
werd in de loop der eeuwen steeds uitgebreid
en verfraaid, onder andere met de marmeren
kamer (1642), de grote zaal en de Canalettokamer (1781, 1777). In de negentiende eeuw,
toen Polen geen onafhankelijke staat was,
fungeerde het slot onder meer als residentie
27
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
4 – DE GERECONSTRUEERDE GROTE ZAAL IN HET
KONINKLIJK SLOT TE
WARSCHAU MET ZUILEN
VOORZIEN VAN
MARMERIMITATIE.
FOTO JAN VAN ’T HOF 2009
van de Russische gouverneur. Na de Poolse
onafhankelijkheid in 1918 werd het de residentie van het staatshoofd. In de jaren twintig
werden negentiende-eeuwse toevoegingen al
vervangen ten gunste van oudere bouwstijlen
en -fasen.
Op 1 september 1939 startte de Tweede Wereldoorlog in Gdansk en al snel kwam Warschau ook onder vuur te liggen. Het slot werd
beschadigd bij een bombardement op 17
september. Daarna begon men de kunstwerken
en later ook bouwonderdelen zoals schouwen,
lambriseringen en wandschilderingen te verwijderen en elders op te slaan.
Reeds in de winter van 1939-1940 voorzagen
de Duitsers het slot direct van duizenden boorgaten waarin zo nodig dynamietstaven konden
worden geplaatst. Juist dit ikoon van de Poolse
staat werd door de Duitsers voor deze ‘behandeling’ aangewezen. Tussen 13 en 18 september 1944 is het gebouw daadwerkelijk grotendeels opgeblazen. Als een soort reliek is een
muurfragment met boorgaten bewaard om te
blijven getuigen van deze daad van cultuurvandalisme.
Na de oorlog begon de Russische overheersing
en kon van herbouw van het slot geen sprake
zijn. In ieder geval niet meer Russisch geld.
Het was immers eeuwenlang het machtscentrum van het vrije Polen geweest. De Polen
waren echter niet voor één gat te vangen. Jaren
lang is er geld ingezameld onder Polen in
binnen- en buitenland en in 1984 kon het slot
weer worden geopend. Bij de herbouw werden
de bewaarde bouwfragmenten ingebracht en
is het slot ingericht met kunstwerken die
door uitgeweken Polen waren geschonken.
Daaronder waren twee schilderijen van Rembrandt. Ook werd de werkkamer van president
Moscicki (1926-1939) gereconstrueerd.
Tegenwoordig worden buitenlandse staatshoofden op het slot ontvangen en is het
geopend voor publiek. Bij de herbouw werd
niet de situatie anno 1939 gerealiseerd, maar
een ‘ouder’ gebouw gebaseerd op historische
afbeeldingen en bouwtekeningen. De middeleeuwse fase werd op de binnenplaats nadrukkelijk zichtbaar gemaakt door middel van ‘bouwsporen’ in de vorm van spitsboogvensters.
Het slot is in hoge mate exemplarisch voor
Polen. Het weerspiegelt de gebroken geschiedenis van het land, met als dieptepunt de vernieling van het slot door de Duitsers. Die trof
dit historische symbool van Polen, juist in de
nadagen van de Tweede Wereldoorlog. Het
toont ook de veerkracht van Polen – het volkslied begint met ‘nog is Polen niet verloren’.
De Polen hebben het slot in weerwil van de
Russische overheersing herbouwd en opnieuw
ingericht. Daarbij zijn zowel de oudste
geschiedenis (middeleeuwen), de bloeitijd van
het slot (zeventiende en achttiende eeuw) als
de herinnering aan de president uit het
Interbellum zichtbaar gemaakt.
Het slot is niet alleen uitwendig gereconstrueerd, maar inwendig is met verbluffend vakmanschap het oude interieur opgeroepen. Met
gebruikmaking van geredde historische onderdelen, met gereconstrueerde onderdelen en met
nieuw ingebracht kunstvoorwerpen. Al met al
een overtuigende evocatie van een verdwenen
monument en daarmee een monument voor de
Polen zelf. Geen decorstuk dat alleen uit pittoreske gevels bestaat, maar een doordachte reconstructie die recht doet aan vele tijdvakken uit de
woelige Poolse geschiedenis.
FOTO ’ S Z O N D E R N A A M S V E R M E L D I N G KO M E N U I T
A . R OT T E R M U N D , L E C H ÂT E A U R OYA L D E VA R S OV I E ,
G U I D E , WA R S C H A U 2 0 0 5 . VITRUVIUS
NUMMER 12
28
JULI 2010
J E A N - PA U L CO R T E N
C O Ö R D I N ATO R I N T E R N AT I O N A L E S A M E N W E R K I N G R C E
Wederdopers
in de
Wie zich op een herfstige ochtend in de Poolse Wijsseldelta waagt,
zou zich zomaar in het Groninger Oldambt kunnen wanen. De vette,
vers geploegde klei van het vlakke, drooggelegde land reikt tot aan
de horizon. Die laatste valt in de vage ochtendmist te onderscheiden
als een lange strakgetrokken lijn, gevormd door een hooggelegen
rivierdijk. In de verte vallen de contouren te ontwaren van het
sobere – en ietwat sombere – bakstenen kerkgebouw met een
Westgevel van hoog oprijzende, wit gepleisterde nissen. De overeenkomsten tussen het Poolse en Nederlandse landschap zijn geen
toevalligheid. Zij vinden hun oorsprong in een gedeeld verleden.
Wijsseldelta
1 – KAART
VAN HET
GEBIED
BART BROEX,
RCE, 2010
De Wijsseldelta
e Wijsseldelta ligt in het noorden van
Polen, ingeklemd tussen de steden
Gdansk, Malbork en Elblag. Met een
omvang van zo’n 1.800 km2 is het net wat
groter dan onze provincie Utrecht. Een groot
deel van het gebied ligt onder het niveau van
de nabij gelegen Oostzee; het diepste punt
maar liefst 1,8 meter lager. Om droge voeten te
houden is dan ook een uitgebreid netwerk van
drainagesloten, vaarten en kanalen nodig;
gemalen om het overtollige water weg te slaan,
dijken om overstroming te voorkomen, sluizen
voor de doorvaart en bruggen voor de doorgang.
D
De drooglegging van de Wijsseldelta is niet
van gisteren op vandaag geschied, maar is een
proces geweest dat eeuwen duurde. Begonnen
in de 13e eeuw en pas voltooid tijdens het
Interbellum van de 20e eeuw. Nederlandse
Mennonieten hebben daarbij een sleutelrol
gespeeld.
Mennonieten
Toen de Wijsseldelta in 1540 en 1543 door
grote overstromingen werd getroffen, vielen
vele slachtoffers en ging veel vruchtbare landbouwgrond verloren. De plaatselijke machthebbers zagen hun inkomsten bovendien
dramatisch slinken. In een poging hun financiële positie te herstellen, zochten zij naar
menskracht en expertise om het verloren land
op het water te heroveren.1 Beide vonden zij in
het Friese Witmarsum. De Friese stad had zich
juist in die tijd ontpopt tot een centrum van de
Wederdopers. Onder leiding van de voormalige
priester Menno Simons tartten zij het gezag
van de heersende Kerk met hun ideeën over de
volwassen-doop, en dat van de wereldlijk
gezag met hun ideologie van zelfbestuur en
pacifisme.2 Beide vormden een doorn in het
oog van het Habsburgs bewind, dat juist zijn
gezag over Friesland had gevestigd en stevig
wenste aan te halen. De Mennonieten, zoals de
aanhangers van Menno Simons zich noemden,
waren om die reden hun leven in Friesland
niet zeker. Het verlichtte Polen van die tijd
bood hen een aantrekkelijk alternatief. Hier
konden zij hun geloof in vrijheid beleven.
Halverwege de 16e eeuw vestigden zich om die
reden veel Mennonieten in de Wijsseldelta.3
Zij waren overigens niet de eerste Nederlanders die de Wijsseldelta bereikten. Al eeuwenlang bestonden innige contacten tussen de
deltagebieden aan Noordzee en Oostzee. Die
waren niet alleen gebaseerd op handel in
Hanzeverband maar ook op eerdere kolonisatie. In de 13e eeuw al waren Vlamingen en Hollanders neergestreken aan de randen van de
Wijsseldelta, in het gebied dat om die reden
nu nog altijd Pruisisch Holland heet. Ook toen
waren zij door plaatselijke machthebbers
geronseld om de landbouwgrond droog te
leggen en rendabel te exploiteren.4
De zogenaamde ‘Hollandse’ kolonisatie van de
Wijsseldelta die halverwege de 16e eeuw
begon, heeft zich ononderbroken voortgezet
tot het eind van de 18e eeuw. In die tijd werd
het grootste deel van de delta drooggelegd en
geschikt gemaakt voor bewoning en landbouwkundig gebruik. De eerste generatie
Mennonieten zal hiervan niet ten volle hebben
geprofiteerd, en heeft vermoedelijk ernstig
geleden onder het zware leven in het ongezonde moeras. Maar van de tweede en derde generatie weten wij dat zij een welvarend bestaan
leefden dankzij een bloeiende landbouw.5 Het
graan dat hier werd verbouwd, vond via het
wijdvertakte waterwegennet zijn weg naar
Gdansk. Daar werd het verhandeld en in veelal Hollandse schepen, waaronder de zo beken-
29
2 – KAART VAN DE WIJSSELDELTA OMSTREEKS 1300.
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
3 – HET RATIONEEL VERKAVELDE DELTAGEBIED MET OP DE ACHTERGROND
DE RIVIER DE WIJSSEL.
de Baltische fluit, verscheept. Het vormde een
belangrijke basis voor de moedernegotie van
de 17e-eeuwse Republiek.6
De nieuwe ontginningen stonden bekend als
‘Hollanderijen’, wat niet naar de nationaliteit
van de pioniers verwees, maar naar de rechtsvorm van hun gemeenschappen. In de nieuwe
ontginningen gold namelijk een afwijkend
eigendoms- en pachtrecht. Dit was deels ingegeven door de nieuwe situatie en deels afgestemd op de leefwijze van de Mennonieten. Zij
woonden in tamelijk gesloten gemeenschappen en trachtten zoveel mogelijk zelfvoorzienend te leven. Aan de landheer waren zij verplicht de waterhuishouding op peil te houden
en de bijhorende kunstwerken te onderhouden. Daar stond een vrijstelling van de dienstplicht tegenover.7 Dat laatste was voor de strikt
pacifistische geloofsleer van essentieel belang.
De sociale verhoudingen binnen de Hollanderijen ontrokken zich zodoende aan de feodale structuren die in de rest van Polen
gebruik waren. Ondanks de naam, leefden in
deze ‘Hollanderijen’ niet alleen Hollanders,
maar ook Duitse Mennonieten, afkomstig uit
vorstendommen waar het protestantse geloof
niet getolereerd werd. In de loop van de 17e
eeuw nam het aantal Nederlanders onder de
nieuwkomers steeds verder af en was in de 18e
eeuw nihil. De nieuwkomers in de Wijsseldelta kwamen in die tijd voornamelijk uit
Duitsland, Polen en Oekraïne.7
Voortgaande migratie
Toen de Wijsseldelta bij de Eerste Poolse Deling
van 1772 onder Pruisisch bewind kwam, had
dat verstrekkende gevolgen voor de Hollan-
4 – HET DORPSPLAN VAN SUCHY DÀB (VOORHEEN ZUGDAMM) UIT 1667 TOONT EEN
GROOT AANTAL 'HOLLANDERIJEN' MET DE KARAKTERISTIEKE ARCADEBOERDERIJEN.
KAART VAN LANDMETER DANIËL BECKER, 1667
derijen.9 Het katholieke regime was de Mennonieten bepaald niet gunstig gezind. De privileges waar zij lange tijd op konden bogen,
kwamen onder druk te staan. Het rechtstelsel
werd aangepast en de vrijstelling van de
dienstplicht beperkt. Dat betekende hogere
afkoopsommen, voor sommigen het verlies
van hun geloof, voor anderen vertrek uit het
gebied. De aanwas van de bevolking kwam in
ieder geval tot een halt en nieuwe nederzettingen werden niet meer gesticht. Ook werd geen
nieuw land meer aangewonnen.
Toen Catharina de Grote (1729-1796) in het
daaropvolgende decennium de godsdienstvrijheid in Rusland verkondigde, was dat voor
veel Mennonieten uit de Wijsseldelta reden
om een nieuw bestaan te zoeken in de Dnjeprdelta of langs de kusten van de Zwarte Zee.10
Een eeuw later, in 1873, werd de dienstplicht-
vrijstelling zelfs wettelijk afgeschaft. Dit zorgde voor een nieuwe uittocht van Mennonieten.
Nu trokken zij naar Kansas en Nebraska, en
sommigen naar Canada, Brazilië of Argentinië.11
Tijdens het Interbellum werd een nieuw
hoofdstuk toegevoegd aan de toch al tragische
geschiedenis van de Wijsseldelta. Nu ontstond
een hernieuwde belangstelling en waardering
voor de pioniers uit de 16e eeuw. Niet vanwege
hun geloofsovertuiging, maar als hoeders van
het Arisch ras. In de Nazi-ideologie gold de
Wijssel als de natuurlijke oostgrens van het
Germaanse rijk. De Nederlandse en Duitse
Mennonieten figureerden in deze theorie als
de erflaters waarop het Duitse rijk zijn aanspraak baseerde. In de politieke spanningen
van dat moment, greep de Vrijstad Dantzig
VITRUVIUS
NUMMER 12
30
JULI 2010
6 – EEN VAN
DE KARAKTERISTIEKE
ARCADEBOERDERIJEN
IN MARYNOWY
(VOORHEEN
MARIENAU)
FOTO: MAKER
ONBEKEND, 2005
5 – MENNO SIMONS.
7 – ENTREE VAN
DE ARCADEBOERDERIJ IN
MARYNOWY
FOTO: MAKER
ONBEKEND, 2005
(met de daartoe behorende Wijsseldelta) elk
historisch feit aan om de Germanisering te
rechtvaardigen. Het ‘volkseigen’ karakter van
de ‘Hollandse’ boerderijen vormde een dankbaar wapen in deze strijd. Het betekende een
stimulans voor de restauratie en reconstructie
van deze grote boerenhoeven, die zo karakteristiek zijn voor het gebied.12
De ver doorgevoerde Germanisering was aan
het einde van de Tweede Wereldoorlog reden
voor het oprukkende Rode Leger om juist in de
Wijsseldelta met grof geschut een einde te
maken aan een mensonwaardige ideologie. De
inwoners die al niet voor het Rode Leger waren
weggevlucht en evenmin tijdens de verovering
onder de voet waren gelopen, werden door het
nieuwe Communistisch bewind wel gedeporteerd. Voor het lege land en de ontvolkte nederzettingen was echter al direct een nieuwe
bestemming. Grote groepen Poolse Oekraïners,
ontheemd vanwege de naoorlogse grenswijzigingen, vonden hier een nieuw bestaan.13
De dramatische loop van de geschiedenis heeft
ervoor gezorgd dat er nu geen enkele nazaat van
de 16e-eeuwse Mennonieten meer in het gebied
valt te bekennen. Niettemin kan de Wijsseldelta sinds kort weer bogen op een generatie
inwoners met voorouders uit het gebied zelf.
Voor het historisch besef en de instandhouding
van het erfgoed biedt dat een hoopvol perspectief.
Historische karakteristieken
Zoals we uit het voorgaande kunnen opmaken,
lijdt de Wijsseldelta onder wat we een ‘geamputeerd verleden’ kunnen noemen. De historie
van het gebied heeft zich niet gehandhaafd in
tradities of familielijnen, maar kent uitsluitend
een fysieke component. In die fysieke component kunnen we drie lagen onderscheiden, die
alle in de leefomgeving zijn ingebed: het landschap, de nederzettingen en de individuele
objecten. De eerste blijkt het meest bestendig,
de laatste het meest veranderlijk.
Het cultuurlandschap van de Wijsseldelta
wordt bepaald door zijn landbouwkundig
gebruik. De rationele verkaveling van het
bouwland wordt ondersteund door een stelsel
van sloten en vaarten voor de afwatering en een
stelsel van landwegen voor de ontsluiting. In
de laaggelegen gebieden is die rationaliteit prominenter aanwezig dan in de hoger gelegen
delen. In de laaggelegen gebieden treffen we
nauwelijks nederzettingen aan, maar vooral
solitaire boerderijen, gebouwd op terpen. De
nederzettingen op de hoger gelegen delen zijn
naar verschijningsvorm in drie typen te onderscheiden. Het langgerekte wegdorp treffen we
aan langs de doorgaande wegen. De kerndorpen bevinden zich op de kruispunten van de
doorgaande wegen en zijn over het algemeen
van wat groter omvang. Daarnaast kent de
Wijsseldelta twee stedelijke kernen: Nowy
Dwór Gdansky en Nowy Staw. Zij hebben een
regionaal verzorgend karakter en worden
31
gekenmerkt door gesloten straatwanden in
verdiepingbouw.14
Van de individuele objecten die het gebied
kenmerken, zijn de zogenaamde ‘Hollandse’
boerderijen het meest in het oogspringend.
Het zijn grote herenhoeven uit een welvarend
verleden. Meestal zijn zij op T-vormig grondplan gebouwd, waarbij het voorhuis onder
arcaden is gebouwd. Het is een type dat uniek
is voor dit gebied en elders niet wordt aangetroffen. In de kerkenbouw zijn twee tradities
te onderscheiden. De vakwerkkerkjes zijn gebouwd in een Duitse traditie. De bakstenen
kerken met hun hoge nissen in de Westgevel
zijn verbonden met een Hanze-architectuur,
die kenmerkend is voor Noordwest-Europa.15
Verspreid door het gebeid komen we nog een
aantal Mennonietenbegraafplaatsen tegen. Zij
dragen de namen van families die hier al lang
niet meer wonen. Hun onderhoud is om die
reden problematisch. Een enkel stoomgemaal
verwijst naar de vroegere wijze van bemaling.
Hij verving in de 19e eeuw de door de Mennonieten geïntroduceerde wipmolen, waarvan
er inmiddels geen enkele meer resteert. De
houten ophaalbruggen zijn in de late 19e eeuw
vervangen door gietijzeren opvolgers. Sluizen
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
zijn in dezelfde tijd aangepast en inmiddels
weer aan vervanging toe. De 19e-eeuwse suikerfabriek in Nowy Staw heeft al lang gelden zijn
poorten gesloten en staat er nu ruïneus bij. Het
smalspoor dat de suikerbieten vanuit de hele
delta aanvoerde, is voor het grootste deel nog
aanwezig, maar ligt er ongebruikt bij.
Het Nederlandse aandeel in de historische
karakteristieken van de Wijsseldelta is
beperkt. Hij is vooral in de structuur van het
landschap te herkennen; hij zit in de rationele
verkaveling en het watermanagement. Ook de
terpen in de laaggelegen delen hebben een
8 – DETAIL VAN KAPITEEL VAN ARCADEBOERDERIJ IN MARYNOWY
9 – GERESTAUREERDE ARCADEBOERDERIJ IN ŽUŁAWKY (VH. FÜRSTENWERDER)
FOTO: MAKER ONBEKEND, 2005
FOTO: CORTEN, 2008
10 – AFWATERINGSKANAAL IN DE POLDER KLEIN-MARIËNBURG
11 – IJZEREN OPHAALBRUG OVER HET AFWATERINGSKANAAL IN DE POLDER
KLEIN-MARIËNBURG FOTO: CORTEN, 2008
FOTO: CORTEN, 2008
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
32
13 – DE WORKSHOP BESTUDEERT DE
ONTWIKKELINGSMOGELIJKHEDEN VAN
CEDRY WIELKIE (VOORHEEN GRÖSS ZUNDER)
FOTO: CORTEN, 2008
12 – HERPLAATSTE MENNONIETENGRAVEN OP DE BEGRAAFPLAATSEN VAN STOGI
(VOORHEEN HEUBUDEN) FOTO: CORTEN, 2008
14 – DE WORKSHOP PRESENTEERT HAAR
VISIE OP DE INRICHTING VAN DE
WIJSSELDELTA FOTO: CORTEN, 2008
15 – EEN VAN DE ARCADEBOERDERIJEN IN ŽUŁAWKY (VOORHEEN FÜRSTENWERDER)
VERKEERT IN RUÏNEUZE TOESTAND FOTO: CORTEN, 2008
Nederlandse oorsprong. Daarnaast zijn op
sommige grafstenen op de Mennonietenbegraafplaatsen nog Nederlandse namen te
lezen. In het gebied is nog een enkele graanmolen te vinden. Dit soort molens stond
bekend als ‘Holender’, en is door de Mennonieten in het gebied geïntroduceerd.16 De Hollandse boerderij heeft – in weerwil van zijn
naam – slechts een beperkte Nederlandse oorsprong. Het principe om woonhuis en schuur
onder een dak te bouwen, is mogelijk uit Nederland geïmporteerd. Maar de constructie van
deze boerderijen en de zo kenmerkende arcadenbouw hebben geen Nederlandse relatie. Zij
zijn verbonden met een Midden-Europese
bouwtraditie. Wel waren het Mennonieten die
deze boerderijen bewoonden en zorgen voor
hun verspreiding. En van die Mennonieten
was een deel van Nederlandse afkomst.17
Toekomstperspectief
Dat het historisch bewustzijn in de Wijsseldelta groeiende is, bleek tijdens het bezoek van
de Nederlandse minister-president, Jan-Peter
Bakenende, en de toenmalige staatssecretaris
voor internationaal cultuurbeleid, Frans Timmermans in maart 2008. Daarbij werden zij
door het gebied geleid en in het historisch
museum van Nowy Dwór ontvangen. De historische banden tussen beide landen waren
voor de bewindspersonen reden om samenwerking te bevorderen.18 De Nederlandse
ambassade in Warschau heeft vervolgens een
samenwerking tussen de RCE, ICOMOS-Nederland en de Technische Universiteit in Gdansk
tot stand gebracht. Zij werden daarbij enthousiast bijgestaan door de honorair consul in
Gdansk.19
Het historisch besef dat in de Wijsseldelta merkbaar groeiende is, is een gunstige voorwaarde
voor de instandhouding van het erfgoed.
Tegelijkertijd moeten we bedenken dat besef
alleen onvoldoende basis biedt voor een duurzaam voortbestaan. Instandhouding wordt immers bepaald door gebruikswaarde, niet door
historische waarde. Het voortbestaan van de
historische karakteristieken in de Wijsseldelta
zal vooral afhangen van het profijt dat zij de
33
huidige generatie kunnen bieden. De workshop die de RCE in het najaar van 2008 in
samenwerking met de Technische Universiteit
van Gdansk heeft uitgevoerd, was er om die
reden op gericht de ontwikkelingspotenties
van de historische karakteristieken in beeld te
brengen.20
De toekomst van de Wijsseldelta hangt in
belangrijke mate samen met de ontwikkeling
van de landbouw. Nog altijd kan de Wijsseldelta bogen op een vruchtbare bodem, gunstige locatie en goede ontsluiting. De gemiddelde
perceelsomvang ligt evenwel onder de huidige
norm van 100 ha. voor akkerbouw of 40 ha.
voor groenteteelt, die nodig is voor een rendabele bedrijfsvoering. Een schaalvergroting valt
daarom op termijn te verwachten. Dat kan
heel goed met behoud van de bestaande kwaliteiten van het landschap als daarvoor een
zorgvuldig ruilverkavelings- en herinrichtingsplan wordt opgesteld. Zonder zo’n plan zullen
incidentele perceelsvergrotingen al gauw ten
koste gaan van de landschappelijke karakteristieken. Ruilverkaveling riekt echter naar landhervorming en dat is in het postcommunistisch Polen een beladen onderwerp. Dit betekent dat voor een historisch verantwoorde ontwikkeling van de landbouw een stevig politiek
draagvlak is vereist; en dat zal geen eenvoudige opgave zijn.
Een andere voorwaarde voor een rendabele
landbouw is een goed onderhouden waterhuishouding. En die is momenteel aan modernisering toe. Dat geldt zowel voor de kunstwerken
(sluizen, bruggen, dijken en gemalen) als voor
de organisatie en het management. Een moderne vormgeving kan hier een nieuwe bestaansbasis bieden aan de historische structuren.
De woningbouw biedt zowel kansen als risico’s
voor de historische karakteristieken van de
Wijsseldelta. Om de historische nederzettingen een vitaal toekomstperspectief te bieden, is
dringend behoefte aan nieuwe aanwas. Alleen
zo kan het voorzieningenniveau op peil worden gehouden en kan de voortgaande uittocht
worden gestopt. Bovendien biedt dit gelegenheid om de band tussen platteland en stad te
versterken. De steden Gdansk, Malbork en
Elblag zijn tijdens de economische voorspoed
van het afgelopen decennium sterk gegroeid
en hebben behoefte aan uitbreiding. Een deel
van de bevolkingsdruk kan in de Wijsseldelta
worden opgevangen. Op dit moment vindt al
incidentele nieuwbouw plaats, voornamelijk
op particulier initiatief. De historische karakteristieken worden daarbij niet altijd gerespecteerd, noch benut. Uitzichten en zichtlijnen
worden maar al te vaak verstoord. Toch kan
nieuwbouw ook een kwaliteit aan het gebied
toevoegen en het bestaande karakter versterken.
Over hat algemeen kan dat het best geschieden
door uitbreiding van de bestaande nederzettingen. De kerndorpen, die op het kruispunt van
doorgaande wegen zijn ontstaan, bieden daarvoor de beste mogelijkheden.
VITRUVIUS
13
14
15
16
17
18
19
Tot slot moeten we het toerisme niet ongenoemd laten als het gaat om het toekomstperspectief van de Wijsseldelta. De historische
elementen en structuren kunnen worden
benut voor recreatie, toerisme en educatie.
Andersom kunnen deze activiteiten een nieuwe bestaansbasis bieden aan het erfgoed. De
doelgroepen voor deze activiteiten zijn vooral
in de omliggende steden te vinden alsook
langs de Oostzeekust, die in de zomermaanden
druk bezocht wordt. De toeristische ontsluiting van de Wijsseldelta zal echter de nodige
investeringen vergen, terwijl de inkomsten die
daar tegenover staan vooral in de omliggende
steden terecht zullen komen. Om die reden
dient een toeristische ontsluiting in regionaal
verband te gebeuren. Dat betekent dat 27
gemeenten en twee provincies op een lijn
dienen te komen. Ook dat is geen makkelijke
opgave. Daarbij moeten we bedenken dat toerisme ook risico’s voor het historisch karakter
met zich meebrengt.
Op basis van de sterkte- en zwakteanalyse van
de Wijsseldelta heeft de Pools-Nederlandse
workshop suggesties gedaan voor de toekomstige ontwikkeling van de historische karakteristieken. Zo zijn voorstellen gepresenteerd
over hoe de schaalvergrotingsopgave gebruik
kan maken van de landschappelijke kenmerken. Ook heeft de workshop een advies opgeleverd voor uitbreiding van de bestaande kernen,
op basis van de aanwezige kwaliteiten. Tot slot
heeft de workshop een plan van aanpak opgesteld voor de opbouw van de toeristische infrastructuur. Maar voordat uitvoering van een
historisch bewuste ontwikkeling van de Wijsseldelta kan worden gegeven, is allereerst een
passend ruimtelijk beleid vereist. En dat betekent dat nu de politiek aan zet is.
Noten
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
Wachoł, pp. 280-281
Dickens, pp. 137-140
Tazbir, pp. 111-126
Veen, pp. 33-49
Hawrylik, pp. 45-51
Manders, Vitruvius nr.12/jrg.3 (2010)
Wachoł, pp. 281-283
Wachoł, pp. 283-286
Reddaway, pp. 88-111
Rijs (2005)
Hawrylik, p. 47
Keyser (1942)
20
NUMMER 12
JULI 2010
Joll, pp. 426-429
Corten en Van Dun (2008)
Vermet, pp. 12-14
Keunen, pp. 188-191
Hawrylik, pp. 65-72
Alonso, p. 3
Corten (2008)
Corten en Van Dun (2008)
Literatuur
– Alonso, S., Dit was ooit een prachtige
kippenboerderij In: NRC Handelsblad
20 april 2008 p. 3.
– Corten, J., The Dutch Connection.
Short report of the fact finding mission to
Poland’s Wijssel Delta (Zeist 2008).
– Corten, J., en P. van Dun, Wijssel Delta.
A Landscape Worth Developing. Report
of a Workshop (Vianan 2008).
– Dickens, A.G., Reformation and Society
in Sixteenth-century Europe (London 1979).
– Hawrylik, R., Der Wohnbau der Mennonieten
im Werder, In: Fachhochschule Oldenburg,
Vermitlung von Dokumentationsmethoden an
Baudenkmalen Teil 2. Beiträge zur Ländlichen
Siedlung an unterer und mittlerer Weichsel
(Oldenburg 1997), pp.33-110.
– Joll, J., Europe since 1870.
An International History (Middlesex 1983).
– Keunen, G., Polders in Polen In: Tilburg.,
B. (red.), Een trapgevel in Potsdam. Monumentenzorg over grenzen (Zeist 2002), 188-191.
– Keyser, E., Die Niederlände und das
Weichselland. In: Deutsches Archiv für
Landes- und Volksforschung, jaargang 6,
aflevering 4. (1942).
– Reddaway, W.F., The First Partition, In:
W.F. Reddaway e.a. (red.), The Cambridge
History of Poland (Cambridge 1951), pp. 88-111.
– Rijs, B., Het hemels vaderland. Hollanders
in Siberië (Amsterdam 2005).
– Tazbir, J., The Polish Reformation as an
Intellectual Movement, In: S. Friszman (red.),
The Polish Renaissance in its European
Context (Indiana 1988), pp. 111-126.
– Veen, J, van, Inpoldering in vroeger
eeuwen door Nederlanders in het buitenland,
In: De Ingenieur 1939 nr. 22, pp. 33-49.
– Vermet, B., De Hollandse eeuwen van
Danzig In: Heemschut Jaargang 86,
nummer 6 (Amsterdam 2009), 12-14.
– Wachoł, M., Bauten der hauländischen
Ansiedlung an mittler und unterer Weichsel,
In: Fachhochschule Oldenburg, Vermitlung
von Dokumentationsmethoden an Baudenkmalen
Teil 2. Beiträge zur Ländlichen Siedlung an
unterer und mittlerer Weichsel (Oldenburg
1997), pp. 275-337 VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
MARTIJN MANDERS
M A R I T I E M A R C H E O LO O G , R C E
34
Al eeuwenlang hebben Nederland en Polen een intensieve relatie met elkaar. De handel is
hierbij van groot belang geweest en in het kielzog hiervan waren er ook de culturele en religieuze uitwisselingen. Geld werd er verdiend met de handel in bulkgoederen: hout en
graan, van het Poolse achterland naar Nederland en verder. Dit waren de eerste levensbehoeften, waar men niet alleen in Nederland wat aan had, maar die ook in andere gebieden
in Europa stevig aftrek vonden. Eerst was het vooral hout, een belangrijk product voor de
scheepsbouw en bijvoorbeeld de kuiperij, maar al einde 15de, begin 16de eeuw nam graan
de positie van hout over als meest belangrijke export product voor Polen.1 Dit bleef zo voor
meer dan 300 jaar.
Rijkdom
in graan
e specialisatie van Polen als productieland
voor granen, zorgde ervoor dat andere landen in Europa hun gebieden andere
bestemmingen konden geven: Engeland voor
de schapen en de wolproductie, Frankrijk voor
de wijngaarden en de wijn, Portugal voor de
olijfbomen en de olie. Andere landen werden
dus sterk afhankelijk van deze graanproductie
en de Nederlanders domineerde de internationale handel hierin. Deze positie was dusdanig
sterk en er werd zoveel geld mee verdiend dat
de Baltische handel ook wel de Moedernegotie
genoemd werd.2 Het succes van de Nederlandse graanhandel met Polen – en in feite de
gehele Nederlandse handel – is onlosmakelijk
verbonden met de ontwikkelingen in de
scheepvaart.
D
De geschiedenis van de Pools-Nederlandse
graanhandel hoeven we niet slechts te lezen uit
de vele historische bronnen die eeuwen
bewaard zijn gebleven, ook andere fysieke
overblijfselen – groot en klein – verhalen over
dit verleden. Kijk eens naar het na de Tweede
Wereldoorlog gereconstrueerde historische
centrum van Gdansk (Dantzig). Dit ademt de
bedrijvigheid van de 16de en 17de eeuw uit en
de Nederlandse invloed hierop: De statige
Renaissance panden in Hollandse architectuur, de lange kade (Długie Pobrzeźe), een
fragment van de oude haven met de houten
hijskraan, de verdedigingswerken in Nederlandse stijl. Langs de Wijssel (Wisla) ligt bijvoorbeeld het plaatsje Kazimierz Dolny, waar
sinds de bloeitijd van de graanhandel weinig
veranderd is en de graanpakhuizen nog altijd
dominant aanwezig zijn. Er is ook een minder
zichtbare bron beschikbaar voor onderzoek:
de scheepswrakken die op de gehele handelsroute van Polen tot Nederland en verder op de
routes naar de afzetmarkten bodem van de zee
1 – DE HISTORISCHE HAVEN VAN DANTZIG MET DE BEROEMDE OUDE HIJSKRAAN.
liggen. Deze tijdscapsules illustreren niet
slechts de verhalen die wij kennen, zij geven
een geheel eigen kijk in de dagelijkse beslommeringen van de handel en het leven van de
vele gewone personen die bij deze handel
betrokken waren. De combinatie van historisch en archeologisch onderzoek biedt enorme
kansen om een completer beeld te krijgen van
de handel die het fundament heeft gelegd voor
de Nederlandse Gouden Eeuw.
Graanvelden langs de Wijssel
Polen werd dus de graanschuur voor Europa.
Er werden verschillende soorten granen geproduceerd: tarwe, rogge, haver en gerst. Rogge
werd het meest verhandeld, maar regelmatig
steeg ook het aandeel tarwe sterk.3
Het meeste Poolse graan werd verbouwd langs
de oevers van de Wijssel (Weichsel) en haar zijrivieren. Hier was nog 200.000 km² aan weids
(potentieel) landbouwgrond beschikbaar en de
rivier kon hierbij functioneren als een snelweg
om het graan van de productiegronden naar de
markt in het (vooral) Dantzig te brengen.
Ideale grond, maar ook een ideale sociale
structuur voor de handel! De sociale verhoudingen waren nog middeleeuws. In het uitgestrekte gebied had een aantal leenheren (de
Poolse adel) zeer grote landbouwgronden waar
horigen voor een zeer laag loon of zelfs gratis
het werk deden. De leenheren waren over het
algemeen kapitaalkrachtig, zodat aanpassingen
in het productieproces eenvoudig te realiseren
waren en het surplus aan graan – voor de handel – gegarandeerd kon worden. De sociale
verhoudingen bleven nagenoeg onveranderd
gedurende de bloeitijd van de Baltische graanhandel.4
Een uitzondering op deze regel gold voor de
zogenaamde ‘Hollanderijen’ die halverwege de
16e eeuw al in de Wijsseldelta werden gesticht.
De religieuze gemeenschappen die hier een
nieuw en welvarend bestaan opbouwden,
35
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
boden de leenheer extra inkomsten. In ruil
daarvoor werd hun gemeenschapsleven ongemoeid gelaten.5
De Wijssel af met graan
Nadat het graan geoogst was diende het nog
een lange weg te gaan alvorens het op de internationale markten kon worden aangeboden.
Een producent kon zijn graan op de plaatselijke
markt verkopen. Dit bracht weinig kosten met
zich mee, maar ook weinig winst. Lucratiever
was het om het graan zelf naar een van de
havens aan de Baltische zee te brengen. Dit
bracht grote risico’s met zich mee, maar bood
tegelijkertijd kans op grote winsten. De goedkoopste, meest efficiënte en comfortabele voor
vervoer was over het water. Het Poolse rijk had
een zeer goed ontwikkeld rivierenstelsel, water
dat stroomde van de binnenlanden naar de
Baltische zee. Over de Dzwina kon men naar
Riga, over de Niemen naar Kolewiec en over
de Warta en de Odra naar Stettin. Het meeste
graanvervoer ging echter over de Wijssel naar
Dantzig. De Wijssel is eigenlijk een complexiteit aan verschillende grotere en kleinere rivieren die als aderen door het landschap lopen. Al
deze rivieren waren goed bevaarbaar en langs
de oevers lagen havens als Tarnow, Jaroslaw,
Lubartow, Uscilug, Beskidy en Volhynia met
werven en pakhuizen. De laatste twee liggen
meer dan 1000 km van de Baltische zee af!
Sommige graanvelden lagen weer 300 km van
de dichtstbijzijnde Wijssel haven. Die afstand
werd in etappes per kar of slee overbrugd.6
In de eerste helft van de 16de eeuw voeren
ongeveer 1000 schepen per jaar over de Wijssel
naar Dantzig. Iets meer dan twee eeuwen later,
in 1751, waren dit 2222 schepen.7
De hoogte van de winst hing af van de timing,
omdat de graanprijzen in Dantzig sterk fluctueerden. In de eerste maanden van het jaar was
de winst op graan het grootst, hoe later men
kwam, des te kleiner deze werd. Om al vroeg in
de lente te kunnen concurreren met de anderen,
verscheepten de producenten in het verre zuiden het graan al in september of oktober tot
halverwege Dantzig, alwaar het werd opgeslagen in pakhuizen. In de winter was de rivier
dichtgevroren en kon er niet gevaren worden.
Er werden specifieke schepen gebruikt voor de
graanhandel op de Wijssel. De meest eenvoudige vaartuigen waren vlotten. Deze werden
vooral in de beginperiode veel gebruikt omdat
het hout toen nog het voornaamste product
was en het graan slechts als bijlading diende.
De basisvorm was de ‘plenica’. Deze bestond
uit samengebonden stammen en balken die
voor de verkoop bestemd waren. Er zat geen
zeil of roer op deze vlotten. Men maakte wel
gebruik van een ‘Laski’ – een stok – om te pun-
2 – DE WIJSSEL.
3 – EEN KOMIEGA
LO H R M A N N 1 7 7 0
4 – DE APOTHEOSE
VAN DANTZIG VAN
IZAAK VAN DEN
BLOCKE UIT 1608.
OP HET SCHILDERIJ
STAAN OOK
TYPISCHE WIJSSELSCHEEPJES,
ZOALS EEN
PLENICA MET
EEN KOKOSZKA
(DETAIL).
teren, maar de stroming van de rivier was de
voornaamste stuwkracht. Voor een lange reis
werd een klein hutje op het vlot geconstrueerd.
De hut werd gebruikt om in te slapen en voor
de etensvoorraden. Koken deed men vaak in
een stenen (bak)oventje dat ook op het vlot was
aangebracht.8
Toen in de 16de eeuw op steeds grotere schaal
graan vervoerd werd, paste men de vlotten aan.
Hieruit ontstond de ‘kokoszka’, een beplanking op de vlotten in de vorm van een kist. Op
de bodem van de bekisting kwamen matten te
liggen zodat het graan hierop gestort kon worden.9 Hoe een kokoszka eruit zag weten we
onder andere van een allegorisch schilderij ‘De
apotheose van Dantzig’ dat de Nederlandse
kunstenaar Isaak van den Blocke in 1608
maakte en dat hangt in het oude raadhuis,
thans historisch museum van Gdansk.10
Een andere vorm die ontstond in de 16de eeuw
was de ‘komiega’. Dit was een grote drijvende
container voor graan. Aan de ‘bak’, waarvan
het totale oppervlak gebruikt werd om graan
op te storten, zaten zijboorden. Afmetingen
van deze schepen die we kennen uit de 18de
eeuw zijn 16 tot 19,5 meter lang, achter 7 tot 9
meter breed en voor 5 tot 7 meter breed.
Hiermee kon tussen de 15 en 35 last graan vervoerd worden. De vaartuigen werden bestuurd
doormiddel van ‘drygawka’s’: lange roeren aan
de voor- en achterkant. De Komiega is vermoedelijk het vaartuig, ‘een Poolse Kamay’,
dat bekend is van een gevelsteen dat tot 1862
de gevel van Spuistraat 40/42 in Amsterdam
sierde en dat uit 1620 stamt.11
VITRUVIUS
NUMMER 12
36
JULI 2010
Toen de ‘Komiega’ in de 18de eeuw langzaam
verdween, nam een ander hierop lijkend voertuig, de ‘Galar’ het vervoer van graan over.
Naast vlotachtige vaartuigen zoals hierboven
beschreven, weren er ook complexere schepen
gebruikt. Deze hadden namen als (afnemend
in grootte) ‘Szkuta’, ‘dubas’ en ‘koza’. Deze
scheepjes hadden een platte bodem, waren
afgekapt aan de achtersteven (platte spiegel) en
liepen puntig uit naar de voorsteven. De romp
was speciaal verbreed om meer graan te kunnen vervoeren.
regelde haar eigen financiën en had haar eigen
geldeenheid. Dantzig had een eigen leger en
tot 1640 zelfs eigen oorlogsschepen.14 Er stonden vele honderden pakhuizen – met name
voor graan – en werkplaatsen, hijskranen, kades,
sluizen, wagen en de haven lag dikwijls volgepakt met grote zeeschepen.
De handel was gewiekst en de kans berooid
terug te komen was groot.15 Tegelijkertijd had
de stad in de 17de eeuw ongeveer driekwart
van de totale buitenlandse handel van de
Poolse Republiek in handen.16
Het grootste en meest belangrijke scheepstype
voor de graanhandel, de Szkuta, werd stroomafwaarts voornamelijk voortbewogen door de
stroming en met roeien. Het verschil met
andere – vlotachtige – vaartuigen, was dat het
zich ook stroomopwaarts kon verplaatsen. Als
de lading gelost was in Dantzig ging men weer
met andere goederen terug naar het zuiden.
Dit keer had men de stroom tegen en werd het
zeil gebruikt of werd er gejaagd.
Het graantransport ging vaak met meerdere
vaartuigen tegelijk. Gebeurde dit met vlotten –
de ‘plenica’s’ – dan werden deze naast of achter
elkaar vastgebonden. Het kleinste vlot kwam
voorop te liggen en het grootste achteraan. Bij
de ‘Szkuta’s’ ging dit iets anders: de schepen
werden achter elkaar met kettingen aan elkaar
gelegd. Bij deze konvooien voer altijd een ‘retman’ (piloot/loods) mee, voorop in een klein
bootje. Samen met zijn hulp bepaalde hij de
koers. Waren er obstakels dan werd dan gaf hij
dat met peddel- en hoedsignalen aan.12
Aanvankelijk diende een schipper of een handelsbediende uit de Nederlanden bij aankomst er
zelf moest zorgen dat zijn schip vol kwam met
goederen. Rond 1600 vindt er echter een verandering in de wijze van handel voeren plaats
en komt de coördinatie voor de graanhandel
veel meer in Dantzig zelf te liggen. Hiervoor
werden handelshuizen met uitgebreide netwerken opgericht. Er kwamen permanente vertegenwoordigers te zitten in belangrijke handelssteden, waaronder Dantzig. Deze professionele factors – vaak familieleden van de handelaren in Amsterdam – hadden als opdracht
om de lokale concurrentie uit te schakelen door
scherpe concurrentie net zo lang tot er een
monopolie bereikt was. Zodoende werd ook
steeds vaker geprobeerd om het graan bij de
bron, waar het graan verbouwd werd, te kopen.17
De handel in Dantzig
In Dantzig aangekomen openbaarde zich een
geheel andere wereld voor de Poolse reiziger
uit het Zuiden. In 1600 had Dantzig 50.000
inwoners. Dit waren er 5 keer zoveel als in
Warsaw en 3 keer zoveel als in Cracow en Posnan. De stad was een republiek binnen een
republiek. Het had het recht op zelfbestuur,
6 – EEN FLUITACHTIG
SCHIP. ZO HEEFT
HET SCHEURRAK
SO1 WRAK ER
VERMOEDELIJK
UITGEZIEN.
G R AV U R E F. H U Y S
5 – VERSCHILLENDE WIJSSEL SCHEEPJES MET LINKS IN HET
MIDDEN EEN SZKUTA. (VERMOEDELIJK) LOHRMANN 1770.
(1522-1562)
De graan- en houthandel brachten niet alleen
handelaren naar Dantzig, maar in het voetspoor ook scheepsbouwers en andere Nederlandse handwerkers en kunstenaars. In de
17de eeuw werden bijvoorbeeld op de Dantziger scheepswerf Brabantia schepen gebouwd
naar Nederlands model en zelfs voor Nederlandse afnemers.18
Het transport over zee
Iedere lente, rond maart en april, arriveerden
grote aantallen met Nederlandse schepen in de
haven van Dantzig. Zij kwamen in ballast of
waren geladen met zout, haring en wijn, later
ook met textiel en specerijen. Terug was het
vooral graan. Het verschepen van dat graan
naar Amsterdam was vooral een Hollandse
aangelegenheid. Het meeste Baltische graan
dat in Amsterdam aankwam was in Dantzig
ingescheept. In de eerste helft van de 17de
eeuw kwam 50 % van de bij de Baltische
graanhandel betrokken schepen uit deze stad,
60 tot 90 % van alle graanschepen was
Hollands.19 Dit laatste had onder andere te
maken met het feit dat de Hollandse schepen
vele malen goedkoop waren in het vervoer dan
andere schepen. Vernuftige gespecialiseerde
scheepsontwerpen als de Baltische fluit, met
haar karakteristieke peervorm , en de organisatie – het varen in konvooi – zorgden ervoor
dat schepen niet bewapend hoefde te zijn,
37
VITRUVIUS
NUMMER 12
8 –DEEL VAN HET VOORSCHIP VAN HET WRAK SCHEURRAK SO1.
7 – TEKENING VAN VLAK EN STUURBOORDDEEL VAN HET SCHEURRAK
SO1 WRAK DAT ZONK OP DE REDE VAN TEXEL VERMOEDELIJK IN
KERSTNACHT 1593. R C E / VA N D E N B R E N K
9 –BROODTARWE (TRITICUM AESTIVUM)
UIT HET 16DE EEUWSE SCHEEPSWRAK
SCHEER 1. OOK HET SCHEURRAK
SO1 WRAK HAD BROODTARWE
AAN BOORD. J . PA U P T I T
10 – DE MATTEN DIE WERDEN
AANGETROFFEN AAN BOORD
VAN HET SCHEURRAK SO1
WRAK WAREN VERMOEDELIJK
OM DE VERSCHILLENDE
LADINGEN GRAAN TE
SCHEIDEN.. J . PA U P T I T
11 – DIT IS HET INTACTE UITERSTE PUNTJE
VAN DE BOEGSPRIET VAN HET IN ZWEEDSE
WATEREN OP 130 METER DIEPTE LIGGENDE
‘GHOST SHIP’. DEEP SEA PRODUCTIONS, ZWEDEN.
12 – EEN FLUITSCHIP.
SCHILDERIJ VAN
J. TH. BLANCKERHOFF.
G E H E U G E N VA N
NEDERLAND.
goedkoper gebouwd en bevaren konden worden.20 Door haar overdreven peervorm had de
fluit een smal dek. Doordat de tol die aan de
Sont betaald moest worden mede gebaseerd
was op die dekbreedte, hoefde men met dit
type schip veel minder belasting te betalen dan
andere scheepstypen met een zelfde ladingcapaciteit.21
Kleine hoeveelheden graan werden niet apart
vervoerd maar met enkele ladingen samen.
Het graan werd los in het ruim gestort, hoogstens gescheiden door een primitieve afscheiding. De eigenaren van het graan kregen bij
aankomst in Amsterdam een deel van die
lading, een part. Er ontstond hierdoor wedijver
om het laagst liggende graan. Dit graan bleef
tijdens de reis vaak het droogst, wat weer het
minste kans op gisten gaf. De partenrederij
– waarbij een handelaar het eigendom bezat
van een deel van de lading van verschillende
JULI 2010
VITRUVIUS
NUMMER 12
38
JULI 2010
schepen – was een andere reden voor het kunnen concurreren met de graanprijzen. Door de
risicospreiding (immers, het kapitaal was verspreid over verschillende schepen) was een
aparte (dure) verzekering van de lading niet
nodig.22 Was de graanhandel tussen de productiegebieden en de havenstad Dantzig lucratief,
ook die tussen Dantzig en Amsterdam was
volop winstgevend. De winsten ten opzichte
van het geïnvesteerde kapitaal konden oplopen
tot 30 a 40%. Het is dus niet zo verwonderlijk
dat in de jaren ’40 en ’80 van de 17de eeuw de
Hollandse handel in Baltisch graan – grotendeels afkomstig uit Gdansk – kon oplopen tot
gemiddeld 70.000 last graan per jaar.23
Het meeste graan werd verhandeld via de
internationale stapelmarkt in Amsterdam.
Soms kwam het fysiek terecht in de pakhuizen
van de stad. Soms voeren de schepen direct
door vanuit het Baltische gebied, soms ook
kwamen de schepen eerst voor anker te liggen
op de rede van Texel, in de Waddenzee. Daar
werd de kwaliteit van het graan geïnspecteerd.
Het schip kon daarna haar weg weer vervolgen
naar de kopers in andere delen van Europa,
werd er gewacht tot een juiste prijs betaald werd,
of het graan werd uitgeladen en in kleine lichters
vervoerd naar de markt in Amsterdam.24
Niet alle schepen hebben hun uiteindelijke
bestemming bereikt, maar zijn door wat voor
reden dan ook vergaan. Een paar van die schepen zijn reeds ontdekt. Het graan van twee
16de eeuwse wrakken, het Scheer 1 en Scheurrak SO1 was nog van dusdanige kwaliteit dat
het goed onderzocht kon worden. De hoofdlading van beide schepen was broodtarwe. De
onkruiden tussen het graan verraden de herkomst: de landbouw gebieden rond de Wijssel.25 De ladingen graan, sterk vervuild met
graanklanders (kevers) en bolderik (giftig
onkruid), waren gescheiden met behulp van
matten.
Het Scheurrak SO1 schip had al uiterlijke kenmerken van een fluitschip, maar dat zou gezien
haar bouwdatum rond 1580 wat vroeg zijn.26
Het schip is vermoedelijk gezonken in kerstnacht 1593. Een trompet (Genua), wat aardewerk en muntgewichtjes (Iberisch) verraden
contacten met het Middellandse zeegebied
(Doorgaande vaart). Niet vreemd omdat aan
het einde van de 16de eeuw grote hoeveelheden graan onder andere naar Italië getransporteerd werden omdat daar hongersnoden heersten en grif de hoge prijs voor de graanlading
betaald werd.27 De constructie van dit laat 16de
eeuwse schip, met een lengte van meer dan 30
meter, een bolle vorm en zelfs een dubbele
huid (mogelijk gedaan om het de toen heersende huid-eerst methode een schip van deze
13 – EEN MANSHOGE
‘HOEKMAN’ DAT IN MEI
2010 GEBORGEN WERD
VAN HET ‘GHOST SHIP’.
D E E P S E A P R O D U CT I O N S ,
ZWEDEN
lengte te kunnen bouwen), past in het beeld
van de 16de eeuwse schaalvergroting in de
handel mede geïnitieerd door de graanhandel
met Polen.
Wrakken van typische Baltische fluitschepen
zijn ook gevonden, maar dan wel buiten
Nederland, om precies te zijn in Zweden. Daar
liggen een paar prachtige 17de eeuwse voorbeelden: De Anna Maria, het ‘Leeuwenwrak’
en het ‘Ghostwreck’.28 De laatste twee zijn nog
maar kort ontdekt en bevinden zich in een uitmuntende staat. Het ‘ghostwreck’, liggende op
130 meter diepte, is onderwerp van een internationaal onderzoek. Het schip is bijna in haar
geheel bewaard gebleven, met twee van de drie
masten nog altijd overeind staand. Voor het
eerst kunnen we de originele vorm van het
schip van buiten en van binnen nauwkeurig
onderzoeken.29 De meest recente ontdekking
van een 17de eeuws Nederlands graanschip
ligt in Rusland.30 Over het type schip en waar
de lading graan aan boord is genomen weten
we nog niets. Dat is onderwerp van toekomstig
onderzoek. In andere delen van de Baltische
zee, in Denemarken, Duitsland en natuurlijk
Polen is ook onderzoek gedaan op scheepswrakken die mogelijk deel hebben genomen
aan de graanhandel, waaronder de 18de eeuwse
Nederlandse koopvaarder, de W27.31
We kunnen er vanuit gaan dat deze wrakken
slechts het topje van de ijsberg vormen van wat
nog altijd onderwater ligt en gelieerd is aan de
graanhandel met Polen.
Conclusie
De Baltische handel is van groot belang
geweest voor de Nederlandse economische
bloei. Het was de basis voor de Gouden Eeuw
en werd ook wel de moedernegotie genoemd.
De graanhandel was hierin de belangrijkste.
Door zowel naar de Nederlandse als de Poolse
organisatie rondom de graanproductie en handel te kijken, krijgen we een goed beeld van de
complexiteit, de gevaren en de kansen. Historische bronnen geven ons een breder perspectief, leveren ons kwantitatieve gegevens over
de handel, beschrijven de processen en wanneer we geluk hebben ook persoonlijke (subjectieve) ervaringen van betrokken personen.
De materiële bronnen, en met name de
scheepswrakken, illustreren dit niet alleen, zij
geven ons ook informatie over de praktische
uitvoering van de handel en kunnen ons iets
vertellen over de dagelijkse beslommeringen
aan boord en het leven in het algemeen. De
materiële bronnen bestaan uit objectieve data
die ons beeld over het verleden kunnen inkleuren en waar nodig bijstellen. Het onderzoek hiernaar staat echter nog in de kinderschoenen. Verschillende invalshoeken geven
ons verschillende inzichten.
Er is al veel geschreven over de Pools-Nederlandse graanhandel, vooral vanuit historisch
perspectief. Een multidisciplinair onderzoek
naar deze graanhandel met historische, archeologische, paleobotanische, planologische, en
bijvoorbeeld architectonische invalshoeken
zou een nog completer en levendiger beeld
kunnen opleveren over een van de hoogtepunten van de Nederlandse en Europese handelsgeschiedenis. Het onderwater cultureel
erfgoed, waarvan tot nu toe slechts een fragment is ontdekt en onderzocht, kan daaraan
een mooie bijdrage leveren.
Noten
Smolarek 1981, 85-86, Manders 2001, 25-30.
Uitspraak van Johan de Wit uit 1671.
3 Lindblad 1998, 18.
4 Davies 1981, 280-284.
5 Zie in dit nummer ‘Wederdopers in de Wijsseldelta’,
Vitruvius, nr.12 - jrg. 3 (2010).
6 Smolarek 1974, 10-11.
7 Smolarek 1981, 91.
8 Smolarek 1981, 95.
9 Smolarek 1981, 100
10 Smolarek 1981, 100, Litwin 1998, 112-113.
11 Van Tielhof 1998, 35.
12 Smolarek 1981, 109-112.
13 Polen was tussen 1572 en 1795 een Koninklijke
Republiek.
14 Davies 1981, 271-272.
15 In 1596 schreef Sebastian Fabian Klonowic het
1
2
39
14 – GOUDSE PIJPEN WERDEN AANGETROFFEN IN EEN 17DE EEUWS SCHEEPSWRAK
IN HET RUSSISCHE DEEL VAN DE FINSE GOLF. HET IS VERMOEDELIJK VAN
NEDERLANDSE KOMAF. N E P T U N E E X P E D I T I O N , R U S L A N D
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
15 – DE LADING GRAAN (VERMOEDELIJK TARWE) UIT
HET NEDERLANDSE SCHIP IN RUSSISCHE WATEREN
BLIJKT NOG IN UITSTEKENDE CONDITIE TE ZIJN.
NEPTUNE EXPEDITION, RUSLAND.
16 – EEN TONDEKSEL UIT HET 18DE
EEUWSE NEDERLANDSE SCHEEPSWRAK
W27 DAT IN POOLSE WATEREN LIGT.
P O O L S M A R I T I E M E M U S E U M G DA N S K
17 – EEN TYPISCHE HOLLANDSE
SNUIFDOOS AANGETROFFEN
IN HET W27 WRAK.
P O O L S M A R I T I E M M U S E U M G DA N S K
gedicht ‘Flis, to jest spuszczanie statkow Wisla i
inszymi rzekami do niej przypadajacymi’, vrij vertaald
‘Vlotten, of het stroomafwaarts varen van de schepen
op de Wijssel en andere rivieren die daar in uitkomen’.
In deze reisbeschrijving wordt een beeld geschetst
van de handel in Dantzig. Het moest dienen
als een handleiding en waarschuwing voor
toekomstige graanverkopers uit de provincies.
Klonowic (1596) 1951, Davies 1981, 269-270.
16 Smolarek 1974, 13.
17 Lindblad 1998, 18.
18 Litwin 1998, 104.
19 Bogucka 1990, 19-33.
20 Andre Wegener Sleeswijk 2003, 23-29
21 Andre Wegener Sleeswijk 2003, 18
22 Van Tielhof 1998 116-117.
23 Lindblad 1998, 10.
24 Christensen 1941, 210.
25 Manders 1993, 19-31.
26 Volgens veel bronnen is de fluit in 1595
in Hoorn ontworpen. Zie voor een discussie
hierover o.a. Wegener Sleeswijk 2003, 29.
27 Christensen 1941, 420
28 De Anna Maria zonk in 1709, was gebouwd in
Nederland, maar eigendom van Zweedse handelaren. Zie bijvoorbeeld www.machuproject.eu
29 Brouwers & Manders 2009
30 Dit wrak is aangetroffen tijdens de aanleg van de
North Stream gaspijplijn die van Rusland naar
Duitsland loopt.
31 Wegener Sleeswijk 2003, 14. Pomian & Bednarz
2008, 27
Literatuur
– Bogucka, Maria: Dutch Merchants activities
in Gdansk in the First half of the 17th century,
in: J. Ph.S. Lemmink en J.S.A.M. van
Koningsbrugge (eds), Baltic Affairs. Relations
between the Netherlands and North-Eastern
Europe 1500-1800, Nijmegen, 1990, 19-33.
– Brouwers, Will & Martijn Manders:
Het ‘Ghostwreck’. Een fluitschip in de
Oostzee, Archeobrief 3, jaargang 13,
september 2009, 2-8.
– Christensen, A.E.: Dutch trade to the
Baltic about 1600. Studies in the sound
Toll Register and Dutch shipping records,
Kopenhagen/ Den Haag, 1941.
– Davies, N.: God’s playground, a history
of Poland (Volume 1), Oxford, 1981.
– Klonowic, S.F., Fils: to jest spuszczanie
statcow Wisla i inzymi rzekami do niej
przypadajacymi, Ossilineum Bibliotheka
Narodowa Seria 1, nr. 137, Wroclaw, 1951.
– Lindblad, J. Thomas: Nederlanders en de
Oostzee 1600-1850, in: R. Daalder, E.van
Eyck van Heslinga, J. T.Lindblad, P. Rogaar
en P. Schonewille (eds.), Goud uit Graan.
Nederland en het Oostzeegebied 1600-1850,
Waanders Uitgevers Zwolle, 1998, 8-28.
– Litwin, Jerzy: Dantzig, havenstad aan de
Oostzee, in: R. Daalder, E. van Eyck van
Heslinga, J. T. Lindblad, P. Rogaar
en P. Schonewille (eds.), Goud uit Graan.
Nederland en het Oostzeegebied 1600-1850,
Waanders Uitgevers Zwolle, 1998, 98-114.
– Manders, Martijn: Twee graanschepen. Een
botanische studie van de lading, in: R. Reinders
en A. van Holk (eds), Scheepsladingen.
Inleidingen gehouden tijdens het zesde
Glavimans symposion Rotterdam, april 1992,
Groningen 1993, 19-31.
– Manders Martijn: Wood, Casks and Baltic
Trade. Analytical Prospects of a SixteenthCentury Shipwreck, Avista Forum Journal,
Volume 12, Number 2, Fall 2001, 25-30.
– Pomian Iwona & Tomasz Bednarz, Poland,
MACHU Report 1, 26-30.
– Smolarek, Przemyslaw: History of Polish
Shipping, Gdansk Maritime Museum
Publications, Series II: Guidebooks and
Catalogues Booklet 4, Gdansk, 1974.
– Smolarek, Przemyslaw: Types of Wijssel ships
in the 17th and 18th centuries, Yearbook of the
international association of transport museums, Volume 8, Gdansk 1981, 85-117.
– Tielhof, Milja van: Behouden vaart!, in:
R. Daalder, E. van Eyck van Heslinga,
J. T. Lindblad, P. Rogaar en P. Schonewille
(eds.), Goud uit Graan. Nederland en het
Oostzeegebied 1600-1850, Waanders
Uitgevers Zwolle, 1998, 28-42.
– Wegener Sleeswijk, Andre: De Gouden
eeuw van het Fluitschip, Uitgeverij Van
Wijnen Franeker, 2003. VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
GERARD TROOST
SPECIALIST MOLENS, RCE
1 – DE STANDERDMOLEN IN
DE VELDEN VAN ZADAWA.
40
Molens
in Polen
Wie naar Polen vertrekt met de gedachte tientallen draaiende molens aan te treffen komt
bedrogen uit. Het Hollandse beeld van het polderlandschap met knotwilgen, poldersloten
een verdwaalde koe en een draaiende molen komt grotendeels overeen met het Poolse landschap. In Polen zijn alleen de draaiende molens verdwenen. De Poolse molen is een
overblijfsel van wat eens een kleinschalige meelfabriek was. Intussen ontdaan van wiekenkruis of trap, maar wel met een groot slot op de deur. Ze stammen uit de 18e en 19e eeuw
en zijn hoofdzakelijk gebouwd voor meelproductie, maar ook voor bemaling van land en een
enkele voor het zagen van hout. Er zijn grofweg twee typen te onderscheiden, de standerdmolen en de bovenkruier of Holender molen. Daarnaast zijn er nog meer typen molens waaronder water- en menskracht gedreven molens maar deze zijn op kleine schaal toegepast.
41
m het werktuig optimaal te kunnen inzetten werd gebruik gemaakt van de glooiing
in het landschap en de aanwezige materialen. Voor de fundering werd gebruik gemaakt
van grote keien of stenen waarop de kruisplaten van de standerd werden gelegd.
O
Voor de bekleding van de standerdmolens is
veel gebruik gemaakt van langshout wat vertikaal op het lijf werd aangebracht. Deze bekleding loopt, anders dan bij Nederlandse standerdmolens, door tot net boven de grond. De
verkregen ruimte onder de kast wordt als
opslagruimte benut. Een andere wijze van
bekleden is de welbekende schaliën bedekking
en later is ook dun metaal in de vorm van blik
toegepast, op zowel het lijf als het dak.
bedrijf uit af te lezen is. Van origine dreef het
250 jaar oude bovenwiel met doorgaande kruisarmen, twee koppels stenen aan. Na verloop
van tijd hebben èèn of meer koppels plaats
gemaakt voor de walsenstoelen met een hogere
productie. Om deze machinerie van grondstoffen te voorzien zijn er transportbanden met
bijbehorende aandrijvingen en opvangbakken
of stortkokers door heel de molen aangebracht.
Deze toevoegingen en constructies, die in
Nederlandse molens inmiddels zeldzaam zijn,
komen in Poolse molenrestanten veelvuldig
voor. Onderdelen als houten roeden en bovenassen, doorgestoken kruisarmen of de stutvang, zijn authentieke onderdelen welke nog
altijd aanwezig zijn.
Maar door de tand des tijd en slechte condities
verweren deze capsules. Het uitblijven van
onderhoud geeft de elementen vrij spel waardoor de authentieke bouwmassa gevaar loopt.
Bij veel standerdmolens laat de dakbedekking
los of is de buitenzijde sterk aangetast.
Daarnaast zijn plantengroei, vandalisme of
zelfs diefstal van onderdelen bedreigingen
voor de verlaten Poolse molen.
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
leesbaar. De balken van hergebruikte stukken
roede uit de tijd dat de molen nog met zeilen
maalde, de gerepareerde schep waarmee de
molenaar een iets te grote schep nam, de boom
die klaar lag om tot bovenas verzaagd te worden maar waar het nooit van gekomen is of de
inscripties van verveelde lieden met jaartallen
die ver teruggaan tot in 1700.
Hierdoor zijn veel molens tot tijdscapsules
verworden waar de evolutie van het maalderij-
Dat molens als verplaatsbare objecten werden
gezien werd ook in Drzewce duidelijk, de standerdmolen is in 1842 gebouwd en rond 1900
verplaatst naar de huidige locatie. Toch was
het interieur maar licht gemoderniseerd met
één windgedreven walsenstoel.
Overal door de molen heen is het verleden
Je begeeft je bovenin de molen als het ware in
een versnellingsbak met wielen in de meest
uiteenlopende verschijningsvormen. Waar de
kapzolder in Nederlandse molens vaak overkomt als een opgeruimde veilige ruimte met
alleen een bovenwiel en bovenschijf, is de
Poolse kapzolder een wirwar van assen, kokers,
wielen en pallen met bijbehorende touwtjes of
spijkers. Menig bovenwiel is nog uitgevoerd
met doorgaande kruisarmen wat een of meerdere schijflopen of bonkelaars aandrijft. Een
sterrewiel op de bovenas drijft de luias aan, op
een gietijzeren wiel met houten velg ligt de
riem die de walsenstoel aandrijft (hiervoor is
zonder enige moeite de helft van een kapspant
weggezaagd) en de kleinere stalen spaakwielen
die de jakobsladder in beweging zetten.
Dat functie prevaleerde boven schoonheid
blijkt uit plooistukken van ruw bezaagde halve
boomstammen. Maar ook was er ruimte voor
rijk geprofileerde consoles of het fraai, met
beplanking in ruitvorm, afgewerkte waaispant
van de paltrokmolen in Posada. Voor 5 jaar
terug maalde deze molen nog op windkracht,
2 – BOVENWIEL MET DOORGESTOKEN KRUISARMEN IN DE PALTROKMOLEN VAN POSADA.
3 – DE DEELS GERESTAUREERDE BOVENKRUIER, TYPE ‘HOLENDER’, IN DREWNICA.
4 – HET MAALKOPPEL EN BOVENWIEL IN DE
STANDERDMOLEN VAN DRZEWCE.
Een van de overeenkomsten met molens in
Nederland is dat ook de Poolse molenaars er
alles aan gelegen was om de productie hoog
maar vooral gaande te houden. Naar mate de
technieken voortschreden werd alle ruimte in
de molenkast benut om een as of wiel aan te
brengen waarmee nieuwe machinerie kon
worden aangedreven. Deze aanvulling werden
de ene keer provisorischer aangebracht dan de
andere keer, maar altijd zodanig dat kon worden teruggevallen op het oude en vertrouwde
gaande werk.
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
42
5 – DE KLOPBUIL MET MEELKIST IN DE
STANDERDMOLEN VAN ZADAWA.
inmiddels is het interieur verwijderd en treedt
verval genadeloos in.
Maalderijen
Naast de zichtbare sporen van de mechanisatie
binnen in de molens is deze slag ook aan de
buitenzijde van molens en andere objecten nog
erg goed zichtbaar. Niet alleen molens behoren
tot de landelijke bouwkunst maar waren
slechts een schakel in de ketting. Het molenrestant in Klodawa was hier een mooi voorbeeld van. Van oorsprong was dit een standerdmolen welke waarschijnlijk nog op windkracht
gemalen heeft. De maalderij is rond 1950
verbouwd tot maalderij maar de molenaar wist
nog te vertellen dat hij als jonge jongen nog
heeft mee gemaakt dat er op windkracht en
met molenstenen gemalen werd: ‘Het op de
wind zetten van de molen en het voorleggen
van de zeilen was erg zwaar werk’.
De kast welke vroeger op de wind gekruid kon
worden is nu voorzien van muurwerk ter
ondersteuning en wordt als opslag en werkruimte benut. Het gaande werk is volledig
geëlektrificeerd en bestaat uit een dubbele walsenstoel. Het enige wat verwijst naar het windtijdperk is de originele meelkist, steenbalk en
de losse onderdelen die over het terrein zwerven zoals een staakijzer en molensteen.
Vanwege de particuliere eigendomssituatie, de
mechanisatieslag en de bakkers die tot op
heden meel afnemen is deze bijzondere maalderij blijven bestaan.
6 – DE STANDERDMOLEN TE KOTKOW IN RUINEUZE STAAT.
Bij toeval stuitten we op een, van oudsher door
stoom aangedreven, graanmaalderij welke
rond de jaren vijftig opnieuw is ingericht en
voorzien van een elektromotor.
De inrichting deed traditioneel aan met een
centrale as in de kelder welke middels riemen
de drie dubbele walsenstoelen op de begane
grond aandreef, de trap naar boven komt uit
bij de overige machines. De planzifter, buil en
mengmachines waren continue in beweging
en werden voorzien van maalgoed door de
elevatoren die als aderen door het gebouw
liepen. De pure ambachtelijkheid van deze
maalderij in combinatie met het stof en de
lucht van vers gemalen granen maakte het
tot een waar spektakel.
B R O N : A L L E FOTO ' S D O O R G E R A R D T R O O S T
Maalderijen van deze omvang waren er in de
jaren ’60 ook in Nederland nog volop, hiervan
is gedeeltelijk de monumentale waarde erkend.
Toch zijn er veel van deze vergelijkbare objecten verloren gegaan. Ook uit Nederlandse
molens omdat dergelijke maalderij inrichtingen
niet origineel of passend zouden zijn.
Op de vraag aan de eigenaar van de elektrische
maalderij in Grabow, of hij het aardig zou
vinden of de molens in Polen weer zouden
draaien antwoordde de beste man ‘Ach, waarom? We hebben toch de maalderijen, die molens
hebben we niet meer nodig’. De erfgoed gedachte
is misschien wel de grootste bedreiging van de
Poolse molen. VOOR
U GELEZEN
Op zoek naar de
geschiedenis van
het landschap Handleiding voor onderzoek
naar onze historische
omgeving - Deel VI in de
serie ‘Op zoek naar...’
Auteur
PHans Renes
Recensent
Edwin Raap
Uitgave
Uitgeverij Verloren
Details
Gebonden, 144 pagina’s,
geïllustreerd
ISBN 978-90-8704-097-0
Prijs
€ 14,‘In het zesde deel van de serie
“Op zoek naar...” geeft Hans
Renes, een erkend autoriteit in
historisch-geografisch
Nederland, een beschrijving van
de verschillende in ons land
voorkomende cultuurlandschappen en hun ontwikkelingsgeschiedenis. Hij gaat uitgebreid in
op de bronnen en methodes die
er zijn om zelf op te zoek te
gaan naar die geschiedenis.’
Deze tekst vrij – vertaald overgenomen van de achterflap van
het boek – dekt de lading van
het boek volledig. Maar is het
daarmee een goed boek?
Jazeker, om daar direct maar
mee te beginnen. Voor gevorderde onderzoekers op het gebied
van cultuurlandschappen zal er
naar ik verwacht weinig nieuws
in staan. Voor hen die zich er in
willen gaan bekwamen echter
des te meer. En omdat dat de
doelgroep is, beoordeel ik het
ook vanuit dit gezichtspunt.
In 1989 verscheen in een vergelijkbare serie van Waanders
(Cahiers voor lokale en regionale
geschiedenis) ook een boekje
over het landschap van Jan
Beenakker: Historische geografie: landschap en nederzetting.
Dat boek heeft jarenlang goed
voldaan, maar na ruim 20 jaar is
een nieuw overzichtswerk wel
weer eens nodig, omdat het
onderzoek sindsdien niet stil
heeft gestaan.
De inleiding is het theoretische
deel van het boek. De kernvraag
luidt wat is landschap en hoe
wordt er in dit boek over landschap gedacht? We leren dat we
over Renes kiest onomwonden
om de Angelsaksische traditie te
volgen, dat wil zeggen: ga uit
van het concrete landschap dat
je buiten aantreft, ga er heen en
kijk. Voordat het zover is, wordt
nog even stilgestaan bij drie
visies op het landschap: natuurlijk, economisch en sociaal. De
heden ten dage veel gebruikte
benadering van ‘de biografie van
het landschap’ komt ook aan
bod, waarmee er dus ook voor
de huidige stand van het onderzoek aandacht is. Voor ervaren
landschapsonderzoekers is het
boek tot en met dit stuk ook
leerzaam, wat volgt is dat niet
direct meer, maar dat ligt niet
aan het boek.
De rest van het boek valt uiteen
in twee delen. Ten eerste een
inhoudelijk deel, dat de geschiedenis en de ontwikkeling van het
Nederlandse landschap
beschrijft. Ten tweede een praktisch deel dat de wijzen van
onderzoek behandeld. In beide
delen zijn kaderteksten opgenomen, die de belangrijkste literatuur opsomt over het zojuist
behandelde onderwerp.
Dergelijke kaders zijn meestal
heel handig, maar in dit geval
vind ik het achter elkaar opsommen van de titels in plaats van
43
VITRUVIUS
bijvoorbeeld een tabel onoverzichtelijk. Het staat er allemaal,
maar je moet zoeken. Misschien
iets voor een tweede druk als
die er ooit komt?
Het is duidelijk dat de auteur
weet waar hij over schrijft. De
grote lijnen van hoe het Nederlandse landschap is ontstaan
legt hij goed uit. Ook als je als
lezer weinig bent ingevoerd, heb
je na lezing inzicht in wat er de
laatste 1000 jaar gebeurd is.
Ook het kustgenesemodel zoals
Borger dat ontwikkelde wordt
goed uitgelegd. Te vaak wordt in
dergelijke publicaties de transgressie-/regressietheorie aangehaald, die intussen op flink
wat punten is bijgesteld. Naast
de traditionele landschapsindeling is er ook ruimte voor nietagrarische landschappen als het
militaire landschap en het
recreatielandschap. De keuze
om bovenop de bekende indeling
het Nederlandse landschap in te
delen in ‘landschappen van de
kustgebieden’, ‘landschappen
van gemengd bedrijf’ en ‘landschappen van de hogere gronden’ vind ik nogal gekunsteld
overkomen. Waarschijnlijk een
redactionele keus, die wel vaker
voorkomt in dit soort boeken
voor een groter publiek. De aandacht voor de niet-agrarische
landschappen vind ik daarentegen een pluspunt, want dergelijke functionele benaderingen van
landschap sluiten wel goed aan
bij de huidige manier van denken.
De methoden en technieken die
een landschapsonderzoeker te
dienste staan komen in het
tweede deel uitgebreid aan bod.
De auteur benadrukt dat het
landschap niet het domein is van
één wetenschap (historische
geografie), maar van veel meer,
waaronder de archeologie. Hij
behandelt ze allemaal, met
natuurlijk de belangrijkste
opmerking: het landschap zelf is
ook een bron. Je ogen de kost
geven kan zoveel opleveren. Een
warm pleidooi dus om het veld
in te gaan en het landschap niet
als studeerkamergeleerde te
NUMMER 12
JULI 2010
benaderen. Die studeerkamer is
natuurlijk wel nodig, reden
waarom bonnen als toponymie,
cartografie, luchtfoto’s, kadaster
en natuurlijk archieven stuk voor
stuk behandeld worden. Per
bron leren we voor welke type
informatie je die gebruikt en hoe
je aan die informatie komt. Ook
valkuilen die in bronnen bestaan
krijgen aandacht. Conclusie is
altijd om nuchter en kritisch
naar elke bron te kijken en de
waarheid te zoeken door meerdere bronnen met elkaar te
combineren of in ieder geval te
vergelijken. Oude kaarten bijvoorbeeld lijken altijd een objectieve weergave van de werkelijkheid van toentertijd, maar de
onderzoeker moet zich wel altijd
afvragen met welk doel de
betreffende kaart is getekend.
Bij grensconflicten werden kaarten veelvuldig getekend in het
voordeel van degene die de
kaart liet maken.
Het boek sluit af met een lijst
van 188 kleine landschapselementen. Indien onderzoekers
alleen grote lijnen van de landschapsontwikkeling in
Nederland kennen, gaan ze
voorbij aan de enorme variatie in
regionale en lokale ontwikkelingen die er geweest zijn. Ook
missen ze dan de kleine elementen die zo kenmerkend zijn
voor bepaalde landschappen, de
‘stoffering’ als het ware van het
landschap. De lijst die opgenomen is integraal afkomstig van
‘Leestekens van het landschap’,
een uitgave van Landschapsbeheer Nederland uit 2004,
waaraan Renes ook een flinke
bijdrage leverde.
Conclusie: een waardevol boek
dat geïnteresseerden in het
landschapsonderzoek een goede
aanzet geeft hoe onderzoek te
doen en welke bronnen hem of
haar ten dienste staan. De uitgebreide literatuurverwijzingen
per onderwerp maken het voor
gevorderden op dit gebied ook
de moeite waard. VOOR
U GELEZEN
is jammer dat de auteurs met
weinig meer dan één alinea
ingaan op de vraag of de Duitse
spionage op de hoogte was van
de toestand van de Nederlandse
vliegvelden. Ze eindigen de
alinea met: “[…] dat er al kant
en klare plannen lagen voor de
aanleg van een basis als Deelen,
doet sterk vermoeden dat al
voor de oorlog het nodige ‘vooronderzoek’ was verricht.” En
dit zijn toch vragen waarop je in
een werk als dit uitsluitsel over
verwacht.
Vliegvelden in
oorlogstijd;
Nederlandse
vliegvelden tijdens
bezetting en
bevrijding 1940-45
Auteur
P. Grimm, E. van Loo
en R. Winter (red.)
Recensent
Frits Niemeijer
Uitgave
Uitgeverij Boom
Details
Gebonden, 512 pagina’s,
kaarten en foto’s (z/w en
kleur), noten, registers
ISBN 978-90-8506-823-5
Prijs
€ 49,90
Een aantal vooroorlogse Nederlandse vliegvelden werd nog
vóór de capitulatie van onze
strijdkrachten in gebruik
genomen door de Duitse luchtmacht. Opzettelijke vernielingen
door de verdedigers en bombardementen door de aanvallende
partij hadden kennelijk niet
zoveel schade aangericht dat
de terreinen voor langere tijd
onbruikbaar waren. Het toen
nog primitieve vliegstripje te
Deelen en Vliegveld Eelde
behoorden tot de terreinen waar
al op 12 mei Duitse vliegtuigen
landden en van waaruit operaties
konden worden uitgevoerd. Het
Archiefonderzoek zou nog geen
materiaal hebben opgeleverd dat
een ondersteuning van het vermoeden geeft, al wordt dit voor
Deelen wel verondersteld. De
aanleg van dit kolossale vliegveld (ca. 4000 ha), op basis van
oorspronkelijk een eenvoudige
landingsstrip, werd namelijk al
grootscheeps aangepakt in mei
1940. Al gauw ontstond er een
vliegveld met in een hoofdletter
A-vorm gesitueerde start- en
landingsbanen en een stelsel
van rolbanen daaromheen.
Bovendien omvatte het vliegveld
zo’n 700 bouwwerken, waarvan
nu nog ongeveer een derde over
is. De auteurs stellen dat er bij
de bouw van de onderkomens
en hangars op de vliegvelden
uitdrukkelijk gebruik werd
gemaakt van de zogenoemde
Heimatschutzstil – een sterk
traditionele bouwtrant die
kenmerkend zou zijn voor het
genazificeerde Duitsland, maar
talloze voorbeelden in de Heimat
zelf tonen aan dat dit vooral een
naoorlogs verzinsel is en dat de
Nazi’s zich bepaald niet blind
staarden op deze kneuterigheid.
Het duidelijkste en overtuigendste bewijs van het tegendeel is
het megalomane en toen ultramoderne vliegveld Tempelhof in
Berlijn, dat een paradepaardje
van de Nazi’s was. De vele als
inheemse boerderijen en plattelandswoningen uitgedoste militaire bouwsels kregen, zoals de
auteurs zelf meer dan eens
betogen, hun vorm en uiterlijk
vooral om de vliegvelden zo veel
44
mogelijk te camoufleren. Mede
hierom werd er ook akkerbouw
op de vliegterreinen uitgeoefend,
werd er met houten koeien
heen en weer gesold en werden
startbanen groen geschilderd.
Er is intussen heel wat (Duitse)
literatuur verschenen waarin de
Heimatschutzstil als ‘huisstijl’
van de Nazi’s ter discussie is
gesteld, maar goed beschouwd
komen we over dit facet van de
vliegvelden niet veel nieuws te
weten. Beoordelen doen we
echter niet op grond van wat er
niet (voldoende) aan bod komt,
maar op basis van wat er wél
in het boek staat.
De prachtig uitgegeven bundel,
die rijk is geïllustreerd met
fraaie historische foto’s, bestaat
uit vier delen die respectievelijk
gaan over de Luftwaffe in Nederland, over de Duitse vliegvelden,
over de geallieerde luchtmacht
in Nederland en over de geallieerde vliegvelden. De Luftwaffe
maakte uiteraard gebruik van
de bestaande vliegvelden, maar
breidde het aantal van ruim 25
terreinen (1938) nog uit: zowel
in omvang als in aantal. Helaas
komen we wat dit laatste betreft
niet precies aan de weet om
hoeveel en om welke terreinen
het gaat. Want het overzicht met
de historie per vliegveld stemt
niet overeen met de lijst met
bouwplannen die eerder in het
boek wordt gegeven en evenmin
met de desbetreffende kaart op
blz. 67. Hetzelfde geldt voor de
talrijke schijnvliegvelden, die ter
misleiding moesten dienen bij
eventuele geallieerde luchtaanvallen: ze blijven onderbelicht en
zijn ook niet voldoende betrouwbaar op de kaart aangegeven.
En dat is wel een manco. Het
is uiteraard vrijwel onmogelijk
foutloos werk te leveren en juist
wanneer er, zoals hier, flinke
aantallen auteurs aan een
bundel te pas komen, wreken
afstemmingsproblemen zich wel
eens. Niet gelijke opvattingen
van auteurs verrijken de discussie alleen maar, dus dat is prima.
Maar dat is wat anders dan aan-
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
toonbare fouten maken. Ook
voor wat betreft de actualiteit
kan dit tot problemen leiden.
Dit blijkt opnieuw in de bijdrage
over Vliegveld Deelen, waarin
wordt gesproken over ‘serieuze
initiatieven’ om een deel van
deze oorlogserfenis te bewaren,
terwijl de bescherming al in
2007 is geëffectueerd. Een ander
punt betreffende Deelen is de
weergave op de kaart. Het vliegveld was veel groter dan is aangegeven en sterker: belangrijke
onderdelen die in de tekst wel
worden genoemd, liggen niet
binnen de contouren (o.m. de
bunker Diogenes en Groot
Heidekamp). En zo zijn er meer
fouten en foutjes te vinden die
met betere coördinatie en verificatie eenvoudig te voorkomen
waren geweest: Een timmerfabriek aan de Duivendrechtse
Kade in Haarlem? (p. 70); nou,
die bestaat echt niet. En de
vergelijking van de tot eind 1942
door de Duitsers aan vliegvelden
bestede kosten van 555 miljoen
gulden toen, met 450 miljard
Euro nu (pp. 136-137; nota bene
met bronvermelding), is echt
onzinnig. Kleinigheidjes?
Natuurlijk; maar welke niet
gemakkelijk te controleren
kleinigheidjes zitten er nog meer
in de tekst verstopt? Welke data
kloppen er niet? Welke oppervlakten? Welke typenummers?
Welke plaatsen? Misschien was
het beter geweest specialisten
op gebied van ruimte en economie even een blik op de tekst te
laten werpen en de sociaaleconomische en geografische
componenten niet aan ‘hear
say kenners’ over te laten.
De met bronnen en literatuur
ondersteunde verhalen over de
stationering van typen vliegtuigen op de terreinen en over
de luchtoorlog maken een
degelijker indruk en misschien
zijn de liefhebbers en kenners
van dit soort feiten en informatie
ook wel de voornaamste doelgroep van deze uitgave. De
organisatie van de luchtverdediging – met als centrale
VOOR
U GELEZEN
vliegvelden Schiphol en GilzeRijen – en de aanvallen op
Engeland en de geallieerde
bommenwerpers wordt breed
uitgemeten. Vaak zelfs inclusief
hevige belangenconflicten op
persoonlijk en organisationeel
niveau. Ook de vele grote en
kleine collaborerende bedrijven
en personen bij de aanleg van de
vliegvelden komen volop in beeld,
met namen en foto’s, en verder
krijgen de tienduizenden
Nederlandse vrijwilligers (ze
stonden overal te dringen) en
(Joodse) dwangarbeiders een
plaats. Andere interessante en
vaak weinig bekende informatie
bevindt zich in de verhalende
bijdragen over de afzonderlijke
vliegvelden. Zo zijn er in het
eerste oorlogsjaar verschillende
groepen Italiaanse vliegtuigen en
vliegers gestationeerd geweest
op het nu niet meer bestaande
Degradation of
archaeological
remains
A u te u r
D. J. Huisman (ed.)
Recensent
Hans de Beer, Geological
Survey of Norway
Uitgave
Sdu Uitgevers bv
Cultural Heritage Agency
Details
Softcover, 245 pagina’s,
geïllustreerd
ISBN 978-90-1213-095-0
NUR 680
Prijs per set
€ 49,75
Vliegveld Souburg, bij Vlissingen.
Meerdere typen Fiat-vliegtuigen
opereerden op Engelse doelen
of droegen bij aan de kustverdediging, waarbij de auteur
opmerkt dat vooral het eerste
weinig succesvol was door de
‘hopeloos verouderde’ toestellen.
Opmerkelijk is dat de auteur
wel opmerkt dat het vliegveld
niet meer bestaat, maar niet
vermeldt dat er plannen
bestonden het bij de herinrichting van Walcheren een aantal
kilometers oostelijker een
nieuwe plaats te geven. Ook de
niet meer bestaande vliegstrip
Keent, bij Grave aan de Maas,
kent een vreemde geschiedenis.
Dit drassige, buitendijkse gebied
is in 1928 door de Nederlanders
tevergeefs als vliegveld bestemd
en vervolgens poogden de Duitsers het in 1944 nogmaals – ook
zonder succes. Uiteindelijk waren
Toen ik kennis kreeg van het
boek Degradation of archaeological remains, dacht ik ‘eindelijk een boek waar ik een
overzicht kan krijgen over hoe
verschillende archeologisch
materiaalsoorten zich gedragen
in de ondergrond en welke
factoren het behoud ervan beïnvloeden’. Een overzicht waar niet
uitsluitend professionele archeologen behoefte aan hebben, 15
jaar na de ondertekening van het
Verdrag van Malta, maar ook
beheerders van cultureel erfgoed
en andere belanghebbenden
in het beheer van de openbare
ruimte. Als hydrogeoloog werk
ik zelf nauw samen met archeologen en landschapsbeheerders
bij het opstellen van monitoringen waterbeheersplannen voor
archeologische sites. Uit vele
onderzoeken is gebleken dat de
hydro(geo)logische omstandigheden in en rond archeologische
sites bij de belangrijkste factoren
horen voor het bewaren van
ondergronds archeologisch
materiaal in situ. De graad van
beïnvloeding en daarmee de
45
VITRUVIUS
het de geallieerden die er op stuk
liepen. Net hadden ze de zaken
op orde ten behoeve van Operatie
Market Garden, of het Duitse
tegenoffensief gooide roet in het
eten en toen het gebied ook nog
eens te drassig bleek door regen
en een stijgend grondwaterpeil,
is de strip snel verlaten. Jammer
dat de kaart die in het boek wordt
gebruikt de oude toestand van
Keent weergeeft: het lijkt alsof
het strategisch op een eiland ligt
door het afsnijden van een
meander, maar in feite lag de in
1938 gedempte (!) bocht in de
oorlog al vrijwel droog. De onder
het Duitse bewind uitgegeven
Truppenkarte laat dan ook een
heel ander beeld zien! Weer zo’n
kleinigheidje, dat – in dit geval –
zelfs gemakkelijk tot onterechte
conclusies zou kunnen leiden.
Resumerend: voor mensen uit de
hoek van cultuurhistorie en
gewenste monitoringsinspanning
is echter verschillend per materiaalsoort. Een overzicht over de
degradatie gevoeligheid van
verschillende archeologische
materialen is daarmee een
noodzakelijk uitgangspunt voor
het uitvoeren van site evaluaties
en het opstellen van goede in
situ beheersplannen. Een dergelijk overzicht gebaseerd op internationale archeologische kennis
en ervaring komt de communicatie en samenwerking met
landschapsbeheerders en
andere vakdisciplines, zoals
waterbeheer, ten goede en
daarmee het beheer van archeologische sites in situ. Levert dit
boek het beloofde overzicht?
Degradation of archaeological
remains is gebaseerd op
een serie publicaties in het
Praktijkboek Instandhouding
Monumenten/Praktijkreeks
Cultureel Erfgoed. Het doel van
het boek is aldus de auteur het
leveren van een compleet overzicht over de laatste kennis van
degradatiemechanismen, moni-
NUMMER 12
JULI 2010
monumentenzorg of uit de ruimtelijke wetenschappen is er in deze
uitgave minder te halen dan je
op basis van de titel zou denken.
Natuurlijk dient het werk door
hen geraadpleegd te worden
wanneer er iets met of rond
één van de terreinen speelt,
maar over de bebouwing en
de huisvesting, de structuur van
gecamoufleerde kampementen
en over typerende artefacten
als munitiedepots en hangars
komen ze weinig verder. Voor
hen volstaat een exemplaar in
de bibliotheek en het kritisch
raadplegen daarvan.
Maar voor de vele liefhebbers
van een gebundelde uitgave
over details en samenhang
van de totale luchtoorlog boven
Nederland in de jaren 19401945 is het een aanrader. toren en strategieën voor het in
situ bewaren van archeologisch
erfgoed in de ondergrond.
Het boek is hiertoe opgedeeld
in 9 hoofdstukken, waarbij elk
hoofdstuk een materiaalsoort
(of materiaalgroep) behandeld
die regelmatig voorkomt in het
archeologisch archief. Materialen
die niet gevoelig zijn voor afbraak
op menselijke tijdsschaal, zoals
aardewerk, beton, vuursteen en
andere steensoorten zijn niet
meegenomen. Tevens zijn
plantenresten niet in het boek
opgenomen omdat er weinig
bekend is over de betrokken
degradatieprocessen. Elk hoofdstuk is op een overzichtelijke
wijze ingedeeld in zeven thematische delen; (1) de materiaalkarakteristieken, (2) materiaalvoorkomst in het bodemarchief,
(3) de archeologische informatie
die ervan afgeleid kan worden,
(4) de in situ degradatie en
veranderingsprocessen in de
ondergrond met de verschillende
invloedsfactoren op afbraak,
verandering en degradatie, (5)
het effect van de beschreven in
VOOR
U GELEZEN
situ degradatie en veranderingsprocessen op het verlies van
archeologische informatie, (6)
de gevolgen voor in situ behoud
en monitoring en (7) de ‘best
practice’ hantering van
de materiaalsoort ex situ. Het
boek sluit af met een overzicht
over de huidige benaderingen
en methoden voor het evalueren
en monitoren van archeologische
sites in situ, met nadruk op het
verband tussen de verschillende
meetvariabelen onderling en
afbraakprocessen.
In hoofdstuk 2 tot en met 10
worden achtereenvolgens hout,
bot, leer, textiel, ijzer, koper en
koperverbindingen, overige
metalen (lood, tin, zilver en
goud), glas en bodemelementen
behandeld op de genoemde
overzichtelijke wijze. Ondanks
de complexiteit van de materie
worden de verschillende aspecten
op een prettig leesbare en educatieve manier beschreven,
voorzien van relevante en heldere illustraties en foto’s. Dit
maakt het boek toegankelijk en
leerzaam voor archeologen die
beroepsmatig te maken hebben
met degradatie van archeologische materialen, maar hier
slechts op hoofdlijnen kennis
van hebben.
Het is niet zo dat er, zoals de titel
van het boek doet vermoeden,
uitsluitend nadruk wordt gelegd
op degradatieprocessen. Elk
materiaaltype omvat een uitgebreide beschrijving van de
materiaalsoort en welke archeologische informatie men kan
destilleren uit goed bewaarde
artefacten. Dit zorgt ervoor dat
personen zonder archeologische
achtergrond, zoals ondergetekende, werkelijk geboeid raken
door het vak archeologie. Het
draagt bij tot het vergroten van
kennis over en bewustzijn van de
intrinsieke waarde van archeologisch materiaal in situ bij andere
professionals dan archeologen.
Daarmee wordt een breder
draagvlak gecreëerd voor een
tijdige en betere integratie van
archeologie en in situ behoud
in ruimtelijke plannen en
planprocessen. In situ behoud
is bijvoorbeeld gebaat bij een
waterbeheer dat bijdraagt tot
de instandhouding van archeologische sites, in het algemeen
door het creëren van een stabiele
grondwaterstand. Daarom kan
men archeologie ook als een
argument gebruiken voor een
betere integratie van waterbeheer in ruimtelijk plannen.
Hoewel het Verdrag van Malta
heeft bijgedragen aan het feit dat
46
VITRUVIUS
archeologisch onderzoek nu
wordt uitgevoerd bij alle nieuwe
gebiedsontwikkelingen (in elk
geval in Nederland), is er vooralsnog geringe aandacht voor
specifieke maatregelen om het
in situ behoud van archeologisch
erfgoed in de ondergrond te
bevorderen. Dit wordt in het
bijzonder veroorzaakt doordat
niemand verantwoordelijk
gesteld kan worden voor degradatie en afbraak als gevolg van
fysische veranderingen in het
bodemarchief. Het vergroten van
kennis en bewustzijn van de
intrinsieke waarde van archeologisch materiaal en factoren
die het behoud ervan beïnvloeden bij een breed publiek is een
belangrijke stap voorwaarts naar
een succesvol in situ behoud.
Het laatste hoofdstuk in het boek
is een beschouwing over de
toepassing van de opgedane
kennis uit de voorgaande hoofdstukken op het ontwerp van een
gebalanceerd beschermingsplan.
Het afsluitende hoofdstuk is
aldus de auteur niet bedoeld als
gids voor de toepassing van
bepaalde methoden, maar heeft
tot doel een overzicht te geven
van de huidige ‘best praxis’. Het
start met een procesmatige
beschouwing ten aanzien van de
beoordeling, selectie en het
monitoren van archeologische
sites voor behoud in situ of ex
situ. Vervolgens wordt een evaluatie uitgevoerd van bemonstering- en meetmethodes om
de eerder beschreven ‘kritische
parameters’ voor het bewaren
van de verschillende materiaalsoorten te kunnen bepalen. Hier
wordt kort aandacht besteed aan
de analyse van archeologische
artefacten ex situ met als doel
om directe informatie te krijgen
over aanwezige materiaalsoorten, welke omzetting- en degradatieprocessen actief zijn en wat
de huidige staat van de afbraak
is. In verband met de verbonden
nadelen (destructief, momentopname, niet representatief
wegens heterogene sites), wordt
vrij snel overgegaan naar een
uitgebreide beschrijving van het
NUMMER 12
JULI 2010
monitoren van het bodemarchief.
Degradatie vindt plaats door
chemische of fysische veranderingen in het bodemarchief en
er wordt een reeks methodes
beschreven om het degradatievermogen te kunnen beoordelen.
Het meten van de pH en buffercapaciteit, verzilting en verzoeting, grondwaterstand, bodemvocht, zuurstof en niet in het
minst de temporele variatie
komen aan de orde op de bekende
prettig leesbare wijze. Ook
methoden als micromorfologie
en nieuwe benaderingen zoals
het introduceren van vers
materiaal om soort en snelheid
van degradatieprocessen te
kunnen identificeren worden
beschreven. Er wordt regelmatig
verwezen naar praktijkvoorbeelden en relevante literatuur.
De auteurs onderkennen dat de
beschreven technieken veelal
specialistisch van aard zijn en
daardoor een vaktechnische
achtergrond vereisen in bijvoorbeeld bodemkunde, hydrogeologie of geochemie. Er wordt dan
ook aanbevolen dat genoemde
‘externe’ deskundigen worden
betrokken bij het uitvoeren en
interpreteren van specifieke
metingen.
Ondergetekende onderschrijft
deze aanbeveling van harte;
wellicht kan de aanbeveling
worden uitgebreid met de aanbeveling om andere vakdisciplines zo vroeg mogelijk in het
planningsproces naar een
beschermingsplan te betrekken
om zo tot een optimaal monitoring- en beschermingsplan te
komen. Al met al een compleet
overzicht van degradatieprocessen en kennis en technieken
voor monitoren, dat op een ook
voor buitenstaanders begrijpelijke en educatieve manier is
beschreven. Een vorm van
samenvattende overzichtstabel
tot slot was wellicht de slagroom
op het toetje geweest, maar het
boek smaakte absoluut naar
meer archeologie en vooral in
situ behoud. VOOR
U GELEZEN
Nationale
Landschappen en
Parken - Nederland
op z’n mooist
Auteur
Harry Bunk, Merijn van
Grieken, Corine Koolstra,
Merel van der Lande en
Carolien Vader
Recensent
Henk Baas
Uitgave
ANWB, Den Haag
Details
Hardcover, geïllustreerd
304 pagina’s, met losse kaart
ISBN 978-90-18-02943-2
Prijs
€ 14,95
Sinds 1989 kennen we in
Nederland Nationale Parken, en
sinds 2006 ook Nationale
Landschappen. Nationale Parken
vormen samen een representatieve doorsnede van de natuur in
Nederland, terwijl Nationale
Landschappen vaak meer om hun
cultuurhistorische waarden zijn
geselecteerd. Ze vertellen
gezamenlijk het ontstaan van het
Nederlandse landschap. Een
ander belangrijk onderscheid is
dat Nationale Parken vaak in
handen zijn van één of meerdere
terreinbeheerders, zoals
Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten, terwijl Nationale
Landschappen grotendeels in
particuliere handen zijn. De
ANWB heeft, met steun van de
ministeries van LNV, VROM en
47
VenW een prachtig publieksboek
gemaakt, vooral bedoeld om deze
20 Nationale Parken en 20
Nationale Landschappen vanuit
de luie stoel ‘te beleven’. In die
zin bouwt het voort op de eerdere
bij de ANWB verschenen boeken
over de archeologie (uitgave
met de ROB), het gebouwd erfgoed (uitgave met de RDMZ),
het landschap (uitgave met Landschapsbeheer Nederland) en
de geologie (uitgave met TNO).
Zoals gezegd zijn Nationale
Landschappen in hun aard totaal
verschillend van de Nationale
Parken. Met betrekking tot
instandhouding en beheer moeten
afspraken worden gemaakt met
provincies, gemeenten, waterschappen en particuliere
eigenaren. Het is met andere
woorden een complexe beleidscategorie. De Nationale Landschappen hebben met de
Nationale Parken gemeen dat
ze het gevolg van duizenden
jaren menselijke en natuurlijke
geschiedenis. Ook de geschiedenis
is complex, deze is geen optelsom
van wat je ziet en waarneemt. Het
gaat ook om geologie, om archeologie of om oude landschappelijke
structuren. Hoe kun je de complexiteit van het Nederlandse landschap vertellen in een boek als
dit? Je mag verwachten dat de
initiatiefnemers hierover van
gedachten hebben gewisseld.
Je mag het boek daarom ook
relateren aan deze vraag.
Het boek is met prachtige foto’s
VITRUVIUS
geïllustreerd, en een losse kaart
van Nederland toont de ligging
van de 40 gebieden, aangevuld
met de negen Nationale snelwegpanorama’s. Rijkswaterstaat en
het Ministerie van VROM willen
deze panorama’s, waar je nog
fraaie uitzichten hebt over het
open landschap, gaan beschermen. “Daarmee wordt voorkomen
dat ze worden volgebouwd met
geluidswallen, bedrijfsterreinen of
windmolens”, aldus de auteurs.
Wat bij het lezen van het voorwoord direct opvalt is dat voormalig minister Plasterk niet
heeft ondertekend, terwijl de
cultuurhistorische kwaliteiten zo
bepalend zijn voor – in ieder geval
– de Nationale Landschappen.
Bovendien was Plasterk – via zijn
Rijksdienst voor het Cultureel
Erfgoed – ook minister van het
historisch cultuurlandschap.
De reden van het feit dat OCW niet
is betrokken is me niet bekend,
maar de afwezigheid van Plasterk
lijkt symbool te staan voor de
afwezigheid van enige diepgang
in dit boek. Het is allemaal erg
voorspelbaar, simplistisch, voor
de hand liggend en knuffelbaar.
Nergens heb ik de auteurs kunnen
betrappen op enige informatie die
verder gaat dan de verhalen die
ons via bladen als Landleven,
Grasduinen of de gemiddelde
ANWB-fietsroute worden voorgeschoteld. Wat mij betreft dus
een enorme tegenvaller. Waarom
nou niet eens een echt goed en
vernieuwend overzichtswerk over
NUMMER 12
JULI 2010
onze meest bijzondere landschappen? Waarom weer alle
clichés uit de kast gehaald?
Hierbij overigens de kanttekening
dat de teksten soms nog wel
‘meevallen’, in die zin dat er ook
aandacht bestaat voor de geschiedenis van landschappen, voor
bijzondere fenomenen zoals
pingoruïnes. Maar het beeldmateriaal ondersteund dit niet of
nauwelijks. Nergens eens een
goed kaartje dat fenomenen
toelicht, nergens een dwarsdoorsnede of een schema dat een
ontwikkeling verduidelijkt. Het
lijkt wel of het vooral geen wetenschappelijk boek mocht worden.
Het zijn nu dus vooral sfeerfoto’s
van ganzen, Konikpaarden, mooie
vergezichten, oude gebouwen,
libelle’s, heidevelden, baltsende
korhoenders, paddenstoelen en
vestingwerken. Nergens wordt
ons het landschap getoond zoals
zich dat daadwerkelijk aan ons
toont: een landschap onder grote
(stedelijke) druk, landschappelijk
gemarginaliseerd en vervlakt.
Wat uiteraard ook kan, is dat ik
niet tot de doelgroep behoor,
maar dat deze bestaat uit het
‘brede, geïnteresseerde publiek’.
Als dit inderdaad zo is, dan
vrees ik dat dit boek precies
biedt wat men wil hebben: een
fraai geïllustreerd, prettig leesbaar, goedkoop (!) en informerend
publieksboek. Niets minder,
maar zeker ook niet meer. VOOR
U GELEZEN
48
adviseur bij de restauratie
van de in de Eerste
Wereldoorlog zwaar
beschadigde Lakenhal
in Ieper. Dat zijn restauraties soms – misschien
wel vaak – controversieel
waren, is geen nieuws
meer, maar één ding is
zeker: prutswerk was het
nooit. Wel heeft hij
misschien te vaak meer
dan restaureren gedaan
en een extra tijdlaag
toegevoegd: ‘de fase
Cuypers’.
P.J.H. Cuypers
en het gotisch
rationalisme Architectonisch
denken, ontwerpen
en uitgevoerde
gebouwen
1845-1878
Auteur
Aart Oxenaar
Recensent
Frits Niemeijer
Uitgave
NAi Uitgevers
Details
Gebonden, 668 pagina’s,
geïllustreerd in zwart-wit
en kleur, noten, literatuur
en namenregister
Met de blik van nu is die
fase weer te billijken, maar tot
vóór pakweg 20 jaar moest zo
veel mogelijk Cuypers worden
verwijderd. Neogotiek was eigenlijk nog een verfoeilijke dwaling,
die bovendien door vele protestanten werd vereenzelvigd met
de katholieke emancipatie van
de tweede helft van 19e eeuw.
Cuypers was dan ook in de eerste
plaats aartsvader van de neogotiek voor rooms-katholiek
Nederland en pas recent is hij
breder ‘doorgebroken’. Hij ontwierp dan ook maar heel weinig
niet katholieke gebedshuizen,
waaronder een N.H. kerk en een
synagoge. En verder was hij
natuurlijk de man achter Kasteel
De Haar en de beide grote
Amsterdamse bouwwerken van
nationaal belang: het Rijksmuseum en het Centraal Station.
ISBN 978-90-5662-624-2
Prijs
€ 44,50
Wie ‘neogotiek in Nederland’ zegt,
denkt bijna onwillekeurig ook aan
Pierre Cuypers, die toch wel onze
eigen aartsvader van deze stijl
genoemd mag worden. Niet alleen
was hij de ontwerper van vele
tientallen kerken in binnen en
buitenland (m.n. België, Duitsland,
Zwitserland en Noorwegen), maar
ook als adviseur/restaurateur
stond hij (inter)nationaal zijn
mannetje. Zo was hij vanaf 1872
onder meer betrokken bij de
restauratie van de Dom van Mainz
en van de Mariakapel van de
Dom van Worms en was hij ook
Over P.J.H. Cuypers (Roermond,
1827-1921) is zo langzamerhand
toch wel alles gezegd en geschreven, zou je denken. Nou, nee dus.
Want wat schotelt Oxenaar de
lezer voor? In elk geval datgene
wat enige andere biografen en
beschrijvers van zijn werk grotendeels hebben genegeerd: de
invloed die de Engelse bouwkunst
op Cuypers’ oeuvre heeft gehad.
Uitdrukkelijk gesteld: enige. Want
zeker Van Hellenberg Hubar gaat
vrij uitgebreid in op die Engelse
connectie. Terwijl elders wel valt
te lezen dat Cuypers het Engels
nauwelijks beheerste en mede
daardoor amper voeling had met
de gotiek aan de andere zijde van
VITRUVIUS
de Noordzee, weet Oxenaar aan
te tonen dat bepaalde facetten
van zijn werk nadrukkelijk zijn te
baseren op Engelse invloed.
Niet voor niets vermeldt hij dat
Cuypers’ tweede vrouw hem later
Engels leerde. Dat Cuypers (ook)
gebruik gemaakt heeft van Franse
vertalingen van het werk van
A.W.N. Pugin (1812-1852) staat
hier los van. De architect bezocht
Engeland onder meer in 1862,
1876 en 1897 en er zijn hem dáár
- en in Amerika - ook ereblijken
ten deel gevallen, wat aantoont
dat er geen eenrichtingsverkeer
was. Tot de in het werk van Pierre
Cuypers op Engelse invloed
duidende stijlvormen behoren de
vaak opvallend hoge spitsen, de
toepassing van eerlijke (niet
geschilderde) polychrome gevelen wanddecoratie (waarmee hij
tevens schatplichtig was aan
Lombardije) en ook enkele
‘hammerbeamconstructies’. Een
ander punt is dat Oxenaar de
stedenbouwkundige oplossingen
voor Cuypers’ kerkenbouw behandelt. Hij lijkt erin berust te hebben
dat kerken in het laatste kwart
van de 19e eeuw niet vanzelfsprekend meer een centrale
positie konden innemen in de
snel uitdijende stedelijk weefsels
- tenzij gebouwd in de periferie.
Alleen nieuwe dorpskerken
konden nog een prominente
plaats krijgen. Cuypers ervoer
het als een opgave zijn kerken
zodanig in ingewikkelde ruimtelijke context te plaatsen dat ze
toch als stedenbouwkundig
element uit de verf kwamen en
met name door het spelen met
plattegronden, het verlaten van de
gebruikelijke oriëntatie (het op het
oosten gericht zijn van de kerkas
in samenhang met het hoogaltaar)
en ook wel door visueel bedrog.
Dit laatste maakte deel uit van
de ook door andere neogotische
architecten gehanteerde middelen
om effecten te bereiken die strikte
toepassing van de middeleeuwse
beginselen van de gotiek onmogelijk zouden hebben gemaakt. Een
Viollet-le-Duc en genoemde Pugin
pasten trucs toe om het middeleeuwse ‘ideaal’ aan te passen aan
NUMMER 12
JULI 2010
de morele functie in de 19e eeuw.
Oxenaar schrijft: “De verscheidenheid aan historische voorbeelden
[…] zagen zij niet langer als een
rijkdom, maar als een zware last,
een hindernis op weg naar een
eigen bouwkunst.” Dat veel neogotische architecten geen stijlpluralisme en geen verwarring
met het heersende (neo)classicisme wensten, was ook voor
Cuypers vanzelfsprekend, maar
dit betekent niet dat hij – eenmaal
in een groef beland – geen andere
wegen meer bewandelde of zich
niet ontwikkelde. Integendeel.
Cuypers was rationeel genoeg
(in de betekenis van ‘logisch’)
om het nodige toe te voegen aan
het architecturale vocabulaire.
Oxenaar laat zien dat hij voortdurend in beweging was, overal
zijn licht opstak en verwerkte wat
hij kon gebruiken. Vanuit dat
perspectief zijn enige van de grote
opdrachten die hij uitvoerde te
verklaren: hij was met graagte
geneigd stedenbouwkundige
problemen met architectonische
en ook perspectivische middelen
aan te pakken. Hier staat tegenover dat er ook veel in dit boek
voorkomt dat in enige vorm eerder
bekend was. Zo klinken in het bijzonder uitgebreide passages over
de totstandkoming van het
Rijksmuseum en de eraan voorafgaande prijsvragen bekend in de
oren. Hier hadden andere voorbeelden om het betoog te ondersteunen een belangrijker bijdrage
aan de Cuyperskennis kunnen
brengen. Hier wreekt zich het feit
dat de studie / dissertatie al in de
jaren ’80 is begonnen en meermalen aangekondigd is. Keer op
keer werden de verwachtingen
hoger en verwachtte de recensent
intussen ‘de definitieve Cuypers’.
Maar die hebben we niet. Het is
niet de eerste, wel een goede,
ook een dikke, maar vast niet de
laatste dissertatie over Pierre
Cuypers. Al met al is P.J.H.
Cuypers en het gotisch rationalisme van Oxenaar een welkome,
maar niet onmisbare toevoeging
aan zijn in de laatste 15 jaar toch
al flink gegroeide bibliografie. VOOR
U GELEZEN
Erfgoed en
ruimtelijke planning
Sterft, gij oude vormen
en gedachten!
Auteur
André van der Zande en
Roel During (redactie)
Recensent
Henk Baas
Uitgave
SDU Uitgevers, Den Haag
Reeks Planologie
Details
ISBN 978-90-1213-199-5
Prijs
€ 45,75
In 1999 verscheen de Nota
Belvedere, de door vijf ministeries ondertekende nota over de
relatie tussen cultuurhistorie en
ruimtelijke ordening. Het was de
tijd van de Paarse kabinetten,
met nog een sterke rol van de
Rijksoverheid. Anno 2010 is het
speelveld behoorlijk van kleur
verschoten. Het Rijk heeft minder
de regie in de ruimtelijke ordening, en de cultuurhistorische
sector is behoorlijk geëmancipeerd. Was in 1999 nog sprake
van cultuurhistorie, waarbij het
vooral ging om de fysieke waarden
van archeologie, bouwhistorie en
historisch geografie, we spreken
tegenwoordig over erfgoed, een
term met een bredere betekenis,
die ook door veel meer wetenschapsvelden wordt bestudeerd.
Ondanks de enorme hoeveelheid
aan projecten die op de werkvloer invulling dienden te geven
aan het begrip ‘behoud door
ontwikkeling’ is het lange tijd stil
gebleven ten aanzien van de
theorievorming of de reflectie
op het Belvederebeleid. Met de
instelling van de drie Belvedereleerstoelen en het bijbehorende
onderwijsnetwerk in 2005 is een
begin gemaakt met de academische borging van het gedachtegoed. Opvallend daarbij is wel
dat dit onderwijsnetwerk zich
vooral richt op de toepassing van
cultuurhistorische kennis, almede op de perceptie ervan, en
nauwelijks voorziet in empirische
kennis over cultuurhistorie of
erfgoed. Maar dat terzijde.
Van één van de drie Belvederehooglerareren (André van der
Zande, samen met Roel During)
is nu een wetenschappelijke
bundel verschenen, over de verhouding tussen erfgoed en ruimtelijke planning. Het in de nota
Belvedere geïntroduceerde
begrip 'behoud door ontwikkeling' is aangeslagen, en het lijkt
er inderdaad op dat planners
bewuster lijken om te gaan met
zaken uit het verleden. Is in het
verleden nog wel eens naar het
middel 'kookboek' of 'leidraad'
gegrepen, om aan "de buitenwereld" uit te leggen hoe ze
zouden kunnen omgaan met
cultuurhistorie, inmiddels klinkt
het geluid dat erfgoed uniek is,
en elke situatie om een andere
oplossing vraagt. Desalniettemin
is er wel een aantal lijnen te
trekken, op basis van vele voorbeeldprojecten en bijeenkomsten
die onder de vlag van Belvedere
zijn verschenen en georganiseerd.
Veel van dit soort inzichten, voor
zover dus betrekking hebbend
op de relatie tussen erfgoed en
ruimtelijke planning, zijn in dit
boek bijeengebracht.
Het boek (bijna 400 pagina's dik)
oogt als een echt studieboek. En
die waarde heeft het ook zeker.
Er is een thematische indeling
gekozen, en er is gedeelde aandacht voor zowel de theorie als
de praktijk. Het is in ieder geval
geen boek dat planners voor hun
lol door gaan lezen; daarvoor
49
zijn de bijdragen te wetenschappelijk – of droog, zoals u wilt –
ingestoken. Uw recensent heeft
er in ieder geval een flinke kluif
aan gehad. Het blijkt wel een
uiterst leerzaam boek te zijn,
dat (bijna) alle facetten met
betrekking tot erfgoed en planning de revue laat passeren. In
totaal hebben 24 auteurs meegewerkt aan het boek. Al deze
auteurs hebben zo hun eigen
definitie en opvattingen over
erfgoed. Zo wordt erfgoed in het
‘Wageningse’ hoofdstuk over
‘Natuurontwikkeling en erfgoed’
beschouwd als de optelsom van
cultuurhistorische en natuurhistorische waarden, terwijl
Duineveld en Kolen erfgoed
vooral beschouwen vanuit de
constructivistische opvatting, dus
erfgoed als sociale constructie.
Beide zijn waar overigens.
Inhoudelijk is het boek opgedeeld in drie delen. Een deel
over beleid, wetenschap, instrumenten en uitvoering, een deel
over de verschillende werkvelden en erfgoed en een deel
over erfgoedaanpak in mondiaal
perspectief. Het eerste deel
neemt meer dan de helft van het
boek in, en bevat bijdragen van
vooral Wageningse onderzoekers. Het zijn vooral degelijke
overzichten, vanuit de ruimtelijke
ordening, vanuit de sociale
wetenschappen of vanuit de
landschapsarchitectuur. De
bijdrage van André van der
Zande zelf over ‘Erfgoed en
ruimtelijke ordening’ is interessant omdat het niet alleen
beschrijft en analyseert, maar
vooral ook agendeert. Het hoofdstuk is ook niet voor niets aan
het begin van de bundel
geplaatst: het zet alle andere
bijdragen in een breder perspectief. Het derde deel plaatst onze
Nederlandse omgang met erfgoed in een mondiaal perspectief. Dit werkt uiterst verfrissend,
en laat maar weer eens zien dat
erfgoed een temporele en
plaatsgebonden constructie is.
André van der Zande en Roel
During hebben zelf veelvuldig de
pen gehanteerd. En hun bijdragen
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
behoren wat mij betreft ook tot
de meest interessante. Vooral
door het beschouwelijke karakter
zijn ze interessant om te lezen,
iets dat trouwens voor de meeste
bijdragen geldt: het zijn allemaal
syntheses van bepaalde cultuurhistorische thema’s, zoals
Erfgoed en ruimtelijke ordening,
erfgoed en natuurontwikkeling,
erfgoed en de stedelijke transformaties of erfgoed en het sociaal-wetenschappelijke onderzoek. Deze benadering zorgt er
wel voor dat er zo nu en dan
overlap zit in de hoofdstukken,
maar het zorgt er tevens voor
dat iedere bijdrage afzonderlijk
gelezen kan worden.
De redacteuren maken het de
recensent makkelijk door zelf al
conclusies te trekken over de
relatie tussen erfgoed en ruimtelijke planning. In het slothoofdstuk komen ze tot tien observaties over motieven en acceptatie,
over kennis, over de formele en
informele relatie met planning
en over de ontwerppraktijk, dus
alleen daarom al in het goed
voor iedereen die zich beschouwd
als ‘erfgoedspecialist’ om kennis
te nemen van deze observaties.
Ik kan hier uiteraard al deze
uiterst relevante observaties
opnoemen, maar verwijs uiteraard naar de publicatie zelf.
Zoals gezegd, uiterst relevant
voor iedereen die te maken heeft
met de relatie tussen erfgoed en
planning.
Al met al kan gesteld worden
dat we met dit boek eindelijk
reflectie hebben op veel van wat
er onder de vlag van Belvedere
is uitgevoerd. Het boek geeft
verassende inzichten en is ook
kritisch op de wijze waarop we
in Nederland met het begrip
erfgoed omgaan. Jammer is wel
dat de perceptie over erfgoed
erg op de voorgrond staat.
Dat is begrijpelijk vanuit het
perspectief van dit boek, maar ik
heb grote zorg over het feit dat
er nog maar weinig aandacht is
voor empirische studies naar het
verleden van stad en landschap.
Maar goed, dat is weer een hele
andere discussie. Uw nieuwsbrief integreren in Vitruvius?
Informeer naar de mogelijkheden: Uitgeverij Educom: 010-425 6544, info @uitgeverijeducom.nl.
Uitgeverij
Drukwerk
Investeringen
Marketing
Internet
RECENT
VERSCHENEN
Koning, keizer,
admiraal
1810 - De ondergang van
het Koninkrijk Holland
Auteur
Wilfried Uitterhoeve
Uitgave
Uitgeverij Vantilt
Details
Paperback, 232 pagina’s,
geïllustreerd,
ISBN 978-94-6004-045-0
Prijs
€ 19,95
Hotel Transvaal als
impuls voor de wijk
Auteur
Sabrina Lindemann, Iris
Schutten (red.)
Uitgave
Uitgeverij SUN Architecture
Details
Paperback, 264 pagina’s,
full color, Nederlandsén Engelstalige editie
ISBN 978-90-8506-748-1
Stedelijke
transformatie
in de Tussentijd
Prijs
€ 32,- t/m 1 juli
(daarna € 34,50)
Het Hoge Veluwe
Boek
Auteur
Wim Nijhof en Elio Pelzers
Uitgave
Uitgeverij Waanders
Details
Gebonden, 384 pagina’s
ca. 360 kleur & zwart/wit
illustraties
ISBN 978-90-4007-672-5
Prijs
€ 14,95
51
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Tweehonderd jaar geleden maakte
keizer Napoleon een einde aan het
Koninkrijk Holland en lijfde het in
bij Frankrijk. Deze annexatie voltrok
zich niet van de ene dag op de
andere. Een aantal maanden hield
de keizer het land en zijn koning,
Lodewijk Napoleon, in een wurggreep. De goedwillende en
begaafde Lodewijk werd door zijn
broer naar Parijs gelokt, vernederd en vastgehouden. Minister
Röell en admiraal en gezant
VerHuell probeerden in Parijs het
tij te keren. Het was vergeefs. De
Franse troepen rukten op naar het
noorden van het koninkrijk, waar
burgerlijke en militaire autoriteiten steggelden over de verdediging van Amsterdam, het laatste
bolwerk van de natie.
Veel Nederlandse stadswijken
ondergaan een ingrijpende
transformatie. De blik is daarbij
gericht op het gedroomde
eindbeeld, hoe zal het straks
worden. maar wat gebeurt er in
de tussentijd? In de vele jaren
tussen sloop en nieuwbouw
groeien hele generaties op
tussen dichtgetimmerde huizen;
voorzieningen verdwijnen, sociale
verbanden vallen uit elkaar.
Daarbij kan de tussentijd ook
een periode zijn met eigen kwaliteiten en potenties, een periode
die vraagt om tijdelijke initiatieven die maatschappelijk en cultureel kapitaal toevoegen op een
moment dat de vitaliteit van een
wijk op alle fronten onder druk
staat. Initiatieven die laten zien
hoe het transformatieproces ook
het eindbeeld kan beïnvloeden.
Het Nationale Park De Hoge
Veluwe, het grootste actief
beheerde natuurgebied in
particulier bezit in Nederland,
bestaat dit jaar 75 jaar.
Ter gelegenheid van deze
mijlpaal verschijnt Het Hoge
Veluwe Boek.
Hierin gaat u op ontdekkingstocht door de schitterende
natuur en door de bijzondere
cultuur en geschiedenis van het
Park. De prachtige illustraties
maken het boek tot een ware
belevenis! De ondergraving en beëindiging
van de zelfstandigheid van het
koninkrijk vormt een van de
boeiendste drama’s uit de
Nederlandse geschiedenis. In
Koning, keizer, admiraal brengt
Wilfried Uitterhoeve de gebeurtenissen aan de hand van eigentijdse bronnen zo dicht mogelijk
bij de lezer. Essays en interviews uit sociale,
culturele en commerciële disciplines ontrafelen het tussentijddenken en geven een brede
variatie aan mogelijkheden voor
interventie. Kunst- en ontwerpconcepten zijn een directe
inspiratiebron voor concrete
projecten. Door deze publicatie
kan niemand in de stedelijk
vernieuwing de tussentijd nog
langer overslaan. RECENT
VERSCHENEN
52
Details
Gebonden, 512 pagina’s,
ISBN 978-94-6004-043-6
Prijs
€ 45,-
Geschiedenis van
de Nederlandse
bibliofilie
Auteur
Piet J. Buijnsters
Uitgave
Uitgeverij Vantilt
Geheimen van oud
en nieuw stuc
Auteur
E. Koldeweij (eindredactie),
M. van Hunen en T.
Hermans (redactie)
Uitgave
Uitgeverij Waanders
Details
Paperback met flappen, ca.
530 pagina’s, 536 illustraties in kleur en zwart/wit,
ISBN 978-90-4008-650-2
Prijs
€ 34,95
Verzamelen is topsport. Het
vergt speurzin, doorzettingsvermogen, geduld en vooral inventiviteit. In de Geschiedenis van de
Nederlandse bibliofilie beschrijft
Piet J. Buijnsters de tot op
heden min of meer verborgen
wereld van particuliere boek- en
prentverzamelaars. Als pioniers
en trendsetters hebben zij met
hun collecties altijd de grondslag gelegd voor de publieke
musea en bibliotheken. Zij beheren samen eigenlijk een soort
schaduw-'Collectie Nederland',
met een zeker zo lange traditie.
Na zijn Geschiedenis van het
In bijna elk monument zit stuc.
Soms in de vorm van fraaie ornamentiek, dan weer als glad
pleisterwerk aan de binnen- of
buitenzijde. Zo veelvoorkomend
als stuc is, zo veel vragen leven
er over de restauratie van oud
stucwerk en de technische
toepassingen van nieuw stuc.
Vandaar dat de Rijksdienst voor
het Cultureel Erfgoed het initiatief heeft genomen voor de
publicatie van een boek getiteld
‘Stuc. Kunst en techniek’ dat in
samenwerking met Uitgeverij
Waanders is gemaakt.
De instandhouding van stuc- en
pleisterwerk is verre van eenvoudig en vraagt om een interdisciplinaire benadering. Voor het
behoud en herstel is een breed
spectrum van specifieke kennis
vereist. Het betreft kennis van
materialen, uitvoeringstechnieken, restauratiemethoden,
morteltoepassingen, vocht en
zoutbelasting, maar ook van het
stukadoorsambacht. Bovendien
spelen de geschilderde afwerklagen hierbij een belangrijke rol.
Vocht en zout zijn externe bedreigende factoren, maar mode en
VITRUVIUS
NUMMER 12
JULI 2010
Nederlandse antiquariaat, waarin de handelaren centraal stonden, richt Buijnsters nu de aandacht op de verzamelaars vanaf
1750 tot heden. Hij beschrijft
hun passies en teleurstellingen,
de opkomst en het verdwijnen
van populaire verzameltrends en
ten slotte de confrontatie met
internet, die ook in de verzamelaarswereld tot een koerswijziging dwong. Mede op basis van
talrijke gesprekken en persoonlijke ervaringen tekent de auteur
een profiel van allerlei bijzondere figuren uit heden en verleden.
Met zijn nauwkeurige documentatie en vele foto’s is dit nieuwe
standaardwerk uiterst aantrekkelijk voor een breed publiek van
geïnteresseerden in de wereld
van boek en prent. De geschiedenis van de Nederlandse
bibliofilie is een boek voor liefhebbers, geschreven door een
liefhebber. Dit boek verschijnt
door een gelukkig toeval gelijk
met het 75-jarig jubileum van de
Nederlandsche Vereeniging van
Antiquaren (NVvA).
smaak van een opdrachtgever of
eigenaar kunnen dat evenzeer
zijn. Hoe is de bouwkundige staat
en conditie van ondergrond en
stuclagen? Vaak staat de praktijk
van behouden en vernieuwen
lijnrecht tegenover elkaar.
woonhuizen zijn intrede.
Aanvankelijk waren deze eenvoudig van aard met gestuukte
wanden en plafonds, maar geleidelijk aan ontwikkelen deze zich
in de achttiende eeuw tot rijk
gedecoreerde entree- en trappartijen. Kunstmarmer en andere
nieuwe technieken van marmerimitatie, zoals het stucco lustro,
worden populair. In de negentiende eeuw volgen nieuwe
materiaaltoepassingen van
terracotta en papier maché.
Recent onderzoek wijst uit dat
sinds het gebruik van portlandcement voor buitenpleisterwerk
er sprake is van een kleurige
afwerking in plaats van de tot
nu toe vaak veronderstelde
grijze kleurstelling.
Het Tropeninstituut, waar de
presentatie van het boek heeft
plaatsgevonden, dateert uit
1926 en illustreert de rijke en
uitbundige toepassing van stuc
in de vorige eeuw.
Restauratiestukadoors, architecten en eigenaren worden geconfronteerd met lastige afwegingen
op gebied van pleistersystemen,
geheel of gedeeltelijk herstel en
de omgang met kleurige afwerklagen. In het stucboek komen
kennis en ervaringen over al deze
facetten bijeen in 23 verschillende
bijdragen van specialisten.
Er is een enorme rijkdom en
veelzijdigheid in het stuc en
pleisterwerk vanaf de Romeinse
tijd tot en met de naoorlogse
wederopbouwperiode. Opvallend
is een aantal middeleeuwse
beschilderde grafkelders met
goed bewaard gebleven schilderwerk. De vroegste stucplafonds
dateren al van rond 1600 en zijn
aangebracht op een ondergrond
van leem en stro. In het midden
van de zeventiende eeuw doet de
lange centrale stucgang in de
Piet J. Buijnsters (1933) is emeritus-hoogleraar achttiendeeeuwse literatuur aan de
Radboud Universiteit Nijmegen.
Hij is behept met een levenslange fascinatie voor antiquaren en
verzamelaars. Naast studies en
tekstedities op zijn vakgebied
publiceerde hij met zijn echtgenote Lin Buijnsters-Smets een
standaardwerk over achttiendeen negentiende-eeuwse kinderboeken en paper toys (bekroond
met de Menno Hertzbergerprijs
en de G.H. ’s Gravesandeprijs). Stuc is een veelzijdig en helder
geschreven boek, zeer rijk geïllustreerd, onder meer met foto’s
van historisch stuc- en pleisterwerk. RECENT
VERSCHENEN
53
Wandelgids
Grebbeliniepad
Verdedigingswerk
van groot cultuurhistorische waarde
Auteur
B. Rietberg en J. Vellinga
Uitgave
Uitgeverij Waanders
Details
Paperback, 88 pagina’s,
Auteur
onder redactie van Frank
Moens, Jeroen Philippona,
Han van Meegeren, Leo
Goudzwaard, Bert Maes
en Girbe Buist
Uitgave
BOOM i.s.m. Bomenstichting
Details
Gebonden, 408 pagina’s,
in kleur geïllustreerd
ISBN 978-90-8506-934-8
Bijzondere bomen
in Nederland 250 verhalen
Prijs
€ 39,50
Overal in Nederland staan monumentale bomen: mooie, bijzondere
Uitgave
NAi Uitgevers i.s.m.
Nederlands Architectuurinstituut, Vereniging
Vrienden van het Nederlands Architectuurinstituut
en Vereniging Openbare
Bibliotheken
Details
Paperback, 128 pag.
Geïllustreerd in kleur & z/w
ISBN 978-90-5662-747-8
Prijs
€ 24,50
De architectuur van
kennis – De bibliotheek
van de toekomst
Auteur
Huib Haye van der Werd
(red.)
Hoe ziet de bibliotheek van de
toekomst eruit? Nu informatie en
communicatie alomtegenwoordig
zijn en de grenzen tussen het
produceren en consumeren van
informatie steeds meer vervagen,
dient de dringende vraag zich
aan wat een openbare bibliotheek
VITRUVIUS
ca. 80 kleur & zwart/wit
ISBN 978-90-4007-664-0
Prijs
€ 13,95
De Grebbelinie in de Gelderse
Vallei stamt al uit 1744 en vormde een buffer tussen de IJssel
en de Hollandse Waterlinie. Ze is
vooral bekend geworden doordat
ze op haar oude dag in mei 1940
ineens de Duitsers moest tegenhouden. De ‘Slag op de Grebbe-
NUMMER 12
JULI 2010
berg’ heeft een mytische
lading. Na de oorlog verslonsde
de linie en werd ze in 1951 officieel opgeheven.
Gelukkig is veel van het cultuurhistorisch erfgoed blijven
bestaan. In recente jaren is alles
opgeknapt en nu is het mogelijk
te voet de hele Grebbelinie te
aanschouwen, van Rhenen tot
aan Bunschoten. Een lange
wandeling over historische
grond! en soms zeldzame bomen die
sinds mensenheugenis een plein
of laan domineren en vaak omgeven zijn met verhalen. Dit boek
vertelt hun rijke geschiedenis.
Bomen zijn de onmisbare metgezel van de mens. Ze geven schaduw en beschutting, ze leveren
bouwmateriaal en brandhout.
En bijna iedereen vindt ze mooi.
Dat geldt vooral voor de bomen
die monumentaal worden
genoemd: exemplaren die zich
door hun ouderdom, omvang of
andere bijzondere eigenschappen
onderscheiden. Ze worden gekoesterd en beschermd – maar vaak
ook bedreigd: door verwaarlozing,
door kaplustige planologen en
wethouders, en zelfs door hun
eigen sterfelijkheid. over deze
bomen gaat dit boek. Per provincie beschrijven de auteurs de
meest bijzondere bomen van
Nederland, met veel aandacht
voor ‘het verhaal achter de boom’:
de legenden en anekdoten die
met de bomen zijn verbonden.
zou kunnen zijn. De traditionele
opvatting van een bibliotheek in
een academisch omgeving met
een officiële collectie en een vaste
staf van medewerkers is aan het
wankelen gebracht. Als typologie
kan de bibliotheek bogen op een
rijk verleden als een belangrijk
element in de openbare ruimte
van de stad. Ook als gebouw vormen bibliotheken van oudsher
een vaste bestemming, en daarvan maken overheden tot op de
dag van vandaag graag gebruik
om het imago van de stad te verhogen. Tegelijkertijd vergroten
steeds meer bibliotheken hun
fysieke bereik, met de komst van
webbrowsers, online retrievalsystemen en andere nieuwe media.
Welke vorm en positie zal hun
fysieke structuur moeten krijgen
om stand te houden te midden
van alle veranderingen die plaatsvinden in dit van informatie doordrenkte deel van de samenleving
– nu en in de toekomst?
Dit boek is geschreven in opdracht van de Bomenstichting,
die zich in 2010 veertig jaar inzet
voor het behoud van de monumentale bomen in Nederland. De architectuur van kennis biedt
nieuwe inzichten in en vooruitblikken op de toekomst van dit bastion van de publieke kennis en het
collectieve geheugen.
Internationale deskundigen presenteren ideeën over collectieve
kennis, over de notie van de openbare ruimte, gedachten over de
verhouding tussen (nieuwe) media
en (culturele) samenleving en
inzichten in productmanagement
en -beleving. Het resultaat is
een fascinerende reis naar de
toekomst van een eeuwenoud
instituut en verplichte kost voor
zowel architecten, bibliothecarissen als gebruikers. RECENT
54
VERSCHENEN
BELVEDERE.NU
Praktijkboek cultuurhistorie en ruimtelijke
ontwikkeling
Auteur
M. Linssen en
P.P. Witsen (red.)
Uitgave
Uitgeverij Matrijs
Details
Gebonden, 256 pagina’s,
ISBN 978-90-5345-402-2
Prijs
€ 24,95
Eyckenstein Op de grens van
zand en veen
Auteur
R. van Immerseel e.a.
Uitgave
Uitgeverij Matrijs
i.s.m. Nederlandse
Kastelenstichting
Details
Gebonden, 96 pagina’s,
full color,
ISBN 978-90-5345-403-9
Prijs
€ 14,95
De Utrechtse Heuvelrug is een
De geur van veen
– Vlaardingen en
de ontdekking van
de Vlaardingencultuur
Auteur
L. Verhart
Uitgave
Uitgeverij Matrijs i.s.m.
Gemeente Vlaardingen
Details
Gebonden, 240 pag,
full-color
ISBN 978-90-5345-392-6
VITRUVIUS
Van 1999 tot en met 2009 heeft het
programma Belvedere de inzet
van cultuurhistorie bij ruimtelijke
transformaties gestimuleerd. De
cultuurhistorie in de leefomgeving
- van een gebouw, een structuur
of een gebied - kan immers vaak
kwaliteit en betekenis toevoegen
aan ruimtelijke ontwikkelingen.
Dit gedachtegoed is opgepakt en
verspreid. In nieuw beleid bij rijk,
provincies en gemeenten, maar
ook bij terreinbeheerders, projectontwikkelaars en waterschappen.
In nieuwe kennisdomeinen bij
typisch buitenplaatsenlandschap.
De Laagte van Pijnenburg, tussen
De Bilt en Soest, is een bijzonder
gebied dat al vroeg door rijke
Utrechters en Amsterdammers
werd ontdekt. Ze stichtten er
diverse buitens waarvan het bij
Maartensdijk gelegen Eyckenstein een van de grootste is.
Eyckenstein bestaat uit
huis, tuin, park, waterpartijen,
lanen, pachtboerderijen en
landbouwgronden. Eyckenstein
ligt op de grens van zand en
veen. Aan de oostzijde grenst
het landgoed aan de Utrechtse
Heuvelrug, waar vroeger schapen
werden geweid. Niet toevallig
kende Eyckenstein een eigen
Prijs
€ 24,95
(na 1 augustus € 29,95)
Vijftig jaar geleden vonden in de
Vlaardingse Westwijk archeologische opgravingen plaats.
Uit diepe putten haalden archeologen unieke vondsten boven de
grond. Allen, de onderzoekers in
de opgravingsput en de kijkers op
de rand, roken de geur van veen.
Voor de een betekende de geur
niets dan stank, voor de ander
was het het signaal voor
belangrijke ontdekkingen. In de
NUMMER 12
JULI 2010
universiteiten, hogescholen en
academies, maar vooral in de
praktijk van alledag. Honderden
tastbare resultaten demonstreren
dat het behoud van erfgoed in veel
ruimtelijke plannen een culturele,
maar ook sociaal-economische
meerwaarde biedt. zet dan ook de
praktijk centraal en geeft een
beeld van hoe in de huidige
Nederlandse praktijk het raakvlak
tussen de vroegere en toekomstige
inrichting eruit ziet: het NU.
Daarnaast geeft het een handreiking voor NU EN VERDER. schaapskooi. Het westelijk deel
was een veenontginning.
Vanuit dat agrarisch gebruik
ontstond aan het begin van de
zeventiende eeuw een boerderij
met herenkamer, die later tot
een buitenplaats werd omgevormd.
De bewogen bestaansgeschiedenis geeft niet alleen een
prachtig beeld van de ontwikkeling van buitenplaatsen, maar
ook een inkijkje in de sociale
verhoudingen van de adellijke
en patricische families die de
Utrechtse buitenplaatsen
bewoonden en de uitdagingen
die het beheer van een dergelijk
bezit met zich meebrengt. kranten volgden journalisten de
spectaculaire ontdekkingen op
de voet. Wat de archeologen in
Vlaardingen vonden, was een tot
dan toe onbekende cultuur uit de
steentijd, die de Vlaardingen-cultuur genoemd werd. De geur van
veen gaat terug naar de opgraving
en de mensen die daarbij betrokken waren. Auteur Leo Verhart
vertelt de verhalen van de ontdekkers, en laat zien wat we
nu van de Vlaardingen-cultuur
weten. Het boek schetst niet
alleen een leven van duizenden
jaren geleden, maar ook van
Vlaardingen in de jaren zestig. 55
VITRUVIUS
NUMMER 10
JA N U A R I 2 0 1 0
Woerden, in Romeinse tijd Laurium geheten, vervulde een belangrijke
functie binnen de Limes. In de stad zijn op vele plaatsen sporen uit de
Romeinse tijd te vinden. Tijdens de vaartocht met het Romeinse schip
wordt uitgebreid aandacht besteed aan de geschiedenis van Laurium.
Een vaartocht begint met een kort bezoek aan het Stadsmuseum
Woerden waar vondsten van de Romeinse tijd staan tentoongesteld.
Vervolgens wordt kort gewandeld van Stadsmuseum naar de haven.
Het schip vaart van de Haven naar het kasteel van Woerden.
Vanaf het kasteel gaat de tocht te voet weer terug naar het Stadsmuseum Woerden. Deze vaartochten vinden plaats op woensdag
en zaterdag. Voor groepen zijn er andere mogelijkheden.
Meer info op www.romeinsschipwoerden.nl
t/m 29.12.2010 Beek-Ubbergen
MADURODAM VAN HET LANDSCHAP
Het Madorodam van het landschap laat elf miniatuurlandschappen
zien; van de heuvels en vakwerkhuisjes in Zuid-Limburg, tot de
terpen in Groningen. Alles precies nagebouwd op schaal, met
uiteraard ook de karakteristieke boerderijen, molens en vee die
in de betreffende landschappen thuishoren. Van ieder landschap
is ook een wandel of fietsroute beschikbaar zodat u dit gebied
in het echt kunt gaan bekijken.
Ook een onvergetelijke ontmoeting met levende dassen maakt
deel uit van een bezoek. Maar er zijn nog meer levende dieren te
zien die horen in een gezond landschap, zoals boomkikkers.
Naast het informatiecentrum kunt u in het demonstratiegebied Palland
zien welke waarde heggen, houtwallen, graften en andere landschapselementen hebben voor de schoonheid van het landschap. En
dat er veel meer flora & fauna in deze groene erfafscheidingen
zit dan in prikkeldraad zult u zien aan de vele vogelsoorten,
knaagdieren en (zeldzame) planten.
Tijdens de wandeling over Palland heeft u een adembenemend
uitzicht over het Rijndal, de Veluwezoom en de Duitse Elterberg.
Bezichtiging is mogelijk op iedere woensdag en zondag van
10 tot 17 uur, t/m 29 december 2010. Het Informatiecentrum
Nederlands Cultuurlandschap ligt aan de Rijksstraatweg 174
te Beek-Ubbergen.
In 1997 zijn in Leidsche Rijn de resten opgegraven van een bijzonder
Romeins vrachtschip. Door de archeologen wordt dit schip “De Meern
I” genoemd. In samenwerking met Stichting Het Utrechts Landschap
heeft Stichting Bouwloods Utrecht dit schip herbouwd. De archeologische veldgegevens vormen de uitgangspunten voor de reconstructie
van het schip. Het originele Romeins Rijnvrachtschip is 24,65 m. lang
en bijna 3 m. breed, de reconstructie heeft dezelfde maten gekregen.
Voor de bouw van het schip waren uitzonderlijk grote bomen nodig.
Het Utrechts Landschap heeft de houtleverantie op zich genomen.
Na de afbouw is het schip overgedragen aan Het Utrechts Landschap.
Voor het verzorgen van het vaarprogramma is een nieuwe stichting
opgericht: Stichting Romeins Schip Woerden. Deze stichting krijgt het
Romeinse schip in bruikleen om publiek op een toegankelijke wijze
te informeren over de rijke geschiedenis van Woerden en de Limes.
De stichting bestaat uit ca. 50 vrijwilligers uit Woerden en omgeving,
schippers, matrozen en gidsen.
t/m 31.10.2010 Lelystad
TYPISCH EEN POLDER!
INRICHTING EN VORMGEVING VAN LAAG-NEDERLAND
v.a. 17.6.2010 Woerden
ROMEINS SCHIP WOERDEN PER MARE AD LAURIUM
Woensdag 17 juni jl. is het vaarseizoen gestart van het Romeinse
schip ‘Per Mare Ad Laurium’ zoals het schip officieel heet.
Nederland staat vooral bekend als ‘land van polders'. Dat is ook niet
zo gek, want ons land telt zo'n 3.900 polders, wat neerkomt op ongeveer
de helft van het polderoppervlak van Europa.
Een polder is een laaggelegen gebied waarbij de waterstand kunstmatig
op peil wordt gehouden, bijvoorbeeld door middel van een gemaal. Ze zijn
vaak goed herkenbaar aan hun uiterlijk: het zijn vlakke gebieden met een
VITRUVIUS
NUMMER 7
APRIL 2009
landschap dat zich kenmerkt door open ruimtes en veel rechte lijnen.
In de tentoonstelling ‘Typisch een polder’ wordt aan de hand van maquettes en kaarten uitgelegd wat de verschillen zijn tussen een polder, een
aandijking en een droogmakerij. Te zien is dat in verschillende periodes
met verschillende technieken en organisaties polders werden gemaakt en
hoe natuur, techniek en kunst ook nog eens binnen een
polder nauw met elkaar verweven zijn.
Het maken van polders en polderlandschappen is een menselijke
activiteit en als proces een activiteit die
nooit af is.
Het ruimtelijk
ontwerp moet
steeds worden aangepast om te voldoen aan de eisen
van de (toekomstige)
tijd. Afgebeeld is
de oudste kaart
van de expositie:
het waterrijke
graafschap Holland omstreeks 1570; veel meren zouden in de zeventiende eeuw worden drooggemalen.
De tentoonstelling is georganiseerd naar aanleiding van het verschijnen
van De Polderatlas van Nederland. Pantheon der lage landen (Bussum,
Uitgeverij Toth, 2009) en is te bezoeken bij Nieuw Land Erfgoedcentrum
aan de Oostvaardersdijk 1-13 te Lelystad.
t/m 7.11.2010 Otterlo
56
het Jachthuis St. Hubertus waar Anton en Helene Kröller-Müller enkele
jaren woonden.
Met de tentoonstelling wordt de ontwikkeling geschetst van de ideeën
die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van het Nationale Park de
Hoge Veluwe. Met voorbeelden in woord en beeld wordt inzage gegeven
in de wijze waarop het park zijn uiteindelijke vorm heeft gekregen.
Met behulp van brieven, documenten en werktekeningen worden plannen
belicht die al dan niet verwezenlijkt zijn. Daarnaast geven historische
foto’s een beeld van de ontwikkelingen in het park vanaf de eerste
aankopen. In de tentoonstelling wordt ook aandacht geschonken aan
het privé karakter van het park tegenover de Gemeenschapsgedachte.
HET SCHEPPEN VAN EEN BLIJVEND MONUMENT
VAN LANDGOED TOT NATIONAAL
PARK DE HOGE VELUWE
De tentoonstelling is nog tot 7 november 2010 te bezichtigen. Het KröllerMüller Museum kunt u vinden aan de Houtkampweg 6 te Otterlo.
In 2010 viert het Nationale Park De Hoge Veluwe zijn 75-jarig jubileum,
de aanleiding voor een tentoonstelling, geheel gewijd aan de bijzondere
ontstaansgeschiedenis van het Park. Aan het begin van de twintigste eeuw
kochten Anton en Helene Kröller-Müller grote stukken land op de Veluwe.
Ze richtten dit oorspronkelijk nogal ruige gebied in naar eigen inzicht en
creëerden zo hun landgoed met een parkachtig aanzien. Ondanks het
private karakter had het echtpaar een hoger doel: het scheppen van een
‘blijvend monument, waar natuur en kunst op zeldzame wijze vereenigd
zouden zijn’. De Stichting Het Nationale Park de Hoge Veluwe verwierf
het landgoed in 1935. Vanaf dat moment is het toegankelijk voor bezoekers
en behoort het aan 'de Gemeenschap'.
t/m 26.9.2010 Leiden
STARTPUNT NL
Het park kenmerkt zich door de prachtige natuur en door de kleine en
grote 'monumenten' die op bijzondere wijze een plaats hebben gekregen.
Hoewel volgens de Kröllers de Gemeenschapsgedachte vanaf het begin
heeft gespeeld is het oorspronkelijk private karakter van het park nog
steeds goed terug te vinden, al is het maar door de aanwezigheid van
De tijdelijke tentoonstelling 'Startpunt NL' bestaat uit dertig bijzondere
voorwerpen uit de Nederlandse
archeologische collecties van
het Rijksmuseum van
Oudheden. U ziet
onder meer sieraden, wapens en
gereedschap uit
de prehistorie en
vrolijk versierde
bierkannen uit
de Middeleeuwen. De dertig
voorwerpen vertellen in
57
een notendop het
archeologische
verhaal van de
Lage Landen.
In december 2010
opent de nieuwe
vaste afdeling
'Archeologie van Nederland'.
De verbouwing en voorbereiding daarvan is momenteel in volle gang.
Daarom zijn tot die tijd veel voorwerpen uit de Nederlandse collectie
tijdelijk in de museumdepots opgeborgen. Maar niet allemaal.
'Startpunt NL' geeft een voorproefje van wat 'Archeologie van
Nederland' u straks te bieden heeft. Sommige objecten uit de tijdelijke tentoonstelling zullen ook op de nieuwe vaste afdeling te zien
zijn. Maar het merendeel gaat na afloop van 'Startpunt NL' terug
naar het depot. De tentoonstelling biedt u dus de unieke kans om
museumstukken te zien die doorgaans aan het publieke oog onttrokken zijn. Het zijn stuk voor stuk voorwerpen met een bijzondere
verhaal, of objecten die symbool staan voor een specifieke tijd.
U loopt in korte tijd door ruim 300.000 jaar Nederlandse geschiedenis.
Van de vroege prehistorie met vuistbijlen en een houten hamer, via
wapens en glaswerk uit de Romeinse tijd, naar de Middeleeuwen,
waarin prachtige sieraden en een 'superzwaard' werden gemaakt.
Elk voorwerp heeft zijn eigen verhaal. Er is een zwaard dat in de
prehistorie als offer in de Maas werd geworpen, het middeleeuwse
propje leer dat bij Delft werd gevonden bleek een kinderschoentje
te zijn, en in een 12.000 jaar oude steen is de oudste tekening van
Nederland gekrast. Het 'lint van tijd' dat door deze tijdelijke tentoonstelling loopt, is een verwijzing naar de vormgeving van de nieuwe
afdeling ‘Archeologie van Nederland'.
VITRUVIUS
NUMMER 10
JA N U A R I 2 0 1 0
steeds een ander
thema naar voren
komt. Heel bijzonder is dat de
originele pagina’s
van deze briefcorrespondentie ook in de tentoonstelling te lezen zijn.
De prachtige stripbeelden en de bijtende humor geven na 65 jaar nog
een uitstekende ingang om thema’s als de NSB, hongerwinter, nazipropaganda, Arbeitseinsatz, schaarste, D-Day en de Bevrijding voor
het voetlicht te brengen. De kracht van het beeldverhaal en daarmee
het leven en denken in het laatste bezettingsjaar is door
de strips voelbaar.
De verschillende thema’s komen via objecten, films, foto’s en geluidsfragmenten tot leven. Veel van wat Frans Brouwer 65 jaar geleden met
grote precisie heeft getekend (zoals noodkacheltjes, buizenradio’s,
landwachtuniformen, Duitse helmen en Oekraïnse) sigaretten) is te
bewonderen in de tentoonstelling. De in totaal 33 stripverhalen zou je
in moderne termen kunnen beschouwen als een blog, maar dan nog
zonder computer, zonder internet en lange tijd ook zonder lezers.
Alleen het medium is veranderd.
Aan het einde van het bezoek aan de tentoonstelling bestaat de
mogelijkheid om met een (distributie)bonnenkaart het laatste
bezettingsjaar en de opmaat naar de bevrijding te proeven.
t/m 17.12.2010 Amersfoort
GRATIS RONDLEIDINGEN
BIJ RIJKSDIENST VOOR
HET CULTUREEL ERFGOED
t/m 31.12.2010 Groesbeek
KRABBELS EN KLODDERS
DE BEZETTING IN UNIEKE STRIPS
‘Krabbels en Klodders’ is een bijzonder manuscript uit de Tweede
Wereldoorlog.Het geeft een getekend beeld van het laatste jaar van
de bezetting, van april 1944 tot en met de Bevrijding in mei 1945.
Radiotechnicus Frans Brouwer heeft het manuscript in het grootste
geheim geschreven en getekend. Uit het citaat boven dit persbericht blijkt
het belang dat Loe de Jong (oprichter van het NIOD en schrijver van het
standaardwerk De Geschiedenis van het Koninkrijk Nederland tijdens de
Tweede Wereldoorlog) destijds hechtte aan het werk van Frans Brouwer.
Het ‘1944-1945 in Groesbeek’ laat voor het eerst in de geschiedenis
aan een groot publiek dit meesterwerk zien dat nog te bezichtigen
is tot 31 december.
In zeven intieme ruimtes in het museum wordt telkens een beeldverslag
(‘brief’) uit het manuscript meer dan levensgroot afgedrukt, waarin
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed organiseert ook dit jaar
weer gratis rondleidingen door haar nieuwe pand aan het Smallepad.
Deze rondleidingen vinden iedere derde vrijdag van de maand plaats.
In 2009 hebben maar liefst 4000 bezoekers een rondleiding gekregen
door het gebouw dat is ontworpen door de Spaanse architect.
VITRUVIUS
NUMMER 10
JA N U A R I 2 0 1 0
58
De rondleidingen beginnen om 14 uur en duren max. 75 minuten.
Gestart wordt met een korte introductie van het werk bij de Rijksdienst
en vervolgens een bezichtiging van het gebouw. Vooraf aanmelden
is niet nodig. Het gebouw is toegankelijk voor minder validen.
Vaste rondleidingen zijn er nog op: 16-7, 20-8,17-9, 15-10, 19-11,17-12.
Op www.cultureelerfgoed.nl staan alle data in de agenda. Rijksdienst
voor het Cultureel Erfgoed,Smallepad 5, Amersfoort.
14 & 15.08.2010 Amsterdam
GROOTSTE RIDDERTOERNOOI VAN
NEDERLAND IN AMSTERDAMSE BOS
Op 14 en 15 augustus 2010 zal de 2de editie van dit grootste riddertoernooi van Nederland plaatsvinden in het Amsterdamse Bos.
Meer dan 350 ridders, Kelten, Schotten, heksen en tovenaars,
goochelaars en narren, handelaren en sprookjesvertellers, kwakzalvers, graven, prinsessen en schildknapen, ze zijn er allemaal!
19.08.2010 Amsterdam
SAIL AMSTERDAM – VAREND ERFGOED
HOLLANDS GLORIE
Naast de immense Tall Ships zullen er ook weer honderden klassieke
zeil- en motorschepen deelnemen aan SAIL Amsterdam 2010.
De traditionele Nederlandse vloot – het Varend Erfgoed genaamd –
bestaat uit klassieke schepen (zowel zeil als motor) die veelal tot
medio 20e eeuw onze binnen- en kustwateren bevoeren. Deze boten
werden door de opkomst van de moderne motorschepen destijds
veelal verbouwd of dreigden als wrak aan een verlaten oever te
eindigen. Een enthousiaste groep mensen herontdekte deze schepen
echter, waardoor zij vandaag de dag met liefde, energie en vakmanschap in de vaart worden gehouden.
Hiertoe hebben veel scheepstypes een eigen behoudsorganisatie
opgericht, die zich onder andere inzet voor behoud en onderhoud
van deze schepen. Ook helpen zij booteigenaren bij onderzoek naar
de historie van hun schip.
Een groot deel van het Varend Erfgoed zal de week voorafgaand aan
SAIL Amsterdam 2010 via drie verschillende routes vanuit het noorden,
westen en zuiden gezamenlijk opstomen naar de aanbrenghavens.
Vanaf daar zullen ze deelnemen aan de SAIL IN Parade op donderdag
19 augustus 2010.
5.9 t/m 4.9.2010 Den Haag
JAARLIJKSE BIJEENKOMST EUROPEAN
ASSOCIATION OF ARCHAEOLOGISTS
KOMT NAAR NEDERLAND
In Den Haag de 16th Annual Meeting van de EAA (European
Association of Archaeologists)
plaats. Het is de eerste keer
dat dit congres in Nederland
plaatsvindt, in het Koninklijk
Conservatorium in Den Haag.
Samen met de gemeente Den
Haag en de Rijksdienst Cultureel
Erfgoed treedt de Faculteit
Archeologie van de Universiteit Leiden
op als gastheer van het grootste Europese congres voor archeologen.
Het congres wordt voor de 16e keer georganiseerd en brengt inmiddels jaarlijks zo'n 800 archeologen uit alle windstreken bij elkaar.
Verdeeld over tientallen sessies worden rond de 200 lezingen
aangeboden. Het accent ligt dit jaar op de thema’s archeologisch
erfgoedbeheer, de interpretatie van het bodemarchief, en de
59
VITRUVIUS
NUMMER 10
JA N U A R I 2 0 1 0
ontwikkelingen in de hedendaagse archeologie. Gedurende het congres presenteren posters actueel onderzoek en
etaleren grote uitgevers karrenvrachten oude en nieuwe boeken.
In de avonduren zal op de Scheveningse Pier een spetterend feest
plaatsvinden (Archeorock) en vormt het Rijksmuseum van Oudheden
het decor voor een smaakvol diner. Tot slot kan voor en na het congres
ook ‘live’ kennis worden genomen van de archeologie van Hollandse
bodem. Tal van deskundigen leiden de internationale collega’s in
een- en meerdaagse trips langs onze nationale hoogtepunten.
1.9 30.9.2010 Amsterdam
STELLINGMAAND SEPTEMBER
Gedurende de jaarlijkse Stellingmaand is de gehele Stelling van
Amsterdam geopend met een historische belevingstentoonstelling.
Dit jaar is voor het thema 'Water' gekozen. De officiële opening
van de Stellingmaand zal plaatsvinden op het Kunstfort bij Vijfhuizen.
opmaken voor de volgende versie van de Apeldoornse Erfgoedweek
in 2010 met als thema ‘De Smaak van de 19e eeuw’.
CURSUS GEMEENTELIJK ERFGOEDBELEID
Erfgoed in de praktijk organiseert een cursus over gemeentelijk
erfgoedbeleid voor ambtenaren cultuurhistorie. In deze cursus
worden praktische handvatten aangereikt om het gemeentelijke
erfgoedbeleid te (her)ontwikkelen. Welke instrumenten zijn voorhanden voor het uitvoeren van een goed gemeentelijk erfgoed?
En hoe wordt de continuïteit van het eenmaal ingezette beleid
gewaarborgd? Meer informatie via www.erfgoedindepraktijk.nl
De opening is op zondag 5 september 2010 om 14 uur.
De tentoonstelling is de gehele maand september te bezichtigen.
9.9.2010 Apeldoorn
LANDELIJKE OPENING VAN
DE OPEN MONUMENTENDAG
Bij de landelijke opening in Amersfoort in september 2009 heeft
de landelijke Stichting Open Monumentendag bekend gemaakt dat
Apeldoorn de eer heeft in 2010 om de landelijke opening van de
Open Monumentendag te mogen organiseren en wel op donderdag
9 september 2010. Het Apeldoornse comité bestaande uit de partners
Stichting Apeldoornse Monumenten, CODA en gemeente Apeldoorn
samenwerkend met Bureau UitdeTijd voor de jeugdactiviteiten
en een externe projectleider, in 2009 Cultuurproject, is natuurlijk
zeer vereerd met de uitverkiezing en zal er alles aan doen om een
mooi programma neer te zetten in het weekend van zaterdag 11 en
zondag 12 september. Inmiddels is het comité zich ook aan het
16.9.2010
ERFGOEDDAG 2010
Donderdag 16 september 2010 zal de derde Erfgoeddag plaatsvinden.
Met, zoals gebruikelijk, een afwisselend programma met
interessante sprekers, op een erfgoedlocatie van formaat.
Meer details vindt u binnenkort op www.erfgoedhuis-zh.nl.
Stad van Cahen opent poorten
voor nieuwe bewoners
_____________
__________________________________
Stadsherstel koopt,
restaureert en
beheert monumenten
en beeldbepalende
panden.
Zij verhuurt haar bezit
als woonhuis, winkels,
atelier, horecagelegenheid of met een
bijzondere functie.
Op deze manier
blijft dit cultureel
erfgoed deel
uitmaken van
ons leven.
_____________
__________________________________
Met de verhuizing van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
een eigenzinnige exponent van het structuralisme, is onlangs
is het markante bouwwerk aan de Muurhuizen/Kerkstraat vrij
vernoemd naar zijn architect. Voor dit multifunctionele gebouw
gekomen. Stadsherstel Amersfoort heeft het complex overgeno-
is Stadsherstel Amersfoort, die zelf onlangs zijn intrek in de Stad
men en er een nieuwe bestemming aan gegeven.
van Cahen heeft genomen, op zoek naar huurders die bij voor-
Het complex omvat naast het hoofdgebouw dat is ontworpen door
keur zijn gelieerd aan de monumentenwereld.
de architect ir. Abel Cahen, een tweetal voormalige seminarie-
Interessant nieuws voor hen die zie zich willen vestigen op een van
gebouwen een kapel en een binnentuin. De seminariegebouwen
de meest inspirerende en onderscheidende locaties die Amers-
krijgen een woonbestemming. Het spraakmakende hoofdgebouw,
foort rijk is! Kijk voor meer informatie op www.stadvancahen.nl
Postbus 842, 3800 AV Amersfoort
Tel. 033-460 5020
Fax 033-460 5039
Bezoekadres: Muurhuizen 104
[email protected]
www.shmn.nl
Cultureel erfgoed voor de toekomst

Similar documents