bestuurders- aansprakelijkheids- verzekering en derdenbeslag

Transcription

bestuurders- aansprakelijkheids- verzekering en derdenbeslag
NEDERLANDS JURISTENBLAD
BESTUURDERSAANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING EN
DERDENBESLAG
• ‘Promoveren en degraderen’ van
gedetineerden
• De levenslange vrijheidsstraf
• De begrijpelijke strafrechtszitting
P. 2169-2224 JAARGANG 89 12 SEPTEMBER 2014
10304683
31
Where
privacy
meets
compliancy
De dagelijkse praktijk van privacy vraagstukken is veelomvattend. Hoe gaat uw organisatie om met
persoonsgegevens? Van uw medewerkers, van uw klanten. Dat u hier zeer veel waarde aan hecht is
vanzelfsprekend. Maar hoe waarborgt u dit? En hoe gaat u in 2014 de wijzigende wet- en regelgeving
implementeren in uw organisatie? Benieuwd naar hoe Brunel uw organisatie kan helpen?
Let’s meet op brunel.nl
Inhoud
Vooraf 1627
2171
Prof. mr. J.E.J. Prins
Een optelsom van ons recht
Wetenschap 1628
PAUS zijn, impliceert voor
2172
Mr. M.L.S. Kalff
Mr. A. Hendrikse
Derdenbeslag op een
bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering
Wenselijk of niet?
Focus 1629
2179
Prof. dr. M.M. Boone
Mr. dr. W.F. van Hattum
‘Promoveren en degraderen’
van gedetineerden
Het wetsvoorstel elektronische
detentie en de dreigende afschaffing van de detentiefasering
Opinie 1630
2185
Mr. R. Wybenga
Teeven: een politieke Houdini?
Avonturen rond de levenslange
vrijheidsstraf
Opinie 1631
2187
Prof. dr. H. Elffers
De begrijpelijke
strafrechtszitting
Rubrieken
1632-1646 Rechtspraak
1647 Boeken
1648-1658 Tijdschriften
1659-1664 Wetgeving
1665-1671 Nieuws
1672 Universitair nieuws
1673 Personalia
1674 Agenda
ROOMSER dan de
2189
2202
2203
2211
2216
2220
2222
2222
Europa onherroepelijk
KANSEN laten LIGGEN
in de BEAUTY CONTEST
van meest aantrekkelijk
VESTIGINGSKLIMAAT
Pagina 2171
De AARD van de door de
BCA-VERZEKERING aan de
verzekerden geboden dekking
verzet zich ook los van het
WILSRECHT-element tegen
BESLAGLEGGING
Laten we EERST eens proberen
de dertien-in-een-dozijn
rechtszaken BEGRIJPELIJK
voor VERDACHTE,
BENADEELDEN en
PUBLIEK te maken
Pagina 2177
Pagina 2188
Het UITGEKLEDE voorstel
dat nu ter beoordeling bij de
Eerste Kamer ligt, is het niet
WAARD de PAREL van het
gevangeniswezen, de
DETENTIEFASERING, te
VERVANGEN Pagina 2184
Pagina 2216
Is het denkbaar dat TEEVEN
een VOORDRACHT zal doen
aan de KONING – want
GRATIEVERLENING blijft
immers een prerogatief van de
Kroon – om een LEVENSLANGGESTRAFTE gratie te
Pagina 2186
verlenen?
Omslag: © Andy Baker/Ikon images/Alamy
De POLITIE moet er
binnenkort dan toch echt voor
zorgen dat een aangehouden
VERDACHTE een beroep kan
doen op bijstand van een
RAADSMAN TIJDENS het
POLITIEVERHOOR
De opsomming van welke
PERSOONSGEGEVENS
kunnen worden GEKOPPELD
is zo RUIM dat er nauwelijks
een gegeven te bedenken is dat
er NIET onder valt en lijkt
daarom niet BEDOELD om in
te perken, maar om zoveel
mogelijk ARMSLAG
Pagina 2217
te hebben
NEDERLANDS JURISTENBLAD
Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven
Auteursaanwijzingen Zie www.njb.nl. Het al dan niet op
vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de vol-
Erevoorzitter J.M. Polak
verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert
ledige periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie
Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion,
toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging
maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnements-
Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins (vz.), Taru Spronken,
t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.
jaar worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het
Peter J. Wattel
Citeerwijze NJB 2014/[publicatienr.], [afl.], [pag.]
abonnement automatisch met een jaar verlengd.
Medewerkers Barend Barentsen, sociaal recht (socialeze-
Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84,
Gebruik persoonsgegevens Kluwer BV legt de gegevens
kerheidsrecht), Stefaan Van den Bogaert, Europees recht,
Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag,
van abonnees vast voor de uitvoering van de (abonne-
Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen-
tel. (0172) 466399, e-mail [email protected]
ments-)overeenkomst. De gegevens kunnen door Kluwer,
beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en
Internet www.njb.nl en www.kluwer.nl
of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te
rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht,
Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman
informeren over relevante producten en diensten. Indien u
Remy Chavannes, technologie en recht, Eric Daalder,
Adjunct-secretaris Berber Goris
hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen.
bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en
Secretariaat Nel Andrea-Lemmers
Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél
jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens,
Vormgeving Colorscan bv, Voorhout, www.colorscan.nl.
Capital Media Services
Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechtspleging,
Uitgever Simon van der Linde
Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen
Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechts-
Uitgeverij Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer.
Tel. 024 - 360 77 10, [email protected]
sociologie, P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht,
Op alle uitgaven van Kluwer zijn de algemene leverings-
ISSN 0165-0483 NJB verschijnt iedere vrijdag, in juli en
C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Piet Hein van Kempen,
voorwaarden van toepassing, zie www.kluwer.nl.
augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van
straf(proces)recht, Harm-Jan de Kluiver, ondernemings-
Abonnementenadministratie, productinformatie Kluwer
deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de
recht, Willemien den Ouden, bestuursrecht, Stefan Sagel,
Afdeling Klantcontacten, www.kluwer.nl/klantenservice,
auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijk-
arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der
tel. (0570) 673 555.
heid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch
intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht,
Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: € 310 (incl. btw.).
voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën
Thomas Spijkerboer, migratierecht, T.F.E. Tjong Tjin Tai,
NJB Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 340 (excl.
uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m
verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht,
btw), extra gebruiker € 100 (excl. btw). Combinatieabon-
16m Auteurswet j°. Besluit van 29 december 2008, Stb.
Dirk J.G. Visser, auteursrecht en intellectuele eigendom,
nement: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 340 (excl.
2008, 583, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde
Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling,
btw). Prijs ieder volgende gebruiker € 100 (excl. btw). Bij
vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te
mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht,
dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt u
Hoofddorp (Postbus 3051, 2130 KB).
toegang tot NJB Online. Zie voor details: www.njb.nl (bij
abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers
€ 7,50. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment
worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar
PROEF HET
VERSCHIL!
De zesde editie van Tekst & Commentaar
Burgerlijke Rechtsvordering is nu
verkrijgbaar! Probeer deze of een
andere uitgave* ook eens online.
Bent u tevreden en gaat u tot aankoop over?
Dan ontvangt u een exclusieve
porseleinen TEKST & COMMENTAAR
COLOR COFFEE cadeau.
Ga naar kluwer.nl/tekstencommentaar.
*één van de 30 Tekst & Commentaar-uitgaven
Kunt u zonder?
Vooraf
1627
Een optelsom van ons recht
31
Voor 1200 werknemers van Philip Morris in Bergen op Zoom, was 28 augustus daar de laatste
werkdag. Inmiddels onderhandelt de gemeente
over nieuwe vestigingen op het bedrijfsterrein. Grote kans
dat deze nieuwe bedrijvigheid een ander karakter kent dan
die van sigarettenproductie. Met technologische ontwikkelingen, veranderende consumentvoorkeuren en internationalisering wordt het namelijk noodzakelijk, maar ook eenvoudiger om productieketens in verschillende taken op te
knippen. Deze taken worden dan niet langer op één locatie,
maar mondiaal verspreid uitgevoerd. Waar dat precies is,
hangt af van overwegingen als relatieve loonkosten, lokale
kwaliteitsstandaarden, fiscale ruimte, nabijheid van afzetmarkten en mogelijkheden om bedrijfsprocessen via ICT
op afstand te sturen. Het bekendste voorbeeld van deze
met de term global value chain aangeduide ontwikkeling,
is de productie van de Boeing 787 Dreamliner. Ongeveer
70% van dit vliegtuig wordt gefabriceerd door meer dan 40
bedrijven op ruim 130 productielocaties.
Voor Nederland biedt de ontwikkeling kansen op
werkgelegenheid en economisch herstel. Maar anders dan
voorheen betekent het dat de aandacht niet primair
gericht moet zijn op het hierheen halen, of voor ons land
behouden van een allesomvattend productieproces van
één bedrijf. Kansen liggen er nu in het meepikken van
een graantje uit de global value chain van ettelijke bedrijven. Het is in dit verband dat de term reshoring opduikt.
Waar in het verleden veelal sprake was van offshoring
(verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar elders), gaat het
bij reshoring om terughalen van werk uit het buitenland
dan wel niet meer uitbesteden of in Nederland opstarten
van activiteiten. Volgens het kabinet wordt reshoring in
ons land nog onvoldoende benut. Minister Asscher presenteerde daarom in het kader van de nieuwe begrotingsplannen een kabinetsvisie (brief van 19 augustus 2014)
met diverse maatregelen.
Een daarvan is het inzetten van de Participatiewet.
Deze maakt het namelijk mogelijk om bedrijven een loonkostensubsidie te geven. De wet is, zoals bekend, bedoeld
om de kansen op (regulier) werk voor mensen met een
arbeidsbeperking te vergroten. Bedrijven kunnen subsidie
ontvangen om het verschil tussen de loonwaarde van
werknemers met een arbeidsbeperking en het wettelijk
minimumloon te compenseren. Met de Participatiewet en
daarmee de loonsubsidie in de hand, kan het voor bedrijven aantrekkelijk zijn (weer) bepaalde werkzaamheden in
Nederland te laten verrichten. Tegelijkertijd worden de
kansen van mensen met een arbeidsbeperking vergroot.
Maar het inzetten van de Participatiewet voor het terughalen naar of behouden van werk voor ons land legt wel
de - niet in de kabinetsvisie geadresseerde - vraag op tafel
waar de grenzen liggen. Stel, ons land zou de loonkosten
drukken door massaal en structureel voor niets of met
(loonkosten)subsidie uitkeringsgerechtigden in te zetten
bij het reshoren van activiteiten? Het voordeel is niet
alleen dat hiermee onze concurrentiepositie wat betreft
lage-lonen-lasten flink toeneemt. Het mes snijdt aan nog
een tweede kant, omdat ook de uitkeringslasten omlaag
Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf
gaan. Het nadeel, of liever gezegd, het risico, is echter dat
we op enig moment de grens met oneerlijke steun of protectionisme passeren omdat regels inzake staatssteun,
mededinging en (on)eerlijke concurrentie worden overtreden. Aanleiding, kortom, voor een discussie over de rol
van de veelal op klassieke bedrijvigheid geënte en tot het
Westen beperkte, concurrentieregels bij bedrijvigheid die
zich niet typeert door een in één land geclusterd productieproces, maar mondiaal verspreide takendistributie.
Meer dan in het verleden zullen bedrijven, maar ook landen, op een mondiaal niveau hebben te concurreren met
niet alleen hun arbeid en kennis, maar ook vestigingsklimaat. In China maakt men zich dan echt niet druk over
staatssteun. En daarmee hebben staatskapitalistische
bedrijven op voorhand een voorsprong. Roomser dan de
paus zijn, impliceert voor Europa onherroepelijk kansen
laten liggen in de beauty contest van meest aantrekkelijk
vestigingsklimaat. Begin september meldde de Economist
dat de VS en Mexico in deze contest de stijgers en Brazilië
en enkele Oost-Europese EU-landen de dalers zijn.
Natuurlijk: voor de top van mondiaal opererende
bedrijven zal het niet doorslaggevend zijn dat ons land
looncompensatie aanbiedt via de Participatiewet. Een scala aan overwegingen - fiscale tarieven, ontslag, pensioen,
IP-bescherming, etc. - speelt evenzeer mee. En ieder bedrijf
maakt daarin zijn eigen afwegingen. Maar dat op de
aantrekkelijkheid van het vestigingsklimaat via wet- en
regelgeving valt te sturen en daarmee bedrijven zijn te
verleiden tot reshoring van bepaalde taken, is duidelijk.
Illustratief is het eerder dit jaar verschenen Britse onderzoek naar reshoring (Backing Brittan – www.eef.org.uk),
waar niet alleen met loonkosten, maar ook rechtszekerheid wordt geëtaleerd.
Maar hoe valt - vanuit het perspectief van een ondernemer - de optelsom te maken van alle mogelijke voor- en
nadelen die geldend recht in een bepaald land met zich
meebrengt? Voor mondiaal opererende bedrijven is het
verre van eenvoudig de bredere afweging te maken aan
welk land de bedrijfsactiviteiten te gunnen. In de VS
wordt daarom gewerkt aan een instrument dat inzicht
biedt in de opeenstapeling van juridische regimes die het
vestigingsklimaat in positieve dan wel negatieve zin beïnvloeden. Naar voorbeeld van dit Reshoring Initiative
(http://www.reshorenow.org/) wordt in ons land onder leiding van de Tilburgse hoogleraar Wilthagen een zgn. total
cost of ownership-model ontwikkeld. Ambitie is om aan de
hand van informatie die met behulp van dit model bijeen
wordt gebracht, bedrijven in staat te stellen een goede
inschatting te maken van wat de (juridische) kosten zijn
van een vestigingsplaats. Het is een voor de BV-Nederland
noodzakelijk, maar tegelijkertijd uitdagend initiatief. En
het zet aan tot verder denken. Want zou het model uitsluitend dienst kunnen doen voor een afweging bij economische waarden - zoals bij vestigingsklimaat, of zou het ook
toepassing kunnen vinden bij zachtere waarden als mensenrechten- of procesklimaat?
Corien Prins
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2171
Wetenschap
1628
Derdenbeslag op een
BCA-Verzekering
Wenselijk of niet?
Annemieke Hendrikse en Maurits Kalff1
Beslag op de aanspraken op een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekeraar zou niet mogelijk moeten zijn.
De aanspraken onder een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering (BCA-Verzekering) bestaan voor een
belangrijk deel uit wilsrechten (het aanmelden van een claim bij de verzekeraar en het aanwenden van de
middelen) die niet overdraagbaar zijn en die niet door een beslaglegger in de plaats van de verzekerden
kunnen worden uitgeoefend. De aanspraken onder een BCA-Verzekering zijn ook naar hun aard niet
vatbaar voor beslag, nu een dergelijk beslag een van de kernelementen van de BCA-Verzekering – het
kunnen voeren van adequaat verweer – aantast. Bovendien geldt dat het hier geen onderdeel van het ‘gewone’
verhaalsvermogen van de bestuurder betreft maar een meestal door de rechtspersoon afgesloten polis die
juist is aangeschaft met dit specifieke doel: beschermen van de belangen van de verzekerden tegen de
financiële risico’s verbonden aan een bestuurdersaansprakelijkheidsclaim.
Inleiding
Uitgangspunt van ons verhaalsrecht is artikel 3:276 Burgerlijk Wetboek: verhaal is mogelijk op alle goederen van
de debiteur. Dat betekent dat als een crediteur een vordering heeft op een (voormalig) bestuurder van een rechtspersoon, die crediteur zich in beginsel mag verhalen op
alle goederen van de bestuurder.2 De ruime mogelijkheid
om conservatoir beslag te leggen brengt met zich dat conservatoir beslag op de goederen van een (voormalig)
bestuurder mogelijk is, zonder dat vaststaat of de gepretendeerde vordering van de beslaglegger in rechte gehonoreerd zal worden.
De laatste jaren willen vooral curatoren die bestuurders aanspreken nog wel eens beslag leggen op de aanspraken van deze bestuurder op de verzekeraar bij wie hij een
bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering (hierna: ‘BCAVerzekering’ en ‘BCA-Verzekeraar’) heeft afgesloten.3 Het
betreft dan een derdenbeslag onder de BCA-Verzekeraar op
grond van artikel 475 Rv. Zeker in de conservatoire fase kan
dit problemen geven: een dergelijk beslag omvat dan ook
de aanspraak op vergoeding van de gemaakte en te maken
kosten van verweer. De bestuurder is niet meer in staat de
kosten van verweer te (laten) voldoen uit de BCA-Verzekering en de verzekeraar is er niet meer van verzekerd dat de
bestuurder op een adequate wijze wordt bijgestaan, waarmee de kans op een uiteindelijke veroordeling toeneemt.
2172
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Deze problematiek is een aantal malen in de lagere
rechtspraak aan de orde geweest. Meestal bij een verzoek
tot opheffing van het beslag (in kort geding of ex artikel
223 Rv) of na een grijsmakingsverzoek bij het horen voordat op een verzoek om verlof tot het leggen van beslag
wordt beslist. Uit de beschikbare uitspraken volgt dat
lagere rechters verschillend omgaan met een conservatoir
derdenbeslag op een BCA-Verzekering.
Wat ons betreft zou een dergelijk beslag niet mogelijk moeten zijn. Dit standpunt lichten wij hierna toe.
De BCA-Verzekering
De BCA-Verzekering beschermt verzekerden tegen de financiële risico’s verbonden aan een aansprakelijkstelling die
het handelen of nalaten in de verzekerde hoedanigheid,
ofwel als bestuurder, betreft. Grofweg onderscheidt de BCAVerzekering daarbij twee soorten financiële risico’s: de kosten van verweer tegen de aansprakelijkstelling en een vergoeding van schade of een schikking. Daarin onderscheidt
de BCA-Verzekering zich bijvoorbeeld van de rechtsbijstandverzekering, die uitsluitend ziet op de kosten van rechtsbijstand. Doordat de BCA-Verzekering het voeren van verweer
mogelijk maakt, biedt zij ook bescherming tegen reputatieschade. Een toereikend verweer voorkomt immers zoveel
mogelijk dat een aansprakelijkstelling ten onrechte of op
onjuiste gronden leidt tot een veroordeling.
Indien dekking bestaat onder de BCA-Verzekering
lopen de belangen van de verzekerde en de verzekeraar in
de regel parallel: beiden hebben belang bij het zoveel
mogelijk voorkomen van (het risico op) een veroordeling
tot vergoeding van schade. Dit door het voeren van verweer en/of het treffen van een schikking.
Gelijk andere aansprakelijkheidsverzekeringen is het
bedrag van de dekking die de BCA-Verzekering biedt gelimiteerd tot de verzekerde som. De verzekerde som betreft
alle uitkeringen onder de dekking, dus zowel de kosten
van verweer als, kort gezegd, betalingen ter zake van vergoeding van schade of schikkingen.
De BCA-Verzekering maakt binnen die verzekerde
som geen onderscheid tussen kosten van verweer en vergoeding van schade of schikkingen. Er bestaan geen twee
afzonderlijke potjes binnen de verzekerde som, maar er is
sprake van communicerende vaten. Gelet op het gedeelde
belang van de BCA-Verzekeraar en verzekerden om schadeclaims zoveel mogelijk af te weren, beperkt de BCA-Verzekering het budget voor kosten van verweer niet op
voorhand.
Het is in de regel ook niet eenvoudig te voorspellen
hoe hoog de kosten van verweer rondom een procedure
zullen zijn. Dat geldt te meer voor de kwesties die onder de
BCA-Verzekering zijn gedekt. Waar alle omstandigheden
van het geval relevant zijn voor het juridisch beoordelingskader, kunnen zowel de onderbouwing van de vordering
als het te voeren verweer nopen tot uitvoerig feitenonderzoek.4 Dit geldt in het bijzonder in zaken die voortvloeien
uit het faillissement van een rechtspersoon, waarbij vaak
de ‘biografie’ van de failliete entiteit en haar onderneming
geschetst en onderbouwd moet worden. Daarbij kan het
zwaartepunt meer dan in andere zaken bij de verweerder
gelegd worden. Dit bijvoorbeeld door de toepasselijkheid
van wettelijke bewijsvermoedens van artikelen 2:138/2:248
lid 2 BW.5 Dat noodzaakt in de praktijk niet alleen vaak tot
een onderzoek van de administratie, maar bijvoorbeeld
ook tot het voorlichten van de rechter over relevante ontwikkelingen in de relevante markt of betreffende sector al
dan niet met behulp van experts. Tel daarbij op dat de
gevorderde bedragen vaak hoog zijn en niet zelden de verzekerde som overschrijden. Dan is duidelijk dat het enerzijds niet alleen niet goed mogelijk is op voorhand een
adequaat budget voor kosten van verweer op te stellen,
maar anderzijds ook dat niet gewaarborgd kan worden dat
een toereikend deel van de verzekerde som resteert voor
onverhoopte schade- of schikkingsuitkeringen.6
Het zoveel mogelijk waarborgen dat de verzekerde
som toereikend is voor onzekere en onverhoopte toekomstige schade-uitkeringen is dan ook niet het primaire doel
van de BCA-Verzekering. Dat is het voorkomen van toewijzing van een vordering tot schadevergoeding. Daartoe
dient verweer te worden gevoerd. Voor de verzekerden
bestaat daarbij een sterke incentive om op efficiënte wijze
met de verzekerde som om te gaan: de verzekerde die de
gehele verzekerde som wenst aan te wenden voor het voeren van verweer weet dat hij - althans wat de BCA-Verzekering betreft - met lege handen staat indien zijn verweer
niet het gewenste resultaat heeft. De verzekeraar is met
dat belang van zijn verzekerden bekend en zal daarmee in
zijn overleg met verzekerden over de wijze van aanwending van de verzekerde som rekening (moeten) houden.7
Als gevolg van een beslag zal
het van de financiële positie
van de verzekerde afhangen
of er nog adequaat verweer
gevoerd kan worden
Auteurs
het faillissement. De bewijsvermoedens uit
(AV&S 2010/7, p. 41 e.v.) voor de praktijk
7. De BCA-Verzekering bevat diverse aan-
1. Mr. M.L.S. Kalff en mr. A. Hendrikse zijn
lid 2 van deze artikelen spelen in de praktijk
geen oplossing zal zijn. Koburg stelt voor
knopingspunten voor de wijze waarop de
beiden advocaat bij Van Doorne NV
een belangrijke rol: ‘Indien het bestuur niet
om ‘waterschotten’ te plaatsen tussen kos-
verzekerde en de verzekeraar zich tot elkaar
Amsterdam.
heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit
ten van verweer en schadevergoeding,
verhouden in het overleg over de aanwen-
artikelen 10 of 394, heeft het zijn taak
hetgeen een van te voren vast te stellen
ding van kosten van verweer. Zo zal de
Noten
onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat
budget vereist van de verwachte kosten van
verzekeraar goedkeuring moeten verlenen
2. In deze bijdrage spreken wij vooral over
onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke
verweer. Dat is nu juist niet goed mogelijk
ten aanzien van de advocaat en experts die
bestuurders. De behandelde problematiek
oorzaak is van het faillissement.’ Zie in dit
als men de claim nog niet kent. Ook M.
de verzekerde zou willen inschakelen, zal de
speelt ook bij commissarissen en toezicht-
verband ook HR 10 juni 1994, NJ
Jongkind stelt in haar bijdrage ‘De (on)
verzekerde geen schikking mogen treffen
houders.
1994/766 (Romme vs. Bakker), waarin de
houdbaarheid van een conservatoir ver-
zonder akkoord van de verzekeraar, en zal
3. De BCA afkorting staat voor: Bestuurders
Hoge Raad heeft beslist dat het zozeer voor
haalsbeslag voor een vordering waarvoor
de verzekerde geen handelingen of toezeg-
en Commissarissen Aansprakelijkheidsverze-
de hand kan liggen dat de aangesproken
de aansprakelijkheidsverzekering van de
gingen mogen doen die de positie van de
kering.
bestuurder/enig aandeelhouder wordt
schuldenaar dekking biedt’ (NTHR 2010/6,
verzekeraar nadelig beïnvloeden. Daarnaast
4. HR 10 januari 1997, NJ 1997/360 (Stale-
belast met het bewijs dat hij niet wist dat de
p. 264 e.v.) dat als de verwachte kosten van
is verzekerde gehouden zijn medewerking
man vs. Van de Ven).
vennootschap haar verplichtingen jegens de
verweer en de verwachte schadevergoeding
te verlenen aan de verzekeraar, in het bij-
5. Art. 2:138 BW ziet op de bestuurder van
eiser niet zou kunnen nakomen en geen
tezamen minder dan de verzekerde som
zonder om de relevante (feitelijke) informa-
een naamloze vennootschap en art. 2:248
verhaal zou bieden, dat de rechter die niet-
bedragen, een gelegd beslag opgeheven
tie boven water te krijgen. Zie ook A.L.
BW op de bestuurder van een besloten ven-
temin de bewijslast bij eiser laat behoort te
zou moeten worden. Die stelling gaat er
Krenning & N. Vloemans, ‘Rechtsbijstand
nootschap. De artikelen zijn vrijwel gelijklui-
preciseren welke bijzondere omstandighe-
aan voorbij dat het in de praktijk buitenge-
door de aansprakelijkheidsverzekeraar en
dend en voorzien in een hoofdelijke aan-
den dit rechtvaardigen.
woon moeilijk blijkt verwachte kosten van
het eigen belang van de verzekerde’, in:
sprakelijkheid voor het tekort van de boedel
6. Dit betekent ook dat een van de voor-
verweer vooraf te budgetteren, nog los van
NTHR 2007/6, p. 236 e.v.
in faillissement bij kennelijk onbehoorlijk
stellen die A.P. Koburg doet in de bijdrage
het feit dat in de praktijk de gepretendeerde
bestuur dat een belangrijke oorzaak is van
‘Verweerkosten vs. Schadevergoeding’
claim vaak hoger is dan de verzekerde som.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2173
Wetenschap
Ten slotte merken wij op dat het afsluiten van een
BCA-Verzekering niet verplicht is in Nederland. Het is een
keuze van de kandidaat-verzekerde om deze dekking al
dan niet af te (laten) sluiten en op die wijze zijn vermogen te beschermen tegen de consequenties van een aansprakelijkstelling.8 Daarbij is irrelevant of de verzekerde
zelf al dan niet over een (toereikend) vermogen beschikt
om dergelijke risico’s op te vangen.
Belangen BCA-Verzekeraar en beslaglegger
Voor de BCA-Verzekeraar als derde beslagene geldt als uitgangspunt dat zijn positie niet mag verslechteren als
gevolg van het derdenbeslag (het zogenaamde non peiusbeginsel).9
Een beslag op de vordering uit hoofde van de BCAVerzekering schaadt echter direct de belangen van de
verzekeraar. Zonder beslag is de verzekeraar in staat een
adequaat verweer te (laten) voeren, gefinancierd uit de
polis. Dat verkleint de kans op een vastgestelde aansprakelijkheid van de bestuurder en dus op een schadevergoedingsplicht van de verzekeraar. Als gevolg van een
beslag zal het van de financiële positie van de verzekerde
2174
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
afhangen of er nog adequaat verweer gevoerd kan worden. Tenzij uiteraard op alle beschikbare vermogensbestanddelen beslag is gelegd zodat verweer in het geheel
niet mogelijk is.
De verzekerde zal op grond van de polisvoorwaarden
overigens in de regel gehouden zijn verweer te voeren.
Doet hij dat niet, dan komen zijn aanspraken in gevaar.
Aldus kan een beslag ertoe leiden dat een op zichzelf geldige aanspraak alsnog vervalt. Daarmee lijkt ook de
beslaglegger niet gediend.
Dan het belang van de beslaglegger. Zijn zorg lijkt
vooral te zijn dat er niets of te weinig van de verzekerde
som overblijft, waarop hij na toewijzing van zijn vordering
verhaal kan nemen. De praktijk leert dat dat risico niet
denkbeeldig is. De wens tot bescherming van verhaalsmogelijkheden is dan ook begrijpelijk.
Niet mag echter uit het oog verloren worden dat binnen de BCA-Verzekering geen bedrag ge-earmarked is voor
betaling van een eventuele schadevergoeding. De BCA-Verzekeraar en verzekerden zijn volledig vrij in de wijze van
aanwending van de verzekerde som. Doel zal daarbij zijn
een veroordeling tot schadevergoeding zoveel mogelijk te
voorkomen. Dat is in belang van zowel verzekerde (bescherming vermogen) als verzekeraar (bescherming verzekerde
som). Dat impliceert ook dat de gehele verzekerde som aangewend kan worden voor kosten van verweer.
Uitspraken Text Lite - Jomed - Ceteco - Servatius
In 2003 beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank
Amsterdam in de Text Lite zaak dat een verzoek om opheffing van het beslag op de aanspraken op de BCA-Verzekeraar moet worden afgewezen.10 Daarbij overweegt de voorzieningenrechter onder meer dat opheffing van het beslag
de verhaalsmogelijkheden van de beslaglegger mogelijk
aantast en dat niet gesteld is dat het beslag het voeren
van verweer belet of een noodtoestand doet ontstaan.
De Rechtbank Amsterdam beslist in 2006 in de Jomed
casus dat beslag op de aanspraken op de BCA-Verzekeraar
moet worden opgeheven voor zover het de vergoeding
van kosten van verweer betreft, omdat dit beslag in strijd
is met het zogenaamde non peius beginsel.11 De rechtbank
overweegt hierbij onder meer dat de verzekeraar als derde
in haar belang wordt geschaad door het gelegde beslag
omdat zij niet langer zeker is dat er adequaat verweer
wordt gevoerd.
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam beslist in 2008 bij een grijsmakingsverzoek in de Ceteco zaak dat geen verlof wordt verleend om beslag te leggen
op de aanspraken op de BCA-Verzekeraar.12 Volgens de voorzieningenrechter betekent zo een beslag dat bestuurders
niet meer vrijelijk kunnen beschikken over gelden die zij
nodig hebben om hun verdediging te kunnen bekostigen.
Dit is in strijd met het equality of arms beginsel.
Het Hof Amsterdam verleent dit verlof in hoger
beroep alsnog.13 Het hof oordeelt onder meer dat onvoldoende is gebleken dat een adequate verdediging van
bestuurders in gedrang komt bij het toestaan van verlof
tot beslaglegging in deze specifieke casus.
Bij een recente uitspraak van de Rechtbank Oost Brabant gaat het om de woningstichting Servatius uit Maastricht die haar voormalige bestuurder en toezichthouders
aansprakelijk houdt voor circa € 65 miljoen.14 Nog voordat
de woningstichting de dagvaarding ter zake uitbrengt legt
zij in juli 2011 conservatoir beslag op alle aanspraken van
bestuurder en toezichthouders op de BCA-Verzekeraar. Met
een provisionele vordering ex artikel 223 Rv proberen de
verzekeraar en de toezichthouders in de lopende hoofdzaak het beslag opgeheven te krijgen, voor zover het de
aanspraken op vergoeding van kosten van verweer betreft.
In het tussenvonnis heft de rechtbank het beslag na
een belangenafweging gedeeltelijk op – tot aan een eerste
vonnis in de hoofdzaak – om de toezichthouders in staat
te stellen ten laste van de verzekerde som een conclusie
van antwoord te nemen en zich te laten bijstaan op de
comparitie na antwoord. Het feit dat het de woningstichting, die de polis heeft afgesloten, is die beslag heeft
gelegd is voor de rechtbank van groot belang. Zij neemt
aan dat de verzekering is afgesloten ter bescherming van
de bestuurders en niet, althans niet in de eerste plaats,
om verhaalsmogelijkheden te bieden aan Servatius.15
Vordering tot betaling altijd vatbaar
voor beslag?
De hierboven genoemde uitspraken gaan er steeds van uit
dat de aanspraak op vergoeding van de kosten van verweer
door de BCA-Verzekeraar een vordering is waarop beslag
mogelijk is. In sommige uitspraken wordt dat ook expliciet
benoemd. Dat is voor ons geen uitgemaakte zaak.
Voor wat betreft verhaal op vorderingen kent artikel
475a lid 1 Rv twee uitzonderingen waarbij beslag niet
mogelijk is. Als eerste uitzondering bepaalt dit artikel dat
een derdenbeslag zich niet uitstrekt tot vorderingen of
zaken die volgens de wet niet vatbaar zijn voor beslag. De
tweede uitzondering betreft vorderingen die recht geven
op een naar de wet of naar haar aard niet voor beslag vatbare prestatie.
De eerste categorie betreft de wettelijke uitzonderingen. Zo heeft bijvoorbeeld de wetgever bepaald dat een vordering tot vergoeding van smartengeld onder omstandigheden niet vatbaar is voor beslag (artikel 6:106 lid 2 BW).
Ten aanzien van de tweede uitzondering van artikel
475a Rv geldt een nuancering. Een strikte hantering zou
betekenen dat alleen dan geen beslag gelegd kan worden
op een vordering als de prestatie waarop de vordering recht
geeft volgens de wet of naar haar aard niet vatbaar is voor
beslag. Veelal wordt hierbij als voorbeeld genoemd een
hoogst persoonlijke vordering, zoals het maken van een
schilderij of het leveren van juridisch advies. Dergelijke
prestaties lenen zich niet voor verhaal door een schuldeiser.
In de praktijk valt deze nuancering vaak weg. Dan
wordt artikel 475a Rv gebruikt als handvat om beslag op
een bepaald soort vordering niet toe te staan onder verwijzing naar de ‘aard van de vordering’ die zich tegen
beslaglegging zou verzetten. In werkelijkheid zijn het vorderingen die op zich zelf prima tot verhaal kunnen dienen. Het gaat dan om gevallen waarbij de vordering zich
kenmerkt door omstandigheden die maken dat verhaal
– en dus ook beslag – ongewenst is. Vaak speelt daarbij
(ook) een belangenafweging tussen beslaglegger en beslagene. Wij noemen twee voorbeelden.
8. De BCA-Verzekering wordt in de regel
situatie waarin de verzekeringnemer onder
30 oktober 2003, TvI 2004/10.
vonnis in het incident gewezen waarmee
afgesloten door de rechtspersoon waar
een vrijwaring ten behoeve van bestuurders
11. Rb. Amsterdam 19 april 2006, JBPR
het beslag ten aanzien van de bestuurder
verzekerden tot bestuurders zijn benoemd
uitkeringen heeft gedaan en de BCA-Verze-
2006/90.
– die door de rechtbank aansprakelijk is
(of die functie bij een meeverzekerde enti-
kering dekking biedt voor deze uitkerin-
12. Rb. Amsterdam (Voorzieningenrechter)
geoordeeld maar ten aanzien van wie de
teit bekleden). De premie is ook afgestemd
gen). De BCA-Verzekering maakt aldus
7 februari 2008,
omvang van de schadevergoedingsplicht
op het risicoprofiel van de verzekeringne-
onderdeel uit van het remuneratie-pakket
ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2754.
nog moet worden vastgesteld - is opgehe-
mer c.q. het concern. De bestuurders zijn
van bestuurders.
13. Hof Amsterdam 9 september 2008,
ven voor zover het de aanspraken op ver-
evenwel de enigen die als verzekerden
9. Zie voor een toelichting op een dit begin-
JBPR 2009/27.
goeding van de kosten van verweer betreft
aanspraken jegens de BCA-Verzekeraar
sel onder meer L.P. Broekveldt, Derdenbe-
14. Rb. Oost-Brabant 24 juli 2013, JOR
(ECLI:NL:RBOBR:2014:866).
hebben. De verzekeringnemer heeft die
slag, Deventer: Kluwer 2003, nr. 42.
2013/323.
aanspraken niet (met uitzondering van de
10. Rb. Amsterdam (Voorzieningenrechter)
15. Inmiddels heeft de rechtbank een eind-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2175
Wetenschap
Een eerste voorbeeld betreft de vordering uit hoofde
van een abstracte bankgarantie. Dat is een vordering van
de houder van de bankgarantie jegens de bank tot betaling van een geldsom. Betaling is afhankelijk van een aantal strikte voorwaarden. Deze vordering tot betaling is op
zichzelf een vordering die vatbaar is voor verhaal en
beslag. In de praktijk is echter de leer ontwikkeld dat het
leggen van beslag op (de vordering uit hoofde van) een
abstracte bankgarantie zich zozeer verzet tegen de strekking van de abstracte bankgarantie dat een beslag niet
mogelijk zou moeten zijn. Het dogma van een abstracte
bankgarantie is immers: eerst betalen dan praten.16
Een tweede voorbeeld betreft het beslag op kredietruimte.
Tot 2004 was de lagere rechtspraak verdeeld over de vraag
of de vordering van de kredietnemer op zijn bank uit
hoofde van het niet-benutte gedeelte van een krediet vatbaar is voor beslag. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het niet-benutte gedeelte van het krediet naar
zijn aard niet vatbaar is voor beslag omdat 1. de aard van
de relatie tussen de kredietverlenende bank en de cliënt,
2. het systeem van ons faillissements- en beslagrecht en 3.
bezwaren van praktische aard, zich daartegen verzetten.17
Bij nadere analyse van deze uitspraak volgt dat het bij
beslag op kredietruimte onder meer gaat om het wilsrecht
dat de kredietnemer heeft ten opzichte van de bank tot
aanwending van het krediet. De eerste vraag is of een
beslaglegger op dat wilsrecht beslag kan leggen, hetgeen
alleen zinvol is als de beslaglegger vervolgens in plaats van
de kredietnemer dat wilsrecht zou kunnen uitoefenen.
Deze ook wel als ‘ruime opvatting’ aangeduide leer wordt
door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad beslist dat
het wilsrecht van de kredietnemer ten opzichte van de
bank én niet overdraagbaar is én dat dit wilsrecht niet door
de beslaglegger in de plaats van de kredietnemer kan worden uitgeoefend. De in het cassatiemiddel verdedigde tussenoplossing stelt dat het beslag wel treft de vordering die
(na beslaglegging) ontstaat zodra de kredietnemer zijn wilsrecht heeft uitgeoefend. Dan is er immers sprake van een
‘gewone’ vordering tot betaling (aan de kredietnemer zelf of
aan een derde). Zodra dat wilsrecht is uitgeoefend is lastig
vol te houden dat het om een vordering gaat die naar zijn
aard niet voor beslag vatbaar is. De Hoge Raad ziet dit echter anders en verwerpt ook deze tussenoplossing.
Hetgeen opvalt bij zowel de bankgarantie als in het
beslag op kredietruimte arrest is dat beslag niet wordt
toegestaan, terwijl het een gewone vordering tot betaling
van een geldsom betreft. Het zijn telkens de bijzondere
omstandigheden rondom de vordering die maken dat
beslag niet gewenst is. De Hoge Raad is bereid om voor
een bepaalde categorie vorderingen vast te stellen dat het
vorderingen betreft die naar hun aard niet vatbaar zijn
voor beslag.
Het zijn telkens de bijzondere
omstandigheden rondom de
vordering die maken dat
beslag niet gewenst is
2176
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Beslag op aanspraken uit hoofde van een
BCA-Verzekering naar hun aard niet vatbaar
voor beslag
Wij vinden dat ook ten aanzien van de aanspraken van
een verzekerde op zijn BCA-Verzekeraar moet worden
geoordeeld dat hun aard zich tegen de mogelijkheid van
beslaglegging verzet. Wij lichten dit hierna toe.
Wilsrecht
Beschouwen wij de aanspraken op de BCA-Verzekering
nader, dan blijkt dat zowel het verkrijgen van toegang tot
de dekking onder de BCA-Verzekering, als de wijze waarop
vervolgens de verzekerde som wordt aangewend, een gevolg
zijn van de uitoefening van wilsrechten door verzekerden.
De dekking onder een BCA-Verzekering komt in de
regel pas in beeld wanneer een verzekerde een aansprakelijkstelling ontvangt. Vervolgens staat de verzekerde voor
de vraag of hij daarvan melding maakt bij zijn BCA-Verzekeraar of niet. In de regel zal een verzekerde dat doen,
gelet op de mogelijke consequenties. Dat hoeft echter niet
het geval te zijn, bijvoorbeeld omdat de verzekerde mogelijkheden ziet de claim met een commerciële oplossing uit
de wereld te helpen en ervoor kiest de dekking intact te
laten voor mogelijke toekomstige aanspraken. Het is derhalve aan de verzekerde of hij aanspraak maakt op dekking of niet. Zijn wil is doorslaggevend. Meldt de verzekerde zich niet, dan heeft hij geen aanspraken en valt er niets
te beslaan.
Is de claim (eenmaal) gemeld, dan gaat de verzekerde
met de verzekeraar in overleg over de wijze waarop de verzekerde som wordt aangewend, hetgeen in de regel in eerste instantie leidt tot het benoemen van een advocaat, het
verkennen van de positie van de verzekerde en het voeren
van verweer. Ook indien verzekeraar en verzekerde verwachten dat een schikking om hen moverende redenen
uiteindelijk te verkiezen is, zullen kosten van verweer
gemaakt worden. Als niet bij aanvang wordt geschikt, zal
in voortdurend overleg tussen verzekeraar en verzekerden
bij iedere ontwikkeling in de zaak een afweging worden
gemaakt hoe verder te gaan en dus hoe de verzekerde som
aangewend dient te worden. De verzekeraar dient de uitbetalingen ook steeds te accorderen.
De wijze waarop de verzekerde som wordt aangewend is daarmee een continue proces van overleg en
besluitvorming en daarmee van opvolgende uitoefening
van wilsrechten. Enerzijds aan de kant van de verzekerde
(of meerdere verzekerden ten opzichte van elkaar) en
anderzijds ook aan de kant van de verzekeraar.18
Gelijk het wilsrecht van de kredietnemer ten opzichte van de bank, is de aanspraak van een verzekerde op zijn
BCA-Verzekeraar niet-overdraagbaar. Dit volgt veelal uit de
polisvoorwaarden zelf, maar volgt ook los daarvan uit het
persoonlijke karakter van dit wilsrecht: het is (uitsluitend)
aan de verzekerde zelf of hij gebruik wil maken van de
geboden dekking in een concreet geval. Deze keuzemogelijkheid is naar zijn aard niet overdraagbaar.
Net als bij de kredietruimte verzet de aard van het
wilsrecht van de verzekerde zich er tegen dat een ander
dan de verzekerde dit zou moeten kunnen uitoefenen. Dit
volgt onder meer uit de (persoonlijke) aard van het recht:
zou een beslaglegger in de plaats van een verzekerde deze
wilsrechten wél kunnen uitoefenen, dan zou de verzeke-
Gelijk het wilsrecht van de kredietnemer ten opzicht van de
bank, is de aanspraak van een verzekerde op zijn BCAVerzekeraar niet-overdraagbaar
raar opgezadeld worden met een voor haar onbekende
derde waarmee zij noodgedwongen in een continue proces van overleg en besluitvorming zou geraken. Dat is niet
aanvaardbaar, omdat de verzekeraar de polis juist gesloten heeft met het oog op de bescherming van de belangen van de bestuurder bij een specifieke onderneming.
Het gaat dan niet aan de verzekeraar op te zadelen met
een crediteur van die bestuurder met wie zij dat proces
van overleg en besluitvorming in moet. Daar komt bij dat
de beslaglegger/crediteur vaak ook nog de ‘vijand’ is van
juist die bestuurder met wie de beslaglegger in een procedure is verwikkeld waarin de aanspraken van de beslaglegger nog moeten worden vastgesteld.
In vergelijking met een beslag op kredietruimte verzet de aard van de aanspraak onder een BCA-Verzekering
en wijze van uitoefening daarvan zich in nog sterkere
mate tegen de mogelijkheid van beslaglegging. Dit ten
eerste omdat de gecombineerde uitoefening van wilsrechten van (verschillende) verzekerde(n) en de verzekeraar leidt tot een beslissing tot aanwending van de verzekerde som. Ten tweede omdat de hoogte van de met de
uitoefening van die gecombineerde wilsrechten samenhangende aanspraak in de regel niet – in ieder geval voor
wat betreft de kosten van verweer – op voorhand vast
staat. Ten derde omdat het geld dat door uitoefening van
de wilsrechten aldus wordt ‘vrijgemaakt’ geoormerkt is
voor het voeren van verweer tegen materialisatie van
– juist – het risico dat de beslaglegger nastreeft. Dit geld
is niet bestemd om het vermogen van de verzekerde te
vergroten.
Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van het
wilsrecht van verzekerden om al dan niet gebruik te
maken van de door de BCA-Verzekering geboden dekking,
en de wijze waarop gelden worden besteed, moet gelden
dat dit wilsrecht niet vatbaar is voor beslaglegging.
Aard van de aanspraak onder een BCA-Verzekering verzet
zich tegen beslaglegging
Die zojuist genoemde derde reden (het vrijgemaakte geld
dient primair voor het voeren van verweer) brengt ons bij
de kern: ook los van het wilsrecht-element verzet de aard
van de door de BCA-Verzekering aan de verzekerden geboden dekking zich tegen beslaglegging.
De BCA-Verzekering beoogt de verzekerde én de verzekeraar te beschermen tegen materialisatie van het risico dat de beslaglegger nu juist nastreeft.19 Zolang niet
komt vast te staan dat de beslaglegger een valide claim
heeft, stelt de door de verzekerde ten behoeve van zichzelf
verkregen bescherming zichzelf én de verzekeraar in staat
om dit risico af te wenden (of in geval van een schikking
af te kopen). Dit geheel naar eigen inzicht in een continue
proces van overleg en besluitvorming.20
Uit de hiervoor behandelde uitspraken volgt dat ook
rechters het niet wenselijk vinden wanneer een eiser met
een beslag op een BCA-Verzekering kan bewerkstelligen
dat de gedaagden niet langer adequaat verweer kunnen
voeren. Dat is in het bijzonder het geval als de rechtspersoon die zelf de polis heeft afgesloten ten behoeve van
zijn bestuurders met een beslag de vergoeding van kosten
van verweer onmogelijk maakt (Servatius).
De Voorzieningenrechter in Amsterdam heeft daaraan in de Ceteco zaak de conclusie verbonden dat verlof
tot beslaglegging geweigerd moest worden.21 Andere rechters die het belang van verzekerden lieten prevaleren
boven het belang van beslagleggers, hebben het beslag
steeds opgeheven ‘voor wat betreft de kosten van verweer’.22 Welke omvang die kosten zouden kunnen c.q.
mogen hebben werd in het midden gelaten.
Alle rechters gaan er tot zover van uit dat beslaglegging in beginsel mogelijk is en dat aan de hand van een
belangenafweging moet worden beoordeeld of beslagleg-
16. Zie bijv. Rb. Utrecht 26 augustus 2009,
17. HR 29 oktober 2004,
een bepaald budget voor kosten van ver-
gedaagde zich zo in de kaarten moet laten
JOR 2009/275 en Hof Amsterdam 9 febru-
ECLI:NL:HR:2004:AP4504.
weer aan te wenden miskent dat het niet
kijken door zijn wederpartij. Vergelijk Rb.
ari 2010, JOR 2010/171. Zie ook de
18. Om deze bijdrage overzichtelijk te hou-
aan de beslaglegger is maar aan de verze-
Amsterdam (Voorzieningenrechter) 7 febru-
beslagsyllabus (onder Derdenbeslag, Ver-
den laten wij bewust onbesproken dat er in
keraar en de verzekerde om te bepalen
ari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2754
haalsobjecten; de rechtbanken gebruiken de
de praktijk regelmatig aanspraken van ver-
welke kosten van verweer zij willen maken
(Ceteco): ‘Weliswaar hebben de curatoren
beslagsyllabus als handleiding bij de beoor-
schillende verzekerden - al dan niet ten
en hoe zij de verzekerde som willen aan-
toegezegd dat na een beslag redelijke kos-
deling van beslagrekesten. Deze is te vinden
aanzien van verschillende vorderingen van
wenden. De wijze waarop verzekeraar en
ten van verdediging uit de verzekeringspo-
op www.rechtspraak.nl): ‘Bankgarantie: in
derden zijn waarbij de vraag wie waarop en
verzekerden deze wilsrechten uitoefenen
lissen mogen worden vergoed, maar wat
het algemeen is een conservatoir beslag
wanneer aanspraak heeft tot aanvullende
kan niet op voorhand gebudgetteerd wor-
redelijke kosten zijn staat niet ter beoorde-
onder de garanderende bank uit hoofde
complicaties leidt.
den door de beslaglegger. Wordt een der-
ling van de curatoren. Als wederpartij van
van dezelfde rechtsverhouding waarin de
19. In de ons bekende praktijk is de beslag-
gelijk budget overeengekomen en blijkt dit
de bestuurders en commissarissen komt hun
garantie is verstrekt (abstracte bankgaran-
legger steeds dezelfde partij die de bestuur-
niet toereikend, dan kan de situatie ont-
geen zeggenschap vooraf toe over de
tie), in beginsel niet toelaatbaar, nu zodanig
der in zijn hoedanigheid aansprakelijk
staan dat de beslaglegger van gedaagden
noodzaak of redelijkheid van het maken
beslag de uitbetaling van de garantie frus-
houdt; noodzakelijk is dit niet.
verlangt dat zij verantwoording afleggen
van kosten ter verdediging.’
treert en daardoor in strijd komt met het
20. Het - ogenschijnlijk goed bedoelde -
over de verrichte en nog te verrichten werk-
21. Zie voetnoot 20.
doel en de strekking van de bankgarantie te
aanbod van een beslagleger op de BCA-
zaamheden. Met ‘equality of arms’ heeft
22. Rb. Amsterdam 19 april 2006, JBPR
weten: eerst betalen, dan praten.’
Verzekering om de verzekeraar toe te staan
het weinig meer van doen wanneer een
2006/90 (Jomed).
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2177
Wetenschap
De eerste en meest wezenlijke
beschermingslinie die de BCAVerzekering biedt moet niet door
juist de agerende claimant kunnen
worden geblokkeerd
ging in de omstandigheden van het geval kan worden toegestaan.23 Daaraan is inherent dat die afweging ook in het
nadeel van bestuurders en hun BCA-Verzekeraar kan uitvallen. Het hoger beroep in de Ceteco zaak illustreert dit.
Mogelijke zorgen omtrent het belang van bestuurders om
zich te kunnen verweren werden weggeschreven door de
overweging dat gedaagden ‘voorshands’ nog steeds in
staat werden geacht hun verdere kosten van verweer zelf
te dragen.24
Uit het voorgaande volgt dat wij vinden dat beslaglegging op een BCA-Verzekering niet mogelijk zou moeten
zijn. Deze uitkomst zou niet afhankelijk moeten zijn van
een belangafweging. Het resultaat van de beslaglegging is
immers dat de verzekerde een beroep op zijn vermogen
moet doen dat hij door de BCA-Verzekering juist wilde
beschermen. Ook als de vordering wordt afgewezen, het
beslag wordt opgeheven en de verzekerde zijn kosten van
verweer alsnog vergoed krijgt van zijn BCA-Verzekeraar,
heeft hij de kosten van verweer moeten voorfinancieren.
De daartoe benodigde gelden heeft hij moeten aantrekken of, indien voorhanden, niet voor andere doeleinden
kunnen aanwenden.
Bedenk daarbij ten slotte dat het afsluiten van een
BCA-Verzekering door de wetgever ook niet verplicht is: de
wetgever heeft partijen die door bestuurshandelen- of nalaten benadeeld worden niet tegen het risico van de afwezigheid van verhaalsvermogen willen beschermen. De claimant die een bestuurder met een BCA-Verzekering
tegenover zich treft heeft in die zin geluk (en zou bij afwezigheid daarvan zijn gepretendeerde vordering mogelijk ook
niet doorzetten). Hij heeft echter geen recht op het veiligstellen van (een deel van) de dekking tot verhaal van zijn
gepretendeerde vordering en zeker niet ten koste van de
verzekerde die de dekking juist heeft aangeschaft om zich
tegen deze claimant te verweren. De eerste en meest wezenlijke beschermingslinie die de BCA-Verzekering biedt - de
mogelijkheid tot het voeren van verweer - moet niet door
juist de agerende claimant kunnen worden geblokkeerd.
Misbruik bij de uitoefening van de wilsrechten door
verzekerden en verzekeraar ten nadele van de beslaglegger
zal zich in de praktijk niet snel voordoen. Naar zijn aard
zijn verschillende inzichten mogelijk over de te volgen processtrategie. Verzekeraar en verzekerde zullen in onderling
overleg moeten beslissen over de wijze van aanwending
van de verzekerde som gelet op de merites van de zaak en
overige relevante omstandigheden. Het enkele feit dat een
beslaglegger andere verwachtingen heeft omtrent de kansen op succes van zijn vordering, maakt niet dat verzekeraar en verzekerde misbruik maken van de wijze waarop zij
de verzekerde som aanwenden. Zoals eerder opgemerkt ligt
het ook niet voor de hand dat verzekeraar en verzekerde
een groter deel van de verzekerde som aan de kosten van
verweer besteden dan nodig: daarvoor staat er voor de verzekerde eenvoudigweg te veel op het spel. Mocht de vordering van een beslaglegger worden toegewezen - c.q. is voorzienbaar dat een significant procesrisico bestaat - dan is
het (ook) in het belang van de verzekerde dat er nog een zo
groot mogelijk deel van de verzekerde som beschikbaar is.
Ten slotte
Beslag op de aanspraken op een BCA-Verzekeraar zou niet
mogelijk moeten zijn. De aanspraken onder een BCA-Verzekering bestaan voor een belangrijk deel uit wilsrechten
(het aanmelden van een claim bij de verzekeraar en het
aanwenden van de middelen) die niet overdraagbaar zijn
en die niet door een beslaglegger in de plaats van de verzekerden kunnen worden uitgeoefend. De aanspraken
onder een BCA-Verzekering zijn ook naar hun aard niet
vatbaar voor beslag, nu een dergelijk beslag een van de
kernelementen van de BCA-Verzekering – het kunnen voeren van adequaat verweer – aantast. Bovendien geldt dat
het hier geen onderdeel van het ‘gewone’ verhaalsvermogen van de bestuurder betreft maar een meestal door de
rechtspersoon afgesloten polis betreft die juist is aangeschaft met dit specifieke doel: het beschermen van de
belangen van de verzekerden tegen de financiële risico’s
verbonden aan een bestuurdersaansprakelijkheidsclaim.
De praktijk worstelt met deze problematiek. Rechters
komen in verschillende uitspraken tot verschillende uitkomsten, waarbij pas na een expliciete belangenafweging
- komt het voeren van verweer door het beslag in het
gedrang - een beslissing wordt gegeven. Daarbij gaan zij er
(impliciet) van uit dat een derdenbeslag op de aanspraken
op een BCA-Verzekering mogelijk is. Wij denken dat dit
uitgangspunt heroverweging verdient.
23. Zie ook de noot van E. Loesberg bij Hof
misbruik dient te worden gekwalificeerd.
dat de gedaagde bestuurders zelf in staat
delen? Daarbij merken wij op dat het in de
Amsterdam 9 september 2008 (Ceteco) in
Loesberg voegt daaraan toe dat de schulde-
zijn hun verweer te blijven financieren is
praktijk ook niet zelden voorkomt dat
JBPR 2009/27, die daarbij aangeeft dat
naar, ofwel de beslagene, aannemelijk zal
overigens opmerkelijk. Indien dat zo is, ligt
beslagleggers zowel de aanspraken op
beslag onder de verzekeraar met als doel
moeten maken dat sprake is van misbruik en
het dan niet eerder voor de hand dat de
de BCA-Verzekering als enige andere ver-
ervoor te zorgen dat de schuldenaar niet
onderkent dat dat niet eenvoudig zal zijn.
beslagleggers genoegen zouden moeten
mogensbestanddelen van de gedaagde
langer verweer kan voeren in een door de
24. De overweging dat beslag wordt
nemen met een beslag op die, kennelijk
bestuurders beslaan. Die laatsten kunnen
schuldeiser geëntameerde procedure als
toegestaan omdat de rechter gebleken is
beschikbare, andere vermogensbestand-
dan geen kant meer op.
2178
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Focus
1629
‘Promoveren en degraderen’
van gedetineerden
Het wetsvoorstel elektronische detentie en de dreigende
afschaffing van de detentiefasering
Miranda Boone en Wiene van Hattum1
Het wetsvoorstel dat beoogt het huidige systeem van detentiefasering in het Nederlandse gevangeniswezen
te vervangen door elektronische detentie2 (hierna: ‘het wetsvoorstel’) is in april maar nipt door de Tweede
Kamer gekomen. Alleen de regeringspartijen en de eenmansfractie Van Vliet stemden voor. Dat maakt de
behandeling in de Eerste Kamer spannend; de regeringspartijen hebben hier immers geen meerderheid.
Voor de auteurs is dit aanleiding de belangrijkste bezwaren tegen dit voorstel nog eens op een rijtje te zetten.
Zij hopen hiermee de Kamerleden ervan te overtuigen dat het wetsvoorstel in zijn huidige vorm geen
recidive-reductie en nauwelijks besparingen oplevert, maar wel de kansen voor een groot aantal
gedetineerden om min of meer succesvol terug te keren in de samenleving aanzienlijk vermindert.
1. De voorstellen in grote lijnen
Het wetsvoorstel kent twee belangrijke componenten. Het
maakt het mogelijk dat gedetineerden die (al dan niet
onherroepelijk) zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf
van zes maanden of meer het laatste deel van hun gevangenisstraf buiten de gevangenis onder elektronisch toezicht ondergaan, zo mogelijk thuis, maar het kan ook
elders. De beslissing wie voor elektronische detentie in aanmerking komt wordt genomen door de selectiefunctionaris.
Deze verliest zijn zelfstandige status in de Penitentiaire
Beginselenwet (artikel 15 lid 3) en gaat deel uitmaken van
het Ministerie van Veiligheid en Justitie (Dienst Justitiële
inrichtingen, DJI).3 In de ‘gewijzigde penitentiaire maatregel
en het besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale
zekerheid’ dat inmiddels ter consultatie aan een aantal
adviesorganen is gestuurd4 valt te lezen dat de voordracht
voor elektronische detentie wordt gedaan door de directeur
van de penitentiaire inrichting waar de betrokkene verblijft
en dat het toezicht in handen zal liggen van de reclassering. Elektronische detentie komt in de plaats van de
bestaande open vormen van detentie, te weten de beperkt
beveiligde inrichting (voorheen: halfopen gevangenis), de
zeer beperkt beveiligde inrichting (voorheen: open gevangenis), het penitentiair programma en alle vormen van verlof met uitzondering van het incidenteel verlof. Kortom, de
bestaande detentiefasering verdwijnt.
De tweede component van het wetsvoorstel is dat de
bestaande regimes van beperkte en algehele gemeenschap komen te vervallen en zullen worden vervangen
door een gemeenschapsregime, waarvoor kenmerkend is
dat gedetineerden alle vrijheden en activiteiten die het
basisregime overstijgen door middel van ‘goed gedrag’
moeten verdienen. Zij komen door dit goede gedrag in
een zogenaamd plusprogramma dat voorziet in extra acti-
Auteurs
Hattum is universitair hoofddocent straf- en
Penitentiaire Beginselenwet en het Wetboek
25. De art. 1g en 15 PBW worden hierop
1. Prof. dr. M.M. Boone is bijzonder hoog-
strafprocesrecht aan de Rijksuniversiteit
van Strafrecht in verband met de herijking
aangepast.
leraar penitentiair recht en penologie aan de
Groningen.
van de wijze van de tenuitvoerlegging van
4. Bijlage bij de brief van 7 april 2014 (ken-
vrijheidsbenemende sancties en de invoe-
merk: 502557) file:///X:/My%20Downloads/lp-v-j-0000005388.pdf.
Rijksuniversiteit Groningen en universitair
hoofddocent straf- en strafprocesrecht aan
Noten
ring van elektronische detentie (33745).
de Universiteit Utrecht. Mr. dr. W.F. van
2. Voluit: wetsvoorstel tot wijziging van de
3. Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2179
Focus
viteiten van in totaal vijf uur. Door ‘slecht’ gedrag kunnen
de gedetineerden hun plek in het plusprogramma weer
verliezen. Dit systeem van ‘promoveren en degraderen’
dient onder meer ter beoordeling van de geschiktheid
voor het verlenen van vrijheden. Wie niet in het plusprogramma zit, komt ook niet in aanmerking voor elektronische detentie.5 Het programma promoveren en degraderen is inmiddels op 1 maart jl. ingevoerd.6
Rode draad in het wetsvoorstel is dat gedetineerden
meer op hun eigen verantwoordelijkheid moeten worden
aangesproken en dat zij hun vrijheden zelf moeten verdienen; gedetineerden ‘moeten bereid zijn te investeren in
zichzelf’.7
Met deze twee beperkingen aan de
resocialisatieopdracht wordt het
resocialisatiestreven in één keer van
zijn beginselkarakter ontdaan
2. Bezwaren van juridische en
criminologische aard
Uitholling van het resocialisatiebeginsel
Een aspect dat in eerdere commentaren nog weinig naar
voren is gekomen, betreft de gewijzigde formulering van
een van de grondbeginselen van het penitentiaire recht,
het resocialisatiebeginsel. Het huidige artikel 2 lid 2 Penitentiaire Beginselenwet (PBW), waarin het resocialisatiebeginsel is opgenomen luidt: Met handhaving van het
karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende
maatregel wordt de tenuitvoerlegging hiervan zoveel
mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de
terugkeer van de betrokkene in de maatschappij. In het
wetsvoorstel wordt deze resocialisatiedoelstelling op twee
manieren ingeperkt. Ten eerste wordt resocialisatie afhankelijk gemaakt van ‘het gedrag van de betrokkene’. Ten
tweede wordt een voorwaarde toegevoegd voor het verlenen van vrijheden. Die zullen namelijk mede afhangen
van ‘de veiligheid van de samenleving en de belangen van
slachtoffers en nabestaanden’.8 Met deze twee beperkingen aan de resocialisatieopdracht in artikel 2 lid 2 wordt
het resocialisatiestreven in één keer van zijn beginselkarakter ontdaan en gedegradeerd tot één van de vele aspecten die bij de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf
een rol kunnen spelen. Dat is een groot verlies. Het resocialisatiebeginsel, dat in 1951 als uitgangspunt in de wet
werd opgenomen, wilde immers een einde maken aan een
tijdperk, waarin het veroordelen van mensen tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel een vrijbrief was voor
het op allerhande wijze toebrengen van extra leed aan
gedetineerden. Het beginsel drukt uit dat het leedtoevoegende karakter van de straf bestaat uit het benemen van
vrijheid, terwijl de uitvoering van de straf in het teken
moet staan van de terugkeer in de samenleving, voor
zover dat zich met een verantwoorde tenuitvoerlegging
2180
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
verhoudt. Het huidige artikel 2 lid 2 PBW, dat een rechtstreekse voortzetting is van artikel 26 Beginselenwet
gevangeniswezen 1951,9 biedt dus een helder richtsnoer,
bijvoorbeeld voor al die functionarissen die werkzaam zijn
in het gevangeniswezen en dagelijks beslissingen moeten
nemen ten aanzien van gedetineerden die voor hun welbevinden grotendeels van hen afhankelijk zijn. Dit onvoorwaardelijk geformuleerde richtsnoer vindt niet alleen zijn
fundament in onze wetsgeschiedenis maar wordt ook
internationaal als beginsel van tenuitvoerlegging
beschouwd. Het komt tot uitdrukking in artikel 10 lid 3
van het Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, in artikel 6 van de European Prison Rules en
in de Recommendations van de Raad van Europa.10 Het is
dit beginsel waarop de positieve verplichting van de staat
berust om álle gedetineerden, en dus bijvoorbeeld ook
langgestraften weer geschikt te maken voor hun terugkeer in de vrije samenleving.11
Zijn de voorstellen om het gedrag van de gedetineerde tijdens de executie van de straf in ogenschouw te
nemen en om bij het geven van vrijheden rekening te
houden met de veiligheid en de belangen van slachtoffers
en nabestaanden dan volstrekt af te wijzen? Nee, dat betogen wij niet. Wij stellen slechts dat zij niet thuishoren in
artikel 2 lid 2 PBW. Met de RSJ zijn wij er in principe voorstander van om de inzet en motivatie van gedetineerden
te belonen,12 maar resocialisatie mag niet voorbehouden
zijn aan alleen hen die (in staat zijn) zich (zichtbaar) goed
(te) gedragen. Het categorisch uitsluiten van bepaalde
groepen gedetineerden druist in tegen het rechtskarakter
van het beginsel. Het ontkent bovendien de sociale werkelijkheid dat veel gedetineerden simpelweg niet in staat
zullen zijn aan de strenge voorwaarden voor goed gedrag
te voldoen.13 Inmiddels is aan deze werkelijkheid wel
enigszins door de staatssecretaris tegemoet gekomen,14
maar dit zal toch niet kunnen voorkomen dat grote groepen gedetineerden van resocialiserende activiteiten zullen
worden uitgesloten. Hieronder gaan wij nog verder op die
consequenties in.
Dat rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers
en nabestaanden, de tweede toevoeging aan artikel 2 lid 2
PBW, is ook naar ons oordeel een belangrijk richtsnoer bij
de invulling van een resocialisatietraject. Dit belang wordt
echter ook nu al standaard meegenomen in beslissingen
omtrent het verlenen van vrijheden aan gedetineerden.15
Het is dus niet nodig het in de wet op te nemen maar als
het gebeurt, dan behoort het wel in een afzonderlijk
artikel(lid) te worden opgenomen. Door het als een soort
alias toe te voegen aan de bestaande formulering van het
resocialisatiebeginsel, holt het de centrale betekenis hiervan uit, namelijk dat de invulling van de gevangenisstraf
waar mogelijk gericht is op terugkeer van de gedetineerde
in de vrije samenleving. Resocialisatie is immers een
recht16 en geen gunst.
Restrictieve toepassing van elektronische detentie
Het voorstel dat nu bij de Eerste Kamer ligt, is een uitgeklede variant van het baanbrekende concept-wetsvoorstel
dat begin 2013 ter consultatie aan de adviesorganen werd
aangeboden. Op grond van dat voorstel werd het mogelijk
gemaakt korte gevangenisstraffen tot zes maanden door
Resocialisatie mag niet
voorbehouden zijn aan alleen
hen die (in staat zijn) zich
(zichtbaar) goed (te) gedragen
de DJI om te laten zetten in elektronische detentie. Het
voorstel kwam de staatssecretaris echter op een storm van
protest te staan. Waar de volksvertegenwoordigers vooral
van mening waren dat elektronische detentie een veel te
mild alternatief was voor gevangenisstraf, vonden de
adviesorganen elektronische detentie wel een goed alternatief, maar alleen als het als hoofdstraf in de wet zou
worden opgenomen en door de rechter werd opgelegd.17
Wij beschouwen de verwerping van het aanvankelijke
voorstel net als collega Claessen als een gemiste kans.18 De
korte gevangenisstraf is immers vooral een nutteloze, dure
en schadelijke straf en is nodig aan vervanging toe. Helaas
hebben alle tot nu toe ontwikkelde of opnieuw uit de kast
gehaalde alternatieven er niet toe geleid dat de straf substantieel is teruggedrongen.19 Elektronische detentie heeft
die potentie misschien wel,20 maar niet als die als zelfstandige straf door de rechter zou worden opgelegd. De kans
dat elektronische detentie dan, net als eerdere alternatieven, vooral tot een ruimere toepassing van strafrechtelijke
sancties leidt, is te groot. Die mening is blijkbaar ook de
staatssecretaris toegedaan, waar hij in de memorie van
5. Nog onlangs benadrukt in de MvA aan
2011/12, 676 en Aanhangsel Handelingen
met promoveren en degraderen binnen het
schending van art. 3 EVRM afhangt van de
de Eerste Kamer, Kamerstukken I 2013/14,
II 2013/14, 1336), is hiermee in strijd.
gevangeniswezen, 14 augustus 2013.
invulling van de resocialisatie, zie Harak-
33745, C, p. 3.
10. Zie voor een overzicht van de teksten
13. Deze bezwaren zijn verder uitgewerkt
chiev en Tolumov vs. Bulgarije, 8 juli 2014,
6. Een en ander is uitgewerkt in de Regeling
en de invloed hiervan op de beslissingen
in: M.M. Boone, ‘Vrije wil en verantwoor-
r.o. 264.
Selectie, plaatsing en overplaatsing van
van het EHRM de beslissing van de Grote
delijkheid in de strafuitvoering’, JV 2013,
17. Zie voor een overzicht van de Adviezen:
gedetineerden, Stcrt. 2014, 4717.
Kamer d.d. 9 juli 2013, Vinter e.a. vs. VK,
(13)1, p. 106-121.
http://www.eerstekamer.nl/behande-
7. Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p.
par. 76-80 (Relevant international instru-
14. In art. 1 lid 4 van de Regeling Wijziging
ling/20130930/memorie_van_toelichting/
1-2.
ments on the rehabilitation of prisoners) jo.
SPOG in verband met promoveren en
info.
8. Het voorgestelde artikel 2 lid 2 luidt:
par. 122 en EHRM 8 juli 2014, Harakchiev
degraderen binnen het gevangeniswezen is
18. J. Claessen, ‘Terugblik op een gemiste
‘Met handhaving van het karakter van de
en Tolumov vs. Bulgarije, par. 264.
bijv. opgenomen dat wanneer bekend is dat
kans’, Nieuwsbrief Strafrecht, 17 december
vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende
11. ‘Indeed, there is also now clear support
een gedetineerde lijdt aan een verstandelij-
2013, afl. 14, p. 1452-1456.
maatregel wordt de tenuitvoerlegging hier-
in European and international law for the
ke beperking of ziekelijke stoornis, waaron-
19. Het aandeel onvoorwaardelijke gevan-
van zoveel mogelijk en afhankelijk van het
principle that all prisoners, (…) be offered
der ernstige verslavingsproblematiek, die
genisstraffen van korter dan één maand
gedrag van de betrokkene dienstbaar
the possibility of rehabilitation and the
van invloed is op zijn gedrag, hij niet posi-
stijgt alleen maar en was in 2012 opgelopen
gemaakt aan de voorbereiding van de
prospect of release if that rehabilitation is
tief hoeft te scoren op een van de drie
tot 37.1%. Het aandeel gevangenisstraffen
terugkeer in de maatschappij. Bij het verle-
achieved’, EHRM 9 juli 2013, Vinter e.a. vs.
onderdelen die voorwaarde vormen voor
van korter dan zes maanden was in 2012
nen van vrijheden aan gedetineerden wordt
VK, par. 114 en - recent - EHRM 8 juli
promotie.
77.6%; S.N. Kalidien, & N.E. de Heer-de
rekening gehouden met de veiligheid van
2014, Harakchiev en Tolumov vs. Bulgarije,
15. Het is bijvoorbeeld als zodanig opgeno-
Lange, Criminaliteit en Rechtshandhaving
de samenleving en de belangen van slacht-
par. 159-165 jo. par. 264 en 265. Zie voorts
men als contra-indicatie voor verlof (art. 4
2012, Boom Lemma 2013, tabel 6.14.
offers en nabestaanden.’
W.F. van Hattum, ‘Positieve verplichtingen
sub g en i van de Regeling tijdelijk verlaten
20. M. Nellis, ‘Surveillance, Sigma and
9. Uit de redactionele wijziging van de tekst
rond de tenuitvoerlegging van een (levens)
van de inrichting). Zie voor enige recht-
spatial constraint: The ethical challenges of
van art. 26 Beginselenwet Gevangeniswe-
lange vrijheidsstraf’, in: A. Dijkstra, B.F.
spraak Van Hattum, Positieve verplichtin-
electronic monitoring’, in: M. Nellis, K.
zen moest volgens de toenmalige Minister
Keulen & G. Knigge (red.), Het Roer Recht.
gen (o.c. noot 10), in het bijzonder. p. 168-
Beyens & D. Kaminski (red.), Electronically
van Justitie geen inhoudelijke koerswijziging
Liber Amicorum aangeboden aan Wim
170.
monitored punishment: International and
worden afgeleid, Handelingen I 1997/98,
Vellinga en Feikje Vellinga-Schootstra,
16. We bedoelen niet een recht in de zin
critical perspectives, New York: Routledge
p. 1709. De huidige beperktere uitleg van
Zutphen: Paris 2013, p. 163-176. Recent
van een fundamentele waarborg zoals
2013.
art. 2 lid 2 PBW (zie bijv. de antwoorden op
nog: Beroepscommissie RSJ, 21 augustus
opgesomd in het EVRM, maar een recht dat
de vragen van Schouw respectievelijk.
2014, 14/1296/GA.
van zodanige belang is (‘considerable
Recourt, Aanhangsel Kamerstukken II
12. RSJ, Advies Wijziging SPOG in verband
importance’) dat het oordeel over eventuele
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2181
Focus
toelichting op het onderhavige wetsvoorstel overweegt:
‘Het invoeren van elektronische detentie als door de rechter op te leggen hoofdstraf biedt naar mijn oordeel onvoldoende perspectief op de daadwerkelijke substitutie van
korte vrijheidsstraffen door elektronische detentie en
daarmee op het terugdringen van recidive’. 21 Helaas was
hiermee ook het voorstel om korte straffen door DJI te
laten omzetten in elektronische detentie van de baan.
In het verlengde hiervan, vinden wij het ook te
betreuren dat het onderhavige wetsvoorstel minimaal
plaats inruimt voor de toepassing van elektronische
detentie in de fase van de voorlopige hechtenis. Het voorziet alleen in ED als een in eerste aanleg opgelegde onherroepelijke gevangenisstraf voor ten minste de helft is
ondergaan (artikel 4 lid 2 wetsvoorstel). Juist in de fase
van de voorlopige hechtenis kan enorme winst geboekt
worden, omdat in die fase nog kan worden voorkomen dat
een verdachte huisvesting of werk verliest. Met het ruimhartig toepassen van elektronische detentie in de fase van
de voorlopige hechtenis kunnen direct en indirect kosten
worden bespaard. Uit onderzoek komt bovendien naar
voren dat Nederland meer dan de ons omringende landen
voorlopige hechtenis toepast. Volgens de Raad van Europa
was het percentage voorlopig gehechten op de totale
gedetineerdenbevolking in 2010 de hoogste van Europa.22
De besparing van € 16 miljoen die met toepassing
van elektronische detentie beoogd wordt,23 moet nu volledig worden gerealiseerd door toepassing van elektronische detentie in de laatste fase van de detentie, de zogenaamde achterdeur. Gedetineerden die zijn veroordeeld
tot een gevangenisstraf van zes maanden of meer en ten
aanzien van wie is gebleken van goed gedrag kunnen in
de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan elektronische detentie indien die straf voor tenminste de helft is
ondergaan (artikel 4 lid 2 PBW). Dat de besparing van
slechts zeer beperkte omvang is, wordt veroorzaakt door
het feit dat lang niet alle gedetineerden in aanmerking
komen voor elektronische detentie. De duur van de straf
die moet zijn opgelegd vormt al een behoorlijke beperking; 77.6% van de oplegde gevangenisstraffen is immers
korter dan zes maanden.24 De RSJ heeft berekend dat op
basis van dit criterium alleen al maximaal 6000 van de
40 000 gedetineerden die jaarlijks uitstromen uit het
gevangeniswezen in aanmerking komen voor elektronische detentie.25 Daarnaast zijn er nog tal van uitsluitingscriteria en voorwaarden, waardoor een groot deel van de
gedetineerden niet voor ED in aanmerking kan komen,
ook als hun gedrag niets te wensen overlaat.
In artikel 4 van het voorstel tot wijziging van de
penitentiaire maatregel is een reeks van zeven uit te sluiten categorieën gedetineerden opgenomen. Voor enkele
daarvan, zoals tbs-gestelden en gedetineerden die in een
extra beveiligde inrichting verblijven, is de uitsluiting te
begrijpen. Dat geldt echter niet voor alle. Gedetineerde
vreemdelingen zonder geldige verblijfspapieren bijvoorbeeld hebben in beginsel evenveel recht op resocialisatie
als anderen; het ontbreken van een verblijfstitel is onvoldoende grond om hen de mogelijkheid te ontzeggen hun
terugkeer naar de vrijheid buiten de penitentiaire inrichting voor te bereiden.26 Voor gedetineerden met een verhoogd risicoprofiel en gedetineerden met een ernstige
psychosociale of psychiatrische stoornis dan wel ernstige
verslavingsproblematiek (artikel 4 sub en g van het voorgestelde besluit) geldt hetzelfde. De RSJ heeft hierover
opgemerkt dat deze twee criteria voor uitsluiting nader
moeten worden uitgewerkt of ingevuld dan wel dat per
individu moet worden gekeken of verdere tenuitvoerlegging door middel van elektronische detentie niet toch in
de rede ligt.27 Dat de staatssecretaris dit wetsvoorstel
gebruikt om gedetineerden die weigeren DNA-materiaal af
te staan verder onder druk te zetten door ze uit te sluiten
van elektronische detentie (artikel 4 sub f van het voorgestelde besluit) is oneigenlijk.
Wie niet tot de in artikel 4 van het voorgestelde
besluit behorende uitgesloten categorieën gedetineerden
behoort, maakt kans voor elektronische detentie in aanmerking te komen, maar de concrete toelating hangt weer
af van tenminste vijf zeer ruim geformuleerde factoren
die het aantal gedetineerden dat voor elektronische detentie in aanmerking kan komen nog verder beperken (artikel 6 van het voorgestelde besluit). De meeste aandacht
heeft het voorstel getrokken om de toepassing van elektronische detentie (en andere vrijheden) af te laten hangen van het goede gedrag van de gedetineerden (artikel 6
sub b van het voorgestelde besluit), een aspect waarop wij
hierboven al ingingen. Opvallend is echter dat de beslissing tot toepassing van elektronische detentie niet alleen
zal afhangen van goed gedrag maar ook van factoren waar
de gedetineerde zelf weinig aan kan veranderen of die al
aan het begin van zijn detentie vaststaan, namelijk ‘de
aard, zwaarte en achtergronden van het gepleegde delict’
en ‘de belangen van slachtoffers en nabestaanden’ (artikel
6 onder a voorgestelde besluit). Het feit dat dergelijke factoren in de weg kunnen staan aan elektronische detentie
zal eerder een ontmoedigende dan een stimulerende uitwerking op de gedetineerde hebben, een effect dat
indruist tegen het belangrijkste uitgangspunt van de
voorgestelde wijzigingen in het detentierecht, namelijk
dat resocialisatie de eigen verantwoordelijkheid van de
gedetineerde is.
Ook moet de gedetineerde zich op basis van artikel 7
van het voorgestelde besluit bereid verklaren een aantal
voorwaarden na te leven die niet in zijn macht liggen. Bijvoorbeeld dat zijn meerderjarige huisgenoten schriftelijk
instemmen met de elektronische detentie, hij inkomen
heeft en een zinvolle dagbesteding. Op dit onderdeel gaan
wij hieronder verder in, waar het gaat over de invulling
van de elektronische detentie. Al deze voorwaarden bij
Met het ruimhartig toepassen van elektronische detentie in
de fase van de voorlopige hechtenis kunnen direct en indirect
kosten worden bespaard
2182
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
elkaar zijn volgens de staatssecretaris strikter dan die
voor toelating tot een penitentiair programma.28 Als dit
zo is, dan is dus niet te verwachten dat het aantal deelnemers aan elektronische detentie groter zal zijn dan het
aantal deelnemers aan een penitentiair programma.29 Dat
aantal stond in 2013 op 705.30
Afschaffing detentiefasering
Dat elektronische detentie uiteindelijk maar voor een kleine groep gedetineerden toegankelijk zal zijn, is met name
zo bezwaarlijk, omdat alle andere mogelijkheden zich buiten de penitentiaire inrichting voor te bereiden op een
terugkeer naar de samenleving op basis van dit wetsvoorstel wegvallen. De reden voor deze radicale streep door de
bestaande detentiefasering is dat zij ‘onvoldoende samenhang’ kent ‘en wordt gekenmerkt door een vrijblijvendheid die niet past bij een gecontroleerde terugkeer in de
samenleving’. De huidige vormen van verlof zouden ‘te
veel een vanzelfsprekendheid’ zijn geworden, zonder ‘concreet re-integratiedoel’ en het eigen gedrag en de eigen
verantwoordelijkheid van gedetineerden zouden daarin
een ’veel te beperkte rol’ spelen.31
Op dit onderdeel van het wetsvoorstel is de meeste
kritiek gekomen.32 Voor de Raad van State was het de
belangrijkste reden niet positief op het voorstel te kunnen
reageren. Hij was van mening dat in het oorspronkelijke
wetsvoorstel en de toelichting het gebrek aan effectiviteit
van het huidige systeem onvoldoende werd onderbouwd
en dat op geen enkele wijze werd gemotiveerd hoe
afschaffing van de detentiefasering en het penitentiair
programma en vervanging door elektronische detentie
wél zouden leiden tot vermindering van recidive.33 Voor
de RSJ woog met name zwaar dat ‘door bepaalde categorieen gedetineerden van elektronische detentie uit te sluiten
en detentiefasering voor hen volledig af te schaffen,
kwetsbare (juist risicovolle) gedetineerden vrijkomen zonder enige vorm van voorbereiding.’34
Wij kunnen aan deze argumenten slechts toevoegen
dat aan de voorgestelde invulling van elektronische detentie ten minste twee elementen ontbreken die het bestaande systeem van detentiefasering wel bergt: de geleidelijke
terugkeer naar de samenleving en het zonder direct (elektronisch) toezicht leren omgaan met vrijheden. Ook zonder sluitend wetenschappelijk bewijs kan men beredeneren dat er gerede kans bestaat dat die elementen een
positieve bijdrage zullen leveren aan een succesvolle
terugkeer naar de samenleving. Uit onderzoek komt
voorts naar voren dat een geleidelijke terugkeer naar de
samenleving, mits onder begeleiding, het risico op recidive kan terugdringen.35 De aangenomen motie van het
Kamerlid Kooiman om ‘te onderzoeken of er een mogelijkheid bestaat voor re-integratieverlof in de intramurale
fase’36 heeft intussen niet tot enige versoepeling geleid.
De staatssecretaris schrijft namelijk dat voor het regelen
van de praktische zaken die voor terugkeer in de vrije
samenleving noodzakelijk zijn, zoals het voeren van een
sollicitatiegesprek, de aanvraag van een paspoort en het
bezichtigen van een nieuwe woning, het incidenteel verlof
kan worden ingezet.37 Het kan echter moeilijk worden volgehouden dat deze korte onderbrekingen van de algehele
onvrijheid leiden tot een geleidelijke gewenning aan de
vrije maatschappij, dat wil zeggen aan de mensen waartussen en de omgeving waarin de gedetineerde straks
terugkeert.
Om de groep ‘niet-ED-ers’ te kunnen controleren als
zij hun eerste schreden weer buiten zetten, kan alleen nog
de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) worden ingezet.
Aan VI kunnen immers bijzondere voorwaarden worden
verbonden welke weer kunnen worden gecontroleerd met
elektronisch toezicht (artikel 15a lid 4 Sr). Dat dit inderdaad de bedoeling is, blijkt uit het antwoord van de staatssecretaris aan de Eerste Kamer: ‘Voor hen geldt dat de
noodzakelijke resocialisatieactiviteiten dan tijdens de
voorwaardelijke invrijheidsstelling (indien van toepassing) moeten plaatsvinden in de vorm van bijzondere
voorwaarden, zo nodig in combinatie met elektronisch
toezicht’.38 De voorgestelde nieuwe weigeringsgrond voor
VI (artikel lid 1 onder f) is kennelijk bedoeld om dit nieuwe beleid te ondersteunen. De bepaling houdt in dat de VI
kan worden uitgesteld of achterwege worden gelaten
indien ‘de veroordeelde onvoldoende heeft doen blijken
van zijn geschiktheid tot terugkeer in de samenleving’. De
staatssecretaris meent de gedetineerde aldus te kunnen
activeren tot goed gedrag. ‘Van een gedetineerde wordt
eigen inzet verwacht voor de voorbereiding op de terugkeer in de samenleving. Gedetineerden die zich daarvoor
niet of niet in voldoende mate inzetten lopen het risico
dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld
of achterwege blijft’.39 Het is echter naar onze mening een
oneigenlijk gebruik van de VI. Ten eerste is VI bedoeld ter
21. Kamerstukken II 2013/2014, 33745, 3,
lands. European Journal of Probation, 4(3),
l&HD=140817-
M. Nagtegaal, ‘Herinvoering van elektroni-
p. 6.
p. 54-68.
1724&HDR=G3,G1,G4&STB=T,G2.
sche detentie in Nederland: oude kleren in
22. Council of Europe, Annual Penal Statis-
27. Advies RSJ bij het Ontwerpbesluit tot
31. Kamerstukken II 2013/2014, 33745, 3,
een nieuw jasje?’, Sancties (2014)3, p.
tics: SPACE I-2010, 28 maart 2012, pag. 84
wijziging van de Penitentiaire maatregel en
p. 2.
167-178.
(table 5), met dank aan Y. Buruma, ‘Voor-
het Besluit extramurale vrijheidsbeneming
32. Zie bijv. het advies van de RSJ op het
36. Kamerstukken II 2013-14, 33745, 27,
af’, NJB 2013/1929, afl. 31, p. 2129.
en sociale zekerheid, 16 juni 2014, p. 4.
Masterplan DJI van 2 mei 2013, het Advies
Handelingen II 2013/14, 80, 21, p. 1.
23. Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p.
28. Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p.
van de Raad voor de rechtspraak van 6 mei
37. Brief van de staatssecretaris, 24 juni
31.
10.
2013 (advies nr. 2013/13) en H.J.B. Sac-
2014, Kamerstukken I 2013/14, 33745, 31.
24. Zie noot 18.
29. De bewindsman heeft laten berekenen
kers, ‘Grafrede voor de detentiefasering’,
38. Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p.
25. Advies Ontwerpbesluit tot wijziging van
dat het aantal van 700 zal uitlopen tot 850,
Sancties 2013, afl. 6, p. 298-302.
20 en 26.
de Penitentiaire maatregel en het Besluit
Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p. 26.
33. Kamerstukken II 2013/2014, 33745 , 4,
39. Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p.
extramurale vrijheidsbeneming en sociale
30. CBS, 21 augustus 2014: http://statline.
p. 2.
21, zie ook Kamerstukken II 2013/14,
zekerheid, 16 juni 2014, p. 2.
cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=
34. RSJ, Advies Masterplan DJI, 2 mei 2013,
33745, 3, p. 21.
26. M. Boone & M. Kox (2012). What
SLNL&PA=37264&D1=0-
p. 5.
Works for irregular migrants in the Nether-
6&D2=0&D3=a&D4=0&D5=(l-9)-
35. Zie de literatuur die wordt genoemd in
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2183
Indien de VI-regeling op deze
manier wordt ingezet, betekent dit
voor een grote groep gedetineerden
een verzwaring van de straf
voorkoming van recidive40 en niet ter afstraffing van het
tonen van ‘verkeerd gedrag’ (kwalificatie van de bewindsman)41 tijdens detentie. In de tweede plaats zal niet iedereen aan de norm van ‘goed gedrag’ kunnen voldoen, zoals
wij hierboven reeds hebben betoogd. Indien de VI-regeling
op deze manier wordt ingezet, betekent dit voor een grote
groep gedetineerden een verzwaring van de straf.42 De
controle en begeleiding die op dit moment plaatsvinden
tijdens de detentiefasering (dus vóór de VI) worden dan
immers verplaatst tot na de VI-datum.
Voor degenen die niet in aanmerking komen voor ED
ten slotte en die een kortere straf hebben dan een jaar
– waardoor zij ook niet in aanmerking komen voor VI – is
de overgang naar de vrije maatschappij zelfs in het geheel
niet meer te begeleiden, niet door middel van detentiefasering en niet door middel van bijzondere voorwaarden.
Hun detentie eindigt abrupt, zonder enige gewenning. Dat
dit geen positieve invloed zal hebben op de vermindering
van recidive weet ook de bewindsman.43
Programma ED
Zelfs als gedetineerden door de strenge selectieprocedure
heenkomen, is het de vraag hoe succesvol zij de elektronische detentie zullen doorlopen. Gelukkig is nu wel duidelijk geworden dat kale elektronische detentie niet toegepast zal worden; er zal tenminste sprake moeten zijn van
een zinvolle dagbesteding van 26 uur per week (artikel 7
lid 2 sub e ontwerp Besluit). Volgens hetzelfde artikel uit
het Besluit beschikt de deelnemer tijdens elektronische
detentie over inkomen uit (legale) arbeid of een uitkering.
Vanzelfsprekende voorwaarden, maar hoe ze moeten worden gerealiseerd, wordt uit de toelichting op het ontwerp
Besluit niet duidelijk. Als hierbij onverkort wordt vastgehouden aan het uitgangspunt van eigen verantwoordelijkheid, vermoeden wij dat de route terug naar de inrichting
voor sommigen zeer kort zal zijn.
De deelnemer staat tijdens de elektronische detentie
voortdurend onder toezicht en volgens de nota van toelichting op het besluit is geen enkele overtreding toelaatbaar (p. 8). Dit leidt tot wat criminologen de handhavingsparadox noemen. Wanneer het toezicht toeneemt,
worden meer overtredingen geconstateerd en lijkt het
afkeurenswaardige gedrag toe te nemen. De vraag is ook
hoe zinvol het is het elektronisch toezicht gedurende de
hele periode door te laten lopen. Voor gedetineerden die
een langere straf opgelegd hebben gekregen, zou er toch
een moment moeten zijn waarop vertrouwen getoond
wordt en het elektronisch toezicht wordt stopgezet. De RSJ
heeft geadviseerd voorlopig een maximumduur van zes
maanden in de wet op te nemen,44 terwijl de staatssecretaris in de memorie van antwoord spreekt van een gemiddelde duur van vijf-zes maanden (p. 19). Een laatste factor
die wij willen noemen, omdat die het risico op voortijdige
beëindiging van de elektronische detentie zou kunnen
bespoedigen, betreft de invloed van meerderjarige huisgenoten. Deze moeten niet alleen (allemaal) schriftelijk toestemming geven voor de elektronische detentie, maar
kunnen die ook gaandeweg het traject intrekken. Weliswaar zal daarover het gesprek met de huisgen(o)ot(en)
worden aangegaan, maar uit de memorie kan niet worden
opgemaakt wie het laatste woord heeft.
3. Slot
Het gevangeniswezen is aan een grondige herziening toe.
Niet vanwege noodzakelijke bezuinigingen of een economische crisis, maar omdat het op grote schaal opsluiten van
mensen die een strafbaar feit hebben begaan, niet meer van
deze tijd is. De meeste gedetineerden slijten hun dagen nog
steeds in ledigheid in benauwde en vaak stinkende cellen
waarin zij straks 120 dan wel 125 uur per week moeten
doorbrengen en die de Nederlandse staat zo’n € 200 per dag
kosten. Even leek het er op dat onderhavig wetsvoorstel de
basis zou vormen voor een revolutionair andere invulling
van de vrijheidsstraf die, mits zorgvuldig toegepast, veel
nadelen die kleven aan de korte gevangenisstraf zou kunnen ondervangen. Het uitgeklede voorstel dat nu ter beoordeling bij de Eerste Kamer ligt, is het echter niet waard de
parel van het Nederlandse gevangeniswezen, de detentiefasering, te vervangen. Detentiefasering bood tot voor kort
bijna alle gedetineerden de mogelijkheid om in de laatste
fase van hun detentie (maximaal) zes lange weekenden
naar huis te gaan en voor een kleiner aantal om maandelijks of wekelijks het weekend thuis door te brengen om te
wennen aan de vrije samenleving. Daarnaast was er een
kleine groep van uitverkorenen die een deel van hun straf
thuis mocht doorbrengen als deelnemer aan een penitentiair programma, niet eens onder continu elektronisch toezicht. Dit geleidelijk toekennen van vrijheden aan de meerderheid van de gedetineerden, wordt nu vervangen door
een systeem waarin een selectieve groep gedetineerden
onder permanent toezicht in de vrije samenleving mag
‘oefenen’, terwijl het merendeel rigoureus de overgang van
onvrijheid naar vrijheid zal moeten maken, dan wel onderworpen zal worden aan voorwaarden tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling die voorheen achterwege zouden zijn
gebleven. Van een dergelijk systeem kan noch kostenbesparing noch recidivevermindering worden verwacht. Het zou
dan ook niet op deze manier moeten worden ingevoerd.
40. W.F. van Hattum, ‘De tenuitvoerlegging
ten’, NJB 2014/565, afl. 11, p. 692-700, in
geschorst.
Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p. 16.
van de straf van Volkert van der G. Over de
het bijzonder p. 696. Vanuit dit perspectief
41. Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p.
43. Kamerstukken I 2013/14, 33745, C, p.
rol van de bewindspersoon, het wetsvoor-
heeft Rb Den Haag op 30 juli 2014,
23.
7 bovenaan en p. 21.
stel herijking tenuitvoerlegging vrijheidsbe-
ECLI:NL:RBDHA:2014:9411, de aan Volkert
42. Denk aan degenen met een verstande-
44. RSJ, Advies van 2 mei 2013, Advies
nemende sancties en de terugwerkende
van der G. opgelegde voorwaarden van
lijke handicap. Ook voor hen heeft de
Elektronische Detentie, p. 4.
kracht van de VI-regeling voor langgestraf-
elektronische toezicht en gebiedsverboden
staatssecretaris een verlengde straf in petto,
2184
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Opinie
1630
Teeven: een politieke
Houdini?
Avonturen rond de levenslange vrijheidsstraf
Romke Wybenga1
Erich Weiss, beter bekend als Houdini, slaagde erin zich uit zelfgecreëerde netelige situaties te bevrijden. De
vraag doet zich voor of ook de huidige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mr. F. Teeven, daartoe in
staat zal blijken te zijn. Daarvoor is in dit geval slechts politieke in plaats van fysieke lenigheid van node. Dat
pleit in het voordeel van de staatssecretaris. Maar is de ‘act’ überhaupt uitvoerbaar? Want ofwel buigt Teeven
door zijn beleid voor levenslanggestraften drastisch aan te passen. In dat geval haalt hij zich de toorn van een
deel van zijn kiezerspopulatie op de hals. Ofwel hij doet dat niet, met als gevolg dat hij in toenemende mate
hardhandig door rechterlijke colleges op de vingers wordt getikt.
S
inds 2005 heeft het departement dat waakt over ons
aller veiligheid als mantra gekozen ‘levenslang is
levenslang’. Dit rigide uitgangspunt blijkt onverenigbaar met artikel 3 EVRM. Dat is inmiddels door een recente
reeks van arresten van het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens, te beginnen met Vinter c.s. vs. Verenigd Koninkrijk, vast komen te staan.2 Ook aan een levenslanggestrafte mag van meet af aan enig perspectief op invrijheidsstelling niet worden onthouden. Een levenslanggestrafte moet in dat kader bovendien weten wat hij moet
doen of nalaten om zijn kansen op invrijheidsstelling op
de lange termijn te vergroten. Teeven zegt dat Nederland
aan de door het Hof uitgezette lijn voldoet, doordat altijd
gratie kan worden gevraagd, waardoor er toch enig perspectief bestaat. Ook al wordt het altijd afgewezen, met als
uitzondering dat iemand letterlijk op sterven na dood is.
Niet alleen de jurisprudentie van het EHRM zit Teeven als een graat in de keel, ook heeft hij van doen met
vervelende (want voor de positie van levenslanggestraften
positieve) adviezen en uitspraken van het Hof Den Haag,
van het Adviescollege verloftoetsing tbs (Avt),3 en last but
not least zeer recentelijk van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdhulpverlening (RSJ). De beroepscommissie uit die RSJ heeft zich over de opvattingen van Teeven
in ongebruikelijk scherpe bewoordingen uitgelaten, door
op te merken dat men van die opvattingen uitdrukkelijk
afstand neemt wegens strijdigheid met Europeesrechtelijke jurisprudentie.4
Ten aanzien van één van de twee langst zittende
levenslanggestraften, die ter behandeling in een tbs-kliniek is geplaatst, heeft de bewindspersoon zich genoodzaakt gezien adviezen in te winnen van het Avt. Daartoe
werd hij gedwongen door een arrest gewezen door het Hof
Den Haag, dat later werd bekrachtigd door de Hoge Raad.5
De adviezen van het Avt waren onveranderlijk positief.
Even onveranderlijk heeft de staatssecretaris ‘contrair’
beslist. De laatste contraire beslissing van 20 mei 2014
heeft de rechterlijke toets niet kunnen doorstaan, zoals
blijkt uit een op 10 juli 2014 door de Haagse voorzieningenrechter gewezen vonnis.6 De Staat werd bij dat vonnis
Auteur
10464/07; EHRM 20 mei 2014 (Magyar vs.
Verlofregeling TBS, voluit genaamd ‘Rege-
14/1296/GA, te raadplegen via de digitale
1. Mr. R. Wybenga is advocaat bij Wybenga
Hongarije), appl. nr. 73593/10; EHRM 8 juli
ling van de Staatssecretaris van Veiligheid
databank jurisprudentie van de RSJ.
advocaten, Rotterdam.
2014 (Harakchiev en Tolumov vs. Bulga-
en Justitie van 24 december 2010, nr.
5. HR 14 oktober 2013, NJ 2013/58 m.nt.
rije), appl. nrs. 15018/11 en 61199/12.
5679537/10/DJI, houdende regels over de
P.A.M. Mevis, waaruit tevens het arrest van
Noten
3. Het Adviescollege verloftoetsing tbs is
verlening van een machtiging tot verlof aan
het Hof is te kennen.
2. EHRM (GK) 9 juli 2013 (Vinter e.a. vs.
ingesteld ter toetsing van machtigingsaan-
het hoofd van de inrichting voor verpleging
6. Vonnis d.d. 20 mei 2014 van de Voorzie-
VK), appl. nrs. 66069/09, 130/10; EHRM
vragen van Forensische Psychiatrische Cen-
van ter beschikking gestelden’.
ningenrechter Rechtbank ’s-Gravenhage,
18 maart 2014, (Öcalan vs. Turkije), appl.
tra; de procedure aan de hand waarvan die
4. Uitspraak d.d. 21 augustus 2014 van de
ECLI:NL:RBDHA:2014:8409.
nrs. 24069/03, 197/04, 6201/06 en
toetsing geschiedt staat beschreven in de
Beroepscommissie uit de RSJ, zaaknr.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2185
Opinie
heid was gesteld tot een definitief advies te geraken. Dit
levert een schending op van artikel 4 Gratiewet dat
advisering van het gerecht verplicht stelt, waarmee de
delictsinhoud van artikel 355 Wetboek van Strafrecht
(ambtsmisdrijf) lijkt te zijn vervuld.8’ 9
In het andere voorlopig advies van het Hof Den Haag
adviseerde het hof onbegeleid verlof te laten praktiseren,
over de resultaten waarvan zou moeten worden gerapporteerd. Daaraan voegde het hof toe dat het de handelwijze van de staat jegens de betrokken levenslanggestrafte
‘niet behoorlijk’ acht.
Dat onbegeleid verlof is inmiddels mogelijk gemaakt,
waarvoor echter - zoals hierboven al bleek - rechterlijke
tussenkomst noodzakelijk was.
En nu wordt het écht moeilijk. Het ligt in de lijn van
de verwachting dat het Hof Den Haag in positieve zin zal
adviseren op het voorliggende gratieverzoek, althans als
wordt aangenomen dat het onbegeleid verlof, evenals
voorheen het begeleide verlof, incidentloos zal verlopen.
En wat dan? Is het denkbaar dat Teeven dan zal afwijken
van de ingesleten gewoonte om adviezen naast zich neer
te leggen? Is het denkbaar dat Teeven een voordracht zal
doen aan de Koning - want gratieverlening blijft immers
een prerogatief van de Kroon - om een levenslanggestrafte
gratie te verlenen? De politieke lenigheid die noodzakelijk
is voor het volvoeren van een dergelijke ‘act’ is zelfs voor
Teeven naar verwachting te veel gevraagd.
Hierdoor wordt duidelijk dat deze materie eigenlijk
niet zo geschikt is voor politieke ambtsdragers. Beter ware
Is het denkbaar dat Teeven zal
afwijken van de ingesleten
gewoonte om adviezen naast
zich neer te leggen?
© Lightspring/Shutterstock.com
opgedragen een machtiging onbegeleid verlof voor onbepaalde duur aan de kliniek te verstrekken.
Los van deze tegenslag zit het Teeven ook niet mee
waar het betreft de voorlopige adviezen van het Hof Den
Haag in een tweetal gratieprocedures van levenslanggestraften.7 In één van die zaken heeft een tot dan toe
ongekende ontwikkeling plaatsgevonden: met koninklijke
machtiging is een gratieverzoek afgewezen terwijl het
gerecht dat in laatste feitelijke instantie de straf had opgelegd, hier dus het Hof Den Haag, nog niet in de gelegen-
het om beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging
van langdurige vrijheidsstraffen te laten nemen door
rechterlijke colleges. Dat wordt ook al sedert jaar en dag
bepleit door het Forum Levenslang. Dat haalt de politieke
druk van de ketel, er zit dan wat meer lijn in, er is minder
risico op verdragsschending, en het maakt het voor populistisch aangelegde politici mogelijk om de zwarte piet
- als deze uitdrukking nog mag worden gebezigd - steeds
bij de rechterlijke macht te leggen.
7. Het gaat hier in wezen niet om voorlopi-
den niet gepubliceerd; de hier aan de orde
verwacht op 18 september 2014.
decennium geleden nog wel het geval,
ge adviezen, maar om verzoeken van het
zijnde negatieve beslissing op het gratiere-
9. Het is, los van het in de vorige noot
blijkens uitlatingen van de toenmalige
adviserende rechterlijk college om nadere
kest dateert van 10 juni 2014, het voorlopig
genoemde aspect van formele aard, zeer
Minister van Justitie (Aanhangsel Handelin-
inlichtingen te verkrijgen opdat mede op
advies van het Gerechtshof ’s-Gravenhage
opvallend dat de staatssecretaris niet langer
gen II 2003/04, 1972, antwoord vraag 6 en
basis van die nadere inlichtingen een ver-
dateert van 18 oktober 2013. De handelwij-
het uitgangspunt lijkt te eerbiedigen dat bij
zijn opvattingen zoals weergegeven in een
antwoord gratieadvies zal kunnen worden
ze van de Staat is inmiddels ter toetsing
de beslissing met betrekking tot gratiever-
rapport van de Nationale ombudsman
gegeven.
voorgelegd aan de Voorzieningenrechter
lening het advies van het adviserend
(Rapport NO 2005/233 onder I ‘Bevindin-
8. Dergelijke beslissingen en adviezen wor-
Rechtbank ’s-Gravenhage; vonnis wordt
gerecht ‘als regel’ leidend is. Dat was een
gen’).
2186
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Opinie
1631
De begrijpelijke
strafrechtszitting
Henk Elffers1
Er is heel wat meer onbegrijpelijk in de rechtszaal dan de plek waar precies een officier staat. Er is zo goed als
niets duidelijk in de rechtszaal, het publiek tast in het duister, en de betrokken juristen doen doorgaans geen
enkele moeite om oningewijden bij te lichten. Het is een aperte schande dat de openbare rechtszitting een
onbegrijpelijk toneelstuk is voor verdachte, benadeelden en publiek.
G
las en Verweijen maken zich in hun artikel ‘Op
gelijke voet’ in het NJB van 20 juni 2014/1175, afl.
24, p. 1612-1615, begrijpelijkerwijs zorgen over de
onhelderheid voor verdachte en publiek die de positionering van de OvJ in de rechtszaal met zich brengt. Zij beargumenteren dat ‘de fysieke plaats die de officier van justitie in de rechtszaal inneemt, verwarring [kan] scheppen’.
Aan hun betoog wil ik niets afdoen, integendeel, zij gaan
mijns inziens lang niet ver genoeg: er is heel wat meer
onbegrijpelijk in de rechtszaal dan waar precies een officier staat. Hun perspectief is veel te veel dat van de insider, ik zou al heel blij zijn als iemand op de publieke tribune zich zou blijken op te winden over de geringe
afstand tussen de tafel van het OM en die van de rechter.
Dat zou immers betekenen dat hij tenminste een idee
heeft van wie die dames en heren in toga eigenlijk zijn, en
wat de respectieve rol van een officier van justitie en een
zittende magistraat is. Veruit de meeste mensen die een
strafzitting bijwonen hebben daar niet of nauwelijks een
idee van. Hoe zouden ze ook? Niemand legt het ze uit, en
de deelnemers aan de discussie in de rechtszaal hebben
vaak geen idee dat hun jargon abracadabra is voor ongeveer iedereen die geen togaberoep uitoefent of anderszins
een habitué in de rechtszaal is. De stelling van Glas & Verweijen dat uit een veronderstelde ontwikkeling naar een
meer adversair strafproces de noodzaak ontstaat om helderheid te scheppen over de rol van het Openbaar Ministerie laat ik voor wat hij is: de gedachte dat publiek, verdachte en slachtoffer ook maar het flauwste idee van die
ontwikkeling zouden hebben lijkt me volstrekt illusoir.
Er is veel meer aan de hand dan dat de positie van de officier van justitie onduidelijk zou zijn. Er is zo goed als
niets duidelijk in de rechtszaal, het publiek tast in het
duister, en de betrokken juristen doen doorgaans geen
enkele moeite om oningewijden bij te lichten. Zij zijn zich
klaarblijkelijk nagenoeg niet bewust van het feit dat ande-
Voor de meeste toeschouwers is
een rechtszaak een toneelstuk
in een vreemde taal waarvan
ze slechts af en toe een woord
menen te herkennen
ren dan de hoofdrolspelers in een strafzitting geen idee
hebben van het scenario, zodat zij wat zich afspeelt niet
kunnen plaatsen. Voor de meeste toeschouwers is een
rechtszaak een toneelstuk in een vreemde taal waarvan ze
slechts af en toe een woord menen te herkennen. Zou dat
anders en beter kunnen? Ja, natuurlijk, als de spelers in
het strafproces, in de eerste plaats de rechters, maar ook
officieren en advocaten, daarvoor een minimum aan
moeite zouden willen doen, en de zitting gericht zou zijn
op het publiek in plaats van op de professionals. Ik bied
hier een korte schets aan van hoe een publieksgerichte
rechtszitting eruit zou kunnen zien.
Bij de ingang van het gerechtsgebouw hangt een TVscherm, met daarop de voor die dag geroosterde zaken:
‘9.00: strafzaak tegen de heer J. Jansen, zaal A; 9.15: strafzaak tegen mevrouw P. Pietersen, zaal B’, enz. Net als op
een station verschijnen er zo nodig vertragingsberichten:
‘deze zaak begint nu om 9.30’. Bij het binnenkomen zien
we links een persoon (van wie de ingewijden weten dat
het de officier van justitie is) zitten achter een bureautje
Auteur
pleging aan de Vrije Universiteit Amster-
1. Prof. dr. H. Elffers is emeritus hoogleraar
dam.
empirische bestudering van de strafrechts-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2187
Opinie
met een duidelijk leesbaar bordje ‘AANKLAGER’ en zijn
naam. Recht tegenover hem staat een identiek bureautje
met het bordje ‘VERDEDIGER’ met diens naam. In het
midden staan de aaneengesloten bureaus van de rechter
of rechters. Is het een alleenzittende rechter dan staat
daar een bordje ‘RECHTER’ met naam, is het een meervoudige kamer, dan staan er drie bordjes, het middelste
‘RECHTER (voorzitter)’. Men spreekt niet over ‘de rechtbank’, maar over ‘de rechter(s)’, de rechter zelf spreekt
gewoon over ‘ik’ of ‘wij’, termen als ‘politierechter’, ‘unus’,
‘enkelvoudige’ of ‘meervoudige kamer’ worden gemeden.
Iedereen heeft zich aangewend om de aanklager ook met
die term aan te duiden, verwarrende jargontermen als
‘officier’, ‘OvJ’ of ‘het Openbaar Ministerie’ worden niet
gebruikt, dat doe je maar als je met juristen onder elkaar
bent. Allen noemen de verdediger bij die naam, en laten
‘raadsman’ of ‘raadsvrouw’ achterwege. In hoger beroep
gebruikt men dezelfde termen, archaïsmen als ‘raadsheer’,
laat staan het onbegrijpelijke ‘advocaat-generaal’ en ‘A-G’,
worden gemeden.
Het zijn simpele dingen,
voortkomend uit een elementair
gevoel van wellevendheid jegens
de niet-professionele aanwezigen
Rechts van de rechter(s), gezien vanuit het publiek,
zit de ‘SECRETARIS’ met naam, achter een losstaand
bureautje in één lijn met dat van de rechter. Hij wordt en
public nimmer ‘griffier’ genoemd.
Om het verschil in rollen van deze functionarissen te
benadrukken dragen zij verschillend gekleurde toga’s: de
aanklager rood, de verdediger groen, de rechters zwart, en
de secretaris grijs. Die verschillend gekleurde toga’s maken
heel wat duidelijker dan een lager podiumpje, of een
minimale afstand tussen tafeltjes dat de functionarissen
verschillende rollen hebben te vervullen. De verdachte
neemt plaats achter een tafeltje vlakbij zijn verdediger. In
veel rechtszalen kijkt het publiek de verdachte op de rug,
daarom torent het bordje ‘VERDACHTE’ ruim boven zijn
hoofd uit met de letters naar de tribune. Zo nodig is er
ook nog een tafeltje met een bordje ‘GETUIGE’.
Zodra iedereen binnen is, legt de voorzitter uit wie
daar allemaal zitten. Hij laat weten dat de aanklager (in
het rood), namens het Nederlandse volk, de verdachte zal
beschuldigen en zal proberen aan te tonen dat de verdachte gedaan heeft waarvan hij wordt beschuldigd. Hij
introduceert vervolgens de verdediger (groen), en vertelt
dat die opkomt voor de verdachte, om diens standpunt zo
2188
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
goed mogelijk naar voren te brengen. Dan vertelt hij dat
hijzelf de leiding van de zitting heeft, door verhoren zal
trachten erachter te komen of de aanklager gelijk heeft en
zal luisteren naar wat de verdediger daaromtrent naar
voren brengt. Ten behoeve van het publiek legt de voorzitter ook even uit dat hij al beschikt over een kloek dossier
en dat wat hier en nu gaat gebeuren bedoeld is om onduidelijke of betwiste punten in het dossier verder uit te zoeken. Ook introduceert hij de secretaris (grijs), en vertelt
dat een geluidsopname van de zitting enkele uren na
afloop op de website van de rechtbank wordt gezet, nadat
privacygevoelige elementen zijn verwijderd.
De voorzitter legt bij elke stap in het proces kort uit
wat er gaat gebeuren, en op een duidelijk voor de verdachte en publieke tribune zichtbaar scherm staan de stappen
opgesomd, een pijltje wijst aan waar we nu zijn. Eerst zal
de aanklager een toespraak houden (‘AANKLACHT’
genoemd, de term tenlastelegging kunnen we missen)
waarin hij uitlegt waar hij de verdachte van beschuldigt.
De rechter zal de verdachte en getuigen ondervragen (vermijd ‘onderzoek ter zitting’). De aanklager gaat samenvatten waarom hij vindt dat de beschuldiging hout snijdt en
welke straf hij passend vindt (‘STRAFEIS’, vermijd ‘requisitoir’). De verdediger houdt een toespraak (‘VERDEDIGING’,
vermijd ‘pleidooi’) zeggende wat de verdachte ervan denkt
en hoe hij tegen de strafeis aankijkt. Dan vertelt de voorzitter wanneer hij de ‘BESLISSING’ zal meedelen (vermijd ‘uitspraak’, ‘vonnis’, ‘raadkamer’, ‘schorsen’). Al die toespraken
en te zijner tijd ook de beslissing van de rechter verschijnen natuurlijk onverwijld op de website van de rechtbank.
Als we deze regie aanhouden, begrijpen dan alle
leken in de rechtszaal, onder wie de verdachte, wat er
gebeurt? Vast niet voor honderd procent, maar toch
allicht heel wat beter dan als de rechter niets uitlegt of
zich in geheimtaal hult van het type ‘dan is het woord nu
aan het Openbaar Ministerie voor het requisitoir’ of ‘even
voor de griffier, heeft de raadsman ook een pleitnotitie?’.
Het zijn simpele dingen, voortkomend uit een elementair
gevoel van wellevendheid jegens de niet-professionele
aanwezigen. Vergelijk het met wat u zou doen als u een
collega uit het buitenland een rechtszitting toont, dan
gaat u ook bij elke stap even in zijn oor fluisteren wat er
nu aan de orde is.
Natuurlijk is bovenstaande schets nogal ruw, en het
wordt voor de rechter nog een hele toer om de betrokkenen ook te laten weten wat er allemaal gebeurt als er juridische finesses aan de orde komen (voeging, aanhouding,
verstek, slachtofferverklaring, uitsluiting van bewijs, deskundigenverklaring, wraking, …). Maar laten we eerst eens
proberen de dertien-in-een-dozijn rechtszaken begrijpelijk
voor verdachte, benadeelden en publiek te maken. Rechters, OM, balie, u bent aan zet, gezamenlijk en ieder apart:
doe iets! Het is toch een aperte schande dat de openbare
rechtszitting een onbegrijpelijk toneelstuk is? En, zodra u
iets doet, begeleid het met onderzoek. Dan kan blijken of
het helpt.
Rechtspraak
Aanbevolen citeerwijze:
C. Uitspraak van het Hof
D. Slotsom
NJB 2014/ … (nummer uitspraak)
(Vierde Kamer: Ziemele (president), Hirvelä,
Het Hof verklaart de klacht over de EDF-sta-
Nicolaou, Bianku, Mahoney, Wojtyczek,
king unaniem niet-ontvankelijk, en oordeelt
EHRM
2189
Vehabović)
dat eveneens eenstemmig terzake van de
Hof van Justitie EU
2190
De klacht naar aanleiding van de EDF-staking
Hydrex-staking. Aan de uitspraak zijn de con-
Hoge Raad (civiele kamer)
2191
wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er
curring opinions van Ziemel, Hirvelä, Bianku
Hoge Raad (strafkamer)
2195
twee maanden later alsnog succesvolle acties
en Wojtyczek gevoegd.
Afd. bestuursrechtspraak RvS
2197
zijn geweest. Dan acht het Hof het kunstma-
Centrale Raad van Beroep
2198
tig om de klacht alsnog, dus los van concrete
College Beroep bedrijfsleven
2199
feiten te behandelen. De klacht over het
1633
tegengaan van solidariteitsacties is wel ontvankelijk.
17 april 2014, appl. nr. 68780/10
Europees Hof voor de
Rechten van de Mens
Anders dan de regering betoogde, schaart het
Hof solidariteitsacties onder het bereik van
Art. 2 EVRM. Het doodschieten van een
Deze rubriek wordt verzorgd door onderzoe-
artikel 11 EVRM. Met een meer strikte inter-
geboeide arrestant tijdens diens poging
kers van de Universiteit Leiden, de VU Amster-
pretatie, zo overweegt het Hof, zou het EVRM
tot ontsnapping uit het bureau van de
dam en de RU Nijmegen. Onderstaande bewer-
internationaal ongebruikelijk uit de pas gaan
gendarmerie vormt excessief gebruik van
kingen zijn verzorgd door mr. G. Boogaard en
lopen. Gegeven de inmenging resteert de
dodelijk geweld. Schending.
mw. mr. F.M.J. den Houdijker (Universiteit Lei-
beoordeling van de beperking. In dat kader
den). Alle uitspraken van het EHRM staan op
merkt het Hof op dat vakbonden onder het
www.echr.coe.int; een selectie verschijnt uitein-
EVRM de mogelijkheid moeten hebben om
delijk in Reports of Judgments and Decisions.
de belangen van hun leden in collectieve
De uitspraken van kamers van het EHRM wor-
onderhandelingen te behartigen en dat dit
den drie maanden na de uitspraakdatum defi-
hier grosso modo wel het geval is geweest.
A. Feiten
nitief, tenzij er intern appel wordt ingesteld bij
Het gaat hier, anders dan in de door de vak-
Klagers zijn allen familieleden van Joseph
de Grote Kamer van het Hof.
bond aangevoerde zaken, niet om het verbie-
Guerdner. Laatstgenoemde wordt in mei
den van een vakbond of iets dergelijks. Bij
2008 op het bureau van de gendarmerie te
het bepalen van wat vakbonden allemaal pre-
Brignoles verhoord over zijn betrokkenheid
cies moeten mogen, komt de Staten relatief
bij een serie in vereniging gepleegde gewa-
veel beleidsvrijheid toe, gegeven de onderlin-
pende overvallen gepaard gaande met ont-
ge verschillen tussen de Staten en het sociaal
voering en vrijheidsberoving. Omdat Guerd-
en politiek gevoelige karakter van de mate-
ner als gevaarlijk te boek staat, wordt hij niet
Art. 11 EVRM. Uitzonderlijk strenge
rie. Dat gezegd hebbend, noteert het Hof ook
alleen aan beide polsen, maar ook aan zijn
regeling van solidariteitsacties valt nog
de argumenten die voor het constateren van
rechterenkel geboeid. Tijdens een rookpauze
binnen de beleidsvrijheid van Staten.
een schending pleiten. De Britse regeling is
op de gang weet hij desondanks te ontsnap-
Geen schending.
relatief streng en wordt nogal bekritiseerd
pen door uit een raam te springen. Gendar-
door de ILO en door het Europees Comité
me C.M. die op dat moment over Guerdner
voor Sociale Rechten onder artikel 6 lid 4
de wacht houdt, vuurt vanuit het raam meer-
ESH. Hoewel dergelijke interpretaties formeel
dere schoten af op de vluchtende Guerdner,
National Union of Rail, Maritime and
niet beslissend of bindend zijn, bevestigen ze
die kort daarna overlijdt. C.M. wordt straf-
Transport Workers vs. Verenigd Koninkrijk
wel een trend en een consensus die als zoda-
rechtelijk vervolgd, maar uiteindelijk vrijge-
nig relevant is voor de interpretatie van het
sproken van in het ambt gepleegde dood
A. Feiten
EVRM. Daarna buigt het Hof de redenering
door schuld, omdat hij conform de van toe-
Klager is een transportvakbond met meer
terug naar de feiten van het geval. Een aantal
passing zijnde wet- en regelgeving heeft
dan 80 000 leden. Zij klaagden over wettelijke
van de algemene argumenten die de vak-
gehandeld.
beperkingen bij het behartigen van de belan-
bond heeft ingebracht tegen de Britse rege-
gen van hun leden in twee specifieke geval-
ling hebben niet echt betrekking op het de
B. Procedure
len. Allereerst betrof dat de ‘EDF-staking’, die
feiten van het voorliggende geval. Het perso-
Klagers dienen op 9 november 2010 een ver-
werd verboden omdat bij de aankondiging
neelsbeleid bij Hydrex was bijvoorbeeld niet
zoekschrift in bij het Hof. Zij stellen dat het
onvoldoende was gespecifieerd welke catego-
specifiek ingericht op het zoveel mogelijk
overlijden van hun naaste het gevolg is van
rieën werknemers zouden gaan staken. In de
bemoeilijken van het werk van een vakbond.
excessief geweld van de gendarme en dat het
tweede plaats ging het om de ‘Hydrex-sta-
Zelfs de stelling dat de vakbond wel succesvol
onderzoek naar de omstandigheden rondom
king,’ waarbij geen solidariteitsacties moch-
zou zijn geweest als ze wel solidariteitsacties
het overlijden en de daaropvolgende rechts-
ten worden georganiseerd.
hadden mogen uitroepen, blijft speculatie.
zaak niet onpartijdig zijn geweest. Klagers
Dat brengt het Hof tot de zorgvuldig gefor-
beroepen zich hierbij op artikel 2 EVRM.
1632
8 april 2014, appl. nr. 31045/10
(EVRM art. 11)
(EVRM art. 2)
Guerdner e.a. vs. Frankrijk
B. Procedure
muleerde conclusie dat niet gezegd kan wor-
Op 1 juni 2010 diende de vakbond een ver-
den dat in de feiten van dit geval een schen-
C. Uitspraak van het Hof
zoekschrift bij het EHRM in, stellende dat de
ding van artikel 11 EVRM besloten ligt,
(Vijfde Kamer: Villiger (President),
wettelijke regelingen van het stakingsrecht,
waarbij het Hof nog ten overvloede opmerkt
Power-Forde, Yudkivska, De Gaetano, Potocki,
zoals die hadden uitgewerkt in de beide con-
dat die conclusie niet mag worden gebruikt
Jäderblom en Pejchal)
crete gevallen, een schending van artikel 11
ter afwering van de kritiek van het ILO en
Het Hof behandelt de klacht onder artikel 2
EVRM vormden.
het ECSR.
lid 2 sub b EVRM (beroving van het leven is
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2189
Rechtspraak
niet in strijd met artikel 2 EVRM indien dit
de vijandige houding van de rechterlijke
inbreuk maakt op hun auteursrechten. Voor
het gevolg is van het gebruik van geweld, dat
autoriteiten jegens de Romagemeenschap,
de Belgische rechter vorderen zij Deckmyn
absoluut noodzakelijk is om, onder andere,
waartoe Guerdner behoorde.
en het Vrijheidsfonds te veroordelen tot staking van het gebruik van de tekening. Deck-
het ontsnappen van iemand die op rechtmatige wijze is gedetineerd, te voorkomen). Het
D. Slotsom
myn en het Vrijheidsfonds voeren aan dat de
Hof oordeelt in dit verband in de eerste
Het Hof oordeelt unaniem dat sprake is van
tekening een politieke spotprent is en dus
plaats dat de dood van Guerdner niet werd
een schending van (de materiële component
een toegelaten parodie betreft in de zin van
veroorzaakt door het ontbreken van duidelij-
van) artikel 2 EVRM, wegens het gebruik van
art. 5 lid 3 sub k Richtlijn 2001/29 betreffen-
ke regels omtrent het gebruik van vuurwa-
dodelijk geweld. Het Hof kent alle klagers een
de de harmonisatie van bepaalde aspecten
pens door de gendarmerie of door het ont-
immateriële schadevergoeding toe.
van het auteursrecht en de naburige rechten
in de informatiemaatschappij (PbEG L 167, p.
breken van een duidelijke interne
10, hierna: de auteursrechtrichtlijn).
handhavingsstructuur. Het Hof brengt versnapte: door op een hoogte van 4,60 meter
Hof van Justitie van de
Europese Unie
Prejudiciële vragen
uit een raam van een bureau van de gendar-
Deze rubriek is verzorgd door M. Bulterman,
Het Hof van Beroep te Brussel legt het Hof
merie te springen, waar hij al 48 uur onder
medewerker van de Directie Juridische Zaken,
de vraag voor of het begrip parodie uit arti-
toezicht stond en dit - vanwege zijn juridi-
Afdeling Europees Recht van het Ministerie
kel 5, lid 3, sub k, van de auteursrechtricht-
sche antecedenten en zijn gedrag sinds zijn
van Buitenlandse Zaken. De volledige uit-
lijn een autonoom Unierechtelijk begrip is.
arrestatie - zelfs voortdurend geboeid aan
spraken van het EU-Hof zijn beschikbaar via
Bij een bevestigend antwoord wil de verwij-
polsen en één been. Hieruit volgt in de eer-
www.curia.europa.eu.
zende rechter weten hoe de in artikel 5, lid 3,
volgens in herinnering hoe Guerdner ont-
ste plaats dat de gendarmes meer waakzaamheid hadden moeten betrachten ter
voorkoming van Guerdners vlucht. Daar-
sub k, van de auteursrechtrichtlijn voorziene
1634
naast kon Guerdner, die niet gewapend en
worden opgevat. Hij wil met name weten of
aan de volgende voorwaarden moet zijn vol-
wel geboeid was, nauwelijks een directe
bedreiging voor het leven of de fysieke vei-
beperking ten aanzien van de parodie moet
daan: het vertonen van een eigen oorspronArrest van 3 september 2014, nr. C-201/13
ligheid van anderen vormen. Bovendien
kelijk karakter (originaliteit); en wel zodanig
dat de parodie redelijkerwijze niet aan de
bevond hij zich na zijn sprong op de binnen-
(Grote kamer: V. Skouris, president, K.
auteur van het oorspronkelijke werk kan toe-
plaats van een bureau waar C.M. bekend was.
Lenaerts, vicepresident, R. Silva de
geschreven worden; erop gericht zijn om aan
Dat Guerdner zijn vlucht ook na de eerste
Lapuerta, M. Ilešič, L. Bay Larsen, A. Borg
humor te doen of de spot te drijven, onge-
drie door C.M. afgevuurde schoten, voortzet-
Barthet, M. Safjan, kamerpresidenten, A.
acht of de daarbij eventueel geuite kritiek
te, vormt onvoldoende reden voor de conclu-
Rosas, G. Arestis, D. Šváby, A. Prechal
het oorspronkelijke werk of iets dan wel
sie dat hij gevaarlijk was en dat het misluk-
(rapporteur), C. Vajda, S. Rodin, rechters)
iemand anders raakt; de bron vermelden van
ken van een arrestatie onomkeerbare
het geparodieerde werk.
negatieve gevolgen zou hebben. En zelfs als
Auteursrecht en naburige rechten. Repro-
de eerste drie schoten waren bedoeld als
ductierecht. Beperkingen en restricties.
De uitspraak van het Hof
waarschuwing, was er geen reden voor aan-
Begrip parodie. Autonoom Unierechtelijk
In antwoord op de eerste vraag merkt het
vullende schoten. Uit het dossier blijkt dat
begrip.
Hof op dat de eenvormige toepassing van het
C.M. in het beperkte avondlicht niet nauwkeurig kon richten en uit het ballistisch rap-
Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen
(Richtlijn 2001/29/EG)
port blijkt dat C.M. Guerdner ook niet blijkt
dat de bewoordingen van een bepaling van
Unierecht die voor de betekenis en de draag-
te hebben geraakt waar hij hem volgens zijn
Johan Deckmyn & Vrijheidsfonds VZW vs.
wijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht
verklaringen zou hebben geraakt. Het Hof is
Helena Vandersteen e.a.
van de lidstaten verwijst, normaliter in de
er onder al deze omstandigheden niet van
gehele Europese Unie autonoom en uniform
overtuigd dat het tegen Guerdner gebruikte
Feiten en nationale procedure
worden uitgelegd, rekening houdend met de
geweld voortkwam uit een gegronde vrees
Deckmyn is lid van het Vlaams Belang. Het
context van de bepaling en het doel van de
dat hij een dermate grote bedreiging vorm-
Vrijheidsfonds financiert deze partij. Deck-
betrokken regeling (arrest Padawan,
de dat het gebruik van dodelijk geweld
myn heeft op de nieuwjaarsreceptie van de
C-467/08, punt 32). Het begrip ‘parodie’
gerechtvaardigd was. Nu het slechts dertien
stad Gent kalenders uitgedeeld. Op de voor-
vormt dus een autonoom Unierechtelijk
seconden kostte om van het raam boven
kant van de kalenders stond een tekening die
begrip. Het gegeven dat dit begrip is opgeno-
naar de binnenplaats beneden te lopen en er
erg lijkt op de afbeelding op de voorzijde van
men in een bepaling die voorziet in een
ter plaatse veel gendarmes aanwezig waren,
het Suske en Wiske stripalbum ‘De Wilde
facultatieve beperking maakt dit niet anders.
waren er bovendien voldoende andere
Weldoener’. De door Willy Vandersteen in
In antwoord op de vraag naar de uitleg van
manieren om Guerdner te arresteren. Gelet
1961 creëerde tekening toont Lambik in een
de beperking op het auteursrecht ten aan-
hierop is sprake van een schending van de
wit gewaad terwijl hij muntstukken uit-
zien van de parodie merkt het Hof op dat de
materiële component van artikel 2 EVRM.
strooit. In de versie op de kalenders is Lam-
wezenlijke kenmerken van een parodie erin
Van een schending van de procedurele com-
bik vervangen door de burgemeester van
bestaan dat, enerzijds, een bestaand werk
ponent van artikel 2 EVRM is geen sprake. Er
Gent. De personen die de muntstukken opra-
wordt nagebootst doch met duidelijke ver-
is een onafhankelijk onderzoek verricht, dat
pen zijn vervangen door gesluierde en
schillen met het bestaande werk en, ander-
voldoet aan de door het Hof in eerdere juris-
gekleurde figuren. De erven Vandersteen zijn
zijds, aan humor wordt gedaan of de spot
prudentie gestelde eisen. Het dossier geeft
van mening dat de tekening op de kalender,
wordt gedreven. Noch uit de gebruikelijke
tot slot geen blijk van de door klagers gestel-
en de mededeling ervan aan het publiek
betekenis van de term parodie, noch uit de
2190
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Rechtspraak
bewoordingen van artikel 5, lid 3, sub k, van
een autonoom Unierechtelijk begrip is.
vennootschappen, gezamenlijk aan te duiden
de auteursrechtrichtlijn blijkt dat dit begrip
Artikel 5, lid 3, sub k moet aldus worden uit-
als de Nissanvestigingen. De Renaultvestigin-
dient te voldoen aan de voorwaarden die de
gelegd dat de wezenlijke kenmerken van de
gen en de Nissanvestigingen worden geza-
verwijzende rechter in zijn tweede vraag
parodie erin bestaan dat, enerzijds, een
menlijk aangeduid als de vennootschappen.
noemt. Ook het feit dat artikel 5, lid 3, sub k,
bestaand werk wordt nagebootst doch met
In 1999 hebben de Renaultvestigingen bij
van de auteursrechtrichtlijn een beperking
duidelijke verschillen met het bestaande
akte een kredietovereenkomst gesloten met
vormt, heeft niet tot gevolg dat de werkings-
werk en, anderzijds, aan humor wordt gedaan
de bank. In 2001 hebben de Renaultvestigin-
sfeer van deze bepaling wordt verengd door
of de spot wordt gedreven. Evenwel moet de
gen bij akte pandrecht op hun voorraden en
dergelijke voorwaarden. Het Hof wijst vervol-
toepassing in een concreet geval van de
vorderingen verleend aan de bank. In 2005
gens op het doel dat wordt beoogd met arti-
beperking ten aanzien van de parodie een
hebben de vennootschappen en R bij twee
kel 5, lid 3, sub k. Zoals uit punt 3 van de
rechtvaardig evenwicht in acht nemen tus-
akten een kredietovereenkomst met de bank
considerans van de auteursrechtrichtlijn
sen, enerzijds, de belangen en rechten van de
gesloten en pandrecht aan de bank verleend.
blijkt wordt beoogd een harmonisatie tot
auteursrechthebbenden en, anderzijds, de
Alle hiervoor bedoelde akten zijn onderte-
stand te brengen die zal bijdragen tot de uit-
vrije meningsuiting van de gebruiker van
kend door X. RCI maakt deel uit van de
oefening van de vier vrijheden van de inter-
een beschermd werk die zich beroept op de
Renault S.A.S. groep en verzorgt financiering
ne markt en die past in het kader van de
beperking ten aanzien van de parodie in de
van de wederverkoop van Renault- en Nissan-
eerbiediging van de fundamentele rechtsbe-
zin van dit artikel 5, lid 3, sub k.
voertuigen op ‘kleinhandelsniveau’. Zij heeft
‘mantelovereenkomsten’ met de vennoot-
ginselen en met name de eigendom – met
schappen gesloten, telkens ondertekend door
inbegrip van de intellectuele eigendom –, de
vrije meningsuiting en het algemeen belang.
Hoge Raad (civiele kamer)
X. Hierin is bepaald dat RCI financiering ver-
Volgens het hof staat vast dat de parodie een
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. G.C.C.
schaft en dat de betreffende vennootschap
geschikt middel vormt om een mening te
Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof
‘een eerste pandrecht ten behoeve van RCI’
uiten. Zoals blijkt uit punt 31 van de conside-
van Justitie van het Caribische deel van het
vestigt op haar voorraad en vorderingen,
rans beogen voorts de bij artikel 5 van de
Koninkrijk. De uitspraken zijn integraal in te
waarbij de vennootschap verklaart dat zij
auteursrechtrichtlijn ingevoerde beperkin-
zien op www.rechtspraak.nl.
daarop niet reeds beperkte rechten heeft
gevestigd. In 2007 heeft de bank de kredietre-
gen een rechtvaardig evenwicht te waarborgen tussen met name de rechten en de
belangen van de auteurs enerzijds en die van
1635
latie met de vennootschappen opgezegd en
executoriaal pandbeslag gelegd op onder
meer de voertuigen van de vennootschap-
de gebruikers van beschermd materiaal
anderzijds (reeds aangehaald arrest Padawan,
5 september 2014, nr. 13/03116
pen. RCI heeft executoriaal pandbeslag
punt 43). Om na te gaan of de toepassing in
(Mrs. F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp, C.E.
gelegd op de door haar gefinancierde voer-
een concreet geval dit rechtvaardige even-
Drion, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek;
tuigen. De voertuigen zijn openbaar ver-
wicht in acht neemt, moet met alle omstan-
A-G mr. J. Spier)
kocht. Van de veilingopbrengst is ruim € 3
digheden van het geval rekening worden
ECLI:NL:HR:2014:2627
miljoen uitgekeerd aan de bank en ruim € 1
miljoen aan RCI. De vennootschappen zijn in
gehouden. Het Hof merkt op dat volgens de
erven Vandersteen, omdat in de in het hoofd-
Aan een bestuurder van een aantal beslo-
staat van faillissement verklaard.
geding aan de orde zijnde tekening de perso-
ten vennootschappen wordt verweten dat
In dit geding heeft RCI betaling van bijna € 2
nen die in het oorspronkelijke werk de munt-
hij namens de vennootschappen de ver-
miljoen gevorderd op grond van haar stelling
stukken oprapen zijn vervangen door
plichting is aangegaan een eerste pand-
dat X onzorgvuldig jegens haar heeft gehan-
gesluierde en gekleurde figuren, deze teke-
recht te verstrekken, terwijl hij wist dat de
deld door namens de vennootschappen ver-
ning een discriminerende boodschap weer-
vennootschappen slechts een tweede pand-
plichtingen tot verlening van eerste pand-
geeft met als gevolg dat het beschermde
recht zouden kunnen verstrekken. HR: 1.
rechten aan te gaan terwijl hij wist of
werk met een dergelijke boodschap wordt
Bestuurdersaansprakelijkheid. Hoge drem-
behoorde te begrijpen dat de vennootschap-
geassocieerd.
pel. Vooropstelling: zie hoofdtekst. 2. Scha-
pen daaraan niet zouden kunnen voldoen en
Is dat inderdaad het geval dan hebben de
de. De enkele omstandigheid dat de schuld-
geen verhaal zouden bieden voor de voor-
erven Vandersteen in beginsel er rechtmatig
eiser, anders dan was overeengekomen,
zienbare schade die RCI dientengevolge zou
belang bij dat het beschermde werk niet met
geen eerste maar een tweede pandrecht
lijden. De rechtbank heeft de vordering afge-
een dergelijke boodschap wordt geassocieerd.
heeft verkregen, brengt nog niet mee dat
wezen. Het hof heeft het vonnis van de recht-
Bijgevolg is het de taak van de verwijzende
hij dientengevolge schade lijdt.
bank bekrachtigd.
(BW art. 2:240, 6:95, 6:162)
Hoge Raad
rechter om, rekening houdend met alle
omstandigheden van het hoofdgeding, te
oordelen of de toepassing van de beperking
Het volgende wordt vooropgesteld. Indien
ten aanzien van de parodie in de zin van arti-
RCI, adv. mrs. B.T.M. van der Wiel en M.M.
een vennootschap tekortschiet in de nako-
kel 5, lid 3, sub k, van de auteursrechtricht-
Stolp, vs. X, adv. mrs. L. Kelkensberg en
ming van een verbintenis of een onrechtma-
lijn het rechtvaardige evenwicht zoals dat
L. van den Eshof
tige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen
volgt uit de rechtspraak van het Hof in acht
de vennootschap aansprakelijk is voor daar-
Feiten en procesverloop
uit voortvloeiende schade. Onder bijzondere
X was bestuurder van de besloten vennoot-
omstandigheden is evenwel, naast aansprake-
Conclusie
schappen R en N. R was bestuurster van een
lijkheid van die vennootschap, ook ruimte
Artikel 5, lid 3, sub k, van de auteursrecht-
aantal besloten vennootschappen, gezamen-
voor aansprakelijkheid van een bestuurder
richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat
lijk aan te duiden als de Renaultvestigingen.
van de vennootschap. Voor het aannemen
het in deze bepaling vervatte begrip parodie
N was bestuurster van een aantal besloten
van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat
neemt.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2191
Rechtspraak
die bestuurder ter zake van de benadeling
gevolgen van het verkrijgen van een slechtere
den norm niet zou strekken tot bescher-
persoonlijk een ernstig verwijt kan worden
zekerheidspositie dan is overeengekomen. De
ming van Y.
gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen
enkele omstandigheid dat de schuldeiser,
van aansprakelijkheid van een bestuurder
anders dan was overeengekomen, geen eerste
naast de vennootschap hogere eisen dan in
maar een tweede pandrecht heeft verkregen,
het algemeen het geval is. Een hoge drempel
brengt evenwel nog niet mee dat hij dienten-
Y, adv. mrs. M.M. Stolp en D.A. van der Kooij,
voor aansprakelijkheid van een bestuurder
gevolge schade lijdt. In de overwegingen van
vs. X, adv. mr. D.M. de Knijff
tegenover een derde wordt gerechtvaardigd
het hof ligt besloten dat RCI onvoldoende
door de omstandigheid dat ten opzichte van
heeft gesteld dat de door haar geleden schade
Feiten en procesverloop
de wederpartij primair sprake is van hande-
als gevolg van het niet verkrijgen van eerste
In 2004 heeft X namens Y een vliegtuig en
lingen van de vennootschap en door het
pandrechten voorzienbaar was op het
een vliegtuigwrak verkocht aan Turbine. Y
maatschappelijk belang dat wordt voorkomen
moment dat X namens de vennootschappen
heeft daartoe schriftelijke volmachten ver-
dat bestuurders hun handelen in onwenselij-
de verplichting tot het vestigen van die pand-
leend aan X. X heeft, handelend als gevol-
ke mate door defensieve overwegingen laten
rechten aanging. Dit oordeel is feitelijk van
machtigde van Y, een factuur aan Turbine
bepalen (vgl. HR 20 juni 2008,
aard en geenszins onbegrijpelijk.
gestuurd en daarop vermeld dat de koopprijs
ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 (Willem-
Volgt verwerping.
moest worden overgemaakt naar de bankre-
sen vs. NOM)). Het antwoord op de vraag of de
De A-G concludeert tot vernietiging en verwij-
kening van de besloten vennootschap Tulip
bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als
zing. Hij meent dat het hof ten onrechte voor
Air Lease, waarvan X middellijk bestuurder
zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is
het aannemen van bestuurdersaansprakelijk-
was. Turbine heeft $ 230 000 aan Tulip Air
afhankelijk van de aard en ernst van de
heid nodig heeft geacht dat voor X bij het ver-
Lease overgemaakt.
normschending en de overige omstandighe-
lenen van het pandrecht voorzienbaar was dat
In dit geding heeft Y gevorderd dat X wordt
den van het geval. Indien de bestuurder
‘de vennootschappen geen verhaal zouden
veroordeeld tot betaling van laatstgenoemd
namens de vennootschap een verbintenis is
bieden voor de schade van RCI’ (4.5-4.6).
bedrag. Y heeft daartoe gesteld dat X buiten
aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt,
kan persoonlijke aansprakelijkheid van de
(BW art. 2:240, 3:60, 6:162)
de volmachten is getreden door het bedrag
1636
bestuurder worden aangenomen indien deze
dat aan Y overgemaakt had moeten worden,
te laten overmaken aan Tulip Air Lease. De
rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het
bij het aangaan van die verbintenis wist of
5 september 2014, nr. 13/03314
hof heeft het vonnis van de rechtbank
redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de
(Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem-Spa-
bekrachtigd.
vennootschap niet aan haar verplichtingen
pens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de
zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bie-
Groot; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent)
Hoge Raad
den, behoudens door de bestuurder aan te
ECLI:NL:HR:2014:2628
Onderdeel 1 klaagt onder meer over onbegrij-
voeren omstandigheden op grond waarvan
pelijkheid van het oordeel van het hof dat X
de conclusie gerechtvaardigd is dat hem per-
X heeft als gevolmachtigde van Y een fac-
niet in privé heeft gehandeld. Voor zover het
soonlijk ter zake van de benadeling geen ern-
tuur aan een derde gestuurd en daarop ver-
onderdeel betoogt dat het antwoord op de
stig verwijt kan worden gemaakt (zie onder
meld dat het gefactureerde bedrag moet
vraag of X in privé dan wel als bestuurder
meer HR 6 oktober 1989,
worden overgemaakt aan een door X
handelde, (mede) afhangt van de hoedanig-
ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Bekla-
bestuurde besloten vennootschap. 1. Vol-
heid waarin hij zich tegenover derden heeft
mel) en HR 8 december 2006,
machtverlening. De vraag of X door Y in
gepresenteerd, faalt het. Het gaat bij het door
ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ont-
privé gevolmachtigd was dan wel gevol-
het onderdeel bestreden oordeel om de vraag
vanger vs. Roelofsen), geval (i)). In de kern
machtigd was in zijn hoedanigheid van
of X door Y in privé gevolmachtigd was dan
houdt dit zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ de
bestuurder van de besloten vennootschap,
wel gevolmachtigd was in zijn hoedanigheid
eis in dat de bestuurder bij het aangaan van
dient te worden beantwoord aan de hand
van bestuurder van Tulip Air Lease, derhalve
de verbintenis wist of behoorde te begrijpen
van hetgeen X en Y jegens elkaar hebben
om de status van X in zijn verhouding tot Y,
dat de schuldeiser van de vennootschap als
verklaard en over en weer uit elkaars ver-
die hem in deze procedure aansprakelijk stelt
gevolg van zijn handelen schade zou lijden.
klaringen en gedragingen hebben afgeleid
wegens overschrijding van de volmacht. Die
Het verwijt dat in het onderhavige geval aan
en mochten afleiden. De vraag op welke
vraag dient te worden beantwoord aan de
de bestuurder wordt gemaakt is dat hij
wijze X zich daarna tegenover derden heeft
hand van hetgeen de betrokkenen – X en
namens de vennootschappen een verplich-
gepresenteerd is hooguit van zijdelingse
Y – jegens elkaar hebben verklaard en over
ting is aangegaan – de verplichting tot het
betekenis. 2. Bestuurdersaansprakelijkheid.
en weer uit elkaars verklaringen en gedragin-
verstrekken van een eerste pandrecht aan RCI
Hoge drempel. Vooropstelling: zie hoofd-
gen hebben afgeleid en mochten afleiden
op de door deze gefinancierde auto’s –, waar-
tekst. In HR 23 november 2012,
(vgl. HR 11 maart 1977,
van hij wist of redelijkerwijze behoorde te
ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302
ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Krib-
begrijpen dat de vennootschappen deze niet
(Spaanse Villa) was bestuurdersaansprake-
bebijter)). De vraag op welke wijze X zich
zouden kunnen nakomen. Anders dan het
lijkheid niet aan de orde. Nu Y heeft gesteld
daarna tegenover derden heeft gepresen-
middel aanvoert, leidt ook een zodanig ver-
de specifieke instructie aan X te hebben
teerd is vooral van belang voor de vraag naar
wijt pas tot aansprakelijkheid van de bestuur-
gegeven om de koopsom direct aan haar en
gebondenheid jegens die derden en is voor
der indien deze wist of redelijkerwijze
niet aan de besloten vennootschap te laten
het onderhavige geschilpunt hooguit van
behoorde te begrijpen dat de schuldeiser als
overmaken, valt niet in te zien waarom
zijdelingse betekenis. Het hof heeft overwo-
gevolg van het niet nakomen van de verplich-
bekendheid van Y met de zwakke financiële
gen dat niet ter discussie staat dat op Y de
ting schade zou lijden. Het middel betoogt
positie van de besloten vennootschap zou
bewijslast rust van de stelling dat X in privé
dat die schade in dit geval is gelegen in de
meebrengen dat de beweerdelijk geschon-
handelde en dat de rechtbank terecht voors-
2192
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Rechtspraak
1637
hands bewezen heeft geacht dat X in privé
hiervoor bedoeld, bestaan in een zodanig
handelde. Deze oordelen staan ook in cassa-
geval niet de hiervoor omschreven gronden.
tie niet ter discussie. Vervolgens heeft het
Zoals blijkt uit het arrest van 23 november
5 september 2014, nr. 13/03393
hof geoordeeld dat de rechtbank X terecht in
2012, sluit dit niet uit dat de onrechtmatige
(Mrs. E.J. Numann, C.E. Drion, G. Snijders, G.
de levering van het tegenbewijs geslaagd
gedragingen van de betrokkene in voorko-
de Groot, M.V. Polak; A-G mr. P. Vlas)
heeft geacht. Dit oordeel berust op een aan
mend geval in het maatschappelijk verkeer
ECLI:NL:HR:2014:2629
het hof voorbehouden waardering van het
tevens kunnen worden aangemerkt als gedra-
bewijs, die in cassatie alleen op begrijpelijk-
gingen van de vennootschap waarvan hij
Verzet. Aanvang verzettermijn. Tenuitvoer-
heid kan worden onderzocht. Mede gelet op
bestuurder is, met als gevolg dat (ook) de ven-
legging. Er worden twee conservatoire der-
hetgeen hiervoor is overwogen, is het oordeel
nootschap uit eigen hoofde op grond van
denbeslagen gelegd. Nadat de beslaglegger
geenszins onbegrijpelijk.
onrechtmatige daad aansprakelijk kan wor-
een toewijzend verstekvonnis heeft verkre-
Voor zover het onderdeel betoogt dat X ook
den gehouden (vgl. ook HR 6 april 1979,
gen, betalen de derden-beslagenen op 22
in zijn hoedanigheid van bestuurder heeft te
ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34 (Kleu-
februari 2006 uit. De beslagdebiteur stelt
gelden als ‘primair/rechtstreeks dader’, met
terschool Babbel)). Indien echter sprake is van
verzet in tegen het verstekvonnis. Achteraf
als gevolg dat voor het aannemen van zijn
handelen van de betrokkene bij zijn taakver-
blijkt dat de derden-beslagenen niets aan
aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 lid
vulling als bestuurder van een vennootschap,
de beslagdebiteur verschuldigd waren. Het
1 BW geen verhoogde eisen gelden, wordt het
dient de vraag of hij ook persoonlijk aanspra-
hof overweegt dat op 22 februari 2006 de
volgende vooropgesteld. Indien een vennoot-
kelijk is voor de schade die de wederpartij
verzettermijn niet is aangevangen. HR: In
schap tekortschiet in de nakoming van een
lijdt ten gevolge van wanprestatie of een
een geval als het onderhavige, waarin de
verbintenis of een onrechtmatige daad
onrechtmatige daad van de vennootschap,
tenuitvoerlegging van een verstekvonnis
pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennoot-
steeds overeenkomstig de hiervoor bedoelde
geschiedt door uitbetaling van hetgeen een
schap aansprakelijk is voor daaruit voort-
verzwaarde maatstaf te worden beantwoord.
derde in het kader van een onder hem
vloeiende schade. Onder bijzondere omstan-
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat
gelegd beslag heeft verklaard aan de ver-
digheden is evenwel, naast aansprakelijkheid
X jegens Y heeft gehandeld bij zijn taakver-
oordeelde verschuldigd te zijn, terwijl ach-
van die vennootschap, ook ruimte voor aan-
vulling als bestuurder en niet in persoonlijke
teraf blijkt dat die derde in het geheel niets
sprakelijkheid van een bestuurder van de
hoedanigheid. Het hof heeft zijn handelen
aan de veroordeelde verschuldigd was,
vennootschap. Voor het aannemen van zoda-
derhalve terecht getoetst aan de hiervoor
vangt de verzettermijn niet aan op de dag
nige aansprakelijkheid is vereist dat die
bedoelde verzwaarde maatstaf voor aanspra-
van uitbetaling.
bestuurder ter zake van de benadeling per-
kelijkheid. Het onderdeel faalt.
soonlijk een ernstig verwijt kan worden
Onderdeel 2 wijst erop dat Y voor het hof
(EVRM art. 6 lid 1; Rv art. 81 lid 1 en 2 (oud),
gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen
heeft gesteld dat Y de specifieke instructie
143 lid 2 en 3, 144; BW art. 3:276)
van aansprakelijkheid van een bestuurder
aan X had gegeven om de koopsom direct
naast de vennootschap hogere eisen dan in
aan haar en niet aan Tulip Air Lease te laten
Morning Star, adv. mr. Chr.F. Kroes, vs. de
het algemeen het geval is. Een hoge drempel
overmaken teneinde te voorkomen dat zij
Republiek Gabon, adv. mrs. R.J. van Galen en
voor aansprakelijkheid van een bestuurder
nadeel zou ondervinden van de slechte finan-
F.E. Vermeulen
tegenover een derde wordt gerechtvaardigd
ciële positie van Tulip Air Lease. Het onder-
door de omstandigheid dat ten opzichte van
deel treft doel. In cassatie moet veronderstel-
Feiten en procesverloop
de wederpartij primair sprake is van hande-
lenderwijze ervan worden uitgegaan – nu het
Op 14 januari 2005 heeft Morning Star ten
lingen van de vennootschap en door het
hof dit in het midden heeft gelaten – dat X
laste van de Republiek Gabon conservatoir
maatschappelijk belang dat wordt voorkomen
persoonlijk een ernstig verwijt kan worden
beslag gelegd onder Administratiekantoor
dat bestuurders hun handelen in onwenselij-
gemaakt omdat hij in strijd met de hem gege-
NSS en NSS. Administratiekantoor NSS en
ke mate door defensieve overwegingen laten
ven instructie heeft bewerkstelligd dat de
NSS hebben meegedeeld dat de Republiek
bepalen (vgl. HR 20 juni 2008,
koopprijs werd overgemaakt aan Tulip Air
Gabon houder is van door Administratiekan-
ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 (Willem-
Lease. Hiervan uitgaande valt niet in te zien
toor NSS uitgegeven certificaten van aande-
sen vs. NOM)). Bestuurdersaansprakelijkheid
waarom bekendheid van (ook) Y met de zwak-
len in NSS, respectievelijk van aandelen in
is evenwel niet aan de orde in een geval als
ke financiële positie van Tulip Air Lease zou
NSS en dat Administratiekantoor NSS en NSS
zich voordeed in HR 23 november 2012,
meebrengen dat de beweerdelijk geschonden
uit dien hoofde waarschijnlijk een liquidatie-
ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302
norm niet zou strekken tot bescherming van
uitkering verschuldigd zouden worden aan
(Spaanse Villa). Dat arrest had niet betrekking
Y, zoals het hof heeft overwogen.
de Republiek Gabon, naar verwachting ter
op het handelen van de betrokkene bij zijn
Volgt vernietiging en verwijzing.
hoogte van respectievelijk $ 3513 en
taakvervulling als bestuurder van een ven-
De A-G concludeert tot verwerping. Onder 2.4-
$ 21 890.
nootschap, maar op de vraag of de betrokke-
2.7 haalt zij de literatuur aan over HR 23
In dit geding heeft Morning Star bij inleiden-
ne, optredend als deskundig bemiddelaar
november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ
de dagvaarding van 22 juli 2005 betaling
(dienstverlener), had gehandeld in strijd met
2013/302 (Spaanse Villa). Zij meent dat
gevorderd van diverse bedragen. Bij verstek-
een op hem in die hoedanigheid van deskun-
onderdeel 2 faalt, omdat de schade van Y niet
vonnis van 14 december 2005 heeft de recht-
dig bemiddelaar rustende zorgvuldigheids-
uitsluitend door het handelen van X is ont-
bank de vordering toegewezen. De vereffe-
norm. Zoals vermeld in genoemd arrest had
staan (2.42).
naars van Administratiekantoor NSS en NSS
het hof immers (in cassatie onbestreden)
hebben, nadat het verstekvonnis aan hen was
geoordeeld dat niet de vennootschap waar-
betekend, op 22 februari 2006 uit hoofde van
van de betrokkene bestuurder was, maar de
de hiervoor genoemde derdenbeslagen USD
betrokkene zelf als bemiddelaar optrad. Voor
26.823 aan Morning Star betaald. Republiek
toepassing van de verzwaarde maatstaf als
Gabon is bij verzetdagvaarding van 4 februa-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2193
Rechtspraak
ri 2009 in verzet gekomen. De rechtbank
art. 3:276 BW, dan wel ten laste van een goed
stig is van A. HR: Blijkens de gedingstukken
heeft de Republiek Gabon niet-ontvankelijk
van een derde dat is, respectievelijk die zich
was X verbonden aan RGN en niet aan A.
in het verzet verklaard wegens termijnover-
heeft, verbonden voor de schuld van de ver-
De overweging van het hof berust kennelijk
schrijding. Het hof heeft de Republiek Gabon
oordeelde, dan wel ten laste van een goed
op een vergissing.
alsnog in het verzet ontvangen en bepaald
van een derde waarvan de veroordeelde het
dat de Nederlandse rechter onbevoegd is. Het
genot heeft, kan in de regel worden aangeno-
hof heeft daarbij overwogen dat de beslagen
men dat de veroordeelde op de hoogte raakt
geen doel hebben getroffen en dat de verzet-
van die tenuitvoerlegging en daardoor ken-
A, adv. mr. W.H. van Hemel, vs. RGN, adv. mr.
termijn daarom niet is aangevangen op 22
nis neemt van dat vonnis, indien dat niet al
H.J.W. Alt.
februari 2006.
voordien was gebeurd. In dergelijke gevallen
(RO art. 79 lid 1 sub a)
is toepassing van art. 143 lid 3 Rv in beginsel
Feiten en procesverloop
Hoge Raad
gerechtvaardigd. Deze aanname geldt even-
Op 1 oktober 2008 is door de gemeente
De verzettermijn vangt aan – kort gezegd –
wel niet voor een geval als het onderhavige,
Almelo als verkoper en RGN als koper een
hetzij (i) door de betekening van het verstek-
waarin de tenuitvoerlegging van een verstek-
koopovereenkomst getekend met betrekking
vonnis in persoon (art. 143 lid 2 Rv), hetzij
vonnis geschiedt door uitbetaling van het-
een perceel. Op 24 april 2009 hebben RGN en
(ii) door een door de bij verstek veroordeelde
geen een derde in het kader van een onder
A een intentieverklaring getekend, waarin is
in persoon gepleegde daad van bekendheid
hem gelegd beslag heeft verklaard aan de
vermeld dat onder bepaalde voorwaarden het
met het verstekvonnis of de aangevangen
veroordeelde verschuldigd te zijn, terwijl ach-
perceel niet zou worden gekocht door RGN,
tenuitvoerlegging (art. 143 lid 2 Rv), hetzij
teraf blijkt dat die derde in het geheel niets
maar door A, en dat A een vergoeding aan
(iii) op de dag waarop het verstekvonnis ten
aan de veroordeelde verschuldigd was. Nu in
RGN zou betalen. Op 20 juli 2009 heeft een
uitvoer is gelegd (art. 143 lid 3 in verbinding
een dergelijk geval de mogelijkheid bestaat
notariskantoor een concept-koopovereen-
met art. 144 Rv). De regeling van de verzet-
dat de verzettermijn is verstreken voordat de
komst naar RGN en A verstuurd. Bij e-mailbe-
termijn berust op een afweging van enerzijds
veroordeelde met het verstekvonnis bekend
richt van 30 juli 2009 heeft X een aantal wij-
het belang dat een oorspronkelijk gedaagde
is geraakt, is toepassing van art. 143 lid 3 in
zigingen in de concept-koopovereenkomst
niet gebonden wordt aan een hem niet
verbinding met art. 144 Rv alsdan niet
doorgegeven aan onder meer iemand van
bekend veroordelend vonnis, en anderzijds
gerechtvaardigd. Het vorenstaande brengt
RGN. De e-mail houdt onder meer in:
het belang van de oorspronkelijk eiser dat op
mee dat onderdeel I faalt. Opmerking ver-
‘Mannen, er zijn punten en komma’s aange-
enig met een voldoende mate van zekerheid
dient dat onderdeel I niet opkomt tegen het
past, geen inhoudelijke punten, op aangeven
te bepalen moment de veroordeling bij ver-
oordeel van het hof dat niet is gesteld of
van A. Vanaf de 17e augustus is iedereen
stek onherroepelijk wordt. Bij de toepassing
gebleken dat het verstekvonnis of enige uit
weer terug van vakantie. In die week vindt
van de regeling van de verzettermijnen in
kracht daarvan of ter uitvoering daarvan
ondertekening en overdracht plaats.’
een concreet geval mag het recht van de bei-
strekkende akte aan de Republiek Gabon in
Bij brief van 29 maart 2010 heeft A medege-
de betrokken partijen op toegang tot de rech-
persoon is betekend of dat de Republiek
deeld dat zij zich niet gebonden acht aan de
ter niet in de kern worden aangetast (vgl. HR
Gabon voor 15 december 2008 enige daad
intentieverklaring en dat zij RGN sommeert
25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4936,
van bekendheid met het verstekvonnis of
om het perceel aan A te leveren. Bij brief van
NJ 2000/509 (Stienstra vs. Weijters); HR 16
met de tenuitvoerlegging daarvan heeft
1 april 2010 heeft RGN bericht in staat en
januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341, NJ
gepleegd, noch tegen de daaraan door het
bereid te zijn tot levering.
2005/191 (Jamaloeddin vs. Bodha); HR 26
hof verbonden gevolgtrekking dat – gelet op
In dit geding heeft RGN gevorderd dat A
maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154, NJ
de verzettermijn van acht weken – de Repu-
wordt bevolen het perceel af te nemen tegen
2010/526 (Azeta vs. Chili)). Art. 81 lid 2 (oud)
bliek Gabon met haar dagvaarding van 4
betaling van een koopprijs en van de in de
Rv bepaalde dat – buiten de gevallen voor-
februari 2009 tijdig in verzet is gekomen en
intentieverklaring genoemde vergoeding. De
zien in art. 81 lid 1 (oud) Rv – het verzet ont-
zij in dat verzet kan worden ontvangen.
rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het
vankelijk was totdat het vonnis ten uitvoer
Volgt verwerping, overeenkomstig de conclu-
hof heeft de vordering alsnog toegewezen.
was gelegd. Dit kon meebrengen dat iemand
sie van de A-G.
Het hof is daarbij ervan uitgegaan dat het
aan wie een verstekvonnis niet in persoon
De A-G zet onder 2.3 en 2.4 de regeling ter
e-mailbericht van 30 juli 2009 afkomstig is
was betekend, geen verzetmogelijkheid meer
zake van de aanvang van de verzettermijn
van A. Het heeft dat uitgangspunt betrokken
had indien hij pas van het vonnis kennis
uiteen.
bij zijn oordeel over de vraag welke betekenis
RGN redelijkerwijs mocht toekennen aan de
nam nadat het tegen hem ten uitvoer was
gelegd. Blijkens de wetsgeschiedenis is met
art. 143 lid 3 Rv beoogd, mede tegen de ach-
1638
tergrond van art. 6 lid 1 EVRM, de toegang
brief van 29 maart 2010.
Hoge Raad
tot de rechter in geval van een verstekvonnis
5 september 2014, nr. 13/04164
Onderdeel 1 klaagt dat onbegrijpelijk is dat
beter te waarborgen door – buiten de geval-
(Mrs. E.J. Numann, A.M.J. van Buchem-Spa-
het hof ervan is uitgegaan dat de e-mail van
len waarin sprake is van, kort gezegd, beteke-
pens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp,
30 juli 2009 afkomstig is van A. De klacht
ning in persoon of een daad van bekendheid
T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. J. Spier)
slaagt. Blijkens de gedingstukken was X ver-
(art. 143 lid 2 Rv) – de verzettermijn niet te
ECLI:NL:HR:2014:2630
bonden aan RGN en niet aan A. De overwe-
laten eindigen, maar te laten ingaan op de
ging van het hof dat de e-mail van 30 juli
dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd
Onbegrijpelijk oordeel. Tussen A en RGN
2009 afkomstig was van A berust dan ook
(vgl. Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 348). In
zijn contacten over de koop van een perceel
kennelijk op een vergissing. De vergissing
gevallen waarin de tenuitvoerlegging van
gemeentegrond. Op enig moment verzendt
van het hof brengt mee dat de daarop voort-
een verstekvonnis geschiedt ten laste van
X in dat verband een e-mailbericht. Het hof
bouwende overwegingen van het hof niet in
een goed van de veroordeelde als bedoeld in
gaat ervan uit dat het e-mailbericht afkom-
stand kunnen blijven.
2194
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Rechtspraak
Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van
(EVRM art. 6; Rv art. 810a lid 2)
mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, is dit oordeel onbegrijpelijk. Daarbij is
het hof dat RGN de sommatie in de brief van
A van 29 maart 2010 heeft mogen begrijpen
De moeder, adv. mr. H.J.W. Alt, vs. de Raad
van belang dat de moeder voor het hof heeft
als een concreet aanbod tot afname van het
voor de Kinderbescherming, niet verschenen.
aangevoerd dat het rapport van de Raad voor
de Kinderbescherming de beslissing over de
perceel, dat RGN in haar brief van 1 april
2010 dat aanbod heeft aanvaard en dat der-
Feiten en procesloop
ondertoezichtstelling niet kan dragen, en
halve in ieder geval op 1 april 2010 tussen
De Raad voor de Kinderbescherming heeft in
daarbij rapporten van door haar geraadpleeg-
partijen een koopovereenkomst tot stand is
een eerder geding op 14 mei 2013 een rap-
de deskundigen heeft overgelegd waarin
gekomen. Het onderdeel klaagt dat het hof
port uitgebracht over het ouderlijk gezag
bevindingen uit het raadsrapport gemoti-
buiten de grenzen van de rechtsstrijd is
over twee kinderen.
veerd in twijfel worden getrokken.
getreden door de vordering van RGN toe te
In dit geding heeft de Raad voor de Kinder-
Volgt vernietiging en verwijzing, overeen-
wijzen op een grond die door RGN niet is
bescherming op basis van dat rapport een
komstig de conclusie van de A-G.
gesteld. De klacht faalt. RGN heeft aan haar
verzoek tot ondertoezichtstelling van de kin-
De A-G gaat onder 2.3-2.11 in op de maatsta-
vorderingen ten grondslag gelegd dat tussen
deren ingediend. De kinderrechter heeft de
ven voor de beoordeling van de toewijsbaar-
haar en A een bindende overeenkomst tot
kinderen voor de duur van een jaar onder
heid van een verzoek om contra-expertise op
stand is gekomen. Kennelijk en in het licht
toezicht gesteld. Het hof heeft de beschik-
de voet van art. 810a lid 2 Rv.
van de gedingstukken (in het bijzonder de
king van de kinderrechter bekrachtigd. Het
memorie van grieven en de pleitnota in
hof heeft daarbij het verzoek van de moeder
appel) niet onbegrijpelijk heeft het hof de
afgewezen om op de voet van art. 810a lid 2
Hoge Raad (strafkamer)
stellingen van RGN in dit verband aldus uit-
Rv een deskundige te benoemen (een contra-
Deze rubriek wordt verzorgd door prof. mr.
gelegd dat, zo al niet op 24 april 2009 een
expertise te doen uitvoeren).
P.H.P.H.M.C. van Kempen, hoogleraar
bindende overeenstemming tussen partijen
straf(proces)recht Radboud Universiteit Nij-
tot stand was gekomen, dan toch in ieder
Hoge Raad
geval uit de briefwisseling van 29 maart en 1
Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in
april 2010 mag worden afgeleid dat A (als-
zaken betreffende de ondertoezichtstelling
nog) heeft ingestemd met de koopovereen-
van minderjarigen, de ontheffing en ontzet-
komst op de eerder overeengekomen voor-
ting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting
waarden. Het hof is derhalve niet buiten de
van de voogdij, op verzoek van een ouder en
2 september 2014, nr. 12/05350
grenzen van de rechtsstrijd getreden door te
na overleg met die ouder een deskundige
(Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin
oordelen dat ‘in ieder geval op 1 april 2010’
benoemt, mits dat mede tot de beslissing van
Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan)
een koopovereenkomst tot stand was geko-
de zaak kan leiden en het belang van het kind
(Na conclusie van A-G mr. T.N.B.M.
men. De juistheid van dit oordeel is echter
zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling
Spronken, strekkende tot vernietiging en
mede afhankelijk van de betekenis die RGN
is beoogd te bevorderen dat ouders van min-
tot terugwijzing; adv. mr. M.C. van der Want,
redelijkerwijs mocht toekennen aan de som-
derjarigen een standpunt van de Raad voor
Middelburg)
matie van A van 29 maart 2010. In verband
de Kinderbescherming in een zaak over een
ECLI:NL:HR:2014:2573
met het slagen van onderdeel 1 dient dit na
maatregel van jeugdbescherming die wezen-
verwijzing opnieuw te worden onderzocht.
lijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en
Bewijs van opzet op telen hennep: onge-
Volgt vernietiging en verwijzing, overeen-
het familie- en gezinsleven, desgewenst
loofwaardige bewering van de verdachte
komstig de conclusie van de A-G.
gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamer-
dat hij het gedeelte van de loods waarin de
stukken II 1993/94, 22487, 15 en 18; Hande-
hennepkwekerijen zijn aangetroffen, aan
lingen II 1993/94, p. 4135-4161). Een voldoen-
een hem onbekende persoon heeft ver-
de concreet en terzake dienend verzoek tot
huurd. A-G: anders.
1639
megen.
1640
toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en
5 september 2014, nr. 13/06407
omstandigheden bevat die zich lenen voor
(Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, G. de
een onderzoek door een deskundige, zal in
Groot, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek;
beginsel moeten worden toegewezen indien
Inleiding:
A-G mr. F.F. Langemeijer)
de rechter geen feiten of omstandigheden
Verdachte is veroordeeld omdat hij – kort
ECLI:NL:HR:2014:2632
aanwezig oordeelt op grond waarvan moet
gezegd – opzettelijk heeft geteeld (in een
worden aangenomen dat toewijzing van het
pand aan de [a-straat]) een hoeveelheid van
Ondertoezichtstelling. Verzoek om benoe-
verzoek strijdig is met het belang van het
in totaal 1090 hennepplanten, zijnde hennep
ming van een deskundige. HR: Een vol-
kind. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat
een middel vermeld op de bij de Opiumwet
doende concreet en terzake dienend ver-
het zich op grond van de stukken en het ver-
behorende lijst II.
zoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv,
handelde ter zitting voldoende voorgelicht
De raadsman heeft ter terechtzitting in
dat feiten en omstandigheden bevat die
acht om een beslissing te nemen, respectieve-
hoger beroep bepleit dat verdachte dient te
zich lenen voor een onderzoek door een
lijk dat de kwaliteit en de wijze van totstand-
worden vrijgesproken nu verdachte niet wist
deskundige, zal in beginsel moeten worden
koming van het raadsrapport geen aanleiding
dat er in de door hem gehuurde loods hen-
toegewezen indien de rechter geen feiten of
geven tot een nader onderzoek, heeft het mis-
nepkwekerijen aanwezig waren. Verdachte
omstandigheden aanwezig oordeelt op
kend dat noch het een noch het ander de
heeft - kort en zakelijk weergegeven - ver-
grond waarvan moet worden aangenomen
afwijzing van een verzoek op de voet van art.
klaard dat hij het deel van de loods waarin
dat toewijzing van het verzoek strijdig is
810a lid 2 Rv rechtvaardigt. Voor zover het
de hennepkwekerijen zijn aangetroffen zon-
met het belang van het kind.
hof heeft geoordeeld dat een nader onder-
der onderliggend schriftelijk contract aan
zoek, zoals door de moeder verzocht, niet
een derde heeft verhuurd wiens naam of
(Opiumwet art. 3)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2195
Rechtspraak
telefoonnummer hij niet weet. Verdachte
eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het
heeft aanvaard dat zij varkens hield zonder
ontkent dat hij op enige manier betrokken is
middel in zoverre niet noopt tot beantwoor-
het vereiste varkensrecht.
geweest bij de inrichting van de hennepkwe-
ding van rechtsvragen in het belang van de
kerijen of het telen van hennep. Hij ontkent
rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
(Wet herstructurering varkenshouderij art. 15)
en vervolgens in werking zijn van de hennep-
A-G Spronken, onder meer:
Inleiding:
kwekerijen.
9. Het hof heeft geoordeeld dat betrokken-
Verdachte (een rechtspersoon) is veroordeeld
Het hof overweegt hieromtrent onder meer
heid van een ander dan verdachte niet aan-
omdat zij – kort gezegd – opzettelijk op een
het volgende (opgenomen in r.o. 2.3 arrest
nemelijk is geworden en dat het niet anders
bedrijf met het mestnummer [0001] gelegen
Hoge Raad). ‘Het hof hecht geen geloof aan
kan zijn dan dat verdachte degene was die
aan [a-straat 1] gemiddeld gedurende het jaar
de enkele bewering van verdachte dat hij het
opzettelijk de hennep teelde. Weliswaar kan
2003 2 631 en gedurende het jaar 2004 2 479
betreffende deel van de loods heeft verhuurd
in beginsel worden gesteld dat de huurder
varkens onderscheidenlijk fokzeugen, heeft
aan een hem onbekende persoon en niets
van een loods verantwoordelijk is voor het-
gehouden, zijnde een groter aantal dan het
heeft gemerkt van de inrichting en in het
geen zich in die loods afspeelt1 en hecht het
op dat bedrijf rustende varkensrecht onder-
werking zijn van de hennepkwekerijen. Het
hof kennelijk geen geloof aan verdachtes ver-
scheidenlijk fokzeugenrecht, verminderd met
dossier bevat ook geen enkel aanknopings-
klaring over onderhuur van die loods, dat
het grondgebonden deel van het varkens-
punt dat de stelling van verdachte dat een
neemt niet weg dat de gebezigde bewijsmid-
recht onderscheidenlijk fokzeugenrecht.
ander verantwoordelijk is voor de aangetrof-
delen niet méér inhouden dan dat in een
Namens de verdachte is ter terechtzitting in
fen hennepkwekerijen, zou kunnen onder-
door verdachte gehuurde loods een hennep-
hoger beroep ten verweer betoogd dat zij
bouwen. Verdachte heeft zijn verklaring op
kwekerij is aangetroffen, zonder dat ook
moet worden vrijgesproken van het haar ten
geen enkele wijze voldoende geconcretiseerd
maar één omstandigheid is gebleken waaruit
laste gelegde, omdat enige vorm van opzet
en verifieerbaar gemaakt. Uit de bewijsmid-
kan worden afgeleid dat verdachte daarmee
niet bewezen kan worden. Daartoe is aange-
delen, waaruit blijkt dat verdachte de huur-
enige bemoeienis had, laat staan dat hij
voerd dat verdachte met ingang van 1 janua-
der en gebruiker was van de loods waarin de
degene was die opzettelijk de hennep teelde.
ri 2003 de pacht van de stallen van [betrok-
aangetroffen hennepplanten werden geteeld,
Hierbij neem ik in aanmerking dat verdachte
kene 1] en [betrokkene 2] heeft overgenomen
zulks in samenhang bezien met hetgeen
kennelijk geen sleutel van de afgetimmerde
op basis van een verplichting aangegaan
hiervoor is overwogen, leidt het hof af dat
ruimte had en hij de politieagenten zelfs
door [betrokkene 3] op een moment dat op
het verdachte is geweest die opzettelijk de
heeft geholpen de deur te forceren.
basis van de tekst van het Besluit hardheids-
hennepplanten heeft geteeld. Het hof ver-
10. Het middel klaagt terecht dat de bewe-
gevallen erop vertrouwd mocht worden dat
werpt het verweer.’
zenverklaring van feit 1 primair onvoldoende
de pachters een varkensrecht toegekend zou-
Het middel bevat onder meer de klacht dat
met redenen is omkleed.
den krijgen dat vervolgens in het kader van
dat hij iets heeft gemerkt van het inrichten
het hof de bewezenverklaring, voor zover
de pachtoverdracht overgedragen kon wor-
inhoudende dat de verdachte opzettelijk de
den aan verdachte.
hennepplanten heeft geteeld, ontoereikend
1. Vgl. de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Jörg
Het hof overweegt dienaangaande onder
heeft gemotiveerd.
voor HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8496 (niet
meer als volgt: ‘Naar het oordeel van het hof
gepubliceerd, HR 81RO).
mocht verdachte er redelijkerwijs niet op ver-
Hoge Raad, onder meer:
3.2. Het Hof heeft de bewering van de verdachte dat hij het gedeelte van de loods
trouwen dat de pachters alsnog een varkens-
1641
recht toegekend zou worden dat aan haar
overgedragen kon worden. De uitkomst van
de procedure bij het College van beroep voor
waarin de hennepkwekerijen zijn aangetroffen, aan een hem onbekende persoon heeft
2 september 2014, nr. 13/01585
het bedrijfsleven was immers, zoals de verte-
verhuurd, niet geloofwaardig geacht. Dat oor-
(Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin
genwoordiger van verdachte ook verklaarde,
deel is, in aanmerking genomen hetgeen het
Lohman, en H.A.G. Splinter-van Kan)
nog ongewis, terwijl verdachte aan de enkele
Hof daartoe heeft overwogen als weergege-
(Na conclusie van A-G mr. D.J.C. Aben,
omstandigheid dat zij op basis van de tekst
ven in 2.3, niet onbegrijpelijk en leent zich
strekkende tot vernietiging en tot terugwij-
van het Besluit hardheidsgevallen meende
niet voor verdere toetsing in cassatie.
zing dan wel verwijzing; adv. mr. Th.J.H.M.
dat de pachters een varkensrecht toegekend
Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijs-
Linssen, Tilburg)
zouden krijgen, redelijkerwijs niet dat ver-
middelen voorts vastgesteld dat de verdachte
ECLI:NL:HR:2014:2574
trouwen kon ontlenen. Immers, er zal in zijn
algemeenheid slechts sprake zijn van een
de huurder en sinds september 2009 de
gebruiker is van de loods waarin zich de
Opzet op het houden van meer varkens/
procedure bij het College van beroep voor
ruimte met de hennepkwekerijen bevond
fokzeugen dan het op dat bedrijf rustende
het bedrijfsleven na een negatieve beslissing
met planten die, toen de opsporingsambte-
varkensrecht/fokzeugenrecht toeliet: het
van een bestuursorgaan. Verdachte heeft
naren op 16 oktober 2009 die ruimte binnen-
enkele feit dat de verdachte niet erop
aldus door varkens te houden alvorens door
gingen, drie weken (ruimte I en ruimte III)
mocht vertrouwen dat de pachters alsnog
het College van beroep voor het bedrijfsleven
respectievelijk een week (ruimte II) oud
een varkensrecht toegekend zou worden
uitspraak was gedaan in de procedure voor
waren. Uit die feiten en omstandigheden
dat aan verdachte overgedragen kon wor-
het verkrijgen dan wel toegekend krijgen van
heeft het Hof het daderschap van de verdach-
den nu de uitkomst van de procedure bij
varkensrechten bewust de aanmerkelijke
te met betrekking tot het opzettelijk telen
het College van Beroep voor het bedrijfsle-
kans aanvaard dat zij varkens zou houden
van die hennepplanten, kunnen afleiden. De
ven nog ongewis was, sluit niet uit dat zij
zonder dat de varkensrechten aanwezig
klacht is ongegrond.
dat vertrouwen wel had. Aldus sprake van
waren. […] Het hof verwerpt het verweer.’
3.3. Ook voor het overige kan het middel niet
ontoereikend gemotiveerd oordeel dat de
Het middel klaagt over de motivering van
tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81,
verdachte bewust de aanmerkelijke kans
het bewezenverklaarde opzet.
2196
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Rechtspraak
Hoge Raad, onder meer:
ste lid, van de Wom beperkingen gesteld aan
niet langer het karakter van een betoging
3.3. Het Hof heeft overwogen dat de verdach-
de betoging op het Malieveld, (…).
draagt in de zin van artikel 9, eerste lid, van
te ‘er redelijkerwijs niet op [mocht] vertrou-
Bij het besluit van 22 februari 2012 heeft de
de Gw en van de Wom.
wen’ dat de pachters alsnog een varkensrecht
burgemeester de voortzetting van het tot
(…)
toegekend zou worden dat aan haar overge-
permanent verblijf geworden kampement
5.3. De rechtbank heeft gelet op het voreno-
dragen kon worden nu de uitkomst van de
van Occupy Den Haag op grond van artikel 2
verwogene echter ten onrechte niet onder-
procedure bij het College van beroep voor
en artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c,
kend dat de burgemeester, die zich ook op
het bedrijfsleven ‘nog ongewis’ was. Het enke-
van de Wom met ingang van 29 februari
het standpunt stelde dat zich niet langer een
le feit dat de verdachte dat vertrouwen niet
2012 verboden. Hij heeft hieraan ten grond-
manifestatie in de vorm van een betoging
mocht hebben, sluit niet uit dat zij dat ver-
slag gelegd dat het verblijf op het Malieveld
voordeed, ten onrechte de Wom niettemin
trouwen wel had, mede in aanmerking geno-
een meer permanente vorm heeft aangeno-
nog van toepassing heeft geacht. Nu het
men dat nog niet vaststond dat de uitkomst
men en niet langer een manifestatie is als
kampement het karakter van een betoging
van de lopende procedure ongunstig voor
bedoeld in de Wom. Voorts heeft de burge-
als bedoeld in artikel 9 van de Gw en de
haar zou zijn. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel
meester daaraan ten grondslag gelegd dat
Wom had verloren, was immers geen sprake
dat de verdachte bewust de aanmerkelijke
het kampement ter bestrijding en voorko-
meer van een manifestatie waarop de Wom
kans heeft aanvaard dat zij varkens hield
ming van wanordelijkheden moet worden
van toepassing was. Het besluit van 10
zonder het vereiste varkensrecht ontoerei-
beëindigd. (…)
augustus 2012, waarbij het besluit van 22
kend gemotiveerd.
Bij de besluiten van 10 augustus 2012 heeft
februari 2012 is gehandhaafd, komt reeds
3.4. Het middel slaagt.
de burgemeester de besluiten van 21 decem-
hierom voor vernietiging in aanmerking.
ber 2011 en 22 februari 2012 gehandhaafd.
(…)
(…)
7. Ter zitting heeft de burgemeester te ken-
Raad van State
5.2. Hoewel een manifestatie in de vorm van
nen gegeven dat indien de Wom niet van
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. B.
een kampement gericht op het uiten van een
toepassing zou zijn, hij zijn in artikel 172,
Klein Nulent en mr. drs. J. de Vries werkzaam
visie op politiek of maatschappelijk gebied in
derde lid, van de Gemeentewet neergelegde
bij de directie bestuursrechtspraak van de
beginsel kan worden aangemerkt als een
bevoegdheid had kunnen gebruiken om het
Raad van State. Volledige versies van deze
betoging in de zin van artikel 9, eerste lid,
kampement te beëindigen. Ingevolge dat
uitspraken zijn te vinden op www.raad-
van de Gw en van de Wom, heeft de recht-
artikel is de burgemeester bevoegd bij versto-
vanstate.nl.
bank met juistheid overwogen dat de burge-
ring van de openbare orde of bij ernstige
meester zich terecht op het standpunt heeft
vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen
gesteld dat het kampement ten tijde van het
te geven die hij noodzakelijk acht voor de
besluit van 22 februari 2012 het karakter van
handhaving van de openbare orde. (…)
een betoging had verloren. De rechtbank
8. Uit het besluit van 10 augustus 2012 volgt
27 augustus 2014, nr. 201302545/1/A3
heeft hierbij terecht in aanmerking geno-
dat het kampement incidenten aantrok. Uit
(Mrs. Slump, Vermeulen, Steendijk)
men, dat naarmate de tijd vorderde de
het bij het besluit van 22 februari 2012
ECLI:NL:RVS:2014:3174
nadruk van de manifestatie steeds sterker is
gevoegde overzicht van incidenten is daar-
komen te liggen op het opzetten en in stand
naast af te leiden, dat de personen die op het
Kampement Occupy Den Haag had karak-
houden van een voortdurend en permanent
kampement verbleven het door hen bezette
ter betoging verloren. Derhalve is voortzet-
verblijf door middel van het plaatsen van
deel van het Malieveld steeds meer als eigen
ting kampement ten onrechte op grond van
bouwsels en tenten met allerlei al dan niet
terrein gingen beschouwen waartoe zij de
WOM verboden. Wel mocht krachtens art.
daaraan gerelateerde extra voorzieningen.
politie geen toegang wilden verschaffen.
172 lid 3 Gemw beëindiging kampement
Daarmee is het in het openbaar uiten van
Bovendien had het kampement geen duide-
worden bevolen.
gedachten, gevoelens en overtuigingen
lijke organisatie en was er geen vast aan-
steeds verder op de achtergrond geraakt. Ter
spreekpunt. Verder volgt uit dit besluit dat er
(Grondwet (Gw) art. 9; Wet openbare
zitting bij de rechtbank hebben [appellanten]
vanaf november 2011 - tegen de gemaakte
manifestaties (WOM) art. 2, 5; Gemeentewet
bovendien erkend dat de energie en tijd die
afspraken in - steeds grotere objecten bij het
(Gemw) art. 172)
werd besteed aan andere zaken, zoals het
kampement werden geplaatst, waardoor het
voeren van procedures gericht op behoud en
kampement onoverzichtelijk werd. Daarnaast
Uitspraak op het hoger beroep van: [appel-
uitbreiding van het kampement, ten koste is
werd geprobeerd water- en elektravoorzienin-
lanten], vs. de uitspraak van Rechtbank Den
gegaan van het publiekelijk presenteren van
gen aan te leggen, open vuur en gasbranders
Haag van 13 februari 2013 in zaken nrs.
hun opvattingen. Voorts wordt in aanmer-
in te zetten en een tractor met bouwkeet te
12/9180 en 12/9208 in het geding tussen:
king genomen dat [appellanten] ruim vier
plaatsen; de burgemeester heeft de tractor en
[appellanten] en de burgemeester van Den
maanden de tijd hebben gehad hun menin-
bouwkeet door de politie laten verwijderen.
Haag.
gen en standpunten aan het publiek bij wege
Daarbij komt dat de permanente bezetting
van een kampement kenbaar te maken en zij
het gebruik van deze openbare plaats door
(…)
nooit een einddatum voor de manifestatie
anderen onmogelijk maakte. Gelet hierop
2. Op 10 oktober 2011 heeft [belanghebben-
hebben willen stellen. Met de rechtbank is de
heeft de burgemeester zich in redelijkheid op
de] de burgemeester kennis gegeven van een
Afdeling van oordeel dat het voor langere en
het standpunt kunnen stellen dat zich een
betoging, uitgaande van het samenwerkings-
potentieel onbeperkte duur bezetten van de
verstoring van de openbare orde voordeed,
verband genaamd ‘Occupy Den Haag’, die
publieke ruimte met een kampement als
zodat hij in het kader van de handhaving van
vanaf 15 oktober 2011 zal plaatsvinden. (…)
thans aan de orde, waarbij daarenboven de
de openbare orde als bedoeld in artikel 172,
Bij het besluit van 21 december 2011 heeft
hoedanigheid van een gemeenschappelijke
derde lid, van de Gemeentewet het bevel had
de burgemeester op grond van artikel 5, eer-
meningsuiting op de achtergrond is geraakt,
mogen geven het kampement per 28 februa-
1642
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2197
Rechtspraak
ri 2012 te beëindigen. Toepassing van die
of haar uitkering in dat geval terecht wordt
zijn moeder. Het gezinsleven met de vader
bevoegdheid en vermelding van de juiste
beëindigd. Zij zou dan alle schepen achter
kan onvoldoende worden uitgeoefend door-
wettelijke grondslag zou derhalve niet tot
zich moeten verbranden. Anders is geen
dat deze geen toegang tot Nederland heeft.
een inhoudelijk ander besluit hebben geleid
sprake van het verleggen van haar woon-
Door de intrekking van de WAO-uitkering
dan het besluit van 10 augustus 2012, waar-
plaats.
van appellante wordt een gezinsleven in
bij het besluit van 22 februari 2012 is
4.3. Nu de brief van 21 september 2010 op
Senegal onmogelijk gemaakt, aldus de
gehandhaafd. Gelet hierop zal de Afdeling
één lijn moet worden gesteld met een
gemachtigde van appellante.
bepalen dat de rechtsgevolgen van het ver-
besluit, moet worden vastgesteld dat de
5.4.2. Zoals de Raad al bij herhaling heeft over-
nietigde besluit van 10 augustus 2012 geheel
rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat
wogen, merkt het EHRM als ‘the very essence’
in stand blijven.
het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden
van het EVRM aan, respect voor menselijke
(…)
verklaard. De aangevallen uitspraak moet
waardigheid en menselijke vrijheid. Het in
derhalve worden vernietigd.
artikel 8 van het EVRM besloten liggende
5.1. Teneinde tot een definitieve beslechting
recht op respect voor het privéleven en
Centrale Raad van Beroep
van het geschil te komen, overweegt de Raad
gezinsleven van een persoon omvat mede de
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. A.B.J.
met betrekking tot de inhoudelijke kant van
fysieke en psychische integriteit van die per-
van der Ham, vice-president van de Centrale
het geschil het volgende.
soon en is er primair op gericht, zonder
Raad van Beroep, en mr. J.E. Jansen, hoofd
5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat toe-
inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van
Wetenschappelijk bureau van de Centrale
passing van het nationale recht bij verhui-
de persoonlijkheid van elke persoon in zijn
Raad van Beroep.
zing naar Senegal zal leiden tot de intrekking
betrekkingen tot anderen te waarborgen, als-
van appellantes uitkering op grond van de
mede het gezinsleven te beschermen. Het arti-
WAO.
kel beoogt niet alleen de staten tot onthou-
5.3.1. Namens appellante is in de eerste
ding van inmenging te dwingen, maar kan
plaats een beroep gedaan op artikel 1 van
onder omstandigheden ook inherente positie-
29 augustus 2014, nr. 12/5607 WAO
het Eerste Protocol. In dit verband is van
ve verplichtingen meebrengen die noodzake-
(Mrs. Van der Kade, De Vries, Damen)
belang dat - zoals in het bestreden besluit is
lijk zijn voor een effectieve waarborg van het
ECLI:NL:CRVB:2014:2889
vermeld - per 1 januari 2000 de Wet beper-
recht op privéleven en bescherming van het
king export uitkeringen in werking is getre-
gezinsleven. Daarbij hebben kinderen en
De mededeling dat de uitkering bij verhui-
den. Per die datum is middels de Wijzigings-
andere kwetsbare personen in het bijzonder
zing naar Senegal wordt ingetrokken is
wet beperking export uitkeringen artikel 43b
recht op bescherming. Het EHRM heeft meer-
gelijk te stellen met een besluit. De intrek-
in de WAO ingevoegd en is artikel 20 van die
dere malen geoordeeld dat artikel 8 van het
king van de uitkering is niet in strijd met
wet, waarnaar in artikel 43b wordt verwezen,
EVRM ook relevant is in zaken die betrekking
diverse verdragsbepalingen.
gewijzigd. In artikel 43b is bepaald dat de
hebben op de besteding van publieke midde-
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt inge-
len. Daarbij is wel van belang dat in een der-
(Awb art. 1:3; WAO art. 43b; EVRM art. 8;
trokken indien de verzekerde niet meer in
gelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘mar-
Eerste Protocol bij het EVRM art. 1; ESH art.
Nederland woont, behoudens de in artikel 20
gin of appreciation’ toekomt.
12 aanhef lid vier onder a; IVESCR art. 9)
opgenomen uitzondering dat de betrokkene
5.4.3. Ten tijde dat appellante in Nederland
woont in een land waarin op grond van een
woonachtig was, stond niets aan een normaal
verdrag of een besluit van een volkenrechte-
gezinsleven van haar met haar zoon in de
lijke organisatie recht op een arbeidsonge-
weg. Nu zij met behoud van haar uitkering
Overwegingen
schiktheidsuitkering kan bestaan.
naar Spanje is verhuisd, is hierin geen wijzi-
4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid
5.3.2. Aan appellante is per 15 november
ging gekomen. Vanaf de geboorte van de
van het bezwaar oordeelt de Raad als volgt.
2006 een WAO-uitkering toegekend. Deze
zoon in 2003 tot appellantes verzoek van 31
4.2. Appellante heeft aan het Uwv toestem-
uitkering kan worden aangemerkt als eigen-
augustus 2010 om haar uitkering te mogen
ming gevraagd om op 1 augustus 2011 met
dom in de zin van artikel 1 van het Eerste
exporteren, heeft geen dan wel een zeer
behoud van haar uitkering in Senegal te
Protocol. Dit eigendom omvat evenwel niet
beperkt gezinsleven tussen de zoon en zijn
gaan wonen. In de brief van het Uwv van 21
meer dan aan appellante op die datum is
vader plaatsgevonden. Niet valt in te zien dat
september 2010 is haar meegedeeld dat de
toegekend, te weten een uitkering waarvoor
op grond van artikel 8 van het EVRM op (een
uitkering bij verhuizing op 1 augustus 2011
onder andere de voorwaarde geldt dat zij in
orgaan van) de Staat de positieve verplich-
naar Senegal zal worden beëindigd. Deze
Nederland dan wel in - kort gezegd - een ver-
ting zou rusten door middel van export van
mededeling heeft geen voorlopig en alge-
dragsland woonachtig is. Op dit eigendom is
appellantes uitkering gezinsleven tussen de
meen karakter en is niet aan te merken als
met het bestreden besluit geen inbreuk
zoon en zijn vader mogelijk te maken. Het
het verstrekken van informatie. Er wordt zon-
gemaakt. Verwezen wordt naar het arrest van
niet aannemen van een dergelijke positieve
der voorbehoud een oordeel gegeven over de
het Europees Hof voor de Rechten van de
verplichting gaat de ‘margin of appreciation’
toepassing van een wettelijk voorschrift in
Mens (EHRM) van 10 november 2009, Bladh
van de staat niet te buiten.
een concrete situatie. Dat is aan te merken
vs. Zweden, nr. 46125/06.
5.4.4. Ook het beroep op artikel 8 van het
als een bestuurlijk rechtsoordeel. Dit
5.3.3. Het beroep op artikel 1 van het Eerste
EVRM kan derhalve niet slagen.
bestuurlijke rechtsoordeel moet in de voor-
Protocol kan daarom niet slagen.
5.5.1. Namens appellante is voorts een
liggende situatie op één lijn worden gesteld
5.4.1. Namens appellante is voorts een
beroep gedaan op artikel 12, aanhef en lid 4,
met een besluit in de zin van artikel 1:3 van
beroep gedaan op het in artikel 8 van het
van het ESH en artikel 9 van het IVESCR. Vol-
de Awb, nu het voor appellante onevenredig
EVRM neergelegde recht op gezinsleven.
gens eerstgenoemde bepaling verplichten
bezwarend is om naar Senegal te verhuizen
Daarbij is erop gewezen dat haar zoon recht
partijen bij het ESH zich stappen te onderne-
alvorens zij in rechte beoordeeld kan krijgen
heeft op gezinsleven met zowel zijn vader als
men teneinde een gelijke behandeling van
1643
(….)
2198
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Rechtspraak
onderdanen van verdragspartijen en eigen
(Regeling GLB-inkomenssteun 2006 art. 28,
veerd bestreden.
onderdanen te waarborgen, met inbegrip van
29, 34; Awb art. 3:9, 7:12)
Appellanten hebben volgens verweerder
onvoldoende onderbouwd dat er, door zowel
het behoud van uitkeringen ongeacht verplaatsingen van de beschermde personen
Subsidie voor duurzame (patio)stal.
opfok als afmest binnen de patio uit te voe-
tussen de grondgebieden van verdragspartij-
Advies van adviescommissie.
ren, sprake is van een meer dan gemiddeld
en. In artikel 9 van het IVESCR is neergelegd
Zorgvuldigheid. Motivering.
duurzaam huisvestingssysteem. Volgens verweerder is voorts niet gebleken dat de com-
dat de staten die partij zijn bij dit verdrag,
het recht van ieder op sociale zekerheid
Appellanten vs. de Staatssecretaris van
missie zich heeft gebaseerd op onjuiste gege-
erkennen, daarbij inbegrepen sociale verze-
Economische Zaken, verweerder
vens en dat er onjuiste feiten of gegevens in
het beoordelingsmemorandum van de com-
kering.
5.5.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen
Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten
missie staan.
in zijn uitspraak van 1 november 2007
van 11 mei 2012 de aanvragen van appellan-
Het College overweegt dat verweerder in bei-
(ECLI:NL:CRVB:2007:BB7475), kan artikel 12,
ten om steun (subsidie) bij investering in een
de zaken mag uitgaan van het advies van de
aanhef, vierde lid, aanhef en onder a, van het
integraal duurzame stal op grond van de
deskundigencommissie, nadat hij zich ervan
ESH, niet worden aangemerkt als een ‘eenie-
Regeling GLB inkomenssteun 2006 (de Rege-
heeft vergewist dat dit advies op zorgvuldige
der verbindende bepaling’ als bedoeld in arti-
ling) afgewezen en vervolgens hun bezwaren
wijze tot stand is gekomen. Naar het oordeel
kel 94 van de Grondwet. Gelet op de bewoor-
daartegen ongegrond verklaard.
van het College is verweerder hierin tekortge-
dingen en strekking van deze bepaling is
Appellanten hebben hiertegen beroep bij het
schoten. daarin veeleer sprake van een algemeen
College ingesteld.
Het beoordelingsmemorandum biedt
geformuleerde sociale doelstelling, tot het
Op grond van de Regeling kan op aanvraag
immers geen inzicht in de afwegingen die de
nastreven en verwezenlijken waarvan in hun
steun worden verstrekt aan onder meer hou-
deskundigen hebben gemaakt bij de toeken-
regelgeving de verdragsstaten zich hebben
ders van pluimvee voor de bouw van een
ning van de scores op de hier aan de orde
verbonden, dan van een door die verdragssta-
integraal duurzame stal of houderijsysteem.
zijnde aspecten (dierenwelzijn, milieu,
ten erkend recht, waarop de burgers zich in
Hieronder wordt verstaan: een stal of houde-
arbeidsomstandigheden, diergezondheid,
hun nationale rechtsorde zonder meer kun-
rijsysteem dat voldoet aan bovenwettelijke
marktintroductie, economische haalbaarheid
nen beroepen. Met betrekking tot artikel 9
normen op het gebied van dierenwelzijn en
en technisch perspectief). Ter zitting heeft
van het IVESCR moet hetzelfde worden over-
minimaal voldoet aan wettelijke normen op
verweerder aangevoerd dat het in het beoor-
wogen.
de gebieden: milieu, energie, diergezondheid,
delingsmemorandum genoemde aspect ‘per-
5.5.3. Dit neemt niet weg dat genoemde
landschappelijke inpasbaarheid en arbeids-
spectief’ moet worden opgevat als ‘maat-
bepalingen in zoverre een rol kunnen spelen
omstandigheden. Per jaar geldt een subsi-
schappelijk perspectief’ (omdat dit type
dat nationale bepalingen in het licht van
dieplafond. Een door verweerder ingestelde
huisvesting geen vrije uitloop kent). Het Col-
deze door de staat op zich genomen verplich-
commissie brengt advies uit over de onderde-
lege vindt hiervoor echter geen aanknopings-
tingen moet worden uitgelegd. Niet valt in te
len van het investeringsplan en de rangschik-
punten.
zien dat dit er in het voorliggende geval toe
king van de aanvragen. De als hoogste
Het College is verder van oordeel dat de
zou moeten leiden dat aan appellante, in
gerangschikte aanvragen worden het eerste
bestreden besluiten in strijd met artikel 7:12
weerwil van het bepaalde in artikel 43b van
gehonoreerd en aanvragen waarvoor geen
van de Awb niet berusten op een deugdelijke
de WAO, bij verhuizing naar Senegal een
geld meer beschikbaar is, worden afgewezen.
motivering. Verweerder is ten onrechte niet
WAO-uitkering zou toekomen.
Ter motivering van de afwijzing van de subsi-
ingegaan op hetgeen appellanten in hun
5.5.4. Ook het beroep op artikel 12, aanhef en
dieaanvragen heeft verweerder erop gewezen
bezwaar ten aanzien van de aspecten milieu
lid 4, van het ESH en artikel 9 van het IVESCR
dat het subsidiebudget voor 2012 onvoldoen-
en technische en economische haalbaarheid
kan derhalve niet slagen.
de is om alle aanvragen die aan de voorwaar-
naar voren hebben gebracht.
5.6. Het onder 5.2 tot en met 5.5.4 overwoge-
den voldoen goed te keuren en dat de aan-
Volgt: gegrond verklaring van de beroepen
ne leidt tot het oordeel dat het beroep tegen
vragen van appellanten door de commissie
en vernietiging van de bestreden besluiten.
het bestreden besluit ongegrond moet wor-
op basis van de beoordelingscriteria, te laag
Verweerder zal nieuwe besluiten moeten
den verklaard. Doende wat de rechtbank had
zijn gerangschikt om voor subsidie in aan-
nemen met inachtneming van de uitspraak.
behoren te doen, zal de Raad daartoe over-
merking te komen.
Het College stelt hiervoor een termijn van
gaan.
Appellanten stellen beroep in bij het College
acht weken na de datum van de uitspraak.
en voeren aan dat de beoordeling door de
Hierbij merkt het College het volgende op. De
commissie van hun aanvragen onzorgvuldig
uiterste realisatiedatum in het kader van de
College van Beroep voor het
bedrijfsleven
is geweest. Bij een juiste waardering van het
subsidie is 28 februari 2014. Ten tijde van
type patiostal waarin zij willen investeren,
deze uitspraak is die datum reeds verstreken.
Deze rubriek wordt verzorgd door mw. mr.
zouden hun projecten wel in aanmerking
De gemachtigde van verweerder heeft ter
J.M.M. Bancken, auditeur bij het College en
zijn gekomen voor subsidie. In bezwaar heb-
zitting van het College toegelicht dat het ver-
mw. mr. A. Bruining, voorheen gerechtsaudi-
ben appellanten uiteen gezet waarom de toe-
strijken van deze datum als zodanig niet
teur bij het College.
gekende scores op het gebied van dierenwel-
betekent dat aan appellanten geen subsidie
zijn, diergezondheid en milieu geen recht
meer kan worden toegekend.
1644
doen aan de kwaliteit van het patiosysteem
en hebben zij het oordeel van de commissie
dat het systeem op economisch en technisch
1 mei 2014, nrs. 12/1000 en 12/1001
perspectief onvoldoende scoort (in vergelij-
Mrs. Schukking, Munsterman, Van der Beek
king met andere aanvragen is hier de helft
ECLI:NL:CBB:2014:166
van het aantal punten toegekend), gemoti-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2199
Rechtspraak
1645
den de containers geopend en volgt behande-
genomen om verder te toetsen of in dit geval
ling voordat zij de kassen verlaten.
aan het Besluit werd voldaan, moet zij, aldus
1 mei 2014, nr. 13/45
Op 22 januari 2011 is de Regeling van
het College, geacht worden daartoe onver-
(Mrs. Aerts, Munsterman, Schukking)
rechtswege vervallen en op 1 mei 2011 is
plicht te zijn overgegaan. Gezien de strekking
ECLI:NL:CBB:2014:172
het Warenwetbesluit Lucky Bamboo, Stb.
van het handhavingsverzoek, maakte die
2011, 196, (hierna: het Warenwetbesluit) in
vraag immers geen onderdeel uit van het
Verzoek handhaving importverbod.
werking getreden. In het Besluit komt het
geschil.
Motivering.
verbod om Lucky Bamboo vrij van tijger-
Volgt bevestiging van de aangevallen uit-
muggen te verhandelen niet meer voor en
spraak met verbetering van gronden.
(Tijdelijke Warenwetregeling productvoor-
is – kort gezegd – voorgeschreven dat de
schriften Lucky Bamboo, hierna: de Regeling
eerste opening van de container in Neder-
(vervallen op 22 januari 2011)).
land in een afgescheiden ruimte geschiedt
1646
en een afdoende behandeling met een bioHoger beroep tegen de uitspraak van de
cide plaatsvindt voor de plant die ruimte
28 mei 2014, nr. 10/141
rechtbank Rotterdam met kenmerk 11/867
verlaat.
ECLI:NL:CBB:2014:213
in het geding tussen de Vereniging ‘plat-
De rechtbank verklaart het beroep van appel-
form Stop invasieve exoten’ en de Minister
lante opnieuw gegrond. De minister heeft
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
onvoldoende gemotiveerd waarom hij op
(VWS)
grond van de Regeling heeft afgezien van
(Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Rege-
handhaving. Omdat de Regeling inmiddels
ling); Besluit gebruik meststoffen art. 4b; Ver-
Appellante heeft op 17 april 2009 een ver-
vervallen is, beziet de rechtbank of er aanlei-
ordening (EG) nr. 796/2004 art. 65; Verorde-
zoek gedaan tot handhaving van de Rege-
ding is de rechtsgevolgen van het besluit in
ning (EG) nr. 73/2009 art. 23; Verordening
ling in verband met het verbod van invoer
stand te laten. Zij beantwoordt deze vraag
(EG) nr. 796/2004 artikel 67 lid 1; Awb art. 5:2
van tijgermuggen op Lucky Bamboo. Het
bevestigend. Zij gaat voorts in op de vraag of
lid 1 onder c)
verzoek was gericht tegen twee bedrijven en
aan de nieuwe regeling is voldaan. Appellan-
tegen andere bedrijven voor zover op basis
te voert in hoger beroep tegen de uitspraak
Appellant vs. de Staatssecretaris van
van de meest actuele (vangst)gegevens van
aan dat de minister ook op grond van de
Economische Zaken, verweerder
de Plantenziektenkundige Dienst zou blij-
nieuwe Regeling (het Warenwetbesluit) had
ken dat naast deze twee bedrijven nog ande-
moeten handhaven, omdat er tijgermuggen
Beroep na een ongegrond verklaard bezwaar
re importbedrijven na de inwerkingtreding
zijn gevangen in de kassen en deze dus blijk-
tegen een op grond van de Regeling GLB-
van de Regeling tijgermuggen hebben inge-
baar uit de afgescheiden ruimte in de vallen
inkomenssteun 2006 (de Regeling) opgelegde
voerd.
in de kassen zijn gevlogen. Appellante ver-
randvoorwaardenkorting van 20% op de aan
De minister heeft het verzoek afgewezen op
zoekt het College de minister op te dragen
appellant voor het jaar 2008 te verlenen
de grond dat uit het feit dat bij enkele
handhavend op te treden tegen Lucky Bam-
rechtstreekse betalingen, in verband met
importbedrijven tijgermuggen zijn aange-
boo bedrijven waar tijgermuggen in de con-
niet-naleving van het Besluit gebruik mest-
troffen nog niet blijkt dat in strijd met de
trolevallen worden gevonden. De minister
stoffen neergelegde verbod om op grasland
Regeling is gehandeld. Het tegen deze beslis-
stelt hier tegenover dat het om een inspan-
de graszode te vernietigen. De korting op
sing ingediende bezwaar verklaart de minis-
ningsverplichting gaat.
grond van de Regelling bedraagt in geval van
ter ongegrond.
Het College overweegt dat de rechtbank het
opzet 20%, anders 3%. Verweerder verwijt
Appellante stelt beroep bij de rechtbank in.
(tweede) bestreden besluit van de Minister
appellant opzet. Na de behandeling van het
De rechtbank verklaart dit beroep gegrond,
terecht heeft vernietigd. Het overweegt dat
beroep ter zitting door het College is het
vernietigt de beslissing op bezwaar en
appellante bij haar inleidend verzoek uitslui-
onderzoek heropend en zijn partijen in de
bepaalt dat de minister met inachtneming
tend om handhaving van het importverbod
gelegenheid gesteld om te reageren op het
van de uitspraak opnieuw op het bezwaar
heeft gevraagd. Appellante heeft dat ter zit-
arrest van het Hof van Justitie van de Europe-
beslist. Voor zover hier van belang overweegt
ting van het College bevestigd. De rechtbank
se Unie van 27 februari 2014, C-396/12.
de rechtbank daarbij dat uit artikel 3, eerste
zag zich ten tijde van de aangevallen uit-
De aangevraagde betalingen zien op het jaar
lid, aanhef en onder a, van de Regeling blijkt
spraak gesteld voor de situatie dat de minis-
2008. De Algemene inspectiedienst (hierna:
dat Lucky Bamboo al bij het importeren vrij
ter de afwijzing van het verzoek om handha-
AID) heeft op 9 december 2008 geconsta-
van tijgermuggen moet zijn. De minister
ving opnieuw niet deugdelijk had
teerd dat rond 10 september 2008, dus bui-
heeft naar het oordeel van de rechtbank,
gemotiveerd, maar dat het verbod om te han-
ten de toegestane periode, op een perceel
gelet op de bedoeling van de Regeling, onvol-
delen in strijd met het voorschrift om Lucky
aan de [adres] te [plaats] de graszode was
doende gemotiveerd waarom hij niet over-
Bamboo vrij van tijgermuggen te verhande-
vernietigd in opdracht van de eigenaar van
gaat tot handhaving
len waaronder ook import moet worden ver-
dit perceel. Appellant had dit perceel tot 1
Bij besluit van 17 januari 2011 verklaart de
staan – waar het geschil om draaide – niet
september 2008 in gebruik.
minister het bezwaar van appellante opnieuw
meer bestond. Het vervolgens in werking
Appellant voert aan dat hij ten onrechte niet
ongegrond. Daartoe overweegt hij dat er juri-
getreden Besluit voorzag niet meer in een
is gewezen op het ook bij het opleggen van
disch gezien geen reden is om niet te handha-
dergelijk importverbod. Het College conclu-
bestuurlijke sancties geldende zwijgrecht.
ven, maar dat handhaving vóór het moment
deert dat de rechtbank niet anders kon dan
Ook kan, aldus appellant, geen bestuurlijke
dat de behandelde planten de kassen verlaten
na de vernietiging van het bestreden besluit
boete worden opgelegd voor zover de overtre-
naar zijn mening niet effectief is. De planten
te bepalen dat de rechtsgevolgen ervan in
ding niet aan de overtreder kan worden ver-
komen in gesloten containers aan en worden
stand worden gelaten.
weten. De overtreding is begaan door een
aangevoerd in de gesloten kassen. Daar wor-
Voor zover de rechtbank het op zich heeft
loonwerker in opdracht van de nieuwe eige-
2200
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Overtreding; opzet, zwijgrecht, cautie?
Rechtspraak
naar van het perceel. Appellant staat hier
doel voor ogen heeft – de mogelijkheid dat
van 3% op te leggen.
geheel buiten en draagt geen schuld aan de
die niet-naleving zich voordoet, aanvaardt.
Hieraan doet niet af dat appellant de overtre-
overtreding.
Appellant en de loonwerker hebben ten over-
ding niet zelf heeft begaan. Volgens het
Het College overweegt dat niet in geschil is
staan van de AID verklaard dat zij het hier
arrest van het Hof van Justitie van de Europe-
dat op het in het AID-rapport omschreven
aan de orde zijnde verbod niet kenden en
se Unie van 13 december 2012 (C-11/12)
perceel grasland de graszode is vernietigd
zich niet bewust waren van het feit dat zij
moet artikel 23 van Verordening (EG) nr.
buiten de daarvoor toegestane periode. Ver-
een overtreding begingen. Onder deze
73/2009 immers zo worden uitgelegd dat
weerder kon dus overgaan tot een verlaging
omstandigheden kan naar het oordeel van
niet-naleving van de voorschriften inzake de
van rechtstreekse betalingen waaronder de
het College niet worden gezegd dat zij de met
randvoorwaarden door de persoon aan of
bedrijfstoeslag. Het College volgt verweerder
de randvoorwaarde strijdige toestand hebben
door wie de landbouwgrond is overgedragen,
niet in zijn betoog dat appellant opzettelijk
beoogd dan wel aanvaard.
naar aanleiding waarvan het totaalbedrag
heeft gehandeld in strijd met het verbod op
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit
van de rechtstreekse betalingen wordt ver-
het vernietigen van graszoden. Nog afgezien
komt voor vernietiging in aanmerking. Ver-
laagd of uitgesloten, volledig moet worden
van de beleidscriteria die verweerder daar-
weerder had moeten volstaan met een rand-
toegerekend aan de landbouwer die de steun-
voor hanteert, vindt het College daarvoor
voorwaardenkorting van (in beginsel) 3% in
aanvraag heeft ingediend, in dit geval appel-
onvoldoende aanknopingspunten, in voor-
verband met de vaststaande overtreding van
lant.
noemde uitspraak van het Hof van Justitie
artikel 4b, eerste lid, van het Besluit gebruik
Het betoog dat verweerder appellant had
waarin het begrip ‘opzettelijke niet-naleving’
meststoffen. Het College ziet geen grond voor
moeten wijzen op zijn recht om te zwijgen
zo wordt uitgelegd dat daarvoor sprake moet
het oordeel dat verweerder in afwijking daar-
slaagt niet. Het Hof van Justitie van de Euro-
zijn van een inbreuk op de voorschriften
van een lagere korting had dienen op te leg-
pese Unie heeft reeds herhaaldelijk overwo-
inzake randvoorwaarden die is gepleegd door
gen, dan wel met een waarschuwing had die-
gen dat een subsidiekorting als hier aan de
een steunontvanger die een toestand van
nen te volstaan. Daarom zal het College zelf
orde geen bestraffende sanctie is als bedoeld
niet-overeenstemming met deze randvoor-
in de zaak voorzien door aan appellant voor
in artikel 5:2, eerste lid, onder c, Awb.
waarden beoogt of die – zonder dat hij dit
het jaar 2008 een randvoorwaardenkorting
AANWIJZINGEN VOOR AUTEURS
Het verdient aanbeveling vóór het inzenden van artikelen contact
op te nemen met het redactiebureau; dit kan dubbel of vergeefs werk
voorkomen.
• Opinies zijn in beginsel gebonden aan de omvang van één pagina.
Dit is 800 woorden.
• Bijdragen voor de rubriek O&M omvatten maximaal 1200 woorden.
• Bijdragen voor de rubriek Reacties blijven binnen de 600 woorden
Het NJB kent verschillende soorten hoofdartikelen. Voor alle artikelen
en een naschrift binnen de 300 woorden.
geldt dat de auteur in de eerste alinea’s duidelijk maakt aan de NJBlezers waarom dit artikel interessant is om verder te lezen.
- Noten kunnen alleen bij artikelen worden geplaatst; daarin geen
meningen, toelichtingen of andere uitweidingen, maar alleen
• Wetenschappelijke artikelen: omvang inclusief notenapparaat
3 000 tot maximaal 5 000 woorden. Uitgebreidere versies kunnen
op de NJB-site worden geplaatst. Deze artikelen voldoen aan de
maatstaven van het wetenschappelijk forum. Zij vermeerderen de
vindplaatsen.
- Meestal ontvangt de auteur binnen 1 maand bericht of de inzending zal worden geplaatst.
- Artikelen of andere bijdragen die elders in dezelfde of vrijwel dezelf-
bestaande kennis met relevante nieuwe inzichten die methodisch
de vorm zijn of worden gepubliceerd worden niet aanvaard.
worden verantwoord.
Bij inzending dient vermeld te worden of en waar het artikel of de
Auteurs van wetenschappelijke artikelen kunnen de redactie verzoeken hun artikel aan peer review te laten onderwerpen. Meer informatie op www.njb.nl onder Voor Auteurs
• Lessen voor de praktijk: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2 500 woorden. Dit is een analyse van een expert met als
doel de praktijk te informeren over ‘best practices’.
• Focus: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2500 woor-
andere bijdrage eveneens ter plaatsing is aangeboden.
- Auteurs die bij een zaak of onderwerp waarover zij in het NJB willen
schrijven, betrokken zijn of zijn geweest, dienen dat in een voetnoot te
vermelden met een korte uitleg van de aard van hun betrokkenheid.
- Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen
aan het NJB impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.
den. Deze artikelen geven een schets en ordening van interessante
actuele ontwikkelingen in een deelgebied.
• Essays: indicatie van de omvang 3 000 woorden. Dit is een prikkelende beschouwing over een breder onderwerp. Verwijzingen staan
Een uitgebreide toelichting op het bovenstaande is te lezen in de
brochure Schrijven voor het NJB, te vinden op www.njb.nl onder
Voor Auteurs
bij voorkeur in de tekst zelf.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2201
1647
Boeken
Het enquêterecht in rechtsvergelijkend perspectief
Nederland, Curaçao, Aruba, de BESeilanden, St. Maarten en Suriname
Het enquêterecht is in een periode
van 122 jaar uitgegroeid van een
bescheiden voorstel naar een uiterst
adequaat intstrument om misstanden binnen rechtspersonen mee te
beslechten. Dit boek beschrijft de
geschiedenis en de huidige stand van
het Nederlandse enquêterecht.
Tevens wordt aandacht besteed aan
de ontwikkeling van het enquêterecht in andere, al dan niet voormalige, (ei)landen binnen het Koninkrijk
der Nederlanden, in het bijzonder het
sinds 1 januari 2012 en 1 april 2014
in werking getreden enquêterecht in
Curaçao, respectievelijk Sint-Maarten.
De voorfase, de eerste fase en de
tweede fase van het Nederlandse
enquêterecht komen - in rechtsvergelijkend perspectief - uitgebreid aan
de orde.
R.P. Jager
Uitgeverij Paris 2014, 202 p., € 37,50
ISBN 978 94 6251 024 1
Wet & Geschiedenis Wet
Clawback
Parlementaire geschiedenis
bevoegdheid tot aanpassing en
terugvordering van excessieve
bonussen van bestuurders en
dagelijks beleidsbepalers
Op 1 januari 2014
trad de Wet van 11
december 2013 tot
wijziging van boek 2
van het Burgerlijk
Wetboek en de Wet
op het financieel toezicht in verband met
de bevoegdheid tot aanpassing en
terugvordering van bonussen en
winstdelingen van bestuurders en
dagelijks beleidsbepalers (‘Wet Clawback’) in werking.
Het doel van de Wet Clawback is om
ondernemingen in staat te stellen
buitensporige bonussen aan te passen of terug te vorderen. Ook bevat
de wet de verplichting om in overnamesituaties een waardestijging van
aandelen en opties van bestuurders
van beursvennootschappen in te
houden. Bijzonder van de Wet Clawback is dat deze niet alleen op financiële ondernemingen ziet, maar op
alle nv’s. Deze Wet & Geschiedenisbundel geeft chronologisch per wets-
2202
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
artikel de parlementaire geschiedenis weer van de totstandkoming van
de Wet Clawback. Tevens bevat het
boek de parlementaire voorgeschiedenis die heeft geleid tot de totstandkoming van het wetsvoorstel.
G.M.T.J. Raaijkmakers,
E.H.F. Haantjes (red.)
Boom Juridische uitgevers 2014, 443 p., € 95
ISBN 978 90 8974 913 0
The EU Services Directives:
Law or simply policy?
The objective of the EU Services
Directive is to realise the internal
market for services which is of great
importance to the EU and its Member States in respect of facilitating
jobs and economic growth. This goal
is difficult to achieve without also
issues of national social policy, closely related to the welfare state,
being affected. This has led to the EU
Services Directive exhibiting distinctive features and functions, introducing unique implementation and
evaluation procedures and mechanisms to be used by, and within, the
Member States. Thus, the Services
Directive’s characteristics have raised
numerous legal questions essential
for its full understanding and implementation. It has become a “moving
target” for the national administrations. The understanding and implementation of the Services Directive
raises several central questions, such
as: is it to be interpreted as law or
simply policy, and, in light of this,
what are its actual effects on the
regulatory autonomy of the Member
States? In general, does the Services
Directive represent a new and innovative instrument which facilitates
prosperous integration within the
EU or, has the EU legislator gone
beyond its regulatory competence?
This book provides an in-depth analysis of the EU Services Directive, its
scope and its application, and clarifies the problems in interpreting the
Services Directive and its effects on
the national regulatory autonomy of
the Member States. It is a valuable
source of information for government officials, practitioners and
researchers involved in matters of
European Law and especially the EU
Services Directive.
M. Wiberg
Springer 2014, xv + 309 p., € 91,62
ISBN 978 94 6265 022 0
Curatoren en vereffenaars:
Actuele ontwikkelingen III
Het insolventierecht is
voortdurend in beweging. De afgelopen
jaren werd er bijzonder
veel aandacht besteed
aan het redden van
ondernemingen in
moeilijkheden door de
invoering en de daaropvolgende aanpassing van de Wet Continuïteit
Ondernemingen. Daarnaast probeerde de wetgever ook de vereffeningsprocedure efficiënter te maken. Om
deze evoluties te duiden, werd in
2013 een nieuwe editie van de postuniversitaire opleiding Curator-Vereffenaar georganiseerd. Deze opleiding
speelt in op de bepaling in de Faillissementswet die vereist dat curatoren
een bijzondere opleiding genoten
hebben en waarborgen bieden inzake
bekwaamheid op het gebied van vereffeningsprocedures. Sinds 2006 worden ook vereffenaars van vennootschappen gecontroleerd door de
rechtbank van koophandel, zonder
dat er evenwel wettelijke bekwaamheidsvereisten worden gesteld.
Dit boek bundelt een aantal bijdragen van sprekers die meewerkten
aan deze opleiding. Dit boek is een
actualisering van de twee gelijknamige boeken die respectievelijk in 2006
en 2010 verschenen zijn. De bijdragen behandelen thema’s en onderwerpen die nieuw zijn sinds 2009.
Deze nieuwe uitgave vormt m.a.w.
een aanvulling op de eerder verschenen boeken, die op verschillende
punten hun gelding behouden. Het
boek bevat uitgebreide informatie en
duiding over vereffeningsprocedures
en over de recente tendensen in het
insolventierecht in de ruime zin.
H. Braeckmans, E. Dirix, M.E.
Storme, B. Tilleman, M. Vanmeenen
(eds.)
Intersentia 2014, xx + 560 p., € 160
ISBN 978 94 0000 392 7
Jurisprudentie Publiekrecht
1879 - 2014
Dit boek bevat staats- en bestuursrechtelijke uitspraken van 1879 tot
en met 2014, speciaal geselecteerd
voor het bacheloronderwijs.
Ars Aequi Libri 2014, 327 p., € 34,50
ISBN 978 90 6916 420 5
Tijdschriften
1648
Burgerlijk (proces)recht
Bedrijfsjuridische berichten
Nr. 18, 9 september 2014
Mr. M.I. Nijenhof-Wolters, Bb 2014/57
Doorwerking contractueel
beding in samenhangende
rechtsverhoudingen kan niet
al te snel worden aangenomen
– Uitgangspunt is dat uit een overeenkomst slechts verbintenissen
voortvloeien voor de bij die overeenkomst betrokken partijen. Indien een
rechtsverhouding tussen partijen die
niet in een contractuele verhouding
tot elkaar staan wordt beoordeeld,
kan betekenis worden toegekend aan
de feitelijk economische samenhang
tussen overeenkomsten waarbij zij
wel partij zijn. De enkele omstandigheid dat een zodanige samenhang
bestaat is echter niet steeds van
belang voor de beoordeling van de
rechtsverhouding. Vanwege het hiervoor genoemde uitgangspunt dient
het rechterlijk oordeel dat een contractueel beding doorwerkt in een
daarmee samenhangende rechtsverhouding specifiek gemotiveerd te
zijn.
WPNR
145e jrg. nr. 7029, 23-30 augustus
2014
Mr. dr. C.N.J. de Vey Mestdagh
Vertrouwen in de toekomst:
notariële betrouwbaarheidsdiensten in de informatiesamenleving
– De ruimte voor notariële betrouwbaarheidsdiensten in de interneteconomie is veel groter dan gedacht. Dit
artikel geeft een overzicht van de
vele nieuwe mogelijkheden om deze
ruimte te benutten.
Mr. E. van den Brink-Baggerman
Begrijpelijke taal in notariële akten,
kan dat? Onbegrijpelijke taal in
notariële akten, mag dat?
– In deze bijdrage staat de vraag centraal of in de notariële akte taal mag
worden gebruikt die de cliënt niet
begrijpt en hoe dit zich verhoudt tot
de Belehrungspflicht.
Mr. J.W.E. Litjes,
mr. M. Tydeman-Yousef
Certificering versus flexibele
aandelen in de ring (I). Wie wordt
de winnaar?
– In dit tweeluik treedt de rechtsfi-
guur certificering denkbeeldig in de
ring tegenover het gebruik van flexibele aandelen. In het eerste deel zijn
de schijnwerpers gericht op de civielrechtelijke verschillen.
Mr. R.J. Abendroth
Rangwisseling pandrecht door
eigenlijke achterstelling
– Rangwisseling van pandrecht kent
geen soortgelijke wettelijke basis als
art. 3:262 BW biedt voor hypotheek.
Geen nood. Rangverlaging via eigenlijke achterstelling is de weg.
‘Watov’ nog van deze tijd, gezien de
ontwikkelingen van maatschappij en
technologie?
Mr. J.W.E. Litjens,
mr. M. Tydeman-Yousef
Certificering versus flexibele
aandelen in de ring (II). Wie wordt
de winnaar?
– In dit tweeluik treedt de rechtsfiguur certificering denkbeelding in de
ring tegenover het gebruik van flexibele aandelen. In dit tweede deel ligt
de focus op de fiscaalrechtelijke
aspecten in de inkomstenbelasting.
WPNR
145e jrg. nr. 7029,
6-13 september 2014
Mr. G-J. Vossestein
Europees vennootschapsrecht en de
besloten vennootschap
– Dit artikel gaat over
de invloed van de
Europese Richtlijnen
vennootschapsrecht
op het Nederlandse
bv-recht. Daarbij wordt
ook aandacht besteed
aan het recente richtlijnvoorstel tot invoering van een
Societas Unius Personae (een sterk
vereenvoudigde eenpersoons-bv, die
zonder notariële akte kan worden
opgericht)
Mr. J. Vos
De invoering van een Europese
verklaring van erfrecht en een
landregistratie informatiemodel:
simplificatie van het recht door
invoering van formulieren?
– De Erfrechtverordening kan worden gezien als een stap richting unificatie van de verschillende nationale
rechtsstelsels in Europa. De dagelijkse praktijk en praktische ingerichte
(kennisdelings)projecten zijn voor
een effectieve unificatie van groot
belang.
Prof. M. Barendrecht
Notariaat en innovatie
– Een onderzoek naar de trends en
innovaties die relevant zijn voor het
notariaat. Er zijn nog wel onvervulde
behoeften van cliënten en kansrijke
bedrijfsmodellen die daarop kunnen
inspelen. Dit vergt een complexe
strategie voor het notariaat als
beroepsgroep.
Mr. Th.A. Ritsema
De Watov: goed genoeg?
– Een overzicht van het doel en de
achtergronden van het toezicht op
veilingen van roerende zaken. Is de
WR Tijdschrift voor
Huurrecht
Nr. 8, augustus 2014
Mr. J.J. Dammingh, WR 2014/97
Bemiddelingscourtage bij de
verhuur van woonruimte
– Veel huurders die
woonruimte willen
huren, vinden via een
bemiddelingsbureau
(of een makelaar) een
woning, etage of
kamer. Vaak brengt
het bemiddelingsbureau voor het ‘regelen’ van de woonruimte een bemiddelingscourtage
ter grootte van een maandhuur aan
de huurder in rekening. De laatste
tijd hebben nogal wat huurders in
een gerechtelijke procedure terugbetaling gevorderd van de courtage die
zij in verband met het huren van
woonruimte aan het bemiddelingsbureau hebben voldaan. Over (de toewijsbaarheid van) deze vordering tot
restitutie van de bemiddelingscourtage is door de diverse kantonrechters in Nederland verschillend geoordeeld: sommige kantonrechters
hebben de vordering afgewezen, terwijl anderen de vordering wel toewijsbaar hebben geacht. Het feitencomplex was in al die procedures
vrijwel steeds hetzelfde.
1649
Fiscaal recht
Juridisch up to Date
Nr. 15, 28 augustus 2014
Mr. drs. G.O. Hoeksma
De werkkostenregeling
– De werkkostenregeling werd op 1
januari 2011 ingevoerd. Na aanvan-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2203
Tijdschriften
kelijk een overgangsrecht, geldt vanaf 1 januari 2015 dat inhoudingsplichtigen de werkkostenregeling
moeten toepassen. Schr. bespreekt
deze regeling op hoofdlijnen met
aandacht voor het loonbegrip, nihilwaarderingen, eindheffingsbestanddeel en vrijstellingen. Daarnaast
wordt ingegaan op de wijzigingsvoorstellen van de staatssecretaris. Met
de werkkostenregeling wilde de regering het aantal regels terugbrengen.
Aanvankelijk zag het ernaar uit dat
dit zou lukken, maar vanwege onder
politieke en maatschappelijke druk
aangebrachte wijzigingen is de regeling volgens schr. weer ingewikkelder
geworden.
Ondernemingsrecht
Nr. 12, 2 september 2014
Mr. dr. G.K. Fibbe,
Ondernemingsrecht 2014/105
Recente ontwikkelingen omtrent
fiscaal hybride entiteiten binnen de
OESO en de EU
– In de nationale en
internationale
media wordt in toenemende mate
bericht over belastingbesparende constructies van multinationals.
Belastingplanning die gebruikmaakt
van fiscaal hybride structuren is
daarbij een belangrijk doelwit. In
deze bijdrage wordt een overzicht
gegeven van de recente ontwikkelingen hieromtrent binnen de OESO en
de EU. Hierbij worden enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij de
denkrichting van de OESO alsmede
de Commissie.
Weekblad Fiscaal Recht
143e jrg. nr. 7062, 4 september 2014
Prof. dr. S.J.C. Hemels, WFR 2014/1060
Periodieke giften: een tweeluik –
deel I: oorsprong en weerslag in de
Wet IB 2001
– In dit eerste deel van een tweeluik
over de periodieke giftenaftrek wordt
de historische achtergrond van deze
aftrek en het onderscheid met aftrek
van andere giften geanalyseerd. Vervolgens wordt een belangrijk kenmerk besproken, te weten het onzekerheidsvereiste en de wettelijke
invulling daarvan door de vijfjaarstermijn en de eis van beëindiging bij
overlijden.
2204
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Dr. F.M. Werger, mr. A.L. Mertens,
WFR 2014/1067
De werkkostenregeling; knutselen
aan een lelijk eendje maakt nog
niet een mooie zwaan
– In deze bijdrage gaan schrs. in op
de geschiedenis van de werkkostenregeling. Hierbij gaan ze ook in op het
recent door de Staatssecretaris van
Financiën aangekondigde pakket aan
lapmiddelen om de regeling voor de
praktijk meer acceptabel te maken.
Hierbij is volgens schrs. wederom verzuimd om de opzet van de regeling
fundamenteel aan te pakken, waardoor de bakfouten die al vanaf het
begin in de regeling zitten niet worden weggenomen. Ze geven een aantal suggesties voor een eenduidig en
samenhangend loonbegrip dat wel
aansluit op de maatschappelijke
opvattingen en de doelstellingen die
met de aankondiging van de werkkostenregeling zijn geformuleerd.
Mr. A.J. Luimes, WFR 2014/1076
Actuele ontwikkelingen rond
het leerstuk van de redelijkerwijs
kenbare fout
– Dit artikel geeft een uitgebreide
beschouwing over het op 1 januari
2010 ingevoerde art. 16 lid 2 onderdeel c Algemene wet inzake rijksbelastingen dat navordering zonder
‘nieuw feit’ mogelijk maakt, wanneer
ten gevolge van een fout te weinig
belasting is geheven en dit voor de
belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Er wordt uitgebreid stilgestaan bij de recente jurisprudentie
die over dit wetsartikel is gewezen en
bij de gevolgen die de Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst voor dit wetsartikel heeft.
1650
Handels- & economisch recht
Bedrijfsjuridische berichten
Nr. 18, 9 september 2014
Mr. G.H. Lankhorst, Bb 2014/59
Rapportage juli 2014: welke
insolventierechtelijke wetswijzigingen kunnen ondernemingen en
particulieren verwachten?
– Het groot onderhoud aan de Faillissementswet vordert gestaag. Want
het wetgevingsprogramma ‘Herijking
faillissementsrecht’ ligt op schema,
aldus de Minister van Veiligheid en
Justitie in zijn meest recente voortgangsrapportage van 15 juli 2014.
Bij brieven van 26 november 2012,
27 juni 2013 en 15 november 2013 is
de Tweede Kamer eerder geïnformeerd over dit omvangrijke wetgevingsprogramma, dat uiteindelijk uit
zeven afzonderlijke wetsvoorstellen
moet gaan bestaan. Het programma
bestaat uit drie hoofdthema’s (‘pijlers’), namelijk bestrijding van faillissementsfraude; bevordering van het
reorganiserend vermogen van bedrijven; en de modernisering van de faillissementsprocedure. Ieder half jaar
bericht de minister de Kamer over de
stand van zaken van de herijking van
het faillissementsrecht.
Mr. H. Koster, Bb 2014/60
De nieuwe ‘claw back’ wetgeving in
Boek 2 BW
– In deze bijdrage gaat schr. in op
het per 1 januari 2014 in werking
getreden Wet tot wijziging van Boek
2 van het BW en de Wet op het financieel toezicht in verband met de
afroomverplichting en de bevoegdheid tot aanpassing en terugvordering van bonussen en winstdelingen
van bestuurders en dagelijks beleidsbepalers.
Ondernemingsrecht
Nr. 12, 2 september 2014
Mr. B.E. Verburgt,
Ondernemingsrecht 2014/104
De onbegrensde mogelijkheden van
een beperkt recht
– Het pandrecht op aandelen op
naam is in de (financierings)praktijk
van groot belang. Bij verpanding van
aandelen op naam is het gebruikelijk
dat het stemrecht op de verpande
aandelen (onder opschortende voorwaarde) toekomt aan de pandhouder.
De uitoefening van dit stemrecht
door de pandhouder en de parate
executie van aandelen op naam
bewegen zich op het snijvlak van het
goederen- en zekerhedenrecht en het
vennootschapsrecht en kunnen aanleiding geven tot onvermoede mogelijkheden maar ook tot complicaties.
Dit artikel gaat in op de rechten en
mogelijkheden die de (stemgerechtigde) pandhouder van aandelen op
naam heeft op grond van het vennootschapsrecht (waaronder het
enquêterecht) en bespreekt de positie van de doelwitvennootschap bij
de parate executie van deze aandelen
door de pandhouder.
Tijdschriften
Tijdschrift voor Huurrecht
Bedrijfsruimte
11e jrg. nr. 4, juli/augustus 2014
Mr. L.W.M. van Dam-van den Broek,
mr. E.E.S. Groothedde, mr. E.M. Jooren
Het afhaalpunt: de juridische (on)
mogelijkheden huurrechtelijk en
planologisch nader beschouwd
– In dit artikel
wordt aan de hand
van de parlementaire geschiedenis van
het huurrecht en de
jurisprudentie nader
ingegaan op de kenmerken van
290-bedrijfsruimte in relatie tot het
afhaalpunt. Tevens wordt beschouwd
welke bestuursrechtelijke kwalificatie
aan een afhaalpunt wordt toegekend
en in hoeverre de vestiging van een
afhaalpunt op een bedrijventerrein
planologisch gezien mogelijk is.
Mr. L.M. Rooseboom
Artikel 7:226 vs. 6:159 BW
– Reeds sinds 1923 is het uitgangspunt onder het Nederlandse huurrecht dat slechts zogenaamde kernbedingen van rechtswege (thans op
grond van art. 7:226 lid 3 BW) overgaan op een nieuwe verhuurder bij
verkoop van een onroerende zaak. De
jurisprudentie uit 2007 en 2010 heeft
ertoe geleid dat oplettende huurders
oplossingen hebben gezocht om de
‘achterblijvende’ rechten toch op een
nieuwe verhuurder over te laten
gaan. Ook oplettende verkopers van
onroerende zaken hebben belang bij
het over laten gaan van niet-kernbedingen. De meest gebruikte wijze om
niet-kernbedingen over te laten gaan
op een opvolgend verhuurder is contractsoverneming (art. 6:159 BW). Dit
artikel tracht te beschrijven welke
additionele gevolgen deze contractuele verplichting tot contractsoverneming kan hebben voor kopers van
onroerende zaken in Nederland. Schr.
komt tot de conclusie dat de risico’s
voor de opvolgend eigenaar met
betrekking tot de reeds voor de levering van een onroerende zaak opeisbare verplichtingen onder het regime
van contractsoverneming verstrekkender zijn dan bij een overgang van
bedingen op grond van art. 7:226 BW.
Huurder en verhuurder hebben in
veel gevallen beoogd de werking van
art. 7:226 BW te verzekeren voor alle
verplichtingen, ook voor die welke
niet onder het bereik van art. 7:226
lid 3 vallen. In het slot van dit artikel
draagt schr. daarom praktische oplossingen aan om deze bedoeling van
partijen ook daadwerkelijk in de
huurovereenkomst vast te leggen.
Prof. mr. P. Abas
‘Gebruik’ betekent (niet) hetzelfde
als ‘gebruik’
– Deze bijdrage is gewijd aan het
begrip ‘gebruik’ dat in de huurrechtelijke traditie al sinds de Huurwet-1950 een voorname rol speelt in
art. 18 van die wet als opzeggings- en
beëindigingsgrond van de huur van
gebouwde onroerende zaken: dringend eigen gebruik. Beschreven
wordt het wettelijk kader waarin het
eigen gebruik is neergelegd bij de
huur van woonruimte en bedrijfsruimte. Tevens komt de dringendheid aan de orde, vooral in de vorm
van financiële noodzaak. Schr.
bespreekt het op woonruimte betrekking hebbende arrest van HR 26
maart 2010, NJ 2010, 190. Het is de
vraag of dat arrest mede van toepassing is bij de huur van bedrijfsruimte. Het ontkennend antwoord op
deze vraag wordt besproken in de
conclusie van de A-G en het arrest
van de Hoge Raad. Schr. brengt zijn
bezwaren tegen deze uitkomst naar
voren.
1651
Intellectuele eigendom,
mediarecht &
informatierecht
Bedrijfsjuridische berichten
Nr. 18, 9 september 2014
Mr. V. van Druenen, Bb
2014/58
Het Guidance Document voor de
toepassing van de Richtlijn Consumentenrechten: een helpende hand
van de Commissie
– Op 13 juni 2014 is de Nederlandse
wetgeving ter implementatie van de
Richtlijn Consumentenrechten in
werking getreden. Het Directoraatgeneraal Justitie van de Europese
Commissie heeft recent een
Guidance Document voor de toepassing van de bepalingen uit deze
Richtlijn gepubliceerd. In dit artikel
wordt de achtergrond, het karakter
en de inhoud van dit document
besproken.
Berichten Industriële
Eigendom
5e jrg. nr. 7/8, juli/augustus 2014
T. Douma, M. Kokke
Recent SPC case law
– In this article authors first discuss
the background of supplementary
protection certificates (SPCs) and of
the regulations and, subsequently,
the uncertainty that arose after the
2011 decisions which led to three of
the recent decisions. They subsequently discuss the main teachings
of the decisions and the implications
they may have. In addition to the
actual rulings, the Court’s decisions
contain some interesting considerations concerning, for example, the
duration of SPCs. The Court also
seems to introduce a new criterion
for the granting of SPCs: if the granting of an SPC were to be contrary to
the objective of the SPC Regulation,
the SPC could be refused.
M. Schut, S. van Loon
Bescherming van knowhow in
Nederland: huidige stand van zaken
en vooruitblik aan de hand van de
ontwerp richtlijn bescherming
bedrijfsgeheimen – Deel I
– In Nederland gaat op afzienbare
termijn het nodige veranderen in de
bescherming van knowhow, of
bedrijfsgeheimen. Op 28 november
2013 publiceerde de Europese Commissie haar voorstel voor een Richtlijn Bedrijfsgeheimen. Inmiddels
heeft de Raad van de Europese Unie
op 26 mei 2014 een gewijzigd voorstel voorgelegd aan het Europese
Parlement. Daarmee wijkt de Raad af
van de gewone wetgevingsprocedure
– waarin het commissievoorstel
eerst langs het parlement gaat –
met de bedoeling om bij de eerste
lezing reeds tot een overeenstemming te komen, mogelijk nog in
2014. Na inwerkingtreding hebben
de lidstaten twee jaar de tijd om de
richtlijn te implementeren. In Nederland heeft de Minister van Buitenlandse Zaken reeds aangegeven dat
daarvoor specifieke wetgeving nodig
is. In dit artikel bespreken schrs. de
huidige stand van zaken wat betreft
knowhow bescherming, het meest
recente voorliggende concept voor
de richtlijn en de mogelijke consequenties daarvan voor de Nederlandse situatie.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2205
Tijdschriften
1652
Mediation en alternatieve
geschillenbeslechting
Nederlands-Vlaams
tijdschrift voor Mediation
en conflictmanagement
18e jrg. nr. 2, juni 2014
E. Verhage
ADR en ODR voor
consumentenzaken in beweging
– In deze bijdrage
staat de implementatie van de ADRrichtlijn in het
Nederlandse rechtsstelsel centraal, alsook enige juridische
complicaties die met
deze implementatie samenhangen.
Na een korte schets van de ADR-richtlijn en de ODR-verordening passeren
de Nederlandse subsidiariteitsbezwaren tegen de voorstellen van de ADRrichtlijn en de ODR-verordening de
revue. Vervolgens wordt belicht welke
implementatiemethode het meest
geschikt is om de ADR-richtlijn in
Nederlands recht om te zetten. Voorts
worden drie juridische implicaties
voor het Nederlandse ADR-landschap
voor consumentenzaken besproken.
Voor deze geconstateerde implicaties
van de ADR-richtlijn en de ODR-verordening worden tot slot oplossingen
aangedragen.
N. Creutzfeldt, C. Hodges
Consumer Dispute Resolution (CDR)
in Europe
– This paper is a combination of the
‘Oxford study 2012’ (C. Hodges, I.
Benöhr and N. Creutzfeldt-Banda,
Consumer ADR in Europe, Oxford:
Hart Publishing 2012) and subsequent publications about consumer
dispute resolution in Europe. Recent
EU legislation aims to establish a EUwide framework for consumer alternative dispute resolution (CADR or
CDR) schemes and a platform for
online dispute resolution (ODR). This
forces member states to revisit their
existing CDR models and in some
cases, to modernize their structures.
Many member states face challenges
of reform of existing systems by the
directives implementation date of
2015. This paper will provide an
overview of CDR, the development of
current legislation and discuss some
2206
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
national examples. The paper concludes with comments about implementation of the directive and
potential future direction.
C. Schmidt, M. Hammes
Dispute Management as a means of
value based corporate governance
– Disputes are part of a company’s
daily business reality, involving a
broad range of internal and external
stakeholders. As disputes may have
significant consequences in terms of
costs and damages, it is crucial that
disputes are managed in a ‘wise’
manner. In this context, PwC and the
Institute of Conflict Management at
the European University Viadrina
Frankfurt (Oder) initiated a broader
ten years research project. The fourth
and most recent survey was published in October 2013 and examines
the question of how dispute management can be established as a means
of value based corporate governance.
The survey describes how disputes
can be successfully managed by
employing a professional framework
and associated tools.
1653
Omgevingsrecht
Tijdschrift voor
Omgevingsrecht
Nr. 2, september 2014
Mr. dr. J.R.C. Tieman
Meer of minder afval?
Het onderscheid tussen
afvalstoffen en grondstoffen onder
de vernieuwde Kaderrichtlijn
Afvalstoffen 2008/98/EG
– De vernieuwde
Kaderrichtlijn Afvalstoffen verscheen eind
2008 in het Europese
publicatieblad. Vijf
jaar na dato kan aan
de hand van de rechtspraak over het begrip
afvalstof en de in de richtlijn opgenomen uitzonderingen de balans
worden opgemaakt: is het met de
nieuwe richtlijn in de hand inderdaad makkelijker geworden om afvalstoffen van (secundaire) grondstoffen te onderscheiden? De conclusie is
dat dit maar zeer ten dele is gelukt,
en dat het nog steeds vooral aan de
rechter is om de scherpe randjes van
het afvalstoffenbegrip weg te vijlen.
Wel lijkt het zo dat het begrip afvalstof anno 2014 minder ruim is dan
in 2000 na het arrest ARCO Chemie
misschien nog werd gedacht.
Mr. H.A.J. Gierveld
Over de uitbreidingsmogelijkheden
van een dierenpension in Grolloo
– In deze bijdrage wordt de uitspraak
van de Afdeling bestuursrechtspraak
over de uitbreiding van het dierenpensioen in Grolloo besproken en
vergeleken met enkele andere uitspraken over ontheffingen opgenomen in provinciale verordeningen in
relatie tot art. 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening. Bekeken wordt hoe
de verschillende provincies omgaan
met de gevolgen van de uitspraak
voor provinciale verordeningen en
hoe de relatie tussen de ontheffing
en art. 4.1a van de Wro in de Omgevingswet vorm wordt gegeven.
Mr. J.J. van der Gouw
Besluit ruimtelijke ordening
aangepast aan Dienstenrichtlijn
– Bij koninklijk besluit van 16 mei
2014 (Stb. 2014, 174) zijn enkele wijzigingen aangebracht in zowel het
Besluit algemene regels ruimtelijke
ordening (Barro) als het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Aanleiding voor
de wijziging in het Bro zijn klachten
van (groot)winkelbedrijven dat provincies en gemeenten in de praktijk
economische voorwaarden stellen,
zoals economische behoefte en
marktvraag, aan de vaststelling van
bestemmingsplannen, die strijdig zijn
met het verbod van art. 14, aanhef en
onder 5, van de Dienstenrichtlijn.
Naar verluidt heeft de Europese Commissie aan de regering vragen gesteld
over het Nederlandse (ruimtelijke)
detailhandelsbeleid. De wijzigingen in
het Barro hebben geen betrekking op
de Dienstenrichtlijn en blijven in deze
bijdrage onbesproken.
1654
Onderwijsrecht
School en Wet
94e jrg. nr. 4, augustus 2014
Mr. dr. F.H.J.G. Brekelmans
Wet werk en zekerheid
– Op 29 november 2013 is het voorstel van de Wet werk en zekerheid
Tijdschriften
(Wwz) bij de Tweede
Kamer aanhangig
gemaakt. Een half
jaar later is het
wetsvoorstel tot wet
verheven. De Wwz
bevat in de eerste
plaats wijzigingen
van het arbeidsovereenkomstenrecht
in het BW en treedt op 1 juli 2015 in
werking. Een deel van de in de Wwz
opgenomen flexmaatregelen treedt
al eerder in werking en wel op 1
januari 2015. Hiermee is het wetgevingstraject nog niet afgerond. Resultaat van de behandeling in de Eerste
Kamer was onder meer dat er op
enkele onderdelen reparatiewetgeving komt. In dit artikel worden in
grote lijnen de hoofdthema’s van de
Wwz besproken; de bespreking is
vooral gericht op de sectoren primair
en voortgezet onderwijs.
Mr. V. Kellenaar,
mr. drs. L. van der Pols
Kroniek: Huisvesting en
leerlingenvervoer
– Deze kroniek geeft een overzicht
van enkele recente ontwikkelingen
die zich hebben voorgedaan ten aanzien van leerlingenvervoer en onderwijshuisvesting. Uitspraken over de
kwalificatie van een ‘toegankelijke
school’ en de ‘richting van een school’
hebben deze begrippen nader uitgekristalliseerd.
1655
Rechtspleging & procesrecht
Recht der Werkelijkheid
35e jrg. nr. 1, april 2014
Symposiumnummer: Gezag en
rechtspraak
M. Bokhorst
Overvragende wetgever zet gezagsuitoefening van rechter onder druk
– De legitimiteit van
de rechtspraak en
het gezag van de
rechter kan onder
druk komen te staan
wanneer de rechtspraak meer taken
krijgt toegeschoven
dan zij kan waarmaken, maar ook
wanneer de prestaties die de rechtspraak levert structureel achterblijven bij de hooggespannen politieke
en maatschappelijke verwachtingen.
Dat roept de vraag op hoe het komt
dat de overvraagde wetgever op zijn
beurt de rechter is gaan overvragen.
Op wat voor manieren probeert de
wetgever de proces- en productlegitimiteit van de rechter als ketenpartner bij te sturen. Tot slot wordt verkend welke activiteiten de
rechtspraak verricht om autonoom
zijn gezag te bewaken dan wel tegemoet te komen aan de democratische wensen en verwachtingen.
N. Holvast, N. Doornbos
Loyaliteit binnen de rechterlijke
macht
– De ogenschijnlijke contradictie –
rechters uiten openlijke kritiek op de
rechterlijke organisatie en hebben
tegelijkertijd een sterk gevoelde loyaliteit met het werk – vormt de aanleiding voor dit artikel. Hoe kan de kritiek van rechters worden begrepen in
het licht van de sterk gevoelde loyaliteit? Kunnen veranderingen in de
organisatie of in de toegang tot het
beroep gevolgen hebben voor het
gevoel van verbondenheid? En ten
aanzien van wie of wat voelen rechters zich eigenlijk loyaal? Deze vragen willen schrs. in dit artikel onderzoeken aan de hand van een
literatuurstudie. Daarbij beperken ze
zich tot de zittende magistratuur,
omdat ze daar het meeste zicht op
hebben. Ze vermoeden echter dat
veel aspecten die in dit artikel aan de
orde komen, ook relevant zijn voor
de staande magistratuur.
M. Scholten
Legitimatie van de rechterlijke
bewijsbeslissing door het opnemen
van alternatieve scenario’s in de
motivering
– In dit artikel wil schr. laten zien
hoe de kans op de rechterlijke dwalingen kan worden verkleind door de
rechter te laten beslissen en motiveren in termen van verhaalsvergelijking, waardoor de kans op biases
wordt verkleind. In dit artikel wil
schr. aantonen dat het wel degelijk
belangrijk is de verhaalsvergelijking
ook te gebruiken bij de motivering.
De relevantie hiervan volgt uit de
drie functies van de motivering in
strafzaken. Schr. begint dan ook met
het uiteenzetten van deze drie functies. Vervolgens legt schr. kort uit wat
de verhaalstheorie als theorie van
rationeel bewijzen inhoudt. Daaropvolgend bespreekt schr. hoe cognitie-
ve biases tot een rechterlijke dwaling
kunnen leiden en hoe de toepassing
van de verhaalstheorie bij het nemen
en motiveren van de bewijsbeslissing
de kans op het optreden van deze
biases kan verkleinen. Tot slot volgt
een conclusie en doet schr. een aantal aanbevelingen.
Y. Verkruisen, N. Doornbos
De rechter als regisseur. Een
verkennend onderzoek naar de
ervaringen van rechtzoekenden
en rechters met de nieuwe zaaksbehandeling in het bestuursrecht
– In dit artikel doen schrs. verslag
van een verkennend onderzoek naar
de ervaringen van rechtzoekenden
en rechters met de nieuwe zaaksbehandeling binnen de Rechtbank Midden-Nederland. Besproken worden
achtereenvolgens de achtergronden
van de nieuwe zaaksbehandeling, de
onderzoeksvragen en theoretische
achtergronden van het onderzoek, de
methodologie en de resultaten van
het onderzoek. Tot slot trekken ze
enkele voorlopige conclusies en doen
ze suggesties voor nader onderzoek.
Gezien de beperkte omvang van het
onderzoek is het evident dat geen
generaliserende uitspraken kunnen
worden gedaan. Het onderzoek geeft
evenwel een indicatie van enkele eerste ervaringen met de nieuwe procedure en van de eventuele dilemma’s
die de nieuwe werkwijze voor rechters met zich kan meebrengen.
1656
Sociaal Recht
Arbeidsrechtelijke
Annotaties
13e jrg. nr. 2, augustus 2014
L.G. Verburg
Schikken in het nieuwe
ontslagrecht: bedenk eer ge begint
– De in de Wet werk
en zekerheid (Wwz)
neergelegde regeling
van de bedenktermijn
heeft grote invloed op
het schikken van ontslagzaken. De Wwz
maakt een niet uitlegbaar onderscheid tussen de beëindigingsovereenkomst en de opzegging
met instemming. Het verschil ziet op
de betaling van een transitievergoe-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2207
Tijdschriften
ding. Mogelijk komt bovendien de
pro-forma-ontbinding van de
arbeidsovereenkomst terug. Niet
meer voor WW-doeleinden, maar met
het oog op het bekorten van de periode van de bedenktermijn. Deze bijdrage behandelt de in dat kader te
bewandelen weg en noemt ook een
alternatief voor de formele ontbinding. Dit alternatief maakt gebruik
van de antistapelingsbepaling in de
regeling van de bedenktermijn en
voorziet in een soort ‘tweetrapsraket’.
Voor een succesvolle aanpak moet
tussen beide trappen wel denkruimte voor de werknemer zitten.
F. Dorssemont
De binding van werkgevers aan
collectieve arbeidsovereenkomsten.
Enkele beschouwingen over
juridische factoren die binding
bevorderen of verzwakken
– De dekkingsgraad van cao’s wordt
gedefinieerd als de verhouding van
het aantal werknemers dat gebonden is aan een cao tot het geheel
van de werkende bevolking. In deze
bijdrage beperkt schr. zich tot een
analyse van de juridische factoren
die de binding van werkgevers bevorderen dan wel bemoeilijken. De volgende nationale rechtsorden worden
in het onderzoek op systematische
wijze betrokken: België, Nederland,
Italië, Frankrijk en Duitsland. De problematiek van de binding aan (Europese) cao’s wordt eveneens onderzocht binnen de rechtsorde van de
Europese Unie.
1657
Staats- & bestuursrecht
Tijdschrift voor Praktisch
Bestuursrecht
Nr. 5, augustus 2014
Mr. R. Benhadi, mr. T. Hendriks
Overgang van onderneming bij de
beëindiging van subsidierelaties en
(de)privatisering
– Of er sprake is van een overgang
van onderneming (ovo) is niet altijd
duidelijk. Schrs. onderzoeken wanneer er van ovo sprake is en welke
gevolgen dit kan hebben. Ingegaan
wordt op de ovo en het zogenaamde
‘omleggen van subsidie’. In een recente uitspraak van de Kantonrechter
Amsterdam werd de vraag of het
2208
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
‘omleggen van subsidie’ van de ene
welzijnsinstelling naar de andere
door de gemeente kwalificeerde als
een ovo door de rechter bevestigend
beantwoord. Dit had verstrekkende
gevolgen voor zowel de opvolgende
welzijnsinstelling als de gemeente.
Zoals doorbetaling van de loonkosten en de beëindigingstermijn van
de subsidieregeling. Vervolgens
bespreken schrs. ovo en overheidspersoneel in het geval van (de)privatisering. Hierbij geldt dat overgang
van werknemerschap naar ambtenaarschap is beschermd, maar
andersom niet. Omdat het niet altijd
makkelijk is vast te stellen of er sprake is van een ovo en als daarvan
sprake is dat dit verstrekkende gevolgen kan hebben, adviseren schrs.
alert te zijn en tijdig te onderkennen
dat er sprake is van een ovo.
Mr. L.J. Gerritsen
Artikel 6:22 Awb; de huidige stand
van zaken
– Art. 6:22 Awb is gewijzigd met de
inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Vanaf 1
januari 2013 kan een besluit
ondanks schending van een rechtsregel of algemeen beginsel in stand
worden gelaten mits het aannemelijk is dat de belanghebbenden door
het gebrek niet zijn benadeeld. Schr.
zet deze wijziging uiteen en
bespreekt een recente uitspraak van
de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State van 9 april 2014.
In deze uitspraak ging het om een
ontwerpbesluit dat niet langs nietelektronische weg bekend was
gemaakt. De afdeling overwoog dat
het in dit geval aannemelijk was dat
er geen belanghebbenden door dit
gebrek waren benadeeld, want volgens de Afdeling waren er geen
andere belanghebbenden dan de
belanghebbenden die hoger beroep
hadden ingesteld en die laatsten
waren door het gebrek niet in hun
belangen geschaad. De redenering
van de Afdeling dat in het verleden
steeds dezelfde appellanten tegen
een besluit procedeerden, sluit volgens schr. echter niet uit dat ook
anderen een zienswijze naar voren
hadden willen brengen. Met deze
uitspraak van de Afdeling lijkt volgens schr. sprake te zijn van een versoepeling van het benadelingscriterium.
Tijdschrift voor Veiligheid
13e jrg. nr. 2, juni 2014
P. van Bergeijk, M. Mennen
De economische betekenis van
nationale veiligheidsrisico’s
– Op het gebied van
het inschatten van de
economische invloed
van rampen is in
Nederland weinig
onderzoek gedaan.
Schrs. geven in deze
literatuurstudie een
overzicht van internationaal onderzoek naar verschillende methodieken
op dit gebied en laten zien dat dit
handvatten kan bieden om de economische impact van uiteenlopende
rampen te schatten. Deze studie
beoogt niet alleen een stand van
zaken te geven, maar ook een startpunt te zijn voor nader onderzoek.
Aan de hand van een aantal praktijkvoorbeelden van de Nationale Risicobeoordeling (NRB), die met behulp
van scenario’s rampen analyseert, worden de voor- en nadelen van toegepaste ramingsmethoden op een rijtje
gezet met als doel de economische
impact van rampen bij het stellen van
preventieprioriteiten mee te wegen.
Een belangrijke conclusie is dat deze
economische invalshoek een bijdrage
kan leveren aan de strategie Nationale
Veiligheid, omdat het beleidsmakers
en analisten helpt goede afwegingen
te maken met betrekking tot investeringen in capaciteiten ter voorkoming
van rampen en crises.
1658
Straf (proces)recht,
penitentiair recht &
criminologie
Proces
93e jrg. nr. 4, augustus 2014
J. Verbaan, J. Nan
Probleemoplossingsgericht denken
bij witwassen van uit eigen
misdrijf afkomstige voorwerpen
– Gelet op de thans
geldende rechtspraak
is er sprake van een
problematische situatie bij het witwassen
van uit eigen misdrijf
verkregen voorwerpen.
Het betreft in het bij-
Tijdschriften
zonder de (verstopte) contante bedragen die bij de verdachte worden aangetroffen. Dat geen veroordeling ter
zake van witwassen mogelijk is, is
problematisch. Wellicht is een oplossing om te vervolgen ter zake van
poging tot witwassen.
B. van Velthoven
Hoe effectief straft de keten
eigenlijk? De ontwikkeling van het
strafrisico in de periode 1995-2012
– Het strafrisico is de sanctie die een
delinquent gemiddeld per misdrijf
tegemoet kan zien vanwege de strafrechtelijke keten. Het betreft een
onderzoek naar het verloop van het
strafrisico in de periode 1995-2012.
Het gemiddelde strafrisico is in 2012
lager dan in 2004, maar hoger dan in
1995. De cijfers moeten met de nodige voorzichtigheid beoordeeld worden en vragen om nader onderzoek.
C. van Grumbkow, R. van Wonderen
Daar doen we het voor!
Opbrengsten en effecten van
verslavingsreclassering
– In dit artikel wordt een onderzoek
naar het aantoonbaar maken van de
resultaten van het werk van de verslavingsreclassering besproken. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan
de legitimiteit van de verslavingsreclassering. De ontwikkelde monitor
geeft op gestructureerde wijze
inzicht in de opbrengsten en effecten
van de werkzaamheden van de verslavingsreclassering.
Sancties
Nr. 4, augustus 2014
N. Roeleveld-Kuijper, H. Lohmann,
Sancties 2014/28
Medische zorg in detentie:
gelijkwaardig maar niet gelijk
aan de vrije zorg
– Op het eerste
gezicht verschilt de
zorg in een penitentiaire inrichting niet
van de zorg die wij
van onze eigen huisarts op de hoek van
de straat ontvangen.
Toch verschillen de zorg in detentie
en de positie van de patiënt en de
arts op een aantal punten duidelijk
van die in de vrije samenleving. Vaak
wordt gesteld dat de zorg in detentie
wel gelijkwaardig is aan de zorg in de
vrije samenleving, maar niet gelijk.
Waarin verschilt de zorgverlening
aan de gedetineerde dan van de zorg
die wij van onze eigen huisarts ontvangen? In dit artikel gaan schrs.
hierop dieper in. Ze beschrijven dat
de positie van de gedetineerde als
patiënt een aantal beperkingen heeft
ten opzichte van de patiënt in de
vrije samenleving en dat de positie
van de inrichtingsarts gecompliceerder is dan die van een reguliere huisarts. Maar eerst wordt ingegaan op
de grondslag en de organisatie van
de medische zorg in een Penitentiaire Inrichting.
D.E.M. Kremers, E.D.M. Masthoff,
Sancties 2014/29
Calamiteitenonderzoek in detentie:
omgaan met vertrouwelijke
informatie
– Het bieden van (somatische en psychiatrische) zorg binnen genoemde
omgeving is in de kern niet veel
anders vergeleken met de situatie in
de vrije maatschappij, zowel ten aanzien van de professionele inhoudelijke afwegingen als met betrekking tot
de juridische inkadering ervan. Echter, van genoemde zorgprofessionals
wordt niet alleen verwacht dat zij
zorg verlenen aan gedetineerden,
maar ook dat zij in bepaalde mate
een rol spelen in het justitiële proces.
Dit kan in de dagelijkse praktijk
gemakkelijk tot een conflict van
plichten leiden. In alle genoemde
gevallen moet de zorgprofessional
zorgvuldig afwegen of en, zo ja, welke
informatie verstrekt mag of zelfs
moet worden. Uit de praktijk is
bekend dat deze afweging niet altijd
eenvoudig is voor de zorgprofessional, enerzijds omdat de ‘regels van
het spel’ niet altijd afdoende bekend
zijn bij hem of haar, anderzijds
omdat situaties nu eenmaal vaak
gecompliceerd zijn. Te denken valt
onder andere aan geweldsincidenten,
natuurlijke (bijna) overlijdens en
(pogingen tot) suïcide. Laatstgenoemde soort calamiteit heeft een zeer
hoge impactwaarde op alle betrokkenen, inbegrepen de zorgprofessional.
De gemiddelde zorgprofessional
ervaart een persoonlijke negatieve
impact door een suïcide en door de
collaterale effecten daarvan. Genoemde professional begrijpt goed dat
iedere calamiteit een kritische evaluatie behoeft, doch dit brengt het eerder genoemde dilemma mee inzake
het omgaan met vertrouwelijke informatie. Hierop wordt in het onderhavige artikel verder ingegaan.
M. Westra, N. Roeleveld-Kuijper,
Sancties 2014/30
Medische klachten van
gedetineerden
– Elke gedetineerde komt tijdens zijn
detentie in aanraking met één of
meer medewerkers van de medische
dienst. Immers, bij binnenkomst in
een justitiële inrichting vindt er binnen 24 uur een medische intake door
een justitieel verpleegkundige plaats.
Vervolgens kan er zowel vrijwillig,
door de gedetineerde geïnitieerd, als
verplicht contact zijn. Tijdens de contacten met de hulpverleners die
werkzaam zijn bij de medische dienst
kan iets misgaan in de behandeling
of de communicatie, en ook is het
mogelijk dat de verwachtingen van
de gedetineerde over de te leveren
dan wel de geleverde zorg te hoog
gespannen zijn. De penitentiaire
regelgeving voorziet in een klachtenregeling voor gedetineerden. In deze
bijdrage wordt ingegaan op het ontstaan en het functioneren daarvan.
M. Westra, J. Muilwijk,
N. Roeleveld-Kuijper, Sancties 2014/31
Detentiegeschiktheid
– Een aantal malen per jaar komt
het voor dat een vrijheidsstraf in zijn
geheel niet ten uitvoer wordt gelegd
of voortijdig wordt afgebroken,
omdat betrokkene om medische
redenen niet ‘detentiegeschikt’ is. Of
iemand detentiegeschikt is, wordt
vastgesteld door de medisch adviseurs van de Dienst Justitiële Inrichtingen, meestal op basis van gegevens van behandelende artsen.
Vanuit de optiek van de medisch
adviseurs schetsen schrs. in deze bijdrage hoe de beslissing tot detentie
(on)geschiktheid tot stand komt.
Tijdschrift voor Herstelrecht
14e jrg. nr. 2, juni 2014
J. Claessen
Het esoterische mensbeeld in Die
Zauberflöte van Mozart.
Wat straf- en herstelrecht
daarvan kunnen leren
– In deze bijdrage
staat het esoterische
mensbeeld, zoals uitgebeeld in Die Zauberflöte, centraal.
Daarbij wordt gefocust
op de bewustzijns- en
zielenontwikkeling die
een mens – mede onder invloed van
externe prikkels – volgens esoterici
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2209
Tijdschriften
kan doormaken. Het doel/de bestemming van de mens is volgens hen dat
hij in contact komt met zijn goddelijke natuur, dat hij zich daarmee identificeert en dat hij vanuit deze
natuur gaat leven. De vraag is wat
het straf- en herstelrecht kunnen
leren van het esoterische mensbeeld.
In antwoord op deze vraag wordt een
aanzet gegeven tot een spirituele
levensloopbenadering, ter aanvulling
op de bestaande levensloopbenadering en de daarmee samenhangende
desistance-theorieën in de hedendaagse criminologie. Daarnaast
wordt het concept verbondenheid
dat in het kader van het esoterische
mensbeeld een belangrijke plaats
inneemt, in verband gebracht met
een herstelgerichte misdaadaanpak,
waarmee herstelrecht als het ware
van een spirituele legitimatie wordt
voorzien.
A. Pemberton
Een remix van het strafproces? Een
hiphop-theorie van het herstelrecht
– Hiphop en herstelrecht hebben
meer met elkaar gemeen dan men
denkt. Er is de gedeelde kritiek op
het strafrechtelijk apparaat, de wijze
waarop rituelen een rol spelen in
omgang met conflicten en het
belang van – en nadruk op – authenticiteit. De ervaringen in de block
parties in de South Bronx bieden stof
tot verder nadenken. Is het spel met
respect en disrespect in de battles
van de MC’s, en de rol die humor
daarin speelt, te transplanteren naar
herstelrechtelijke processen? Hoe
kunnen hierin nieuwe sacred values
worden vormgegeven? En in hoeverre moeten processen die ertoe dienen om te gaan met conflicten
gericht zijn op uitstel of afstel in
plaats van herstel? De vergelijking
leert ook dat een gebrekkige legitimiteit en effectiviteit van het strafrechtelijke systeem niet zonder meer een
voedingsbodem biedt voor herstelrechtelijke alternatieven. In hoeverre
bieden herstelrechtelijke processen
daadwerkelijk een ruimte om te
reflecteren op de normen en waarden die de grondslag vormen voor
het conflict? Blijven juist de kern-
2210
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
waarden van de Zeitgeist buiten
schot? En sturen of domineren die
zelfs daardoor de richting van herstelrechtelijke initiatieven? Bij het
beantwoorden van deze vragen vermoedt schr. dat er is te leren van de
hiphop.
J. Goedegebuure
Vlieland als ons eigen Siberië.
Over de (on)mogelijkheden van
resocialisatie voor ex-delinquenten
– Eerder dit jaar nam de Leuvense
hoogleraar kerkrecht Rik Torfs het op
voor de schrijfster Kristien Hemmerechts, die in België mikpunt werd
van volkswoede omdat zij het had
gewaagd in haar roman ‘De vrouw
die de honden eten gaf’ stem te
geven aan Michelle Martin, echtgenote en medeplichtige van Marc
Dutroux. De verdediging van Hemmerechts die Torfs vrijwillig op zich
nam, richtte zich op de vraag of een
crimineel die haar of zijn straf heeft
uitgezeten, recht heeft op terugkeer
in de samenleving. Torfs stelde vast
dat de maatschappelijke acceptatie
van de resocialisatie de laatste jaren
steeds problematischer is geworden.
De vox populi komt woorden tekort
om zijn verontwaardiging te uiten
wanneer er wordt gezocht naar huisvesting voor deze (ex-)delinquenten.
In zijn artikel suggereerde Torfs een
mogelijk antwoord op de vraag waarom de publieke opinie zich zo aan
het verharden is als het op schuld en
boete aankomt. Met de ontkerstening, zo stelt hij, neemt ook de autoriteit van de evangelische ethiek van
vergeving en kwijtschelding van zonden af. Het is precies op dit punt dat
schr. zijn analyse wil verbreden door
aandacht te vragen voor het werk
van de Russische schrijver Fjodor
Dostojevski, de roman ‘Misdaad en
straf’ in het bijzonder.
Tijdschrift voor Veiligheid
13e jrg. nr. 2, juni 2014
M. Timmermans, K. de Vaan
Een evaluatie van de effectiviteit
van de Wet tijdelijk huisverbod
– De Wet tijdelijk huisverbod (Wth)
trad vijf jaar geleden in werking. Op
grond van deze wet kan een (potenti-
ele) pleger van huiselijk geweld tien
dagen uit huis worden geplaatst en
wordt na uithuisplaatsing aan alle
betrokkenen hulpverlening aangeboden. Schrs. doen verslag van de eerste
landelijke effectevaluatie van de Wth.
De bevindingen waren dat het huisverbod nieuwe incidenten niet uitbant. Aannemelijk op grond van dit
onderzoek is wel dat het huisverbod
bijdraagt aan het uitblijven van recidive. Het tijdelijk huisverbod inclusief bijbehorende hulpverlening is
een zinvol instrument voor het verminderen van huiselijk geweld en
kent betere resultaten dan strafrechtelijke vervolging, waarbij geldt dat
het effect van hulpverlening groter is
wanneer de problematiek groter is.
G. ten Wolde, B. Zwirs, N. Kruse
Professionele weerbaarheid en de
politie. Naar een persoonsgerichte
aanpak
– Politiemensen zijn kwetsbaar.
Onderzocht is welke factoren weerbaarheidverhogend gedrag voorspellen. De centrale vraag was in hoeverre sociaalcognitieve factoren uit de
Theory of Planned Behaviour (TPB)
weerbaarheidsverhogend gedrag bij
politiemedewerkers kunnen voorspellen. TPB is een voorspellend
gedragsveranderingsmodel dat voorspelt dat het vertoonde gedrag een
direct gevolg is van gedragsintenties.
Mensen die bereid en van plan zijn
hun gedrag te veranderen slagen
daar beter in. Gedragsintenties zijn
weer een gevolg van attitude, sociale
norm en eigen-effectiviteit. Schrs.
bespreken de methode van onderzoek en de resultaten. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat politiemedewerkers die positief denken over
weerbaarheid (attitide) en waarvan
de collega’s ook bezig zijn met hun
weerbaarheid (sociale norm) eerder
van plan zijn om een weerbaarheidstraining te volgen en vertrouwen
hebben in het slagen van de training
(eigen-effectiviteit). Volgens schrs. is
het van belang deze factoren bij de
politie te versterken. Verder worden
nog aanbevelingen voor de praktijk
gegeven en worden de beperkingen
van het onderzoek benoemd.
Wetgeving
Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen en gepubliceerde staatsbladen met links naar de integrale
Kamerstukken is opgenomen op de
NJB-site www.njb.nl
Staatsblad
Verruiming gronden
voorlopige hechtenis
Inwerkingtreding
ning voor ouderen geïntroduceerd
die afhankelijk is van de AOWopbouw, ter vervanging van de Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW-pensioengerechtigden en
gefinancierd uit het ouderdomsfonds. De regering stelt voor om de
inkomensondersteuning te relateren
aan het aantal AOW-opbouwjaren en
te financieren uit het Ouderdomsfonds. Dit heeft als consequentie dat
personen met een onvolledige AOWopbouw, zowel in Nederland als in
het buitenland een lagere inkomensondersteuning krijgen dan mensen
met een volledige AOW-opbouw.
Kamerstukken II 2013/14, 34 015, nrs. 1-4
1659 - Besluit tot vaststelling van het
tijdstip van inwerkingtreding van de
Wet van 14 mei 2014 tot wijziging
van het Wetboek van Strafvordering
in verband met de uitbreiding van
de gronden voor voorlopige hechtenis (Stb. 2014, 176)
– De wet treedt in werking met
ingang van 1 januari 2015.
Inwerkingtredingsbesluit van 01-09-2014, Stb. 2014, 316
Nieuwe
wetsvoorstellen
Inkomensondersteuning
AOW-ers
1660 - Wetsvoorstel (04-09-2014) tot
wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet financiering sociale
verzekeringen, de Participatiewet en
de Wet op de huurtoeslag in verband
met het toekennen van een inkomensondersteuning aan personen
die een uitkering ontvangen op
grond van de Algemene Ouderdomswet en intrekking van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming
oudere belastingplichtigen
– De regering heeft aangekondigd
dat de tegemoetkoming op grond
van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen en de Regeling koopkrachttegemoetkoming
niet-KOBgerechtigden met een AOWpensioen (hierna: MKOB) komen te
vervallen. Met onderhavig voorstel
van wet wordt de MKOB-wetgeving
daadwerkelijk ingetrokken en wordt
een wettelijke inkomensondersteu-
Verruiming gronden verlies
Nederlanderschap
1661 - Voorstel van rijkswet (04-092014) tot wijziging van de rijkswet op
het Nederlanderschap ter verruiming
van de mogelijkheden voor het ontnemen van het Nederlanderschap bij
terroristische misdrijven
– Het voorstel van rijkswet bevat een
uitbreiding van de mogelijkheid tot
ontneming van het Nederlanderschap in gevallen waarin sprake is
van hulp bij het plegen van terroristische activiteiten of bij de voorbereiding van dergelijke activiteiten.
Intrekking van het Nederlanderschap
kan plaatsvinden wanneer de persoon handelingen verricht die de
essentiële belangen van het Koninkrijk of een van de landen van het
Koninkrijk ernstig schaden. Deze
handelingen tegen de essentiële
belangen van de staat zijn geconcretiseerd in een lijst van misdrijven
opgenomen in artikel 14, tweede lid,
van de rijkswet op het Nederlanderschap. Er is thans aanleiding om de
mogelijkheden voor intrekking van
het Nederlanderschap uit te breiden.
Op 1 april 2010 is artikel 134a van
het Wetboek van Strafrecht in Nederland in werking getreden. Artikel
134a van het Wetboek van Strafrecht
luidt: ‘Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of
inlichtingen verschaft of tracht te
verschaffen tot het plegen van een
terroristisch misdrijf dan wel een
misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch
misdrijf, dan wel zich kennis of
vaardigheden daartoe verwerft of
een ander bijbrengt, wordt gestraft
met gevangenisstraf van ten hoogste
acht jaren of geldboete van de vijfde
categorie.’ Een veroordeling op grond
van dit artikel is op dit moment nog
geen grond voor intrekking van het
Nederlanderschap.
Het misdrijf waarop artikel 134a Sr
het oog heeft is van dezelfde orde als
het misdrijf van het – zonder toestemming – werven voor vreemde
krijgsdienst of gewapende strijd dat
thans reeds grond is voor ontneming
van het Nederlanderschap. Ook de
strafmaat (8 jaar) komt overeen met
de strafmaat in artikel 14, tweede lid,
onderdeel a, van de rijkswet op het
Nederlanderschap. In de strafmaat
komt de ernst van de schending van
de essentiële belangen van de staat
mede tot uitdrukking. Met het uitbreiden van de intrekkingsgrond wil
de regering tot uitdrukking brengen
dat het Nederlanderschap niet op
enigerlei wijze faciliterend mag zijn
om in den vreemde terroristische
misdrijven te plegen of om personen
voor te bereiden op het plegen van
terroristische misdrijven. Hierom
wordt voorgesteld artikel 14, tweede
lid, onderdeel b, van de rijkswet op
het Nederlanderschap op dit punt uit
te breiden. De uitbreiding van artikel
14, tweede lid, onderdeel b, van de
rijkswet op het Nederlanderschap
met artikel 134a van het Wetboek
van Strafrecht kan relevant zijn voor
zowel de uitreizende Syriëgangers als
voor degenen die in Nederland jongeren opleiden tot het plegen van
een terroristisch misdrijf. De intrekking van het Nederlanderschap kan
na een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling op grond van artikel
134a van het Wetboek van Strafrecht
plaatsvinden. Verlies of intrekking
van het Nederlanderschap kan op
grond van Nederlandse wetgeving
alleen plaatsvinden indien dit niet
tot gevolg heeft dat betrokkene staatloos wordt. Dit blijft ook bij de uitbreiding van de mogelijkheden voor
intrekking van het Nederlanderschap
het uitgangspunt en is blijkens de
memorie van toelichting gewaarborgd in artikel 14, zesde lid, van de
rijkswet op het Nederlanderschap
voor wat betreft de intrekking van
het Nederlanderschap.
Kamerstukken II 2013/14, 34 016 (R2036), nrs. 1-3
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2211
Wetgeving
Rijkssanctiewet
1662 - Voorstel van rijkswet (01-092014) houdende bepalingen omtrent
de toepassing in Aruba, Curaçao en
Sint Maarten van beperkende maatregelen met het oog op de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de
bevordering van de internationale
rechtsorde dan wel de bestrijding
van terrorisme, vastgesteld in het
kader van het Gemeenschappelijk
Buitenlands en Veiligheidsbeleid van
de Europese Unie (Rijkssanctiewet)
– Sancties die door de VN Veiligheidsraad zijn vastgesteld, binden
het Koninkrijk en dienen daarom
door alle landen in het Koninkrijk te
worden uitgevoerd. Voor Europese
sancties – hetzij sancties die uitsluitend door de Europese Unie zijn vastgesteld, hetzij sancties die door de
EU als aanvullende autonome maatregelen in aanvulling op een VNsanctie worden geplaatst, rust een
dergelijke verplichting uitsluitend op
het land Nederland.
Dat Nederland wel uitvoering geeft
aan Europese sancties en de landen
in het Caribisch deel van het Koninkrijk niet, doet afbreuk aan de eenheid
van het buitenlands beleid van het
Koninkrijk. Deze discrepantie springt
nog sterker in het oog door de
omstandigheid dat de Sanctiewet
1977 bij gelegenheid van de herziening van de Koninkrijksverhoudingen op 10 oktober 2010 van toepassing is verklaard op Bonaire, Sint
Eustatius en Saba. De onderhavige
rijkswet strekt ertoe de eenheid van
het buitenlands beleid van het
Koninkrijk te waarborgen, in die zin
dat besluiten, vastgesteld in het
kader van het Gemeenschappelijk
Buitenlands en Veiligheidsbeleid
van de Europese Unie, houdende
beperkende maatregelen met het
oog op de handhaving of het herstel
van de internationale vrede en
veiligheid of de bevordering van de
internationale rechtsorde dan wel de
bestrijding van terrorisme die voor
het land Nederland een bindend
karakter hebben, ook in de landen
Aruba, Curaçao en Sint Maarten zullen worden uitgevoerd.
Kamerstukken II 2013/14, 34 009 (R2035)
1663
Rijden onder invloed drugs
Vervolgstukken
Eindverslag van de vaste commissie
voor Veiligheid en Justitie (09-092014) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994
in verband met het verbeteren van
de aanpak van het rijden onder
invloed van drugs.
Positie advocatuur in de
rechtsorde
Eindverslag van de vaste commissie
voor Veiligheid en Justitie (09-092014) over het wetsvoorstel tot aanpassing van de Advocatenwet, de Wet
op de rechtsbijstand en de Wet tarieven in burgerlijke zaken in verband
met de positie van de advocatuur in
de rechtsorde.
Kamerstukken I 2013/14, 32 382, D
Normalisering rechtspositie
ambtenaren
Memorie van antwoord (09-09-2014)
bij het initiatiefvoorstel van wet tot
wijziging van de Ambtenarenwet en
enige andere wetten in verband met
het in overeenstemming brengen
van de rechtspositie van ambtenaren
met die van werknemers met een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht.
Kamerstukken I 2013/14, 32 550, C
Woningcoporaties
Memorie van antwoord (04-09-2014)
bij het wetsvoorstel tot herziening
van de regels over toegelaten instellingen en instelling van een Nederlandse Autoriteit toegelaten instellingen volkshuisvesting (Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting).
Kamerstukken I 2013/14, 32 769, D
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Belastingverdrag NL-D
Brief van de Staatssecretaris van
Financiën (05-09-2014) over het wetsvoorstel houdende goedkeuring van
het op 12 april 2012 te Berlijn tot
stand gekomen Verdrag tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de
Bondsrepubliek Duitsland tot het
vermijden van dubbele belasting en
het voorkomen van het ontgaan van
belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 2012,
123).
– Brief met een reactie op de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel over goedkeuring van het
belastingverdrag Nederland-Duitsland (2012).
Kamerstukken II 2013/14, 33 615, nr. 11
Minimumloon voor opdracht
Brief van de Minister van SZW (0209-2014) over het wetsvoorstel tot
wijziging van de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag in verband met het van toepassing verklaren van die wet op nader bepaalde
overeenkomsten van opdracht.
– Brief over beleidsmatige ontwikkelingen inzake de toepassing van de
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml).
Kamerstukken I 2013/14, 33 623, H
Strafbaarstelling
voorbereiding illegale
hennepteelt
Verslag van een schriftelijk overleg
(05-09-2014) en brief van de Minister
van VenJ (o4-09-2014) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter
voorbereiding of vergemakkelijking
van illegale hennepteelt.
– Brief ter aanbieding van een
afschrift van de brief van de Minister
aan de Tweede Kamer inzake de
intensivering van de aanpak van
ondermijnende criminaliteit in ZuidNederland.
Kamerstukken I 2013/14, 32 842, H-I
2212
Kamerstukken I 2013/14, 32 859, B
Afschaffing plusregio’s
Brieven van de Staatssecretaris van
IenM (14-07-2014 (B) en 20-08-2014
(C)) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet gemeenschappelijke
regelingen en enkele andere wetten
in verband met de afschaffing van de
plusregio’s.
– Brief ter aanbieding van het ontwerpbesluit houdende wijziging van
het Besluit personenvervoer 20001
en andere besluiten in verband met
de Wet afschaffing plusregio’s (B) en
brief over de termijn van de voorhang (C).
Kamerstukken I 2013/14, 33 659, B en C
Wetgeving
Partnertoeslag AOW
Beroepsonderwijs
Verslag van een schriftelijk overleg
(09-09-2014) over het wetsvoorstel
tot wijziging van de Algemene
Ouderdomswet teneinde het recht op
partnertoeslag van de gehuwde pensioengerechtigde van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd afhankelijk te
maken van het gezamenlijk inkomen
van die pensioengerechtigde en
diens echtgenoot.
Nota van wijziging (09-09-2014) inzake het wetsvoorstel tot wijziging van
onder meer de Wet educatie en
beroepsonderwijs i.v.m. het bevorderen van een arbeidsmarktrelevant en
doelmatig opleidingenaanbod in het
beroepsonderwijs (macrodoelmatigheid in het beroepsonderwijs).
Kamerstukken I 2013/14, 33 687, D
Verslag (10-09-2014) over het wetsvoorstel tot implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011
betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338).
Langdurige Zorg
Nota n.a.v. het verslag (06-06-2014),
brieven van de Staatssecretaris van
VWS (04-09-2014, nrs. 36-37), 08-092014, nr. 49), 09-09-2014, nr. 67)),
tweede nader verslag (09-09-2014, nr.
39), brief van de Algemene Rekenkamer (05-09-2014 (nr. 41)) en nota
n.a.v. het tweede verslag (10-09-2014,
nr, 9) over het wetsvoorstel met
regels inzake de verzekering van zorg
aan mensen die zijn aangewezen op
langdurige zorg (Wet langdurige
zorg).
– Brief over de gevolgen van de Hervorming Langdurige Zorg (HLZ) voor
ziektekostenpremies, eigen risico,
belastingtarieven, en Fonds langdurige zorg (Flz) (nr. 36), brief over de
gevolgen van de Hervorming Langdurige Zorg (HLZ) voor premies en lasten van burgers en bedrijven (nr. 37),
brief ter aanbieding van het afschrift
van de adviesbrief over dit wetsvoorstel (nr. 41), brief met een reactie op
vragen gesteld tijdens het ordedebat
van 4 september 2014 (Handelingen
II 2013-2014, nr. 105, Regeling van
Werkzaamheden) (nr. 49) en brief
over de cliëntgroepen waarvoor overgangsmaatregelen worden getroffen
(nr. 67).
Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nrs. 9, 36-37, 39, 41,
49, 55, 67
Wijzigingswet financiële
markten 2015
Tweede nota van wijziging (25-082014) en derde nota van wijziging
(02-09-2014) inzake het wetsvoorstel
tot wijziging van de Wet op het
financieel toezicht en enige andere
wetten op het terrein van de financiele markten (Wijzigingswet financiële
markten 2015).
Kamerstukken II 2013/14, 33 918, nrs. 9-10
Kamerstukken II 2013/14, 33 948, nr. 7
Europees Beschermingsbevel
Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nr. 5
Novelle kerntaken
volkshuisvesting
Brieven van de Minister voor WRD
(02-09-2014 (nr. 8 en B) en 03-092014 (C)) over het wetsvoorstel tot
wijziging van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting.
– Brief ter aanbieding van een eerste
proeve van een amvb waarmee een
aantal onderdelen m.b.t. de wooncoöperatie nader wordt uitgewerkt (nr.
8), brief ter aanbieding van het
afschrift van de nota van wijziging
en integrale wettekst Herzieningswet
(B) en brief met proeve van de AMvB
met betrekking tot wooncoöperaties
(C).
Kamerstukken II en I 2013/14, 33 966, nr. 8 en B-C
1664
Nota’s,
rapporten &
verslagen
Asielinstroom
Brief van de Staatssecretaris van VenJ
(05-09-2014) met de maandelijkse
cijfers over de asielinstroom.
– In juni 2014 is beloofd deze cijfers
maandelijks, in ieder geval de resterende maanden van 2014, aan de
Kamer te doen toekomen. Als bijlage
bij deze brief zijn de Asylum Trends
van juli 2014 bijgevoegd. In juli 2014
heeft het aantal eerste asielaanvragen van 2014 in totaal, bijna het
niveau bereikt van het aantal eerste
asielaanvragen in heel 2013. De hoge
asielinstroom eerder dit jaar is toe te
schrijven aan een onverwachte en
onvoorziene hoge instroom van met
name Eritrese asielzoekers in april
en mei 2014. In deze twee maanden
werden 2.943 eerste asielaanvragen
van Eritreeërs geregistreerd. Na de
hoge instroom van Eritrese asielaanvragen bleef de asielinstroom hoog
door asielzoekers uit Syrië: de cijfers
van juli 2014 laten een stijging zien
van het aantal eerste asielaanvragen
door Syriërs en staatlozen, samen
1.415 aanvragen. Deze staatlozen zijn
vooral staatloze Palestijnen uit Syrië.
Het aantal Eritrese eerste asielaanvragen daalde in juli verder naar 104
aanvragen. De totale asielinstroom in
2014 – eerste en herhaalde aanvragen samen – is in juli gestegen tot
15.509. Met 1.168 aanvragen blijven
de herhaalde aanvragen in de eerste
zeven maanden van 2014 ruim onder
het niveau van dezelfde periode in
2013. Opvallend in de recente cijfers
is de stijging van herhaalde aanvragen van Iraakse vreemdelingen, vanaf juni 2014.
Kamerstukken II 2013/14, 19 637, nr. 1887
Besloten club- en het
Ingezetenencriterium
Brief van de Minister van VenJ (0409-2014) bij de aanbieding van het
rapport ‘Coffeeshops, toeristen en
lokale markt. Evaluatie van het Besloten club- en het Ingezetenencriterium voor coffeeshops’.
– Het onderzoek geeft een beeld van
de implementatie en effecten van
het Besloten club- en het Ingezetenencriterium voor coffeeshops in de
periode tussen begin 2012 en begin
2014. Het onderzoek geeft aan dat de
invoering en handhaving van het
Besloten club- en Ingezetenencriterium op 1 mei 2012 in de zuidelijke
provincies leidde tot een scherpe
daling van het drugstoerisme. Een
ongewenst neveneffect hierbij was
echter dat ook ingezetenen wegbleven uit de coffeeshops en uitweken
naar de illegale markt. De ervaren
overlast bij omwonenden van coffeeshops verschoof van overlast van coffeeshops naar overlast van dealactiviteiten. Het beleid is eind 2012
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2213
Wetgeving
aangepast met het vervallen van het
Besloten clubcriterium en de landelijke invoering van het Ingezetenencriterium. De handhaving van dit
ingezetenencriterium geschiedt in
overleg met betrokken gemeenten en
zo nodig gefaseerd, waarbij wordt
aangesloten bij het lokale coffeeshop- en veiligheidsbeleid zodat er
sprake is van lokaal maatwerk.
Belangrijke constatering is dat de
drugstoeristen, daar waar gehandhaafd wordt, nog steeds grotendeels
weg bleven en dat het merendeel van
de ingezetenen van Nederland zijn
teruggekeerd naar de coffeeshops, al
is er geen sprake van 100% herstel.
Uit het onderzoek komt naar voren
dat niet alle gemeenten het Ingezetenencriterium handhaven. Als redenen hiervoor worden genoemd het
niet ervaren van overlast gerelateerd
aan softdrugstoerisme, het afwachten van een uitspraak van de Raad
van State over de toelaatbaarheid
van het Ingezetenencriterium en de
vrees dat sluiting van de overtredende coffeeshops tot straathandel en
overlast zou kunnen leiden. De
onderzoekers stellen dat eind 2013
de situatie op de meeste plaatsen
relatief rustig en beheersbaar is,
zeker in vergelijking met 2012, toen
zich een heftige dynamiek van verschuivingen op de gebruikersmarkt
voordeed in de drie zuidelijke provincies waar het nieuwe beleid werd
gehandhaafd.
Kamerstukken II 2013/14, 24 077, nr. 320
Hennepplantages
Brief van de Minister van VenJ (0409-2014) waarin een landelijk beeld
wordt geschetst van de bestrijding
van hennepplantages door het Openbaar Ministerie en de Politie.
– Het werkproces van meldingen
over hennepplantages tot feitelijk
ontruiming en vervolging wordt
beschreven. Tevens zijn er mededelingen over de toezeggingen met
betrekking tot het afstandscriterium
en het jeugdcriterium.
Samen met het lokale bestuur, de
belastingdienst en andere organisaties wordt het criminele productieproces zo veel mogelijk belemmerd.
Waar mogelijk worden barrières
opgeworpen. Dit gebeurt zowel op
(inter)nationaal niveau als regionaal
en lokaal, waar in RIEC-verband
wordt bezien via welke weg de crimi-
2214
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
nele samenwerkingsverbanden het
hardste worden geraakt. Vanuit dit
oogpunt wordt ook ingezet op het
ontnemen van onverklaarbaar vermogen en facilitators die een belangrijke schakel vormen in het proces.
Bij de Eerste Kamer ligt op dit
moment het wetsvoorstel Voorbereidingshandelingen voor. Daarin wordt
voorgesteld om in de Opiumwet een
zelfstandig delict op te nemen op
grond waarvan handelingen ter voorbereiding of bevorderen van illegale
hennepteelt en uitvoer van grote
hoeveelheden als strafbaar feit wordt
aangemerkt. Daarmee is dit wetsvoorstel het juridische sluitstuk om
de illegale hennepteelt daadwerkelijk
terug te dringen.
Kamerstukken II 2013/14, 24 077, nr. 321
Intern functioneren NZa
Brief van de Minister van VWS (0209-2014) bij de aanbieding van het
rapport van de Commissie Borstlap
die onderzoek heeft uitgevoerd naar
het intern functioneren van de
Nederlandse Zorgautoriteit alsmede
het accountantsrapport dat verslag
doet van een nadere beoordeling van
de bestuurskosten van de NZa en een
evaluatie van de Wet marktordening
gezondheidszorg (Wmg) en de NZa.
– De commissie Borstlap schetst de
dringende noodzaak voor een aantal
verbeteringen binnen de NZa. De
commissie groepeert haar conclusies
en aanbevelingen rond vijf onderwerpen. De wijze waarop de heer A.
Gotlieb is behandeld (de NZa medewerker die een omvangrijk bezwaarschrift indiende bij de NZa en kort
daarop zelfmoord pleegde), beleid en
praktijk op het gebied van HRM, de
werksfeer en organisatiecultuur, de
beveiliging van en omgang met vertrouwelijke informatie en de verhouding tussen het Ministerie en de
NZa. De kern van de aanbevelingen
van de commissie is naar eigen zeggen het thema: ‘Versterk op alle
niveaus binnen de NZa de tegenkracht’. De rapporten zijn als bijlage
bij deze brief te vinden.
Kamerstukken II 2013/14, 25 268, nr. 87
Titel 4.4 Awb
Brief van de Minister van VenJ (0409-2014) met een reactie op de conclusies van het rapport ‘De bestuursrechtelijke geldschuldenregeling.
Titel 4.4 Awb geëvalueerd’.
– Dit rapport is met een eerdere reactie aan de Kamer toegezonden bij
brief van 18 maart 2014 (Kamerstuk
29 279, nr. 194). Heeft de invoering
van titel 4.4 Awb al met al gebracht
wat de betrokkenen ervan hoopten
en verwachtten? Zoals zo vaak moet
het antwoord luiden: gedeeltelijk.
Waar de rechtsbescherming van burgers (in elk geval op papier) is verbeterd door het verdwijnen van ‘de
knip’ tussen het beroep bij de
bestuursrechter en het verzet bij de
burgerlijke rechter, is het streven
naar één, uniforme regeling maar
zeer ten dele succesvol geweest. Het
naast elkaar bestaan van civiel-,
bestuurs- en fiscaalrechtelijke invordering, alsmede de vele afwijkingen
in bijzondere wetten doen afbreuk
aan die uniformiteit en relativeren
de beoogde eenvoudige toepasbaarheid van de – op zichzelf als duidelijk ervaren – geldschuldentitel. In
het streven naar eenvoud en uniformiteit is nog wel wat terrein te
winnen. In de brief worden een aantal voorstellen gedaan om de eenvoud en uniformiteit die met de
geldschuldentitel wordt nagestreefd,
in sterkere mate te bereiken dan tot
nu toe volgens het onderzoek het
geval is geweest. Die voorstellen hebben aan de ene kant betrekking op
wijziging van de wettelijke regeling
om knelpunten op te lossen en de
helderheid te vergroten. Aan de
andere kant betreffen de voorstellen
het verbeteren van de uitvoeringspraktijk en van de informatievoorziening aan burgers. De onderzoekers
hebben er met recht op gewezen dat
juist hier nog veel te winnen valt.
Ook de ervaringen met het project
Prettig contact met de overheid
hebben aangetoond dat de wijze van
uitvoering voor het bereiken van de
doelstellingen van de wetgever evenzeer van belang is als de tekst van de
wet zelf.
Kamerstukken II 2013/14, 29 279, nr. 205
Aanpak jihadisme
Brief van de Ministers van VenJ en
SZW (29-08-2014) over de aanpak van
de jihadistische beweging die in alles
het tegengestelde van onze democratische rechtsstaat is en met harde
hand moet worden bestreden.
– In Nederland is de jihadistische
beweging een kleine, maar gevaarlijke extremistische, sekteachtige groe-
Wetgeving
pering die geweld propageert als
enig middel om haar doelen te realiseren. Met het bij deze brief bijgevoegde Actieprogramma geeft het
kabinet uitvoering aan twee eerdere
toezeggingen om respectievelijk met
een Actieprogramma te komen over
de aanpak van het jihadisme en met
een meerjarenaanpak preventie van
maatschappelijke spanningen en
radicalisering. Het Actieprogramma
is beschreven in de rubriek Nieuws
van aflevering 29 (NJB 2014/1568).
Kamerstukken II 2013/14, 29 754, nr. 253
Criminaliteit Zuid Nederland
Brief van de Minister van VenJ (0409-2014) over de (ontwikkeling van
de) ondermijnende en georganiseerde criminaliteit in Brabant, Zeeland
en Limburg.
– Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben verontrustende signalen
over de (ontwikkeling van de) ondermijnende en georganiseerde criminaliteit aldaar. Ook vanuit het openbaar bestuur uit die regio’s zijn
hierover grote zorgen geuit. De aard,
ernst en omvang van de ondermijnende en georganiseerde criminaliteit in Zuid-Nederland is fors en lijkt
toe te nemen. Het bevoegd gezag in
Zuid-Nederland heeft dan ook, na
overleg met de voorzitter van het
College van procureurs-generaal en
de Korpschef van de Nationale Politie, besloten om per 1 oktober 2014,
binnen de bestaande sterkte, meer
politiecapaciteit in te gaan zetten op
de aanpak van ondermijnende en
georganiseerde criminaliteit. De drie
politie-eenheden leveren hiertoe
ieder 25 medewerkers en de Landelijke Eenheid levert 50 medewerkers.
Dit komt neer op een totaal van 125
medewerkers welke vanuit vaste
ondermijningsteams gaan opereren
(dedicated capacity). Deze specifieke
politiecapaciteit wordt met name
ingezet op ‘korte klappen’: direct en
zichtbaar reageren op signalen van
georganiseerde misdaad. Het afpakken van crimineel vermogen staat
hierbij centraal.
Kamerstukken II 2013/14, 29 911, nr. 93
AIVD op sociale media
Brief van de Minister van BZK (04-092014) bij de toezending van het toezichtsrapport van de Commissie van
Toezicht betreffende de Inlichtingenen Veiligheidsdiensten (CTIVD) inzake onderzoek door de AIVD op sociale media (rapport nr. 39).
– De CTIVD merkt op dat de Wet op
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) is geschreven
in een tijd dat sociale media nog niet
de maatschappelijke rol hadden die
zij inmiddels vervullen. Niettemin
constateert zij dat de wet op de
meeste punten een voldoende kader
biedt om de rechtmatigheid op het
gebruik van sociale media te beoordelen. De wet biedt ook naar Europese maatstaven voldoende waarborgen. Op enkele specifieke punten
zoals de bewaartermijnen van ruwe
gegevens en metadata-analyse
behoeft het wettelijk kader echter
aanvulling. De Ministers van Defensie en BZK hebben reeds eerder aangegeven deze aanbeveling mee te
nemen in de komende wetswijziging.
De aanbeveling van de CTIVD om
vooruitlopend hierop reeds bewaartermijnen vast te stellen, wordt eveneens overgenomen. Voor het tijdig
onderkennen van ongekende dreiging is onderzoek op het internet en
op sociale media onontbeerlijk.
Uiteraard moet dat onderzoek zorgvuldig en rechtmatig uitgevoerd worden. De CTIVD schetst een positief
beeld van de activiteiten van de AIVD
op dat gebied. In algemene zin constateert de CTIVD ook dat het onderzoek op sociale media zich goed verhoudt tot de kaders die de huidige
wet stelt. De CTIVD heeft bij het
onderzoek naar het verzamelen van
gegevens op basis van de algemene
bevoegdheid geen onrechtmatigheden aangetroffen. De CTIVD heeft
ook geen aanwijzingen dat de AIVD
bij de samenwerking met buitenlandse diensten de eigen bevoegdheden
omzeilt. Voorts heeft de CTIVD bij
operaties die de AIVD samen met
buitenlandse diensten heeft uitgevoerd geen onrechtmatigheden
geconstateerd. Desalniettemin is in
een beperkt deel van de agentenoperaties waarbij eigen medewerkers
zijn ingezet op sociale media onder
een virtuele identiteit (vijf gevallen),
de AIVD tekort geschoten op het vlak
van verslaglegging. Het gebrek aan
verslaglegging heeft zich ook voorgedaan in operaties waarbij toestemming is gegeven om strafbare feiten
te plegen. De CTIVD geeft aan dat in
de meeste gevallen de verwerving
van de webfora noodzakelijk en passend was binnen de taakstelling van
de dienst. In vier gevallen vindt de
Commissie de verwerving echter niet
proportioneel en bij vijf agentenoperaties oordeelt de CTIVD dat de
motivering tekortschiet. In vier gevallen van het verwerven van een webforum voor een buitenlandse dienst
ontbrak de hiervoor benodigde
ministeriële toestemming. In een
vijfde geval heeft de AIVD een webforum gedeeld met een buitenlandse
dienst waarvan de CTIVD niet overtuigd was dat de verwerving proportioneel was. In één geval heeft de
AIVD bij de verwerving van een webforum real time gegevens binnengekregen. De Commissie acht het evident dat deze activiteit als tap had
moeten worden aangemerkt en dat
toestemming van de Minister benodigd was. Deze toestemming was
niet gevraagd. De minister heeft het
hoofd van de AIVD verzocht om waar
nodig maatregelen te treffen en procedures aan te scherpen.
Kamerstukken II 2013/14, 29 924, nr. 114
Protocol bij het ESC-verdrag
Brief van de Minister van OCW (0509-2014) bij de aanbieding van het
onderzoeksrapport aan van het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten (SIM): ‘De juridische gevolgen van ratificatie door Nederland
van het Facultatief Protocol bij het
Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten’.
– Het kabinet beraadt zich momenteel op de ratificatie van het facultatief protocol bij het ESC-verdrag. Het
onderzoeksrapport is als bijlage bij
deze brief te vinden.
Kamerstukken II 2013/14, 33 826, nr. 4
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2215
Nieuws
1665
Raadsman aanwezig bij politieverhoor
De politie moet er binnenkort dan
toch echt voor zorgen dat een aangehouden verdachte een beroep kan
doen op bijstand van een raadsman
tijdens het politieverhoor. Bij deze
verhoren mag de raadsman aanwezig zijn en daaraan deelnemen. Hij
mag onder meer vragen stellen,
opmerkingen maken en om een
time out vragen. Een en ander blijkt
uit twee wetsvoorstellen van de
bewindslieden van Veiligheid en
Justitie waarmee de ministerraad
van 12 september heeft ingestemd.
E
en aangehouden verdachte
heeft nu al het recht om voorafgaand aan het politieverhoor
een raadsman te raadplegen. Dit
recht wordt uitgebreid met een recht
om ook tijdens dat verhoor door een
raadsman te worden bijgestaan.
Het kabinet had in 2011 ook al een
wetsvoorstel over de raadsman en
politieverhoor in procedure gebracht.
Dat voorstel is nu gesplitst in twee
afzonderlijke wetsvoorstellen. Aanleiding hiervoor is de inmiddels tot
stand gekomen Europese richtlijn
over het recht op toegang tot een
raadsman, die moet worden omgezet
naar Nederlands recht.
Implementatie Richtlijn
In het ene wetsvoorstel zijn alleen
elementen opgenomen die noodzakelijk zijn voor de implementatie van
de Europese richtlijn. Naast het recht
op toegang tot een raadsman in verband met het politieverhoor betreft
dit bijvoorbeeld ook de mogelijkheid
voor verdachten om een derde naar
hun keuze van hun vrijheidsbeneming in kennis te stellen.
het opsporingsonderzoek. Daarbij gaat
het onder meer om het verloop van de
aanhouding en de voorgeleiding aan
de hulpofficier van justitie, de termijn
waarbinnen de verdachte voor verhoor
kan worden opgehouden, en de weergave van het verhoor in het proces-verbaal. Deze regels hebben tot doel het
recht op bijstand van een raadsman in
verband met het politieverhoor
gemakkelijker in de eerste fase van het
opsporingsonderzoek in te bedden.
Raad van State
Eerste fase opsporing
De twee nieuwe wetsvoorstellen
komen inhoudelijk grotendeels overeen met het eerdere wetsvoorstel.
Beide wetsvoorstellen zijn nu voor
advies aan de Raad van State gezonden. De tekst van de wetsvoorstellen
en van de adviezen worden openbaar
bij indiening bij de Tweede Kamer.
In het andere wetsvoorstel staan aanvullende regels over de eerste fase van
Nieuwsbericht Rijksoverheid.nl
1666
Advocaten krijgen beschikking over
digitale strafdossiers
Uiterlijk 1 januari 2015 hebben
advocaten in heel Nederland de
mogelijkheid strafdossiers digitaal
te downloaden via www.rechtspraak.nl. Dat hebben de Rechtspraak, het OM, de NOvA en het
ministerie van VenJ bekend
gemaakt.
R
echters en officieren van justitie werken al geruime tijd
met digitale strafdossiers.
Voor het evenwicht tussen procespartijen is het belangrijk is dat advocaten over dezelfde digitale documenten kunnen beschikken als OM
en Rechtspraak. Om dat te bewerkstelligen, zijn het OM, de Recht-
2216
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
spraak, de NOvA en het ministerie
van VenJ gezamenlijk gestart met het
advocatenportaal. Vanaf maart hebben advocaten uit Den Haag en Midden-Nederland met het advocatenportaal geëxperimenteerd. De
werkwijze is als volgt. In de zogeheten ‘stelbrief’ aan de griffier of de
officier van justitie geeft de advocaat
aan het strafdossier digitaal te willen
ontvangen. De ontvangende partij
zet het digitale dossier klaar in het
advocatenportaal op rechtspraak.nl.
Vervolgens kan de advocaat met zijn
advocatenpas en kaartlezer inloggen
op het advocatenportaal en het strafdossier naar zijn eigen werkplek
downloaden. Het systeem is eenvou-
dig in het gebruik en de digitale dossiers bieden net als de papieren versie de mogelijkheid tot markeren en
het plaatsen van bladwijzers. Een verbeterpunt is nog de snelheid waarmee dossiers gedownload kunnen
worden.
Op 8 september is de landelijke
introductie van het advocatenportaal
gestart. Uiterlijk 1 januari 2015 kunnen advocaten door het hele land het
advocatenportaal gebruiken om digitale strafdossiers te downloaden.
Advocaten die de voorkeur geven aan
papieren dossiers, blijven deze zoals
gebruikelijk via de post ontvangen.
Nieuwsbericht Rijksoverheid.nl
Nieuws
1667
Koppeling persoonsgegevens tegen
misbruik van voorzieningen
Raad van State heeft zijn bedenkingen
De overheid krijg meer mogelijkheden om woongegevens en gegevens
over belasting en sociale uitkeringen aan elkaar te koppelen, waaronder fiscale gegevens en gegevens
over arbeid, huisvesting, inburgering, re-integratie, schuldenlasten,
uitkeringen, vergunningen en zorgverzekeringen. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft
echter zijn bedenkingen.
D
e Afdeling advisering heeft
advies uitgebracht over het
ontwerpbesluit houdende
regels voor fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief
gebruik van binnen de overheid
bekend zijnde gegevens (Besluit SyRI).
De overheid krijgt met dit besluit
meer mogelijkheden om woongegevens en gegevens over belasting en
sociale uitkeringen aan elkaar te koppelen. Het ontwerpbesluit geeft uitvoering aan een wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI). Die
wetswijziging voorziet erin dat
gemeenten en overheidsinstanties op
het terrein van sociale zekerheid en
belastingen samenwerken bij het
bestrijden van fraude door het koppelen van gegevens waarover zij
beschikken. De koppelingen worden
uitgevoerd binnen het Systeem risico-indicatie (SyRI), waarvoor de
Minister van SZW verantwoordelijk is.
De Afdeling advisering van de Raad
van State maakt opmerkingen over
het vastleggen van waarborgen tegen
te vergaande beperkingen van de persoonlijke levenssfeer in het ontwerpbesluit zelf, over de verwerking van
strafrechtelijke en andere bijzondere
persoonsgegevens en over het register risicomeldingen. Zij is van oordeel
dat in verband daarmee aanpassing
van het ontwerpbesluit nodig is. Het
advies is op 11 september 2014 openbaar gemaakt.
Te veel soorten persoonsgegevens
Het ontwerpbesluit somt op welke
soorten persoonsgegevens kunnen
worden gekoppeld. Het gaat onder
meer om gegevens over arbeid,
bestuursrechtelijke maatregelen en
sancties, detentie, fiscale gegevens,
gegevens over huisvesting, inburgering, re-integratie, schuldenlasten,
uitkeringen, vergunningen en zorgverzekeringen. De opsomming is zo
ruim dat er nauwelijks een persoonsgegeven te bedenken is dat er niet
onder valt. De opsomming lijkt niet
bedoeld om in te perken, maar om
zoveel mogelijk armslag te hebben.
De Afdeling adviseert kritisch te
bekijken of al deze categorieën persoonsgegevens noodzakelijk zijn
voor het tegengaan van onregelmatigheden en of er niet minder zware
methoden zijn om onregelmatigheden te ontdekken.
Gegevens over bestraffing en
gezondheid
Bij de verruiming van de wet is benadrukt dat gegevens over bestraffing
en gezondheid niet bij de koppeling
zullen worden gebruikt. In het ontwerpbesluit worden zulke gegevens
wel opgesomd. Bij bestraffing gaat
het bijvoorbeeld om gegevens over
overtredingen, opgelegde boetes en
detentie. Bij gezondheid betreft het
gegevens over de zorgverzekering en
re-integratie. De Afdeling adviseert
alle gegevens over bestraffing en
gezondheid uit het ontwerpbesluit te
schrappen.
‘Select before you collect’
Bij elk koppelingsproject wordt aan
de hand van een risicomodel vastgesteld of er een verhoogd risico is op
onregelmatigheden. De Wet bescherming persoonsgegevens bepaalt dat
persoonsgegevens alleen mogen
worden gebruikt voor ‘welbepaalde,
uitdrukkelijk omschreven en
gerechtvaardigde doeleinden’. Het
criterium ‘verhoogd risico’, dat de
regering wil gebruiken, voldoet niet
aan die wettelijke eisen: het is te
weinig toegespitst en maakt het
mogelijk persoonsgegevens te
gebruiken waarvan maar een klein
deel nuttig is voor het bestrijden van
misbruik. Dit staat ook wel bekend
als het beginsel ‘select before you
collect’. De Afdeling adviseert in de
toelichting bij het ontwerpbesluit
uiteen te zetten hoe dat beginsel zal
worden toegepast bij het opstellen
van de risicomodellen.
Risicomeldingen ook aan de
betrokkene
De koppeling van persoonsgegevens
moet gegevens opleveren over verhoogde risico’s op onregelmatigheden bij belastingen, subsidies en
sociale uitkeringen. Die verhoogde
risico’s worden dan gemeld aan het
overheidsorgaan dat belast is met de
controle. Zo’n risicomelding is niet
zonder betekenis: het gaat om een
aanwijzing dat wettelijke voorschriften niet zijn nageleefd. Als het onderzoek niet leidt tot straffen of maatregelen, zal de betrokkene niet zo snel
op de hoogte raken van het feit dat
er een risicomelding is gedaan en
dat hij voorwerp van onderzoek is
geweest. Hij zal daar meestal ook
niet op bedacht zijn en daarom ook
niet op het idee komen te informeren of hij in het register staat vermeld. De Afdeling advisering geeft
daarom in overweging te bepalen dat
de personen op wie een risicomelding betrekking heeft, binnen een
bepaalde termijn na afloop van het
onderzoek daarvan op de hoogte
worden gesteld.
Advies W12.14.0102/III is te vinden
op www.raadvanstate.nl
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2217
Nieuws
1668
Uitlevering in strijd met EVRM als
levenslange gevangenisstraf dreigt
Op 4 september oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens dat de uitlevering van de van
terrorisme verdachte Tunesiër Nizar
Trabelsi door België aan de Verenigde
Staten in strijd is met artikel 3 van
het EVRM. Trabelsi hangt in de VS
een levenslange gevangenisstraf
boven het hoofd. Omdat de VS geen
adequate procedure kent om dit soort
straffen te herzien is deze uitlevering
in strijd met het verbod op ‘inhuman
or degrading treatment’.
Bovendien wordt het België kwalijk
genomen dat het bevel tot schorsing van de uitlevering, zoals bevolen door het Hof, heeft genegeerd
en dat Trabelsi ondanks dit bevel is
uitgeleverd.
(application no. 140/10)
http://hudoc.echr.coe.int/
1669
Tewerkstellingsvergunning te strikt
De Nederlandse vergunningsplicht
voor werk is in strijd met de
vrijheid van dienstverlening die in
Europa geldt. Dat oordeelde het
Europese Hof van Justitie op 11 september (zaak C-91/13) in een zaak
over een Nederlandse boete van
264.000 euro voor energiebedrijf
Essent.
E
ssent had als opdrachtgever
aan een Nederlands bedrijf
gevraagd steigers te bouwen.
Dit bedrijf liet deze opdracht uitvoeren door een Duits bedrijf, dat 29
Turken, 1 Marokkaan en 3 arbeiders
uit voormalig Joegoslavië inzette.
Volgens de Nederlandse Arbeidsinspectie mocht dit niet, omdat deze
vreemdelingen geen Nederlandse
tewerkstellingsvergunning hadden.
Volgens het Hof werkten de betrokken werknemers legaal in Duitsland.
De overeenkomst tussen het Nederlandse bedrijf en het Duitse valt
daarom onder het vrij verkeer van
diensten in Europa. De boete van
Essent moet worden herroepen en de
Nederlandse regels zullen moeten
worden aangepast.
1670
Bibliotheken mogen digitaliseren
zonder toestemming rechthebbende
Lidstaten van de EU mogen toestaan dat bibliotheken zonder toestemming van de rechthebbenden
bepaalde boeken uit hun verzameling digitaliseren om deze op elektronische wijze beschikbaar te stellen aan zijn gebruikers. De lidstaten
mogen binnen bepaalde grenzen en
onder bepaalde voorwaarden, waaronder de betaling van een billijke
vergoeding aan de rechthebbenden,
2218
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
toestaan dat gebruikers de door een
bibliotheek gedigitaliseerde boeken
afdrukken op papier of opslaan op
een USB-stick.
D
at bepaalde het Hof van Justitie EU op 11 september jl.
in de zaak Technische Universität Darmstadt/Eugen Ulmer KG
(C-117/13). In het arrest verklaart
het Hof om te beginnen dat een
bibliotheek, zelfs indien de rechthebbende haar onder redelijke voorwaarden aan biedt om licentieovereenkomsten te sluiten voor het gebruik
van zijn werk, zich kan beroepen
op de ten behoeve van de speciale
bibliotheekcomputers of terminals
vastgestelde beperking, om dat zij
anders haar fundamentele taak niet
zou kunnen vervullen.
Het Hof oordeelt vervolgens dat de
Nieuws
Richtlijn 2001/29/EG betreffende de
harmonisatie van bepaalde aspecten
van het auteursrecht en de naburige
rechten in de informatiemaatschappij er niet aan in de weg staat dat de
lidstaten bibliotheken het recht verlenen om de werken van hun verzameling te digitaliseren, wanneer het
voor onderzoek of privéstudie noodzakelijk blijkt om die werken via speciale terminals beschikbaar te stellen
voor particulieren. Het Hof verklaart
dat dit recht van mededeling daaren-
tegen niet meebrengt dat particulieren de werken op papier mogen
afdrukken of op een USB-stick
mogen opslaan. Bij het afdrukken
van een werk op papier en de opslag
ervan op een USB-stick is immers
sprake van reproductie handelingen,
aangezien daarmee wordt beoogd
een nieuwe kopie te maken van de
voor particulieren beschikbaar
gestelde digitale kopie. Het Hof voegt
hier evenwel aan toe dat de lidstaten,
binnen de grenzen en onder de voor-
waarden die in de richtlijn zijn
gesteld, kunnen voorzien in een
beperking of een restrictie van het
aan de rechthebbenden toekomende
uitsluitende recht van reproductie en
aldus kunnen toestaan dat de gebruikers van een bibliotheek de werken
via speciale terminals op papier
afdrukken of op een USB-stick
opslaan. Daarvoor is met name vereist dat aan de rechthebbenden een
billijke vergoeding wordt betaald.
1671
Nederlandse zaken voor het Europese
Hof van Justitie in 2013
Op 9 september verscheen het Jaarbericht 2013 van de Procesvertegenwoordiging Hof van Justitie van de
EU van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. het Jaarbericht geeft
een overzicht van de werkzaamheden van de Nederlandse procesvertegenwoordiging in Luxemburg.
Daarnaast bevat het de samenvattingen van alle uitspraken uit 2013
in zaken waaraan Nederland heeft
deelgenomen.
D
e zaken waarin het Hof in
2013 uitspraak heeft gedaan,
beslaan een breed terrein
aan onderwerpen. Daaronder waren
enkele belangrijke uitspraken op het
terrein van de grondrechten. In Kadi
oordeelde het Hof dat bij de EU-uitvoering van de VN-sanctielijst onvoldoende rechtsbescherming wordt
geboden. In Akerberg heeft het Hof
zich uitgesproken over het toepassingsbereik van het EU-Handvest. Het
Hof heeft voor een ruime uitleg van
het toepassingsbereik gekozen door
te oordelen dat de in de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing vinden in alle situaties die door het
Unierecht worden beheerst. Dit betekent niet dat alle nationale maatregelen aan het EU-Handvest getoetst
moeten worden. Zo oordeelde het
Hof in Sindicato dos Bancários do
Norte dat het niet bevoegd was om
een vraag te beantwoorden over de
verenigbaarheid met het EU-Handvest van een verlaging van de ambtenarensalarissen in Portugal met 10%.
Vanuit het perspectief van de grondrechtenbescherming is ook de zaak
Gascogne van belang. In die zaak oordeelde het Hof dat het een schending
van de redelijke termijn oplevert
wanneer een mededingingszaak voor
het Gerecht langer dan vijf jaar zonder aanwijsbare redenen heeft stilgelegen. Dit hoeft niet te leiden tot het
verlagen van een eventueel opgelegde boete. Voor een eventuele schadevergoeding dient de gedupeerde
onderneming een aparte procedure
op grond van artikel 268 VWEU (nietcontractuele aansprakelijkheid) te
starten. Voorts heeft het Hof in 2013
uitspraak gedaan in een aantal institutionele geschillen, waaronder enkele over de bevoegdheidsverdeling op
het terrein van de externe betrekkingen betreffende intellectueel eigendom (Daiichi) en rechtsbescherming
van diensten (Commissie tegen
Raad).
zaken waren er 15 afkomstig van
Nederlandse rechters. Daarnaast was
de Nederlandse regering betrokken
bij 19 rechtstreekse zaken. In vier
zaken waarin het Hof in 2013 uitspraak deed, heeft de Nederlandse
regering zich moeten verweren tegen
de Europese Commissie. In 10 uitspraken heeft Nederland één van de
partijen gesteund bij het geschil voor
het Hof en drie keer in een geschil
voor het Gerecht. Het oordeel van
het Hof en het Gerecht komt in een
ruime meerderheid van deze zaken
overeen met het door de Nederlandse regering ingebrachte standpunt.
Het jaarbericht geeft een overzicht
van de werkzaamheden van de
Nederlandse procesvertegenwoordiging in Luxemburg (hoofdstuk 1).
Daarnaast bevat het de samenvattingen van alle uitspraken uit 2013 in
zaken waaraan Nederland heeft deelgenomen (hoofdstuk 2). Zoals ieder
jaar betreffen deze arresten verschillende onderwerpen, zoals asiel en
migratie, burgerschap, douane, fiscaal recht, sociaal recht en de fundamentele vrijheden.
Nederland
Het Jaarbericht is te vinden op www.
rijksoverheid.nl/ministeries/bz/documenten-en-publicaties
In 2013 hebben de Europese hoven
75 zaken afgedaan waaraan de
Nederlandse regering een bijdrage
heeft geleverd. Van de 55 prejudiciële
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2219
1672
Universitair Nieuws
Media en mediagebruikers
Wilt u dat uw (juridische)
proefschrift of dat van iemand die
u kent aangekondigd wordt in deze
rubriek dan kunt u het proefschrift
en een samenvatting sturen naar
het redactiebureau; zie colofon.
Oraties
Een kwestie van tijd
Prof. mr. B.C.M. van Erp-Jacobs, hoogleraar Oud-vaderlands recht aan de
Universiteit van Tilburg, sprak op
vrijdag 12 september 2014 haar
afscheidsrede ‘Een kwestie van tijd’
uit. Zij wees daarin op het belang van
het behoud en de toegankelijkheid
van rechtshistorische bronnen van
groot belang om ook in de toekomst
onderzoek mogelijk te maken.
Rechtshistorische bronnen maken
het mogelijk om te kunnen terugkijken naar en in context plaatsen van
feiten en gebeurtenissen in en opvattingen over het verleden. In haar
afscheidscollege ging Beatrix van
Erp-Jacobs in op de betekenis van tijd
en tijdsverloop in het oud-Nederlandse recht. Dat deed ze aan de hand
van drie voorbeelden:
• Om volledig als burger deel uit te
kunnen maken van een stedelijke
gemeenschap moest men onder
andere eerst vaak een tijdlang in de
stad wonen en mocht men jaarlijks
slechts enige korte perioden buiten
de stad verblijven.
• In het privaatrecht kwam de jaar-endag-termijn voor. Bijvoorbeeld ongestoord bezit van jaar en dag. Over de
betekenis hiervan bestaan verschillende theorieën. Sommige schrijvers zien
hierin een volledig jaar, anderen beargumenteren een jaar en zes weken of
een jaar en een rechtsdag. En ook over
de rechtsgevolgen bestaan uiteenlopende interpretaties.
• In het oud-Nederlandse recht
onderscheidde men civiele strafprocessen en criminele strafprocessen.
In het civiele strafproces werkte men
met termijnen van veertien dagen. In
het criminele proces werden termijnen van drie dagen gehanteerd. De
korte procestermijnen waren bedoeld
ter bescherming van de verdachte, al
is het de vraag of dat in de praktijk
wel altijd zo uitpakte.
Op vrijdag 12 september 2014 om
16.00 uur houdt mw. prof. dr. N. Helberger, hoogleraar Informatierecht,
in het bijzonder met betrekking tot
het gebruik van informatie aan de
Universiteit van Amsterdam, haar
oratie ‘Media and Users: Towards a
New Balance’.
In haar oratie stelt Helberger dat om
de balans tussen de media en mediagebruikers te waarborgen, media en
beleidsmakers op nationaal en Europees niveau moeten beseffen hoe om
te gaan met vragen rondom gebruikersprivacy, redactionele integriteit
en een eerlijk gebruik van big data in
media.
In het huidige digitale medialandschap is de aandacht van de gebruiker schaars en daarmee de strijd om
die aandacht groot. Volgens The New
York Times zijn dan ook ‘slimme’
nieuwe strategieën, zoals het benaderen van gebruikers met gepersonaliseerde nieuws- en reclameberichten,
nodig om het publiek te bereiken.
Het verzamelen en analyseren van
big data over gebruikersvoorkeuren
creëert nieuwe mogelijkheden voor
gebruikers, media en mediabeleid.
Tegelijkertijd ontstaan hiermee nieuwe uitdagingen. Privacy is er daar
een van, maar er spelen nog andere
processen mee: het waarborgen van
het gebruikersvertrouwen in de
redactionele integriteit van nieuws,
het vinden van een balans tussen
het geven van gepersonaliseerde aanbevelingen en het manipuleren van
het publiek, en het bepalen van grenzen als het medium verandert van
algemene informatiebemiddelaar in
persoonlijke informatiedienst.
De personalisatie van media, en in
breder perspectief de toenemende
interactiviteit tussen media en
gebruikers, is zowel in Brussel als in
Den Haag een belangrijk beleidsonderwerp. Hoewel er grotendeels consensus bestaat over het feit dat het
bestaande beleidskader voor media
toe is aan een hervorming, is nog
onduidelijk wat hiervoor in de plaats
kan komen. Helberger stelt dat toekomstige regelgeving en (zelf)regulatie hiervoor zich moeten richten op
de (gecommercialiseerde) relatie tussen gebruikers en media, en de waarden die deze relatie zouden moeten
bepalen.
Plaats: Aula UvA, Singel 411 te Amsterdam
2220
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Op vrijdag 10 oktober 2014 om 15.45
uur houdt de heer prof. mr. H.C.F.J.A.
de Waele, hoogleraar Internationaal
en Europees recht aan de Radboud
Universiteit, zijn oratie ‘Autonome
rechtsordes’.
Plaats: Academiezaal Aula, Comeniuslaan 2 te Nijmegen
Promoties
Grensoverschrijdende
juridische splitsing
Op 10 juni 2014 promoveerde Erwin Roelofs aan de Universiteit
Utrecht op zijn proefschrift getiteld: ‘Grensoverschrijdende juridische splitsing van
kapitaalvennootschappen’. Als promotores traden op prof.
mr. D.F.M.M. Zaman en prof. mr. M.L.
Lennarts.
Grensoverschrijdende juridische splitsing is de grensoverschrijdende evenknie van juridische splitsing zoals
geregeld in de Zesde richtlijn (Richtlijn 1982/891/EEG) en Titel 2.7 BW.
Het verschil met een nationale juridische splitsing is dat bij een grensoverschrijdende juridische splitsing
de betrokken vennootschappen (de
eventueel nieuw op te richten verkrijgende vennootschap(pen) daaronder begrepen) door het recht van verschillende staten worden beheerst.
Grensoverschrijdende splitsing kan,
mede door de vermogensovergang
onder algemene titel, een bruikbaar
alternatief zijn voor andere vormen
van grensoverschrijdende herstructureringen, zoals: (i) overdracht van
activa en passiva onder bijzondere
titel, (ii) overdracht van aandelen in
dochtervennootschap(pen) – al dan
niet gecombineerd met andere voorafgaande uitzakoperaties –, (iii) zetelverplaatsing (zonder wijziging van de
lex societatis), (iv) zetelverplaatsing
(met wijziging van de lex societatis
(grensoverschrijdende omzetting)) en
(v) grensoverschrijdende fusie. Het
belangrijkste voordeel van grensoverschrijdende splitsing is dat een
deconcentratie van ondernemingsvermogen plaatsvindt, hetgeen uniek
is ten opzichte van de hiervoor
gememoreerde alternatieven.
Voor grensoverschrijdende splitsing
bestaat thans nog geen wettelijke
regeling, noch op het niveau van de
Universitair Nieuws
EU, noch op Nederlands niveau. Wel
hebben enkele lidstaten van de EU
reeds bij de implementatie van de
Tiende richtlijn betreffende grensoverschrijdende fusie (Richtlijn
2005/56/EG) grensoverschrijdende
splitsing wettelijk geregeld.
Ondanks het gebrek aan een wettelijke regeling, moet de vraag of grensoverschrijdende splitsing vanuit
Nederlands perspectief toelaatbaar is
positief worden beantwoord, althans
voor zover de grensoverschrijdende
splitsing zich voltrekt binnen de EU.
In het Sevic-arrest (HvJ EG
13.12.2005), overwoog het Hof dat
grensoverschrijdende fusies, ‘evenals
overige omzettingen van vennootschappen’, beantwoorden aan de
behoeften aan samenwerking en herstructureringen van vennootschappen die in verschillende lidstaten
zijn gevestigd en dat deze omzettingen bijzondere wijzen van uitoefening van de vrijheid van vestiging
vormen. Uit onder meer een teleologische en taalkundige uitleg blijkt
dat het Hof hiermee niet alleen doelde op grensoverschrijdende fusie,
maar ook op andere vormen van
grensoverschrijdende herstructurering, zoals grensoverschrijdende
splitsing. Dat heeft het Hof nog eens
bevestigd in het Vale-arrest (HvJ EU
12.07.2012).
De vraag naar het toepasselijke recht
op een grensoverschrijdende splitsing is niet gemakkelijk te beantwoorden. Roelofs komt in zijn proefschrift tot de conclusie dat de legi
societati van de bij de splitsing
betrokken vennootschappen gedifferentieerd cumulatief moeten worden
toegepast. Dat resulteert in nu eens
toepassing van de lex societatis van
de splitsende vennootschap, dan
weer toepassing van de lex societatis
van de verkrijgende vennootschap(pen), dan weer beide. Op die manier
wordt enerzijds tegemoet gekomen
aan de eisen gesteld door de legi
societati van de bij de splitsing
betrokken vennootschappen en worden deze niet onnodig toegepast op
andere bij de splitsing betrokken
vennootschappen.
Roelofs vergelijkt in zijn proefschrift
de grensoverschrijdende splitsing
met andere vormen van herstructurering en beschrijft uitgebreid de
toelaatbaarheid van, het toepasselijke recht op en de toe te passen regels
op een grensoverschrijdende splitsing, zowel wat betreft de procedure,
de bescherming van de belangen van
belanghebbenden bij en de gevolgen
van grensoverschrijdende splitsing.
Daarbij maakt hij een rechtsvergelijking met het Duitse recht, het Deense recht en het Finse recht.
E.R. Roelofs
Grensoverschrijdende
juridische splitsing van
kapitaalvennootschappen
Van der Heijden Instituut deel 122
Kluwer 2014, 672 p., € 92,50
ISBN 978 90 1312 487 3
Indigenous peoples and free,
prior and informed consent
The adoption of the
UN Declaration on the
Rights of Indigenous
Peoples in 2007 reinvigorated discussions
about participation by
indigenous peoples in
decision-making processes that affect them. In particular,
the debate revolves around interpretations of the concept of ‘free, prior
and informed consent’ (FPIC), which
is becoming one of the central
mechanisms in international law
and policy for resolving conflicts
about lands and natural resources.
Indigenous and tribal peoples are
often affected considerably when
large-scale development projects –
like mining, logging, the construction of hydroelectric dams, etcetera –
take place on their territories.
Precious and scarce resources are
unfortunately often found in areas
where indigenous communities reside. Within international human
rights law a number of norms aim to
protect indigenous groups from the
adverse effects of what some call
‘development aggression’. One of the
most important of these norms is
that indigenous peoples should be
allowed to give or withhold their
free, prior and informed consent or
FPIC with regard to certain decisions.
In this study that was conducted by
Bas Rombouts, the legal status of
FPIC and conditions for its successful
implementation are examined. The
principle is contextualized by examining the underlying concept of selfdetermination and derivative rights
to lands and resources. Subsequently,
FPIC is explored from within the
framework of the right to effective
participation. The existing international platforms and institutions in
which FPIC norms are present are
surveyed and a detailed analysis of
recent regional case law clarifies the
legal application of FPIC in the context of land and resource rights.
Finally, a number of recent guidelines for the implementation of FPIC
processes in the framework of specific voluntary sustainability initiatives are compared and analyzed.
It is argued that in order for FPIC to
become a realistic legal norm, one
should focus on what kind of process
it denotes. Moreover, it is important
to take into account the underlying
rights and principles for determining
the scope of FPIC and to grasp why it
matters so much to indigenous peoples. Proper rights to (internal) selfdetermination, lands, and resources
have to be in place to make FPIC a
meaningful concept. Purely legally
speaking, FPIC concerns a process of
consultation that should always have
the goal of reaching agreement. In
some cases FPIC gains a more mandatory character and obtaining consent becomes obligatory. This is
particularly so when hazardous substances are to be stored on indigenous lands, when indigenous groups
are to be relocated, and when largescale developments projects could
have a major impact on indigenous
peoples’ lands and ways of life, and
may threaten their cultural and physical survival.
FPIC processes are gaining ground as
the central mechanism for decisionmaking processes involving indigenous communities. This study provides both a theoretical and a practical
starting point for scholars, lawyers,
policy makers, or others interested in
FPIC processes and indigenous peoples.
Rombouts defended his dissertation
on 27 June 2014 at Tilburg University. His supervisor was prof. dr. W.J.M.
van Genugten.
Bas Rombouts
Having a Say: Indigenous Peoples,
International Law and Free, Prior
and Informed Consent
Wolf Legal Publishers 2014, 442 p., € 34,95
ISBN 978 94 6240 134 1
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2221
1673
Personalia
Vice-president Hoge Raad
De heer mr. R.J
Koopman wordt
vice-president van
de Hoge Raad der
Nederlanden. De
ministerraad heeft
op voorstel van minister Opstelten
van Veiligheid en Justitie besloten
hem voor te dragen voor benoeming.
De benoeming gaat in op 1 november 2014. De heer Koopman volgt in
de functie van vice-president de heer
mr. M.W.C. Feteris op, die per 1
november 2014 president wordt van
de Hoge Raad. Koopman is sinds 1
februari 2010 al raadsheer in de
belastingkamer van de Hoge Raad.
Verder is Koopman in 1986 zijn loopbaan begonnen als medewerker van
het wetenschappelijk bureau van de
Hoge Raad. Daarna is hij onder meer
actief geweest als raadsheer en vicepresident van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch en als docent bij de
vakgroep belastingrecht van de Universiteit van Amsterdam.
1674
Advocatuur
Osborne Clarke heeft
Cristine Brinkman als
Corporate/M&A partner aangetrokken
voor het kantoor in
Amsterdam. Brinkman heeft een brede ondernemingsrecht transactie- en
adviespraktijk; ze is gespecialiseerd
in fusies en overnames, joint ventures, corporate governance en vastgoedgoedtransacties. Brinkman was
hiervoor Counsel bij Freshfields
Bruckhaus Deringer waar zij meer
dan twaalf jaar heeft gewerkt.
Voor het plaatsen van berichten
in deze rubriek kunt u uw tips
en informatie sturen naar
[email protected].
bieden zijn privatiseringen, fusies/
overnames, desinvesteringen en allianties tot de volledige ontwikkeling
en begeleiding van conventionele- en
duurzame energieprojecten. Voor zijn
overstap gaf hij leiding aan de energiepraktijk van Norton Rose Fullbright in Europa, het Midden-Oosten
en Afrika.
Weero Koster heeft
zich per 1 september
2014 als partner verbonden aan Baker &
McKenzie. Zijn praktijk richt zich op
bedrijven en organisaties die actief
zijn op nationale en internationale
energiemarkten, van ‘upstream’ olieen gas tot de grootste duurzame projecten in Nederland. Zijn expertisege-
Martijn Welten wordt
met ingang van 1
oktober 2014 managing partner bij Spigt
Dutch Caribbean
Advocaten en Belastingadviseurs. Martijn Welten is
sinds de oprichting verbonden aan
Spigt Dutch Caribbean, en al langere
tijd betrokken bij het management.
der Janssen (strafrechtsadvocaat) beiden werkzaam te Amsterdam. Met
medewerking van een ‘maatschappelijke jury’, een panel met o.a. een filosoof en student. Debatleiders zijn
Lonneke Stevens en Sonja Meijer. Dit
is een initiatief van de Faculteit der
Rechtsgeleerdheid van de VU en NRC
Handelsblad, in samenwerking met
de UvT, stichting Mens en Strafrecht
en de studievereniging QBDBD.
event organised by the Junior Lawyers
Division of the Law Society of England and Wales, the Young Barristers
Committee of the Bar Council, the
European Young Bar Association and
the London Young Lawyers Group.
They provide delegates with a mix of
technical seminars, skills-based seminars, an overview of the legal system
in England and Wales and an introduction to the City of London.
Tijd: zondag 21 september van 15.30 tot 17.00 uur
Tijd: donderdag 25 t/m zaterdag 27 september
Plaats: NRC Café, Rokin 65 Amsterdam
Plaats: Londen
Inlichtingen en aanmelding: deelname kost € 5, het is
Inlichtingen en aanmelding: via: www.iw2014.com.
gratis voor leden QBDBD en leden VU-Vereniging. Aan-
Deelname kost £ 195
Agenda
21 09 2014
Debatreeks Misdaad
en Maatschappij
Onschadelijkmaking van gevaarlijke
mensen: better safe than sorry?
In de huidige samenleving wordt
veel belang gehecht aan het beheersen van gevaren en risico’s. Dat is ook
terug te zien in het strafrecht. Mensen die zijn veroordeeld voor een
strafbaar feit, maar ook mensen die
alleen nog maar verdacht zijn, worden gezien als gevaarlijke mensen.
Wordt bij dit soort maatregelen niet
te makkelijk gezegd: better safe than
sorry? Of wordt ‘sorry’ simpelweg niet
meer geaccepteerd door de samenleving? Is het strafrecht de beste
manier om gevaren te beheersen?
Hoe kunnen risico’s goed worden
ingeschat en kan dat überhaupt wel?
Debaters zijn onder anderen Willem
Nijkerk (officier van justitie) en San-
2222
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
melden via: www.nrcrestaurantcafe.nl/agenda/-strongdebat-misdaad-en-maatschappij-i-strong-209/Meer
informatie via Marloes van Noorloos, e-mail:
[email protected]
25 t/m 27 09 2014
International Weekend 2014
International Weekend is an annual
28 09 2014
Debatreeks Misdaad
en Maatschappij
Seks en strafrecht: vrijheid blijheid of
bescherming boven alles?
Soms is het nodig dat het strafrecht
hard optreedt tegen zedendelicten.
Agenda
Maar de scheidslijn tussen goed en
fout is hier lang niet altijd duidelijk.
Moeten jongeren en andere kwetsbare groepen zoals geestelijk gehandicapten soms tegen zichzelf worden
beschermd? Of moet de overheid zich
verre houden van de rol van zedenmeester? Een debat over het spanningsveld tussen vrijheid en bescherming. Debaters zijn Eva Kwakman
(officier van justitie te Amsterdam)
en Ted van Lieshout, (schrijver, dichter en beeldend kunstenaar). Met
medewerking van een ‘maatschappelijke jury’, een panel met o.a. een
advocaat en student. Debatleiders
zijn Marloes van Noorloos en Sonja
Meijer. Dit is een initiatief van de
Faculteit der Rechtsgeleerdheid van
de VU en NRC Handelsblad, in samenwerking met de UvT, stichting Mens
en Strafrecht en de studievereniging
QBDBD.
fraudebestrijding te kijken. Tijdens
het avondprogramma wordt de ‘Anti
Fraude Award 2014’ uitgereikt. De
tweede dag van het festival staat
open voor alle geïnteresseerden. Een
aantal speciaal geselecteerde films
en documentaires worden vertoond.
Daarnaast wordt het publiek in staat
gesteld, via vraag- en antwoordsessies, kennis te maken met verschillende organisaties uit de publieke en
private sector die op het gebied van
fraudebestrijding actief zijn. Het
Fraude Film Festival is georganiseerd
door en voor partijen die bij fraudebestrijding betrokken zijn. Een deel
van de opbrengsten van het Fraude
Film Festival wordt gedoneerd aan
Transparency International.
Tijd: woensdag 1 en donderdag 2 oktober
Plaats: filminstituut Eye in Amsterdam
Inlichtingen en aanmelding: via: www.fraudefilmfestival.
nl/inschrijven/. Deelname kost € 75 en studenten betalen
Tijd: zondag 28 september van 15.30 tot 17.00 uur.
€ 25. Nadere informatie in te winnen via: info@fraude-
Plaats: NRC Café, Rokin 65 Amsterdam
filmfestival.nl of bij Joyce Verhaert: j.j.verhaert@bijzon-
Inlichtingen en aanmelding: deelname kost € 5, het is
derstrafrecht.nl of telefoon: 06-19920976.
gratis voor leden QBDBD en leden VU-Vereniging.
Aanmelden via: www.nrcrestaurantcafe.nl/agenda/strong-debat-misdaad-en-maatschappij-i-strong-209/.
Meer informatie via Marloes van Noorloos, e-mail:
[email protected]
01 en 02 10 2014
Fraude Film Festival
In het filminstituut Eye in Amsterdam vindt het eerste Fraude Film
Festival plaats, waar films en documentaires vertoond worden rond het
thema fraude. Peter van Ingen
(VPRO) verzorgt het programma. Speciaal voor het festival maakt Frans
Bromet (onafhankelijk televisiemaker) een korte film die op beide
dagen vertoond wordt. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie, vertegenwoordigd door Minister Opstelten, verzorgt de officiële opening van
het festival. Het Fraude Film Festival
biedt professionals en geïnteresseerden een platform om te discussiëren
over de impact en diversiteit van
fraude en de aanpak ervan. Enkele
aspecten van fraude zoals corruptie,
machtsmisbruik en de daarmee
gepaard gaande reputatieschade
komen tijdens dit festival aan de
orde. Op de eerste dag van het festival krijgen professionals en beleidsbepalers de kans met elkaar kennis
te maken en zullen zij - gevoed vanuit het festival - worden uitgedaagd
op een andere manier naar fraude en
04 10 2014
Paul Scholten-studieochtend
Deze jaarlijkse studieochtend over
christen-rechtsgeleerde Paul Scholten
is een activiteit van het ChristenJuristennetwerk van ForumC.
Scholten was hoogleraar burgerlijk
recht aan de UvA. Zijn werk motiveerde hem tot een actieve maatschappelijke betrokkenheid. Tijdens de eerste
decennia van de twintigste eeuw vonden ingrijpende ontwikkelingen
plaats: de Eerste Wereldoorlog (19141918), de Russische revolutie in 1917,
de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland in de jaren dertig.
Het inspireerde Scholten vanuit zijn
christelijke levensovertuiging na te
denken over democratie en rechtsstaat. Het thema van deze studiedag
is dan ook: ‘Democratie en rechtsstaat: lood om oud ijzer? De visies van
Paul Scholten en Ph.A. Kohnstamm op
de verhouding tussen democratie en
rechtsstaat.’ De inleiding wordt verzorgd door mr. W.L. Borst. Mr. drs. B.D.
Hengstmengel houdt een coreferaat.
Dagvoorzitter is mevrouw mr. dr.
Hélène Evers.
€ 7,50. Aanmelding wordt op prijs gesteld en kan via
ForumC, telefoonnummer: 033-4647770 of e-mail:
[email protected].
05 10 2014
Debatreeks Misdaad
en Maatschappij
Gestraft na de straf: een tweede kans?
Iedereen heeft recht op een tweede
kans. Maar geef je die ook aan de exveroordeelde die bij jou in de straat
komt wonen? Zijn wij als samenleving eigenlijk wel bereid om een
tweede kans aan ex-veroordeelden te
geven? Wat wordt er gedaan om exveroordeelden te laten re-integreren
in de samenleving? Een debat over
de vragen rondom de terugkeer van
ex-gedetineerden in de samenleving
centraal. Tegen welke problemen en
ook tegen welke stigma’s lopen zij
aan? Debaters zijn Sjef van Gennip
(voorzitter van de raad van bestuur
van Reclassering Nederland), Lucas
Bolsius (burgemeester van Amersfoort) en Rein Gerritsen (wetenschapsfilosoof en tevens ex-gedetineerde die spreekt uit eigen
ervaring). Met medewerking van een
‘maatschappelijke jury’, een panel
met onder anderen een advocaat en
student. Debatleiders zijn Sonja
Meijer en Marloes van Noorloos. Dit
is een initiatief van de Faculteit der
Rechtsgeleerdheid van de VU en NRC
Handelsblad, in samenwerking met
de UvT, stichting Mens en Strafrecht
en de studievereniging QBDBD.
Tijd: zondag 5 oktober 2014 van 15.30 tot 17.00 uur
Plaats: NRC Café, Rokin 65 Amsterdam
Inlichtingen en aanmelding: deelname kost € 5, het is
gratis voor leden QBDBD en leden VU-Vereniging. Aanmelden via: www.nrcrestaurantcafe.nl/agenda/-strongdebat-misdaad-en-maatschappij-i-strong-209/. Meer
informatie via Marloes van Noorloos, e-mail:
[email protected]
08 10 2014
Rotterdams Juridisch Genootschap: het ‘natte’ recht
Tijd: zaterdag 4 oktober van 10.00 tot 12.00 uur
Mw mr. Emily Dérogée-van Roosmalen spreekt tijdens de eerstvolgende
bijeenkomst van het Rotterdams Juridisch Genootschap over het onderwerp ‘De Rotterdamse haven en het
‘natte’ recht anno 2014; tijd voor een
Legal Climate Change!’
Plaats: Christelijke Gereformeerde Kerk Utrecht-Centrum,
Tijd: woensdag 8 oktober om 20.00 uur
Wittevrouwensingel 33 te Utrecht
Plaats: Sociëteit ‘De Maas’, Veerdam 1 te Rotterdam
Inlichtingen en aanmelding: Voor leden van het Christen-
Inlichtingen en aanmelding: mw. mr. L.M. Muetstege,
Juristennetwerk is de toegang gratis. Voor anderen
e-mail: [email protected].
bedraagt de toegangsprijs € 15 en studenten betalen
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
2223
Agenda
09 10 2014
NAI Lustrumsymposium
Het Nederlands Arbitrage Instituut
(NAI) organiseert het lustrumsymposium ‘NAI 65 jaar Jong!’.
De herziene arbitragewet treedt op 1
januari 2015 in werking. Wat betekent dit voor het NAI en voor advocaten? Hoe vult het NAI de mogelijkheden die de wet biedt in? Gaat het NAI
samenvoegen? Beslist het NAI zelf op
een wrakingsverzoek? Komt er een
nieuwe benoemingsregeling? Wordt
de standaard elektronisch procederen? Krijgt de voorzitter van een
scheidsgerecht bijzondere bevoegdheden? Het symposium wordt
geopend door mr. drs. P. Cloo (Secretaris-Generaal van het Ministerie van
Veiligheid en Justitie). Vervolgens
bespreken mr. Hilde van der Baan,
mr. Willem van Baren, mr. Bommel
van der Bend, prof. dr. Filip De Ly, mr.
Fredy von Hombracht-Brinkman, mr.
drs. Bart Leijnse, prof. mr. Gerard
Meijer, mr. Rieke Smakman en prof.
mr. Henk Snijders tijdens interactieve paneldiscussies de bepalingen van
het nieuwe Reglement. Daarna volgt
een feestelijk programma.
Tijd: donderdag 9 oktober van 14.00 tot 22.00 uur
Plaats: Schiecentrale, Sint Jobsweg 116 te Rotterdam
Inlichtingen en aanmelding: via: [email protected].
Deelname kost € 225 en studenten betalen € 50 op vertoon van hun studentenkaart. Er worden 2 PO-punten
15 10 2014
Leidsch Juridisch Genootschap: de MH17 tragedie
‘De MH17 tragedie: de nog steeds
niet opgeloste spanning tussen politiek en internationaal recht’ is het
onderwerp waarover prof. dr. P.M.J.
Mendes de Leon (hoogleraar Luchten Ruimterecht aan de Universiteit
Leiden en directeur Internationaal
Instituut voor Lucht- en Ruimterecht)
de lezing voor het Leidsch Juridisch
Genootschap houdt. De heer Mendes
Stichting Jo Maes/Capra
Prijs 2014
Ter bevordering van het enthousiasme en de belangstelling voor het
ambtenarenrecht, arbeidsrecht en
algemeen bestuursrecht heeft het
bureau Capra Advocaten ter gelegenheid van het afscheid van haar
voormalige partner mr. J.M.M.B.
Maes een stichting in het leven
geroepen, genaamd Stichting Jo
Maes/Capra Prijs. Deze stichting
stelt jaarlijks een scriptieprijs ter
beschikking voor studenten aan een
Nederlandse Universiteit die een
scriptie hebben geschreven over een
onderwerp op het gebied van ambtenarenrecht, het arbeidsrecht dan
wel het algemeen bestuursrecht, die
gewaardeerd is met een cijfer 8 of
de Leon gaat verder in op vergelijkbare ongevallen, het onderzoek naar
MH17, de informatieverschaffing
over veiligheid, aansprakelijkheid en
mogelijke initiatieven ter verbetering
van de huidige situatie.
Tijd: woensdag 15 oktober van 17:30 tot 18:30 uur met
aansluitend een borrel
Plaats: zaal B.041 van de Juridische Faculteit in het
Kamerlingh Onnes Gebouw (KOG) aan de Steenschuur
25 te Leiden.
Inlichtingen en aanmelding: mw. mr. J.M.D. Bharos, telefoon: 071-5165043, e-mail: [email protected]
hoger. Met de toekenning van de
prijs is een geldbedrag gemoeid van
€ 1.000.
Belangstellenden dienen hun scriptie (in zevenvoud), opgesteld in de
Nederlandse taal vóór 1 november
2014 in te dienen bij de secretaris
van de Stichting, mr. J.J. Blanken, verbonden aan Capra Advocaten, Laan
Copes van Cattenburch 56, 2585 GC
’s-Gravenhage. Het scriptiereglement
is te verkrijgen bij de secretaris
(telefoonnummer 070 - 364 81 02,
e-mail adres: [email protected] of
via de website www.capra.nl).
De scripties worden beoordeeld door
een jury, bestaande uit: mr. J.M.M.B.
Maes, prof. mr. F.A.M. Stroink en mr.
C.P.J. Goorden.
toegekend.
Agenda kort
08 09 t/m 01 12 2014
EIPA seminars
NJB 2014/1506, afl. 28, p. 2011
25 09 2014
Jaarcongres Independent legal
Professional 2014
25 t/m 27 09 2014
Expropriation law
NJB 2014/1171, afl. 23, p. 1595
NJB 2014/790, afl. 14, p. 974
21 09 2014
Debatreeks Misdaad en
Maatschappij
25 09 2014
Staatssteun in en rondom zeehavens
26 09 2014
Neurowetenschap en de
rechtspraktijk
NJB 2014/1674, afl. 31, p. 2222
NJB 2014/1506, afl. 28, p. 2011
NJB 2014/1087, afl. 21, p. 1464
23 09 2014
NGB Seminar
25 t/m 27 09 2014
International Weekend 2014
NJB 2014/1574, afl. 29, p. 2103
NJB 2014/1674, afl. 31, p. 2222
28 09 2014
Debatreeks Misdaad en
Maatschappij
NJB 2014/1674, afl. 31, p. 2222
Een uitgebreide versie van deze agenda is te raadplegen op www.njb.nl.
2224
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 19-09-2014 – AFL. 31
Vormfouten
Juridische consequenties
van vormverzuimen
in strafzaken
Analyse van bestaande rechtspraak rondom vormfouten
‘Vormfouten’ gaat over het controleren van en reageren op vormverzuimen
door de strafrechter. Het boek biedt een overzicht van de rechtspraak van de
Hoge Raad en het EHRM - en vergelijkt deze met die van het Amerikaanse
Hooggerechtshof. Daarnaast brengt het boek de gevolgen in kaart van de doelmiddel benadering.
Rechtsgevolgen, jurisprudentie en meer
Alle relevante jurisprudentie komt aan bod. Verder gaat de auteur in op
rechtsgevolgen die een rechter aan een vormfout kan verbinden. De analyse van
de bestaande rechtspraak die zo rondom vormfouten ontstaat, maakt dit boek
onmisbaar voor advocaten, rechters, leden van het OM en andere professionals
in de strafrechtspleging.
Staat en Recht (STeR)
Auteur:
mr. R. Kuiper
STeR-serie is de publicatiereeks van het Centrum voor Staat en Recht van de Radboud
Universiteit Nijmegen. Binnen het Centrum
voor Staat en Recht vindt bestudering plaats
van het staatsrecht, het bestuurs(proces)
recht, het straf(proces)recht, het internationaal en Europees recht, de historische achtergronden en de ethische grondslagen van
bovengenoemde rechtsgebieden, en rechtssociologisch onderzoek op dit terrein.
Deel:
19
ISBN:
9789013125221
Datum verschijning:
02-07-2014
Aantal pagina’s:
696
Prijs:
€65,- (incl. btw)
www.kluwer.nl/shop
in onze shop bestelt u zonder verzendkosten
Aan wiens kant
staat het recht
als beide partijen
gelijk hebben?
Het gerechtshof Amsterdam zoekt
voor de teams strafrecht, familierecht en handelsrecht
Raadsheren m/v
Het gerechtshof Amsterdam heeft de
gerechtshof Amsterdam gevestigd in
- mr. E. de Greeve, voorzitter afdeling
ambitie toonaangevend te zijn in de
het nieuwe Paleis van Justitie aan het
strafrecht, telefoonnummer 088 – 361
appelrechtspraak in Nederland. Zoekt
IJ. Het gerechtshof Amsterdam kent
1313 of
u inhoudelijke verdieping, ruimte voor
drie afdelingen: de afdeling strafrecht,
kwaliteit en meervoudige rechtspraak
de afdeling civiel recht en belasting-
civiel
met zeer ervaren collega's? Bent u
recht en de afdeling bedrijfsvoering.
telefoonnummer 088 – 361 3755.
bereid hard te werken aan kwalitatief
De afdelingen bestaan uit verschillende
hoogwaardige arresten? Wij bieden
teams met ieder een omvang van
Solliciteren U kunt tot en met 3 oktober
een plezierige werkomgeving, een goede
ongeveer 25 medewerkers. Centraal
2014 uw sollicitatiebrief met vermelding
collegiale werksfeer en uitstekende
in de ontwikkeling van de cultuur van
van drie referenten digitaal sturen naar
arbeidsomstandigheden.
het gerechtshof staat de ruimte om
de president van het gerechtshof
- mr. C. Hummel, voorzitter afdeling
recht
en
belastingrecht,
Wegens uitbreiding zijn wij op zoek
verantwoordelijkheid te nemen voor
Amsterdam, mr. H.T. van der Meer, via
naar raadsheren voor de afdeling straf-
de kwaliteit en de effectiviteit van het
[email protected].
recht (meerdere vacatures). Bij het
hof. Dit veronderstelt onder meer een
Een eerste gespreksronde (met het
team familierecht van de afdeling civiel
open houding en nieuwsgierigheid ten
gerechtsbestuur en de afdelingsvoor-
recht en belastingrecht ontstaat één
aanzien van mogelijke verbeteringen.
zitter) zal naar verwachting plaatsvinden
vacature voor een raadsheer. Bij het
Het landelijke profiel van raadsheer en
op 14 en 15 oktober 2014 (strafrecht)
team handelsrecht ontstaat ook één
meer informatie over het gerechtshof
en op 30 oktober en 3 november 2014
vacature voor een raadsheer.
Amsterdam kunt u vinden op
(familie- en handelsrecht). De tweede
www.rechtspraak.nl.
gespreksronde (met de benoemings-
N.B.: sollicitanten die nog geen
rechter of raadsheer zijn zullen daartoe
adviescommissie) zal naar verwachting
kunnen worden opgeleid na het door-
Inlichtingen Voor nadere inlichtingen
plaatsvinden in de maand november
lopen van de landelijke selectieprocedure
over de vacatures kunt u telefonisch
2014.
bij de LSR.
contact opnemen met:
- mr. H.T. van der Meer, president,
Organisatie Vanaf half april 2013 is het
telefoonnummer 088 – 361 3632,
Acquisitie naar aanleiding van deze
advertentie wordt niet op prijs gesteld.

Similar documents