Deens amtshoofdstad

Comments

Transcription

Deens amtshoofdstad
-1D
daad – actie, factum, feit, geste, gestie, handeling, prestatie, stap,
verrichting
daad van het bidden - gebed
daad van geeuwen - geeuw
daad van geven - gift
daad van geweld - exces, feitelijkheid
daad van lenen -lening
daad van roof - roverij
daad van stelen - diefstal
daad van strafbaar feit - misdaad, overtreding
daadkracht - effect, energie, fut
daadloos - passief
daadwerkelijk – doeltreffend, dramatisch, effectief, eigenlijk,
feitelijk, inderdaad, metterdaad, reëel, werkelijk, wezenlijk
daags - dagelijks, gewoon, overdag, per dag
daai - diamant, knikker
daal - bezinksel, neerslag, pompbuis
daalderschurft - haarschimmel, tater,
daaps – doof, gek
daar - aangezien, aldaar, costi, dewijl, er, ginder, ginds, omdat,
terwijl, vermits
daar is altijd ruzie - oremus
daar tegen inbrengen - repliceren
daar valt mij juist in – apropos
daaraan gelegen - naast, neven
daaraan toevoegend - plus
daaraanvolgend - daarna, d.a.v.
daarbenevens - bovendien, daarenboven
daarbij – als, bovendien, daarenboven, nog, ook, plus, samen,
tegelijk, tevens, zowel
daarenboven – alsmede, benevens, bovendien, buitendien,
daarbij, nog, ook, verder
daardoor - doordat, mitsdien
daareven - net, pas, zoeven, zojuist
daarmee is de zaak beslist - afdoend
daarna - achteraf, alsdan, alsnu, daarop, dan, hierna, hierop, later,
nadat, naderhand, nadien, toen, verder, vervolgens voorts
daarentegen - andersom, omgekeerd, d.e.t, integendeel
daareven - juist, net, zoeven, zojuist, zonet, zopas
daargelegen - ginds
daarginds - ginder
daarheen – derwaarts, ginds
daarjuist - zonet
daar lopen de kippen in - ren
daarna – alsdan, daaropvolgend, dan, later, nadat, naderhand,
nadien, toen, verder, vervolgens, voorts
daarnaast - daarnevens, dichtbij
daarnet – daar, daareven, straks, zoeven, zostraks
daarnevens - bovendien, daarnaast, ook, tevens
daarom - aangezien, alzo, bijgevolg, derhalve, des, desondanks,
deswege, dierhalve, dies, dus, ergo, gevolgelijk, mitsdien, vandaar,
wegens
daaromtrent – daarover, dienaangaande
daarop - daarna, toen, vervolgens
daaropvolgend – daarna
daarstraks - daareven, daarnet, net, pas, zoeven, zojuist, zonet,
zopas
daartegenover - daarentegen
daartoe - daarom, (Lat) ergo
daartoe aangewezen - ahd (ad hoc deputatus)
daartoe dienstig - goed
daartussendoor - intussen, middelerwijl, ondertussen
daarvandaan - daarvan, dientengevolge
daarvoor - aleer, daartoe, daarvoor, destijds, eens, eer, eerder,
gewezen, indertijd, oudtijds, tevoren, voordien, voorheen,
voorleden, voormalig, vroeger, wijlen, weleer,
daas - gek, kletsmeier, mal, onnozel, onwijs, aardenvlieg,
runderhorzel, steekvlieg, verdwaasd, versuft, warhoofd
dabben - stampen
dactylograaf - typist
dactylografie – machineschrijven, typen, vingertaal
dactylologie - chirologie, vingerrekenkunst, vingerspraak,
vingertaal
dadaïst - Aragon, Ball, Breton, Cocteau, Picabia, Schwitters, T
dadel boom - dadelpalm, palm
dadelijk - aanstonds, direct, direkt, dra, fluks, gezwind, illico,
meteen, ogenblikkelijk, onmiddellijk, onverwijld, paraat, rap,
snak, snel, spoedig, staandevoets, straks, strakjes, subiet, temee,
temet, terstond, voetstoots, voorts, zo, zodadelijk,
dadelijk (Lat.) – illico
dadelijk beschikbaar - paraat
dadelijk ter beschikking - gereed
dadelijk vereffenbaarheid - liquiditeit
dadelijk weer hervatten - riposteren
dadelijkheden - gevecht, handtastelijkheden, slagen
daden - facta, feiten, gebeurtenissen
daden en de akten daarvan - acta(Lat)
daden in opeenvolgende existenties – karma
dadendrang - ergotropie
daden ten teken van berouw - boetedoening
dader - bedrijver, delinquent, pleger, schuldige, uitvoerder,
zondaar
daderes - bedrijfster
dading - akkoord, beëindiging, bijlegging, regeling, schikking,
transactie, vergelijk
dag – ade, adi, adieu, aju, adio, bonjour, dageraad, daglicht,
etmaal, (ge)groet, goedendag, goodbye, saluut, tabee,
tijdseenheid, tijdperk, voegijzer
dag (Franse kalender) - decade, duodi, nonidi, octidi, primidi,
quartidi, quintidi, septidi, sextidi, tridi
dag aanduiding – datum, eergisteren, gister, gisteren, morgen,
overmorgen, vandaag
dag (13 of 15 van de maand) - idus(Rom.)
dagbericht - bulletin
dagblad -avondblad, blad, courant, gazet, Journal, krant,
morgenblad, morgeneditie, newspaper, nieuwsblad, orgaan,
periodiek, persorgaan
dagbladartikel - leader, asterisk, driestar,entrefilet, hoofdartikel
dagblad in Nederland - Algemeen Dagblad, De Volkskrant, De
Waarheid, Haagse Courant, Het Parool, Het Vaderland, Het Vrije
Volk, Handelsblad, N. R. C., Telegraaf, Trouw
dagbladpers - rotatiepers
dagbladschrijver – columnist, journalist, redacteur, reporter
dagbladwezen - pers, krantenwereld
dagblindheid - nyctalopie
dagbloem - haagwinde, purperwinde, tijgerlelie
dagboek - agenda, diarium, handboek, journaal, kladboek, krant,
koopmansboek, kroniek, logboek, manuaal, memorandum,
memoriaal, register
dagboek van een koning (oud hist.) - ephemerides
dagboekschrijver – diarist
dag dat vriespunt nadert - ijsdag
dag der vriendschap - Valentijnsdag
dag der wrake - bijltjesdag
dag des Heren - oordeelsdag
dagdief - doeniet, luiaard, luieren, luilak, leegloper, luiwammes,
-2lijntrekker, nietsdoener
dagdieven - leeglopen, lijntrekken, luieren, nietsdoen, verluieren
dagdienstbode - dagmeisje
dagdromer – fantast
dag en nacht - altijd, etmaal
dag en nachtevening - aequihoetium, equinox
dag gewijd aan de heilige wiens naam men draagt - naamdag
dag in het verleden – (eer)gisteren
dag van algemeen gebed - bededag, biddag, dankdag
dag van bezinning - gedenkdag
dag van bijeenkomst van kwartier- en groepsafgevaardigden kwartierdag
dag van de wereldbroederschap - St. Jorisdag (padvinders)
dag van het feestvieren - hartjesdag
dag van potverteren - teerdag
dag van toorn - dies, irae
dagelijks – alledag, daags, dag, geregeld, regelmatig, voortdurend
dagelijks bestuur - d.b.
dagelijks bestuur van een classis - moderamen
dagelijks brood - eten, voedsel
dagelijks gebruikt filtertje - theezeefje
dagelijks voedsel – brood, eten
dagelijks werk - dagtaak
dagelijkse drank – koffie, thee
dagelijkse gast - dagblad, krant, zon
dagelijkse lectuur – krant
dagelijkse pot – ordinaris
dagelijkse Turkse gebeden – namaz
dagement – dagvaarding, exploot, sommatie,
dag en nacht - altijd, etmaal
dag en nachtevening - equinox
dagen - aanbreken, gloren, dagvaarden, dag worden, ontbieden,
oproepen
dagen waarop recht wordt gesproken - sti
dager - eiser
dageraad - Aurora, begin, dag worden , krieken, morgenrood,
morgenschemering, morgenstond, ochtend, ochtendgloren,
ochtendkrieken, ochtendstond, voorbode
dageraadsgedicht - albe, aube
dageraad (Hebr.) - hasjsjachar
dag in het verleden - (eer)gisteren
dagge - dolk, ponjaard, pook, voegijzer
daggebed (R.K.) - none
daggelder - dagloner
daging - dagen, dagvaarding
dag gesternte - zon
daghelder - giorno
daghit - dagmeisje
daghuur - dagloon
daghuurders plaatsje - keuterboerderij, keuterij
dagijzer – dagge, ponjaard, voegijzer0
dag in, dag uit – contenue, voortdurend
dag in het verleden – (eer)gisteren
daging - dagen, dagvaarding
dagleerling - cursist, scholier
daglelie - haagwinde
daglicht - zonlicht
dagloner – arbeider, daggelder, koelie, los werkman
daglook - huislook
dagmaat –ammaat, deim(a)t
dagmars –dagtraject, etappe
dagmeisje – daghit, dienstbode, dienstmaagd, duizendpoot
dagorde - agenda
dagorder – afkondiging, bekendmaking, bevel
dagregister - dagboek, journaal, manuaal
dagreis - etappe
dagroofvogel – adelaar, arend, buizerd, gier, havik, kiekendief,
koningswouw, kuikendief, milaan, muizenvalk, wauw,
zwaluwstaart
dagschotel - plat du jour
dagslaper - geitenmelker, nachtzwaluw
dagster - morgenster, Orion, zon
dagtaak - arbeid, dagwerk, werk
dagtekenen – dateren, ontstaan
dagtekening - data, datering, datum, kalender
dagtekening van de werkelijke opstelling - antidatering
dagtoorts - zon
dagtraject - dagmars, etappe
daguil - sneeuwuil, sperweruil, steenuil
dagvaarden – citeren, dagen, indagen, oproepen,
dagvaardigen - intimeren, sommeren, uitnodigen
dagvaardiging – inspectie, libel
dagvaarding - aanzegging, akte, assignatie, citatie, dagement,
daging, deurwaardersakte, exploot, indaging, oproep, oproeping,
sommatie, vocatie,
dag van onheil - doemdag, ongeluksdag, pechdag
dag van toorn - dies, irae
dagverhaal - journaal
dagvlieg - eendagsvlieg, haft, oeveraas
dagvlinders - admiraal, argusvlinder, atalanta, blauwtje,
blauwneusje, citroenvlinder, citroenvlinder, dagpauwoog,
dikkopje, distelvlinder, heivlinder, hesoeridae, kapel,
knollenwitje, koninginnenpage, koningsmantel, koolwitje,
lycaenidae, non, nummervlinder, nymphalinae, oranjetipvlinder,
page, papillionidae, parelmoervlinder, pieridae, satyrinae,
schoenlapper, vuurvreter, witje, zandoogje
dag voor vandaag - gisteren
dagvorstin - zon
dagwaak - reveille, wektrommel
dag waarop geen beurs wordt gehouden - beursvacantie
dag waarop er mis is – misdag
dagwerk - arbeid, dagloner, dagtaak, dagwerker, landarbeider
dagwijdte - doorgangsruimte
dagwijzer - agenda, almanak, kalender
dag worden - dagen, dageraad, gloren, krieken
dagzitting - seance
dag- of nacht vóór een R.K. feestdag - vigilie
dagzijde van een muuropening - kantelaaf
dagzijde van een voorgevel – buitenkant
dahlia - knolgewas
dahliasoort - bizarre, deca, hart, pompette
Dahomey, bevolkingsgroep in - Adja, Aizo, Bariba, Fon,
Joroeba, Peuhl, Somba
Dahomey, haven in - Cotonou
Dahomey, hoofdstad van - Porto-Novo
Dahomey, stad in - Abomey, Kotonoe, Ouidah
Daidalos, schepping van - Labyrint
Daidalos, zoon van - Ikaros
daim - hertenleer
daimino (Jap.) - edelman, grootgrondbezitter
Dajak; s, activiteit van de - koppensnellen
dak - bedekking, beschutting, daklaag, dek, dekstuk, geveldak,
harddak, helmdak, kap, kerkdak, leidak, overdekking, pannendak,
puntdak, rietdak, strodak, tectum, tegmentum, tentdak, terrasdak,
torendak, weekdak, zaagdak, zodendak
dak boven denkvermogen - hersenkas, hersenpan, kruin,
schedeldak
dak van de middenhersenen - vierheuvelplaat
-3dak van de wereld - Pamir (gebergte)
dak van zeildoek - velum
dakbalk - bint, dwarsbal, hanenbalk, spant
dakbedekking – asfalt, atap(Ind.), beverstaart, daklei, dakpan,
deklei, eterniet, glas, glui, golfijzer, lei, lood, mastiek, net, pan,
plaatijzer, riet, sirap, stro, zink
dakbedekking voor schuren - golfplaat
dak, deel van een - bebording, beschieting, dakschild, dakvlak,
gebint, goot, gording, hoekkeper, kap, kil(leper), nok (lijn), panlat,
schotwerk, spant
dakdekker – pannelegger, rietdekker
dakgebint – hanenbalk, kapspant, spant
dakgoot - regenafvoer
dakhaas - kat, (lapjes)kat, poes
dakkamer - akkeneel, arkeneel, arkenijl, mansarde
dakkapel - arkel, dagvlinder, dakkoekoek, dakvenster, erker,
koekoek, zolderlicht
daklat – panlat
daklei - schalie
daklook - huislook
dakloze – bedelaar, clochard, thuisloze, zwerver
dakoverkoepeling - roef
dakoversteking - afdak
dakpan – tichel, vorstpan
dakpanstrowis - dok
dakraampje - koekoek
dakrand - goot, nok, vorst
dakrib van de binnenhoek van twee dakschilden - kielkeper
dakruiter - koepel
daksoort - lessenaarsdak, platdak, schilddak, sheddak, tentdak,
zaagdak, zadeldak
dakspan – beverstaart, hanenbalk, kapgebint, spantrib
dakspant - hanenbalk, kapgebint
dakspar - keper, spoor
daksteun - hanenbalk
dakstoel – kapspant
dakterras – daktuin
daktorentje – dakruiter, pinakel
dak van een huis - kap
dakvenster - abatjour, 11daklantaren, 7koekoek, koekuit, kijkuit,
lucarne, oeideboeuf (rond), vallicht
dakverblijf - terras
dakvorm - kegeldak, kruisdak, lessenaardak, mansardedak,
schilddak, sheddak, tentdak, torendak, wolfsdak, zaagdak,
zadeldak
dakvormige overkoepeling - roef
dal - aarde(fig.), canyon, canon, del, diepte, doline, inzinking,
ketel, keteldal, laagte, tranendal, vallei
dal bij Düsseldorf - Neanderdal
dal bij Jeruzalem - Gehenna
dal in een eertijds vergletsjerd gebied - trogdal
dal in een woestijngebied - aroyo wadi
dal in Israël – Zebulon
dal in Limburg - Geuldal, Maasdal
dal in oud-Griekenland - Nemea
dal in Thessalië - Tempe
dal in Zwitserland - Engadin
dalbergia – blackwood, rozehout
dalen - afkomen, afnemen, afzakken, belanden, landen, neergaan,
neerkomen, omlaaggaan, ondergaan, teruglopen, vallen,
verminderen, (weg)zakken, zinken,
dal bij Dusseldorf waarin een fossiel menselijk skelet werd
gevonden - Neanderdal
dalend – afgaand, neergaand
dalen in water - zinken
dalgedeelte waarover geen water meer stroomt - torso, terras
dal in de duinen - del, duinpan
dal in een eertijds vergletsjerd gebied - trogdal
dal in een woestijngebied - wadi, aroyo
dal in Limburg - Geuldal, Maasdal
dal in Thessalië - Tempe
dal in Zwitserland - Engadin
dal tussen de duinen – del
daling - afdaling, arsis, beweging, helling, regressie,
vermindering
daling (dichtk.) - thesis
daling van barometer - depressie
daling van de geldwaarde - inflatie
daling van koersen - baisse, krach
dalkruid - salomonszegel
dalles – armoe(de)
(alles of) dalles - niets
Dalmatisch zeeschip - liburne
Dalmatische eilanden, een van de 3 Krk, Pag, Rab, Vis
4 Brac, Cres, Hvar
5 Mjlet
7 Korcila, Lastovo
dalopvulling - aggradatie, alluvium
daltonisme - kleurenblindheid
dalven – bedelen, zwerven
dalver - zwerver
dalveren - bedelen, schooieren, slenteren, zwerven
dalvorm - canon, kloof, trogdal, vallei
dam - afsluiting, dijk, erf, grondgebied, keerdam, lee, penant,
plein, schijf (dambord), stuw, stuwdam, waterkering
dam in de richting van de loop van de rivier - strekdam
dam in zee - pier, golfbreker
dam met sleephelling - overtoom
dam of keerdam in vaarwater - stuw
dam om de stroom in een rivier te breken - krib, stroombreker
dam om de stroom van een rivier te leiden - krib
damar – hars
damast – tafellinnen
damastachtig linnen – grenadine
dambaas - schuurbaas, walschipper
dambezie - jeneverbes
dame - lady, madame, mevrouw, njonja, nonna, tafeldame, vrouw
dame die een der schone kunsten beoefent - kunstenares
dame die niet ten dans wordt gevraagd - muurbloem(pje)
dame du palais - hofdame
dame van gemengd bloed - (Ind..) nonna
dame op leeftijd - matrone
dame te paard - amazone, paardrijdster
dame van gemengd bloed - (Ind.) nonna
dame van verdachte zeden - del, hoer, lichtekooi, prostituee
dame (Indiase) van hoge rang - Begum
damesbaret - toque
damesblad - Eva, Libel, Libelle, Margriet, Opzij, Story, Viva
damesbloesje zonder mouwen - figaro
damesborstspeld - sevigne
damesdracht - Boa, japon, queue, rok, voile, zie ook
kledingstukken
dameshalsbont - boa
dameshalsdoekje - tissu
dameshalskraag - frees (geplooid), gorgerette
dameshandschoen - mitaine
dameshandwerk - breien
-4dameshoed - baret, chasseur, kapothoedje, matelot, toque
dameshoedje - kapje
dameshondje 4 Ruby
8 Blenheim, maltezer, pinscher
9 brabançon, chihuahua, dwergkees, pekingees
10 chichauhuam, pomoranian
11 dwergpoedel, leeuwhondje, schippertee
13 dwergépaneul, dwergpinscher, vlinderhondje
14 dwergschnauzer
damesjakje - bolero, figaro, spencer
damesjapon - robe
damesjas - mantel
dameskamer - boudoir
dameskapsel (zeker) - bergere
dameskapster - coiffeuse
dameskleding – beha, blouse, boa, japon, jurk, rok,slip, toilet
dameskleed - sak
dameskleermaakster - coupeuse
dameskostuum – mantelpak(je)
dameskous – nylon, panty
damesmantel, met bont afgezet - pellies
damesmantel, wijde - swagger
damesmanteltje - anorak, bolero, bontjas, mantiila (mouwloos),
paletot, topper
damesmodekleermaker - couturier
damesmutsje - paresseuse, toque
damesonderbroekje - slipje
damesondergoed – B.H., beha, bra, broek, chemise, dessous,
directoire, korset, lingerie, onderjurk, onderlijfje, panty, slip,
stepin
damespaard - hakkenei, telganger
damesparaplu – naaldparaplu, ombrelle, tompoes, (kort),
umbrella
damesparasol - ombrelle
damesschoen - flat, opank, pump
damesschoen met hoge hak - pump
damesschoudermantel - pelerine
damessluier - volle
damestasje - reticule
damestrui - jumper
damestrui met vest – twinset
damesvertrek - boudoir
dame te paard - amazone
damherten - dama
damhertleer - daim
damiaatjes - kerkklokjes
dam in het water - lee, stuw, waterkering
dam in zee – golfbreker, hoofd, strekdam, pier
dammaat - dagmaat, deimt
dammen - damspelen
dammer - damspeler
damp - mist, nevel, rook, smook, smoor, stoom, uitwaseming
vapeur(Fr), waas, walm, wasem
damp van zich geven - roken
dampafzuiger - wasemkap
dampbad – fumigatie, sauna, stoombad
dampbron - fumarole, (zwavel), mofette (koolzuur), solfatore
(zwavelwaterstof)
dampen - misten, roken, smoken, smoren, stomen, uitwasemen,
walmen, (uit)wasemen
dampig – dompig, dijzig, heiig, kortademig, mistig, nevelig,
vochtig, wasemig, wazig, zerig,
dampkap - afzuigkap
dampkring - atmosfeer, bovenlucht, ether, ionosfeer, luchtlaag,
lucht, luchtruim, luchtzee, sfeer, stratosfeer
dampkring, laag in de - exosfeer, ionosfeer, mesosfeer,
stratopauze, stratosfeer, thermosfeer, tropopauze, troposfeer
dampkring, samenstellend deel van de - argon, dadon, helium,
jodium, koolzuur, krypton, neon, ozon, stikstof, waterstof,
zuurstof
dampkringbeschrijving – aërografie
dampkringkunde - atmosferologie
damklank - vloedplank
dampost - post
dampvormig element - gas
damspel, onderdeel van het - bord, schijf
damspeler - dammer
damspelvariant – salta
damspiegel - penantspiegel
damsteen - damschijf
damstuk - bord dam, steen, schijf
damterm - bord, dam, damslag, meerslag, remise, ruit, schijf,
slaan, slag, steen, verlies, winst, zet
damwand – beschot, beschoeiing
dan - behalve, bovendien, daarbij, daarna, doch, echter,
eventueel, evenwel, immers, judograad, toch, verder, vervolgens,
voorts
Danaërs - Araiven
dancing – balzaal, dansgelegenheid, danszaal, nachtclub
dandy - fat, heertje, modegek, modejonker, pronker, saletjonker
danig - bar, deerlijk, degelijk, duchtig, ernstig, flink, erg, ernstig,
fel, flink, geducht, grondig, hevig, intiem, nogal, terdege,
vertrouwelijk, zeer
dank - erkentelijkheid, erkentenis, neiging, waardering, zin
dank betuigen - danken
dankbaar - erkentelijk, lonend, verplicht
dankbaar gestemd - erkentelijk
dankbaar voor diensten - erkentelijk
dankbaarheid - erkentelijkheid
dankbetuigen - bedanken, danken, dankzeggen
danken - bedanken, bidden, dankbetuigen, dankzeggen
dankgebed - dankzegging, gratias
dankhymne - tedeum
dank je - bedankt, merci
danklied - Te Deum, hymne, lofzang, paean
dankmaaltijd - slamatan
dankstond - bidstond, dankdag
dankzeggen – danken, bedanken
dankzegging - dankbetuiging
dans –
3 bop, fox, gig, hay, jig, oek, ole, rag, rei, son, tap, yop,
4 baya, blue, cura, duda, giba, giga, horo, hula, jara, Java,
jazz, jigg, jive, jota, kolo,lego, loer, mars, otla, piva, polo,
raks, reel, rock, siva, slow, solo, step, susa, wals,
5 ballo, bamba, banda, bayon, bebop, berra, blues, chica, choro,
conga, creep, danza, doeda, folia, friss, gedra,galop, gigue,
glide, gopak, hambo, hoela, horra, jaleo, jazza, koevi, kolle,
laska, lassu, loure, mambo, polka, queco, raspa, ratza, raymi,
rinka, rueda, rumba, samba, soesa, tango, toffa, trata, twist,
valse, volta, waltz, winti, zamba, bolero, cancan, menuet,
6 agoera, apsara, ballet, ballos, basque, bedaja, bocane, boelka,
bolero, boogie, boston, branle, branlo, bagaku, calata, cancan,
carola, carole, chahut, chaine, chakra, chassé, choroi, choros,
danzon, double, dreher, ductia, esomb, ezpata, ganger,
gitana, govert, honkie, horra(h), kagura, kanoen, kathin,
ketana, kindia, kordax, kouyou, kukari, landia, lassan, lekuri,
letkis, maxixe, menari, menuet, pavane, polska, radowa,
-5rhumba, righil, romeca, shimmy, srimpi, syrtos, talian, talion,
tamuré, tandak, tendak, tirana, toemba, topeng, trepak, trezza,
triori, tro'ika, tabuan, valeta, veleta, wajang, walzer, wireng
7 anthema, aparima, baborak, ballato, beguine, berline, bourrée,
boutade, cachuca, calypso, cidaris, coranta, csardas, czardas,
denjola, estampa, farucca, fondaga, forlana, forlane, foxtrot,
furiana, furiant, furioso, furiana, galoppe, gavotte, geranos,
gidaris, golubez, hofdans, kagoera, lancers, landler, larengo,
lekveri, macaber, madison, masurek, mazurka, mechola,
milonga, moresca, moreske, muneira, musette, norgali,
obertas, paduana,paduane, palotas, ragtime, redoute,
regdowa, reidans, rigodon, romaika, rondena, rondeel,
sardana, slowfox, soraica, strasak, syncopa, szardas, tapdans,
tedesca, teskoto, toembra, tordion, zoronga
8 aggarao, alegrias, balinese, bamboela, bayadans, bergerie,
berjozka, bernoise, boegakoe, bretagne, buikdans, cachucha,
cakewalk, correnta, corrente, cosaccia, cotillon, courante,
cyklopea, doekdoek, dolkdans, eierdans, elegante, estampie,
fandango, flamengo, galadans, galopade, habanera, horlepijp,
hornpipe, houssard, hulahula, hussarde, kotillon, kujawiak,
kulikuta, lanciers, menuette, meringue, menuetto, moresque,
morisque, munneira, murciana, olivette, paardans, padovona,
perkoell, pertsuli, polianka, polkafox, rigaudon, ringdans,
rutscher, rijendans, saltatio, saraband, sardanes, slowstep,
soleares, solodans, spaguola, springar, stapdans, stepdans,
stijldans, swingfox, tapdance, tourdion, tsamikos, tsardasj,
tuindans, valsette, vararisj, vingaker, vuurdans, walsstep,
zarandea, zortzico
9 allemande, arabesque, bossanova, caballero, cameltrot,
cha-cha-cha, cramignon, doublefox, ecossaise, elfendans,
esmeralda, espagnole, farandole, francaise, gagliarde,
gaillarde, gallegada, galoppada, godendans, guimbarde,
hongroise, houssarde, hulladans, jitterbug, kringdans,
krijgsdans, lentedans, madrilena, malaguena, maroesjka,
marspolka, matachins, matelotte, mommedans, monferina,
naaktdans, offerdans, oogstdans, panaderos, pasadoble,
passepied, pauwedans, perchoeli, polonaise, quadrille,
quickstep, rasputana, romaneske, rondedans, sabotiere,
salondans, sarabande, schibwani, scottisch, sevillana, siciliana,
siciliano, skatpolka, spagnuola, spitsdans, stagdance
tampdans,stantipes, steltdans, tafeldans, tandakken, tarantula,
vilanella, vitusdans, volksdans, waltzstep, wapendans,
zarabanda, zarabande
10 balletdans, baskendans, baydatoeri, bergamasca, bergerette,
bassarabka, boerendans, boogywoogy, bostonwals,
bruidsdans, carmagnole, charleston, dardanella, driekusman,
espringzal, espungerie, fakkeldans, farandolle, figuurdans,
galicienne, geishadans, gewijdedans, gillisdans, gitanerius,
granadinos, heksendans, hindoedans, hoelahoela, hoepeldans,
hokeypokey, honkietonk, hullygully, huppeldans, kafferdans,
karoledans, knekeldans, kruispolka, markerdans, maskerdans,
mocancoutz, moorsedans, morrisdans, nimfendans, menlange,
passacaile, passamezzo, pauwendans, polonaises, poolsedans,
regdowaika, sanghyang, saroegakoe, sauterelle, seguidilla,
sicilienne, spokendans, springdans, straatdans, stranddans,
tarantella, tarantelle, tempeldans, tlrolienne, toneeldans,
tyrolienne, valselente, villanella, vossendans, waaierdans,
wajangdans, wandeldans, wienerwals, wisseldans, wisselwals,
zapateados, zwaarddans
zie ook gezelschapsdans
dans bij de wijnoogst - epilenios
dans, Braziliaanse - mattchine, maxixe
dans, Caribische - calypso
dans, Poolse - krakoviak, mazurka
dans, Tsjechische - polka, redowa
dansant (Fr.) - dansend
dansavond - soirée
dansavondje aan huis - sauterie
dansen – huppelen, swingen, twisten, walsen,zwieren
dansend bewegen - dribbelen
dansend naderen - aandansen
dansen in de openlucht - reien
dansen in de paartijd - balderen
dansen van dieren - balderen
danser - ballerino, danseur, twister
danseres - ballerina
danseur - danser
danseuse - (beroeps)danseres
dansfeest - bal
dansgelegenheid – balzaal, dancing, danszaal, disco(theek)
dansgenoot – partner
danshuis - alcazar, danslokaal
dansinrichting - dancing, dansschool
dansinstituut - balletschool
dansklepper - castagnet
danskunst - ballet
danslied - ballade, ballata, estampida
danslokaal - dancing, danstent
dansmeester ( Zuid-Ned.) - fat, pronk
dansmeisje - ballerina, danseres, geisha
dansmeisje op Bali – legongs
dansmelodie - wals
dansmuziek - ragtime
dansontwerp - bozzetta
dans op schaatsen - ijsdans
dansorkest - band
danspartij - bal, soirée
danspartner - danseur
danspas - broise, cabriole, chat(te), coupé, glijpas, glissade, step
dansrokje - tutu
dansschoen - balschoen
dansschool - dansinstituut
danstent – dancing, disco,
dansvloer – plankier
dansvoorstelling - ballet, dansdemonstratie, dansvoorstelling
demonstratie
danswoede - Sint-Veitsdans, Sint- Vitusdans, tarantisme
danszaal - balroom, balzaal, dancing
Dante’s dochter - Antonia
Dante's geboorteplaats - Florence
Dante's geliefde – Beatrice
Dante's leermeester - Giotto
Dante's rustplaats - Ravenna
Dante's vrouw - Gemma
Dante's werk - Conzaniere, Commedia, Convivio, Rime
Dante's zoon - Jacopo, Piero
Danzig - Gdansk
dapper - bluf, boud, braaf, branie, courageus, driest, drukte,
ferm, fier, flinkheid, funk, geducht, heldhaftig, heroïek, kloek,
kloekmoedig, koelbloedig, koen, kordaat, kranig, krijgshaftig,
manhaftig, (man)moedlg, mannelijk, onbeducht, onbevreesd,
ondernemend, onversaagd, onverschrokken, onverschrokkenheid
onvervaard, parmantig, resoluut, stoer, stout(moedig), terdege,
trots, vermetel, vrijmoedig, wakker
dapperheid - courage, onversaagdheid
dapper krijgsman - held
dapper man – held, zeeheld
dapper en stoer - flink
dapperheid - bravoer, bravoure, courage, flinkheid, heroïsme,
-6kloekheid, koenheid, kordaatheid, kranigheid, lef, manhaftigheid,
moed, moedigheid, onversaagdheid, onverschrokkenheid prouesse
dapper strijder – geloofsheld, Gideon, held, ijzervreter
dappere daad – heldendaad, prouesse
dappere ridder (Gr.) - Amadis(Sp.), Paladijn
dappere vrouw – amazone, kenau, heldin
dapperste held van Troje - Ajax
dar – bij, mannetjesbij, werkbij
Dardanellen - Hellespont
darg - veengrond
darm - colon, enteron, duodenum, ingewand, rectum,
spijsverteringskanaal
darm met vlees en kruiden gevuld - rolpens
darmaandoening - colitis, darmbloeding, diarree, enteritis
darmaanhangsel - appendix, blindedarm
darmafsluiting – ileus
darmbacterie - colibacil
darmbacteriën - darmflora
darmcatarre - enteritis, darmontsteking
darmgas – flatus, wind
darminspuiting - klysma, lavement
darmjicht - ileus, koliek, miserere
darmkramp - darmvernauwing, koliek
darmkronkel - darmkink, darmknelling, ileus, miserere, volvulus
darmlymfe – chylus
darmnet - darmvlies
darmontsteking - buikloop, darmcatarre, dysenterie, enteritis
darmparasiet - lintworm
darmpek - meconium
darmpijn - koliek
darmscheil – mesenterium
darmslijmvliesontsteking – dysenterie, enteritis
darmspoeling - clysma, klisteer, lavement
darmspuiting – lavement
darmsteen - dreksteen
darmvlies - scheil
darmvliesontsteking - catarrhe, enteritis
darmwindzucht - meteorisme
darmziekte - appendicitis, buikloop dysenterie
darren - dolen, rondlopen, sarren, tarten, wachten, zeuren,
zwerven
dartel - beweeglijk, druk, flink, hups, jolig, kalverachtig, kras,
kregel, kriel, lascief, levendig, levenslustig, licentieus, loszinnig,
monter, ongebonden, opgeruimd, opgewekt, overmoedig, petulant,
sexy, speels, springerig, stoeiziek, tierig, uitgelaten, vrolijk,
weelderig, welig, wellustig, wierig, woelig, wuft, wulps
dartel hondje - snoopy
dartel kind - veulen
dartel stoeien - mallen
dartelen - huppelen, ronddansen, rondspringen, spotlust, springen,
stoeien
dartelheid - joligheid, lasciviteit, levendigheid, opgeruimdheid,
petulantie, speelsheid, spotlust, uitgelatenheid, wulpsheid
darwinisme - afstammingsleer
das - cache-nez, (Eng tie), foulard, halsdoek, hondensoort,
roofdier, shawl, sjaal, strikje, stropdas, vlinderdasje, zelfbinder
das uit Reinaert epos - Grimbert
dasein - bestaan, existentie
dashboard - instrumentenbord
dashond - taks, teckel, terriër
dashouder - dasspeld
dassensoort - ratel, teledoe
dasymeter - luchtdichtheidsmeter
dat - zoiets, zulks
dat (Lat.) – hoc
dat beduidt - h.e.
dat betrekken - pertineren
dat woord - av
dat zij zo - amen, soit, waarbij
data - datums, feiten, gegevens
dateren - dagtekenen
datering – dagtekening,
datgene – hetgeen
datgene waarin iets rust (mast, vlaggestok) - stoel
datgene wat - hetgeen
dat is - d.i.,i.e.
dat is te dol – absurd, bespottelijk, gek, dwaas, onzinnig
datje - aanmerking
dato - heden, nu, vandaag
datum - dagtekening, dat, tijdstip
datumboek – agenda, almanak
datum van geboorte - geboortedatum, geboortedag, verjaardag
datum van kroning - kroningsdag
datum van sterven - sterfdag
datum van trouwen - trouwdag
datum van verjaren - verjaardag
datum van vertrek - vertrekdag
datumwijzer - kalender
dat waar iemand bijzonder in is - fort
dat waarmee een levend wezen wordt aangeduid - naam
dat wat een mens doet handelen - reden
dat is te zeggen - althans
dat zij zo - amen
dauphin - kroonprins
dauphine - kroonprinses
dauw - mist, mistaanslag, morgennevel, neerslag, nevel,
ochtendnevel, rijm, rijp, stoom, waterdamp
dauwachtige bedekking - waas
dauwbloempje - drosera
dauwdruppel - parel
dauwel - doetje, slome, sufferd, treuzel
dauwelen - aarzelen, stoeien, treuzelen
dauwig – mistig
dauwmeter - drosometer, drososcoop
dauwnetel - hennepnetel
dauwpier - regenworm
dauwworm - eczeem, gezichtsuitslag, regenworm
daver - schok, schudding, trilling
daveren - bulderen, denderen, drenzen, dreunen, schudden,
trillen
daverend – dreunend, eclatant, prachtig
daverende grap – dijenkletser
davering - dreuning, schudding
daviaan – mijnlamp, veiligheidslamp
dazen - bazelen, doordrammen, doorpraten, kletsen, leuteren,
uitstaan, ijlen, zotteklap, zwammen, zwetsen
dazig – onnozel
de aal vissen - aalachtig
de aalsteek hebben - aalsteek
de aan de pot vastzittende korst - aanbrandsel
de aandacht spannend – boeiend
de aandacht trekken – opvallen
de aandacht trekkend voorwerp - blikvanger
de aandacht vestigen - afleiden, bezighouden, boeien, storen,
trekken, vermoeien
de aandacht vestigen op - aanduiden, betonen, releveren,
signaleren
de aangedijkte gronden - aandijking
-7de aanwezige mensen – publiek
de aanwezigheid tonen - aantonen
de aanzienlijksten - eersten, upperten
de aard van een element - elementair
de aard van iets - begrijpen
de aard van vuur - vurig
de aarde – bol, globe
de aarde - bol
de aardkorst - litosfeer
de adel – adeldom, edelen
de adelstand - edelen
de adem toeblazen - aanademen
deadline – tijdslimiet
deadwight (Eng.) – draagvermogen
de afbeelding van een dier – totem
de afloop van een zaak - uiteinde
de afwas – vaat
deal – overeenkomst, transactie
dealen - handelen
dealer - agent, agentschap, filiaalhouder,vertegenwoordiger
de algehele inzet – pot
de allerliefste – minnaar
de allernieuwste mode - dernier
de alleroudste tijd – oertijd
de alles schenkende - Pandora
de alpen betreffende - alpine
de andere kant - keerzijde, overkant, overzijde
de andere kant op – andersom
de andere mogelijkheid - alternatief
de andere van twee mogelijkheden - alternatief
de atomen betreffende - atomair
de baas over iemand zijn - bazen
de baas spelen – bazen, heersen, overheersen, tiranniseren
de baas spelende – bazig
de baas willen spelen - bazig
de baas worden - overweldigen
debacle – fiasco, ineenstorting, mislukking, ondergang, ramp, sof,
val
debacle van de bank - krach
de balans opmaken – afwegen, overegen
de bal trappen – schieten
de bal is out - af, uit
debarkatie - ontscheping, landing
debarkement - discussie, polemiek, redetwist
debarkeren - ontschepen
debat - discussie, dispuut, gedachtewisseling, redekaveling,
redetwist, woordenwisseling
debatteren - discussiëren, polemiseren, redetwisten, twisten
debauche (Fr.) - uitspatting, losbandigheid
de bedoeling uitleggen - verklaren
de beest uithangen - klieren
de begane grond – aarde, b.g.
de beginselen betreffende - dementair, elementair, principieel
de beheerser der onderwereld - Hades
de bekwaamste kan falen - struikelen
de belastingheffing betreffende - fiscaal
de berg der wetgeving - Sinaï
de benen nemen – vluchten
de beroemdste stad der oudheid - Rome
de beste worden behandeld - her
de betekenis van iets - begrijpen
debet - tegoed, schuld(ig), verschuldigd
de betrekkelijke zwaarte der stoffen - s.g.
de beweging van iets - remmen, tegenwerken
de bewoners van en land – bevolking, volk
de bewijsgronden doen zien - aantonen
debiel - achterlijk, sloom, zwakzinnig
debiel kind - mongooltje
debiet - afzet, opbrengst, productie, watervoering
de bijzonderheden - finesse
debitant - slijter, verkoper
debiteren - opdissen, verkopen, vertellen
debiteur – schuldenaar
de blaasbalg bewegen - treden
de blinde god der duisternis - Hodur
de bloemengodin - flora
deblokkeren - ontzetten, opheffen, vrijgeven, vrijmaken
de bodes der goden - Hermes, Iris, Mercurius
de boeg richten naar – aanboegen
de bons geven - afdanken, ontslaan
de boogwijze van een opstaande dakschildrand - aandak
de borst betreffend - pectoraal
de boze - duivel
de brassen aanhalen - aanbrassen
debrayeren - ontkoppelen
de breedte van een hand – handbreed
de buik betreffend - abdominaal
de buik van de vis opensnijden en reinigen - wammen
de buitenlijn - deci, decla, decor, omtrek
debutant - beginneling, eersteling, nieuweling
debuteren - beginnen
debuut - intrede
deca - tienmaal
decaan – deken
decade - tiental
decadent - blasé, gedegenereerd, krachteloos, ontaard, passief,
verworden, willoos, wuft
decadentie - achteruitgang, inzinking, ontaarding, passiviteit,
verval, willoosheid
decaliter - dl.
decameter - dam
decamperen - afbreken, opbreken, vertrekken
decanaat - gebied, waardigheid
decanteren - afgieten, klaren
decastére - das, (10m3)
december - wintermaand
decemvir - tienman
decent - betamelijkheid, eerbaarheid, fatsoenlijk, keurig, kuis,
net, netjes, welgemanierdheid, welvoeglijk, zedig
decente - schouwing, plaatsopneming
decentie - betamelijkheid, fatsoen, eerbaarheid,
welgemanierdheid,
welvoeglijkheid
decentralisatie - (ver)spreiding
deceptie - ontgoocheling, stelling, tegenvaller, teleurstelling
decharge - kwijting, ontheffing, opheffing, vrijspreking
dechargeren - ontheffen, ontlasten, vrijspreken
deci - tiende
decibel - d. b
decideren - beslissen, besluiten, ombrengen, vaststellen
decigram - d. g., borrel, korrel
deciliter – d.l., maatje
decimaal – tiendelig, tientallig
decimaalteken – komma, punt
decimale breuk van een logarithme - mantisse
decimeren - ombrengen, uitdunnen, verminderen
decimeter - d. m.
decisie - beslissing, besluit, uitspraak
-8decisief - afdoend, beslissend, stellig
declamatie – ontboezeming, voordracht
declamator - voordrachtskunstenaar, voordrager
declamatorische zang - recitatief
declameren – opzeggen, reciteren, voordragen
declaratie - aangifte, cedel, ceel, (liefdes)verklaring, opgave,
rekening
declareren - aangeven, opgeven
declasseren - diskwalificeren, schrappen
declassering - verval
declinatie - afwijking, afwijzing, verbuiging
declineren - afwijken, afwijzen, kleineren, verbuigen
decoderen - ontcijferen
decor – achtergrond, background, coulise, omgeving,
toneeluitrusting, versiering
decorateur - stoffeerder, toneelbouwer, toneelontwerper,
toneelschilder
decoratie – lintje, onderscheidingsteken, ordeteken, versiering
decoratie in België - oorlogskruis
decoratie in Engeland - V.C. (Victoria Cross), M.B.E. (Member
of the British Empire)
decoratie in Frankrijk - M. M. (Mëdaille
Militaire), L. d. H. (Legion d'Honneur)
decoratie in Nederland - M. W. 0. (Militaire Willemsorde)
decoratie in de U.S.A. - D. S. C. (Distinquished Service Cross)
decoratief - versierend
decoratietechniek - barbotine
decoratieve versiering - ornament
decorateur - toneelbouwer, toneelschilder, toneelontwerper
decoreren – beschilderen, edelen, eren, opsieren, verlenen,
versieren
decorum - stijl, waardigheid, welvoeglijkheid
decoupage – verknipping
de courante maat hebbend - maats
decreet – afkondiging, besluit, bevel, edict, irade, oekaze, ukase,
raadsbesluit, verordening
decreet van een sultan - irade
decrepiditeit - ouderdomszwakte
decrescendo - afnemend, verminderend
decreteren - afkondigen, besluiten, uitvaardigen, verordenen
de dag na heden – morgen
de daad van aandrijven - aandrijving
de daad van aanvaarden – aanvaarding
de daad van het kiezen - keus
de daad van het lenen – lening
de daad volvoeren – begaan
de dageraad - krieken
de dag van heden - nu, vandaag
de dag breekt aan - aanbreken
de dag hierna – morgen
de dag te voren - daags
de dag voor heden – gisteren
dedaigneus (Fr.) - geringschattend, minachtend, vernederend
dedain - minachting
de dans ontspringen – vluchten
de dato - d.d., gedagtekend
deder – huttentut
de derde innemend - tertiair
de derde toon van de grondtoon af - terts
de derde troef - basta
de deugdzaamste kan falen - struikelen
de deur uit – weg
de deur uitgaan - gat
dedicatie - opdracht, toewijding
de diepte bepalen – peilen
de diepte meten - peilen
de diepte opnemen - peilen
de diepte van een schip - holte
de diepte van een wonde onderzoeken - sonderen
de diepzee betreffend - abyssaal, pelagisch
de doop toedienend – dopen
de drie schikgodinnen – nornen
de drie schone gezellinnen van Venus - gratiën
deduceren - afleiden, beslissen, besluiten, concluderen
deductie - afleiding, conclusie
deductief - afleidend, besluitend, concluderend
de dunk hebben - menen
de edelen - adeldom
de een of ander – iemand
de dunk hebben - menen
de eerste beginselen betreffende - elementair
de eerste catamanke - zondeval
de eerste grondslag bevattende - elementair
de eerste halswervel - atlas
de eerste industriestad in Japan - Osaka
de eerste mens – Adam
de eerste minister - kanselier
de eerste moeder – Eva
de eerste plaats innemend - primair
de eerste stappen - initiatief
de eerste vlieger – Ivarus
de eerste zijn – primeren
de eetlust opwekkend - deegknijper, deegroller
de eigendom aan iemand ontnemen - onteigenen
de eigenlijke bevruchting - impregnatie
de eigenlijke kuil - aatje
de eilanden betreffende - insulair
de engere zin van de literatuur- letteren
de Franse Republiek - Mananne
de facto - feitelijk, werkelijk
de fraaie letteren beminnend - letterlievend
de Germaanse goden - Asen
de geboorte betreffende - nataal
de geest betreffende - mentaal
de geest bezig houdend - boeiend
de geestigheid van een zet - pointe
de geestigheid van het nieuwe in de maatschappij modernisme
de gehele aarde - oecumene
de geluksgodin - geluk, fortuin, vermogen, voorspoed
de gemene bolderik - bolder, bolderd
de gemiddelde ontwikkeling - trend
de genadeslag geven - nekken
de genadeslag toe brengen - nekken
de gesteldheid opnemen - verkennen
de getakte horens van een hert - gewei
de gewone ezel - steenezel
de gewoonte hebben - plegen
de gezamenlijke afwas - vaat
de gezamenlijke bedienden - personeel
de gezamenlijke bloedverwanten – aanverwanten, familie,
maagschap,
de gezamenlijke burgerij - gemeente
de gezamenlijke dieren - gedierte
de gezamenlijke diersoorten - fauna
de gezamenlijke edellieden - adel, adeldom, adelstand,
nobiliteit,
noblesse
-9de gezamenlijke hoeveelheid - alles
de gezamenlijke inwoners - volk
de gezamenlijke inzet - pot
de gezamenlijke journalisten - pers
de gezamenlijke klanten - klandizie, cliëntèle,
de gezamenlijke liefdegevoelens - erotiek
de gezamenlijke ministers - kabinet
de gezamenlijke musici - orkest
de gezamenlijke plantensoorten - flora
de gezamenlijke pot - inzet
de gezamenlijke redacteuren - redactie
de gezamenlijke sterren - gesternte
de gezamenlijke strijdkrachten en middelen - weermacht
de gezamenlijke verwanten – sibbe
de gezamenlijke werknemers - personeel
d e gezondheid betreffende - sanitair
d e glans temperen - matteren
de goede geesten des huizes - penaten
d e goede naam aantastend - faamrovend
d e goede vorm geven - fatsoeneren
de goede vormen - etikette, etiquette
de graad betreffende - gradueel
de graankorrels uit de aren slaan - dorsen
de groeikracht der haren - haargroei
de grondbeginselen betreffend - elementair, fundamenteel
de grondbeginselen omvattend - elementair
de grondslag betreffende - dogmatisch, elementair, fundamenteel
principieel
de grondslag leggen - baseren, funderen, grondvesten stichten
de grondslagen omvattende - elementair
de grondwet betreffende - grondwettelijk, statutair,
de grootste der oorrobben - zeeleeuw
de grootste intensiteit bereikend - uiterst
de grootste waarde - maximum
de grote hoop - gros
de grote massa - menigte
de grote wereld - monde, society
de halzen der zeilen losgooien - opsteken
de halzen of hals uitrekken - reikhalzen
de hand geven - reiken
de hand naar iets uitstrekken - reiken
de handel betreffend - commercieel
de handel betreffende - zakelijk
de handeling van trekken - haal
de handen verzorgen - manicuren
de heffe des volks - janhagel
de Heiland - Joel
de heilige bloem der boeddhisten - lotus
de heilige maagd - madonna
de heilige schrift - bijbel
de heilige schrift der moslims - koran
de Heilige stad - Jeruzalem, Rome
de hele boel - santenkraam
de hele rommel - santenkraam
de hele stad betreffende - stedelijk
de helft - dimidium
de hemel - sfeer
de hemelse Vader - Alvader
de hemelsfeer - kreits
de heren - hh
de hoeveelheid hebben van - bedragen
de Hondsster - Sirius
de hoofdpunten - principaal
de hoogste kringen - society, 8upperten
de horens omhoog richten - opsteken
de huig betreffende - uvulaar
de indeling der verzen - versmaat
de inhoud van spuitbussen - aërosol
de inslagdraden verwijderen – kerven
de Javaanse boer – kromo
de jongere - jr., junior, minor
de juiste wijze van zich in het Latijn uit te drukken - latiniteit
de juistheid vaststellen - verifiëren
de jure - rechtens
de kaken - kakement
de keel afsnijden - egorgeren
de keel betreffend - gutturaal
de keel klokkend spoelen - gorgelen
de keel toe snoeren - wurgen
de keerkringen - tropen
de kerk - ecclesia
de kern - quintessens
de klankladder zingen – solfegiëren, solmiseren
de kleur niet bijspelen - renonceren
de kleuren van de regenboog - iriseren vertonen
de knop aan horloge - remontoir
de koersen wegen tegen elkaar op - pari
de koningin der goden - Hera
de koof van een oxaal - lampet
de kroningsstad der oude Franse koningen - Reims
de kunst om de volksmassa te leiden - demagogie
de kunst van waarzeggen - mantiek
de kusten van Klein-Azië - Levant
de laatste der maand - ultimo
de landingsplaats van Noach - Ararat
de leer der welsprekendheid - retorica
de leer van Mohammed - islam
de lendenen betreffende - lumbaal
de letter Y - igreg
de letters in volgorde noemen - spellen
de levenloze delfstoffen - levenloos
de levering van benodigdheden - aanbesteden
de lezer heil - l.s.
de lichtste kleur - wit
de lier draaien - lieren
de lieveling van Venus - Adonis
de literatuur - letteren
de loop der dingen - legertros, loop, train
de maan - luna
de maand der grote vasten van de islam - ramadan
de maangodin - Diana, Luna, Selene
de maat - versmaat
de maat te boven gaande - overmatig
de macht hebben - vermogen
de made van de langbenige mug - hamel
de man die kolen in de machinekamer brengt - tremmer
de mantel uitvegen - afstraffen
de massa - volk
de mast van een vaartuig neer leggen - reggen
de meerderheid - gros
de meester spelen over - beheersen
de melk van de room ontdoen - romen
de mensen - men, publiek
de mensenwereld - mensenmaatschappij
de mindere blijken - verliezen
de mindere schepelingen - janhagel
de minister van defensie - ai
de moed benemen - ontmoedigen, terneerslaan
-10de moed hebben - durven
de moed verliezen - versagen
de moeite waard zijn - lonen
de mogelijkheid om bewustheid te krijgen van de gelijkheid kenvermogen
de mond - gat
de mond betreffende - oraal
de mond roeren - kletsen
de mond samentrekkende - wrang
de mond wijd openen - gapen
de naam betreffende - nominaal
de naam noemen - vernoemen
de naam van een bezoeker melden - aandienen
de nacht doorbrengen - overnachten
de nadruk leggen op - accentueren, betonen
de nagels verzorgen - manicuren
de natie betreffend - nationaal
de nationaliteit ontnemen – denationaliseren, denaturaliseren
de negende toontrap - none
de nek omdraaien - nekken
de nekslag geven - nekken
de nodige kennis bijbrengen - inlichten
de nodige straf toedienen - afstraffen
de nodige volmacht geven - machtigen
de nijverheid betreffende - industrieel
de ogen gebruiken - kijken
de omgekeerde dactylus - anapest
de omgeving waar in een mens leeft - milieu
de onbekende - anonymus, n.n., vreemde
de ondergang nabij - rand
de onderwereld - hades, hel
de ongehuwde staat - agamie
de ontbrekende kleur - renonce
de oogst binnen halen - oogsten
de oorspronkelijke mens - oermens
de oorzaak zijn van - veroorzaken
de Oostlndische archipel - Insulinde
de openbare mening - men, opinie
de opgooi verrichten - tossen
de oppergod - Odin, Wodan
de oppergod van de antieke Grieken - Zeus
de oppergod van Rome - Jupiter
de oratorianen - oratorium
de oren spitsen - opsteken
de ouderdom - levensavond
de oudere - nestor, senior sr.
de oudste - nestor
de oudste der Griekse koningen voor Troje - 6Nestor
de oudste der Titanen - Oceanus, pr, sr,
de overheid - gezag, magistraat
de partij der Hohenstaufen - Ghibellijnen
de partij gewonnen geven - abandonneren
de persoonlijkheid vaststellen van - identificeren
de planeet Venus - avondster, morgenster
de pool betreffende - polair
de poolster - tramontane
de prik- of negenoog - lamprei
de proef op de som nemen - beproeven, experimenteren, testen
de raas langsscheeps richten - aanbrassen
de rechtbank - balie
de redactie voeren - redigeren
de regels betreffende - reglementair
de rekening vereffenen - afrekenen
de ritus betreffende – ritueel
de rug betreffende - dorsaal
de rust herstellen - pacificeren
de Schepper – God
de schikgodinnen - Nornen
de schoonheid benadelen - ontsieren
de schuine rand van een gevel – aandak
de slag bij Kortrijk - guldensporenslag
de slang uit het bijbelverhaal - paradijsslang
de Spaanse vloot van 1588 - Armada
de spieren soepel maken - masseren
de staat van man en vrouw die ongehuwd zijn en samenleven
agamie
de stangen van het eerste jaar - spies
de stem betreffende - vocaal, vokaal
de stem ten opzichte van klank en toon - orgaan
de sterren betreffende - astraal, sideraal, stellair
de sterrenkunde betreffende - astronomisch
de Stille Zuidzee - Pacific
de straf betreffende - penaal
de tanden ergens inzetten - bijten
de tarra vaststellen - tarreren
de tastzin betreffende - haptisch
de te volgen weg - route
de techniek van het etsen - etstechniek
de tegenstelling uitdrukkend - tegenstellend
de tegenstoot toebrengen - riposteren
de telgang gaan - tellen
de teugels aandoen - tomen
de titel en het ambt van imam - imamaat
de toehoorders - gehoor
de toepassing van de telefoon - telefonie
de toon aangeven - intoneren
de toon betreffende - tonaal
de toon plaatsen op - betonen
de toonkunst betreffende - filharmonisch
de toonsoort betreffend - tonaal
de top afsnijden - knotten
de toss verrichten - tossen
de trom slaan - trommelen
de tucht betreffende - disciplinair
de tuin bearbeiden - tuinieren
de tweede plaats innemend - secundair
de tijd die nog komen moet - toekomst
de tijd doorbrengen - verdoen
de tijd opmeten van - timen
de tijd snelt - hora
de tijd van de vroege morgen - morgenstond
de tijd verbeuzelen - lanteren, leeglopen, rondslenteren
de uiterste waarde - extrenum
de uitgekeerde som - uitkering
de uitvoering van werk - aanbesteden
de Vlaamse omroep - NIR
de verdediging voeren - pleiten
de vereiste kleren dragend - gekleed
de vereiste sterkte hebbend - voltallig
de veren uittrekken - plukken
de verspinbare vezels van de abelmos - abelmoshennep
de vervaltijd later stellen - renoveren
de verzorging - oppas
de verzorging van handen en nagels - manicure
de vier weken voor Kerstmis - Advent
de vijf boeken van Mozes - Pentateuch
de vijftiende dag van de maand maart - idus
de vijftig dochters van Danaus - Danaiden
-11de vlucht van Mohammed - hegira
de voeten krachtig neerzetten - treden
de voeten naslepen - slepend
de voeten verplaatsen - treden
de voeten zetten op - betreden, trede, treden
d e volkenbond – SN
de volksaard ontnemen - denationaliseren
de voltooiing nabij - vergevorderd
de voorgestelde wijziging - amendement
de voorkeur geven aan – prefereren, verkiezen
de voorkeur gevend aan - liever
de voorkeur verdienend - preferabel
de voorname families van een land - aristocratie
de voorraad open maken - aanbreken
de voorrang hebben - voorgaan
de voorrang hebbende - prevalent, primeren
de vorm betreffende - formeel
de vormverandering weergeven - vervoegen
de vorst is niet fel meer - gat
de vrede herstellen - verzoenen
de vrome uithangen - femelen
de vrijheid belemmeren van - knevelen, vastbinden
de vrijheid hebben - mogen
de vrijheid hergeven - invrijheidstelling
de vrijmetselarij betreffende - maconniek
de waarde bepalen - waarderen
de waarde beseffen - kennen
de waarde hebben van - betekenen
de waarheid van iets - erkentenis
de waarnemende - minister
de wacht houden - waken
de wandelende jood - Ahasverus
de warme luchtstreken - tropen
de waterspiegel verlagen - aflaten
de weemoed teweeg brengen - ontroeren
de wereld - kreits
de wijze waarop een vraagstuk wordt aangevat - probleem
de wind indraaien - aanboegen
de wisselvalligheid van de oorlog - krijgskans
de wortel van een gewei - gewas
de zaligheid verschaffend - zaligmakend
de zang minnende - filomeel
de zeden betreffende - moreel
de zee - pekelplas
de zee betreffende - maritiem
de zeilen de juiste stand geven - brassen
de zeilen hijsen - opsteken
de zeilen kleiner maken - reven
de zeis scherpen - haren
de zeventiende-eeuwse theoloog - Gomarus
de zonnegod – Apollo, Febus
dealerschap - agentschap
debarkatie - landing, ontscheping
debat - discussie, dispuut, polemiek, redetwist
debatteerkunst (Gr.) - eristiek
debatteren - discussiëren, polemiseren, redetwisten
debacle - krach, mislukking, ondergang, ramp, val
debet - deb, schuld, schuldig, tegoed
debiel kind - mongooltje
debiet - afzet, opbrengst, produktie
debiteren - afzetten, verkopen, vertellen
debiteur - schuldenaar
deboursement - uitbetaling
debrayatie - frictie, koppeling, ontkoppeling
debutant - beginneling, nieuweling
debuut - maidenspeech
deca - tienmaal
decaan - deken
decadent - blasé, wuft, ontaard, passief, vervallen, verworden,
willoos
decamperen - afbreken, opbreken, vertrekken
decanaat - gebied, waardigheid
decanteren - afgieten, klaren
decatlon - tienkamp
december - wintermaand
decembermaand - kerstmaand
decemvir - tienman, tienmanschap
decendentieleer - afstammingsleer
decubitut - doorliggen
dedaigneus (Fr.) - geringschattend, minachtend, vernederend
dedain - minachting
deder - huttentut, vlasdodder
dedicatie - opdracht, toewijding
deduceren - afleiden, besluiten, concluderen
deductie - (afgeleide) waarheid, afleiding, conclusie,
gevolgtrekking
deductief - afleidend, besluitend, concluderend
deeg - bakmengsel, beslag, meelmengsel, pasta
deeg knijpen - kneden
deegachtig – kleems(ch), klef, tets
deegbak - trog
deegbal - knoedel
deeg dooreenwerken – kneden
deegkneder - meesterknecht
deeg knijpen – kneden
deegkneder - meesterknecht
deeg reepje - mie, noedel, vermicelli
deegroller - rolstok
deeg van klei en water – paat
deeg voor pannenkoeken - beslag
deeg voor pasteikorsten – korstdeeg
deegwaar - mie
deel - aandeel, afdeling, brok, dorsvloer, eind, eindje, end,
episode, erf, flard, fractie, fragment, gedeelte, helft, homp,
kardeel, kavel, kwart, lid, moot, mop, none, part, partie, partij,
plak, plank, portie, quotum, rantsoen, reep, segment, stalvloer,
strek, strook, stuk, tak, vleugel
deel (Gr.) - meros
deel (med) - portio
deelarbeid - partime
deelbaar – splitsbaar
deel dat wezenlijk tot het geheel behoort – integreren
deel der aarde - Afrika, Amerika, Australië, Azië, Europa, pool,
subtropen, tropen, zone
deel der kerkelijke getijden - lauden, laudes
deel der wiskunde - meetkunde
deelgenoot - co., compagnon, kameraad, maat, lid, partner,
vennoot
deelhebben in nalatenschap - erven
deelhebber - participant, vennoot
deel hout - plank
deellijn - bissectrice
deelname – deelneming, participatie
deelnemen – meedoen
deelnemend – medelijdend
deelnemer – kandidaad, medewerker
deelnemer aan damspel – dammer
deelnemer aan debat – debatter
-12deelnemer aan een reünie - reünist
deelnemer aan snelheidswedstrijd - coureur, racer, stayer,
deelnemer aan zeker spel - bridger, dammer, kaarter, schaker
deelneming - condolance, interesse, medeleven, medelijden,
rouwbeklag
deelpunt - splitsingspunt
deels - gedeeltelijk, half, partieel
deelstaat (Mal.) - negara
deelteken – trema
deel tussen onderlijf en bovenbeen - lies
deeltijdwerker - parttime
deeltje – fractie, partikel, stukje
deeltjesversneller - bevatron, comsmotron, cyclotron
deel uit een nalatenschap - erfdeel
deelwoord - participium
deemoed - berouw, eenvoud, nederigheid, onderworpenhwid,
ootmoed
deemoedig - berouwvol, nederig, onderdanig, ootmoedig, soumis
deel uitmaken – behoren
deel van aalfuik - ink., kub, kubbe
deel van aambeeld – apeer, hoorn
deel van aarde aan de Noordpool - Arctica
deel van aarde aan Zuidpool - Antarctica
deel van accu - cel
deel van Achter-lndië - Annam, Assam, Laos, Malakka, Siam
deel van Afrika - Algerië, Angola, Benin, Biafra, Columbia,
Egypte, Eritrea, Ethiopië, Gabon, Gambia, Ghana, Goudkust,
Guinee (Fr.), Ivoorkust, Kameroen, Katanga, Kenia, Liberia,
Libië, Mali, Marokko, Natal, Niger, Nigeria, Nubië, Oeganda,
Oranjevrijstaat, Rhodesia, Sahara, Senegal, Soedan, Tanganjika,
Togo, Transvaal, Tunesië, Volta, Zanzibar, Zuid-Afrika
deel van aftrekking - min, rest, verschil
deel van de Algerijnse Sahara - Mzab
deel van altaar - retabel, tabernakel, tombe
deel van ambtsgewaad - bef, sjerp
deel van Amerika - Alabama, Alaska, Argentinië, Arizona,
Brazilië, Canada, Chili, Columbia, Ecuador, Mexico, Oregon,
Panama, Paraguay, Peru, Uruguay, U. S. A., Venezuela
deel van Amsterdam – Overtoom
deel van anker - hals, kruis (bovendeel), tand
deel van Arabië - Egypte, Irak, Jordanië, Koeweit, Libanon,
Lybië, Marokko, Oman, Syrië, Tunesië
deel van Argentinië - Chaco, Cordova, Corientes, Estero,
Formosa, Mendosa, Pampa, Patagonië, Salta, Santiago
deel van arm – biceps, bovenarm, elleboog, ellepijp, onderarm,
spaakbeen
deel van arrondissement - kanton
deel van artikel - sub.
deel van artsuitrusting - oogspiegel, stethoscoop
deel van de Atlantische-Oceaan – Noordzee
deel van de atmosfeer – stratosfeer
deel van atoom - elektron, elektronenwollepols, kern, neutron,
nucleon, proton
deel van Australië - Arnhemland, Tasmanië, Queensland,
Victoria
deel van Azië – Afghanistan, Anam, Arabië, Armenië, Assam,
Birma, Ceylon, China, Dekan, Goa, India, Indonesië, Irak, Iran,
Israël, Japan, Jordanië, Korea, Laos, Libanon, Libië, Mongolië,
Nepal, Pakistan, Koeweit, Pakistan, Perzië, Siam, Siberië, Tibet,
Turkije, Vietnam
deel van de baan bij zeilwedstrijden - rak
deel van baggermolen - noria, paternosterwerk
deel van bakkerij - oven
deel van balans - gewicht, juk, lastarm, mes, ruiter, schaal
deel van ballon - anker, ballast, hals, mand, net, omhulsel,
schuitje, ventiel
deel van bandopname apparaat – opnamekop, spoel, wiskop
deel van bastion - oreillon
deel van batterij - cel, element, pool
deel van bed - deken, kussen, laken, matras, peluw, sloop, spiraal
deel van been - bovenbeen, dij, enkel, kuit, kuitbeen, knie,
scheen, scheenbeen, teen, voet
deel van beenderen - merg, specie
deel van beitel - aar, faas
deel van bekertoernooi – finale, ronde
deel van België - Antwerpen, Ardennen, Borinage, Brabant,
Henegouwen, Kempen, Limburg, Lotharingen, Luik, Namen,
Vlaanderen, Wallonië
deel van berg - helling, piek, top, voet
deel van de beurs - fonds, hoek
deel van biljartkeu - pomerans
deel van blaasinstrume nt - riet(je)
deel van blad - ader, bladnerf, bladschijf, bladsteel, nerf
deel van bladzijde - alinea, kantlijn, letter, marge, regel, wit,
woord
deel van bloed - bloedcel, bloedlichaampje, bloedplasma,
haemoglobine,
deel van bloem - blad, buis, bijkelk, bijkroon, helmdraad, keel,
kelk, kroon, meeldraad, schutblad, stamper, steel, stempel, stijl,
vruchtbeginsel, zoom
deel van Boedapest - Boeda, Pest
deel van bol of cirkel - segment
deel van boom - bast, blad, kruin, kwast, lover, schors, spint,
stam, tak, twijg, wortel, zijstam
deel van borstkas - borstbeen, rib, ruggegraat
deel van bouwwerk – architraaf, beuk, boog, fiaal, fries, fronton,
impost, kroonlijst, latei, liseen, muur, risaliet, schalk, zwik,
travee,
deel van breedtecirkel - lengtegraad
deel van breuk - breukstreep, decimaalteken, deelstreep, deeltal,
deler, noemer, teller
deel van breukband - pelote
deel van breviergebed - metten
deel van bridgewedstrijd – deelscore, manche, robber
deel van bril - arm, been, glas, lepel, montuur, neussteun, rand
deel van Brits-Indië (voormalig) - Assam, Burma, Orissa
deel van broedmachine - kunstmoeder
deel van broek - achterzak, band, gulp, klep, knie, pijp, sluiting,
zak
deel van brouwerij - beslagkuip, brouwketel, eestoven, filter,
gistkuip, hopzeef, kiemtrommel, legtank, moutkuip, silo,
wachttank, weekkuip, wortketel
deel van brug - balustrade, leuning, overspanning, pijler, wegdek
deel van bruidstoilet - boeket, sleep, sluier
deel van buik - alvleesklier, darmen, galblaas, lever, maag, milt,
nier(en),
deel van bungalowtent - binnentent, buitentent, geraamte,
grondzeil, haring, scheerlijn, slaapcabine
deel van bijbel - bijbelboek, evangelie, n.t.,o.t., pentateuch,
psalmen, testament
deel van bijenkorf – honingraat, raat, vlieggat
deel van camera – diafragma, filter, lens, sluiter, zoeker
deel van Canada - Alberta, Labrador, Mackenzie, Manitoba,
Newfoundland, Ontario, Quebec
deel van Celebes - Badah, Boni, Doeri, Kendari, Loewoe,
Menado, Mori, Posso
deel van Centraal-Azië - Pamir
deel van cel - celwand, chromosoom, kern, protoplasma
-13deel van celdeur - schaftluik
deel van celkern – gen
deel van de cirkelomtrek - graad
deel van circus - piste
deel van circusvoorstelling - acrobatiek, clownerie,
trapezewerk
deel van cirkel - boog, diameter, graad, koorde, kwadrant,
middellijn, middelpunt, omtrek, periferie, radiaal, sector, segment,
straal
deel van classis- ring
deel van computer - geheugen
deel van concertzaal - loge, podium, stalles
deel van Constantinopel - Pera
deel van contract - dagtekening, datering, handtekening,
signatuur
deel van Cookeilanden - Atiu, Aitutali, Mangaia, Rarotonga
deel van correspondentie materiaal - ballpen, ballpoint, blocnote,
carbon, envelop, papier, potlood, schrijfmachine, pen, vulpen
deel van cursus - semester, trimester
deel van dag - avond, avonduur, kwartier, middag, middernacht,
minuut, morgen, morgenstond, namiddag, nanacht, nanoen, noen,
ochtend, seconde, stond, ure, uur, vooravond, voormiddag
deel van dak - balk, bedekking, bint, dakpan, gebint, goot,
hanebalk, kapel, koekoek, leer, lijst, nok, raam, ruiter, spant, stoel,
terras, tuin, venster, vorst
deel van dakpan - pannestuk
deel van dal - dalbodem, dalwand, glooiing, helling, talud, terras
deel van dampkring - ionosfeer, ozonosfeer, sfeer, stratosfeer,
troposfeer
deel van damspel - bord, damschijf, damsteen
deel van decimale breuk – decimaalteken, periode
deel van delfstoffenrijk - bauxiet, erts, gas, goud, koper,
kwikzilver, olie, steenkool, tin, zilver
deel van Denemarken - Aerö, Als, Falster, Funen, Fyn, Jutland,
Langeland, Lolland, Mön, Odense, Sjaelland, Sealand
deel van dier - bek, hals, hoef, klauw, kop, mond, muil, nek, oog,
oor, poot, romp, rug, slurf, snoet, snuit, snavel, staart, vleugel,
uier
deel van dierenwereld - amfibieën, reptielen, tweeslachtigen,
vissen, weekdieren, zoogdieren
deel van dikke darm - appendix, blindedarm
deel van de dikke darm – endeldarm
deel van dobber - sim
deel van dok - ponton
deel van dorp - brink, hoofdstraat, kerkplein, kom, markt, straat
deel van draagmuur - voeting
deel van draaibank – rijkop
deel van drachme - obool
deel van Drenthe - Ellertsveld, Hondsrug, Noordenveld,
Oostermoer
deel van driehoek - basishoek, bissectrice, hoek, hoogtelijn,
hoogtepunt, hypotenusa, rechthoekszijde, tophoek, zwaartelijn,
zwaartepunt, zijde
deel van drukpers - degel, frisket, inktrol, raam, ronde, timpaan,
verschet
deel van duikboot - mangat, periscoop
deel van Duitsland - Baden, Beieren, Brandenburg, Breisgau,
Eifel, Harz, Hessen, Holstein, Lüneburgerheide, Mecklenburg,
Munsterland, Oostfriesland, Pruisen, Ruhrgebied, Rijnland,
Saarland, Saksen, Sauerland, Sleeswijk, Thüringen, Westfalen,
Württemberg
deel van de dunne darm - ileum, jejunum
deel van dijk - aarde, bazaltsteen, glooiing, keileem, kruin, talud,
voet, zinkstuk
deel van dynamo – anker, koolborstel, veldwikkeling
deel van Edda – Havamal
deel van eendenkooi – kolk
deel van eetwaren - aardappel, boter, brood, gevogelte, groente,
margarine, vet, vis, vlees, wild
deel van effect - coupon, mantel, talon
deel van egge - egraam
deel van Egypte - Nijldelta, Sinaï
deel van Egypte (oud) – Gosen
deel van ei - eiermelk, dooier, door, dop, dun, eierschaal, eigeel,
pel, schaal, schaalvlies, schil, snoer, zuivel
deel van elektriciteitscentrale - dynamo, turbine, schakelstation
deel van elektronisch instrument – condensator, transistor,
weerstand
deel van Engeland - Cornwall, Essex, Hampshire, Kent,
Midlands, Sussex, Wales, Yorkshire
deel van erfenis – erfdeel, legaat
deel van Ethiopië – Ogaden
deel van etmaal - avond, avonduur, kwartier, middag,
middernacht, minuut, morgen, morgenstond, nacht, namiddag,
nanacht, nanoen, noen, ochtend, seconde, stond, ure, uur,
voormiddag
deel van Europa - Albanië, Alpen, Andorra, Apulië, Balkan,
Bretagne, Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Eire, Erin, Finland,
Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Iberië, Ierland, Italië,
Joegoslavië, Jutland, Karinthië, Kaukasus, Kola, Krim, Lapland,
Liberië, Lichtenstein, Luxemburg, Monaco, Nederland,
Noorwegen, Normandië Oekraïne, Oostenrijk, Polen, Portugal,
Povlakte, Rivièra, Roemenië, San Marino, Spanje,
Tsjechoslowakije, Zweden
deel van evenredigheid – term
deel van Eysden - Breust, Mesch, Oost
deel van ezelshoofd (scheepsbouw) – 4 mars, 2 ra, slothout,
steng, zaling
deel van fabricage - controle, produktie, voorbereiding
deel van familie - tak
deel van flatgebouw - galerij, kelderbox, lift, liftkoker, trap,
trappenhuis
deel van fles - buik, hals, kroonkurk, kurk, sluiting, stop, ziel
deel van folterkamer - beenschroef, brodequin, duimschroef,
polei, rad
deel van fornuis - afdekplaatje, asla, bakoven, bakplaat, brander,
deksel, grill, oven, ovenlicht, ovenplaat, pijp, ring, rooster,
spaarbrander, waakvlam
deel van fototoestel – diafragma, filter, lens, sluiter, statief,
zoeker
deel van Frankrijk - Auvergne, Brenne, Bretagne, Bourgogne,
Causses, Champagne, Dauphine, Elzas, Gascogne, Guyenne,
Landes, Languedoc, Lotharingen, Medoc, Midi, Normandië,
Picardië, Provence, Rivièra, Savoye, Touraine, Vogezen, Vendee
deel van Friesland - Ameland, Bildt, Gaasterland, Haskerland,
Lemsterland, Ooststellingwerf, Opsterland, Schiermonnikoog,
Smallingerland, Terschelling, VIieland, Weststellingwerf,
Wonseradeel, Zevenwouden
deel van fuik - ink, kub
deel van gamelan – kendang
deel van garenklos – kruis
deel van gasmeter – rotameter
deel van gebed - none(r.k.)
deel van gebit - brug, gehemelteplaat, hoektand, kies, kroon,
maaltand, melktand, oogtand, tand, verstandskies, vulling
deel van gedicht – refrein, strofe, vers
deel van geheel - deel, element, gedeelte, helft, kwart, lid,
onderdeel, part, stuk
-14deel van gehemelte - huig, raak, uvula
deel van gehoorgang - aambeeld, doolhof, gehoorbeentje, hamer,
labyrinth, oorsmeer, oorvlies, otoliet, slakkenhuis, stijgbeugel,
talgkliertjes, trommelvlies, wolhaartjes
deel van gelaat - jukbeen, kaak, kin, koon, lip, mond, neus,
neusvleugel, oog, ooglid, oor, slaap, voorhoofd, wang,
wenkbrauw, wimper
deel van Gelderland - Achterhoek, Betuwe, Bommelerwaard,
Graafschap, Liemers, Lijmers, Montferland, Nederbetuwe,
Overbetuwe, Tielerwaard, Veluwezoom, Veluwe, Veluwemeer
deel van geneeskunde - an(a)esthesie, chirurgie, gyn(a)ecologie,
heelkunde, neurologie, oogheelkunde, orthopedie, psychiatrie
deel van geraamte - been, bekken, borstwervels, bot, dijbeen,
ellepijp, heiligbeen, knieschijf, ledematen, middenhandsbeentje,
rib, schaambeen, schedel, schouderblad, sleutelbeen, spaakbeen,
vingerkootjes, wervel
deel van geschrift - alinea, bladzijde, hoofdstuk, pagina,
paragraaf, passage
deel van geslacht – generatie
deel van getal – breuk
deel van gevangenis – cel
deel van gevel - deur, erker, kozijn, pui, raam
deel van geweer - grendel, haan, haft, kolf, korrel, loop, magazijn,
trekker, tromp, vizier
deel van gewei - gaffel, rozestok, spits, stang, tak, vertakking
deel van geweerloop - vizierkorrel, vizieropstand
deel van gezichtsorgaan – hoornvlies, iris, kegeltjes, lens,
netvlies, oogbal, pupil, staafjes
deel van glasfabriek – koeloven
deel van gletsjer - eindmorene, gletsjerspleet, gletsjertafel,
middenmorene, morene, zijmorene
deel van de godgeleerdheid – patristiek
deel van godsdienstoefening - gebed, meditatie
deel van gordijn - glijder, haakje, koord, lat, rabat, rail, ring,
roede
deel van gouw – grietenij
deel van graad - minuut, seconde
deel van grammofoon - arm, armlift, as, bedieningshandel,
chassis, contragewicht, draaischijf, element, luidspreker, naald,
speaker, stroboscoop, toonarm, toonkop, versterker, weergever
deel van grendel - stuit
deel van Griekenland - Achaia, Aetiolia, Arcadia, Argolis,
Attica, Boeotië, Cycladin, Elis, Enos, Epirus, Euboea, Locris,
Macedonië, Magnesië, Peleponnesus, Sparta, Sporaden, Thessalië
deel van de Grote-Antillen - Haïti
deel van Groot-Brittannië - Engeland, Schotland, Wales, zie:
ook deel van Engeland
deel van gulden - cent, dubbeltje, heitje, kwartje, spie, stuiver
deel van haan van een geweer – borst
deel van haard - asla, deur, haardkuil, haardplaat, vulklep
deel van hals - adamsappel, atlas, halsslagader, halswervel, keel,
nek, spon, strot
deel van hamer - blad, bol, huis, klauw, kop, ruin, pin, steel,
ringvinger,
deel van hand - duim, handpalm, middenvinger, muis, palm, pink,
rug, vinger, wijsvinger
deel van hart - boezem, hartebloed, hartklepje, hartkuil, hartspier,
hartzakje, kamer, klep, linkerboezem, linkerkamer, rechterboezem,
rechterkamer
deel van haven – aanlegsteiger, dam, damwand, kade, kraan,
deel van de Hawaii-Eilanden - Hawaii, Kahoolawe, Kauai,
Lanai, Maui, Molokai, Nilhau, Oahu
deel van heiboom – lastarm
deel van heilige mis - epistel
deel van hekwerk - deurtje, gaas, opening, post, raster, reling,
spijl
deel van helm - kam, timber, vizierklep
deel van hemellichaam - meteoor
deel van hengel – dobber, reel, sim, snoer,
deel van hengelsnoer - opslag (puntdobber)
deel van heraldiek - kleur, kwartier, schild
deel van hertegewei – rozestok
deel van heuvel – helling, top, voet
deel van de Himalaya – Tibet
deel van historie - periode, tijdvak
deel van hoed - bol, rand
deel van Holland - zie: deel van Noord-Holland en: deel van
Zuid-Holland
deel van hondekop - bek, oog, oor, snoet, snuit, tong
deel van Hongarije - Alföd, Békes, Bihar, Nograd, Pest,
Sopron, Tolna, Vas
deel van honkbalveld - hek, honk, scorebord, thuishonk,
werpheuvel, werpplaat
deel van honkbalwedstrijd - inning, slagbeurt
deel van hoofd - achterhoofd, achterhoofdsbeen,
achterhoofdsgat, bovenkaak, gebit, gelaat, gezicht, haar,
hanekam, jukbeen, kaak, kaakbeen, kin, koon, kruin, lip, mond,
neus, neusbeen, onderkaak, oog, oor, ploegbeen, rotsbeen,
schedel, slaap, slaapbeen, voorhoofd, voorhoofdsboezem wang,
wangbeen, wenkbrauw, wiggebeen, zadelbeen, zeefbeen
deel van hoofdstuk - alinea, paragraaf, vers
deel van hooggebergte - dal, keten, piek, ravijn, spits, steilte
top,vlakte
deel van hoogovenbedrijf – staalwalserij, ijzergieterij,
ijzersmelterij
deel van horloge - anker, balans, dagwijzer, deksel, drijf,
gangwerk, glas, kalor, kam, kas, kettingrad, knop, kompas, kroon,
naald, onrust, pal, plaat, raderwerk, schakel, secondewijzer
spiraalveer, uur, veer, wissel,wijzer, wijzerplaat
deel van hotel - badkamer, balzaal, eetzaal, hal, kamer, keuken,
lounge, receptie, restaurant
deel van houten beschot - paneel
deel van huis - appartement, badkamer, balkonkamer,
bovenverdieping, dak, deur, douchecel, eetkamer, erker, etage,
gang, gevel, gootkamer, hal, huiskamer, kap, kelder, keldertrap,
keuken, koekoek, logeerkamer, mansarde, nok, pannen, parterre,
portaal, pui, raam, salet, salon, serre, slaapkamer, suite, toilet,
trap, venster, W.C., zolder, zoldertrap,
deel van hunebed - kei, zwerfsteen
deel van huwelijksdag - bruiloft, inzegening, jawoord, receptie
deel van hijskraan - stuurhut, zwaaiarm
deel van hijswerktuig - katrol, takel
deel van Ierland - Cavan, Clare, Cavan, Clare, Connaught, Cork,
Dublin, Galway, Kerry, Kildare, Kilkenny, Laotyhis, Leinster,
Leitrim, Limerick, Longford,Mavo, Meath, Munster, Offaly,
Roscommon, Tipperary, Ulster, Waterford, Westmeath, Wexford
deel van iets - aandeel, onderstel, partij
deel van Illyrië - Liburnia
deel van India - Assam, Bangka, Bengalen, Bihar, Billiton,
Birma, Bombay, Borneo, Celebes, Ceram, Dekan, Flores,
Halmahera, Hyderabad, Kashmir, Kerala, Lombok, Madras,
Molukken, Nepal, Oekan, Orissa, Punjab, Timor, Soemba,
Sumatra
deel van Indo-China - Birma, Laos, Thailand, Vietnam
deel van Indonesië - Ambon, Bali, Bangka, Billiton, Borneo,
Buru, Celebes, Ceram, Flores, Halmahera, Java, Lombok,
Molukken, Soemba, Soembawa, Sumatra, Timor
deel van ingesneden orgaan (plantk.) - slip, slipje
-15deel van ingewandenm - darm, lever maag, milt
deel van inktvis - vangarm
deel van insektenlijf - abdomen
deel van instrument – pedaal, snaar, toets
deel van inwendig oor - aambeeld, doolhof, hamer,
slakkehuis, stijgbeugel, trommelvlies
deel van Istanboel - Atikali, Aykapi, Balat, Besiktas, Beykoz,
Carsamba, Cihangir, Eminonu, Fatih, Karakoy, Kasimpasa,
Kumkapi, Maqka, Pera, Sehrimini, Sirkeci, Tepebasi, Topkapi,
Unkipani,
deel van Italië - Abruzzen, Alentina, Apenijnen, Apulië, Calabrië,
Campanië, Emilia, Elba, Friuli, Lombardije, Maremma, Phanar,
Piemond, Sardinië, Sicilië, Taboliëre, Toscane, Trente, Trentino,
Umbrië, Venetië
deel van jaar - dag, grasmaand, herfst, jaargetijde, kalenderjaar,
kwartaal, lente, lentemaand, maaimaand, maand, mei, najaar,
nalente, naseizoen, nawinter, nazomer, oogstmaand, rijpmaand,
semester, slachtmaand, sprokkelmaand, trimester, voorjaar, week,
wintermaand, zomermaand
deel van jaarinkomen - gratificatie, tantiëme, vakantiegeld
deel van Japan - Abasjiri, Aitje, Aomori, Ehima, Foekoe,
Foekoesjima, Gawa, Hidaka, Hirosjima, Hoeri, Hokaido,
Hokkaido, Honsjoe, Hijama, Isjikari, Isjikawa, Iwate, Jamagata,
Jamagoetji, Jamanasji, Joekoeoka, Kamikawa, Kana, Kioesjoe,
Kioto, Koesjironokoeni Kotji, Mijagi, Mijazaki, Nagano,
Nagasaki, Nagoja,Nara, Nemoero, Niigata, Oita, Okajama,
Osjima, Roemoi, Saga, Saitama, Sjiga, Sjikokoe, Sjiroeoka, Soja,
Soratje, Tjiba, Tojama, Tokatje, Totjigi, Tottori
deel van japon - bolero, centuur, kraag, lijfje, mouw, sloop
deel van jas - achterpand, belegsel, binnenkraag, binnenzak,
borstzak, knoopsgat, lapel, mouw, pand, revers, rugpand, schoot,
split, voering, voorpand, zijzak
deel van Java - Bantam, Banten, Kedoe, Lebak, Priangan,
Prianger, Tegal
deel van Joegoslavië - Bosnië, Dalmatië, Herzegowina, Istrië,
Kroatië, Montenegro, Servië, Slavonië, Slovenië
deel van kaakbeen - gebit, kies, kin, kinnebak, koon, tand
deel van kaapstander - handboom,handspaak
deel van kaarsepit - dief
deel van kaart - areaal, equator, evenaar, kaartvak, lengenda,
linie, merediaan
deel van kaartspel - aas, boer, harten, heer, klaveren, ruiten,
schoppen, troef, troefkleur, vrouw
deel van kachel - asla, deksel, deur, kachelpijp, klep, lade,
mantel,
plaat, pijp, rooster, vulklep
deel van kalender - blad, schild
deel van kamera – geelfilter, lens, sluiter, telelens,
deel van kampeeruitrusting - bed, deken, grondzeil, haring, tent
deel van kanon - affuit, aftrekinrichting, kulas, loop, rampaard
(onderstel), remschoen, sluitstuk, vizier, zundgat
deel van kapgebint - dakgebint, dakspant, dakstoel, schraagstoel
deel van kapiteel (Dorisch) - abacus, echinus
deel van kassa - geldla, telstrook, toets
deel van kast - deur, la, lade, plank, slot
deel van kasteelmuur - kanteel, trans
deel van kegel - grondvlak, mantel, top
deel van kerk - absis, bank, beuk, kansel, koor, nis, oksaal,
schip, steunbeer, toren, zijbeuk
deel van kermis - botsauto, draaimolen, spookhuis,
vlooientheater
deel van kerncentrale - reactor
deel van ketel - deksel, fluit, handvat, tuit
deel van ketting - kraal, schakel, schalm, slot
deel van keuken - aanrecht, fornuis, gasstel, gootsteen, grill, kast,
koelkast, kraan, oven, pannenrek
deel van kinderschedel - fontanel
deel van kippenhok - nachthok, ren, roest, stok
deel van klarinet - beker, klep, mondstuk, tussenstuk
deel van klassiek Griekenland - Attica, Doris, Elis, Sparta
deel van kleding - boord, knoop, kraagvoering, naad, pand,
revers, zoom
deel van kledingstuk - boord, kraag, mouw, pand, pijp, rok,
voering
deel van Klein-Azië - Anatolië, Turkije
deel van klok - anker, bengel, binnenwerk, gewicht, glas, hamer,
kast, ketting, klepel, knop, naald, onrust, palrad, pendule, plaat,
rad, raderwerk, schappement, slagveer, slinger, spiraalveer,
trommel, veer, wijzer, wijzerplaat,
deel van klooster - boekerij, calefactorium, cel, dormitorium,
eetzaal, hospitum, kruisgang, refectorium, refter, scriptorium
deel van koeiemaag - boekmaag, lebmaag, mutsmaag, netmaag,
pens
deel van koestal - boes, deel
deel van komeet - kern, staart
deel van kompas - huis, naald, roos, windroos, windstreek
deel van Koninkrijk der Nederlanden - Antillen, Bonaire,
Curacao, Nederland, Saba, Suriname
deel van Konstantinopel – Pera
deel van koolplant - blad, bloem, steel, stronk
deel van kop van hond - snoet
deel van de koran - soera , sura, sure
deel van korenhalm – aar
deel van kostuum – boord, broek, colbert, jas, pantalon, vest
deel van kous - hiel, naad, teen, voet
deel van kozijn - afzaat, dorpel, drempel
deel van krant - advertentierubriek, artikel, beursnieuws,
bijvoegsel, hoofdartikel, kolom, necrologie, pagina, rubriek
deel van krantenoplage - editie
deel van krantepagina - artikel, cursief(je), kolom, kop, rubriek
deel van krater - bodem, keel, pijp, rand, wand
deel van kroonlijst - architraaf
deel van kruiskerk - viering
deel van kruisweg - statie
deel van kijker - lens, occulair, omkeerprisma
deel van laboratorium - balans, brander, reageerbuis, werktafel
deel van ladder - sport, stijl, trede, tree
deel van lamoen - traam, treme (Z.N.)
deel van lamp - bol, brander, fitting, gloeidraad, kous, lampeglas,
lampekap, (lamp)voet, pendel, pit
deel van Limburg - Geuldal, Maasdal, Mijnstreek, Peel
deel van land - arrondissement, dorp, gebied, gemeente, gewest,
graafschap, kanton, provincie, stad, streek
deel van leger - administratietroepen, artillerie, bataljon, brigade,
cavalerie, commando, divisie, eenheid, eskadron, garde, genie,
grenadiers, groep, infanterie, jager, kompagnie, korps, landmacht,
luchtafweer, luchtlandingstroepen luchtmacht, marechaussee,
marine, militie, mitrailleurs, patrouille, peloton, regiment, sectie,
squadron, stoottroepen, troep
deel van leger in Romeinse tijd - centurie, cohort, legioen,
manipel
deel van legioen - cohort, falanx
deel van lening - tranche
deel van lepel - blad, steel
deel van letter - been, krul, lichaam, neerhaal, omhaal, oog,
ophaal, staart
deel van lied - couplet, koepiet, refrein, strofe, vers
deel van Limburg - Geuldal, Maasdal, Mijnstreek, Peel
deel van locomotief - tender
-16deel van Londen - Chelsea, City, Eastend, Soho, Westend,
Westminster, Wimbledon
deel van long - kwab(be)
deel van lijn - lijnstuk, segment
deel van luchtpomp - recipiënt
deel van maaginhoud - maagzuur
deel van maaltijd - aardappelen, gang, gevogelte, groente,
hoofdgerecht, nagerecht, soep, vis, vlees, voorgerecht, wild
deel van machine - as, kruk, krukas, lager, pal, tandwiel,
vliegwiel
deel van machtsverheffing - grondtal, kwadraat, macht
deel van Malakka - Djohore, Kedah, Kelantan, Kra, Pahang,
Perak, Perlis, Selangor, Trenganu
deel van mantel - bontrand, capuchon, mouw
deel van de mast - ra, rijbed, steng
deel van match - ronde
deel van matrozenpak - braniekraag
deel van medische wetenschap - cardiologie, dermatologie,
geriatrie, gyn(a)ecologie, neurologie, osteologie, pediatrie
deel van meeldraad - helmbindsel, helmdraad, helmknop, pollen,
stuifmeel
deel van melk - room
deel van mes - angel, arend, bandhecht, draad, heft, hiel, lemmer,
lemmet, negge, punt, rug, scherp, snede, staart
deel van meubel - arm, bekleding, blad, la, leuning, poot, veer,
zitting
deel van microfoon - magneet, membraan, spoel, trilplaat
deel van microscoop - objectief, occulair, spiegel, statief
deel van middelbare school - aula, lerarenkamer, leslokaal,
rectorskamer
deel van midden Amerika - Cuba, Guatemala, Honduras,
Nicaraqua, Panama, Quatamala
deel van Midden-Java - Kedoe
deel van middenoor - aambeeld, kamer, stijgbeugel,
trommelvlies, voorhof
deel van militaire straf - arrest, consigne, degradatie, detentie,
fusillade, strafexercitie, verzwaard, zwaar
deel van minuut - seconde
deel van de mis - Benedictus, canon, consecratie, epistel,
evangelie, gebed, gloria, graduale, kyrie, offerande, offertorium,
Sanctus, tractus
deel van misgewaad - albe, amict, manipel, singel, stola, stool
deel van molecuul - anion, atoom, ion
deel van molen - kap, molensteen, rad, treem, tremel, vang, wiel,
zeil
deel van de mond - gebit, gehemelte, huig, kaak, kies, lip, tanden,
tand, tong, tongriem, velum, verhemelte
deel van mondstuk - riet(je)
deel van motor - bougie, carburateur, cilinder, fan, klep, krukas,
lager, magneet, nokkenas, ontsteking, rotor, startmotor, tuimelaar,
verdeler, zuiger
deel van muuranker - ankersleutel
deel van muziekinstrument - klankbord, mondstuk, snaar
deel van muziekmaat (onbeklemtoond) – opmaat
deel van muziekschrift - bassleutel, bindteken, kruis, mol, rust
deel van muziekstuk - allegro, andante, cadens, kop, kruis, largo,
lento, menuet, partij, presto, rondo, scherzo
deel van mijn - deksel, galerij, gang, lading, schacht, slagpijp,
slagpin
deel van naaimachine - garen, naald, pedaal, spoel
deel van naald - kop, oog, punt, stift
deel van natuurkunde - mechanica, optica, quantummechanica,
stromingsleer
deel van Nederland - Betuwe, Drente, Flevoland, Friesland,
Gelderland, Groningen, Limburg, Noord-Brabant, NoordHolland, Noordoostpolder, Overijssel, Peel, Twente, Utrecht,
Veluwe, Zeeland, Zuid-Holland
deel van Nederlands leger - Irenebrigade
deel van nek - hals, nekwervel
deel van New York - Bronx, Brooklyn, Harlem, Hoboken,
Hudson, Manhattan, Richmond
deel van nier - bed, kelk, piramide, schors
deel van Nieuw-Guinea - Vogelkop
deel van Nieuw-Zeeland - Auckland, Canterbury, Marlborough,
Nelson, Otaga, Southland, Taranaki, Wellington, Westland
deel van Noord-Afrika - Algerije, Egypte, Libië, Marokko,
Sahara, Tunesië
deel van Noord-Amerika - Alaska, Canada, Labrador,
V. S.,
deel van Noord-Brabant - Baronie, Biesbosch, Kempen,
Langstraat, Meijerij, Peel
deel van Noord-Europa - Denemarken, Finland, Karelië,
Lapland, Noorwegen, IJsland, Zweden
deel van Noord-Holland - Beemster, Gooi,
Haarlemmermeerpolder, Kennemerland, Langedijk, Purmer,
Schermer, Streek, Texel, Waterland, Wieringermeerpolder,
Wormer, Zaanstreek
deel van Noorwegen - Akershus, Bergen, Finmark, Haloga-land,
Hamar, Hordaland, Nordland, Stavanger, Telemark, Tröndelag,
Vestfold,
deel van Nijl (blauwe) - Abai
deel van obligatie - coupon, talon
deel van onderbuik - lies
deel van onderlichaam - been, bil, dij, lies, voet
deel van ondermast - onderra
deel van oog - hoornvlies, iris, kristallens, lens, netvlies, oogbal,
oogkas, ooglid, pupil, regenboogvlies retina, traanbuis, traanklier,
wimper
deel van oogstopbrengst - tiend
deel van oor - aambeeld, antihellx, antitragus, doolhof, hamer,
helix, lel, oorlel, schelp, slakkenhuis, stijgbeugel, tragus,
trommelvlies
deel van oorlogsschip - kanon, mitrailleur, periscoop, raket,
torpedo
deel van oorlogsvloot - duikboot, eskader, fregat, jager,
kanonneerboot, kruiser, mijnenveger, smaldeel, vliegdekschip
deel van Oost-Azië - Japan, Korea, Philippijnen, Taiwan
(Formosa)Vietnam
deel van Oost-Duitsland - Brandenburg, Mecklenburg, Pruisen,
Saksen, Saksenanhalt, Salzburg, Thüringen
deel van Oostenrijk - Burgenland, Galicië, Gorz, Karinthië,
Salzburg, Stiermarken, Tirol, Vorarlberg
deel van Oost-Europa - Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland,
Litauen, Polen, Roemenië, Rusland
deel van de opbrengst - B.T.W., gewas, tiende
deel van opera - akte, bedrijf, ouverture, slotscène
deel van ophaalbrug - hamei
deel van optelling – plus, som
deel van orgel - klavier, manuaal, 8orgelpijp, 6pedaal, positief,
prestant, pijp, register, speeltafel, toetsenbord
deel van orgelpijp - lip
deel van orkest - blazers, slagwerk, strijkers
deel van Oud-Egypte - Gosen
deel van ouderwets geweer - laadstok
deel van Oud-Griekenland - Attica, Doris, Elis, Peleponesis,
Sparta
deel van oven - ovengat, ovenplaat
deel van Overijssel - Ramspol, Salland, Twente, Tubantia
-17deel van paardehoofdstel - bit, gareel, halster, oogklep,
deel van paardenfokkerij - box, haver, halsterketting, kist, krib,
latierboom, paardestro, roskam, ruif, stal
deel van paardetoom - bit, gebit, kinketting, leidsel, leireep,
mondstuk, stang, trens
deel van paardetuig - broek, frontdeel, frontstuk
deel van paddenstoel - buisje, hoed, knol, manchet, mycelium,
plaatje, ring, schede, schubben, steel, stekel, zwamdraad
deel van padvindersgroep - horde, stam, troep
deel van pagina - alinea, kantlijn, kolom, marge, regel
deel van Pakistan - Assam, Bengalen, Punjab, Sind
deel van Palestina - Galilea, Gilead, Judea, Perea, Samaria
deel van papierfabriek - likkamer, papiermolen
deel van papiermachine - natpers
deel van paragraaf - alinea
deel van paraplu - balein, scherm
deel van parlement - afgevaardigde, fractie, gekozene, kamer, lid,
partij, senaat
deel van partij - fractie, kavel
deel van Peleponnesus - Elis
deel van Pentateuch - Deuteronomium, Exodus, Genesis,
Leviticus, Numeri
deel van periode - fase, phase
deel van pers - blok, cilinder, matrijs, ram
deel van peulvrucht - boon, dop, erwt, vlies
deel van piano - hamer, kast, klep, pedaal, snaar, snarenkord,
toets, toetsenbord
deel van plafond - balk, band, engeltje, haak, lamp, mortel, rozet,
deel van plan - concept
deel van plant - blad, bloem, knoop, knop, oksel, steel, stengel,
voederwortel, wortel
deel van ploeg - dompelstuk, kip, kouter, ploegas, ploegbalk,
ploegboom, ploegbord, ploegbout, ploegdissel, ploeghak,
ploegschaar, riester, rister, schaar, schaarijzer, snede, staart,
startbord, steel, stok, strijkbord, voet,
deel van poffertjespan - oog
deel van Polen – Bydgoszcz, Galicië, Gdansk, Gora, Gzczecin,
Katowice, Kielce, Koszal, Krakow, Liblin, Olsztyn, Opole,
Rzeszow, Silezië, Sudeten, Warszawa, Wroclaw, Zielona
deel van Portugal - Alentejo, Algarvië, Beira
deel van politie - agent, agente, brigade, brigadier, commissaris,
hoofdcommissaris, recherche, rechercheur,
deel van pomp - bek, gek, mik, pompbuis, zuigbuis, zuiger,
zwengel
deel van popgroep - basgitarist, drummer, gitarist, organist,
sologitarist, zanger
deel van Portugal - Alentejo, Algarve, Beira
deel van priesterlijk gewaad - albe, amict, bonnet, humeraal,
kazuifel, manipel, parament, schouderdoek, singel, stola, stool,
toga, toog
deel van programma - nummer
deel van prot. Kerk - ruim
deel van pijp - dop, kop, mondstuk, steel
deel van rad - naaf, spaak
deel van radiotoestel - detector
deel van radio-installatie - antenne, kanton, ontvanger,
zendapparatuur, zender, zendmast
deel van rechtbank - balie, griffie, parket, raadskamer
deel van rechtsgebied arrondissement
deel van reeks - term
deel van Roemenië - Dobruja, Transsylvanië, Walachije
deel van regiment – peloton
deel van reglement - art., artikel, clausule, paragraaf
deel van rekenkundige bewerking - aftrekking, deeltal, deler,
optelling, produkt, quotiënt, rest, som, vermenigvuldiging,
verschil
deel van rem - blok, pedaal, schoen, remcylinder, remkabel,
remolie, remschoen, remschijf
deel van reukorgaan - brug, neusbeen, neusgat, neuspunt,
neusvleugel, tussenschot
deel van ring - diamant, parel, ringkas, steen
deel van riool - uitloop
deel van rioolstelsel - zinkput
deel van rivier - arm, benedenloop, bocht, bovenloop, krib,
linkeroever, meander, middenloop, oever, rechteroever, strekdam,
stroombed, stroomversnelling, waterval, winterbed, zomerbed
deel van rivierpijler – voeting
deel van R.K. kerk - koor, oksaal
deel van roeiboot - boeg, boord, docht, dol, ketting, kiel, riem,
roeipen, stander
deel van roeiriem - peel (Eng.)
deel van Roemenië - Dobruja, Muntenia, Oltenia, roeipen,
schacht, Transsylvania, Walachije
deel van roer - blad, haak, klomp, kop, pen, spaan, talie
deel van Rome - Prati, Trastevere, Vaticaan, Vaticaanstad
deel van Romeins kamp - gracht, intervallum, palissade, poort,
wal
deel van Romeinse woning - atrium, patio
deel van romp - borst, borstbeen, buik, heup, leest, middel, rib,
rug, schouderblad, sleutelbeen, wervel
deel van roos - blad, bottel, doorn, steel, stekel
deel van Rotterdam - Alexanderpolder, Blijdorp, Charlois,
Crooswijk, Hillegersberg, Hoogvliet, Katendrecht, Kralingen,
Lombardijen, Ommoord, Overschie, Pendrecht, Prins
Alexanderpolder, Schiebroek, Spangen, Wittedorp, lJselmonde,
Zuidwijk
deel van rozekrans - beier
deel van rug - lende, ruggewervel, schouderblad, wervelkolom,
deel van ruimteschip - cabine, capsule, raket
deel van rund - biefstuk, lendestuk, rollade, rolpens
deel van rupee - anna(16e)
deel van Rusland - Armenië, Azerbeidzjan, Garelie, Karelië,
Kaukasus, Kazakstan, Krim, Moldavië, Oekraïne, Oeral, Siberië
deel van rijsttafel - ketjap, koetswerk, kroepoek, sambal, trassi
deel van rijtuig - bok, dissel, huis, kap, lamoen, rong, wiel
deel van sabel - gevest, kling
deel van samenhangend geheel – gedeelte
deel van schaakpartij - eindspel, middenspel, opening
deel van schaakspel - bord, dame, kasteel, koning, koningin,
loper, paard, pion, raadsheer, stuk, toren, veld
deel van Scandinavië- Lapland
deel van schaakterminologie - dameverlies damewinst, mat,
opgeven, pat, remise, verlies, winst
deel van schedel - achterhoofdsbeen, fontanel, slaapbeen
deel van scheepsromp - karkas, spant
deel van scheepsschroef - naaf, schroefas, vleugel
deel van scheepstuig - ra, tuigage, want
deel van scheepswerf - helling
deel van scheikunde - analyse, anorganisch, biochemie,
colloïdchemie, elektrochemie, kristalkunde, organisch,
reactiekinetiek, synthese, technologie, thermo
deel van schietschijf - roos
deel van schildersuitrusting - doek, ezel, kwast, linnen, palet,
verf
deel van schoen - binnenzool, bovenstuk, hak, hielstuk,
komfoor(t), naaldhak, neus, rubberhak, sleehak, teenstuk,veter,
zool
deel van scholengemeenschap - Atheneum, Gymnasium,
-18HAVO, MAVO
deel van school - bank, bord, gang, gymnastiekzaal, hal, klas,
leraarskamer, lokaal, schoollokaal
deel van schooljaar - semester, trimester
deel van schoorsteen - pijp, rookgat, rookkanaal
deel van schouwburg - balcon, balkon, balconfauteuil,
brandscherm, coulisse, decor, doek, engelenbak, fauteuil, foyer,
frontloge, garderobe, loge, orkestbak, parket, parterre, rang,
scherm, stalles, toneel, vestaire, zijbalcon, zijloge
deel van schriftletter - ligatuur, neerhaal, ophaal, stok
deel van schrijfmachine - gummirol, lint, tabulator, wagen
deel van schroef - draad, kop, oog, ring, schoep, spil, tap, vin,
winding
deel van sekonde - tertie
deel van sestertius – denarius, quinarius
deel van sigaar - binnengoed, binnenwerk, dekblad, dekgoed,
inleg, omblad
deel van sigaret - filter, mondstuk, tabak, vloei, vloeitje
deel van skelet - been, bekken, bot, bovenarmbeen, bovenkaak,
dijbeen, ellepijp, handbeentje, heupbeen, kaak, koot, kuitbeen,
onderarmbeen, onderkaak, rib, rugwervel, schedel, schenkel,
schouderblad, stuitbeen, voetbeentje, wervel
deel van slachthuis - bouwblok, kolbijl, schietmasker, slachtbank,
spekmes, vleespriem
deel van slaghoedje - aambeeld
deel van sleutel - baard, pij, ring, schacht
deel van slokdarm van vogels - krop
deel van slot - binnenplaats, brug, gracht, kanteel, muur, poort,
schoothuis, toren, tuimelaar
deel van sluis - deur, kolk, rinket
deel van sluisdeur - achterhar, broekbalk, taats, tempel
deel van snaarinstrument - zadel
deel van snavel - lel
deel van Soedan - Bahr, Darfoer, Gezira, Kordofan, Nubië,
Soedd
deel van sommige japonnen - tuniek
deel van sonate - adagio, allegro, andante, finale, menuet, rondo,
scherzo
deel van sonnet - cesuur, kwatrijn, octaaf, sextet, terzine
deel van Sowjet-Unie - zie deel van Rusland
deel van spade - dil, dille
deel van Spanje - Andalusië, Aragon, Asturië, Avilla,
Baskenland, Castilië, Catalonië, Galicië, Granada, Kastillië, Leon,
Murcia, Navarra, Taragone
deel van speelpot - inleg
deel van speer - blad, hout, ijzer, punt, schacht, schoen
deel van spel - akte (ton.)
deel van spiegel - biseau, facet, foelie, paneel, rug
deel van spier - pees
deel van spoorbaan - baan, biels, rails, traject, vak
deel van spoortrein - loc, locomotief, tender, wagon, wiel
deel van spoorweg - rails
deel van sporeplant - sporehouder
deel van spijsverteringskanaal - darm, endeldarm, maag,
slokdarm
deel van staande want - pardoen, perdoen
deel van staat - dorp, gemeente, sprovincie, tad
deel van stad - brink, buurt, centrum, dreef, huizen, laan,
nieuwbouw, plein, straat, wijk
deel van stadion - tribune, veld
deel van stadswijk - buurt
deel van stamper - stempel, stigma, stijl, vruchtbeginsel
deel van Staten-Generaal - parlement, senaat
deel van steiger - aanbinder, bulsem, bulsterhout, juffer,
korteling, maashout, planket, schraag, steigerplank
deel van stengel - geleiding, knoop, knop, lid
deel van stereo-installatie - microfoon, pick-up, recorder,
speaker, tuner, versterker
deel van stoel - bekleding, leuning, poot, zitting
deel van stoep - balustrade, bordes, leuning, trede, tree
deel van stoomketel - mangat, vlamoven, vlampijp
deel van stoommachine - adamsklep, alarmfluit, baanbed,
balans, bosklep, bosveer, bovenspiegel, brijnkraan, brijnpan,
buizenketel, cilinder, drijfas, drijfstang, drijfzuiger,
excentriekstang, gangwiel, geleibaan, indicateur, kast, kofferketel,
kolderschijf, kookbuis, krukas, krukstang, mangat, mantel,
pakking(bus), peilglas, piston,
pijpenketel, regulateur, schoorsteen, schuif, stoomfluit,
stoomkamer, stoomketel, veiligheidsklep, vlamketel, vlampijp,
vliegwiel, vlotter, voorwarmer, vuurgang, vuurhaard,vuurkast,
wekker, zuiger, zuigerstang, zwenkrad
deel van stoomtrein - bagagewagen, coupé, kolenwagen, loc,
locomotief, passagierswagen, postwagen, tender
deel van stoomturbine - rotor
deel van strik - knoop, lus
deel van strijdkrachten - artillerie, A.T., bataljon, compagnie,
divisie, genie, K.L, legerafdeling, luchtmacht, marine, regiment,
veldleger
deel van strijkinstrument - hals, kam, klankkast, sleutel, snaar
deel van strijkstok - haar, hout, punt, slof
deel van studie - doctoraal, kandidaats, M.O., propedeuse
deel van studiejaar - semester, trimester
deel van stuk - akte, bedrijf, scène
deel van stijl - aanslag
deel van Sumatra - Atjeh, Banka, Benkoelen, Billiton, Deli,
Djambi, Palembang, Riouw, Siak, Tapanoeli
deel van Suriname - Brokopondo, Commewijne, Coronie,
Marowijne, Nickerie, Saramacca
deel van syllogisme - betoog, conclusie, premisse
deel van tabak - nicotine
deel van tabel - kolom
deel van tafelbestek - dessertlepel, lepel, mes, soeplepel,
voorsnijmes, vork
deel van takel - gijnblok, talie
deel van tand - been, cement, glazuur, hals, holte, kas, kiem,
kroon, merg, plombeersel, tak, vulling, wortel, zenuw
deel van tandartsuitrusting - mamalgaan, boor, stoelspoelbak
deel van tang - bek
deel van Tanzania - Mwanza
deel van telefoon - draaischijfhaak, hoorn, kiesschijf, snoer
deel van telegraaf - seinsleutel, sleutel
deel van televisietoestel - afstemknop, beeldbuis, beeldscherm
deel van tennispartij - game, set
deel van Texel - Eierland, Slufter
deel van textielfabriek - spinnerij, tricotage, weverij
deel van Thailand - Siam
deel van theater - balkon, engelenbak, fauteuil, frontloge, galerij,
loge, parket, parterre, stalles, toneel, zijloge
deel van thee - Theeïne
deel van theeservies - lepelvaasje, melkkan(netje), roomkan,
suikerpot, theeglazen, theeïne, theekopjes, theemuts, theepot,
theeschoteltjes, theewarmer, zeefje
deel van Tsjechoslowakije - Bohemen, Moravië, Slowakije
deel van Turkije - Armenië
deel van tijdschrift - aflevering,nummer
deel van toneeldecor - coulisse
deel van toneelstuk - akte, bedrijf, rei, scène
deel van toren - draaitrap, haan, kruis, spits, torenvenster, trans,
-19wenteltrap, windwijzer
deel van touw - streng, tamp, vezel
deel van tragedie - catharsis, peripetie
deel van tram - achterbalkon, balkon, coupé, locomotief,
looppad, lus, restauratie, slaaprijtuig, staanplaats, treeplank,
voorbalkon, wagon, zitplaats
deel van trap - leuning, traparm, traploper, trede, tree,
deel van trein bagagenet, buffer, noodrem, portier, rijtuig
deel van treurspel - koor
deel van trompet - mondstuk, piston, ventiel
deel van tros - tamp
deel van Tsjechoslowakije - Bohemen, Moravië, Slowakije
deel van tuig - broek, gareel, halster, hoofdstel, leidsel
deel van tuigage giek, gei, ra, streng, want
deel van tuin - bed, gazon, grasveld, perk, prieel
deel van Turkijem - Anatolië (Azië), Armenië, Taurus, Thracië
(Eur.),
deel van Tweede Kamer - fractie, kamerlid, partij
deel van uitgave - band, bd.
deel van uitlaat - knalpot, pijp
deel van uitwendig oor - lel, schelp
deel van USA - Ohio
deel van Utrecht - Eemland, Gooi, Sticht
deel van uurwerk - anker, balans, gewicht, glas, hamer, kast,
ketting, knop, minuutwijzer, naald, palrad, pendule, plaat, rad,
secondewijzer, slagwerk,slinger, snek, spiraalveer, trommel,
uurwijzer, wijzer
deel van vaatwasmachine - bestekbak, glansspoelinjector,
pannenrek, sproeier, thermostaat,verwarmingsspiraal, zeepbak
deel van varken - fricandeau, haas, ham, karbonade, schenkel,
spek, staart, varkenspoot, varkensvlees
deel van vat - deuvik, duig, hoepel, spongat, sponning
deel van Vaticaanstad - Lateraan
deel van veer - baard(je), schaft, spoel, vlag
deel van venster - dorpel, kozijn, luik, raam, ruit, spanjolet,
vleugel
deel van verbrandingsmotor - bougie, nokkenas, tuimelaar,
verdeler
deel van Verenigde Staten - zie: Amerikaanse Staat
deel van Verenigd Koninkrijk - Engeland, Schotland, Ulster,
Wales
deel van vereniging - bestuur, leden
deel van verhaal - climax, clou, epiloog, episode, hoofdstuk,
inleiding, ontknoping, passage, proloog
deel van verkennersgroep - A.P.L, hopman, patrouille, P.L,
vaandrig
deel van verkoop - kaveling, kavel
deel van vermenigvuldiging - factor, keer, maal, produkt
deel van vertrek - deur, erker, muur, plafond, plint, raam,
vensterbank, vloer, zolder
deel van vesting - bastion, kanteel, muur, poort, ravelijn, rideau,
rondeel, tinne, toren, wal
deel van vestingwal - bastion, bolwerk, parapet, rondeel
deel van Vietnam - Annam
deel van vinger - gewricht, kneukei, knokkel, koot(je), lid, nagel,
nagelriem, vingertop
deel van Voor-Indië - Assam, Bengalen, Dekam, Goa, zie ook
deel van India
deel van viool - bodem, hals, kam, klankbodem, klankbord, krul,
sleutel, snaar, sordino, stok, toets
deel van vis - buikvin, graat, kieuw, kop, rugvin, schub, scib(be),
staartvin, vin
deel van visnet - inkel, keel, kub
deel van vistuig - dobber, fuik, haak, hengel, leefnet, schepnet,
sim, snoer
deel van visvangst - bra
deel van vlag - baan, veld, wimpel
deel van vliegtuig - aanloopwiel, aanrechthoek,
achterbagageruim, achtersteven, afstandskompas, aileron,
bagageruimte, cockpit, bakboordlicht, bakboordmotor,
bochtaanwijzer, brandstoftank, dashboard, debarkeertrap,
deltavleugel,
draagschroef, draagvlak, draagvleugel, drukkabine, gyrorector,
heklicht, hekmotor, hoogteroer, instrumentenbord, kabine, kajuit,
kombuis, kop, ladingsklep, landingsgestel, landingslicht,
ladingswijzer, langsligger, linkervleugel, luchtschroef,
machmeter, mengselmeter, middenmotor, middenstuk, motor,
motorgondel, neus, neusradar, neusrib, neusvleugel, neuswiel,
onderstel, parachute, propeller, propjet, provisiekamer,
radarantenne, radiokamer, radiokompas, radiopeiler, radiotafel,
rechtervleugel, regulateurschroef, remklep, richtingsroer,
rolroerkabels, rolstuur, romp, rompplaatwerk, schaalromp,
schietstoel, schokbreker, schokdemper, schroef, schroefmotor,
slaapstoel, sleepschijf, pleetklep, spleetvleugel, spreilicht,
springscherm, staart, staartlicht, staartsteun, staartvlak, staartwiel,
statoskoop, stermotor, straalmotor, stuurautomaat,
stuurboordlicht, s stuurboordmotor,
stuurinrichting, tuurkabine, stuurklok, stuurhut, stuurkabel,
stuurknuppel, stuurkolom, stuurrad, stuurstok, stuurwiel,
stijgmeter, toerenteller, tuimelaar, valnaald, valscherm,
valschermlicht, valschut, veiligheidsgordel,vleugel, vleugelklep,
vluchtmeter, vleugelrib, vleugeltip, voetstuur, voorbagageruim,
wiek, wiel, wielrem, windscherm, ijsbestrijder
deel van vloot - eskader, eskadrille, flotille, smaldeel
deel van voertuig - as, band, chassis, cilinder, klep, krukas,
lager, motor, rem, stuur, vliegwiel, wiel, zuiger
deel van voet - enkel, hak, hiel, teen, voetholte, wreef, zool
deel van voetbalveld - cornervlag, doel, doelgebied, doelpaal,
goal, grasmat, krijtlijn, middencirkel, net, penaltystip,
strafschopgebied, zijlijn, zijnet
deel van vogelkleed - pen, pluimage, veer
deel van volzin - zinsnede
deel van voormalig Brits-lndië - Assam, Burma, Orissa
deel van voormalig Duitsland - Pommeren
deel van vork - steel, tand
deel van vrachtwagen - bak, cabine, laadbak, oplegger
deel van vroeger IJsselmeer - Flevoland, Markerwaard,
N. O .P., Wieringermeerpolder
deel van vrouwenmuts - luifel
deel van vrucht - klokhuis, part, pit, schil, steel, vruchtvlees
deel van vulkaan - caldeira, kegel, krater, mantel
deel van vulpen - clip, houder, inkt, patroon
deel van vuurmond - kulas
deel van vuurwapen - haan, kolf, loop, magazijn, trekker, vizier
deel van wagen - as, band, bok, boom, dak, laadbak, lamoen,
motor, rad, rem, wiel
deel van wagon - compartiment, rong
deel van Wales - Brecknock, Caernavon, Cardigan, Flint,
Glamorgan, Ladner, Lamathern, Montgomery, Monmauth,
Rembroke, Shropshire
deel van walvis - baard, balein, spek, staart, traan, vlees
deel van wandelstok - knop
deel van wapenuitrusting - geweer, harnas, helm, koppel, lans,
musket, patroontas, schild, speer, vuurroer
deel van wasautomaat - afvoerslang, centrifuge, keuzeknop,
keuzetoets, kuip, thermostaat, toevoerslang, trommel, zeepbak
deel van wasinrichting - blekerij, drogerij, stomerij, strijkerij,
wasserij
deel van wasmachine - trommel, wringer
-20deel van waterput - bascule, deksel, galg, gek, haak, kuip, rad,
touw, zwengel
deel van watervliegtuig - drijver
deel van wedstrijd - game, helft, ronde, rust, set,
deel van weefgetouw - palei, paleibalk, paleiriem, plei, polei
deel van weefsel - cel, draad, neg, inslag, schering, zelfkant
deel van weegtoestel - arm, as, balk, evenaar, gewicht, hefboom,
juk, last, naald, opstap, schaal, wijzer
deel van weg - berm, middenberm, talud, wegas
deel van weiland - bocht (melkplaats)
deel van welpenhorde - akela, nest, welp
deel van werkwoord - deelwoord, infinitief, persoonsvorm, stam,
uitgang
deel van wervelkolom - atlas, heiligbeen, stuit, wervel
deel van wet - art., artikel
deel van wetenschap - discipline, vakgebied
deel van wiel - as, band, flens, naaf, spaak, velg
deel van wielerwedstrijd - etappe, manche, ronde
deel van windas - draaispil, handspaak
deel van windmolen - vang, wieken, zeil
deel van winkel - etalage, kassa, rekken, standaard, toonbank
deel van wiskunde - algebra, analyse, goniometrie, meetkunde,
planimetrie, stereometrie
deel van woestijn - bajada, duin, oase, plaja, zoutmeer
deel van woonhuis - appartement, badkamer, douchecel, erker,
etage, gang, hal, kamer, kelder, keuken, meterkast, slaapkamer,
werkkast, zolder
deel van woonwijk - buurthuis, flat, huis, laan, straat,
winkelcentrum, wijkgebouw
deel van woord - achtervoegsel, affix, deelwoord, foneem, letter,
lettergreep, persoonsvorm, prefix, stam, syllabe, voorvoegsel
deel van wortel - haarwortel, knol
deel van worteltrekking - exponent, index, macht
deel van wijk - buurt
deel van ijskast - eierrek, flessenrek, groentela, koelelement,
vriesvak
deel van zaag - handvat, spanraam, tand
deel van zadel - blad, boog, boom, dak, kleed, knop, riem, tas,
wolf
deel van Zeeland - Beveland, Duiveland, Filipsland, Schouwen,
Tholen, Walcheren
deel van zeeschip - brug, commandobrug, dek, lounge,
promenadedek, ruim
deel van zeil - dirk, fok, mast, reef, rif, schoot, stag, steng, val
deel van zeilboot - bakstag, begijnenra, beretand, berghout,
bezaan, boegspriet, bolder, dirk, fok, fokkemast, fokval,
gaffeltopzeil, grootbramzeil, helmstok, kiel, klik, kluisgat, kluiver,
kluiverleider, kluiverval, koekoek, kop, kruismast, lij, mastkoker,
nokval, roer, roerhengsel, schoot, stagfok, stagzeil, stamstag,
vlieger, want, zeilval, zwaard
deel van zeilschip - achtersteven, fok, giek, gijk, kiel, mast, roer,
voorsteven, zwaard
deel van zeiltuig - dirk, fok, mast, schoot, stag, steng, val
deel van zeis - dol, mes, zen
deel van zendstation - antenne, microfoon
deel van zenuw - dendriet, ganglion, neuriet, neuron
deel van zenuwcel - dendriet
deel van ziekenhuis - kraamafdeling, mortuarium, operatiekamer,
polikliniek, zaal
deel van ziekte - behandeling, besmetting, crisis, herstel,
revalidatie
deel van zijdegetouw - sempel
deel van zin - bepaling, bijzin, gezegde, hoofdzin, leesteken,
onderwerp, voorwerp, woord, zin(s)deel, zinsnede
deel van zitvlak - bil
deel van zolder (apart verhuurd) - vink
deel van zonnestelsel - aarde, maan, planeten, planetoïden,
sterren, sterrebeelden
deel van zonneweg - aphelium, apogeum, perigeum
deel van Zuid-Afrika - Betsjoeanaland, Kaapprovincie, Natal,
Oranjevrijstaat, Transvaal
deel van Zuid-Amerika - Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili,
Colombia, Ecuador, Guyana, Paraguay, Panama, Peru, Suriname,
Uruguay, Venezuela
deel van Zuid-Holland - Beierland , Delfland, Goeree,
Rozenburg, Overflakkee, Putten, Rijnland, Voorne, Westland,
Ijselmonde
deel van Zuidzee – Koraalzee
deel van zuil – architraaf, fries, kapiteel, kolom, kornis,
kroonlijst, piedestal, sokkel, voetstuk
deel van zwaard - gevest, greep, heft, kling, lemmer, lemmet
deel van Zweden - Blekinge, Dalarna, Gotland, Jämtland,
Lapland, Medelpad, Norland, Schonen, Skane, Smaland,
Soealand, Svealand, Uppland
deel van Zwitserland - Aargau, Appenzell, Baselland, Bern,
Bribourg, Engadin, Fribourg, Glarus, kanton, Luzern, Mittelland,
Schwijz, Ticino, Tessin, Thurgau, Uri, Vaud, Waadt, Wallis
deel van de aalfuik - kub, kubbe
deel van de aarde - Afrika, Amerika, Australië, Azië, Europa,
pool, subtropen, tropen, zone
deel van de aarde tussen de keerkringen - tropen
deel van Afrika - Angola, Algerië, Egypte, Ethiopie, Eritrea,
Gabon, Ghana, Guinea, Goudkust, Gambia, Ifni, Ivoorkust,
Kenia, Kameroen, Libye, Liberia, Mali, Marokko, Madagaskar,
Natal, Niger, Nigeria, Nubië, Oeganda, Rhodesië, Sahara,
Senegal, Sierra Leone, Sahara, Soedan, Tanganjika, Togo,
Transvaal, Tunesië, Volta, Zanzibar, Zuid-Afrika
deel van de aardkorst - aardlaag
deel van de arm - biceps, bovenarm, elleboog, ellepijp,
hand, onderarm, pols, spaakbaan
deel van de beenderen - merg, specie
deel van de bijbel - bijbelboek, evangelie, N.T., O.T.,
Pentateuch, psalmen, testament
deel van de bloementuin - bed, border, gazon, pad, perk
deel van de boerderij - achterhuis, afdak, deel, erf, hok,
hooimijt, koestal, loods, paardenstal, stal, schuur, voorhuis
deel van de boom - bast, blad, kroon, kruin, lover, schors, spint,
stam, tak, twijg, wortel
deel van de borst - tepel
deel van de borstkas - borstbeen, rib, ruggengraat
deel van de brouwerij - beslagkuip, brouwketel, eestoven, filter,
gistkuip, hopzeef, kiemtrommel, legtank, moutkuip, moutsilo,
silo, wachttank, weekkuip, wortketel
deel van de buik - darmen, lever, maag, milt, navel
deel van de cursus - semester, trimester
deel van de dampkring - argon, ionosfeer, ozon, ozonosfeer,
troposfeer
deel van de dierenwereld - amfibieën, geleedpotigen, reptielen,
tweeslachtigen, vissen, vogels, weekdieren, zoogdieren
deel van de eetwaren - aardappel, boter, brood, gevogelte,
groente, margarine, vet, vis, vlees, wild
deel van de gamelan - kendang
deel van de gasmeter - rotameter
deel van de geneeskunde - chirurgie, orthopedie
deel van de hals - adamsappel, atlas, halsslagader, halswervel,
keel, nek, strot
deel van de hals - adamsappel, halswervel, keel, nek, strot
deel van de hand - duim, middelvinger, muis, palm, pink,
-21ringvinger, wijsvinger
deel van de haven - aanlegsteiger, dam, damwand, kade, kraan,
loods, steiger
deel van de helm - kam, kinriem, riem
deel van de heraldiek - kleur, kwartier, schild
deel van de ingewanden - darm, lever, maag, milt
deel van de kaak - kaakholte
deel van de keel – huig, keelholte, strot
deel van de keuken - aanrecht, fornuis, gasstel, gootsteen, kast,
koelkast, kraan, pannenrek
deel van de kleding - boord, knoop, kraag, mouw, naad, pand,
pijp, revers, voering, zoom
deel van de kop van hond - snoet
deel van de match - ronde, speelhelft
deel van de meeldraad - helmbindsel, helmdraad, helmhok,
helmknop, stuifmeel, pollen
deel van de melk - room
deel van de mond - gebit, gehemelte, huig, kies, lip, tand, tong,
tongriem, verhemelte
deel van de nek - hals, nekwervel, strot
deel van de onderbuik - kruis, lies
deel van de opbrengst - tiende, B.T.W.
deel van de Peleponnesus - Elis
deel van de politie - agent, agente, brigade, brigadier,
commissaris, hoofdcommissaris, recherche, rechercheur
deel van de rechtbank – balie, griffie, parket, raadskamer
deel van de r.k. kerk - koor, oksaal
deel van de romp - borst, borstbeen, heup, buik, rib, rug,
sleutelbeen, schouderblad, wervel
deel van de romp van lastdieren – kroep
deel van de schedel - schedelbasis
deel van de slokdarm van vogels - krop
deel van de strijdkrachten - artillerie, A. T., bataljon,
compagnie, K. L., divisie, genie, landmacht, legerafdeling,
luchtmacht, marine, regiment, veldleger,
deel van de telefoon - draaischijf, druktoets, haak, hoorn,
kiesschijf, snoer
deel van de telegraaf - seinsleutel, sleutel
deel van de toom - leireep
deel van de toren - draaitrap, haan, kruis, spits, torenvenster,
trans, wenteltrap, windwijzer
deel van de tram - achterbalkon, balkon, looppad, lus,
staanplaats, treeplank, voorbalkon, zitplaats
deel van de trap - laaf, leuning, trede, tree
deal van de tuigage - gei, giek, ra, steng, want, zeil
deel van de uitgave - band, bd., deel
deel van de Verenigde Arabische Republiek - Egypte, Jemen
deel van de Verenigde Staten - Nevada, zie Amerikaanse staat
deel van de verkoop - kavel, kaveling
deel van de visvangst voor eigen gebruik - bra
deel van de Waddenzee - Lauwers
deel van de wagen - as, band, dak, motor, rem, wiel
deel van de wandelstok - knop
deel van de wedstrijd - game, helft, rondo, rust, set, speeltijd
deel van de week - dag, etmaal, dinsdag, donderdag, maandag,
vrijdag, weekend, woensdag, zaterdag, zondag
deel van de weg - berm, middenberm, rijbaan, talud, wegas
deel van de wereld - Afrika, Amerika, Antarctica, Australië, Azië,
continent, Europa
deel van de wereldbevolking - Afrikaners, Arabieren, Aziaten,
Chinezen, Eskimo's, Europeanen, Indiërs, Indianen, Japanners,
Javanen, Joden, Maleiers, Mongolen, Turken
deel van de zonneweg - aphelium, afelium, apogeum, perigeum,
winterkeerpunt, zomerkeerpunt
deel van een afscheiding - raster
deel van een altaar - retabel, tabernakel
deel van een ambtsgewaad - stool
deel van een arrondissement - kanton
deel van een artikel – lid, sub
deel van een atoom - elektron, neutron, nucleon, proton
deel van een auto - accu, bumper, carrosserie, claxon, dak,
handrem, koplamp, koppeling, motor, rem, portier, radiator,
starter, stuur, uitlaat, wiel, zuiger
deel van een autobus – afstap, koplamp
deel van een baan bij zeilwedstrijden – rak
deel van een babyschedel – achterhoofdsbeen, fontanel,
voorhoofdsbeen, wandbeen
deel van een baggermolen - noria
deel van een bakkerij - oven
deel van een balans - gewicht, lastarm, mes
deel van een batterij - cel, pool
deel van een bedrijf - akte
deel van een been - bil
deel van een begroting - post
deel van een beitel - aar, faas
deel van een berg - flank, helling, piek, top, voet
deel van een betoog - zinsnede
deel van een bijenkorf – honingraat, raat, vlieggat
deel van een biljartkeu - Pomerans
deel van een blaasinstrument - klep, lob, mondstuk, piston,
ventiel
deel van een blad - ader, bladmoes, bladschijf, bladsteel, lob,
nerf
deel van een bladzijde - alinea, kantlijn, marge, regel
deel van een bloem - blad, bloemblad, bloembodem, bloemdek,
buis, bijkelk, bijkroon, keel, kelk, kelkblad, kroon, kroonblad,
meeldraad, stamper, steel, stempel, stengel, stijl, schutblad,
vruchtbeginsel, zoom
deel van een boek - band, besteekband, blad, bladzij, kaft,
katern, omslag, pagina, rug, schutblad
deel van een boekomslag - flap
deel van een boekwerk - vol, volume
deel van een boerderij - veestal
deel van een bokking - graat, hom, kuit
deel van een bokswedstrijd – ronde
deel van een boom - bladeren, kroon
deel van een boorinstallatie - boorgat, boortoren, bordes,
kroonblok, leibuis, spoelingspomp, spoelkop, zuigbuis
deel van een boortoren – draaitafelsteek, gareelsteek, haaksteek,
mastworp, schootsteek, topreepsteek, trompetsteek, zitsteek
deel van een boot - steven
deel van een boot of schip - railing, reeling
deel van een bouwwerk - architraaf, beuk, boog, fiaal, fries,
fronton, impost, kroonlijst, latei, liseen, risaliet, schalk,
tafelement, travee, zwik
deel van een breuk - breukstreep, decimaalteken, deeltal, deler,
noemer, teller
deel van een breukband - pelote
deel van een breviergebed - metten
deel van een bril - arm, been, glas, montuur, poot, rand
deel van een broedmachine - kunstmoeder
deel van een broek - band, pijp, knie, knoop, sluiting
deel van een brouwerij - klaringskuip, legertank, moutsilo,
uitslagkuip,
deel van een brug - balustrade, leuning, overspanning, pijler,
wegdek
deel van een bruiloftstoilet - sleep, voile
deel van een café - gelagkamer
-22deel van een camera - diafragma, filter, geelfilter, lens, sluiter,
statief, zoeker
deel van een ceintuur - gesp
deel van een cel - chromosoom, kern, poollichaampje,
protoplasma
deel van een celkern - gen
deal van een cirkel - diameter, graad, koorde, middellijn,
middelpunt, omtrek, periferie, radiaal, sector, segment, straal
deel van een cirkelvak – cirkelsector, graad, koorde, segment
deel van een circus - piste
deel van een compagnie - groep, peloton, staf
deel van een concertzaal – podium
deel van een corset - balein
deel van een costuum - jas, pantalon
deel van een coupon - talon
deel van een dag - am, avond, avonduur, kwartier, middag,
middernacht, minuut, morgen, morgenstond, nacht, nanacht,
namiddag, n.m., nanoen, noen, ochtend, seconde, stond, ure, uur,
vooravond, voormiddag, vm
deel van een dakconstructie - dakgebint, kapgebint, kapspant
deel van een dakgeraamte – dakspant, dakspar
deel van een decimale breuk - decimaalteken, periode
deel van een deur - beslag, grendel, klink, knip, knop, paneel,
post, scharnier, slot, stijl, vleugel
deel van een deurkozijn – deurpost
deel van een dierlijk lichaam – bek, kop, muil, poot, romp
deel van een dobber - sim
deel van een dorp - brink, dijk, hoofdstraat, huis, kerk, kern, kom,
laan, markt, plein, school, steeg, stoep, straat, voorstraat, wijk
deel van een driehoek - basis, bissectrice, hoek, hoogtelijn,
hoogtepunt, hypotenusa, loodlijn, rechthoekszijde, tophoek,
zwaartelijn, zwaartepunt, zijde
deel van een drukpers - degel, frisket, timpaan, verschet
deel van een dynamo - anker, koolborstel, rotor, veldwikkeling
deel van een dijk - aarde, bazaltsteen, glooiing, keileem, kruin,
talud, voet, zinkstuk
deel van een eetservies - terrine
deel van een effect - coupon, mantel, talon
deel van een eg - egraam, egtand
deel van een ei - dooier, dop, eierdop, eierdooier, eierschaal,
eigeel, eiwit, schaal
deel van een elektrisch toestel - transistor
deel van een elektrische – tram, trolley
deel van een erfenis - legaat
deel van een etmaal - a.m., avond, avonduur, dag, kwartier,
middag, middernacht, minuut, morgen, morgenstond, nacht,
namiddag, n.m., nanacht, nanoen, noen, ochtend, p.m., seconde,
stond, ure, uur, vooravond, voormiddag
deel van een evenredigheid - reden, term
deel van een fagot - baspijp, beker, 4buis, dubbelrietblad, klep,
pen, vingergat
deel van een fiets - achterlicht, as, bagagedrager, band, bel,
dynamo, frame, kamrad, ketting, kettingkast, lamp, lantaarn, naaf,
pedaal, rem, remnaaf, spaak, spatbord, stuur, terugtraprem,
trapper, velg, versnelling, zadel
deel van een fles - buik, hals, kurk, nek, ziel
deel van een fornuis - afdekplaatje, asla, brander, deksel, oven,
pijp, ring, rooster, spaarbrander
deel van een fort - bastion
deel van een fototoestel - diafragma, filter, lens, sluiter, statief,
zoeker
deel van een fuik - inkel, kubbe
deel van een gaslamp - gloeikousje
deel van een gebonden boek - katern
deel van een gebouw - dak, etage, kamer, kelder, keuken,
sousterrain, verdieping, zolder
deel van een geheel - element, fractie, gedeelte, lid, onderdeel,
part, stuk
deel van een geschrift - deel alinea, blad, bladzijde, hoofdstuk,
pagina, paragraaf, regel
deel van een geschut - affuit, broek, kulas
deel van een gevangenisdeur - schaftluik
deel van een gevechtsterrein - etappegebied
deel van een gevel - aandak, deur, erker, kozijn, pui, raam
deel van een gewei - tak
deel van een gletsjer - eindmorene, gletsjerspleet, gletsjertafel,
middenmorene, morene, zijmorene
deel van een graad - minuut, seconde
deel van een haard - asla deur, haardkuil, haardplaat, rookvang,
vulklep, vuurkorf
deel van een ham - hesp
deel van een hand - duim, muis, palm, pink, vinger
deel van een handpers - degel
deel van een handvuurwapen - drukpunt
deel van een harmonica - balg
deel van een harnas - kniestuk
deel van een hefboom – lastarm
deel van een helikopter - rotor, rotorblad, staartschroef
tandwielkast
deel van een hengel - dobber, haak, lood, molen, reel, sim, snoer
deel van een heuvel - helling, top, voet
deel van een hijswerktuig - kabel, katrol, takel
deel van een hoed - bol, rand
deel van een hondenkop - bek, oog, oor, snoet, snuit, tong
deel van een hoofdstuk - alinea, letter, paragraaf, vers, woord
deel van een hoogtecirkel van een ster die onder de horizon
ligt - depressie
deel van een horloge - anker, band, batterij, glas, kas, knop,
plaat, radertje, raadje, veer, wijzer,
deel van een hotel - badkamer, balzaal, eetzaal, hal, kamer,
keuken, lounge, receptie, restaurant
deel van een huis - appartement, badkamer, dak, deur,
douchecel, eetzaal, erker, etage, gang, gevel, goot, hal, kamer,
kap, kelder, keuken, koekoek, muur, nok, pannen, portaal, pui,
raam, receptie, restaurant, serre, suite, toilet, trap, venster,
verdieping, woonkamer,zolder, zolderraam
deel van een hunebed - kei, zwerfsteen
deel van een hijswerktuig - giek, takel
deel van een inspan - disselboom
deel van een instrument – embouchure, pedaal, piston, snaar,
toets, ventiel
deel van een japon - lijf, lijfje, kraag, lapel, mouw, omslag,
pand, rever, sleep, voering
deal van een jas - achterpand, kraag, lapel, mouw, pand, rever,
voering, voorpand
deel van een kaart - areaal, lengende, kaartvak, meridiaan,
evenaar, linie, equator
deel van een kaartsysteem - tabkaart
deel van een kabel - streng
deel van een kachel - asla, deur, mantel, plaat, pijp, rooster,
vulklep
deel van een kalender - blad, dag, maand, schild, week
deel van een camera - cassette, diafragma, draagriem, filter,
flitslicht, lens, sluiter, tas
deel van een kampeeruitrusting - bed, deken, grondzeil, haring,
tent
deel van een kamwiel - tand
deel van een kanon - affuit, loop, ziel
-23deel van een kast - deur, Ia, lade, plank, slot
kanteel, steen, trans
deel van een kegel - grondvlak, mantel, top
deel van een kerk - bank, beuk, kansel, koor, oksaal, schip,
steunbeer, toren
deel van een ketel - deksel, fluit, handvat, tuit
deel van een ketting - kraal, ring, schakel, schalm, slot
del deel van een kippenhok - nachthok, ren, roest, stok
deel van een klarinet - beker, klep, mondstuk, tussenstuk
deel van een kinderschedel - fontanel
deel van een kledingstuk - boord, kraag, mouw, pand, plastron,
pijp, rok voering, voorklep
deel van een klok - echappement, gewicht, klepel, schakelrad,
slinger, veer, veerregelaar, wijzerplaat
deel van een klokketoren - galmgat
deel van een klooster - boekerij, calefactorium, cel, dormter,
dormitorium, eetzaal, hospitium, kruisgang, refectorium, refter,
scriptorium
deel van een knie – knieschijf
deel van een koeienmaag - boekmaag, lebmaag, netmaag, pens
deel van een koeieuier – uierkwartier
deel van een koffiepot – tuit
deel van een kolenkachel - asla
deel van een komeet - coma, koma, kern, staart
deel van een kompas - naald, roos, windstreek
deel van een koolplant -blad, bloem steel, stronk,wortel
deel van een koor - rei
deel van een koran – soera
deel van een korenhalm - aar, graan, steel
deel van een kostuum - broek, colbert, jas, pantalon, vest,
deel van een kous - boord, hiel, kuit, naad, teen, voet
deel van een kozijn - afzaat, kalf
deel van een kralenketting - kraal
deel van een krant - advertentie artikel, bijvoegsel, kolom,
pagina, rubriek
deel van een krantenpagina - artikel, cursief(je), kolom, kop,
rubriek
deel van een krater - bodem, keel, pijp
deel van een kristalontvanger - detector
deel van een kruisweg - statie
deel van een kuilnet - aatje
deel van een ladder - sport, stijl, trede, tree
deel van een lamp - bol(lamp), brander,fitting, gloeidraad, voet
deel van een land - arrondissement, country, dorp, gemeente,
graafschap, kanton, kreis, provincie, stad, streek
deel van een landbouw werktuig – egraam
deel van een legioen - cohorte, kohorte
deel van een lengtecirkel - lengtegraad
deel van een lening – tranche
deel van een levend wezen – orgaan
deel van een lichaam - borst
deel van een liturgiesch gewaad – maanipel
deel van een locomotief - ketel
deel van een lijn - lijnstuk, segment
deel van een maand - week
deel van een machine - as, kruk, krukas, lager, pal, tandwiel,
vliegwiel
deel van een mantel - bontrand, capuchon, kraag, mouw,
puntmuts, zoom
deel van een marszeil - holte
deel van een mast – mars, ra, steng
deel van een mes - hecht, heft, lemmet,punt, rug, snede
deel van een metaalfabriek - gieterij
deel van een meubel - arm, bekleding, blad, la, leuning, poot,
veer, zitting
deel van een microfoon – beschermingsrooster, conus, elektrode,
huis, isolatie, poolplaat
deel van een minuut - seconde
deel van een mis - canon, gloria, graduale, tractus
deel van een misgewaad - albe, amict, humeraal, manipel,
schoudervelum, singel, stola, stool
deel van een missiegewaad – gordel
deel van een modieuze damesschoen – naaldhak
deel van een moerbout - kop, moer, schroefdraad
deel van van molecuul - atoom, ion
deel van een molen - as, kap, klapspaan, maalwerk, molensteen,
rad, roede, rotor, stator, taflement, trechter, treem, tremel, vang,
wiek, wiel, zeil
deel van een molenwiek - vang
deel van een motor - bougie, brandstofpomp, carburateur,
cilinder, klep, knalpot, krukas, lager, magneet, nokkenas,
ontsteking, rotor, tuimelaar, verdeler, verstuiver, zuiger
deel van een muntpers - aanlanger, handje
deel van een muziekstuk - allegro, andante, argo, cadens, lento,
menuet, partij, presto, rondo, scherzo
deel van een mijn - galeri,j gang, schacht
deel van een mijn - deksel, drukontsteker, lading, slagpijp,
slagpin
deel van een nijptang - bek
deel van een obligatie – talon
deel van een ontploffingsmotor - magneet
deel van een oorlogsschip - kanon, mitrailleur, periscoop, raket,
torpedo
deel van een oorlogsvloot - duikboot, eskader, fregat,
kanonneerboot, kruiser, mijnenveger, smaldeel
deel van een opera – aria
deel van een orgel - corpus, fluitprestant, labiaalpijp, violon,
vioolprestant, vulstem, woudfluit, zwelkast
deel van een orkest - blazers, dirigent, slagwerk, strijkers
deel van een oude Rom. woning - atrium
deel van een ouderwets geweer - laadstok, loop
deel van een overhemd - boord
deel van een overspanning – aanbrug
deel van een paar schoenen - linkerschoen, rechterschoen
deel van een paardetuig - buikriem, gareel, gebit, halster,
keelriem, koonstuk, neusriem, oorklep, steng, teugels
deel van een paddestoel - buisje, hoed, knol, lamel, manchet,
mycelium, plaatje, ring, schede, schubben, stekel, steel,
zwamdraad
deel van een pagina - alinea, kolom, letter, woord, zin
deel van een papierfabriek - papiermolen
deel van een paraplu - balein, scherm
deel van een periode - fase
deel van een pers - blok, cylinder, degel, inktrol, letterraam,
matrijs, ram
deel van een peulvrucht - boon, dop, erwt, vlies
deel van een piano - hamer, kast, klep, pedaal, snaar, tangent,
toets, toetsenbord
deel van een plaats - straat
deel van een plant - blad, bloem, knoop, knop, oksel, steel,
stekel, stengel, wortel
deel van een ploeg - kouter, riester, schaar, snede, staart
deel van een pomp - bek, gek, hefboom, mik, pompbuis, tuit,
uitloper, zuigbuis, zuiger, zwengel
deel van een preekstoel - kuip
deel van een priesterlijk gewaad - albe, amict, bonnet, cingel,
huneraal, kazuifel, manipel, mantel, parament, schouderdoek,
singel, stola, toga, toog
-24deel van een publiekrecht – strafrecht
deel van een puntige plant - stekel
deel van een pijp - dop, kop, roer, steel
deel van een radio installatie - antenne, ontvanger,
zendapparatuur, zender, zendmast
deel van een reeks - term
deel van een regiment - bataljon, compagnie, peleton
deel van een reglement - alinea
deel van een rekenkundige bewerking - aftrekking, deeltal,
deler, deling, optelling, produkt, quotient, rest, som,
vermenigvuldiging, verschil
deel van een rem - blok, pedaal, remkabel, remolie, remschoen,
remschijf, remsegment
deel van een repeterende breuk - repetent
deel van een rijsttafel - ketjap, kroepoek, rijst, sambal, saté, trassi
deel van en ring - briljant, diamant, goud, parel, saffier, steen,
zilver
deel van een rivier - bedding, benedenloop, bocht, bovenloop,
krib, linkeroever, meander, middenloop, monding, oever,
rechteroever, strekdam, stroombed, stroomdraad,
stroomversnelling, waterval, winterbed, zomerbed
deel van een roeiboot - boeg, docht, dol, kiel, riem, roeipen
deel van een roer - klik, koning
deel van een roos - blad, bottel, doorn, steel, stekel
deel van een rund - biefstuk, lendestuk, riblap, rollade, rolpens
deel van een rijwiel - frame
deel van een samenhangend geheel – gedeelte
deel van een schaalverdeling - graad
deel van een schedel - achterhoofds-been, fontanel, slaapbeen,
voorhoofdsbeen
deel van een scheepstouw - tamp
deel van een schietschijf - roos
deel van een schip - anker, achterdek, achteronder, bak,
bakboord, bezaan, boeg, boegbeeld, boom, bram, bramra, breefok,
brug, bootsanker, bunker, campagne, davit, dek, dolboord, fok,
fokkenmast, fokra, gaffel, gangspil, geerde, giek, halfdek, hel,
hennegat, hospitaal, hut, kaartenkamer, kombuis, kajuit,
kampagne, katander, kiel, kimkiel, kluisgat, kluiver, kompas, kooi,
kraaienest, laadboom, lenspomp, lij, loglijn, luik, lijzeil,
loopplank, marszeil, mess, misthoorn, nok, onderlijk, pantry,
patrijspoort, peddel, piek, ra, reling, riem, roef, roeipen, roer,
ruim, scheg, schoot, sloep, spant, stagzeil, steven, spuigaten,
stuurboord, stuurjuk, stuurpen, stuurrad, stuwblok, takel, talie,
tros, topreep, tuig, tuigage, uitkijk, valreep, vlotdek, voetlijk,
voorlijk, vooronder, want, werpanker, wimpel, windas, zegen,
zeerecht, zeil, ziekenboeg, zog, zwabber
deel van een schipbrug - aanbrug
deel van een schoen - contrefort, hak, hielstuk, neus, oog, punt,
riem, veter, zool
deel van een school - bank, bord, gang, gymnastiekzaal, hal,
klas, leraarskamer, lokaal
deel van een schoorsteen - pijp, rookgat, rookkanaal
deel van een schouwburg - balcon, brandgang, decor, doek,
fauteuil, foyer, garderobe, loge, orkestbak, parket, parterre, rang,
stalles, toneel, vestiaire
deel van een schriftletter - ligatuur, neerhaal, ophaal, stok
deel van een schroef - naaf
deel van een schuin dak - nok
deel van een schrijfmachine - tabulator, toets, wagen
deel van een servies - bord, melkkan, schotel, terrine
deel van een set bij tennis - game
deel van een skelet - been, bot, elleplip, jukbeen, koot, rib,
schedel, schenkel, wervel
deel van een slachtdier - kwartier
deel van een sleutel - baard, lip, pijp, ring, schacht
deel van een slot - kruk, schoothuis, sleutel, sleutelplaat,
slotplaat, tuimelaar
deel van een sluis - deur, kolk, rinket
deel van een sluisdeur - achterhar, broekbalk, taats, tempel
deel van een sonate - adagio, allegro, andante, finale, menuet,
rondo, scherzo
deel van een spatbord – spatlap
deel van een speelpot - inleg
deel van een spier - pees
deel van een spoorbaan - baan, baanvak, biels, overweg, rails,
trajekt, vak
deel van een spoortrein - loc, locomotief, tender, wagon
deel van een spoorweg - baanvak, biels, rails, traject
deel van een staalfabriek - gieterij
deel van een staande want - pardoen, perdoen
deel van een staat - dorp, gemeente, gewest, provincie, stad,
streek
deel van een staat op vreemd gebied - enclave
deel van een stad - buurt, centrum, kom. laan, plein, steeg, stoa,
straat, wijk
deel van een stadswijk - buurt
deel van een stamper – integument, nugellus, poortje, stempel,
stigma, stijl, vruchtbeginsel, zaadlijst
deel van een station – emplacement, perron
deel van een stengel - geleding, knoop, knop, lid
deel van een stoel - armsteun, bekleding, leuning, poot, sport,
zitting
deel van een stoep - balustrade, bordes, leuning, trede, tree
deel van stoomketel - mangat,vlampijp
deel van een stoommachine - ketel, regulator
deel van een stoomschip - ketelruim
deel van een stoomtrein - loc, tender
deel van een strijkinstrument - bodem, hals, kam, klankbord,
klankkast, sleutel, snaar, sordino, strijkstok, toets,
deel van een strijkstok - haar, hout, punt, slof, talon
deel van een strik - knoop, lus
deel van een stroomgetij - benedenrivier
deel van een stuk - akte, bedrijf, scène
deel van een suite - badinerie, bourree, canarie, chaconne,
cosaque, forlane, gavotte, gigue, menuet, musette, passacaille
passepied, pavane, rigaudon, sarabande, tamboerin, toccata,
tricotet
deel van een syllogisme - conclusie, premisse
deel van een systeemkaart - tab
deel van een tabel - kolom
deel van een tafel – blad, lade, poot
deel van een takel - gijnblok, talie
deel van een tang - arm, bek
deel van een telefoon - telefoonhaak
deel van een tennisbaan - tra
deel van een tennispartij - game, set
deel van een textielfabriek - linnenweverij
deel van een theeservies - bord
deel van een toets - wel
deel van een toga - bef
deel van een toneelstuk - akte, bedrijf, rei, scène
deel van een topgevel - aandak
deel van een touw - tamp, streng, vezel
deel van een traptrede - wel
deel van een trein - bagagenet, buffer, coupé, locomotief,
noodrem, portier, rijtuig, wagon
deel van een trompet - mondstuk, piston, ventiel
-25deel van een tros - tamp
deel van een tuin - bed, gazon, grasveld, perk, priëel
deel van een uitlaat - achterpijp, knalpot, pijp, spruitstuk,
voorpijp
deel van een uur - minuut, sec, tel
deel van een uurwerk - ambre, anker, balans, gewicht, glas,
hamer, kast, ketting, knop, minuutwijzer, naald, palrad, pendule,
plaat, rad, secondewijzer slinger, slagveer, slagwerk, snek,
slagveer, spiraalveer, trommel, uurwijzer, veer, wijzer
deel van een vaartuig - dek, ruim
deel van een vaarwater - rak
deel van een varken - haas, ham, hesp, kotelet, staart, spek, vlees
deel van een vat - duig, hoepel, spongat, sponning
deel van een vereerd persoon - relikwie
deel van een verhaal - clou, climax, epiloog, episode, epistel,
hoofdstuk, inleiding, ontknoping, proloog
deel van een verkoop - winst
deel van een vertrek - deur, erker, muur, plafond, punt, raam,
vensterbank, vloer, zolder
deel van een vesting - bastion, binnentalud, escarpe, kanteel,
muur, poort, ravelijn, rideau, rondeel, tinne, toren, wal
deel van een vestingwal - bastion
deel van een vinger - gewricht, koot, lid, nagel, top
deel van een viool - bodem, hals, kam, klankbord, krul, snaar,
sleutel, sordino, stok, toets
deel van een vis – aarsvin, borstvin, kieuw, kop, staart, schubbe,
vin
deel van een visfuik - kub
deel van een visnet - inkel, keel, kub, vleugel
deel van een vissersvaartuig - kee
deel van een visvangst voor de bemanning -bra
deel van een vlag - baan, veld, wimpel
deel van een vliegtuig - aileron, beuk, buik, cabine, cockpit,
hoogteroer, instrumentenbord, motor, neus, remklep, romp, staart,
staartvlak, vleugel
deel van een vloot - eskader, smaldeel
deel van een voet - enkel, hak, hiel, middenvoetsbeentje, teen,
wreef, zool
deel van een vork - tand, steel
deel van een vrachtwagen - bak, cabine, huif, laadbak, oplegger
deel van een vrucht - klokhuis, part, pit, schil, steel, vruchtvlees
deel van een vulkaan - caldeira, eruptiekanaal, kegel,
kegelmantel, krater, kratermond, kraterwal, mantel
deel van een vuurwapen - haan, kolf, korrel, loop, magazijn,
trekker, velden, vizier
deel van een walvisbaard - balein
deel van een wapenrusting - geweer, harnas, helm, koppel, lans,
musket, patroontas, schild, speer, vizier, vuurroer
deel van een wapenschild - kwartier
deel van een wasinrichting - blekerij, drogerij, stomerij,
strijkerij, wasserij
deel van een watermolen - scheprad
deel van een wasmachine - trommel, wringer
deel van een weefsel - cel, draad, inslag, neg, schering, zelfkant
deel van een weegtoestel - arm, as, balk, evenaar, gewicht,
hefboom, juk, last, naald, opstap, schaal, wijzer
deel van een werkwoord - deelwoord, participium, stam, uitgang
deel van een werphengel - reel
deel van een wervelkolom - atlas, heiligbeen, stuit, wervel
deel van een wet – artikel
deel van een wetsartikel - alinea
deel van een wiel - as, band, naaf, spaak, velg
deel van een windas - draaispil, handspaak
deel van een windmolen - vang, wieken, zeil
deel van een winkel - etalage, kassa, rekken, standaards,
toonbank
deel van een woestijn - bajada, duin, oase, plaja, zoutmeer
deel van een woonhuis - appartement, badkamer, douchecel,
erker, etage, gang, hal, kamer, kelder, keuken, meterkast,
slaapkamer, werkkast, zolder
deel van een woning - gevel
deel van een woord - foneem, letter, lettergreep, stam, syllabe
deel van een wortel - haarwortel, knol
deel van een wijk - buurt, straat, weg
deel van een zaag - handvat, spanraam, tand
deel van een zeeschip - brug, dek, lounge, promenadedek, ruim
deel van een zeil - rif
deel van een zeilboot - bakstag, bazaan, begijnenra, beretand,
berghout, bezaan, boegspriet, bolder, dirk, fok, fokkemast, fokval,
gaffeltopzeil, grootbramzeil, helmstok, kop, kiel, klik, kluiver,
koekoek, kluisgat, kruismast, kluiver, kluiverval, kluiverleider, lij,
mastkoker, nokval, roer, roerhengsel, scheg, schoot, stag, stagfok,
stagzeil, stampstok, stamstag, val, vlieger, voorscheg, voorsteven,
want, zetboord, zeil, zeilval, zwaard
deel van een zeil oprollen – reven
deel van een zelfstandig verhaal - episode
deel van een zendstation - antenne,microfoon
deel van een zin - bepaling, bijwoord, bijzin, gezegde, hoofdzin,
leesteken, onderwerp, voorwerp, woord, zinsdeel, zinsnede
deel van een zolder - zolderkamer
deel van een zuil - kapiteel
deel van een zwaard - blad, gevest, greep, heft, kling, lemmet,
lemmer
deel van het alfabet - letter
deel van het ambtsgewaad - bef, stool
deel van het bed -deken, kussen, laken, matras, peluw, sloop,
spiraal, sprei
deel van het bedrijfskapitaal - aandeel
deel van het been - dij, dijbeen, enkel, kuit, kuitbeen, knie,
scheen, scheenbeen, teen, voet, wreef
deel van het bestek - lepel, mes, vork
deel van het biljart - bal, band, keu, krijt, laken, lei
deel van het bovenlichaam - hals, oksel, scalp, skalp
deel van het celplasma - achromatine
deel van het chromosoom - gen
deel van het circus - piste, tribune
deel van het correspondentiemateriaal - ballpen, balpen,
ballpoint, bloknoot, blocnote, carbon, envelop, papier, pen,,
potlood, schrijfmachine, vulpen
deel van het daglicht – hemellicht, zonlicht
deel van het dak - balk, bedekking, bint, dakpan, gebint, goot,
hanenbalk, kapel, kapgebint, kapspant, koekoek, leer, lijst,
moerbalk, nok, raam, ruiter, spant, stoel, terras, tuin, venster,
vorst
deel van het dal - dalbodem, dalwand, glooiing, talud, terras
deel van het damspel - bord, damschijf, damsteen
deel van het delfstoffenrijk - bauxiet, erts, gas, goud, koper,
olie, steenkool, tin, zilver, kwikzilver
deel van het dierenlichaam - bek, hoef, klauw, kop, muil, poot,
romp, snavel, staart, vleugel
deel van het evenwichtsorgaan - utriculus
deel van het gebit - brug, gehemelteplaat, hoektand, kies, kroon,
melktand, oogtand, tand, verstandskies, vulling
deel van het gehemelte - huig, kaak, uvula, wervel
deel van het gelaat - gelaat, jukbeen, kaak, kin, koon, lip, mond,
neus, neusvleugel, oog, ooglid, oor, slaap, voorhoofd, wang,
wenkbrauw, wimper
-26deel van het geraamte - been, bekken, bot, rib, schede,l wervel
deel van het geweer - bajonet, borgveer, greep, grendel, haan,
kamer, kolf, korrel, lade, loop, magazijn, patroonhouder, slagpin,
sluiter, trekker, tromp, vizier
deel van het gezicht - zie: deel van gelaat
deel van het gezichtsorgaan - hoornvlies, iris, lens, netvlies,
oogbal, pupil
deel van het hart - hartenbloed, hartklepje, hartspier, hartkuil,
linkerboezem, linkerkamer, rechterkamer
deel van het hekwerk - deurtje, draad, gaas, opening, paal, poort,
post, raster, reling, spijl
deel van het hoofd - gebit, gelaat, haar, kaak, kin, kruin, lip,
mond, neus, oog, oor, oorschelp, schedel, slaap, wang,
wenkbrauw, wimper
deel van het hooggebergte - dal, del, top, keten, piek, ravijn, rots,
spits, steilte, vlakte, waterval
deel van het inwendig oor - aambeeld, doolhof, hamer,
slakkenhuis, stijgbeugel, trommelvlies
deel van het jaar - dag, herfst, jaargetijde, kwartaal, lente, maand,
najaar, nazomer, seizoen, semester, trimester, voorjaar,
voorzomer, week, winter, zomer
deel van het leger - artillerie, bataljon, brigade, commando,
compagnie, divisie, genie, groep, infanterie, kavalerie, kompagnie,
korps, landmacht, legerkorps, luchtmacht, marine, militie, peleton,
regiment, sectie, stoottroepen
deel van het lichaam - arm, been,borst, bovenarm, bovenlijf,
buik, hals, hand, hart, heup, hoofd, keel, leest, lendenen, lever, lid,
lies maag, milt, nek, oksel, onderlijf, rug, slokdarm, stuit, torso,
voet
deel van het lichaam tussen onder- en bovenlijf – middel
deel van het maagsap - maagzuur
deel van het middenoor -aambeeld, kamer, stijgbeugel,
trommelvlies, voorhof
deel van het Midden-Oosten - Arabië, Irak, Iran
deel van het onderlichaam - been, bil, dij, enkel, hiel, knie, kruis,
kuit, lies, scheenbeen, teen, voet
deel van het oog - corona, hoornvlies, iris, lens, lid, netvlies,
oogbal, ooglid, retina, traanklier, wenkbrauw, wimper
deel van het oor - aambeeld, doolhof, hamer, lel, oorbuis, oorlel,
schelp, slakkenhuis, stijgbeugel, trommelvlies
deel van het orgel - klavier, manuaal, pedaal, positief, pijp,
register, speeltafel, zwelkast
deel van het parlement - afgevaardigde, fractie, gekozene, kamer,
lid, partij, senaat
deel van het pentateuch – Deuteronomium, Exodus, Genesis,
Leviticus, Numeri
deel van het priesterlijk parament - stool
deel van het reglement - art., artikel, clausule, paragraaf
deel van het reukorgaan - neusbeen, neusgat, neuspunt,
neusvleugel, tussenschot
deel van het roer - blad, klik, roerpen, schacht
deel van het scheepstuig - ra, want, tuigage
deel van het schoeisel - hak, hiel, neus, punt, riem, veter, zool
deel van het schooljaar - semester, trimester
deel van het skelet- opperarmbeen
deel van het slot - binnenplaats, brug, gracht, kanteel, kelder,
muur, poort, toren, vertrek
deel van het spijsverteringskanaal - darm, maag, slokdarm
deel van het station - bagageruimte, hal, loket, perron, restauratie,
restauratiezaal, spoor, wachtkamer
deel van het strottehoofd - adamsappel
deel van het theater - deur, foyer, loge, podium, toneel, zaal
deel van het theeservies - kopje, lepel, lepelvaasje, melkkan,
schoteltje, suikerpot, theepot
deel van het toneeldecor - coulisse
deel van hetuitwendig oor - lel, schelp
deel van het tuig - broek, gareel, halter, hoofdstel, leidsel deel
van het vistuig - dobber, fuik, haak, hengel, leefnet, schepnet,
sim, snoer
deal van het voertuig - as, band, chassis, cilinder, klep, krukas,
lager, motor, rem, ruit, stuur, vliegwiel, wiel, zuiger deel van het
vogelkleed - pen, pluimage, veer
deel van het weefgetouw - palei, paleibalk, paleiriem, plei, polei
deel van het zeefbeen - hanekam
deel van het zeiltuig - dirk, fok, mast, schoot, stag, steng, val
deel van het zonnestelsel - aarde, maan, planeten, planetoïden,
sterren, sterrenbeelden
deelbaar - divisibel
deelcel - merocyt
deelgenoot aan vereniging - lid
deelhebben aan - participeren
deelhebber - aandeelhouder, compagnon, participant, partner,
vennoot
deelhebbers - partes, posteriora
deellijn - bissectrice, bissectrix, hoogtelijn, middelloodlijn,
zwaartelijn
deelnemen aan iets - meedoen
deelnemen in iemands verdriet - medeleven
deelnemer aan een betoging - manifestant
deelnemer aan een debat - debater
deelnemer aan een wielerwedstrijd - stayer
deelnemer aan een zeker spel - dammer, bridger, kaarter
deelnemer aan snelheidswedstrijd - racer, coureur
deelneming - compassie, condoleance, deelname, participatie,
sympathie
deelneming gevoelen - sympathiseren
deelneming tonen - belangstellen
deelpunt - splitsingspunt
deels - gedeeltelijk, half, partieel
deelstaat - kanton
deelstaat in Maleisië - Negara
deelstaat van India - Nagaland
deelstreep - afbeelding, bladwijzer, breukstreep, index
deelstuk - gedeelte
deelswijze - partieel
deelteken - trema
deeltje van een atoomkern - proton
deeltje van een hobo - riet
deeltje van een stof - vezel
deeltje van wol - vlok
deeltjes die men niet ziet met ultra-microscoop – amicronen
deeltjesversneller - cyclotron
deelweefsel - meristeem
deelwoord - participium
deemoed - berouw, eenvoud, nederigheid, onderworpenheid,
ootmoed
deemoedig - berouwvol, eenvoudig, kruiperig, nederig,
onderdanig, onderworpen, ootmoedig, slaafs, soumis
deemoedig vragen - bedelen
deemoedigen - vernederen
deemoedigheid - nederigheid, ootmoed
deemster - donker, duister, duisternis
deemsterig - donker, nevelig
Deens aardkundige - Steno
Deens amtshoofdstad 4 Ribe, Soro
5 Arhus, Ronne, Vejle
6 Abenra, Alborg, Odense, Roskilde
-278 Hillerot, Nykobing, Roskilde
10 Ringkobing
Deens beeldhouwer - Thorwalsen
Deens chemicus - Bohr
Deens componist - Bentzon, Berggreen, Bruhns, Gade, Jeppesen,
Riisager, Schytte
Deens Eiland - Aerö, Amager, Anholt, Bornholm, Falster, Funen,
Langeland, Lapland, Lolland, Mön, Saltholm, Samsô, Seeland,
Sjaelland
Deens fysicus - Bohr
Deens historicus – Arup
Deens koningsgeslacht - Estrididen
Deens natuurkundige - Oersted
Deens paard - draveros
Deens parlement - folketing
Deens schiereiland - Amager, Jutland
Deens schrijver - Aakjaer, Andersen
Deens sprookjesdichter - Andersen
Deens taalkundige - Hjelmslev, Rask
Deens theoloog - Kierkegaard
Deense dieptemaat – favn
Deense dog - molos
Deense drank – aquavit
Deense eerste kamer - Landsthing
Deense haven - Aarhuus, Esbjerg, Kopenhagen
Deense hond - dog
Deense hoofdstad - Kobenhavn, Kopenhagen
Deense koning 3 Dan
4 Erik, Gorm, Knut, Olaf, Sven
5 Johan, Niels
6 Herald
7 Godfred
8 Frederik, Waldemar
10 Christiaan
11 Christoffel
Deense letterkundige - Pontoppidan
Deense Luchtvaartmaatschappij - Danair
Deense munt - krone, kroon, öre
Deense plaats - zie plaats in Denemarken
Deense poolreiziger - Rasmussen
Deense Provincie - amt
Deense schilder - Agger
Deense schrijver - Dons
Deense sprookjesverteller – Andersen
Deense staatsman - Struensee
Deense stad - Aalborg, Aarhus, Esbjerg, Kopenhage, Odense,
Ribe
Deense vlag - Danebrog
deerlijk - bedroevend, danig, ellendig, erg, geducht, jammerlijk,
schrijnend, ziekelijk (gew), zeer, zwak (gew)
deerlijk gehavend - ontrampeneerd
deerlijk verzwakt - uitgeput
deern - dochter, hier, jongedochter maagd, maagdelijn, meid,
meisje, mokkel, vrijster
deerne - meid, sloerie
deernis - begaan, bewogenheid, compassie, ellende, erbarmen,
erbarming, mededogen, medegevoel, medeleven, medelijden,
ontferming, ontroering
deerniswaardig - beklagenswaardig, pitoyable, zielig
deerniswekkend - beklaaglijk, deerniswaard(ig), defalcatie
delaitistisch dom, ellendig, erbarmelijk, hartbrekend, jammerlijk,
meelijwekkend, mismoedig, moedeloos, piteus, rampzalig,
stakkerig, stom, zielig
defalcatie - korting, mindering
de facto - feitelijk, werkelijk
defaitisme - moedeloosheld, vertrouwenloos
defaitistisch - mismoedig, moedeloos, vertrouwenloos
defecatie - ontlasting, stoelgang
defect - beschadigd, beschadiging, caduc, feil, gebrek, gebroken,
geschonden, kaduuk, kapot, mankement, ondeugdelijk, onklaar,
storing, stuk
defectief - gebrekkig, ontbrekend, onvolledig
defensie - afweer, verdediging, verweer, weermacht
defensief - afwerend verdedigend, verwerend
defensief verband - NATO, NAVO, SEATO, ZOAVO,
Warschau-pact
deferentie - achting, eerbied, onderscheiding, ontzag
deferentitis - funicullitis
deficiëntie - gebrek, tekort
deficiëntie-ziekte - avitaminose
deficit - gemis, kastekort, manco, tekort
defilé - bergpas, corso, optocht, parade
definiëren - bepalen, omlijnen, omschrijven
definitie - begripsbepaling, bepaling, omschrijving
begripsomschrijving
definitief - afdoende, blijvend, finaal, positief,uiteindelijk, vast,
voorgoed, zeker
definitief zijn - vaststaan
definitieve regeling - beslag
deflatie - waardevermeerdering
deflegmatie - condensatie
deformeren - vervormen, misvormen
deformatie - misvorming, vervorming
defraudant (Fr.) - bedrieger, belastingontduiker, smokkelaar
deftig - aanzienlijk, achtbaar, afgemeten, chic, doctoraal,
eerwaardig, ernstig, fatsoenlijk (Z.N.), fier, gegoed, gekleed,
gewichtig, grandig (barg.), grave, honorabel, hoofs, imposant,
officieel, parmantig, plechtig, pompeus, prat, serieus, sjiek,
statelijk, statig, stijf, voornaam, vormelijk, waardig, wellevend
deftig, geleerd - doctoraal
deftig woord voor reeds - alreeds. alrede
deftig en fier - parmantig
degtig kleed - gewaad
deftig kostuum - smoking
deftig rijtuig - galakoets
deftig woord voor reeds - alrede, alreeds
deftige bril - lorgnon
deftige dame - douairière, freule, matrone, vrouwe
deftige dans - sarabande
deftige danspartij - galabal
deftige en bedaagde dame - matrone
deftiger dan eer - aleer
deftige tijdsbepaling - stond, stonde. ure
deftige vrouw - dame
deftige wijk in Londen - Mayfair
deftigheid - air, aristocratie, graviteit, noblesse, plechtigheid,
plechtstatigheid, statie, statigheid, voornaamheid, waardigheid
dégagement - dienstgang
de geboorte betreffend - nataal
degelijk - betrouwbaar, beproefd, braaf, bruikbaar, degelijk,
deugdelijk, deugdzaam, duurzaam, eerlijk, fidel, funk, gedegen,
geducht, goed, grondig, hecht, keurig, rondig, solide, stevig,
terdege, tof, waarlijk
degelijk voedsel - erwtensoep, hutspot, snert, stamppot,
winterkost
degelijke kennis - kunde
degelijkheid - boniteit, gedegenheid, hechtheid, soliditeit, sterkte
-28degelijke kennis - kunde
degelijk en goed - prima
degelpers - drukpers
degen - dagge, fleuret, floret, kling, rapier, sabel, schermwapen,
zwaard
degen (Sp.) - espada
degene aan wiens order een wissel is gesteld - nemer
degene die bekeurt - verbalisant
degene die op betaling aandringt - maner
degene wiens orderwissel gesteld is - nemer
degeneratie - achteruitstelling, decadentie, ontaarding,
terugzetting, verbastering, verdorvenheid, verlaging, verval
degenereren - ontaarden, verwilderen
degenhanger - bandelie, ceintuurr, koppel
degenkwast - dragon, troetel
degenstok - stekade, wapenstok
degenvis - pijlstaartrog
de gewoonte hebben - plegen
de grondbeginselen omvattende - elementair
de grote hoop - gros
de grote massa - publiek
de grote wereld - monde, society
de hand lezen - waarzeggen
de helft - half
de hielen lichten - vluchten
de hoogste waarde - maximum
de jongere - jr. junior
de jure - rechtens
de knop aan horloge - remontoir
de lezer heil - l.s.
de mensen - men
de moed benemen - ontmoedigen
de naam betreffende - nominaal
de onbekende - n.n.
de Oost - Indië
de openbare mening - men
de oudere - senior, sr.
de vijf boeken van Mozes - Pentateuch
degoutant (Fr.) - afschuwelijk, onsmakelijk, walgelijk
dagoûtant - afschuwelijk, onsmakelijk, walgelijk
degradatie - achteruitgang, achteruitstelling, terugstelling,
terugzetting, verlaging
degraderen - achteruitstellen, terugstelllen, terugzetten, verlagen
degoût (Fr.) - afkeer, walging
degressie - afneming, daling
degressief - afnemend, dalend
dehydrateren - ontwateren
dehydreren - draineren
dehydrogeneren - oxyderen
deïficatie - vergoddelijking
Dei Gratia - D. G.
deiktisch - aanwijzend
deimt - dagmaat
dein - stijfkop
deinen - golven, kabbelen, wiegelen, wiegen
deinen van water - kabbelen
deiner - stijfkop
deining - beroering , beweging, branding, drukte, golfbeweging,
golving, onrust, opschudding, remous, rolling, rumoer,
trammelant, wiegeling, zeegang
deinmachine - jigger
deinoor - stijfkop
deinzen - afgaan, teruggaan, weggaan, wijken
deinzing - aftocht, terugwijking
dejeuneetje - ontbijtstel
dejeuner (Fr.) - koffiemaal, lunch, ontbijt
dejeuneren - lunchen
de jongere – junior
de juiste maat - passend
dejure - rechtens
dek - bedekking, deken, kleed, laken, plaid, scheepsvloer,
sneeuwdek, sneeuwkleed, sprei, wade
dek om de benen te warmen - plaid
dek over een bed - sprei, sierdeken
de kat uit de boom kijken - wachten
dek van verschillende lapjes - bedelaarsdeken, lappendeken
dekaliter - dal
dekbalk - architraaf, sloof
dekbed - bovenbed
dekblad – plaat, schutblad
de keerkringslanden - tropen
deken - beschutting, decaan, decanus, dek, dekkleed, doyen,
hoofd(man), oudste, overman, overste, paardedeken, plaid,
priester, reisdeken, sierdeken, sprei, tienman, winterdeken,
zomerdeken
deken der Mexicaanse ruiters - sarape
deken van verschillende lapjes - bedelaarsdeken, lappendeken
dekenvlag - flab
deken, wollen - plaid, sarg(i)e, serge
dekgroen - chromaatgroen
dekken - afsluiten, bedekken, behoeden, beschermen, beschutten,
bespringen, bevruchten, goedmaken, schutten, verbergen,
vergoeden, waarborgen
dekking - bedekking, bescherming, beveiliging, bevruchting
terreinverheffing, zekerheid
dekkleed - couverture, dek, deken, hoes, kleed, plaid, presenning,
sprei, tafellaken, wagenzeil
dekkleed op bed - sprei
dekkleed van paarden - maankap, schabrak
dekknecht - runner
deklaag - bovenlaeg
deklaag van de hoornwand van een paardehoef - glazuurlaag
de klankladder zingen - solfeggiëren, solmiseren
de klemtoon leggen - accentueren
deklijst - neuslijst
dekmantel - façade, masker, mom, schijn, voorwendsel
deknaam - pseudoniem, schuilnaam
dek op bed - deken
dek op matras - laken
dekplaat - sluitsteen, vloersteen, vloertegel, zerk
dekplaat van een kapiteel - abacus
dekplaatje - schub
dekriet - dakbedekking, glui, glei, gleis, halriet
dekschild - vleugelschild
dekschoor - dekstijl
deksel - afsluiter, afsluiting, hul, klap, klep, lid, sluiting
deksel boven de onrust in een uurwerk - kalot
deksel of klep - luik
deksel van een doodkist - roef
deksel van een miskelk - panteen
deksels - bliksems, donders, drommels, duivels, verdomd,
verduiveld
dekstier - rijstier, springbul
dekbed - bovenbed
dekblad - bovenblad, schutblad
dekstoel - mailstoel
dekstof - mineraal
dekstro voor planten - mulch
-29dekstuk - dak
dekstuk van een cementen put - kruinstuk
de kuierlatten nemen - vluchten
dek van verschillende lapjes - lappendeken
dekverf - menie
dekvogeltje - baardmees
dekvrucht - bovenvrucht
dekwerk - blindering
dekwit - litopoon
dekzwabber - stormstagzeil
de kunst van waarzeggen - mantiek
de kunst van Klein-Azie - Levant
dekwerk - blindering
del - corrosiedal, dal, duinvallei, flap, flard, kuil, laagte, lellebel,
slet, slons, vallei, vod
del tussen twee banken langs de kust - mui
de laatse wedstrijd - finale
de landingsplaats van Noach - Ararat
delatie - aanbrenging, verklikking
Delaware, hoofdstad van – Dover
deleator - weglatingsteken
delegatie - afvaardiging, commissie, deputatie, opdracht,
overdracht
delegeren - afvaardigen, deputeren, overdragen
delen - doorhakken, halveren, rekenen, scheiden, splijten, splitsen,
verdelen
delen (med.) - schisma
delen van een etmaal - uren
delen van de provincie Groningen - Ommelanden
delen van een legering - gehalte, karaat
delen van lichaam - leden, ledematen, organen
delf - gracht, greppel, sloot
delfhamer - pikhamer
delfinium - ridderspoor
delfisch - orakelachtig, raadselachtig
delfplaats - groeve, mijn
delfplaats van een steensoort - marmergroeve
delfster - graafster
delfstof – aardolie, amaril, bariet, bauxiet, bruinsteen,
edelgesteente, edelsteen, erts, gesteente, gips, git, glimmer, gneis,
goud, grafiet, graniet, griffellei, koln, kopererts, lei, mangaan,
meerschuim, mergel, metaal, mica, mineraal, natron, nefriet, oer,
paragoniet, radium, salpeter, smergel, spaat, spiegelerts,
spiegelspaat, steen, tin, uraan, uranium, veldspaat, ijzer,
zilverzwavel, zwavel
delfstof voor kunstvoorwerpen - jade
delfstof die metaal bevat - erts
delfstofbeschrijving - mineralografie
delfstoffelijk - mineraal
delfstoffenrijk - mineralenrijk
delfstofhoudend – mineraal
delfstof van Banka - tin
delfstofkunde - mineralogie
delfstofkundig - mineralogisch
delfstofkundige - mineraloog
Delftenaar - kalfschieter
Delfts aardewerk - plateel
Delftsblauw - plateel
Delfts orakel - Grotius
Delftse plateelsoort - clapmut
Delfts schilder - Vermeer
delfwerk - graafwerk
delg uit - dele (Lat.)
delgen - afbetalen, aflossen, amortiseren, mortificeren, tenietdoen,
voldoen
delgen door betaling van schulden - amortiseren
delging - afbetaling, aflossing, vereffening
delging van een schuld - amortisatie
delgingsfonds - amortisatiefonds
delguit - dele
Deli, stad in - Medan
deliberatie - beraadslaging, overleg, overweging, redenering,
weegschaal
delibereren - afwegen, beraadslagen, overleggen, redeneren,
delicaat - broos, delicieus, frêle, fijn, gevoelig, fijn voelend,
hachelijk, heerlijk, kies, kieskeurig, lekker, moeilijk,
nauwnemend, netelig, te(d)er, teertjes, tenger, welsmakend,
welsprekend, zwak
delicatesse - fijnheid, fijnkost, kiesheid, lekkernij, tederheid
de lichtste kleur - wit
delicieus - déli, (over)heerlijk, kostelijk, verrukkelijk
delict - misdaad, misdrijf, misstap, overtreding, vergrijp
delimitatie - afbakening, begrenzing, grensbepaling
delimiteren - afbakenen, begrenzen
delineatie - afbakening, grondtekening, omlijning, plan, schets,
tekening
deling - deelsom, divisie, halvering, scheiding, schisma, verdeling
delingsuitkomst - quotient
delinquent - boosdoener, dader, misdadiger, overtreder,
schuldige
delireren - ijlen
delirium – dronkemanswaanzin, razernij, waanzin,
waanzinnigheid, ijlkoorts
delirium tremens - dronkemans waanzin
dellig - deluw
delling - glooiing, kuil, laagte, put
del of slet - sloerie
deloyaal - oneerlijk, onoprecht, ontrouw
delta - rivierarm
deltavormig - deltoïdeus
delte - hooischelf, hooizolder
deluw - beschut
delven - graven, opgraven, rooien, (uit)spitten, woelen, wroeten
delver - graver, spitter
de maat opnemen - opmeten
demagnetiseren - degaussen, relegatie, verbanning
demagogie - volksbedrog, volksmisleiding, volksverleiding
de man die de kosten mag dragen - Sijmen
demagogie - volksbedrog, volksmisleiding
demagogisch - oproerstokend
demagoog - opruier, stoker, tiran, volksbedrieger, volksleider,
volksmenner, volksmisleider
demarcatie - afbakening, grens, grensscheiding,
demarcatielijn - grenslijn, scheidingslijn, grenslijn
demarcatietroepen - grenstroepen
demarche - poging, stap
demarkeren - afbakenen, delimiteren, ontmaskeren, ontsnappen
demarreren - uitlopen, versnellen
demaskeren - ontmaskeren
dematerialisatie - ontstoffelijking
demee - temet
de mensen - publiek
de mensenmoordenaar onder de paddenstoelen - amaniet
dement – afgetakeld, zwakzinnig
dementeren - logenstraffen, ontkennen, tegenspreken
dementi – loochenen, logenstraffing, loochening
dementie - aftakeling
demi - herenjas, overjas
-30de mindere – minor
demimondaine - courtisane
demissie - ontslag
demissionair - aftredend
demitteren - ontslaan
demiurg - wereld bouwer
democratie - volksregering
de moed benemen - ontmoedigen
de moed hebben - durven
de moeite waard - lonend
demografie - volksbeschrijving
demolitie - afbraak, sloping
demon - belzebub, droes, duivel, duivelskind, geest, ikker,
monster, nikker, satan, slechtaard, spook, wezen
demon in wolfsgedaante - fenrir, fenris, fenriswolf
demon van de Annamieten - malai
demonie - bezetenheid
demonisch - diabolisch, duivels, sardonisch, satanisch
demonisch wezen - sirene
demonstrant - betoger
demonstratie betoging, show
demonstratie bij het schermen - assaut
demonstratief - aantonend
demonstratieve bijeenkomst - toogdag
demonstreren - aantonen, aanwijzen, betogen
demontabel - uitneembaar
demontage - ontmanteling
demonteren – ontmantelen, slopen
demoraliseren - afstompen, ontmoedigen
dempen - afzwakken, bedwingen, dichtgooien, dichtmaken,
dimmen, doven, onderdrukken, plempen, plompen, temperen,
volgooien, uitmaken, volstorten, vullen
dempen van licht - dimmen
dempen van vuur - smoren
demper - dimmer, (muz) sordino
demper bij muziekinstrument - etouffoir, sordino, sourdine
demper bij vuurwapen - knaldemper
dempingsvlak - stabilo
dempig - aamborstig
demulgeren - ontmengen
den - bergvloer, bergzolder, dorsvloer, spar
den lezer heil (Lat.) - l.s.
de naam betreffende - nominaal
denappel - dennekop, dennepeer, pijnappel
denarius (Rom.) - zilvermunt
denderen - daveren, dreunen, schokken, rammelen, trappelen
denderend - geweldig, heerlijk, knal, prachtig
dendriet met afbeeldingen van planten, dieren enz. – nemoliet
dendrograaf - boombeschrijver
dendrologie - boomkunde
Denemarken, eiland behorende tot 3 Als, fyn
4 Aerö, Fanö, Manä, Moën, mors, Romö
5 Alsen, Funen, Laëso
6 Amager, Anholt
7 Faeroër, Falster, Laaland, Lolland, Seeland
8 Bornholm
9 Groenland,Langeland, Slaelland
Denemarken, stad in - Aarhus, Kopenhagen, Odense
dengue - knokkelkoorts
denigreren - geringschatten, kwaadspreken, zwartmaken
de nieuwe volkenbond - UNO, VN
denim - katoen
denk - mening
denkbaar - bestaanbaar, denkbeeldig, mogelijk, voorstelbaar
denkbeeld - beeld, begrip, beschouwing, besef, droombeeld,
dunk, gedachte, idee, inval, mening, notie, opvatting, plan, utopie,
verbeelding, voornemen, voorstelling, zinsbegoocheling
denkbeeldig - abstract, fictief, ideaal, ideëel, illusoir, ingebeeld,
imaginair, irreëel, onecht, onwerkelijk virtueel, visionair,
verzonnen
denkbeeldig boze man - boeman
denkbeeldig gebied - sfeer
denkbeeldig gelukkige staat - Utopia
denkbeeldig land - Lilliput, Luilekkerland, Utopia
denkbeeldig punt aan de horizon - zenit
denkbeeldig spook - boeman
denkbeeldige cirkel om de aarde - equator, evenaar, keerkring,
linie, meridiaan, parallel, poolcirkel
denkbeeldige lijn - equator, evenaar, grens, meridiaan, r.g.
denkbeeldige lijn over plaatsen met dezelfde diepte - isobaat
denkbeeldige lijn over plaatsen met dezelfde hoogte - contour,
hoogtelijn, isohypse
denkbeeldige lijn over plaatsen met dezelfde luchtdruk isobaar
denkbeeldige lijn over plaatsen met dezelfde temperatuur isotherm
denkbeeldige lijn over plaatsen met even grote afwijking van
de kompasnaald - isogoon
denkbeeldige lijn over plaatsen met even grote versnelling
van de zwaartekracht - isogamme
denkbeeldige lijn over plaatsen waarbinnen eenzelfde
taalverschijnsel voorkomt - isoglosso
denkbeeldige lijn over toestanden met dezelfde entropie
(natuurk.) - isentroop
denkbeeldige lijn over toestanden met hetzelfde volume
(natuurk.) - isochoor
denkbeeldige lijn tussen in evenwicht verkerende toestanden
(natuurk.) - nodenlijn
denkbeeldige spil - aardas
denkbeeldige staat - Utopia
denkbeeldige stof die bij verbranding ontwijkt - flogiston
denkbeeldige winst - imaginair
denkelijk - misschien, mogelijk, vermoedelijk, waarschijnlijk,
wellicht
denken - menen, mijmeren, onderstellen, oordelen, peinzen,
piekeren, vermenen, vermoeden
denken aan – herinneren
denken en leven als één beschouwend - exiphentieel
denken over - nadenken, zinnen
denker - filosoof, geleerde, intellektueel, Plato, peinzer, wijsgeer,
wijsgerige, Zeno
denkkracht - intelligentie
denkleer - logica, noëtica, redeleer, redeneerkunst
denkrichting - stroming
denkrichting die alles aanvaardt wat met het verstand kan
worden begrepen - rationalisme
denkrichting die alles beoordeelt naar het nut voor de mensen
- utilitarisme
denkrichting die leert dat alle kennis betrekkelijk is relativisme
denkrichting die leert dat ervaring de enige bron is van alle
kennis - empirisme
denkrichting waarin alle nadruk valt op het individu en zijn
bestaan - existentialisme
denksport - dammen, kaarten, puzzelen, schaken
denkstoornis - dwaling
denkverlegenheid - aporie
denkvermogen - brein, denkkracht, denkwerk, doorzicht,
-31hersenarbeid, intellekt, intelligentie, inzicht, logos, ratio, rede,
verstand
denkverlegenheid - aporie
denkwijze - gevoelen, idee, mening, mentaliteit, oordeel, opinie,
opvatting, psyche, richting, sentiment, tijdgeest, zienswijze
denkwijze als levensopvatting - bolsjewisme
denkwijze die zich niet aan de wetten wil onderwerpen antimonisme
denkwijze in een bepaalde periode – tijdgeest
denk-en voorstellingsvermogen - geest
den lezer heil - (Lat.) L.S.
dennenappel - naaldgewas
dennenboom - den, naaldboom, pijnboom
dennenbos - naaldbos, pijnbos
dennenhout - grene
dennekop - denneappel, pijnappel
dennemoorder - dennewortelzwam
denneolie - kienolie
dennepaal - perkoen, perkoenpaal
dennepapegaai - kruisbek
dennenpijnboom - mast
dennestam gedeeltelijk vierkant beslagen - ellen(s), juffer
dennewortelzwam - dennemoorder
denning - moutzolder
denominatie - naamgeving, sekte
denonceren - aangeven, kennisgeven, verklikken
densimeter - dichtheidsmeter
densiteit - dichtheid
dentaal - tandletter
dentist - tandarts, tandheelkundige
denudatie - blootlegging, ontbloting
denunciateur - aanbrenger, aangever, verklikker, verrader
denunciëren - aangeven, verklikken
den voor kerstfeest - kerstboom
deodorant - reukwater
deontologie - plichtenleer
de oudere - major, senior
de oudste brieven hebben - voorrang
departement - Dep., Dept.,gewest, ministerie, provincie
departementshoofd (Fr.) - prefect
departitie - omslag, overslag
depêche (Fr.) - bericht, mededeling, telegram
dependance - bijgebouw, filiaal
dependentie - afhankelijkheid
dependeren - afhangen
de plaat poetsen - vluchten
deplorabel - betreurenswaardig, jammerlijk
depilatoria - ontharingsmiddelen
deplaceren - extraheren, uittrekken
depletie - lediging
deployeren - ontwikkelen
deponent - bewaargever
deponeren - neerleggen, neerzetten, overleggen, plaatsen
deportatie - relegatie, verbanning
deportatie naar overzeese gebiedsdelen - relegatie
deportatieoord - bagno, concentratiekamp, strafkolonie
deporteren - wegvoeren
depositie - getuigenis, verklaring
deposito - inbewaargeving, inleg
depot - agentschap, arsenaal, bergplaats, bergruimte,
bewaargeving, bewaring, bezinksel, filiaal, magazijn, nederlaag,
opslagplaats
depot van legergoederen - dump
depotwinkel - filiaal
depouilleren - beroven, uitkleden
deppen - betten
depravatie - ontaarding
depreciëren - devalueren
depreciatie - waardevermindering, geringschatting
depressie - bekken, crisis, gedruktheid, inzinking, kommer,
melancholie, onderdruk, storing, zwaarmoedigheid
depressie van de horizon - kimduiking
depressief - neerslachtig
depressieverschijnsel - barometerdaling, bewolking, mist, regen,
storm
deprimeren - neerdrukken, ontmoedigen
deputaat - afgevaardigde
deputatie - afvaardiging, bezending, delegatie
deputeren - afvaardigen, delegeren
deraillement - ontsporing
derailleren - hinderen, ontsporen, storen
derailleur - fietsversnelling
derangeren - afsluiten, belemmeren, beletten, eindigen, hinderen,
onderbreken, ontrieven, ophouden, staken, storen, ontrieven,
tegengaan, uitscheiden, verbreken, verhinderen, vernietigen,
versperren, verstoren, verwoesten
derde - buitenstaander, tertium
derde (het) - tertiair
derde jaargetij - herfst
derde letter van het Griekse alfabet - gamma
derde maag - bladmaag, boekmaag, boekpens
derde maag van herkauwer - boekmaag
derde maand - lentemaand, maart,
derde maand in het republ. jaar in Frankrijk - rijpmaand,
trimaire
derde macht - kubiek
derde naamval - datief, dativus
derde part - derde deel
derdepartij in een strijkkwartet - alt(viool)
derde persoon - het, hij, zij
derde planeet van ons zonnestelsel - aarde
derde prijs - brons
derde seizoen - herfst, najaar
derde stand - bourgeois, bourgeoïs, burgerij, poorters
derde toon van de grondtoon af - terts
derde toon van de toonladder - mi
derde wissel - tertia
derde woord in sprookjes - eens
derde zondag in juni - vaderdag
derde zondag na de vasten - oculi
derde zoon van Adam - Seth
derde zoon van Jacob en Lea - Levi
derdepart - derdedeel
deren - beletten, hinderen, kwaaddoen, kwetsen, schaden,
verdrieten, verwonden, wonden
derf - klef, ongaar
dergelijk - danig, diergelijk, dusdanig, overeenkomstig,
soortgelijk, zodanig, zoiets, zulk
dergelijk voorwerp - zoiets
dergelijke - derg, dgl, soortgelijk
derhalve - bijgevolg, daardoor, daarom, des, deswege, dies, dus,
ergo, igitur, mitsdien, vandaar, zo
de rit uitzitten - volharden
derivaat - afgeleide, afleiding
derivaat van aardolie - benzine
derivaat van kinine - euchinine
derrivaat van petroleum - vaseline
derivatie - afgeleid, afleidend, afleiding, afwijking,
-32woordafleiding
derma - huid
dermate - diermate, dus, dusdanig, zo, zodanig, zulks
dermatologie - huidgeneeskunde
dermatoloog - huidarts
dernier - laatste
derogatoir - afschaffend, vernietigend
de ronde doen - omlopen
derrick (Eng.) - boortoren
derrie - bagger, blubber, darg, darink, drek, modder, slijk, slik,
veen, vuil
derrière - achterste, achterwerk, billen, kont, zitvlak
dertien - boerendozijn, ongeluksgetal
dertien dagen na Kerstmis - Driekoningen
dertien regelig gedicht - rondeel
dertienavond - driekoningen, Epifanie
dertiendag - Driekoningen, Epifanie
dertiende toon van de diatonische toonladder - tredecima
dertiger - volwassene
dertig hectoliter - last
dertig hl rogge - roe
dertigponder - zoldernagel
derven - missen, ontberen, verliezen
derving - gebrek, gemis, ontbering, tekort
derving van rente - renteverlies
derwaarts - daarheen, ginds
derwijze - zo, zodanig, zozeer
derwisj - (bedel)monnik
des - daarom, derhalvedus, drukte, dus, ergo, leven, plezier
desa - kampongzie dessa
desalniettemin - toch, evenwel, nochtans
desastreus - heilloos, noodlottig, rampspoedig, rampzalig
vernietigend
desavoueren - wraken, loochenen
desbetreffend - adhoc, daartoe
Descartes. Beroems werk van - Geometrie
descedent - afstammeling,
descendentie - afstamming, nakomeling
descendentieleer - afstammingsleer, transformatietheorie,
transmutatietheorie
descriptief - beschrijvend
des duivels - hels
desem - gist, zuurdeeg
des namiddags (afk) - pm (post meridiem)
des te eerder - geredelijk, gereder,
des te minder - veelmin
des voormiddags - am
deserteren - drossen, overlopen, weglopen
deserteur - drosser, glipper, overloper, wegloper
desesperen - wanhopen
desgelijks - dito, (even)zo, idem, id
deshabillë - achtgewaad
desideratum - wens, verlangen
de sigaar zijn - pineut
designatie - aanwijzing
desillusie - ontgoocheling, strop, tegenvaller, teleurstelling
desinfecteren - ontsmetten
desinfecterend - antiseptisch
desinfecterend middel - alcohol, antisepticum, carbol, carboline,
carbolineum, carbolzuur, formaline, jodium, lysol, paraform,
phenol, formol, sublimaat
desinfecterend mondwater - odol
desintegratie - splitsing
desintegrator - slingermolen
desintegreren - splitsen, uiteenvallen
desistement - afstand, intrekking
desisteren - intrekken
deskundig - abel, bedreven, bekwaam, capabel, ervaren, expert,
kenner, onderlegd, specialist
deskundig leider - supervisor
deskundig onderzoek - expertise
deskundig onderzoek van de vingertoplijnen - dactyloscopie
deskundig raadgever - consulent
deskundig speurwerk - research
deskundige – autoriteit, competente, consulent, expert, insider,
kenner, meester, onderlegde, specialist, vakman,
deskundige arbeider - vakman
deskundige inzake bacteriën - bacterioloog
deskundige inzake delfstoffen - mineraloog
deskundige op het gebied van de zielkunde - psycholoog
deskundige op het gebied van de zielsziekten - psychiater
des namiddags - p.m.
desniettegenstaande - desniettemin, echter, evenwel, maar, toch
desnoods - eventueel
desolaat - bedroefd, berooid, droevig, evenzogoed, failliet,
ontrederd, ontroostbaar, troosteloos, verlaten, weliswaar, woest
desondanks - desalniettemin, desniettemin, echter, evenwel,
niettemin, nochtans, toch, trots
desorde - verwarring, wanorde
desorder - wanorde, verwarring
desorganisatie - ontbinding
desoxydatie - reductie
despectief - geringschattend
desperaat - hopeloos, radeloos, wanhopig
desperado - waaghals, wanhopige
despoot - alleenheerser, autarch, autocraat, dictator, diktator,
dwingeland, gebieder, heerser, machthebber, onderdrukker,
overheerser, tiran
despotisme - alleenheerschappij, dictatuur, dwingelandij
desquamatie - afschilfering
dessa - kampong
dessajongen - koetjiah
dessert - gebak, fruit, kaas, nagerecht, naspijs, pudding, toetje,
toespijs, vla
dessertvrucht - ananas, meloen, peer, perzik, druif, pruim, noot.
dessin - ontwerp, patroon, tekening
dessin van kleine ruitjes - pepita
dessous - achtergrond, lingerie, ondergoed
de sterren betreffende - astraal
destijds - indertijd, toen, toenmaals, toentertijd, voorheenvroeger
destilleerkolf - alambiek, kolffles, kromhals, retort
distileren - brouwen, slijten, stoken
destinatie - beschikking, bestemming, doel, lot
destineren - beschikken, bestemmen
destroyer - torpedobootjager
destructie - vernietiging, verwoesting
destructief - vernietigend, verwoestend
destijds - eertijds, indertijd, toen, toenmaals, toentertijd,
voorheen, voormaals
detachement - troepenafdeling
detacheren - legeren, stationeren
detachering - legering, stationering
detacheringstijd - stage, stagiaat
deswege - daarom, vandaar
detail - bijzonderheid, finesse, klein, onderdeel
detailhandel - kleinhandel
detaillist - kleinhandelaar
detailprijs - kleinhandelprijs
-33detective – onderzoeker, politiespeurder, rechercheur, rus,
speurder, stille
detective, nodig voor - combinatievermogen, deductievermogen
detectiveroman - speurdersroman
detectiveschrijvers - Baantjes, Ivans, Simenon
detective uit Havank - Carlier, Schaduw, Silvere
detentie - opsluiting, hechtenis, gevangenisstraf
detergens - wasmiddel
determinatie - bepaling, besluit, vaststelling
determinatief - bepalend, bepalingaankondigend
determineren - bepalen, bestemmen, vaststellen
determinisme - noodwendigheidsleer
detestabel - afschuwelijk, verfoeilijk
de toekomst voorspellen - waarzeggen
detonatie - explosie, ontploffing
detonator - ontploffer
detoneren - exploderen, ontploffen
detremperen - ontharden
detriment - nadeel, schade
detritie - ablatie
deugd - braafheid, eerlijkheid, goedheid, rechtschapenheid, virtus,
zedigheid
deugdelijk - afdoend, beproefd, betrouwbaar, bondig, braaf,
bruikbaar, degelijk, eerlijk, excellent, geducht, gegrond, geldig,
geschikt, gezond, goed, grondig, krachtig, kredietwaardig massief,
opperbest, prima, probaat, safe, stevig, valide, solide, uitstekend,
vast, werkelijk, zeker
deugdelijkheid - boniteit, eminentie, fermiteit, flink, grootheid,
kwaliteit, perfectie, soliditeit, zekerheid
deugden in praktijk brengen - oefenen
deugdleer - aretologie
deugdzaam - betrouwbaar, braaf, braafheid, bravigheid, degelijk,
deugdelijk, deugdelijkheid, deugdzaamheid, eerzaam, geschikt,
goed, oppassend, plichtmatig, rechtgeaard, rechtschapen, rekel,
vroom, zedelijk, zedig
deugdzaamheid - braafheid, deugdelijkheid
deugniet – aap, apenkop, aterling, belhamel, bengel, boef,
boosdoener, booswicht, brak, brak, doerak, fielt, galgenaas,
galgebrok, gamin (Fr.), guit, kapoen , kataas, kwajongen,
lammeling, leur, lomp, lorejas, losbol, misdadiger, ondeugd,
onverlaat, polisson, pook (Z.N.), prul, rabauw, raddraaier, rakker,
rekel, reu, schalk, schavuit, schelm, scherts, schimpnaam,schobbejak, schoft, schooier, schurk, snoodaard, stouterd, vlegel,
vlerk, vos, wolf
deugnieterij - schelmerij
deuk - bluts, buil, bult, buts, dut, gleuf, holligheid, indruksel,
induw, instulping, knak, schaarde
deuken - butsen, inbuigen, knauwen
deukje - pik
deun - air, armoedig, doorn, gierig, haagdoorn, inhalig, last,
lied(je), melodie, moeite, smartlap, straatliedje tune, wijs(je)
deunen - klinken
deunheid - gieribheid, karigheid
deuntje - air, liedje, wijsje
deur – afsluiting, binnenloop, doorgang, entree, ingang, toegang,
poort, uitgang, uitloop, val
deur aan de voorkant - voordeur
deur aan de zijkant - zijdeur
deur in een grote poortdeur - klinket, winket
deur in een sluis - rinket
deurbeslag - grendel, hengsel, plaatwerk, slot
deurboogveld - timpaan
deurgat - deuropening
deurgrendel - knip
deurhanger - knier, scharnier
deurhengsel - heng
deurik - pin, stop
deurknop - klink, kruk, kunk
deurlijst - stijl
deurmat - voetveeg
deurnis - portaal
deuropening - deurgat
deur-of muurvlak - paneel
deurtje is sluisdeur - rinket
deurpost - stijl
deurraampje - guichet, klinket, loket
deurschel - gel
deurslot met een ronselslot - pookwilslot
deursluiting - klink, knop, kruk, slot
deurstijl - deurpost
deurtelefoon - parlofoon
deurvoorhang - porti�re
deurwaardersexploit - assignatie
deurvlak - paneel
deurwachter - concierge, janitor, portier
deur aan de achterkant - achterdeur
deur aan de voorkant - voordeur
deur aan de zijkant - zijdeur
deurtje in grote deur - klinket
deur van een auto - portier
deurvlak - paneel
deurwachter - concierge, portier
deutel - pin, plug, schroefbout, schroefpin, vatstop
deuterium - waterstofisotoop
deuterium, kern van - deut(er)on
deuvekater - kerstbrood
deuvekaters - drommels
deuvik - pen, plug, stop, tap
deuvikwortel - peen
deuzig - duizelig
devaluatie - ontwaarding, waardevermindering
deveine - ongeluk, strop, tegenslag, tegenspoed, tegenvaller
wanbof
Deventer koek - kruidkoek
devesteren - ontzetten
deviatie - afwijking, koersverandering, ombuiging, omlegging
devies - blazoen, emblema, kernspreuk, leenspreuk, lemma, leus,
leuze, lijfspreuk, motto, parool, spreuk, trefwoord, wachtwoord,
wissel, zin(spreuk )
devies van infanterie - nulli cedo
deviezen - valuta
devolveren - afwentelen
Devoon, etages van het - Eifelien, Emsien, Famennien, Frasnien,
Givetien
De voorste zijn - eerste
devoot - dicht, diep, diepst, godvruchtig, innig, intiem, kwezel,
pieus, toegewijd, vroom
devotie - godsvrucht, piëteit, vroomheid
de vroege mogenuren - morgenstond
de weg wijzen - leiden
de wijk nemen - vluchten
dewijl - daar, omdat
dextrose - druivesuiker
de zak geven - ontslaan
deze keer - dit maal
dezelfde - eigenste, enerlei, idem, id., item, it.
deze niet alleen - k.a.
deze of gene - niemand
-34dezer dagen - binnenkort, eerdaags, laatst, onlangs
deze wereld vol ellende - tranendal
dezelfde betekenis hebbend - analoog
dezelfde hoeveelheid als boven recepten - ana
dezelfde hoofdpersonen bevattende boeken - trilogie
dezelfde mening hebben - samengaan
dezer dagen - laatst, onlangs
dezer maand - d.m.
dezes jaars - d.j.
de ziel - geest
dia - diapositief, lichtbeeld
diabaas - doleriet
diabetes - suikerziekte
diabolisch - duivels, hels, sardonisch, satanisch
diaconaat - armenzorg
diacones - liefdezuster, pleegzuster
diaconie - armenzorg
diaconiehuis - arm(en)huis
diaconieschool - armenschool
diacoon - verplager
diacritisch - onderscheidend
diadeem - haarsieraad, haartooisel, hoofdtooi, kroon, sieraad
diafaan - doorschijnend
diaforese - uitwaseming
diafragma - middenrif
diafragmapomp - kattekop
diagonaal - hoekpuntslijn, overdwars, schuin,
diagonaal weefsel - keper
diagonaalsgewijs - hoekswijs, overdwars, overhoeks, schuin
diagram - grafiek, notenbalk, schema, schets
diaken - armenverzorger
diakonie - armenverzorging,
dialekt - Amsterdams, boerenspraak,boerentaal, gewestspraak,
gewesttaal, gouwspraak, Haags, ideoom, patois, plat, Rotterdams,
spraak, streekspraak, streektaal, tongval, volksspraak, volkstaal,
zeemanstaal
dialect in België - Wars
dialectenwoordenboek - idioticon
dialectkunde - dialectologie
dialektiek - denkleer, logica, redeneerkunde,
dialektleer - dialectologie
dialekt Nederlands - Achterhoeks, Betuws, Brabants, Drents,
Flakkees, Gronings, Overijssels, Saksisch, Stadfries,
Stellingswerfs, Twents, Utrechts, Veluws, Westfries, Twents,
Zeeuws, Zuid-Limburgs
dialectwoord voor nabuurschap - naberschop
dialoog - discussie, gesprek, samenspraak, tweespraak,
tweegesprek
dialysetoestel - dialysator
diamant - adamant, briljantnaat
diamant die dubbel kristal is - naat
diamantafval - afslijpsel, boort, broos
diamant, beroemde - Adamant, Cullinan, Excelsior, Grootmogol,
Koh-i-noor, Orlow, Regent, Shah
diamantbewerker - klover, roosjesslijper, splijter
diamantgewicht - grein, karaat
diamanthandelaar - diamantair
diamantkever - briljantkever, juweelkever
diamantleverancier - Angola, Brazilië, Ghana, Ivoorkust, Kongo,
Liberia, Tanzania, Venezuela, Zuid-Afrika
diameter - doorsnede, middellijn
diamantleverancier, een der voornaamste - Ghana, Kongo,
Zuid-Afrika
diamantpoeder - boort
diamantslijpsel - afval, boort, katteersel
diamantslijping - briolet
diamantslijpschijf - cadran
diamantslijpsel - boort
diamantspaat - korund
Diana - Artemis
diameter - doorsnede, middenlijn
diametraal - tegenovergesteld
diapause - rustperiode
diapositief - dia
diarium - dagboek, journaal, legger
diarree - buikloop, loop, loslijvigheid
diascopie - doorlichting
diaspora - verstrooiing
diastimeter - afstandsmeter
diatomeeën - kiezelwieren
diatomeeënaarde - diatomiet, infusoriënaarde, kiezelgoer
diatomiet - diatomeeënaarde, infusoriënaarde, kiezelgoer
diatonische toonreeks - tirade
diatribe - betoog, voordracht
dichotomisch - gegaffeld
dicht - aaneengesloten, (af)gesloten, bestaand, compact,
consistent, diepst, echt, gedicht, gesloten, innig, intiem, kompakt,
luchtdicht, madrigaal, massief, nauw, ongeopend,
ondoorzichtbaar opeen, poëzie, solide, toe, vol, vurig, waterdicht,
dicht aaneen - aaneengesloten, samengetrokken
dichtader - inspiratie
dichtbij - na, naast, nabij, naburignader
dichtbij (Du.) - nah
dichtbij (Eng.) - near
dicht bij elkaar - ineen, knus, opeen, samengepakt
dicht bij elkaar liggende rails - smalspoor
dichtdoen - luiken, sluiten
dicht ineen - compact, gecomprimeerd, kompres, vast
dicht ineen gedrongen - kompakt
dicht oerwoud - broesse, jungle, rimboe, selva
dicht oerwoud in Z. Amerika - selva
dicht struikgewas - maquis
dichtader - inspiratie
dichtbij - heinde, naburig, nabij, nader, vlakbij
dichte menigte - drom, knoop, legioen, massa, myriade, toeloop,
troep, volksoploop, zwerm
dichte mist - smog
dichte rook - smook, walm
dichte samenklonting (van bacteriën, bloedlichaampjes e.d.) agglutinatie
dichte wollen stof - loden
dichten - dichtdoen, dichtgaan, rijmen, sluiten, sperren, stoppen,
toedoen, tokkelen (fig.), verzinnen
dichten van een schip - kalfaten
dichten van een sloot - dempen
dichten van naden - breeuwen, kalfaten
dichter - bard, epicus, fabeldichter, hekeldichter, kunstenaar,
leerdichter, lierdichter, lofdichter, minnedichter, nader,
odendichter, poëet, poëtaster, pruldichter, rapsodie, rijmer,
rijmelaar, troubadour, verzenmaker, verzensmid, zanger
dichter - zie auteur
dichter (Ned.) - Aafjes, Andreus, Beets, Bilderdijk, Bloem,
Boutens, Bredero, Bijns, Campert, Cats, Claus, Feith, Genestet,
Gezelle, Gorter, Hooft, Hoornik, Huygens, Kemp, Kloos,
Lucebert, Paaltjens, Perk, Poot, Revius, Tollens, Vroman
dichter (Scand.) - skald
dichter bij de wind zeilen - loeven
dichter van de Ilias - Homerus
-35dichter van een heldendicht - epicus
dichterbij - juister, korter, nabij, nader(bij)
dichter bijeen - aanschikken
dichterbij komen - benaderen, inhalen, inlopen, naderen,
nadering, naken
dichterlijk - dramatisch, gevoelig, lyrisch, poëtisch, verheven
dichterlijk woord voor laat - spa, spade
dichterlijk woord voor schaduw - schauw
dichterlijke taal - parnastaal
dichterlijkheid - poëzie
dichte rook - fog, smog, smook, walm
dichtersfeest in Wales - eisteddfod
dichtervleugelen - fenikspennen
dichterzanger - bard, chansonnier, meistreel, minnezanger,
minstreel, rapsode, skald, troubadour, volkszanger
dichter/zanger bij de kelten - bard
dichte wollen stof - leden, vilt
dicht gaan - sluiten, toegaan
dicht gekruld haar - kroeshaar
dichtgesinterd aardewerk - gres
dichtgesloten hand - vuist
dichtgooien - dempen
dichtheid - densiteit, hechtheid, samenhangend
dichtheidsmeter - densimeter, pyknometer
dicht ineen - compact, vast
dicht ineen duwen - proppen
dichting van weefsels - stop
dichtkunst - epiek, lyriek, luit (fig.), poëtica, poëzie
dichtkunst (leer der) - poëtica, poëtiek, versleer
dichtkunst op toneel - toneelpoëzie
dicht lakken - cachetteren, scelleren, verzegelen
dichtmaat - amfibrachys, anapest, dactylus, jambe, metrum,
poëzie, spondee
dicht maken - afsluiten, alexandrijn, dactylus, dempen, dichten,
heptameter, hexameter, pentameter, sluiten, stoppen
dichtmaken der naden - breeuwen, kalfaten
dichtmaken met een knoop - knopen
dichtmaken van gaten in tanden - plomberen
dicht oeroud - broesse, jungle, rimboe, selva
dicht op elkaar - opeen, opeengepakt
dichtregel - vers, versregel
dichtschaven - rabatten
dchtslaan (van de grond) - slempen
dichtslempen - dichtslibben
dichtslibben - dichtslempen
dichtsmeren - strijken
dichtsmeren met kleefdeeg - luteren
dichtsoort - ballade, barcarolle, boerde, ecloge, elegie, epigram,
epode, epopee, epos, fabel, hymne, lyriekode, madrigaal, ode,
romance, rondeel, satire, sonnet, sproke, villanelle
dichtstbijzijnde - naast
dichtstuk - retrograde ballade, cantate, elegie, gedicht,
limmerick, poema, poemata, rijm, sonnet, triolet, vers, verso,
dichttrekken - toehalen
dichtvorm - epos, lied, sonnet, stanza, vers,
dichtvorm (Arab.) - ghazele
dichtvorm (Pers.) - ghazele
dichtwerk - poema, poëem
dichtwerk van Homerus - Ilias, Odyssee
dichtwerk van Vergilius - Aeneïs, Aeneïde
dicotylen - tweezaadlobbigen
dictaat - klapper, speloefening
dictator - alleenheerser, despoot, dwingeland,
machthebber, overheerser, tiran
dictatoriaal - despotisch, eigenmachtig
dictatorschap - dictatuur
dictatuur - alleenheerschappij, dwingelandij, tirannie
dictee - taaloefening
dicteermachine - dictafoon
dicteren - opgeven, voorschrijven, voorzeggen
dictie - voordracht, uitdrukking, zegging
dictionaire - woordenboek
dictum - gezegde, slotsom
didacticus - leraar, leerdichter
didactiek - leerzaam, onderwijs
didactisch - leerzaam, lerend, onderwijzend
die aan de beurt is - e.v.
die aanbidt - aanbidder
die aanbindt - aanbinder
die aanbrengt - aanbrenger
die aandeel in de zaak heeft - aandeelhebber, aandeelhouder
die aandrijft - aandrijver
die aardig is - grappenmaker, leukerd
die alles durft - durfal, held
die alles durft - durfal
die alles goed vindt - goedzak
die bier maakt - brouwer
die daarginds - gene
die de werken van Mozart genummerd heeft - Köchel
die dode dieren vilt - vilder
die een debat voert - debater
die een ding aanwijst - toner
die een eis instelt - rekwirant
die een goed als leen uit gaf - leenheer
die een kromme hals heeft - kromhals
die een stijve nek heeft - kromhals
die in bewaring geeft - deponent
die op alles let - negenoog
die op de hoogte is van zekere zaak - adept, ingewijde
die op niets uit liep - abortief
die precisie najaagt - decadent
die van alles de schuld krijgt - zondebok
die veel en druk praat - snaterbek
die zaak betreffende - dienaangaande
die zich onthoudt - abstinent
die ziekte voorwendt - simulant
diëder - tweevlakshoek
dieet - eetregel, leefregel, leefwijze, regiem, regime
dieet houden - kuren, lijnen
dief - afkaper, bandiet, bedrieger, boosdoener, gannef(barg.),
gapper, guit, heler, hotelrat, inbreker, indringer, jatter, jutter,
kaper, kleptomaan, ladelichter, leperd, marwieger, misdadiger,
oplichter, pickpocket, piraat, plunderar, rover, schelm, steler,
stroper, (zee)rover
dief (It.) - ladrone
diefachtig - diefs, furtief, heimelijk, steels, verholen, vingervlug
diefje met verlos - krijgertje
dief in een hotel - hotelrat
diefjesmaat - handlanger, heler, mededader, medeplichtige
diefstal - roof, (in)braak, plunderingroverij, vergrijp,
diehard - fanatiekeling
diëlectricum - isolator
die leuk is - leukerd
die maant - maner
dienaar - assistent, beambte, bediende, butler, edelknaap,
famulus, getrouwe, helper, hofbediende hulpje, kamenier, knecht,
koelie, lakei, loopjongen, minister, onderdaan, page, pedel,
serviteur, suppoost, slaaf
-36dienaar (Arab.) - abd
dienaar aan het hof - lakei, opperstelmeester, stalmeester
dienaar van het Woord - dominee, pastoor, predikant, priester,
dienaar van Hypnus - Morfeus
dienaar van Neptunus - Triton
dienaar van Thor - Thialf
dienares - dienster, dienstmeisje, gedienstige
dienares der goden - Iris
dienblad - theeblad
diender - agent, bink, bobby, klabak, koddebeier, politieagent,
smeris, tuut, veldwachter
dienen - behoren, bevorderen, gerieven, helpen, moeten, vereren,
voorstaan,
dienend - behulpzaam, dienstbaar
dienst - ambt, baan, bediening, betrekking, bezigheid, corvee,
dienstplicht, emplooi, funatie, functie, gemak, genot, gerief,
ministerie, officie, plaats, post, service, werk, werkzaamheid
dienst bewijzen - obligeren
dienst bij de spoorwegen - tractie
dienst controleren van maten en gewichten - ijkwezen
dienst zonder loon - corvee
dienstbaar - dienend, hulpvaardig, nuttig, ondergeschikt,
onderworpen, serviel, werkzaam
dienstbaarheid - dwang, servituut, slavernij
dienstbaar maken - onderwerpen
dienstbaar man - boer, horige, laat, leenman, lijflaat, vrijlaat,
dienstbeeïndiging - ontslag
dienstbetoon - hulpbetoon, hulpvaardigheid, service
dienstbetekking - ambt, functie
dienstbode - bonne, daghit, dienstmaagd, dienstmeid, dienster,
domestiek, gedienstige, helpster, hit, hulp, hulpje, keukenmeid,
linnenmeid, maagd, meid, linnenmeid, werkster
dienstbodenverhuurster - besteedster
dienstbrief - missive, zendbrief
dienstcontrole van maten en gewichten - ijkwezen
dienst doen - dienen, functioneren
dienstdoend ambtenaar - officiant
dienstdoende - actief, d.d. bedienend
dienstdoener - bureaucraat, dienstklopper
dienster - dienares, dienstbode, helpster, hulp, serveerster
dienstgang - dégagement
dienstgang in een kerk - triforium
dienstgeheim - ambtsgeheim
dienstig - algemeen, bruikbaar, dienstvaardig geraden, geraden,
geschikt, goed, gunstig, nuttig, oorbaar, raadzaam
dienstig zijn - lijken, pas, strekken
dienstig zijn tot - nutten
dienstigheid - nut
dienstijver - empressement
dienstjaar - boekjaar
dienstkleding - ambtskleding, apenpak, livrei, overall, tenue, toga,
uniform
dienstkleding mannelijke bediende - livrei
dienstklopper - dienstdoener, uitslover
dienstknecht - dienaar, ondergeschikte
dienstkring - ambtsgebied, rayon, ressort
dienstloon - huur
dienstmaagd - dienstbode, meid
dienstmaagd van Odysseus - Eurykleia
dienstmeisje - bode, bonne, daghit, hit, werkster
dienstondergeschiktheid - obediëntie
dienstonttrekking - desertie
dienstorder - consigne, instructie, voorschrift
dienstpersoneel - boden, booien
dienstregeling - spoorboekje
dienstreis van een ambtenaar - tournee
dienstterm op telegram poste restante - gp
diensttijd - carrière
dienstvaardig - bereidvaardig, bereidwillig, dienstwillig, gedwee,
gewillig, behulpzaam, beleefd, bereidwillig, dv., gedienstig,
gehoorzaam, goedwillig, hoffelijk, hulpvaardig, nederig,
obligeant, onderdanig, voorkomend
dienstverband - betrekking, engagement, verbintenis
dienst voor openbaar of openbare veiligheid - politie
dienstvoorschrift - instructie, reglement, voorschrift
dienstwagentje - lorrie
dienstweigeraar - refractair
dienstweigering - insubordinatie
dienstwerk - ambtswerk, beroepswerkzaamheden
dienstwillig - gedwee, gedienstig, gewillig, dw., onderdanig
dienstwoning - ambtswoning
dienst zonder loon - corvee
dient bij broodbereiding - deeg, gist, meel, oven
die omhoog klimt - klimmer
dient om iets fijn te maken - rasp
dientafel in het priesterkoor - credenstafel
dientengevolge - daardoor
dient ter reiniging - soda, zeep
diep - bestaand, devoot, dicht, diepgaand, diepst, diepte,
doordringend, echt, geul, grondig, hartgrondig, hevig, indringend,
innig, intens, intiem, kanaal, laag, nauw, teder, vaargeul,
vaarwater, vaart, vast, ver, vertrouwelijk, vurig, warm, water
diep bedroefd - gebroken, desolaat, diepdroevig, kapot,
onttroostbaar, troosteloos
diep blauw - hemelsblauw
diep dal - canyon, canon, dal, ketel, keteldal, kloof,
diepdruktechniek - rotogravure
diepen - baggeren, loden, uithalen
diep erosiedal - canon
diep gevoeld - intens
diep gevoelde teleurstelling - frustratie
diep geworteld - ingekankerd
diep inademen door de neus - opsnuiven
diep ingrijpend - radicaal
diep krenkend - mortifiant
diep liggend - ingeworteld
diep ongelukkig - noodlottig, onzalig, rampzalig, wanhopig
diep ontroerd - aangedaan, geroerd, getroffen
diep rivierdal - canon, kloof, canyon
diep rondom ingesloten dal - keteldal
diep steilwandig erosiedal - canon (Sp.), canyon
diep treurig - bedroevend, ellendig, jammerlijk, miserabel,
navrant, noodlottig
diepe afkeer - haat, minachting, verachting
diepe bas - bourdon
diepe bewusteloosheid - coma
diepe buiging - revérence, serviteur, strijkage
diepe coma - carus
diepe droefheid - desolatie, verslagenheid, verwoesting
diepe ellende - afgrond, poel
diepe genegenheid - affectie, gunst,liefde
diepe geul - greb, greppel, vore
diepe groef (med.) - fissuur
diepe inham - fjord
diepe inzinking in de zeebodem - plooidal, trog
diepe kennis van de religieuze waarheden - gnosis
diepe krenking - mortificatie, vernedering
diepe kuil - kolk, put
-37dieper - baggeraar
diepe rivierbedding - canon
diepe schaal - kom
diepe schotel - bak, kom, nap, schaal, teel, teil
diepe slaap - lethargie, sopor, treek
diepe snede - glop, jaap
diepe teleurstelling - ontgoocheling
diepe vernedering - mortificatie
diepe voor - greb, grebbe, greppel
diepe waterkolk - waal, wiel
diepe wrok - haat, vete
diepdenkend - filosofisch, wijsgerig
diepen - baggeren, loden, uitgraven, uithalen
diepere redenen - achtergrond, dessous
diepgaand - doordringend, gedegen, grondig, indringend,
intensief, penetrant, secuur, uiteenliggend
diepgangsmerk - Plemsol-merk
diepgang van een schip - laadvlot
diepgangmeter - differentiemeter
diepgrondig - diepgaand, diepzinnig
diepingrijpend - radicaal
diepliggend - hol, radicaal
dieplood - peillood
diepst - bestaand, dicht, diep, echt, heimelijkst, innig, intiem,
nauw, teder, vast, verborgenst, vurig, warm, werkend,
diepte - afgrond, bodem, canon, dal, del, gat, geul, grondigheid,
kolk, kuil, laagte, perspectief, profunditeit, put, vallei, wijdte,
diepte bepalen - loden, peilen
dieptebepaling - peiling
diepte in een strang - slenk
diepte in water - kil, kolk, mui, wad,
diepte maat - vaam, vadem
diepte, met-tekenen - perspectieftekenen
dieptemeter - bathymeter,bathometer
diepte opnemen - loden, peilen
diepte tussen bergen - vallei
diepte tussen twee heuvels - vallei
diepte tussen zandbanken - mui
diepte van een schip - diepgang
diepte van een wond peilen - sonderen
dieptegesteente - bathaliet, dioriet, gabbro, graniet, syeniet
dieptelijn - isobaar
dieptelijnen - isobaten
dieptemaat - vaam, vadem
dieptemeter - bathometer, dieplood, echolood,
peilstok
dieptemeting - profundimetrie
diepte opnemen - loden, peilen
dieptepsycholoog - Adler, Freud, Jung
diepte tussen zandbanken - mui
dieptreffend - aandoenlijk, hartroerend, hartstochtelijk, pathetisch
diep verdorven - goddeloos
diep verdriet - smart
diepvries - vrieskast, vrieskist
diepvriezen - conserveren
diepzee betreffend - abyssaal, pelagisch
diepzeedieren - businga, eupaguri, euplectella, kiezelsponzen,
umbellula, zeelelies
diepzeekijker - pelagoscoop
diepzeevaartuig, naam van een - Aluminant, Alvin, Archimede,
Asherah, Deep-queest, Deepstar, Kuroshio, Star, Trieste
diepzinnig - diepdenkend, peinzend
dier - beest, rover, schepsel
dier (Gr.) - ther
dierage - gedierte
dier bestemd om lasten te dragen - ezel, lastdier
dier dat een wagen trekt - trekdier
dier, dat levende jongen ter wereld brengt - zoogdier
dier, dat op de hele voet loopt - zoolganger
dier, dat op tenen loopt - teenganger
dier dat soms een stekelige bal lijkt - egel, stekelvarken
dier, dat van krengen leeft - aasdier, aasgier, hyena
dier geboren uit verschillende soorten - bastaard, basterd
dier met gladde huid - aal, pier, slang, worm
dier met korte slurf - tapir
dier met krulstaart - varken
dier met lange nek - giraf, giraffe
dier met platte staart en zwemvliezen - otter
dier met slurf - olifant
dier met uitwendig skelet - schaaldier
dier met zes poten - spin, tor
dier uit de fabelleer - griffioen
dier uit de sagen - draak, eenhoorn, griffioen, sleipnir, vuurhaan,
weerwolf
dierbaar - bemind, duur(baar), gehecht, geliefd, gevoelig,
hartelijk, innig, kostbaar, lief, liefderijk, precieus, uitverkoren,
verknocht, vroom, waard, zacht
dierbaarste bezit - oogappel
dierehaar - manen, vacht, wol
dierehuid - pels, vacht
dierelijk - kreng
dieremond - bek, muil, snavel
dierevet - ongel, reuzel, smout,spek, talk,
dieren - vee
dieren uit de fantasiewereld - draak, eenhoorn, griffioen
weerwolf, zeeslang
dieren zonder pigment - albino
dierenaanbidding - zoölatrie
dierenafbeelding - zoögrafie
dierenarts - artist(Z.N.), beestendokter, hippoloog, koedokter,
paardenarts, rijksarts, stadsarts, veearts, veterinair
dierenbeen - pook
dierenboek - bestiarium
dierenepos - Reinaert de Vos
diereneten - voeder, voervreten,
dierengeluid - balken, be, blaffen, blaten, blazen, boe, briesen,
brommen, brullen, bulken, fluiten, geblaf, grommen, huilen, ia,
janken, hinnikken, kakelen, keffen, kirren, knorren, koeren,
krijsen, kwaken, loeien, mauwen, mekkerenmiauwen, piepen,
sissen, spinnen, tjerpen, waf, woef, zingen
dierenkam - roskam
dierenfabelschrijver - Aesopus
dierengeneeskunde - zoötherapie
diergaarde - Artis, Blijdorp, Burgers, dierenpark, dierentuin,
Ouwehand, warande, zoo
diergelaat - snoet, snuit
diergeneeskunde - veeartsenijkunde
diergeneeskundige - paardenarts, paardenmeester veearts,
veterinair
dierhalve - daarom, derhalve
dierkunde - zoölogie
dierkundige - bioloog, veearts, zoöloog
dierlijk - animaal, beestachtig, bestiaal, onmenselijk, zinnelijk
dierlijke aandrift - instinkt
dierlijk afwerend middel - angel, gif, hoorn, slagtand
dierlijk lichaamsdeel - bek, hoef, hoorn, horen, kieuw, klauw,
kop, muil, neb, poot, slurf, snavel, snuit, staart, teen, vin, vlerk,
vleugel, voet
-38dierlijk hard vet - talg, talk
dierlijk liefkozen - likken
dierlijk magnetisme - mesmerisme
dierlijk product - bont, ei, elp, elpenbeen, ivoor, leer, melk,
vlees, wol
dierlijk steekwapen - angel
dierlijk uitsteeksel - angel, gewei, horen, niervet, staart, tentakel
dierlijk vet - kransvet, ongel, reuzel, smeer, smout, spek, talk
dierlijk voedsel - aardappelen, aas, bieten, gras, haksel, haver,
hooi, knollen, pulp, maïs, mangelwortel, mengvoer, spoeling,
vlees, voer, zaad
dierlijk zetmeel - glycogeen, spiersuiker
dierlijke levenskracht - zotica
dierlijke vezel - wol, zijde
dierlijkheid - bestialiteit
diersoort 6 vissen, vogels, wormen
7 aaltjes, kwallen, slakken, spinnen, sponzen
8 insecten, kreeften
9 amfibieën, oerdieren, reptielen
10 amfibieën, armpotigen, inktvissen, ringwormen,
weekdieren, zoogdieren
11 eencelligen, holtedieren, mosdiertjes
12 bloedzuigers, schaaldieren
13 geleedpotigen, radardiertjes, zweepdiertjes
14 sporendeeltjes, stekelhuidigen
diersoorten waartoe kwallen behoren - neteldieren
dieren - vee
dierenarts - veearts, veterinair
dierenboek - bestiarium
dierenepos - Reinaert
dierenfabelschrijver - La Fontaine, Aesopus
dierengelaat - snoet, snuit
dierengeluid - bèi blaffen, blaten, boe, geblaf, geblaat, gekakel,
gekir, ia, kakelen, kraaien, kirren, piep, waf, woef
dierengezicht - snoet, snuit
dierenhaar - manen, vacht, wol
dierenhuid - pels, vacht
dierenkam - roskam
dierenleer - zoölogie
dierenmaag - pens
dierenmond - bek, muil, snavel
dierennest - leger
dierenontleding - zoötomie
dierenpark - diergaarde, dierentuin
dierenplaag - veepest
dierenren - kooi, loop
dierenriem - zodiak
dierenriem, teken van de 3 Leo, Ram
5 Aries, leeuw, Libra, maagd, stier, Virgo
6 Cancer, Gemini, Kreeft, Pisces, Taurus, vissen
7 Scorpio
8 Aquarius, schutter, Scorpius, steenbok, tweeling, Waterman
10 schorpioen, tweelingen, weegschaal
11 Capricornus, Sagitarius
12 boogschutter
dierenrijk - fauna
dierensage - fabel
dierenspoor - piste
dierensymbool - duif, lam
dierentemmer - dompteur, dresseur
dierentemster - dompteuse, dresseuse
dierentuin - Artis, Blijdorp, Burger, Noorder, Ouwehands, zoo
dierentuin in Berlijn - Tiergarten
dieren uit de fantasiewereld - draak, eenhoorn, griffioen,
weerwolf, zeeslang
dieren uit sagen - draak, griffioen, eenhoorn, weerwolf
dierenverblijfplaats - asiel, box, duiventil, geitestal, hok, hol,
hondehok, horst, kennel, kippenhok, koeienstal, kooi, kot, kraal,
leger, mand, nest, paardenstal, potstal, ren, schaapskooi, stal, til,
voliëre,
dierenverhaal - fabel
dierenverhuizing - migratie, trek
dierenverzameling - vee
dierenvet - ongel, reuzel, smout, talk
dierenvleeseter - zoöfaag
dierenvleeseters - zoöfagen
dierenvoeder - aas, avondvoer, beetwortel, beukemeel, biet, draf,
fourage, gras, haksel, haver, hooi, klaver, lijnkoek, mais, mast,
pulp, slobber, snijtsel, spoeling, stalvoer, varkensvoer,
voederbiet, voederstro, voer, voermeel, vogelzaad, vreten, zaad
dierenvrees - zoöfobie
dierenvriend - zoöfiel
dierenwereld - fauna
dierenwoning - zie dierenverblijfplaats
dierenziekte - aamt, blein (schapen), droes, droop,
(nierontsteking schapen), kolder, mok (paardebenen), pip, roer,
scherp, snotworg (paarden), worg (paarden), zwoeg
dier in een web - spin
diersoort - insect, reptiel
diertje met lange poten - hooiwagen
diertjes in organische stoffen - aaltjes
diertjes van de familie draadwormen - aaltjes
dier met vochtig verdedigingsmiddel - bunzing, lama, mier
dies - daarom, derhalve, des, ergo, zodoende
dies - dag
dies natalis - stichtingsdag
diesel - dieseltrein, motor
dieselmotorvoertuig - autorail
die spelletjes doet - speler
diëtetiek - dieetleer
diëtist(e) - dieetkundige
diets - duidelijk, Hollands, Nederlands, wijd, wijs
diets maken - wijsmaken
Diets - Nederlands, Hollands, Middel-Nederlands
dievegge - kleptomane, steelster
dieven - gappen, jatten, kapen, plunderen, roven, stelen,
wegkapen
dievenbende - roversbende
dievenbende (Eng.) - gang
dievenlantaarntje - slonsje
dievenleider - hapschaar, rakker
dievenslot - nachtslot
dieventaal - argot, bargoens, cant, jargon, koeterwaals, slang
dieventroep - dievenbende
dieventronie - dievengezicht
dievenvolk - tuig
dievenwagen - celwagen, gevangenwagen
dieverij - diefstal
die voor niets deugd - niksnut
diezig - nevelig
diffamatie - eerroof, laster
different - anders, onderscheiden, verschillend
differentiaal quotiënt - afgeleide
differentiatie - onderscheid, verscheidenheid, verschil,
differentie - koersverschil, onderscheiding, verschil
differentiemeter - diepgangmeter
-39difficiel - lastig, moeilijk (te voldoen) vitterig
difficulteit - moeilijkheid, zwarigheid
diffidentie - wantrouwen
diffractie - buiging
diffunderen - vermengen
diffuus - duister, verspreid, verstrooid, wijdlopig
difterie - slijmvliesontsteking
diftong - tweeklank
digereren - verteren
digestie - spijsvertering
diggel - bikkel, scherf, stuk
diggelschuit - ottenschuit
digitalis - vingerhoedskruid
dignitaris - (hoog)waardigheidsbekleder
digniteit - afwijking, omhaal, uitweiding
digressie - afwijking, omhaal, uitweiding
dik – bezinksel, corpulent, dicht, doorvoed, drab, gebonden,
gevuld, gezet, gezwollen, lijvig, lobberig, log, mollig,
omvangrijk, opgeblazen, opgezet, overladen, paff(er)ig, papperig,
pappig, plomp, poen, prollig, ruim, rijk, slordig, vet, vlezig,
volumineus, weldoorvoed, zwaarlijvig
dikbek - appelvink
dik bezinksel van vloeistoffen - koffiedik, modder (gew.),
wrongel,
dikbloedig - flegmatisch
dik boek - pil, foliant
dikbuikig - corpulent, gezet
dikbuikig glas - angster
dikbuikig jeneverflesje - bobbel
dik buikje - embonpoint
dikdoener - bluffer, grootdoener, opsnijder, patser, pocher, poen,
poehamaker, praalhans, snoever
dik doen worden - stremmen
dik eind touw (zeew.) - dag
dik en breed - vet
dik en gezet - vlezig
dik en grof wollen weefsel - baai
dik en log – lijvig
dik en lui - vadsig
dik en sterk - stevig
dik en trillend - lobberig
dik en zwaar - log
dik krullig weefsel - astrakan, ratine
dik ondergronds stengeldeel - knol
dik opgebracht - pasteus
dik persoon – papzak, pafzak
dik rond kussen - poef
dik speeksel - slijm
dik stevig leer - zoolleer
dik stuk hout - balk, blok, paal, stam
dik stuk boom - stam
dik touw - kabel, tros
dik touw (verouderd) - greling, kabeltouw
dik van vruchtensap - gelei
dik van zure melk - hangebast, hangop, hot, kwark
dik vloeibare oplossing van hars - balsem
dik vruchtemoes - rob
dikbek - appelvink
dikbuikig jeneverflesje - bobbel
dikbuikigefles - kolf
dikbuikige koffiekan (Z.N.) - maraboe, maraboet
dikdoen - bluffen, opscheppen
dikdoende bureaucraat - mamamouchi
dikdoener - adonis, blaaskaak, bluffer, clagueur, geurmaker,
grootbroek, grootdoener, pagadet, patser, pauw, piet,
pochemaker, pocher, pochhans, poehamaker, poen, poffer, prol,
protser, snob, snoefster, snoever, windbuil, zwetser
dikdoenerig - opschepperig, pocherig, poenig, pompeus,
protserig
dikdoenerij - grootdoenerij, opschepperij
dikheid - corpulentie, gezetheid, zwaarlijvigheid
dikhuid - olifant
dikhuidig - bot, calleus, gevoelloos, koud, onbeschaamd,
ongevoelig, pachyderm, pachydermisch, stompzinnig,
dikhuidig dier - hippopotamus neushoorn, nijlpaard, olifant,
onverschillig, pachidermen, rinoceros, tapir
diknek - rijkaard
dikke aal - lebaal
dikke bonen - cement (Z.N.)
dikke boomtak - spinze
dikke boterham - homp, pil
dikke brij - moes, pap, prol
dikke brijachtige stof - prut
dikke brok - bonk
dikke damp - kwalm, smook, walm
dikke darm - endeldarm, karteldarm
dikke eiken plank - krommerplaat
dikke halsdas - bouffante
dikke darm - colon
dikke homp brood - pil
dikke huid - olifantshuid
dikke jas - duffel, ulster
dikke kabel - tros
dikke kleverige vloeistof - appelstroop, drab, gelei, gom, lijm,
marmelade, pek, siroop, stroop, teer
dikke korte jas - bolkvanger, jekker
dikke laag sneeuw - pak
dikke likeur - creme
dikke lijn - streep
dikke lijnolie - standolie
dikke naald - pook
dikke olieachtige stof - balsem
dikke overjas - duffel, jekker, ulster, winterjas
dikke paling - lebaal
dikke pap - brij, gelei, moes, prol
dikke plank - balk, plaat
dikke ronde lat - paal
dikke rook - blaak, kwalm, walm
dikke saus bij vleesspijzen - blatjang (Z.Afr.), dipsaus
dikke sigaar - bolknak
dikke stok - balk, knuppel, knots, ploertendoder
dikke stok (of touw) met loden bol (knop) - ploertendoder
dikke stopnaald - pook
dikke straal - golf, gulp, guts, puts
dikke tak - stok
dikke topzware stok - knots, stok
dikke touwen of staaldraden - stag (scheepst.)
dikke trui - sweater
dikke verstikkende rook - walm
dikke vette rook - smook
dikke vettige damp - kwalm
dikke vla - brij
dikke vloeibare hars - balsem
dikke vrouw - machoch, machocel, machoechel,machol,
mafkoe, mokkel, molenpaard, natiepaard
dikke wollen stof - baai, duffel
dikke zalf - pasta
dikke zoen - pakkerd, smakkerd
-40dikker maken - aandikken
dikke zwarte vloeistof - asfalt, pek, teer
dikkerd - beer, bul, dikzak, gofferd, papzak, vetzak
dikke rook - blaak, walm
dikker worden - aankomen
dik kooksel - brij
dikkop - bobberd, borrel (grote), distelsoort, donderpad,
dwarskop, kikkervisje, kikvorslarve, speerdistel, stommeling,
tarwesoort, tarwevariëteit, vederdistel, vlindersoort
diklijvig - gezet, dikbuikig, zwaarlijvig
diklijvige vrouw - dikkerd, dikzak, hobbezak, machol,
machochel, mafkoe(Z.N.), potjerol, schommel,
dikmaals - dikwijls
diknek - rijkaard
diktator - alleenheerser, despoot, dwingeland, gezaghebber
(onbeperkt), tiran
diktatuur - alleenheerschappij despotisme, dwingelandij, tirannie
dikte - bobbel, breedte, buil, corpulentie, densiteit, dichtheid,
dikheid, gezetheid, omvang, puist, stevigheid, torulus, vetheid,
zwelling
dikte van een drukletter - corps, corpus
dikte van een vacht - wollaag, (wol)stapel
diktemeter (van spiegelglas) - pachometer
diktepasser - dansmeester, taster, timmermanspasser
diktongig - onverstaanbaar
diktongige hagedis - agame
dikvloeiende zoete massa - melasse
dikwandig gietijzer - gus
dikwerf - dikwijls, meestal, menigmaal, vaak
dikwijls - dikwerf, doorgaans, frequent, gedurig, gemeenlijk,
geregeld, gewoonlijk, herhaald, herhaaldelijk, meermaals,
meermalen, meestal, meestentijd, meesttijds, menigmaal,
telkenmale, telkens, vaak, veel(al), veelmaals, veelvoudig,
veelvuldig
dikwijls voorkomend - frekwent, frequent, herhaaldelijk,
veelvuldig
dik worden - stremmen
dikzak - beer, bobber, bul, dikkerd, gofferd, pafferd, papzak
dilatatievoeg - uitzetvoeg
dilatoir - opschortend
dilemma - keuze, tweestrijd, vraagstuk
dilettant - amateur, charlatan, knoeier, liefhebber, stuntel,
stuntelaar
dilettantisme - amateurisme
diligence - postkoets, postwagen, reiswagen
diligent - naarstig, toegewijd, vlijtig, werkzaam, ijverig,
dille – meisje, steelhuis
dille, olie uit - anetolie
dilt - hooidilt, hooizolder
diluviaal mensenras - negroïde
diluvium - (grind, leem), overstroming, pleistoceen, zondvloed
dimensie - afmeting
dimentylbenzol - xylol
diminuendo - dim
diminuendo (muz.) - afnemend
diminutief - verkleinwoord
dimmen - dempen (van licht)
dimmer - demper
dimorfisme - tweevormigheid
diner – avondmaak, banket, dis, disjunare(Lat), feestmaaltijd,
feestmalen, maal, middagmaal middagmalenl
dineren - eten, middageten, tafelen
ding - artikel, gebeurtenis, meisje, object, voorwerp, zaak
ding zonder waarde - lor, prul, vod
dingbank - gerecht
dingen - afdingen, ambiëren, aspireren, beknibbelen,
marchanderen, solliciteren, streven, wedijveren
dingen naar een ambt - kandidatuur
dingen naar een betrekking - solliciteren
dinger naar een betrekking - aspirant, kandidaat, gegadigde,
sollicitant
dingetjes - prullaria
dingsig - aangedaan, droevig, gemelijk, ontstemd, verdrietig
dingsigheid - begeerte, lust, verlangen, zin
dingspel - rechtsgebied
dingstig - onenig
dingstigheid - onenigheid, twist, vitterij
dingtaal - pleidooi
ding van een dag - eendagsvlieg
dinosaurus 9 iguanodon, trachodon
10 diplodocus, saurischia
11 stegosaurus, triceratops
12 ankylosaurus, camptosaurus, omithischia
13 brachiosaorus, compsognathus, ornitholestes, tyrannosaurus
diocees - bisdom
diode - radiolamp
Dionysesfeest - anthesteriën
dioptaas - kopersmaragd
diopter - doorziener, kijkspleet, vizier
diorama - kijkkast
dioriet - groensteen
Dioscuren - Castor, Pollux
diploma - acte, akte, bewijsstuk, brevet, bul, document,
oorkonde
diplomaat - ambassadeur, ambtenaar, attache, consul, gezant,
onderhandelaar, oorkonde, radicaal, rijbewijs, sluw, staatsman
testimonium, zaakgelastigde
diplomatie - tact
diplomatiek - behoedzaam, handig, omzichtig, slim, tactvol,
voorzichtig
doplomatiek ambtenaar - ambassadeur, attaché, gezant
diplomatiek stuk - nota
diplomatieke nota - memorandum
diplomatieke onderhandeling - negotiatie
diplomatieke stap - démarche
diplomatieke verhandeling - memorandum
Diplopoda, miljoenpoten - Glomeris, Julus, Poltdesmus
dippelolie - beenderolie
dippen - dopen, indopen
dipsacacee - dipsacus, duifkruid, kaardebol, knautia
dipsomanie - drankzucht
diptera - tweevleugeligen
diptiek - tweeluik
direct - aanstonds, dadelijk, illico, ineens, meteen,
ogenblikkelijk, omgaand, onmiddellijk, onverwijld, prompt,
rechtstreeks, regelrecht, spoedig, strakjes, straks, subiet, temee,
terstond
directe aanleiding - oorzaak
directe betaling - contant
directe kerndeling - amitose
directeur - baas, bestuurder, bewindvoerder chef, dirigent, dirk,
hoofd, hoofdleider, leider, manager, ondernemer, president,
rector
directeurschap - directoraat
directeur van een gevangenis - bollebof (barg.)
directeur van een gymnasium - rector
directeur van een kostschool - instituteur
-41directeur van een lyceum - rector
directeur van een moskee - panghoeloe
directie - bestuur, bewind, leiding, opperleiding, opzicht, richting,
toezicht
directief - richtlijn, voorschrift
directiekeet - bouwhut, bouwkeet
direct op televisie - live
directoraat - directeurschap
directorium - bestuurslichaam, kalender
direkt - aanstonds, dadelijk, ineens, meteen, onmiddellijk,
rechtstreeks, regelrecht, strakjes, straks, temee, terston
dirigeerstokje - baguette, baton, maatstok
dirigent - aanvoerder, bestuurder, kapelmeester, koorleider,
orkestleider, orkestmeester, leider, orkestleider
dirigent van een muziekkorps - kapelmeester
dirigeren - besturen, leiden, richten, zenden
dirk - directeur, piekenval
dirkkraan - hijskraan
dis - etenstafel (gedekt), feestdiner, maal, maaltijd, tafel
disaccoord - onenigheid, twist
discant - bovenstem, sopraan
discipel - apostel, leerling, navolger, volgeling
discipel van Boeddha - Ananda
discipel van Christus - apostel
disciplinair - krijgstuchtelijk
disciplinaire maatregel - tuchtmaatregel, tuchtstraf
discipline - boetegeest, gehoorzaamheid, (krijgs)tucht, orde,
zelftuchtiging
discipline in het leger - krijgstucht
disiplineren - kastijden, tuchtigen
disco - danstent, nachtclub
discontabel - solide
disconteren - verzilveren
discontinu - onderbroken
discontinuïteit - onderbrokenheid
disconto - disc, escompte
discordantie - tegenstrijdigheid
discotheek - bewaarplaats
discount - supermarkt
discours - conversatie, gesprek, onderhoud, rede
discreet - bescheiden, geheim, kies,onopvallend, recht,
voorzichtig, zacht,
discrepantie - afwijking
discretie - bescheidenheid, geheimhouding, kiesheid
discretiedagen - respijtdagen
discriminatie - onderscheiding
disculpatie - buitenvervolgingstelling, verontschuldiging
disculperen - redeneren
discus - (werp)schijf
discussie – aanvaring, debat, diskussie, dispuut,
gedachtewisseling, gesprek, overweging, redekaveling, redetwist
discussiëren - debatteren, redetwisten
discutabel - aanvechtbaar
disgenoot - meeëter, tafelgenoot, tafelvriend
disharmonie - onenigheid, tweedracht, vriendschapsbreuk,
wanklank
disjunctie - scheiding, tegenstelling
diskette – floppy, floppydisk
diskwalificatie - ongeschiktverklaring, uitsluiting
dislocatie (dislokatie) - decentralisatie, onderbreking,
ontwrichting, verandering (in ligging), spreiding, storing,
verplaatsing
disloceren - (dislokeren), verleggen, verplaatsen, verrekken,
verzwikken
disorde - wanorde
dispache - averijregeling
disparaat - ongelijk, verschillend
disparaatheid - ongelijkheid
dispensatie - ontheffing, vrijstelling
dispensatorium - receptenboek
dispenseren - ontheffen
displezier - last, spijt, verdriet
disponeren - beschikken, regelen
disponibel - beschikbaar
dispositie - aanleg, beschikking, disp., gemoedsstemming,
gesteldheid, lust, neiging, vatbaarheid
dispositief - beschikkend, regelend
disproportie - wanverhouding
disputant - twistvoerder
disputatie - redetwist
disputeerkunst - dialestiek
disputeren - twisten
dispuut - geredekavel, redekaveling, geschil, debat, debatclub,
redestrijd, redetwist, twistgesprek, woordentwist
dissectie - lijkopening, ontleding
dissel - baars, disselboom, dwarsbijl, glijgoot, kloet, kuip,
lamoen, sukkel, sul, trekboom
disselboom - baar, berrie, disselraam, inspan, lamoen
disselboomwagen - mallejan
disselhamer - marteel
disselraam - lamoen
disselsjees - beugelsjees, disselwagen (voor tweespan). gig
disseltang - schamel
disselwagen - beugelsjees, gig
dissenter - andersdenkende
dissertatie - proefschrift, verhandeling
dissident - andersdenkende, scheurmaker
dissimilatie - huichelarij, veinzerij, vermomming
dissolvant - oplosmiddel
dissonant - dissonance, wanklank
distantie - afstand, verte, verwijdering
distel - dauwdistel, doornzaad, dostelkruid, onkruid
distelachtige plant - artisjok, kaarde, kardoen
distelen - dwarsdrijven, harrewarren, stribbelen, tegenwerken,
vitten
distelgewas - cardon, kardoen
distelhaak - distelschaar
distelig - netelig, weerbarstig
distelsoort - artisjok, dikkop, kardoen
distelvink - barnsijs, frater, kanarie, kletter, kneu, putter, sijsje
distichon - vers
distillateur - brander, sterkedrankmaker, stoker
distillatie - overhaling
distillatieprodukt - alcohol, jenever
distillatieprodukt van wijndruiven - beermost
distilleerder - brander, distillateur, stoker
distilleerderij - stokerij
distilleerkolf - alambiek, overhaalglas, pelikaan, retort
distilleertoestel - alembiek
distilleervat - retort
distilleervat (glazen) - pelikaan
distilleren - afleiden, branden, destilleren, stoken
distinctie - beschaving, cachet, onderscheid, standing,
voornaamheid
distinctief - onderscheidingsteken, rangteken
distingeren - onderscheiden
distorsie - draaiing, verstuiking,verwarring
distract - afgetrokken, verstrooid
-42distractie - afgetrokkenheid, verstrooidheid
distribueerwals - inktrol
distribueren - ronddelen, uitdelen, verdelen
distribuering - ronddeling, verdeling
distributie - bedeling, ronddeling, verdeling, uitdeling,
verspreiding
district - afdeling, ambtsgebied, arrondissement, distr., gebied,
rechtsgebied, kanton, kieskring, kreits, kring, kwartier,
onderafdeling, rayon, ressort, revier, ring
district (Arab.) - moekim
district (jachtgebied) - revier
district (vero) - ambacht
district in Delhi - Simla
district in Frankrijk - Orne
district in Hongkong - Chiulung Kowloon
district in Portugal - Comarca, Evora
districthoofd op Java - wedana, wedano
dit - hoc, zulks
dit is - d.i, i.e., ziehier
dithyrambe - bacchuslied
dithyrambisch - vurig
dito - dergelijk, eender, evenzo, gelijk, hetzelfde, idem
ditorsie - draaiing, verstuiking, verwarring
diurese - urinelozing
diurnaal - gebedenboek
diva - (film)actrice, ster, star
divagatie - afdwaling, onzin, uitweiding
divageren - afdwalen, bazelen, temen, uitweiden
divan - ligbank, ottomane, rustbank, rustbed, sofa
divankleed - kelim
divergent - strijdig, uiteenlopend
divergentie - strijdigheid
divergeren - uiteenwijken
divers - allebei, gevarieerd, onderscheiden, ongelijksoortig
strijdig, uiteenlopend, verschillend
diversen - allerhande, allerlei, gevarieerde, varia, van alles,
verschillende
diversiteit - verscheidenheid
diverteren - vermaken, verlustigen
divertissement - amusement, ontspanning, vermaak
dividatie - traktatie, verzetje
dividend - div., rente, uitkering, winstaandeel
divideren - delen, verdelen
divinatie - voorspellingsgave
diviniteit - goddelijkheid
divisie - afdeling, koppelteken
divisiecommandant - generaal
dizzy - duizelig
djati - teak
djatihout - teakhout
djimat - amulet, talisman
dobbelaar - gokker, rijfelaar, speler, tuiser, waaghals
dobbelen - rijfelen, teerlingen
dobbelhuis - speelhol
dobbelspel - duizenden, gokspel, gooien, hazard, honderden,
knobbele, passedies, poker, tiktak, triktrak
dobbelsteen - alea, daal, kaaba, kubus, lot, teerling
dobbelsteenspel - tritsen
dobbelsteentje van peperkoek - pepernoot
dobbelsteenvormig - kubiek
dobbelsteenvormig voorwerp - ank
dobbelterm - beker, steen, ogen
dobber - drijver, sim, vistuig
dobberen - aarzelen, flotteren, fluctueren, fluktueren,
rondzwalken, spelevaren, vlotten, weifelen, zwalken, zweven
dobberen op het water - drijven
dobbertje - ophouder, vlotlijn
docent - hoogleraar, lector, leerkracht, leermeester, leraar,
meester, onderwijzer
docente - leares, leerkracht, onderwijzeres
decent op middelbare school - leraar
decent op universiteit - lector
doceren - instrueren, leren, lesgeven, onderrichten, onderwijzen
doch - echter, evenwel, maar
docht - roeibank
dochter - kind, meisje
dochtergezwel - metastase
dochter van - zie familie betrekkingen
dochters zoon - kleinkind
dociel - gedwee, leerzaam, mak, meegaand, volgzaam
dociliteit - meegaandheid
doctor - dr.
doctor in beide rechten - d.j.u.
doctor in de heil - godgeleerdheid, std.
doctor in de medicijnen - dm
doctoraal - deftig, geleerd
doctoraat - graad, waardigheid
doctoranda - dra
doctorandus - drs
doctoreren - promoveren
doctrinair - leerstellig
doctrine - doctrina, leer, leerstelling, wetenschap
document - akte, bescheid, bewijsstuk, bul, diploma, geschrift,
oorkonde, papier(en), pas, paspoort, stuk, trouwakte, volmacht
documenteren - bewijzen, outilleren, staven
dodaars - dronte, walgvogel, zoetwaterduiker
dodder - huttentut, radijs
dodderig - doddig, slaperig, suffig
doddig - aardig, dodderig, enig, lief, mollig, schattig, snoezerig,
snoezig
dode - gestorvene, lijk, overledene
dode meander - hoefijzermeer
dode rivierarm - strang
dode stad - Vere
dode taal - Gotisch, Grieks, Hettitisch, Latijn, Sanskriet,
Tochaars
dodecaëder - twaalfvlak
dodekop - colcothar
dodelijk – fataal, letaal, noodlottig, vernietigend, zeer
dodelijk vermoeid - uitgeput
dodelijk wapen - atoombom, neutronenbom
dodelijke afloop - exitus
dodelijke stof - vergif
dodelijkheid - letaliteit, sterfte
doden - afmaken, elimineren, kelen, neerschieten, nekken,
ombrengen, ontzielen, slachten, vellen, verdelgen, vermoorden,
vernietigen
doden ter verlossing uit lijden - euthanasie
dodenakker - begraafplaats, kerkhof
dodenbezwering - necromantie
dodencultus - dodenverering
dodend - deleterisch
dodendag - Allerzielen
dodendal - stikvallei
dodendans - macaber
dodeneiland (het oude) - Eire, Erim, Ierland
dodenfeest bij de Papoea´s - bis
dodengod der Egyptenaren - Serapis
-43dodenhuisje - morgue
dodenliefde - necrofilie, necromanie
dodenlijst - dodenmars, necrologie, treurmars
dodenmars - treurmars
dodenmis - requiem
dodenmunt - obolus, obool
dodenrijk - erebus, Hades, onderwereld, schimmenrijk, sjeool,
tartarus
dodenrijk (Hindoes) - Nirwana
dodenrijk uit de Germaanse - mythologie, Walhalla
dodenrijk uit de klassieke mythologie - Hades, Tartarus
dodenstad - begraafplaats, kerkhof, necropolis
dodenverblijf - Erebus, Hades, hel, hemel, onderwereld, Orcus,
Tartarus, vagevuur, Walhalla
dodenverering - manisme
dodenzang - nenia
doder - keler, moordenaar, slachter
doderaal - aalpadpieper, doding, mortificatie
dodo - doedoe, dodaars, dronte, walgvogel
dodijnen - wiegen
doeal - factotum
doedel - buidel, dot, doedelzak, knoedel, lisdodde
doedelen - fluiten
doedelzak - cornamuse, loure, moezel, musette, ruispijp, zakpijp
doedelzakspeler - pijper, piper
doedelzak , soort middeleeuwse - estive
doedelzak , uit Auvergne - cabretta
doedoe - dodo, struiskasuaris, walgvogel
doe-het-zelver – hobbyist, knutselaar, zelfdoener
doek - gordijn, draperie, handdoek, hoofddoek, laken, lap, linnen,
omslag, omslagdoek, projectiescherm, scherm, schilderij,
schilderstuk, servet, stilleven, tafeldoek, toneelgordijn,
vaatdoek,vlag, wade, weefsel, zakdoek, zeil
doek (met) bekleden - bespannen, overtrekken
doek met leuzen - spandoek
doek om het middel van negers - paan
doek ter versiering - draperie, drapering
doek van linnen - zeil
doek voor schilderij - linnen
doekje - bavetje, bef, dwaal (altaar), kwezeltje, slabbetje, lap,
lapje, oorvatter, slab
doekje onder de kin - bef
doekje, open - applaus
doekje tegen het bloeden - smoes, verzinsel, uitvlucht
doekoen (Ind.) - medicijnman, tovenaar, vroedvrouw
doekspeld - fibula
doekversiering - draperie, drapering, gordijn, lijst, rand
doel - bedoeling, bestemming, but, buut, doeleinde, doelpunt,
doelwit, eindpunt, goal, ideaal, mikpunt, object, oogmerk, oogwit,
opzet, plan, richtpunt, roos, schietbaan, schietschijf, strekking,
streven, target,wil
doel treffen - slagen
doel van het handelen - bestemmen
doelbereik - schootsveld
doelbewust - trefzeker
doeleinden - idealen, bestemmingen
doelen - bedoelen, beogen, mikken, munten, schietbaan, scoren,
streven, zinspelen
doelen op - duiden, mikken, ogen, slaan
doelhokje bij cricketspel - wicket
doelloos - futiel, inefficiënt, lukraak, nietswaardig, nutteloos,
zinloos
doelloos aanwezig zijn - rondganger
doelloos ergens vertoeven - pierewaaien
doelloos lopen - drentelen, slenteren
doelman - doelwachter, keeper, goalie
doelmatig - bekwaam, bruikbaar, dienstig, doeltreffend, efficiënt,
geknipt, geschikt, nuttig, praktisch
doelmatig gevoerd beheer - rationalisatie
doelmatigheidsleer in de schepping - teleolegie
doeloorzaak - entelechie
doelpaal – staak, stol
doelpunt – goal, mikpunt, treffer
doelpunt, een - maken - scoren
doelpunt maken - scoren
doelschop - doeltrap
doelstand - score
doelstelling - bedoeling, considerans, objectief, 0oriëntatie,
overweging, plan, streven
doelstreep - doellijn, schreef
doeltreffend - beslissend, comfortabel, doelmatig, efficiënt,
effectief, geslaagd, nuttig, practisch, raak
doeltreffendheid - efficiency, efficiëntie
doelverdediger - doelman, doelwachter, goalie, keeper
doelwit - doel, mikpunt, roos, schietschijf
doem - invloed, oordeel, stijl, veroordeel, vloek, vonnis
doemen - veroordelen
doemenswaard - verdoemelijk
doemwaardig - misdadig
doen - bedrijven, gegoed, handeldrijven, handelen, kosten,
maken, overgaan, plegen, presteren, schoonmaken, stichten, uiten,
uitvoeren, uitwerken, verrichten, volvoeren, welgesteld, werken
doen achteruitgaan - interen
doen afdwalen - afleiden
doen afgaan - lossen
doen alsof - acteren, gebaren, fingeren, huichelen, simuleren,
spelen, veinzen, voorgeven, voorwenden
doen alsof men niets ziet - oogluikend
doenbaar - mogelijk, uitvoerbaar
doen bedaren - kalmeren koelen, sussen, stillen
doen begrijpen - uitleggen
doen beseffen - doordringen, begrijpen
doen besluiten - overhalen
doen bijeenkomen - convoceren, samenroepen, verzamelen
doen binnengaan - binnenlaten, inlaten
doen blijken - achten, (be)tonen, bewijzen, kennen, prouveren,
rekenen, waarnemen
doen doen - aanzetten
doen drinken - drenken
doen en laten - gedrag
doen gaan - sturen
doen gelden - vindiceren
doen geloven - wijsmaken
doen genieten - bekoren
doen glooien - dosseren
doen groeien - kweken, ontwikkelen, telen
doen kantelen - kenteren
doen lijden - martelen, pijnigen
doen losbarsten - beginnen, loslaten, losmaken, ontketenen
doen mislukken - beletten, omverwerpen, saboteren, torpederen,
verhinderen, verijdelen, voorkomen
doen omslaan - kantelen
doen ontploffen - exploderen, ontploffen
doen ontstaan - genereren, kweken, telen, opwekken, verwerken
doen ontstellen - consterneren
doen ontvlammen - aanblazen
doen ophouden - stelpen, stoppen
doen opstijgen - oplaten
-44doen plaats hebben - leveren, maken
doen schrikken - ontsteken
doen splijten - kloven
doen sterven - doden
doen stikken - smoren
doen stollen - stremmen
doen uiten - ontlokken
doen uitkomen - betonen, releveren
doen vallen - omverwerpen
doen verachten - beloven
doen verblijven - logeren
doen vergaan - verkwijnen, verteren
doen verjaren - prescriberen
doen verliezen - benemen, beslaan, innemen, ontnemen
doen vermoeden - suggereren
doen verrijzen - opwerpen
doen vervagen - verdoezelen
doen voortduren - bestendigen
doen waaien - blazen
doen walgen - afstoten
doen watertanden - tantaliseren
doen wegvloeien - lozen
doen wentelen - ronddraaien
doen weten - kennen, waarnemen
doen zien - aantonen, openbaren, tonen
doenbaar - mogelijk, uitvoerbaar
doende - actief, bezig, onledig, werkzaam
doeniet - baliekluiver, lanterfanter, leegloper, luiaard, luierik,
luilak, luiwammes, ledigganger, nietsnut, uitvreter
doening - bezigheid, herberg, hoeve, negotie, nering, winkel
doenlijk - mogelijk, te doen, uitvoerbaar
doerak - fielt, gewetenloze, loeder, schurk
doerra - kaffer, negerkoren
does - kardoes, poedel, sproeier, suf
doetje - sufferd
doezel - dommel, doezelaar, dutje,
doezelaar - zeemleerrol
doezelen - dommelen, estomperen, slapen, sluimeren, soezen,
suffen, vervagen
doezelig - slaperig, suf, vaag
dof - eenvoudig, flets, gedempt, geesteloos, gesmoord, getemperd,
gevoileerd, glansloos, lusteloos, mat, onbeduidend, onverschillig,
passief, stoot, suf, wazig
dof brommend klinken - gonzen
dof dreunen - rommelen
dof gedruis maken - stommelen
dof van geest - duf, lethargisch, suf
doffe onverschilligheid - lethargie
doffer - duif
doffe slag - bons, dreun, klap, plof
doffe smak - bons, plof
dof geluid - bons, dreun, gestommel, pang, plof, poef, slag, smak,
val
dof gonzend geluid geven - roezemoezen
dof maken - matten, matteren, ontglanzen voileren
dof ruisen - zoeven
dof trillen - dreunen
dof van geest - doezelig, duf, slaperig, suf
dof van geest zijn - suffen
dof van kleur - mat
dof weerklinken - dreunen
doffe - matte
doffe geluiden maken - stommelen
doffe knal - pang
doffe onverschilligheid - letargie, lethargie
doffe slag - bond, bons, dreun, klap, klop, plof, plomp pof, smak,
doffe stem - keelstem
doffer - duif
doffigheid - matheid
doft - roeibank
dofweg - lusteloos, rusteloos, onverschillig
doge - hoofdbestuurder
doggensoort 5 boxer
7 buldog, mastiff
8 mopshond
10 Leonberger, Rottweiler
11 bulmastiff
14 Newfoundlander
dogger - kabeljauwvisser, vistuig
doghondje met stompe neus - mop, mops
dogma - geloofsartikel, leer, leerstuk, leerstelling, stelregel
dogma van het Boeddhisme - Karma
dogmatiek - leerstelligheid
dogmatisch - apodictisch, droogdok, leerstellig, leerstelling,
orthodox, precies, rechtzinnig, star, steil, stomp, vastomlijnd
dok - dakpanstrowis, slag, strowis, stropop
dok, getrokken door grote sleepboot - zeesleep
dokken - betalen, schuiven, pil,
dokker - dokwerker
doksaal - kosten, maken, verrichten
dokter - arts, chirurg, chirurgijn, esculaap, geneesheer,
heelkundigehuisarts, medicus, medicijnman, therapeut
dokter die keuringen verricht - keuringsarts
dokter, Hongaarse - kwakzalver
dokter in vroegere tijden - chirurgijn
dokter voor badgasten - baddokter
dokteren - medicineren, prutsen, sleutelen
dokterspraktijk, bepaalde - armenpraktijk
doktersvoorschrift - recept
dokwerker - bootwerker, dokker, havenarbeider
dol - absurd, bezeten, breinloos, bromvlieg, crazy, dolgezellig,
dolprettig, dolzinnig, doorgedraaid, driest, dwaas, fanatiek,
frenetiek, furieus, gek, geschift, idioot, kokend, kolderig,
krankzinnig, lachwekkend, malende, mal, onbesuisd, onbezonnen,
onzinnig, razend, roeiklamp, roeipen, spitsmuis, stapel, tierend,
tureluurs, uitgelaten, uitzinnig, verwoed, vleesvlieg, wild,
waanzinnig, woedend, woest, zinneloos, ziedend, zot
dol op - verzot
dolaard - doler, vagebond, zwerver
dolage - ronddwaling
dolappel - doornappel
dolbes - alfrank, bitterzoet, elfrank
dolce - zacht, liefelijk
doldraaien - flippen
doldriest - extravagant, gejaagd, gewaagd, onbezonnen,
onstuimig, uitgelaten, vermetel, wild
doldriftig - bezeten, onbesuisd, ruw, wild, woedend, woest,
doldwaze - maniak
dole - kauw, kra, kraai, torenkraai
doleantie - afscheiding, bezwaarschrift, bezwaren, beklagen,
klaagschrift, klacht, dwalwen
doleerschrift - bezwaarschrift
dolen - darren, doleren, dwalen, landlopen, loslopen, ronddwalen,
rondgaan, rondzwerven, spoken, waren, zwalken, zwerven,
dolendo (muz.) - weemoedig
dol en driest - wild
doler - dwaler, zwerver
-45doleus- bedrieglijk
dolfijn - butskop, flipper, tandwalvis tuimelaar,
dolfijnsoort - beloega, bruinvis, butskop, Flipper, gramper,
griend, grindewal, narwal, noordkaper, rondkop, orka, tuimelaar,
zeevarken, zwaardvis
dolfijnsprong - schroef
dolfijn, witte - beloega
dolfijn, zwarte - griend
dolfijnenbad - dolfinarium
dolfijnen - wiegen, wiegelen
dolheid - frenesie, krankzinnigheid, lyssa, rabiës, rage, razernij,
waanzin, zotheid
dolheid van schapen - draaiziekte
dolichocefaal - langschedelig
dolik – hondsdravik, paardenbloem, raaigras, zaaigras, zwartkoren
doline - dal
doling - dwaling, verkeerdheid
dolk - dag(ge), kortelas, kortjan, kris, ponjaard, pook, stilet,
stiletto
dolkmes (Ind.) - rentjong, kris
dolk (lange voor doodsteek) - misericordium
dolkoppig - onbesuisd, wild, woest, razend
dolkruid - bilzenkruid, bitterkruid, doodkruid, malkruid,
nachtschade, papekul, walschot
dollar (Ind.) - ringgit
dolle - gek
dolle grap - farce, klucht
dolle kervel - hondspeterselie, pijpkruid, ribzaad, scheerling,
tuinscheerling, waterscheerling, winterling
dolle waanzin - frenesie, furie
dolleman - gek, razende, wilde, ijlhoofd
dollemanspraat - gekkenpraat
dolomiet - bitterkalk
dollen – gekscheren , ravotten, stoeien
dolle streek - pots
dolletjes - zalig
dolomiet - bitterkalk
Dolomieten, bergtop in de - Antelao, Marmolada
doloos - opzettelijk
dol op - verzot
dolwoeste krijgsman - Roeland
dolwortel - eenbes, pariskruid, waterscheerling, wolfsbes
dol zijn op - verzot
dolzinnig - dwaas, gek, onbekookt, onbesuisd, onbezonnen,
onzinnig, rabiaat
dolzinnigheden doen - kolderen
dom - aartsdom, achterlijk, basiliek, bedehuis, bekrompen, bête,
bot, debiel, dwaas, ezelachtig, godshuis, hardleers, hardlerig,
hersenloos, hoofdkerk, imbeciel, kathedraal, kerk(gebouw),
koepel, kortzichtig, leeghoofdig, loborig, lomp, naïef,
onbegrijpelijk, onbenullig, onbevattelijk, onbezonnen,ongeleerd,
ongeletterd, onnadenkend, onnozel, onontwikkeld, onverstandig,
onwetend, onwijs, redeloos, schaapachtig, stom, stompzinnig,
stupide, suf, uilig, wezenloos, zot
dom vroom - bigot
domein - bezit, gebied, erf, estate, kroongoed, landgebied,
landgoed, rechtsgebied, state, streek, terrein, territorium, zone
domesticatie - veredeling
domgrappig persoon - abderiet, hals
domheer - kanunnik, kapittelheer, stiftheer
domheid - beotisme, bêtise, blunder, bok, dwaasheid, enormiteit,
flater, hardleersheid idiotisme, ignorantie, imbeciliteit, misgreep,
misslag, mistasting, onkunde, onnozelheid, onverstand, stommiteit,
stupiditeit
domheid begaan - blunderen
domicilie - huis, verblijf, woning, woonplaats, woonstede
domig - bezweet
dominant - overheersend
dominatie - overheersing
domina - vrouwelijke predikant, da.
dominee - predikant, voorganger, zielenherder
domineese - domineevrouw
dominees woning - pastorie
domineren - overheersen
dominicaan - op(ordinis praedicatorum), predikheer
Dominicaanse munt - centavo, peso
Dominicaanse Republiek - Haïti
Dominicaanse Republiek, oorspronkelijke bewoner van de Ciguayo, Taino
dominion - Australië, Canada, Nieuw - Zeeland
dominion in N. Amerika - Canada
dominospel - legspel, matadorspel
domino spelen - domineren
domkerk - kathedraal, kloosterkerk
domkop - baars, botterik, dissel, domoor, ezel(skop), ezelsoor,
ezelsveulen, glijgoot, kever, kloet, oen, slaapkop, stommerd,
stumper, sufferd, sukkel, sul, uil
domme - lekkere
domme fout - blunder, bok, flater, misgreep, mosslag
domme goedzak - sul
domme jongen - domoor, hannes, jorden, kalf, leunes, sul
dommekracht - aardwind, crick, haaf (van hooiberg), hefboom,
kelderwind, koevoet, krik, takel, vijzel, wind
domme kunstrechter - Midas
domme koning uit de mythologie - Midas
domme logge vent - zoutzak
domme rijkaard - Midas, Nabob
domme streek - blunder, flater, idiotisme, imbeciliteit, niaiserie,
sottise, stommiteit, stupiditeit
domme vroomheid - bigotterie
domme vrouw - gans, lut. tut, trien, trine, trut
domme weelderige rijkaard - midas
dommel - doezel, dut, halfslaap, siësta, sluimering, soes
dommelen - doezelen, dutten, loom, slapen
dommelend - sluimerig
dommelig - doezelig, gaperig, slaperig, soezerig, soezig, suf
dom mens - domoor, stomkop, stommeling, stommerd
dommerd - domoor, lomperd
dommerik - ajuin, babok, Biotiër, bok, botmuil, botskop, cretin
(fig.), domkop, dommigneid, domoor, eend, eendvogel, ezel,
ezelachtigheid, ezelskop, ezelsoor, ezelsveulen, geit, golem
(Hebr.), kaaskop, hals, kalf, kalfskop, karbouw, kever, kluns,
loebas (Z.N.), loete, lomperd, lomperik, lummel, oen, onbenul,
os, otter, schelvis, steenezel, stomkop, stommeling, stommerik,
stupiditeit, sufferd, sukkel, sul, tut, uil, uilekop, uilskuiken
domme streek - stommiteit, stupiditeit
domme vroomheid - bigoterie
domme vrouw - gans, trien, lut
dom onwetend - onwijs
domoor - babok, botmuil, domkop, dommerik, domoor, eend,
ezel, ezelsveulen, gans, kever, klungel, koe, kruk, kuiken, oen, os,
otter, pecus, rund, schapenkop, stoffel, stomkop, stommeling,
stommerd, stommerik, sufferd, sukkel, sul, uil, uilekop,
uilskuiken, warhoofd, weetniet
domp - hefboom, lisdodde
dompelaar - duiker, piongeur
dompelen - dopen, ondergaan
dompeling - doop, doopsel, indoping
-46dompeling in water - doop
dompen - omslaan, uitdoven
domper - anticlimax, duisterling, kaarsendover, obscurant,
uitdover
dompig - bedompt, duf, klam, mistig, muf, somber, suf, vochtig
dompteur - africhter, dierentemmer, temmer
dompteuse - africhtster, temster,
domstad - Utrecht
domstom - onbenullig
domvroom - bigot, (domweg) gelovig, kwezelachtig
domvroomheid - bigotterie
don - heer
donaat - gever
donataris - begiftigde
donateur - begiftiger, begunstiger, schenker
donatie - decanie, gave, gift, schenking
donder - onweder, onweer
donderaal - aalpieper, meerpoet, modderkruiper, vis, weeraal,
weervis
donderaar - Donar, dondergod, Jupiter, kweller, plager,Thor
donderbaard - huislook
donderbeestje - onweersbeestje, thripsen
donderbeitel - duivelsvinger, lijnxsteen, pijlsteen
donderbloem - klaproos, valeriaan
donderbui - onweersbui, stortvloed
donderen - onweren, rommelen, zaniken, zeuren
dondergod - Donar, Jupiter, Thor
donderhamer van Thor - miôlner
donderjagen - mieren, moeren, opspelen, razen, tieren, uitvaren,
zaniken, zeuren
donderkop - cumulonimbus, stapelwolk
donderkopje - kikkervisje
donderkruid - donkerbaard, fijnstraal
donderpad - dikkop, kikkervisje
donderpoeder - buskruit, knalgoud, knalzilver
donders - beroerd, buitengewoon, zeer
donderslag - donderknal, onweer
dondersteen - belemniet, bliksembuis, deugniet, donderbeitel,
fulguriet, lammeling, meteoriet, zeeegel (versteende),
doneren - schenken
Don Juan - adonis, charmeur, hartenbreker, ladykiller, verleider,
veroveraar, vrouwengek, vrouwenjager
donk - bundeltje, moeras, moer, strobundel, zandhoogte
donker - duister, obscuur, sinister, somber, zwart
donker (ondoorschijnend) - opaak
donker bier - bock, Münchener, oud-bruin, stout
donker van kleur - fonce, maduro
donkerbaard - huislook
donkerblauw - diepblauw, indigo, marineblauw
donkerblauwe verfstof - indigo
donkerbleek - bias
donkerbruin - tanig
donkerbruin paard - zwartvos
donkerbruine aardsoort - omber
donkerbruine bosbes - kroos, veenbes
denkerbruine pikante vloeistof - soma
donkerbruine stof - taan
donkerbruingrijs - taupe
donker Engels bier - stout
donker paard - moor
donkerrode houtsoort - meranti
donker rood - purper
donkere harde houtsoort - palissander
donkerharige - brunette
donkere drijvende wolken - zwerk
donkere kamer - doka
donkere kers - kriek
donkere spaanse wijn - tint
donkere vorm - schaduw
donkere zolder in molens - hel
donkergele stof - nanking
donkergrijs - taupe, vaal
donkerheid - duisternis, obscuriteit, opaciteit
donkerpaars - aubergine, violet
donkerrode edelsteen - granaatsteen
donkerrode harssoort - drakenbloed
donkerrode wijn - tint
donkerrood - karmozijn, purper
donkerrood of geelrood edelgesteente - zirkoon
donkerkleurige Filippijn - negrito
donkerte - duisternis
donkerzwart - diepzwart, git
donor - bloedgever, gever, schenker
dons - gevederte, nesthaar, veren, vlos
donsgans - eidergans
donzig - bevederd, donsachtig, pluimig, plumeus, vederachtig
donzig propje - dot
donzige waas op planten - dauw
dood - afgestorven, bewegingloos, gestikt, gestorven, Hein
(magere), kapores, kapot, koud, levenloos, mors (Lat.),
mortaliteit, mortuus, omgekomen, ontslapen, ontzield, overgang,
overleden, renteloos (kapitaal), sterfgeval, uiteinde, verdronken,
verloren, verscheiden, versterf, weg, wijlen, zeisman, ziellos
dood, de - veroorzakend - dodelijk, lethaal
dood (de-nabij) - veeg
dood, ten gevolge van elektrische stroom - elektrocutie
dood aan het kruis - kruisdood
doodaf - op, uitgeput
doodat - doodop, uitgeput
doodarm - merode (barg.), straatarm
doodbidder - aanspreker, kraai, leedaanzegger
doodbloeden - uitsterven
doodbranden van wonden - cauteriseren
dood dier - aas, kadaver, kreng, prij
dood door verstikking - asfyxiatie
dood (voor) verklaring - boycot
dooddoener - afdoener, argument, machtspreuk
doodeenvoudig - simpel
doodeter - leegloper, mispunt, nietsnut, opvreter
doodgaan - afsterven, creperen, inslapen, kreperen, omkomen,
ontslapen, overlijden, peigeren (barg.), sneuvelen, sterven, sterfte,
stikken, verdrinken
doodgewoon - eenvoudigweg, gewoonweg, kortweg, simpel
doodgoed - sullig
doodgoed mens - druif, hals, sukkel, stumper, sul
doodgraver - aanspreker, aaskever, kraai
doodkalm - bedaard, doodleuk, gevoelloos, kalmweg, laconisch,
lakoniek, leukweg, onverschillig, voorzichtig
doodkist - lijkkist, paletot, sarcofaag
doodkistenbaar - katafalk
doodknijpen - wurgen
doodkopaapje - kapucijnaap
doodkoud - onverschillig
doodkruid - atropine, belladonna, nachtschade, wolfskers
doodlaken - doodskleed, lijkkleed
doodleuk -gemoedereerd, kalmweg
doodlichaam - kadaver, kreng, lijk
doodlopen - stranden
-47doodlopend slop - impasse
doodlopend straatje - slop
doodlopende rivierarm - ank, hank, kil, kolk, kreek, plas
doodlopende steeg - impasse, keerweer keerweg, slop, steg
doodlopende straat - impasse
doodlopende weg - slop, keer, keerweg
doodloper - blindganger
dood maken - doden, dollen, doodschieten moorden, neervellen,
ombrengen, ophangen, slachten, smoren
doodmoe - afgedraaid, afgemat, afgepeigerd, bekaf, beu, doodop,
op, oververmoeid, uitgeput, zat,
doodop - afgepeigerd, bekaf, doodmoe, oververmoeid,
uitgemergeld, uitgeput, uitgeteld
doodrijp - overrijp
doods - akelig, bar, eenzaam, kil, naar, saai, stil, somber, verlaten,
vervelend, uitgestorven
doodsadvertentie - overlijdensadvertentie
doodsakte - overlijdensakte
doodsbang zijn - beven
doodsbed - sterfbed
doodsbeen - bot, knekel knook
doodsbeenderhuisje - knekelhuisje
doodsbleek - krijtwit, lijkwit
doodsbleek worden van schrik - besterven
doodschieten als militaire straf - fusilleren
doodschuim - doodzweet, reeuw
doodsengel - Asraël, Sammaël
doodsgevaar - levensgevaar
doodsgewaad - doodskleed, lijkwade
doodshoofd - bekkeneel, schedel
doodshoofdaapje - monki
doodshoofdvlinder - pijlstaartvlinder
doodskleed - doodsgewaad, lijkkleed, lijkwade
doodskloppertje - houtworm, kloppertje, memel, mijt, tikker
doodsslaap - sterven
doodslag - aanslag, manslag, misdaad, moord
doodslag met voorbedachte rade - moord
doodslag plegen - moorden
doodslag pleger - moordenaar
doodslager - matador
doodsliefhebberij - thanatofilie
doodskleur - lijkkleur
doodsnood - stervensnood
doodsschuim - reeuw
doodstraf door elektriciteit - elektrocutie
doodsstrijd - agonie
doodsuur - stervensuur
doodverklaren - negeren
doodverven - kenschetsen, voorbestemmen
doodwerken - beulen
doodszweet - reeuw
doodzwijgen - negeren
doof - daaps, hardhorend, hardhorig, slechthorend
doof en stom - doofstom
doofheid - surditeit
doofhoedje - domper
doofpot - test, vergeetboek, vuurpot
dooi van de bovenste laag ijs dooie - opdooi
dooien van sneeuw - smelten
dooie piet - droogpruim
dooier - eigeel
dooierzak bij zoogdieren - navelblaasje
dooierzwam – cantharel, peperling
dooie-visjes-vreter - saaierd
doolhof - dwaaltuin, dwaalweg, labirint, labyrint, slakkenhuis
slingerbos, warnest, wirwar
doolhofachtig - daedalisch
doolwortel - eenbes
doom - mist, wasem
doon - klam, vochtig
doop - dompeling, doopsel, inzegening, naamgeving,
onderdompeling, saus
doopakte - ceel
doopattest - doopbewijs
doopattestatie - doopceel
doopbekken - vont
doopbeurt - doopdienst
doopboek - doopregister
doopgeschenk - pillegeld, pillegift
doopgetuige - doopheffer, meter, peter, peet, peetdochter,
peetoom, peettante, peetzoon, petemoei,
doopheffer - peter, peet
doophefster - peettante
doopkapel - baptisterium
doopleerling - catechumeen
doopmoeder - meter, meet, peettante
doopnaam - voornaam
doopregister - doopboek
doopsel - doop
doopsel toedienen - dopen
doopsgezindte - baptist, menist, mennoniet
doopsgezinde kerkdienst - vermaning
doopsuiker - dragee
doopvader - peter, peet, peetoom
doopvont - baptisterium
door - dia (Gr.), dmv, dooier, doren, ingevolge, met, middels,
mits, per, tengevolge, vanwege ,via, wegens
door (Lat.) - ab, per
door aaltjes veroorzaakte gallen - aaltjesgallen
door aaltjesziekte in het gewas - aalziekte
door aanbermen aangebrachte grond - aanberming
door aandijking winnen - aandijken
door aanraking iets voelen - tasten
door Achilles doorboord - Priamus
door Afrodite beminde - Adonis
door afzender betaald - franco
door afzetting - sedimentair
door Alva ingestelde raad - bloedraad
doorbakken - gaar
door bedekte aantijging te kennen geven - insinueren
door behoefe vereist - nodig
door beklopping onderzoeken (med.) - percuteren
door bemiddeling verzoenend - mediatorisch
door bewegen troebel maken - beroeren
door bewerking doen uitvloeien - tappen
door bezigheden zeer gevuld - bezet
door bezonnenheid gekenmerkt - ernstig
doorbijter - aanhouder
door binden bevestigen - aanbinden
door bladluizen afgescheiden vocht - mierenhoning
door blaffen bedreigen - aanblaffen
door blazen doen vlammen - aanblazen
door blazen leegmaken - uitblazen
doorboete uitwissen - beteren
door bomen naderbij brengen - aanbomen
doorboord blokje ijzer met inwendig schroefdraad - moer
doorboren - doorsteken, perforeren, priemen, speten
door boren raken - aanboren
-48doorboring - perforatie
doorbraak - breuk, bres, dijkbreuk, gat, opening
door breien verenigen - aanbreien, toevoegen
doorbrengen - beleven, besteden, opmaken, passeren, slijten,
verdoen, verkwisten
door brullen bedreigen - aanbrullen
doorbuigen - knikken, meegeven, zwiepen
door de bank genomen - gemiddeld, gewoonlijk
door de behoefte vereist - nodig
door de beugel kunnen - passeren
door de daad zelf - ipso facto
door de echtgenoot - maritaal
door de huid heen - percutaan
door de keel gieten - opgeven
door de lever afgescheiden vocht - gal
door de Mohammedanen verwachte verlosser - Mahdi
door de mond - oraal
door de natuur ontstaan - naturalis
door de neus gesproken - nasaal
door de nood ertoe gebracht - noodgedwongen
door de noodzakelijkheid gedwongen - node
door de overheid geregelde verloting - staatsloterij
door de stroming gevormd bed - zelling
door de vingers zien (fig.) - vergeven
door de wet toegestaan - legaal, wettig, wettelijk
door de wind - eolisch
door de wind gevormde zeewering - duin
door de wol geverfd - dubbelgebeid
door de zee gevormde steile wand - klif, klip, krijtrots
door diefstal ontnemen - ontstelen
door dieren vervaardigd voorwerp - beverdam, molshoop, nest,
web
door draaien in beweging zetten - aandraaiing
door draaien vast maken - aandraaien
door dragen afslijten - afdragen
door dijken aanhechten - aandijken
door dijken omringd land - polder
door echtelijke verbinding verkregen - aanbreng
door een autocraat geregeerd land - autocratie
door een dam insluiten - indammen
door een dier in beweging gehouden molen - rosmolen
door een geslachtziekte aangestoken - aanbranden
door een kraan laten afvloeien - tappen
door een misstap het evenwicht verliezen - struikelen
door een muur heen dringen - doorslaan
door een notaris opgemaakt - notarieel
door een rivier gevormd dal - canon, canyon, kloof
door elkaar genomen - dooreen, doorsnee, gemiddeld, globaal,
ondereen
door een slag uiteen vallen - splijten
door een vloed van woorden laten zwijgen - overbluffen
door een volksvertegenwoordiging geregeerd land democratie
door een vreemd land omsloten gebied - enclave
door een worp verbrijzelen - ingooien
door elkaar - dooreen, doorelkander, gemengd, ondereen,
promiscue, vermengd,
door elkaar gevlochten naamletters - monogram
door elkaar halen - verwarren
door elkaar halen van uitdrukkingen - contamineren
door elkaar schudden - husselen, hutselen, mengen, 5mixen,
wassen,vermengen
door elkander - kriskras
door en door slecht mens - satanskind
door en door vals - perfide, verdorven
door gebrande suiker omgeven amandel - dragee, praline
door geen enkel getal deelbaar - priem
door geld tot minder edele daden bewegen - omkopen
door gemeentebestuur geschonken titel - ereburger
door genade - precair
door geweld gedwongen - v.c. (vicoactus)
door God toegezegd bezit - erfdeel
door Gods genade - D.G.
door goedgunstigheid - precair
door grenzen bepaalde ruimte - plaats
door hartzeer gekweld worden - kniezen, piekeren, treuren
door Hera veranderd in een koe (vaars) - lo (myth.)
door het oog van de naald - ternauwernood
door het woord - mondeling, oraal, verbaal, woordelijk
door het ijs gevormde afzetting -morene, drumlin
door hoge bergen ingesloten deel - ketel, keteldal
door horzel gekwelde geliefde van Zeus - lo
door klieren afgescheiden stof - hormoon
door kou opgezwollen ledemaat - winterhand, wintervinger,
wintervoet, winterteen
door kromme lijn begrensd vlak - periferie
door land ingesloten water - meer, plas, ven
door levende wezens uitgedreven lucht - adem, asem, wasem
door lever afgescheiden vocht - gal
door lokken overhalen - verlokken
door losgeld vrij maken - inlossen
door mensenhanden aangebracht - aanbouw
door met de voet tegen iets te stoten - struikelen
door met (Lat.) - per
door middel van - d.m.v., met, middels, pa(parami), per, via
door middel van de gedachte - mentaal
door middel van een borstel laten glimmen - poetsen
door middel van speeltuigen voortgebrachte muziek instrumentaal
door middel van gesproken woord - mondeling
door mieren afgescheiden vocht - miere(n)zuur
door Mohammedanen verwachte verlosser - Mahdi
door moordrazernij bevangen - mataglap (lnd.)
door nalatenschap gekregen iets - erfdeel, erfenis, erfgoed,
erfstuk
door nalatenschap verkrijgen - erven
door naspeuren te weten komen - uitkienen
door niets zich verraden - blijken
door nodige luchtdruk gedreven - pneumatisch
door nood er toe gebracht - gedwongen, noodgedwongen
door nood gedwongen - node
door operatie - operatief
door omstandigheden- noodgedwongen
door ondervinding geleerde - ervaring
door ondiep water lopen - waden
door oorzaken van buitenaf ontstaan - exogeen
door opbeuren aangegeven - aanbeuren
door operatie - operatief
door ouderdom aanzien hebben - eerwaardig
door ouders verlaten kind - vondeling
door overlevering voortgeplant - traditioneel
door Paris geschaakte vrouw - Helena
door Parijzenaars vernielde gevangenis - Bastille
door politie uitgevoerde drijfjacht - razzia
door regen mislukt - verregend
door rivier gevormd dal - canon, canyon, kloof
door roepen doen stil houden - aanroepen
door roest aangetast - roestig
-49door roesten vast gaan zitten - inroesten
door roof ontnemen - beroven
door sabelhouwen neervellen - omsabelen
door scheren verwijderen - afscheren
door schrijvers hand - (Lat) m.a.
door schudden doen klinken - rammelen
door slaan iets breken - doorslaan
door slaan verjagen - afslaan
door slepen iets elders brengen - verslepen
door smeltwater gevormde afzetting - esker, kame
door snijden verbeteren - versnijden
door solist verzorgd programma - recital
door spannen wijder maken - rekken
door stekken voortplanten - stekken
door stomen reinigen - stomen
door strijd verwerven - veroveren
door stromend water gevormd - fluviatiel
door studie vormen - ontwikkelen
door te groot verbruik minder maken - interen
door Theseus gedood monster - Minotaurus
door toverkracht - magisch
door twee deelbaar - even
door uitwendige prikkels veroorzaakt - paratonisch
door vee getreden pad - tra
door verdriet versteende koningin - Niobe
door verjaring verkrijgen - usucapiëren
door verwonding ontstane zielsaandoening - trauma
door vreemd land omsloten gebied - enclave
door vriendenhand bezorgd - n.m.
door vulkaan uitgeworpen gesteente - lava, magma
door vulkaan verwoeste stadm – Pompeji
door vuur verwoeste stad - Gomorra, Sodom
door water omgeven land - eiland
door waterstromen gevormd - fluviatiel
door wind afgezet - eolisch
door woede verblind (Ind.) - mataglap
door wrijven aanbrengen - aanwrijven
door wrijven verwijderen - vagen
door ijs dichtliggend water - toewater
door ijs gevormde afzetting - drumlin, morene
door ijswerking afgezet - glaciaal
door ijver gedreven - fanatiek
door zachte overreding verleiden - tronen
door zalving inhuldigen - wijden
door zee gevormde steile wand - klif, krijtrots
door Zeus veranderd in een nachtegaal - Aedon
door ziekte voortgebracht - morbeus
door zuilen gedragen galerij - colonnade, empoor, gaanderij,
stoa
doorbladeren - feuilleteren
doorboord ijzeren blokje met schroefdraad - moer
doorboorde stop - tap
doorboren - doorsteken, perforeren, priemen
doorboring - perforatie
doorbraak - gat, barst, bres, breuk, dijkbreuk,
opening, scheur, verandering
doorbrander - salamander
doorbrengen - beleven, besteden, opmaken, passeren, slijten,
verkwisten
doorbuigen - knikken, meegeven
doordacht - beraden, gedegen, verstandig, weloverwogen
doordat - aangezien, daardoor, omda, terwijl
doordien - daar, omdat
doordraaien - opmaken, pierewaaien, verkwisten
doordraaier - barrel, brasser, lichtmis, losbol, opmaker, patser,
verkwister, zwierbol
doordraven - doorslaan, raaskallen
doordrenken - imbiberen, impregneren
doordrenkt - nat
doordrijven - doorzetten, forceren
doordrijven tot het uiterste - extremisme
doordrijver - doorzetter, extremist, fanaticus, heethoofd, , ultra,
volhouder
doordringbaar - permeabel, penetrabel
doordringbaarheid - permeabiliteit, penetrabiliteit
doordringen - doorgronden, infiltreren, ontsluiten, overtuigen,
penetreren, vervullen
doordringen van vloeistoffen door poreuze wanden - osmose
doordringend - fel, nijpend, penetrabel, penetrant, schel, scherp,
snijdend
doordringend van toon - hel
doordringende blik - arendsblik, valkeblik
doordringing - penetratie
doordrongen - bewust, overtuigd, zeker
doordrongen van iets - overtuigd
doordruk - doorslag, duplicaat, kopie
doorduwer - streber
dooreen - chaotisch, doorelkaar, gemiddeld, ondereen, overhoop,
verward
dooreen gekneed mengsel - deeg
dooreengemengde stoffen - mengsel
dooreengenomen - gemiddeld
dooreen gestampt eten - stamppot
dooreengestampt middageten - ratjetoe
dooreen gestampte kost - ratjetoe, ratatouille, ratatoelje
dooreen gevlochten letters - monogram
dooreenknijpen - kneden
dooreen mengeling - mengsel, warreling
dooreen mengen - klutsen, meieren, mengelen, (om)roeren
dooreenroeren - mengen
dooreen schudden - hussen, hutsen
dooreenwarreling - wirwar
dooreenwarreling - doolhof, warwinkel, wirwar
dooreenwarren - warrelen
dooreenwerken - kneden, mengen
dooreenwerken van stoffen - kneden, mengen, mixen
door elkaar - dooreen, overhoopverward
door elkaar bewegen - krielenkrioelen, wemelen
door elkaar genomen - dooreen, doorsnee, gemiddeld, globaal
door elkaar halen - poespassen
door en door - helemaal, puur
door en door lui - lui
door en door nat - kletsnat
doorgaan - aanhouden, aansluiten, doorlopen, geschieden, lopen,
opengaan, passeren, transiteren, verdergaan, vervolgen,
voortduren, voortgaan, voortzetten
doorgaan van het geluid als het beeld (van de T.V.) al weg is overlap
doorgaand - aanhoudend, continu, doorlopend, opgaand
doorgaande bas (afk) - bc (basso continuo)
doorgaans - altijd, dikwijls, doorgaand, doorlopend, gemeenlijk,
geregeld, gewoonlijk, meest, meestal, meestentijds, vaak, veelal
doorgaan voor - gelden
doorgang - bres, beurt (Z.N.), deur, doorbraak, doorkomst,
doorloop, doortochtgat, gat, opening, overloop, pas, passage,
poort, transito, tunnel
doorgang onder water - tunnel
doorgangsgevangenis - amigo, baaierd
-50doorgang tussen bergen - pas
doorgangsgevangenis - amigo,baaierd
doorgang tussen twee rijen - gangpad, looppad
doorgang van zon of ster door de meridiaan - culminatie
doorgangshuis - passantenhuis
doorgeefkast - doorschuifkast
doorgeefluik - loket
doorgefourneerd - bijdehand, uitgeslapen
doorgehaalde plaats (in manuscript) - ratuur
doorgeprikte tekening - spons
doorgestikte deken - dekbed
doorgestoken kaart - fopperi], nep, oplichterij
door getallen uitgedrukt - numeriek
doorgevoerd worden - transiteren
doorgewinterd - doorgefourneerd, ervaren, geroutineerd,
geslepen, routine, slim, overtuigd, routineus, uitgeslapen
doorgewinterd persoon - rot, routiné, slimmerd
doorgieter - broes (douche), inker(netwerk), treem, trechter,
tremel, zeef
doorgroeid – doorregen, perfolaat
doorgronden - begrijpen, doorhebben, doorzien, doorhebben,
peilen, ramen
doorgronder - kenner
doorgronding - penetratie
doorhakken - delen, kerven, klieven, scheiden, splitsen, splijten
doorhalen - berispen, cancelen, cancelleren, effaceren, foppen,
doorstrepen, obliteren, royeren, schrappen, uitwissen
doorhalen van een post in een rekening - radiatie
doorhaling - obliteratie, radiatie, rature, ratuur, schreef
doorhebben - begrijpen, doorgrondn, doorzien, verstaan
doorkijken - snuffelen
doorklieven - splijten
doorkneed - bedreven, bekwaam, doortrapt, ervaren, geraffineerd,
geroutineerd
doorjagen - doorbrengen, doorlappen, opmaken, verkwisten
doorklinkende toon - orgelpunt
doorkomen - passeren
doorkruisen - bereizen, bezeilen dwarsbomen, tegenwerken
doorkruising - decussatie
doorlaat - passage, sluis, tol
doorlaatbaar - permeabel
doorlatend - permeabel, poreus, sijpelen
doorlekken - sijpelen
doorlekkend water - lekwater
doorleven - meemaken
doorlichting - diascopie
doorlichting van lichaamsdelen - radioscopie
doorliggen - decubitus
doorloop - gang, steeg
doorlopen -doorgaan, moeven
doorlopen van een zin van de ene in de andere versregel enjambement
doorlopend - aanhoudend, doorgaand, doorgaans, geregeld,
gewoonlijk, onafgebroken, steeds, voortdurend
doorlopende entreekaart - passepartout
doorlopende huurovereenkomst - erfpacht
doorlopende ketting - noria, paternoster
doorlopende order - legerorder
doorloper - schaats
doorluchtig - aanzienlijk, beroemd, edel, illuster, roemrijk,
roemwijze, uitstekend, voornaam, verheven, vriendelijk
doormaken - meemaken
doormengen - doorslaan
doorn - stekel
doornachtige plant - akant, bereklauw
doornachtige sierplant - akant
door middel van - met, middels, per, via
doormidden hakken - kerven
doormidden snijden - halveren
door moordzucht verblind - mataglap
door nalatenschap verkrijgen - erven
doornappel - dolappel, mollekruid
doornat - drijfnat, druipend, druipnat, kletsnat, verregend
doornbekken - acanthopelus
doornbes - meidoorn
doorngras - spinifex
doornemen - bestuderen, lezen, nazien
doornhaai - speerhaai
doornig - epineus, lastig, netelig, stekelig
doornige heester - gaspeldoorn, meidoorn
doornkruiper - bastaardnachtegaal
door ondervinding geleerde - ervaring
door optelling ontstaan getal - som
doorpraten - dazen
doorpriemen - doorsteken
doorregen - gelardeerd
doorreis - doortocht
doorreizen - passeren
doorreizende - passant
doorroeren - doorslaan, mengen
door roof ontnemen - beroven
doorrijp - overrijp
doorsluiper - duinvogel, griel, scharluip
doornstruik - gaspeldoorn, gaspelstruik, ginst, heibrem,
meidoorn, steekbrem
doorschijnend - diafaan, doorzichtig, dun, helder, hyalien, ijl, iel,
kristal, licht, luchtig, mineraal, opaak, transparant
doorschijnend en hard (aardappel) - glazig, glazerig
doorschijnend mineraal - kristal
doorschijnend papier - pergamijn
doorschijnende afbeelding - diorama
doorschijnende steen - glas, kristal
doorschijnende stof - glas, kamfer, kristal
doorschijnende veldspaat - maansteen
doorschijnendheid - transludiciteit, transparantie
doorschouwd - ontmaskerd
doorschrappen - doorhalen, royeren
doorschrijfpapier - carbon
doorseinen - telegraferen
doorslaan - bekennen, overdrijvenponsen, slippen, voortgaan
doorslaand - afdoende, voldoende
doorslag - afdruk, afschrift, beslissing, doordruk, drevel, kopie,
nagelijzer, overwicht, pons, ponsoen, stempel, vergiettest
doorslaggevend - beslissend , cruciaal, overwegend
doorslagpapier - carbonpapier
doorsmeerder - monteur, olieman
doorsnede - diameter, doorsnijding, intersectie, kaliber, kruising,
middellijn, snijpunt, snijvlak
doorsnede van hout - mal
doorsnee - gemiddeld sciografie
sciografie
doorsnuffelen - doorneuzen, perlustreren
doorsnijden - kerven, zagen
doorsnijding - discussie, doorsnede, intersectie, kruising,
snijpunt
doorsteken - priemen
doorspekken - larderen
doorspelen - sluizen
-51doorstaan - dragen, dulden, lijden, meemaken, ondergaan,
toelaten, uithouden, uitstaan, verdragen, verduren, verteren
doorstappen - aanbenen, doorlopen, stevelen
doorsteken - lensen, priemen
doorstralende geestigheid - geestig
doorstrepen - doorhalen
doorstroomopening in waterkering - overlaat
door strijd verwerven - veroveren
doorstrijken - oblitereren
doorstrijking - obliteratie
doorstuiven - ponceren
doorsturen - verwijzen, wegsturen
doorsijpelen - distilleren, infiltreren, transsuderen, zijgen, zijpen
doorsijpeling - (in)filtratie, lekkage
doortastend - beslist, rastisch, energiek, ferm, flink, grondig,
kordaat, krachtig, resoluut, stoer, terdege, voortvarend
doortastendheid - resolutie
doortocht - binnenlating, doorgang, pas, passage
doortocht verlenend document - vrijbrief
doortochtgeld - tol
doortocht op een berg - pas
door toverkracht - magisch
doortrapt - arg, arglistig, bestiaal, erg, gemeen, geraffineerd,
geslepen, gewiekst, doorkneed, kwaad, leep, link, listig, olijk,
onguur, panurgisch, plat, reppig, slecht, slim, slinks, sluw,
uitgeslapen, vals, vuig
doortrapt mens - panurg
doortrapte schavuit - panurge
doortrapte schurk - fielt
doortraptheid - gemeenheid, geslepenheid, panurgie, slimheid,
sluwheid, uitgeslapenheid
doortrek - passage
doortrekken - passeren, wegspoelen
doortrekken met vocht - inpregneren
doortrekpapier - calqueerpapier, carbonpapier
door twee deelbaar - even
doorvaart - kanaal, passage, sluis, vlie
doorvaren - passeren
doorvoed – dik, welgevoed
doorvoelen - doorzoeken
doorvoer - transito
doorvoerbrief - geleidebrief
doorvoerhandel - transito, transitohandel, transitoverkeer,
tussenhandel,,
doorvoerrecht - doortochtgeld, tol
doorvoer van goederen - transito
door vreemdland ingesloten - enclave
doorwaadbare plaats - drecht, voorde, voord(e), wad, wed
doorwandeling - perambulatie
doorwas - goudscherm, waterpostelein
doorwaternat - drijfnat, kletsnat
door water omgeven land - eiland
doorweekt - doornat, dras, drassig, druipnat, drijfnat, kletsnat, nat,
trempé,
doorweekte grond - dras
doorwerken - aanpoten
doorwoelen - wroeten
doorwrocht - degelijk, doordacht, geleerd, grondig
doorzagen - zeuren
doorzeefd - doorboord
doorzenden - doorsturen
doorzetten - doordrijven, pousseren, volharden, voortzetten
doorzetter - aanhouder, animator, doordouwer, doordrijver
doorzettingsvermogen - perseverantie, persistentie, volharding,
volhardingsvermogen, volhardendheid, volhouding
doorzeuren - drammen
doorzicht - begrip, beleid, benul, besef, bevatting, intelligentie,
inzicht, notie, perspectief, perspicaciteit, schranderheid, verstand
doorzichtig - doorschijnend, duidelijk, glashelder, ijl, helder,
limpide (Fr.), limpidus, transparant
doorzichtig papier - pergamin
doorzichtig weefsel - gaas, tule, voile
doorzichtige afscheiding - glas, mica, micavenster, raam, ruit,
venster
doorzichtige draadvormige diertjes - aaltjes
doorzichtige schildering - diorama, kijkspel
doorzichtige stof - cellofaan, diofaan, gaas, glas, kaasdoek, mica,
organdie, plastic, plastiek, plexiglas, tarlatan, tule, vensterruit,
water
doorzichtige vloeistof - water
doorzichtkunde - perspectiefleer
doorzichtkundig - perspectivisch
doorzien - begrijpen, doorgaan, doorgronden, doorhebben,
doorzijging, filtrering inzien, kle(i)zing, nalezen, narekenen,
overlezen, rediveren, snappen
doorzifting - colatuur, filtrage,
doorzoeken - doorvoelen, fouilleren, onderzoeken, visiteren
doorzoeken van een land - exploreren
doorzoeking - exploratie, fouillering, inspectie, nasporing,
onderzoek, recherche
doorzoeking van een onbekend gebied - exploratie
doorzouten - gepekeld
doorzweten - transsuderen
doorzweten van scheidingswanden - endosmose
doorzweting - endosmose, transsudatie
doorzijgen - filtreren
doorzijging - filtratie, percolatie
doos - bak, bus, gevangenis, karton, koker, scatula,
schoenendoos, trommel
doosbarometer - aneroïde-barometer
doos (langwerpige) met sigarettenpakjes - slof
doos met verbandmiddelen - verbandtrommel, zakapotheek
doosje in eikelvorm - aker
doosje voor de bril - etui, koker
doosvrucht - capsule, cardamon, hauw, kardemon, kokervrucht,
papaver, peul, viooltje
doosvrucht (Ind.) - kardemom
dooswaterpas - doosniveau, libel, luchtbelwaterpas
dop - afsluiting, bast, bol(ster), capsule, eierdop, hoed, kurk,
omhulsel, pel, schaal, schil, stop, sloester(Z.N.),
dop van een biervat - spondop, sponschroef
dop van biljartkeu - pomerans
dop van bladlood - capsule
dop van een noot - schil, sloester
dope - drug, bijmengsel, pepmiddel, stimulans
dopen - bevochtigen, dompelen, indompelen, kerstenen
doper - baptist, doopsgezinde, mennis, wederdoper
doperwt - dopper, peul
dopheide - erica
dophoed - garibaldi
dopje (kruid) voor ontsteking van vuurwapens - slaghoedje
dop(je) over een kurk - capsule
dopje van bladtin - capsule
doppen - betten, pellen, ontmantelen, schillen
dopper - doperwt
dopijzer - center
dor - aride, aried, bar, bleek, droog, dun, flets, furgaal, mager,
saai, schraal, onvruchtbaar, pover, steriel, uitgedroogd,
-52verdroogd, vervelend, verwelkt, waterarm
dorade - goudmakreel
dor duin - kling
dor hout - sprokkelhout
dor worden - verdrogen
dorade - goudmakreel
dorado - eden ,eldorado, goudland, lusthof, paradijs
doren - punt, stekel
dorheid - ariditeit, droogheid, droogte, onvruchtbaarheid,
schraalte, steriliteit, xeronosus
dorhout - sprokkelhout
dorhout zoeken - sprokkelen
dormeuse - ligstoel, oorknop, slaapstoel
dormitief - slaapmiddel
dorp - desa, gat, gehucht, gemeente, plaats, vlek
dorp (drie letters) - Ane, Ens, Epe, Erm, Erp, Est, Nes, Oss, Son
dorp (Ind.) - desa, dessa, kampong
dorp aan de grens - grensdorp
dorp aan de Linge - Asperen
dorp aan de Maas - Asselt, Bezel, Eisden, Itteren, Maaseik,
Wessem
dorp aan het IJsselmeer - Andijk, Bunschoten, Edam, Elburg,
Hindelopen, Katwoude, Makkum, Monnickendam, Nijkerk,
Putten, Spakenburg, Stavoren, Volendam, Warder, Workum
dorp bij Bloemendaal - Overveen
dorp bij Gelders Laren - Eksel
dorp bij Lienden - Ommeren
dorp in Achterhoek - Aalten, Beek, Bredevoort, Borculo, Didam,
Eibergen, Geesteren, Gelsclaar, Groenlo, 's-Heerenberg, Hengelo,
Hummelo, Lichtenvoorde, Neede, Ruurlo, Steenderen, Terborg,
Varseveld, Vorden, Zeddam, Zelhem
dorp in de Betuwe - Hien, Ooy, Zetten
dorp in Brabant - Aalst, Alfen, Beek, Dongen, Erp, Gtilze,
Goirle, Nispen, Oss, Rips, Rijen, Uden
dorp in de N.O.P. - Biddinghuizen, Dronten, Ens, Espel,
Emmeloord, Lelystad, Swifterband, Ketelhaven
dorp in Drenthe - Beilen, Borger, Diever, Eelde, Gieten, Norg,
Odoorn, Paterswolde, Rolde, Ruinen, Schoonoord, Sleen, Smilde,
Veenhuizen, Zuidlaren Zuidwolde, Zweeloo
dorp in Friesland - Akkrum, Bakhuizen, Balk, Bergum, Blija,
Bolsward, Donderbroek, Dronrijp, Franeker, Gaast, Grouw,
Hindelopen, Kollum, Lemmer, Makkum, Noordwolde,
Oldeboorn, Pingjum, Sloten, Stiens, Tzum, Tijnje, Wyckel,
Wierum, Wolvega, IJls
dorp in Gelderland - Barneveld, Beek, Beekbergen,
Bruchem, Brummen, Culemborg, Deil, Doomspijk, Druten, Ede,
Elburg, Elspeet, Elst, Emst, Epe, Geldermalsen, Groesboek,
Heelsum, Heerde, Heest, Kerkwijk, Kesteren, Laren, Lienden,
Loenen, Lunteren, Neede, Nunspeet, Ochten, Oosterbeek, Putten,
Rumpt, Tiel, Vaassen, Velp, Voorst, Voorthuizen, Wehl, Wisch,
Zetten
dorp in Groningen - Baflo, Beerta, Bierum, Ezinge, Godlinze,
Grijpskerk, Haren, Heiligerlee, Leek, Leens, Marum, Meeden,
Nieuwwolda, Nuis, Roodeschool, Scheemda, Slochteren,
Uithuizen, Ulrum, Warffum, Wilp, Winsum, Zuidbroek, Zuidhorn,
Zoutkamp
dorp in Limburg - Amby, Beek, Born, Echt, Eisden, Epen,
Gulpen, Heel, Horn, Linne, Maasbracht, Margraten, Meersen,
Mook, Neer, Nuth, Slenaken, Sittard, Stein, Susteren,
Tegelen, Vaals, Venray, Weert, Wijlre
dorp in de Lijmers - Didam, Duiven, Lathum, Weel
dorp in Noord-Brabant - Aalst, Almkerk, Andel, Boxtel, Chaam,
Deurne, Dongen, Geertruidenberg, Geldrop, Gemert, Gilze,
Goirle, Helmond, Kaatsheuvel, Klundert, Kuyk, Moerdijk, Oss,
Ravenstein, Roosendaal, Rijen, Son, Sprang, Steenbergen, Uden,
Vught, Waalwijk, Werkendam, Willemstad, Woensdrecht,
Zevenbergen
dorp in Noord-Holland - Andijk, Bennebroek, Blaricum,
Bussum, Castricum, Graft, Heemskerk, Heiloo, Hoofddorp,
Huizen, Ilpendam, Jisp, Krommenie, Laren, Limmen, Muiden,
Naarden, Obdam, Ouderkerk, Overveen, Petten, Purmerend,
Santpoort, Schagen, Twisk, Uitgeest, Weesp, Wormer, Zwaag,
Zijpe
dorp in Overijssel - Ane, Blokzijl, Boekelo, Borne,
Dedemsvaart, Diepenheim, Diepenveen, Enter, Goor,
Gramsbergen, Haaksbergen, Hasselt, Hardenberg, Heino, Holten,
Hulst, Markelo, Olst, Ommen, Raalte, Rijssen, Staphorst,
Tubbergen, Vollenhove, Vriezenveen, Vroomshoop, Wijhe,
Zwartsluis
dorp in Utrecht - Baarn, Abcoude, Benschop, Bunschoten,
Breukelen, Doom, Loenen, Driebergen, Harmelen, Houten,
Leersum, Linschoten, Lopik, Maarn, Maarsbergen, Maarsen,
Maartensdijk, Montfoort, Odijk, Renswoude, Soest, Spakenburg,
Vinkeveen, Vreeswijk, Wilnis, Woudenberg, IJsselstein, Zeist
dorp in Zeeland - Aardenburg, Abeele, Axel, Bath, Biervliet,
Breskens, Bruinisse, Cadzand, Colijnsplaat, Domburg, Goes,
Haamstede, Hansweert, Hoek, Huist, Koewacht, Kortgene,
Kruiningen, Nisse, Oostburg, Renesse, Ritthem, Sluis,
Stavenisse, Tholen, Veere, Waarde, Wemeldinge, Westkapelle,
Zaamslag, Zierikzee
dorp in Zuid-Holland - Aarlanderveen, Berkel, Bodegraven,
Boskoop, Brielle, Dirksland, Goudswaard, Hillegom, Leiderdorp,
Lisse, Middelharnis, Naaldwijk, Nieuwkoop, Oegstgeest,
Ooltgensplaat, Oostvoorne, Ouddorp, Piershil, Poeldijk,
Poortugaal, Puttershoek, Reeuwijk, Rhoon, Rijnsaterwoude,
Sassenheim, Sommelsdijk, Stolwijk, Strijen, Vilet, Voorhout,
Warmond, Woerden, Woubrugge
dorp op Schouwen - Ellemeet
dorp op de Veluwe - Beekbergen, Eerbeek, Ede, Elspeet, Epe,
Ermelo, Emst, Garderen, Harskamp, Hoenderloo, Kootwijk,
Loenen, Nunspeet, Otterlo, Schaarsbergen, Stroe, Uddel,
Vaassen, Vierhouten, Wekerom
dorpachtig - dorps
dorp bij Gelders Laren - Eksel
dorpeling - dorpsbewoner
dorpelwachter - deurwachter
Dorpje bij Eindhoven - Son
dorpje ten zuiden van Venlo - Steil, Tegelen
dorp op Java - desa
dorp tegenover Velp - Lathum
dorp van kaffers - kraal
dorp waar water in wijn werd veranderd - Kana
dorpscentrum - brink, kom
dorpsgemeenschap op Java - desa, dessa, kampong
dorpshoofd op Java - Loera(h)
dorpel - drempel
dorpeling - buitenman, dorpsbewoner, plattelander
dorpelwachter - deurwachter
dorper - dorpsbewoner
dorpje - buurtschap, gehucht
dorpje in Friesland - Blesse, Ureterp, Steggerda
dorps - bekrompen, kleinsteeds, landelijk, plattelands
dorpsbewoner - dorper, dorpeling
dorpsgemeenschap in Israël - kibboets
dorpsgemeenschap in Rusland - mir
dorpsgemeente op Java - desa
dorpshoofd - bekel(Java), loerah (Java), starost (Polen),
petinggi(Mal.)
-53dorpshoofdman (Ind.) - atel
dorpskern - brink, centrum, kom
dorpslogement - dorpsherberg
dorpsmuzikant - vedelaar
dorpsplein - brink, dries, forum, laar, markt, (Oud-Rome) markt
dorpsplein met kramen - markt
dorpspleintje - dries
dorpsrechter in Spanje -alcalde
dorpsweide - meent
dorp van Kaffers - kraal
dorre berg - Horeb(o.t.)
dorre heuvel - kling
dorre maand - maart
dorre plant - hei
dorre vlakte - hei, heide, heidegrond, heideveld, heidezand,
poesta, savanne, steppe, toendra, woestijn, zandvlakte, zandzee
dorren - verdrogen, verdorren
dorsdeel - dorsvloer
dorsen - stampen, vlegelen, ontzaden
dorsgereedschap - dorsmachine, vlegel,
dorst - begeerte, lust, verlangen
dorst doen ophouden - lessen
dorst hebbend - dorstig
dorst, hevige - anadipsie
dorst naar eer - eerzucht
dorst naar kennis - leerlust, weetgierigheid, werklust
dorsten - begeren, haken, hunkeren, smachten, verlangen
dorstend naar kennis - leergierig
dorst hebbend - dorstig
dorstend naar roem - eergierig, eerzuchtig
dorstend naar wraak - wraakzuchtig
dorstig - smachtend
dorstig mens - drinkebroer, drooglever
dorst lessen - drinken, laven
dorst of trek - lust
dorst stillen - drinken, laven, lessen
dorsvis - lom
dorsvloer - (dors)deel, neer
dorswerktuig - machine, vlegel
dorte - dorheid, schraalheid
dortoir - dormter, slaapzaal
dor worden - verdrogen
dos - bruidsschat, dres, gewaad, kleed, kleding, opsmuk, ornaat,
plechtgewaad, sier, tenue
doseren – afwegen, bepalen (hoeveelheid), verdelen
dosering - gift, verdeling
dosis - gift, hoeveelheid, kwantum, portie
dosis bepalen - doseren
dossen - kleden, opschikken, opsieren, versieren
dossier - strafblad
dot - boeket, bos(je), bundel, bundeltje, haarvlecht, haarwrong,
kilt, klis, klit, kluit, knot, kuif, pluk, schat, snoes, speen, toef, tuil,
tuiltje, wrong, zuigspeen
dotatie - begiftiging, gave, schenking
dot bloemen - bos
dot haar - klit, pluk, wrong
dot kuif - toef
dotatie - begiftiging, gave, schenking
doteren - begiftigen, geven, schenken
doterminatie - bepaling, vaststelling
dotje - schat, snoes
dotje papier - propje
dotskop - domkop, lomperd, lummel
dotterbloem - boterbloem, plomp, waterboterbloem
dottig - snoezig
dot wol - knot
douane - grenspolitie, grenswacht, tolbeambte, tolwacht
douanebeambte - commies, douanier, grenswachter, kommies
douanehuisje - tolkantoor
douanekantoor - grenskantoor
douanewerkzaamheid - inklaren, uitklaren
douanier - grensbeambte, tolbeambte, commies
doublé - geelkoper, namaakgoudschijngoud
double - dubbelganger
doubleren - omzeilen, rekken, verdubbelen, voeren
doubleren, een jas - voeren
doubleren, een kaap - omzeilen
doubleur - zittenblijver
douceur - extraatje, fooi, tip
douche - regenbad, shower, sproeibad, stortbad
douchebad - lavet
douchen - baden
doven - blussen, dempen, lessen, smoren, uitdoen, uitdoven,
uitgaan
dovenetel - hoenderbeet, hondsnetel, melkbloem, suikernetel
dovig - hardhorend
douw - duw, por
down - depressief, mineur, mismoedig, moedeloos, neerslachtig,
ontmoedigd, putterig, terneergeslagen
doxologie - gloria, lofprijzing
dozijn - twaalftal, dz.
dozijndichter - prulpoëet
dra - aanstonds, alras, binnenkort, eerdaags, eerlang, gauw, ras,
snel, spoedig, terstond, vlug, weldra, wekhaast
draad - filum, garen, gouddraad, licium, samenhang, snaar,
snoer, spinsel, streng, verband, zilverdraad
draad in kabel - ader
draad van een kaars - pit
draad van een verhaal - lijn, samenhang
draad van hout - nerf
draad van merinoswol - merinosgaren
draad van metaal - snaar
draad van passementwerk - cantille
draad van spinnenweb - rag
draad van overbrenging van prikkels - zenuw
draadachtig ondier - leviathan
draadbericht - telegram, telex
draadgewicht - dernier
draadhalm - dwerggras
draadje - pluisje, vezel
draadkam - streler
draadklos - haspel
draadklos voor elektromagneet - solenoïde (Gr.)
draadledepop - marionet
draadloos - ongebonden, wireless
draadloze - radio
draadloze omroep - radio
draadloze telefonie - mobilofoon, radio, walkie-talkie
draadnagel - spijker
draadomroep - radiodistributie
draadspoelen - opwinden
draadtang - kniptang
draad van metaal - snaar
draadversperring - prikkeldraad
draadvorm - aaltje
draadvormig - filiform
draadvormig deeltje - vezel
draadvormig metaal - ijzerdraad
-54draadvormig vormpje - aaltje
draadweefsel - mycelium
draadwerk van zilver enz. -filigraan, filigrain, filigrein
draadwieren - conferven
draadworm - aaltje, haarworm, made, nemotode, spoelworm,
trichine
draadwormen - nematode
draadwormziekte - filariasis
draagbaar - baar, berrie, brancard, burrie, hooiraam, portable
portatief, tandoe
draagbaar draaiorgel - lier
draa gbaar orgel - portatief, regaal
draagbaar toestel - portable
draagbalk - dwarslegger, keper, kesp, latei, legger, ligger,
onderslag, stander, stembalk, steunbalk, stut, stijl, tafel, toog
draagbamboe - pikoelan
draagband - autogordel, bandelier, bretel, buikband, ceintuur,
degenriem, draagdoek, galg, gordel, koppel, leizeel, lus, mitella,
singel, sling, sautoir, suspensoir, zeel
draagband over de borst - sjerp
draagband voor arm - mitella
draagband voor broek - bretel, galg
draagband voor matrasveren - singel, zeel
draagband voor patronen - bandelier
draagbare afschutting - scherm
draagbare lamp - looplamp
draagbare poppenkast - ronzebons
draagbare radio - portable, transistor, walkman
draagbare schrijfmachine - portable
draagbare wieg - reiswieg
draagbare zend- enontvangapparatuur - mobilofoon, portofoon
draagbed - baar, brancard
draagbeugel - greep, handvat, hengsel, oor, scharnier
draagboom - draagstok
draagboom met dwarshouten met belletjes - schelleboom, zie
ook 'belleman'
draagdoek - armverband, brassard, mitella, schouderdoek
draagdoek (lnd.) - slendang
draagemmer - kit, kolenkit, vuilnisbak
draaggeld - kruigeld, portage
draaggestel - draagezel, ezel, juk, schraag, steiger, stelling
draagezel - schraag
draaghemel - baldakijn, pergola
draaghout - juk
draagjuk (Ind.) - pikolan
draagklamp - kasdoes, steunklamp
draagkoets - draagstoel, palankijn, rosbaar, tandoe
draagkorf - hot, kiep, mars, schepkorf
draagkracht - draagvermogen, draagwijdte, lift, portee
draagkracht van een schip - laadvermogen
draagkrachtig - rijk, vermogend
draagkrachtmeter - forometer
draaglijk - duldbaar, houdbaar, matig, tamelijk, vrijwel
draaglantaarn - looplantaarn, zaklantaarn
draaglat - draagklos, draaglijst(je), pikolan (Ind.), wouteman
draagloon - portage
draagloon (Ind.) - pikolgeld
draaglijk - duldbaar, passabel, redelijk, supportabel, tamelijk,
tolerabel, vrijwel
draagmand - bagge, ben, korf
draagmap - tas
draag paard - lastpaard
draagpenning - draagmedaille
draagpot - kamp, kogelkussen, kogellager, lager
draagraam - frame
draagrek op auto's - imperiaal
draagrekje voor flessen - draagkarton, flessenrek
draagriem -bandelier, disselriem, hang, helpzeel, singel, zeel
draagsjerp - slendang
draagspeld - insigne
draagsteen - console, karyatide
draagstoel - baar, berrie, draagbaar, latierboom, palankijn,
rosbaar (van paard en muilezel), sedan, tandoe
draagstoel (Jap.) - morimono
draagstok - draagboom, pikolstok
draagstok (Ind.) - pikolan
draagstuk - latei
draagt men aan de voeten - klomp, kous, laars, pantoffel,
sandaal, schoen, slipperslof, sok
draagtoestel - baar, draagbaar
draagtuig - juk
draagvat - aker, emmer, kit, kolenemmer, kolenkit, schenkvat
draagverband - mitell, suspensoira
draagvermogen - draagkracht, tonnage
draagvlak - vleugel
draagvleugelboot - hydrofoil
draagwerktuig - baar, berrie, draagbaar, draagberrie, draagjuk,
draagkoets, draagriem, draagstoel, draag(toe)stel, emmerjuk, ezel,
palankijn, pikolan, tandoe,
draagwijdte - afstand, afstandsbereik, belang, betekenis, invloed,
omvang, portee, schootsverheid, strekking
draagwijdte van een kanon - portee
draagzeel - draagband
draagzetel - palankijn, rosbaar
draai - akkerwinde bocht, draaiing, gier, keer, kentering, kink,
klap, kolk, konkel, krinkel, kronkel, omkeer, omkering,
ommekeer, omslag, omwenteling, oorveeg, oorvijg, pirouette,
plezier, rotatie, slag, toer, volte, wending, wenteling, zwaai,
zwenk(ing), zwier
draai bij het dansen - pirouette
draai in een touw - klink
draai om de oren - dril, lel, oorveeg, oorvijg
draaibaar - wendbaar
draaibaar hek - wring
draaibaar houtje als sluitmiddel - wervel
draaibaar onderstel - bogie
draaibaar onderstel onder spoorwagen of vrachtauto - truck
draaibaar raam - klapraam, klepraam
draaibaar radiobaken - consolbaken
draaibaar sluithoutje - wervel
draaibank - carrouselbank
draaibare aardbol - globe
draaibare boekenkast - boekenmolen
draaibare boekenstandaard - boekenmolen
draaibare boom van een takelwagen - gijk
draaibare cilinder met gebedsrol - bidwiel
draaibare geschutstoren (schip) - barbette
draaibare haak - wartel
draaibare koppeling - scharnier
draaibare rails - wissel
draaibare roeipen - dol
draaibare schalm - wartel
draaibare spiegel - draaispiegel, psycha,
draaibare verbinding - scharnier
draaibeitel - slechtbeitel
draai bij het dansen - pirouette
draaiboek - scenario
draaibord - roulette
-55draaibout - tap
draaideur - tourniquet
draaien - kenteren, keren, kronkelen, malen, omkeren, roeren,
rollen, roteren, tollen, torderen, torqueren, tourneren, veranderen,
verdraaien, walen, wenden, wentelen, wervelen, wringen, zwaaien,
zwenken,
draaiend - roterend
draaiend lichaam - rotor
draaiend persen - wringen
draaiend voorwerp - rotor
draaiende figuur bij het dansen - swing
draaiende gedeelte in een dynamo - rotor
draaiende schoorsteenkap - gek
draaiende trommel voor wolzuivering - snar
draaien in bed - woelen
draaien van water - kolken
draaier - bankwerker, veinzer, zwengel
draaierig - duizelig, misselijk, wee
draaierig worden - duizelen
draaierij - prevaricatie, veinzerij
draaiglas - petinetglas
draaigroei - torsie, wrong
draihaak - wartel
draaihals - mierenjager
draai in de weg - bocht
draaiing - bocht, duizeling, kentering, kering, omwenteling,
polarisatie, rotatie, spin, tolvlucht, torsie, vrille, waling, wending,
wenteling
draai-inrichting - draaikruis, draaimolen, har, molen, scharnier,
tourniquet
draaikanon - draaibas, lila (smal, Ind.), lilla
draaikever - schrijverke, schrijvertje
draaikevertje - schrijvertje,waterkarretje
draaiklos (in buis voor opwekking magnetisme) - solenoïde
draaikolk - kolk, maalstroom, neer, ras, wiel, wieling
draaikolk bij Sicilië - Charybdis, Scylla
draaikolk in de lucht - remous
draaikruis - draaihaspel, garenwinder haspel, kantoorstoel
kruisrad, tourniquet
draaikruk - krukarm, pianostoel, slinger, zwengel
draaimolen - carrousel, draairad, mallemolen, zweefmolen,
zweefrad,
draaiorgel - lier, pierement, straatorgel
draaiorgelman - liereman, lierman, orgeldraaier
draaipistool - blaffer (barg.), revolver
draaiplan - draaiboek, scenario
draaipunt - keerpunt
draairoede - espagnolet, spagnolet, spanjolet
draairollen om zware lasten te verplaatsen - mosterdpotten
draaischalm - wartel
draaischijf - kiesschijf, plateau, pottenbakkersschijf, roulette
draaispiegel - psyche
draaispil - windas
draaisprong - pirouette, salto
draaistang - as, spil
draaistel - bogie
draalstroom - kolk, maalstroom
draaistorm - cycloon, wervelstorm
draaistroom - kolk,maalstroom
draaistijl - har
draaitafel - grammofoon
draaitoestel van een kleinedeur - speun
draaitol - non
draaitrap - spiltrap, wenteltrap
draaiziekte - blein, gyratie
draaiziekte bij schapen - blein, dolheid
draak - dragon, gedrocht, lastigerd, lastpak, leviathan,
melodrama, monster, monstrum, ondier, vlieger,
draakachtig dier - basilisk, leviathan
draak van een mens - mispunt
draakvis - zeeaap
draal - wartel
drab - bezinksel, blubber, dik, drabbe, drabbig, droesem,
grondsop, modder, modderig, moer, prut, troebel,
drabbe - droesem, grondsop
drabbig - modderig, troebel
drab van koffie - koffiedik, prut
dracht - kledij, kleding, kostuum, pak, portee, zwangerschap
dracht der onschuld - wit
drachtig - etterend, neurend, zwanger
drachtige koe - kalfkoe
dracht van militairen - uniform
drachtigheid - zwangerschap
draconisch - streng
draconitisch jaar - eclipsjaar
draden - afhalen
draden aftrekken - repen
draden loslaten - rafelen
draden losmaken - rafelen
draden maken - spinnen
draden uitpluizen - rafelen
draden van mosselen - byssus
draden verwerken - weven
draderig - dradig, stokkerig, vezelig
dradig - draderig, stokkerig, vezelig
dradig deeltje - vezel
dragaat - duindoren
draf - bostel, galop, gang, loop, looppas, spoeling, spurt, stap,
trot
draf of gang - loop
drafsport - draverij, paardensport
draf van een paard - galop, trot
dragant - duindoorn
dragee - pil, tablet
dragelijk - houdbaar, matig
dragen - aanhebben, beuren, brengen, doorstaan,dulden, etteren,
gebruiken, lijden, meenemen, ondersteunen, opnemen, reiken,
sjouwen, steunen, strekken, tillen, torsen, uitstaan, verdragen,
verduren, zeulen, zweren
dragend - phoros
dragend deel van bruggen - pijler
dragende mannenfiguur - Atlas, Atlant
dragende vrouwenfiguur - Caryatide
drager - atlas, boodschapperbrenger, houder, ordonnans,
overbrenger, pijler, toonder, vehikel
drager van erfelijke eigenschappen - chromosoom, gen, kernlis,
kernstaafje
drager van dezelfde naam - naamgenoot
drager van een eigenschap in de celkern - gen
drager van een zeker kerkelijk ambt - diaken
drager van occulte verschijnselen - astraal
drager van wereldbol - Atlas
drager van zware lasten - koelie, pakkendrager, sjouwer(man),
witkiel, zakkendrager
dragline - graafmachine, sleepschop, sleepgraver, trekgraver
dragon - sabelkwast, slangenkruid, keizersalade
dragonder - cavalerist, huzaar, manwijf, ruiter
dragoniet - bergkristal
-56draineerbuis (Zuidn.) - kannenbuis
drakebloed - bloedzuring
drakedoder - Joris, Walewein
drakenkruid - bloedkruid, pimpernel
drakerig - afschuwelijk, lelijk
dralen - aarzelen, kriemelen, leuteren, lunderen, marren,
procrastineren, sammelen, slenteren, talmen, temen, temporiseren,
tergiverseren, toeven, traineren, treuzelen, wachten, weifelen,
zaniken, zeuren
dralend - temerig
draler - cuntator, onzekere, treuzelaar, weifelaar
draling - aarzeling, temporisatie
drama - omkeer, peripetie, spel, toneelspel, toneelstuk, tragedie,
treurspel, verandering, wending
drama van Brederode - Griane, Lucelle, Moortje
drama van Bredero - Angeniet, Griane, Lucelle, Moortje
drama van Euripides - Alcestis, Helena, Heracliden,
Hippolytus, Iphigenia, Medea, Orestes, Phaedra
drama van Goethe - Faust
drama van Hooft - Baeto
drama van Ibsen - Brand, De wilde eend, Gynt, Nora, Peer
Spoken,
drama van Shakespeare - Cymbeline (kimbelijn), Coriolanus,
Hamlet, Lear, Macbeth, Othello, Pericles,
drama van Sophocles - Aias, Antigone, Electra, Oedipus
drama van Vondel - van Aemstel Gijsbrecht, Jeptha,
Leeuwendalers, Lucifer, Palamedes, Pascha
dramafoon - draadmagnetofoon
dramatiek - toneelkunst
dramatisch - tragisch
dramatisch toonstuk - oratorium
dramaturg - Albee, Beckett, Fry, Goethe, Heyermans, Hochhuth,
Ibsen, Lonesco, Miller, Osborne, Pinter, Racine, Schiller,
Shakespeare, Shaw, Strinberg, Vondel, Whesker
toneeldichter, toneelkenner, toneelschrijver
drammen - aanhouden, dwingen, (door) zeuren
drammer - zanik, zeur
dsrammerig - zeurderig
drang - aandrang, aandrift, aspiratie, begeerte, behoefte,
bezieling, drift, druk, hartstocht, impuls, instinct, klem, neiging,
opwelling, opzwelling, pressie, rage, streving, stuwing
drang der omstandigheden - urgentie
drangknier - spiraalscharnier
drangwater - kwelwater
drank - advocaat, ale, arak, bessengenever, bessenjenever, bier,
borrel, brandewijn, cacao, citroen, cola, eel, fladderak, gin,
grenadine, grok, jenever, kandeel, klare,
koemelk, koffie, kummel, kwast, limonade, likeur, melk, most,
mee, mokka, orangeade, pile, port, punch, ranja, rum, salep, sec,
sherry, slemp, soda, stout, thee, vermouth, whisky,wodka, wijn
drank (Ind.) - angur, bebek, puf
drankbestrijder - geheelonthouder
drank bij kraambezoek, - kandeel
drank bij Tartaren - kefir
drank der Goden - nectar
drank der oude Germanen - mee, mede
drank op graanbasis - arak, bier, gin, jenever
drank op oudjaar - punch, slemp
drank uit cognac etc., bereid met heet water, suiker en citroen
- grog
drank uit de wortel van een aard-orchidee - salep
drank uit de wortels van de peperstruik - kana
drank uit druivensap - wijn
drank uit mout en hop - bier
drank uit sap van het suikerriet (melasse) - rum
drank uit vruchten - vruchtenwijn, tweedrank
drank uit vruchtensap - cider
drank van in melk gekookte bladeren - salle
drank van koolzuurhoudend water - tonic
drank van suikerriet - cana
drank van Vikingen - mjoed
drankbestrijder - geheelonthouder
drankflesje met matwerk - mattekeesje
drankgelegenheid - bar, herberg, kroeg
drankkast - bar
drankhuis - bar, café, dranklokaal, herberg, kit, kief,kroeg,
saloon (Am.), pub (Eng.), tapperij, taveerne, wijnhuis
drankkast - bar
drankkoeler - ijsemmer
dranklokaal - bar, bierhal, bodega, café, herberg, knijp, kroeg,
proeflokaal, staminee, tapperij, taveerne
drankoffer - lebatie, plengoffer
drankorgel - drinkebroer, dronkaard, dronkelap, zuiplap,
zuipschuit
dranksalon - bar
drankvat - dronkaard, plengoffervaas
drankverkoper - slijter
drankwagen - dronkaard
drankwinkel - slijterij
drankzucht - alcoholisme, dipsomanie, ebriositeit, potomanie
drapeau (Fr.) - vaandel, vlag
drapenier - lakenbereider
draperen - behangen, omhangen, plooien, schikken
draperie aan vensters, hemelbed, enz. - lambrekijn
draperie boven troon - baldakijn, lambrekijn
dras - blubber, doorweekt, modder, moeras(achtig) , nattig, slijk
draskolk - poel
drasland - beemd, bezinksel, broek, droesem, grondsop, moer,
moeras, moerland, peelland, run
drassig - lobberig, moerassig, nat, slijkerig, week, zacht
drassig grasland - dries
drassig land - broek, dries, marsgrond, mieland, moer, moeras,
veen
drassig waterachtig land - moeras
drassige grond ophogen - aandammen
drassige gronden - onland
drassige riviermond - lagune, liman
drastisch - doortastend, ingrijpend, krachtig, snelwerkend, streng
draven - galopperen, haasten, hardhollen, hardlopen, hollen,
lopen, rennen, snellen, stiefelen, trotten, trotteren
dravend naderen - aandraven
dravend paard - draver
draver - harddraver, klepper, loper, renner, rijpaard,
draverij - harddraverij, koers, paardensport, rensport
draverijkar – sulky
draverik - drep
Dravidivolk in India - Bhil
Dravidiche taal - Kanarees
dravik - zwenkgras
draw - gelijkspel, remise
drecht - kreek
dreef - allee, beemd, laan, landouw, landweg, slag, streek,
wandellaan, warande
dreef met bomen - laan
dreg - vishaak, werpanker
dreg met punthaken - enterdreg
dreggen - opvissen
dreigement - bedreiging
-57dreigen - gevaarlopen, muiken, riskeren
dreigen met - bedreigen
dreigen te braken - kokhalzen, misselijk
dreigend - briek, gevaarlijk, imminent, nakend, onheilspellend,
veeg, vreesaanjagend
dreigend boven het hoofd hangen - imminent
dreigend kijken - blikken
dreigend onheil - gevaar, onheil, onraad
dreigend vooruitzicht - bedreiging, gevaar, onheil
dreigende vijandschap - spanning
dreiging - gevaar, risico
dreiging uitdrukkend - dreigend
drein - zeurkous
dreinen - drenzen, jengelen, mieren, mokken, pesten, plagen,
temen, treiteren, zaniken, zeuren
dreinerig - drenzerig, jankerig, jengelig, zeurderig
dreinerig kind - drens
drek - aal(t), bagger, beer, derrie, faeces, gier, mest, modder, prut,
slik, slijk, uitwerpselen, vuil, vuiligheid, vuilnis
drek van beesten - mest
drekboom - stinkboom
drekbraking - darmjicht, misairere
drekgod - Beëlzebub
drekgoot - riool
drekstenen - koprolieten
drekstof - beer, pootaarde
drel - del, lap, leur, slons, totebel, vod
dremmen - dreinen, drenzen, jagen, overhaasten, zeuren
drempel - dorpel, drommer, limes, ondiepte, verhoging
drenkbak - drenktrog, lestrog
drenken - doordrenken, doortrekken, imbiberen, impregneren,
wateren
drenken in kreosoot - kreosoteren
drenkgebit - kauwgebit, watertoom
drenking - infiltratie
drenkplaats - dobbe, waadplaats, wed
drenkplaats voor paarden - wed
drens - zeurder, zeurkous
drentelen - flaneren, kuieren, planeren, rondhangen, slenteren,
trappelen, zwerven
Drenthe, bestuurlijke eenheid in - kerspel
Drenthe, gemeenschappelijke grond in - marke
Drenthe, grootste gemeente in - Emmen
Drenthe, heuvelrug in - Hondsrug
Drenthe, hoofdstad van - Assen
Drenthe, plaats in 3 Een, Elp
4 Anlo, Anne, Eext, Elim, Norg
5 Assen, Dalen, Eelde, Emmen, Erica, Exloo, Peize, Roden,
Sleen, Vries
6 Beilen, Buinen, Diever, Gieten, Meppel, Odoorn, Ruinen,
Smilde, Valthe, Wijster
7 Havelte, Vledder, Zweelo
8 Coevorden, Hoogeveen
Drenthe, riviertje in - Beilerstroom, Drostendiep, Eelderdiep,
Hunze, Peizerdiep, Reest
Drenthe, sportgebeuren in - TT
Drenthe, vliegveld in - Eelde
Drenthe, wat men vindt in - hei, hunebed, rust
Drents brinkdorp - Annen
Drents dorp - zie dorp in Drenthe
Drents gerecht - etstoel
Drents rechtscollege - etstoel
Drents sportevenement - T.T.
Drents oud gebied - dingspel, dingspil
Drents vliegveld - Eelde
Drentse grote schuurdeur - baander, Bansde(u)r, banser
Drentse hoofdstad - Assen
Drentse hoofdvaart - Smildevaart
Drentse thee - gagel, luiskruid, possum, pos(t), vlooienkruid
Drentse toeristische attractie - hei, hunebed
drenzen - donderjagen, dreinen, jengelen, plagen, treiteren,
zaniken, zeuren
drenzerig - narrig
dresseren - africhten, afrijden, drillen, stileren, temmen
dressoir - buffet
dressuur - africhting, dierentemmer, dril, opmaking,
dreumes - broekeman, hummel, kereltje, kind, kleuter, peuter,
puk, uk, ventje
dreun - bons, klap, klop, lel, megaton, mep, opdoffer,
oplawaai,pats, poeier, schok, schudding, slag, smak, stoot, val,
watjekouw
dreunen - bonzen, daveren, denderen, schokken, smakken
dreunend geluid - donder
dreunend gezang - psalmodie
dreunend schokken - denderen
dreunende klap - bons
dreutel - kleuter, neutel
drevel - doorslag, drijver, drijfijzer, nagelijzer, pen, pin, pons,
stempel, zethamer
drevelen – ponsen
dribbelaar - pingelaar
drie azen - trits
drie, in voorvoegsels - tri
drieblad - koortskruid
driebladige kromme - trefolium
drie boeken in één - trilogie
drie bijeen horende personen of zaken - triade, trio
drie dagen - triduüm
driedelig gebed - angelus
driedelig grijs - kostuum
drieëenheid - triniteit
driegen - hechten
drie dichtstukken - trilogie
drie maanden - kwartaal
drie met hetzelfde aantal ogen - trits
drie naast elkaar uitkomende nummers - terne
drie noten met tijdswaarde van 2of 4 noten - triool
drie november - Hubertusdag
drie of meerhoekig raamwerk - stoma
drie opeenvolgende nummers in de loterij - terne
drie sterren in Orion - Napoleongesternte(gelukster)
drie wijzen (de) - Driekoningen (Balthasar, Caspar, Melchior)
drie zonen van Judas - Maccabeeërs
driebasisch zuur - aconietzuur
drieblad - drieluik, klaver, trifolium, waterklaver, zevenblad
driebladige kromme - trifolium
driedaags tijdvak - triduüm
driedagskoorts - malaria
driedelig - trichotomie, tripartitie
driedelig schilderij - triptiek
driedelig versvoet - dactylus
driedelige jambische strofe - terzine
driedeling - trisectie
driedistel - carlina, evenwortel
driedraads geglansd linnengoed - trielje
driedraads touw - marlijn, marling
drieeenheid - triade,triniteit
-58drieëenheidsbelijders - trinitariërs
driefasenpunl - tripelpunt
driegezang - terzet
driegodendom - tritheïsme
drieheerschappij - triarchie
drieheid - drievoudigheid, triade, trias, tribadie, triniteit
driehoek - triangel, triangulum, trias
driehoekig - trigonaal, triangel, triangulair, trigonisch
driehoekig bootzeil - druil, fok, klapmuts, kluiffok, kluiver,
latijnzeil
driehoekig bouwsel, behorende bij de gotische stijl – frontaal
driehoekig bouwwerk - piramide
driehoekig bovenstuk van een gevel - fronton, timpaan
driehoekig hoofddeksel - driekant, steek
driehoekig slaginstrument - triangel
driehoekig stuk aan de enkel van een kous - klink
driehoekig versiersel - tronton
driehoekig voorwandig raamwerk - spant
driehoekig voorzeil - fok
driehoekig zeil - druil, emmerzeil, fok, kluiver, latijnzeil
driehoekig zeil van de boegspits - kluiffok
driehoekige papieren zak - puntzak
driehoekige vliegtuigvleugel - deltavleugel
driehoekige voorschans - ravelijn
driehoekige zijkant van een duig - sneper
driehoeksmeetkunde - trigonometrie, triangulatie
driehoeks zenuw - trigeminus
driehoevig dier - neushoorn
driehoofdige hond - Cerberus
driejaarlijks - triënnaal
driejarig - triënnaal
driejarig hert - gaffel, gaffelhert
driejarige koe - twinter
driejarige ree - rekke
driekamp - triatlon
driekant metalen slagbekken in een orkest - triangel
driekante draagdoek - mitella
driekantig gereedschap - vijl
driekantig slaginstrument - triangel
driekantig vrouwenhalsdoekje - fichu
driekantig zeil - druil, kluiver
driekantig vrouwenhalsdoekje - ficgu
driekantige draagdoek - mitella
drieklank - majeur
drieklankdicht - triolet
driekleur - dundoek, tricolore (Fr.) , vlag
driekleurendruk - trichomotypie, trichomie
driekleurig - tricolor
driekleurig viooltje - pensee, schoenlapper, schoenmaker, tricolor
driekleurige kat- lapjeskat
Driekoningen - dertienavond, Epifanie, Balthasar, Caspar,
Melchior
driekoningen kaars - drielingkaars
Driekoningen, naam van een der - Balthazar, Casper, Melchior
driekoppige helhond - Cerberus
driekroon - tiaar, tiara
driekwart baksteen - drieklezoor
drieledig - trinomisch, trinomium, tripte, triplo
drieledig gebed - Angelus
drielettergrepige versvoet - anapest
drielingsrijm - terzine
drieluik - drieblad, tripticon, triptiek
driemaal - driewerf, tri
driemaal (Lat.) - ter
driemaal nemen - tripliceren
drieman - triumvir
driemanschap - triarchie, trio, triumviraat
driemaster - bark, fregat, klipper, schoener
drie opeenvolgende nummers in de loterij - terne
driepoot - bok, driestal, drievoet, 'm', schamel, schraag, statief,
treeft, tripode
driepotig hijswerktuig - krikkemik
driepuntig raken - osculeren
drieregelig lied - ritornel
drieregelig vers - tristichon
drieregelige strofe - terzet, terzine
drieriemige lasso - bola
dries - erf, plein, schapenwei, wel, wei(de), weiland, werf
driespan - trigarium
driest – aanmatigend, astrant, brutaal, dapper, dol, dwaas,
gedurfd, koen, krankzinnig, mal, moedig, onbesuisd, onbevreesd,
onbezonnen, overmoedig, roekeloos, stout(moedig), vermetel,
vrijmoedig, vrijpostig
driestal - driepoot, schoenmakerszetel
driestemmige compositie voor solo-instrumenten - trio
driestemmig zangstuk - terzet
driestheid - vermetelheid, (over)moed
drietal - trio, trits, triade
drietal bezette nummers - terne
drietal goden - triade
drietallig - ternair, triadisch
drietand - gaffel, mestvork, tridens, trident,
drietenige loopvogel - emoe, kasuaris, nandoe, nandu, trap
drietenige luiaard - ai
drietenige struisvogel - emoe, emeu, nandoe, nandu
drievlak - triëder
drievoet - driepikkel, driepoot, driestal, schraag, staander, staar,
statief, tabel, treeft, tripode, voerstuk
drievoud - triplo
drievoudig - driestal, tripel, triple(x)
drievoudig letterkundig - product, trilogie
drievoudige (het) - triplum
drievoudigheid - tripliciteit
drievuldigheidsbloempje - drievuldigheidsviooltje
drievoudige kroon - tiara
driewaardig - trivalent
driewieler - tricycle
driewielige auto - cyclonette
driewielige transportfiets - bakfiets, carrier
driezang - samenspraak, terzet,trilogie
driezijdig - piramidaal, trilateraal
driezijdig geslepen glas - prisma
drift – aandrift, afdrijving, begeerte, beweging, drang, dreef,
elan, geestdrift, gemoed, gloed, haast, hartstocht, haast,
hartstocht, heftig, hitte, instinct, jacht, kregelig, kudde, landweg,
libido, menigte, meute, moed, neiging, onbesuisd, ongeduld,
opgewektheid, opvliegend, opwinding, passie, razernij, spoed,
stemming, stroming, toorn, troep, verve, vurig, woede, ijver,
zogestemd
driftbui - opwelling, uitval
driftig - choleriek, bruusk, cholerisch, fel, gramstorig, haastig,
hartstochtelijk, heetgebakerd, heethoofdig, heftig, hitsig, ijverig,
jachtig, kittelorig, koortsachtig, koleriek, kregel, kregelig,
lichtgeraakt, nijdig, onbeheerst, onbesuisd, onstuimig,
opgewonden oplopend, opvliegend, prikkelbaar, rabiaat, schielijk,
toornig,vurig, woedend
driftig maken - opinden
driftig (muz.) - tocoso
-59driftig mens - sanguinias
driftig worden - opstuiven
driftkop - cholericus, dolkop, heethoofd, ultra, wildeman
driftsneeuw - dwarrelsneeuw, jachtsneeuw
dril - africhting, boorijzer, dressuur, drilboor, gelei, keperstof, lil,
metaalboor, steenboor,vleesnat
drilboor - fiedel
drilbout - schroefbout
drilkultuur - rijenbouw
drillen - africhten, beven, boren, dresseren, ringeloren, schudden,
trillen
driller - africhter, exercitiemeester, instructeur
drilmeester - africhter, instructeur, oefenmeester, trainer
dringen - doordrukken, drommen, drukken, drijven,duwen, nopen,
pressen, prijken, pijnen, steken, uiterst, wellen
dringend - acuut, brandend, broodnodig, bijtend, expresse, fel,
haastig, nadrukkelijk, nodig, noodzakelijk, nijpend, pressant,
spoed, spoedeisend, terstond, urgent
dringend (muz) - instante, prestamente
dringend aanbieden - leuren
dringend geval - behoefte, exigentie, noodzaak
dringend nodig - hoognodig
dringend noodzakelijk - hoognodig, nijpend, urgent
dringend verlangen - eis, eisen
dringend verzoek - aandrang, bede, bee, instantie, rek(w)est,
smeekbede, smeekschrift
dringend verzoeken - smeken
dringende behoefte - nood, nooddruft
dringende maanbrief - brandbrief
dringende mensenmenigte - drom, gedrang, massa, troep
dringende noodzaak - urgentie
dringende noodzakelijkheid - necessiteit, urgentie
dringende omstandigheid - noodzaak
dringende oproep tot hulp - noodsein
dringende reden - drangreden
dringende vraag - bede
dringendheid - urgentie
drinkbaar vocht - drank
drinkbak - kopje, kroes, kom, kop, nap
drinkbakje - kom, kop, kopje, mok, nap
drinkbare vloeistof - drank
drinkbeker – bak, beker, bokaal, berkenmeier, ciborie, hostiekelk
kelk, kom, kop, kroes, mok, nap, roemer, romer,
drinkbeker, groot - hanap
drinkbeker op voet - bokaal
drinkebroer - alkoholist, bierbuik, borrelaar, combido,
drankneus, drankorgel, drinker, dronkaard, dronkelap, dronkeman,
dweil, heffer, heiser, kroegloper, nathals, palul, pimpelaar,
roodneus, slampamper, zatterik, zuiper, zwierbol
drinken – bitteren, borrelen, feppen, gulpen, hijsen, innemen,
klokken, laven, lebben, lebberen, likken, lurken, peren, pimpelen,
pinten, pooien, slobberen, slurpen, tetteren, zuipen, zwelgen
drinken geven - drenken, laven
drinker - alcoholist, brasser, dronkaard, pimpelaar, pinter,
potator, slemper, smuller, zuiper, zuiplap,
drinkfles - bidon, thermosfles, veldfles
drinkgelag - bacchanaal, braspartij, dronkemanspartij, gelag,
libatie, orgie, slemperij, zwelgpartij
drinkgeld - fooi, gelag, pourboire, tip, verval
drinkgelegenheid - bar, café, kroeg, restauratie, salon, staminee,
taveerne, theehuis
drinkgerei - beker, bokaal, glas, kelk, kom, kop(je), kroes, mok,
nap, pint, pul, ro(e)mer
drinkkolk voor vee - dobbe
drinkkom - nap
drinkkroes - drinkbeker
drinklust - filoposie
drinkplaats - wed
drinkpartij - drinkgelag
drinkschaal - nap, tazza
drinktrog - drinkbak
droef - bedrukt, droevig, mismoedig, mistroostig, neerslachtig,
smartelijk, somber, tragisch, treurig, triest, verdrietig,
droefenis - afflictie, bedroefd, bedroeving, bedrukt,
diepbedroefd, down, droef, droefgeestig, droefheid, droevig,
gemelijk, klaaglijk, kommervol, leed, luguber, lusteloos,
miezerig, moroos, scrupuleus, somber, treurig, treurigheid, triest,
verdriet, verdrietig, weemoedig,
droefgeestig - bedroefd, droef, melancholiek, mistroostig,
morose, naargeestig, neerslachtig, pessimistisch, scrupuleus,
somber, treurig, zwartgallig, zwaarmoedig, zwaartillend
droefgeestig lied - nocturne
droefgeestig mens - melancholicus
droefgeestige muziek - elegie, nocturne, requiem, treurmars
droefheid - affectie, berouw, droefenis, droevig, hartzeer, leed,
narigheid, nijd, ongeluk, ontsteltenis, pijn, rampnijd, rouw, smart,
tragedie, tragiek, treurigheid, verdriet, weedom,
droefheid (It.) - tristezza
droes - bezinksel, demon, drab, duivel, ikker, nikker, Satan,
paardenziekte, zaksel
droesem - bezinksel, dik, drab, droes, grondsop, heffe, moer,
residu, zaksel
droevig - aangedaan, bedroefd, dingsig, droef, ellendig,
erbarmelijk, klaaglijk, mistroostig, naar(geestig), navrant, somber,
tragisch, treurig, triest, (muz) triste, treurig, verdrietig
droevig gestemd - mineur, weemoedig
droevige gebeurtennis - catastrofe, ongeluk, ongeval, ramp
droevige (het) - tragiek, tragisch
droevige muziek - elegie, klaaglied, mineur, nocturne, requiem,
treurmars
droevige toestand - behuiling
droevigheid - treurigheid
droevig zijn - treuren
drogbeeld - chimère, eidolon, fata morgana, schijn
droge - droogkomiekdroogstoppel, oever, zandbank
droge aarde - mul, pulver, rul
droge biscuit - cracker
droge grasvlakte - llano, pampa, steppe, poesta, prairie
droge grasvlakte in Hongarije - poesta, steppe
droge grasvlakte in Rusland - steppe
droge grasvlakte in Zuid-Amerika - campo, pampa
droge halmen - stro
droge kleurstof - pastel
droge korte hoest - kuch
droge koude wind - mistral
droge landstreek - woestijn
droge noordoosten wind in de Adriatische Zee - bora
droge noordwestelijke wind om Zuid-Franse kust - mistral
droge rivierbedding - dalbodem, wadi
droge rivierbedding in Afrika - donga
droge ronde biscuit - Mariakaakje
droge saaie vent - stokvis
droge scheisloot - greppel
droge sloot - ( grep)pel
droge stijfsel - amelonk, amidon
droge turfstof - molm
droge valwind in Canada - chinook
droge verfstift - viltstift
-60droge wind - bohorok (Sumatra), Bora, Borra (Adriat. Zee), föhn
(west, wind van de Alpen), Harmattan (Guinea), mistral(droge
koude wind Z.O. Frankrijk), Sirocco (Italië)
droge wind om de Middellandse Zee - chamsin, sirocco
droge woestijnwind - samoem, chamsin
droge wijn - secdroge
droge wind om de Middellandse Zee - harmattan, khamsin,
Sirocco
droge zuidoostelijke wind rond de Middellandse Zee - Sirocco
drogredenaar - sofist
drogredenen - schijngrond, sofisme
drog redenering - sofisterij
drogen - afwissen, droogmaken, eesten
drogen in een eest - eesten
drogende olie - hennepolie, lijnolie, oiticicaolie, papaverolie,
perillaolie, saffloerolie, sojaolie, zonnebloemolie
droger - centrifuge
drogist - apotheker
drogisterij, symbool van de - gaper
drollenvanger - pofbroek
drolligheid - grap, klucht
drom - bende, dreun, hoop, horde, massa, menigte, mensenmassa,
meute, troep, zwerm
dromedaris - mehari
dromedaris als rijdier - megari, mehari
dromen - mijmeren, peinzen, slapen, suffen, verbeelden
dromer - binnendijk, fantast, druiloor, peinzer, slaaphof, slaper,
soezer, suffer, sufferd
dromerig - afgetrokken, dommelig, lodderig, sikkerig, slaperig,
sloom, suf, verstrooid
dromerig muziekstuk - rêverie
dromerij - begoocheling, fantasie, hersenschim, mijmering,
rêveri
drommel - drevel, duivel
drommels - deksels, sapperloot, sapristi, seldrement,verduiveld,
weerga, zeer
drommels (Fr.) - morbleu
drommen - dringen
dronk - cheers, cheerio, gulp, proost, prosit, slok, salut, santé,
santjes, toast, teug, toost, zwelg
dronkaard - alcoholist, doordraaier, drinkebroer, drankorgel,
drinker, dronkelap, dweil, fout, gebrek, kroegvlieg, lap, misslag,
nathals, pimpelaar, ploert, vergissing, zatladder, zatlap, zatterik,
zuiper, zuiplap
dronkaard (Fr.) - ivrogne
dronkaard (Lat.) - potator
dronkelap – alcoholist, drinker, dronkaard, nathals, zatladder,
zatlap, zatterik, zuiper, zuiplap
dronkemansgezicht - oliebol, oliekop
dronkemanspraat - borrelpraat, gebral, gelal, gezwets, larie
dronkemanstaal uitslaan - lallen
dronkemanswaanzin - delirium, oenomanie
dronken - aangeschoten, beneveld, bepimpeld, beschonken,
bezopen, brom (in hebben), buis, groggy, hooi(binnen hebben),
kachel, kijl, laveloos, lazarus, leuter, lorum, meloet, mirakel,
onbekwaam, olie, overladen, peer, pegel, sela(barg.),
s(j)ikker(barg.), smoordronken, starnakel, stomdronken, teut,
tipsy, vet, zat
dronken (dieventaal) - kanes, kanis
dronken grijsaard (myt.) - Silenus
dronken langs de straat lopen - dweilen
dronken vrouw - bacchante
dronkenschap - beschonkenheid, bezopenheid, lorum, roes,
temulentie, zatheid
droog - aride, bar, beschut, bros, dor, dry, flegmatiek, haal
(gewest.), kaal, koud, lens, melig, mul, ongesmeerd (brood),
onvriendelijk, rul, saai, scherpwrang, schraal, sec, secco, sek,
siccus, spakerig (hout), spreu, vervelend, vochtvrij, voos,
waterarm, waterloos
droog (Ital.) - secco
droog en bros - spreu
droog en afgezaagd - saai
droog en bros - spreu
droog en dor - aride, schraal
droog en verlept - verdord
droog gras - hooi
droog haar - sclerothrix
droog hoesten - kuchen
droog koekje - biscuit, biskwie
droog kommiesbrood - kuch
droog rijstveld - ladang, tegal, tipar
droog van wijn - sec
droog (dor)weer - haal
droogbloeier - herfsttijloos
droogbloem - heiroosje, rozenkrans, sierbloem
droogdoek - handdoek, theedoek
droogdraad - waslijn
drooggelegd land - kavel
droogheid - aviditeit, dorheid
drooginrichting - ast, eest, oven, wasdroger
droogkap - haardroger
drooghuis bij boekdrukkers - feriet
drooghuis voor tabak - zweethuis
drooginrichting - ast, eest, eestoven
droogkamer - drogerij
droogkomiek - droge
drooglap - zeemlap
drooglat - strijk
drooglijn - waslijn
droogleggen - bemalen, draineren, droogmaken, droogmalen
drooglegger van Schermer en Beemster - Leeghwater
droogmaken - (af)drogen, bemalen, droogleggen, inpolderen,
leegmalen
droogmakerij - Beemster, Haarlemmermeer, polder, Purmer,
Schermer, Wormer
droogmalen - droogleggen, ontwateren
droogmiddel - kalkaarde, siccatief
droogmolen - wasmolen
droogoven - ast, droogkamer, droogplaats, droogzolder, eest, est,
oven, reet, reute, root, stoof
droogplaats - ast, eest, oven
droogrek voor hooi - ruiter
droogplaats voor mout - eest
droogplaats veer tabak - schuur, zweethuis
droog ijstveld - ladang
droogscheerder - drapenier, lakenbereider
droogschuur - logie
droogstaande (vee) - gust
droogstempel - reliëfstempel
droogstof - siccatief
droogstok - zolderstok
droogstoof - ast
droogte - ariditeit, dorheid
droogtrommel - wasdroger
droogvallend land - wad
droogvloer - ast, deel, eest
droogveld - bleek
droogvloer - ast, eest
-61droogwater - soda
droogweg - onaandoenlijk
droogweide - bleek
droogworden - dorren
droogzolder - eest
droom - begoocheling, dut, fantasie, hersenschim, ideaal, illusie,
mooi (sprookjesachtig), mijmerij, mijmering, reve, reverie,
visioen, waan
droombeeld - begoocheling, chimaera, droomgezicht, fantasie,
fantasiebeeld, fantoom, geest, hersenschim, ideaal, illusie,
nachtgezicht, nachtmerrie, ontgoochelen, schim, schijnbeeld,
spook, toverbeeld, utopie, verbeelding, visioen, waan,
waanvoorstelling, wanbegrip, wensdroom
droombeeld dat men graag verwezenlijkt ziet - ideaal, wens
droomgezicht - droomverschijning, hallucinatie, hersenschim,
visie, visioen
droomgod - Morpheus
droomkunde - oneirologie
droomland - Utopia
droomtoestand - schemertoestand, trance
droomuitlegging - oneirokritiek, oneiromantie
droop - wrang
drop - snoep
drop – borrel, droppel, drup, druppel(tje), dubbelzout,
salmiak, snoep, snoepgoed, spat, traan
drop van zoethout - jap(Z.N.)
dropje - griot, katje, katjesdrop, veterdrop
droppel - drup
droppen - druppelen, lekken, parachuteren
drosera - zonnedauw
drossaard - baljuw, drost, schout,
drossen - deserteren, weglopen
drost - baljuw, drossaard, hofmeester, landdrost, rechter, schout
drudebvoet - pentagram
drug - cocaïne, dope, hasj, heroïne, morfine, narcoticum, opium,
stuff
druggebruiker - flipper
druif - zonderling
druifhyacint - muscari
druifluis - fylloxera
druifvaren - druifkruid, maanvaren
druitvormig - racemosus
druil - jool, kostwinner
druilen - sluimeren, soezen, suffen, talmen, zeuren
druilerig - buiig, futloos, lusteloos, miezerig, neerslachtig,
regenachtig, slaperig, slof
druilig - buiig, druilerig, lusteloos, neerslachtig, nevelachtig,
regenachtig, slof, wak
druiloor - brombeer, domoor, dromer, lijs, slaper, suffer(d),
trunte, zeur
druipbad - douche, stortbad
druipen - afvloeien, druppe(le)n, leep, lekken, lekkend, zijpen
druipend - doornat, doorweekt, druipnat, kletsnat, lekkend,
verregend
druiper - gonorroe
druiphoning - lekhoning, taphoning
druipnat - doornat, doorweekt, druipoog, kletsnat, leepoog,
verregend
druipneus - snotneus
druipogig - leep
druipoog - leepoog, trietoog
druipsteen - leksteen, pistolet, stalactiet, stalagmiet
druipsteenkegel - stalactiet, stalagmiet, pisoliet
druivekern - druivepit, pit
druivekruid - druifkruid, ganzevoet
druivelaar - wijnstok
druivenbloed - druivensap, wijn
druivenbloem - torkruid
druivenboom - druivelaar, struik, wijnstok
druivengod - Bacches, Dionysos
druivenjaar - druivenoogst
druivenperser - stuiker
druivenplukster - druivenleester
druivenrank - wingerd
druivenras - Coltman, Frankenthaler, Muscat, Royal
druivenschimmel - botrytis
druivensoort - muskadel
druivensteen - botry(olie)t
druivensap - agrest, most, racemus
druivensuiker - dextrose, glucose
druiventeler - wijngaardenier
druiventros - krap
druiventrossen dunnen - krenten
druivenziekte - oidium, yuckeri
druiveplant - wijnstok
druivesap - agrest, druivenmoes, most, racemus
druivesoort - riesling
druivezuur - wijnsteenzuur
druiventuin - wijnberg, wijngaard
druk - aandrang, bazig, bedrijvig, beklant, beknelling,
bekommernis, belasting (techniek), benauwing, beweeglijk, bezet,
bezig, dartel, drang, drukwerk, dwang, editie, exemplaar,
geanimeerd, geaffaireerd, gewicht, handdruk, ingespannen,
kwelling, levendig, luidruchtig, oplaag, oplage, onledig,
onordelijk, onrustig, oppressie, onstuimig, persing, pressie,
pressuur, print, roerig, roezemoezig, rommelig, rumoerig,
rusteloos, sappel, spanning, tapageus, uitgave, verdrukking,
vertier, vrolijk, wanordelijk, werkzaam, wild, woelig, zorg,
druk aan het werk – bezig
druk (van lucht) - atmosfeer
druk babbelen – kakelen, ratelen
druk der luchtsoorten - pneumatica, pneumatika
druk doende - bezig
druk door fotomechanische overbrenging - lichtdruk
druk gepraat - gerel, roezemoes
druk met behulp van cilinders - rotatiedruk
druk met behulp van fotografie - offset
druk met in elkaar lopende kleuren - irisdruk
druk ten gevolge van de werking der zeilen - aandrang
druk van een boek - editie, oplaag, uitgave
druk van 1 megadyne - megabar
druk praten - kakelen, kletsen, oreren, ratelen
druk uitoefenen - pressen
druk uitoefening - pressie
druk voor blinden - braille
druk zwammen - dazen
drukdoenerij - branie, kapsones
drukfout - drukfeil, erratum, error, misdruk, misstelling, zetfout
drukfouten, lijst van - errata
drukinkt (organische) - lakinkt
drukke beweging - rep
drukken - aandringen, aansporen, aanzetten, beangstigen,
bedroeven, beklemmen, bezwaren, dringen, duwen, imprimeren,
klemmen, knellen, kwellen, muilen, nijpen, onera, persen,
prangen, presseren, prijken, spannen
drukken van landkaarten - typometrie
drukkend - afmattend, benauwd, broeierig, gespannen,
hinderlijk, klemmend, knellend, kwellend, laks, loom, onereus
-62drukkend dooreen mengen - kneden
drukkend heet - broeierig, zwoel
drukkend vochtig warm - zoel
drukkend warm - bedompt, benauwd, zwoel
drukkend wrijven - schuren
drukkende dienstbaarheid zonder staatsrechterlijke of
drukkende lasten - onera
burgerlijke rechten - slavernij
drukkende lasten - onera
drukker - boekdrukker, graficus, offsetdrukker, plaatdrukker,
textieldrukker, typograaf, zelfdrukker
drukkersfamilie - Blaeu, Elsevier, Enschedé, Plantijn
drukketel - autoclaaf
drukkersfeest - Koppermaandag
drukkersgeslacht - Blaeuw, Elsevier, Plantijn
druk kind - robbedoes
drukking - drang, klemming, knelling, nood, persing, prang,
pressie
drukking van de dampkring - atmosfeer, atm.
drukkingsmeter - piëzometer
drukletter - atlas, baskerville, bembo, bodoni, canon, cheops,
corvinus, egmond, falstaff, futura, garamond, gill, libra, lutetia,
memphis, mercator, nobel, plantijn, romein, romulus, times,
univers
drukletter (grofste, dikste) - sabon
drukletter (klein) - canon, diamant, elzevier, nonpareil parel,
robijn
drukletter (middel) - mediaan
drukletter, oude - bastarda
drukletter (schuin) - cursief
drukletterdikte - corp(s)
druklettersoort - missaal
drukmachine - drukpers, pers, rotatiepers
drukmeter - aneroïdebarometer, barograaf, barometer, manometer
drukmeter van gassen - manometer
drukpers - degelpers, diepdrukpers, drukmachine, heidelberger,
offsetpers, pers, rotatiepers, snelpers,
drukplaat - cliché, stereotype
drukprocédé - diepdruk, hoogdruk, offsetdruk, vlakdruk,
zeefdruk
drukraam - timpaan
drukregelaar - reduceerventiel
druksieraad - vignet
druksplijting - clivage
drukstempel - cliche
drukte - activiteit, agitatie, alarm, allegatie, alteratie, ambras,
arbeidzaamheid, bereding, bedoening, bedrijvigheid, beroering,
beslag, beslommering, bestel, beweging, bluf, bombarie, branie,
combustie, consternatie, deining, des(barg.), gedoe, gedoente,
gedrang, gekijf, gehaspel, geraas, geroezemoes, getier, geweld,
gewemel, gewoel, gisting, heibel, heisa, herrie, hilariteit,
inspanning, kabaal, kapsones, keet, koet, last, lawaai, laweit, lef,
leven, levendigheid, lol, menigte, misbaar, moedig, moeite,
naloop, omslag, onthaal, onrust, ophef, oploop, opschudding,
opwinding, opzien, ostentatie, poerem, poeha, poespas, praats,
reddering, regeling (fig.), roering, roersel, rompslomp, rumoer,
rumoerigheid, ruzie, sensatie, soesa, spats, spektakel, stampei,
standje, stennis, tamtam, toestand, trammelant, tumult, verkeer,
vertier, vertoon, volksoploop, volte, warboel, warwinkel, werk,
zorg
drukte (Maleis) - soesa
drukte maken - branie, tieren, protsen
drukte om niets - poeha
drukte op straat - verkeer
druktechniek - boekdruk, diepdruk, hoogdruk, lichtdruk,
mezzotint, offset, rotatie, steendruk, vlakdruk, zeefdruk
drukte maken - herrieschoppen, protsen, razen, tieren
druktemaker - banjer, bram, branie(schopper), charlatan,
drukteschopper, heethoofd, kwast, lawaaimaker, lawaaischopper,
lefgozer, lefschopper, liefhebber, opschepper, opspeler, patser,
praatjesmaker, raasbol
drukte om niets - gedoe, poeha
drukte op straat - verkeer
drukteschopper - levenmaker
druk uitoefenen - aanzetten, pressen, prikkelen
drukuitoefening - pressie
druk van een boek editie, oplage, uitgave
druk van kwik - milibar
drukverband - kompres
drukverlof - imprimatur
drukversiering - vignet
drukvorm - cliché, matrijs, stiep, stype
drukvormen opslagruimte - regaal
drukwerk - biljet, folder. formulier, imprimé, printed-matter,
prospectus, smout
drukwerk van 1501 -1540 - postincunabel
drukwerk vóór 1501 vervaardigd - incunabel, wiegedrudrum - benzineblik, trom, (jazz)trommel
drummen - dringen, dromer, drommen, duwen, trommelen
drumband - slagwerkorkest
drummer - dromer, piekeraar, slagwerker, steunbeer, trommelaar
drumstel - trommelstel
drum voor olie - olievat
druppel - drop, droppel, drup, gutta, parel, spat, spet, spetter,
spikkel, sprenkel, traan
druppel vet op vloeistof - oog
druppelen - druipen, lekken, regenen, spatten
druppelen van bladeren - guttatie
druppelend wegvloeien - tappelen
druppel oogvocht - traan
druppels (recepten) - gtt.
druppels afscheiden - huilen, lekken, spatten, spetten, tranen,
zweten
druppelsgewijs afdruipen – siepelen
drijfhond (Eng.) - otterhound
druppelsgewijs nat houden - bedruppelen
druppels, neervallen - afdruipen, afdruppelen
druppeltje vet op vloeistof - oog
drups - vruchtenzuurtjes
dry - droog, sec
dryade - boomnimf, bosnimf
drijfhout - vlothout
drijfijzer - drevel
drijfjacht - hetze, jachtpartij, klopjacht, razzia, strooptocht
drijfkracht - energie, machine, motor, propeller, stoommachine,
turbine, water
drijfkracht voortbrengende machine - energie, motor
drijfland - drijftil, rietzode
drijflichaam - ponton
drijfnaad - breeuwnaad
drijfnat - doornat, doorweekt, druipnat, kletsnat
drijfnet - drijfwant, vleet
drijfrad - turbine, vliegwiel
drijfriemschijf - poelie, snaarschijf
drijftil - krag(ge), ladde, rietzodde,
drijftol - kokkerel (gew)
drijftonnetje - breel
drijfveer - aanleiding, beweeggrond, beweegreden, grond,
-63motief, oorzaak, prikkel, reden, ressort, roersel, springveer,
stimulans
drijfwiel - vliegwiel
drijfijs - kis
drijfijzer - drevel
drijfzand - loopzand, welzand
drijven - aanjagen, brengen, opjagen, stuwen, vlotten, zwemmen
drijven op een vloeistof - drift
drijven van metalen - bosseleren, ciseleren
drijvend baken - joon
drijvend eilandje - drijftil, krag, ladde, rietzodde
drijvend hooiveld - kraggeveld
drijvend hotel - botel
drijvend naderen - aandrijven, aanspoelen
drijvend zeewier - sargasso
drijvende houten palen - vlot
drijvende kracht - bezieler, motor, promotor
drijvende organismen in zeewater - plankton
drijvende schotsen - drijfijs
drijvende vochtweger - arëometer
drijvende watervaren - azolla
drijvende ijsheuvel - toros
drijver - doordrijver, drevel, dweper, fanaticus, opjager, ponton,
sas, streber, zethamer
drijver bij een klopjacht - klopper
drijver om te vissen - dobber
drijver van een stoommachine - flotteur
dualisme - tweeheidsleer
dubbel - binair, doublet, duplo, duplex, paarsgewijs, tweemaal,
tweevoudig, tweezijdig
dubbel - (Lat) bi, (Eng) twin
dubbel (muz.) - doppio
dubbelbol - biconvex
dubbelboot - catamaran
dubbeldek - awningdek
dubbeldagen - Kerstmis, Pasen, Pinksteren
dubbeldradig - difilair
dubbel exemplaar - afschrift, doordruk, doorslag, doublet,
duplicaat, duplo, kopie
dubbel huwelijk - biandrie, bigamie
dubbel kristal (diamant) - naat
dubbel kruis voor A (muz.) - aisis
dubbel laag water - agger
dubbel tweetallig - biconjugaat
dubbel van lenzen - biconcaaf
dubbel weefsel - ratiné, tetra
dubbel zien - diplopie
dubbele amandel - filippine
dubbele bezetting (toneelrol) - doubleure
dubbele damschijf - dam
dubbele fiets - tandem
dubbele haak om touwen vast te maken - puit
dubbele kamer - suite
dubbele kegel - diabolo
dubbele kijker - binocle, binoculair
dubbele knoop - strik
dubbele mastworp - hielingsteek
dubbele muntstandaard - bimetallisme
dubbele muur - spouwmuur
dubbele paarvormige echt - bigamie
dubbele piaster - dubloen
dubbele polsslag - diorotie
dubbele punt - colon
dubbele rij soldaten - haag
dubbele rij turf - aanstort
dubbele schaakzet - rokade,rokeren
dubbele schijf - dam
dubbele standaard - bimetallisme
dubbele verrekijker - binocle, jumelles
dubbele uitdrukking - pleonasme
dubbele zet - rochado
dubbelbol van lenzen - biconvex
dubbelen bij kaartspelen - doubleren
dubbelen van garen - twijnen
dubbelganger - double, doubleur, evenbeeld, sosios, sosie(Fr.)
dubbelgangers - menaechmi, menechmen
dubbelgeslagen touw (strop) om vaten e.d. te hijsen - leng
dubbelhartig - geveinsd, huichelachtig, vals, verradelijk
dubbelheid - dualisme, tweevoudigheid
dubbelhol van lenzen - biconcaaf
dubbelhuid - bolg, dubbelwand (scheepst.)
dubbelhuwelijk - biandrie, bigamie
dubbelkeper - batavia
dubbelklank - ui, ai, ei. oi, tweeklank
dubbelklank (verl. toon) - beses, oe
dubbelkoolzure soda - natriumbicarbonaat, zuiveringszout
dubbelkoolzuurzout - bicarnbonade
dubbelloof - ribvaren, stootvaren
dubbelpaneel - diptiek, tweeluik
dubbelpolig - bipolair
dubbelrietblad instrument - heckelfoon, piccoloheckelfoon
dubbelrietbladinstrument - hobo
dubbel schrijving - dittografie
dubbelslachtige - hermafrodiet
dubbelslachtigheid - hermafroditisme
dubbelstuk - dubloen
dubbeltal - paar, tweetal
dubbeltalig - bilinguaal
dubbeltaligheid - bilinguïsme
dubbeltje - beisje
dubbelvorm - doublet
dubbelwaardig - ambivalent, binominaal
dubbelwaardigheid - ambivalentie
dubbelwandige flacon - thermosfles
dubbelwandige fles - thermosfles
dubbel wigvormig kristal - bisfenoid
dubbelzang - duet
dubbelzegging - herhaling, pleonasme, tautologie
dubbelzet bij schaken - rochade, rokade
dubbelzien - diplopie
dubbelzijdige verlamming - paraplegie
dubbelzinnig - ambigu, ambiqu, dilogisch, equivogue,
hormoniem, onbetamelijk, onbetrouwbaar, onduidelijk, onkies,
onzedelijk, toespelend, verdacht,
dubbelzinnige uitdrukking - ambilogie
dubbelzinnigheid - ambiguïteit, dilogie, equivoque,
meerduidigheid, woordspeling
dubbelzout - aluin, aluminium, carbonaat, kalium, sulfaat
dubbelzout van wijnsteenzuur - bitartraat
dubbeltje - beisje
dubbeltaligheid - bilinguïsme
dubbelvorm - doublet
dubbelwaardig - ambivalent
dubbelwaardigheid - ambivalentie
dubbelwandige flacon - thermosfles
dubbelweefsel - tetra
dubbelzang - duet
dubbelzinnigheid - ambigu, amphibool, equivogue,
-64tweeledigheid, woordspelling
dubbelzout - aluin, aluminium, carbonaat, kaliumsulfaat,
dubben - aarzelen, mijmeren, piekeren, soezen twijfelen, weifelen,
dubieus - onvast, onzeker, twijfelachtig
dubio - tweestrijd, twijfel
ducdalf - meerpaal, meerstoel
duchten - schromen, rezen
duchtig - danig, doortastend, energiek, erg, flink, geducht,
grondig, hevig, lirondig, kloek, krachtig, redoutabel, stevig,
terdege, zeer
duel - tweegevecht, tweekamp, tweestrijd
duel van Duitse studenten - mensuur
dueluitdagingsbriefje - cartel
duet - dubbelzang, duo, tweezang
duf - bedompt, bekrompen, benauwd, beneveld, dompig, muf,
onfris, lusteloos, saai, schimmelachtig, sloom, suf, verdorven,
vervelend, vies, vochtig, vuns(ig)
duffel - jas, winterjas
dufheid - dorheid, saaiheid, sufheid
duidelijk - apart, apert, apparent, baarlijk, begrijpelijk,
bepaaldelijk, beslist, bevattelijk, blijkbaar, doorzichtig, evident,
glashelder, goed, helder, kennelijk, klaar, levendig, licht,
lumineus, manifest, merkbaar, onmisbaar, plat, simpel, saillant,
sprekend, tastbaar, toelichten, uitdrukkelijk, uitleggen, verklaren,
verstaanbaar, visibel, wel, zichtbaar, zonneklaar
duidelijk maken - duiden,wijzen,
duidelijk en helder - zuiver
duidelijkheid - evidentie, helderheid, klaarheid, klaarte,
ondubbelzinnigheid
duidelijk maken – beduiden, toelichten, tonen, uitleggen,
verklaren, wijsmaken
duidelijk omschrijven - definiëren, bepalen, vaststellen
duidelijk spreken - articuleren
duidelijk stellig - parmantelijk
duidelijk uitkomend - beslist, prononceren
duidelijk voelbaar - palpabel, tastbaar
duidelijk waarneembaar - merkbaar, zichtbaar, onmiskenbaar,
zonneklaar
duidelijk zichtbaar - helder, open(lijk)
duidelijke gelijkenis - evenbeeld
duidelijke uiteenzetting - exposé
duidelijker doen uitkomen - releveren
duiden - aanwijzen, uitleggen, verklaren, zinspelen
duidt grens aan - R.G.
duidt een heilige aan - Sint, St.
duidt een voorwaarde aan - als, indien, zo
duif - doffer, duiver, draaier, hoornkapucijn, kropduif, non,
pagadet, pauwstaart, smient, tortel, tuimelaar
duif met kuifje - kapduif
duikboot - onderzeeër
duikboot in evenwichtbrengen - tremmen, trimmen
duikelaar - buitelaar, tuimelaar
duikelaartje - trip
duikelen - buitelen, rollen, tuimelen
duikeling - buiteling, salto, tuimeling
duiker - alk, dodo, dompelaar, egelskop, fuut, heul, kikvorsman,
onderduiker, pinguïn, piongeur, rioolkolk, zeekoet, zinker
duikereend - bolder, dodaars, fuut, lom, topper
duikergans - zaagbek
duikergerei - snorkel
duikerkleding - scafander
duikerklok - caisson
duikerpak - scafander, skafander
duikgerei - snorkel
duikvogel - eend, fuut, dodaars
duikziekte - caissonziekte
duim - duimelot, har, inch, muurhaak
duim of achtervinger van een jachtvogel - aasklauw
duim van een hengsel - har, her,herre
duim van een scharnier - har,harre, her,herre
duimafdruk - vingerafdruk
duimbreedte - inch
duimeling - duimelot, haakring, handschoenduim
duimelot - duimeling
duimendraaien – lanterfanter, luieren, lummelen, nietsdoen,
niksen
duimkleppers - castagnetten
duimkruid - geld (scherts)
duimspijker - punaise
duimstok - maatstok, meetlat
duin in de Sahara - seif
duim van een hengsel - har, her, herre
duimzuiger - duimelot, fantast
duin - aardhoogte, heuvel, nol, nolle, hoogte, zandberg,
zandheuvel
duinbes - duindoorn, wegedoorn
duindistel - zeedistel
duindoorn - gaspeldoorn, kattedoorn, wegedoorn
duindoren - dragant
duinduiker - tapuit
duinen - zeewering
duinensoort - barchanen, barkhanen, dwarsduinen, kamduinen,
lengteduinen, paraboolduinen, sikkelduin, streepduinen
duingras - helm
duinheuvel - kling
duinhoop (hoge kale) - blinkerd
duinpan - del, duinvallei
duinplant - ananasbes, boksdoorn, dragant, duindoorn,
genntiaan, helm, kattendoorn, kruisdoorn, purgeerdoorn, ratelaar,
schijtbes, wegedoorn
duinputter - sneeuwgors
duinreep - kweek
duimsoort - barchaam, dwarsduin, lengteduin, sikkelduin,
paraboolduin
duinvallei - del, delling, duindel, duinpan
duinvogel - doornsluiper, griel, scharlulp
duist - grassoort, kaf, scholm, smeel, vossenstaart
duister - abstruus, apocalyptisch, donker, geheim(zinnig),
ingewikkeld, mysterieus, nebuleus, obscuur, onbegrijpelijk,
ondoorgrondelijk, ondoorzichtig, onduidelijk, oraculeus,
raadselachtig, schemerig, sinister, somber, stikdonker, verward,
zwart
duister deel van een etmaal - avond, nacht
duister en verward geheel - labyrint
duister geheel - labyrint
duister maken - benevelen, verduisteren
duister probleem - raadsel
duistere champagne - berkenwijn
duistere taal - bargoens, jargon, koeterwaals
duistere zaak - enigma, mysterie, raadsel, vraag
duisterheid - duisternis, obscuriteit, onduidelijkheid,
verwardheid
duisterling - domper, obscurant
duisternis - bijgeloof, donkerheid, donkerte, floers, kwaad, nacht,
obscuriteit, schemering
duister probleem - raadsel
duit - cent, geld, munt
duitblad - centeblad, kikkerbeet, kikkerkruid
-65duiten - geld, pegulanten, pingping
duitendief - geldwolf, gierigaard
duitenpletterij - geldmakerij
Duits acteur - Moissi
Duits architect - Frey, Gropius
Duits automerk - Audi, BMW, DKW, Goggo, Mercedes-Benz,
NSU, Opel, Porsche, Volkswagen
Duits betaalmiddel - D.M., R.M., mark, pfenning
Duitse componist 3 Egk
4 Ahle, Bach, Berg
5 Haydn, Lehar, Liszt, Reger, Weill
6 Brahms, Händel, Mozart, Schütz
7 Strauss
8 Schubert, Schumann
9 Beethoven,
10 Mendelssohn
Duits dichter - Goethe, Heine, Hauptmann, Lessing, Rilke,
Schiller, Uhland
Duits eiland 5 Juist, Rügen
6 Borkum, Mellum
7 Baltrum, Fehmarn
8 Bornholm, Langeoog
9 Norderney
10 Spiekeroog, Wangerooge
Duits filosoof - Hegel, Kant, Schopenhauer
Duits gebergte - Harz, Eifel, Taunus, Hunsbrück, Odenwald,
Spessart
Duits Industriegebied - Ruhrgebied
Duits kaartspel - skat
Duits keizer - Barbarossa
Duits koningshuis - Habsburg, Hohenzollern
Duits lansier - Ulaan
Duits leesteken - umlaut
Duits lidwoord - das, der, die, eine, ein
Duits natuurkundige - Fahrenheit
Duits schilder - Cranach, Dürer, Holbein, Klee, Klimt, Leibl,
Marc, Menzel, Thoma
Duits vorstendom - Palts
Duits vrachtschip - kaan
Duits wijsgeer - Fink, Hegel
Duits wiskundige - Euler, Gauss
Duits zilverstuk - Thaler
Duitse architectenschool - Bauhaus
Duitse astronoom - Gaoss, Kepler, Möbius
Duitse auteur 4 Boie, Böll, Brod, Eich, Lenz, Mann
5 Busch, Grass, Heine, Hesse, Kafka, Rilke, Weiss
6 Andres, Bernus, Brecht, Frisch, George, Goethe, Moissi
Mörike, Werfe
7 Athaus, Lessing, Plevier, Richter
8 Schiller
Duitse badplaats - Ems, llmenau, Travemünde
Duitse brem - gaspeldoorn, gaspeldoren
Duitse champagne - sekt
Duitse dans in driekwart maat - allemande
Duitse geheime politie - gestapo
Duitse godgeleerde - Spener (piëtisme)
Duitse grensplaats - Elten
Duitse havenstad - Bremen, Cuxhaven, Emden, Ems, Kiel,
Hamburg
Duitse hoofdstad - Berlijn
Duitse huzaar - ulaan
Duitse ideoloog en politicus - Marx
Duitse Industriestad - Essen, Duisburg, Solingen
Duitse industrieel - Krupp
Duitse jaarbeurs - messe
Duitse kanselier (W.) - Brandt, Adenauer, Kiesinger
Duitse keizer - Otto, Wilhelm
Duitse kleuterschool - Kindergarten
Duitse luchtschipconstructeur (en - vlieger) - H. Eckener
Duitse meesterzanger (dichter) - Saaks
Duitse munt - Groschen, Heller, Mark
Duitse musicus - Erk
Duitse N.V. - A.G.
Duitse politieke partij - CDU, CSU, FDP, KPD, NPD, SED,
SPD
Duitse rivier - zie rivier in Duitsland
Duitse scheikundige - Hahn
Duitse schilder - Dũrer
Duitse schrijver - Arnold, Böll, Brecht, Grass, Goethe, Grimm,
Heine, Hesse, Kafka, Kellermann, Lessing, Mann, Neumann,
Rilke, Schiller, Weiss, Zweig
Duitse staat 3 BRD, DDR
5 Baden
6 Bremen, Hessen
7 Beieren, Hamburg
8 Saarland
11 Neder-Saksen, Würtenberg
12 Rijnland-Paltz
15 Sleeswijk-Holstein
17 Noordrijn-Westfalen
Duitse stad door de Romeinen gesticht - Aken
Duitse universiteitsstad 4 Bonn, Jena, Kiel
5 Halle,
6 Berlijn, Bochum, Keulen,
7 Dresden, Hamburg, Konstanz, Leipzig, Marburg,
München, Münster, Rostock,
8 Dortmund, Freuburg,
9 Frankfort, Göttingen, Tübbingen
10 Greifswald, Heidelberg, Neurenberg, Regensburg,
Saarbrücken,
Duitse uitvinder - Diesel
Duitse wijn - Moezel, Rijnwijn
Duitse zilveren munt, oude - Taler
Duitser - Beier, Boche, Germaan, Hes, mof, Pruis, Sakser
Duitsland - Germanië
Duitsland, stad in 3 Ems, Ulm
4 Aken, Bonn, Diez, Gera, Jena, Kiel
5 Hagen, Herne, Kleef, Mainz, Neuss, Tabar, Trier, Worms
6 Berlijn, Bochum, Bremen, Erfurt, Kassel, Keulen, Lübeck,
Minden
7 Bamberg, Bottrop, Dresden, Hamburg, Koblenz, Krefeld,
Leipzig, Mulheim, München, Münster, Postdam, Rostock
8 Augsburg, Brunswijk, Dortmund, Duisburg, Freiburg,
Hannover, Mannheim, Solingen, Würtzburg
9 Bieleveld, Darmstadt, Flensburg, Frankfurt, Göttingen,
Karlsruhe, Offenbach, Oldenburg, Osnabrück, Remscheid,
Stuttgart, Wiesbaden, Wuppertal
10 Baden-Baden, Dusseldorf, Heidelberg, Leverkusen,
Neurenberg, Oberhausen, Regensburg, Salzgitter
11 Bremerhaven, Saarbrücken, Wanne-Eickel
12 Ludwigshafen
13 Gelsenkirchen, Wilhelmshaven
14 Recklingshausen
15 Münchengladbach
-66duiveboon - tuinboon
duivegeluid - kirren, koeren
duivekater - kerstbrood
duivenkervel - aardrook, grijzekom (gew.)
duivel - asmodee, beëlzebub, beëlzebul, belial, boze, demo(o)n,
diable, diabolus, diavolo, droes, drommel, duvel, geest, ikker,
joosje, joost, Lucifer, mefistofeles, Mepbisto, mieter, monster,
satan, sater, spuier, verleider, weerga, wezen
duivelaanbidder - Jezidi
duivelarij - afgoderij, arglistig, demonisch, diabolisch, exorcisme,
gezanik, gezeur, hels, last, woedend,
duivelbanner - belezer, bezweerder, duivelbezweerder,
duiveljager, exorcist
duivelbanning - exorcisme
duivelbezweerder - duivelbanner, exorcist, duiveljager
duivelin - helleveeg
duivels - arglistig, boos, deksels, demonisch, diabolisch, diantre,
duivelachtig, hels, infernaal, mefistofelisch, satanisch, satans,
vervloekt, woedend
duivelsbeet - smeerwortel
duivelsbezwering - exorcisme
duivelsboon - smeerwortel
duivelsbrood - champignon
duivelsdienaar - satanskind
duivelsdozijn - dertien
duivelsdrek - wolfsmelk
duivelsgeweld - spektakel
duivelskaas - paddestoel
duivels karakter - demonie
duivelskers - heggenrank
duivelsklauw - berenklauw, valeriaan
duivelskruid - doornappel, monnikskap
duivelskunst - hekserij magie, tovenarij, toverkunst
duivelskunstenaar - tovenaar
duivels mens - demon, satan
duivelsnaaigaren - rui, warkruid
duivelsoog - adonisroosje, zomeradonis
duivelsrog - zeeduivel
duivelsstok - lisdodde
duivelstoejager - bout(zeew.), brasser, factotum, doeal,
marskramer, opstoker, schabul
duivelstoejager bij de zalmvisserij - slampamper
duivelvis - hozebek, hazenmond, zeeduivel
duivemandje - keef
duivengeluid - kirren, koeren
duivenhok - piere, til
duivenhouder - duivenmelker
duivenkervel - remke
duivenras 6 tortel
7 bosduif, carneau, kipduif, kropper, nonduif, nonneke
8 hagenaar, houtduif, kropduif, krulduif, lachduif, postduif,
papegaaiduif, rotsduif, tandduif, trekduif, valkenet,
wratduif
9 grondduif, holenduif, kraagduif, kroonduif, kruidduif,
manenduif, meeuwduif, raadsheer, steenduif, treurduif,
tuimelaar
duivenslag - knip, voliëre
duiventil - duivenhok
duivenverblijfplaats - til
duiver - doffer
duizelen - dooreendraaien
duizelig - deuzig, dizzy, draaiachtig, draaierig, onwel, zweverig
duizelig van de slaap - slaapdronken
duizelig worden - doezelen, dutten, zwijmelen
duizeling - bocht, draai, draaiing, draaierigheid, roes, vertigo,
zwijmel
duizelingwekkend - enorm
duizelkruid - wolverlei
duizend (Fran.) - mille
duizend (Tu) - bin
duizend in samenstellingen - kilo, milli
duizend ampères - kiloampère
duizend duizend - miljoen
duizend elektrische eenheden - kW
duizend gram - kilo
duizend jaar - millennium, miliade
duizend kubieke meter - kilostère
duizend liter - k.l., ton
duizend meter - kilometer
duizend miljarden - milliasse
duizend miljoen - miljard
duizend stère - kilostère
duizend volt - k.v.
duizend watt - k.w.
duizendbeen - duizendpoot
duizendblad - millefolium
duizendgraan - breukkruid, dwergvlas
duizendguldenkruid - rits, santorie
duizendjarige periode - chiliade, millennium
duizendknoop - adderkruid, addertong, adderwortel,
adelaarswortel, herik, kiek, krodde, penningkruid, pijlkruid,
salomonszegel, serpentstong, slangenwortel, varkensgras
duizendmiljoen - miljard
duizendpoot - scolopander, veelpoot
duizendpoten - chilopodamyriopoden,
duizendpotig insekt - duizendpoot, scolopander, veelpoot
duizendschoon - amarant, anjelier, klokjesgentiaan,
koekoeksbloem
duizendste deel van een gram - milligram
duizendste deel van een meter - millimeter
duizendste deel van een seconde - milliseconde
duizendste mm - micron, mikron
duizendtal - chiliade
dukdalf - meerstoel, meerpaal
Dulcinea - beminde, geliefde (van Don Quichot)
dul - boos
duldbaar - draaglijk, toelaatbaar, tolerabel
duldeloos - ondraaglijk
dulden - accepteren, doorstaan, dragen, duren, gedogen,
gehengen, gelaten, harden, lijden, maken, ondergaan, schikken,
souffreren, toelaten, toestaan, tolereren, uithouden, uitstaan,
velen, verdragen, verduren, verkroppen
duldzaam - verdraagzaam
dulia - dienst, slavernij, slavendienst
dullen - lisdodde
dump - depot
dumpen - neerwerpen
dun - doorschijnend, iel, kleingeestig, luchtig, mager, min, mul,
riel, schraal, schriel, slank, smal, vliesachtig, vliezig, ijl
dun ankertouw - kabelaring
dun baksel - wafel
dun beslag - temper
dun bier - scharrebier
dun (bij dranken) - waterig
dun bindgaren - raffia
dun blad gesteente - lei
dun blad hout - fineer
-67dun bladlood - heelood
dun blad metaal - blik, folie, lamelle, lamel
dun bladmetaal - lemmer
dun blad tin - staniol, staniool
dun buigzaam hout - rijs, spaan, spaander, teen
dun en schel - schril
dun en schriel - smal
dun en slank - rank
dun en slap neerhangend iets - sliert
dun en vlak - plat
dundoek - banier, driekleur, spandoek, vlag
dun doorzichtig weefsel - organdie
dun gebak - ouwel
dun gepaneerd vlees - schnitsel
dun geplet metaal - blik
dun gesleten plek in weefsel - glee
dungesneden vis of vlees - filet
dun gestold laagje op een vloeistof - vliesje
dun gezaaid - schaars
dun hout (van) - ellens (Noors), spanen
dun huidje - blees, membraan, pel, vlies
dunk - denkbeeld, gedachte, idee, mening, oordeel, opinie
dun katoenen weefsel - mul
dunken - geloven
dun koord - snoer
dun kwastje - penseel
dun laagje hout - fineer
dun mesje - lancet
dun metaal - blik
dun metalen pennetje - pin, stift
dun metalen plaatje - lamel, lamelle
dun metalen staaf - roe, roede
dun opgerold wafeltje - oblie, oublie
dun plaatijzer - stort
dun plaatje metaal - laam, lamelle, lamette, lamet(Fr.)
dun pannekoekje - flensje
dun plaatje - lamel
dun plaatje aan vissenhuid - schub
dun plaatstaal - stort, blik
dun plakje aardappel - chips
dun plat gebak - ouwel, wafel
dun plat stuk - snee, snede
dun pijpje om wonden open te houden - cannule, canule
dun scheepstouw voor weeflijnen - huiling
dun schijfje - flenter
dun smal stuk hout - panlat
dun staafje potlood - stift
dun stuk hout - lat, spaan
dun takje - ent, klauwier, lot, loot, rank, roe, roede, rijs, rijsje,
sliet, sprik, sprokkelhout, stek, teen, twijg zwik,
dun touw - lijn
dun touw om slag te spannen - talreep
dun tweesnijdig mesje - lancet
dun uiteinde van een boomstam - sliet
dun uitgeslagen metaal - folie, foelie
dun uitgesneden reep vlees of vis - filet
dun uitslaan van een zeis - haren
dun van klei gebakken steen - tegel
dun vlies - membraan
dun vlugschriftje - brochure
dun voorval - gebeurtenis
dun weefsel - gaas, organdie, rag, spinrag, tule
dun ijs - kis
dun bladig gesteente - lei
dundoek - banier, driedoek, vlag
dunheid - tenuïteit
dunk - denkbeeld, gedachte, idee, mening, oordeel, opinie,
waardering, zienswijze
dunne balk - ellen, richel, treef
dunne draad - garen snaar
dunne gesleten plek - glee
dunne grashalm - spriet
dunne houtplaat voor de schijn - fineer
dunne huid - membraan
dunne houtreep - spaander
dunne ijskorst op de weg - ijzel
dunne ijzerkoek - prauwel, wafel
dunne koek - pannekoek
dunne kostuumstof - tropical
dunne laag olieverf - frottis
dunne lamshuid als papier gebruikt – perkament,
dunne lange hoofddoek - sluier
dunne lap geroosterd vlees - bief, biefstuk
dunne lap vlees - biefstuk osselap, runderlap
dunne lat - rachel, tengel, tichel
dunne latten tussen zolderplanken - zolderveer
dunne mast - spier
dunne meelkoek - pannekoek
dunnen - schaven
dunne of kale plek in weefsel - glee
dunne overjas - demi
dunne paal - staak
dunne plaat om houtsoort te fineren - fineer
dunne plaats in weefsel - ril
dunne plank - lat, plint
dunne platen hout - fineer
dunne platen in een raam opgesloten - paneel
dunne plek in een weefsel - gaal, glee
dunne reep - pingel, strook
dunne rietsoort - pitriet
dunne rouwsluier - lamfer, pleureuse, rouwfloers
dunner worden-– afslanken, vermageren
dunne saus - lawaai
dunne schijf - plaat, plak
dunne schroefboor - fret
dunne slijtplek - glee, ril
dunne spijker - nagel
dunne stam - sliet
dunne steen - tegel
dunne stengel - rank, twijg, zwik
dunne stof - gaas, hair, lustre, mohair, tule
dunne stok - staak
dunne streep in een weefsel - gaal
dunne streng - chorda
dunne strohalm - strootje
dunne strook - strip
dunne stroom vloeistof - straal
dunne taf - armozijn
dunne taille - wespentaille
dunne tak - rol, teen, twijg
dunne twijg - rank, teen, zwik
dunne van klei gebakken steen - tegel
dunne van klei of cement gemaakte steen - estrik, siertegel,
tegel, vloertegel, wandtegel
dunne verhoging op een voorwerp - ribbel
dunne vloeibare aardolie - nafta, naphta
dunne wandelstok - badine, rotting
dunne wandsteen - tegel
-68dunne weefselplek - sleet, sleetje
dunne zode - schol
dunne wollen stof - stamet
dunner maken - lengen
dunner mengen - versnijden
dunnetjes - lala, middelmatig, zozo
dunte - dunheid
duo - combinatie, duet, koppel, paar, set, span, stel, tweetal,
tweezit, twee, twin
duodecimaal - twaalfdelig
dupe - bedrogene, benadeelde, gefopte, pineut, pisang, slachtoffer
duperen - misleiden
duplex - dubbel, tweevoudig
duplicaat - afschrift, doordruk, doorslag, dubbele, kopie
dupliceermethode - galvanoplastiek
dupliceren - kopieren
duplo - tweevoud
dur (muz.) - majeur
durabel - blijvend, duurzaam
dure delfstof – goud
dure geurstof - parfum
duren - aanhouden, dulden, blijven, lijden, voortbestaan,
voorbijgaan, voortgaan
durend - blijvend, permanent
durende vijandschap - vete
durf - aplomp, bluf, branie, bravoure, dapperheid, drukte,
heldenmoed, kloekheid, lef, moed, stoutheid, vermetelheid,
waagstuk
durfal - branie, lefgozer, lefmaker, waaghals, wager
durfniet - lafaard, lafbek
durven - beproeven, bestaan, ondernemen, onderstaan,
onderwinden, riskeren, verstouten, wagen
dus - aldus, alzo bijgevolg, daarom, derhalve, des, dies, ergo,
igitur, ita, uiteraard, zo
dusdanig - dergelijk, dermate, zodanig, zulk
duster - huisgewaad, ochtendjas
dut - bluts, buts, deuk, gleuf, holligheid, induw, insluiping,
schaarde
dutje - dommel, hazenslaapje, middagslaapje, poosken (Z.N.),
siësta, slaapje, sluimering, tukje, uiltje
dutten - slapen, sluimeren, soezen, suffen
dutter - slaer, sluimeraar
duümviraat - tweemanschap
duur - couteus, dier (dichterlijk), dispendieus, duurzaamheid,
expensief, gepeperd, kostelijk, kostbaar, kwantiteit, loop,
onvoordelig, periode, prijzig, termijn, tijd, tijdsduur, zwaar
duur bij trage handel - luiduur
duurder worden - oplopen
duur en prijzig - peperig
duur glaswerk – kristal
duur kleed – pers
duur soort bont – nerts
duur soort kwarts - onyx
duur van dag en nacht - etmaal
duur van eb en vloed - getij, tij
duur van een cursus - semester, trimester
duur van tijd - poos
duurzaam - arduinen, bestendig, blijvend, consistent, degelijk,
deugdelijk, durabel, hecht, houdbaar, kostbaar, lang, langdurend,
langdurig, ordelijk, permanent, solide, stabiel, sterk, stevig, vast,
voortdurend
duurzaam maken – consolideren
duurzaam en sterk - stevig
duurzaamheid - consolidatie, durabiliteit, soliditeit, stabilisatie,
stabiliteit, sterkte
duurzaam kalkgesteente - marmer
duurzame depressieve stemming - hypothymie
duurzame stof - eterniet
duvelen - kwellen
duvelstoejager – factotuduw - aai, ouw, hort, kneep, opduvel, opstopper, por, stomp,
stoot, zet
duw in de rug (sport) - big
duwen - aanhitsen, aanzetten, betasten, douwen, dringen,
drukken, kloppen, persen, poken, porren, steken, stoken, stoppen,
stoten, wekken, wringen
duwtje - tikje
dux - aanvoerder, hertog
dwaal - altaardoek, mappa
dwaalbegrip - misverstand
dwaalgeest - ketter
dwaalleer - haeresie, heresie, heterodoxie, ketterij, pseudodoxie
dwaallichtje - stalkaars
dwaalster - planeet
dwaaltuin - doolhof, labyrinth
dwaalzin - verblinding
dwaas - absurd, belachelijk, bespottelijk, bezeten, bezopen,
burlesk, burlesque, clown, daas, dol, dom, driest, dwazerik, gek,
geschift, grillig, grotest, idioot, inept, kei, kletsmeier, knettergek,
kolderiek, krankzinnig, kwibus, lachwekkend, laf, mal, malloot,
mesjogge, mofel, nar, ongerijmd, onnozel, ontzind, onverstandig,
onwijs, onzinnig, paljas, pias, potsierlijk, raar, rare, redeloos,
simpel, stapelgek, stultus, suf, uitzinnig, waanzinnig, warhoofd,
wonderlijk, zinneloos, zot
dwaas (Hebr.) - nabal
dwaas aanmatigend - waanwijs
dwaas gebabbel - klets
dwaas gepraat - gekkenpraat, geklets, kletspraat, nonsens, onzin
dwaasheid - absurditeit, allotria, apekool, beledigingen,
beuzelerij, beuzeling, domheid, folie, gekheid, gekkenwerk,
gekkigheid, idioterie, idiotisme, ineptie, klets, kletskoek, kolder,
kool, larie, malligheid, manie, nonsens, onverstand, onzin,
onzinnigheid, sottise, waanzin, zot, zotheid, zotternij,
dwaas mens - malloot
dwaas toneelstuk - kluchtspel, sotternie
dwaas van droefheid - ontzind
dwaas verhaal - aardigheid, grol, kolder
dwaas vertoon - apekool
dwaasheden - allotria, kolder
dwaasheid - absurditeit, allotria, (apen)kool, gekheid,
gekkigheid, idiotie, idioterie, kiets (koek), larie, malligheid, onzin
dwalen - dolen, falen, fout gaan, hoeden, mishebben, missen,
ronddolen, ronddwalen, rondgaan, vergissen, waren, zwalken,
zwerven
dwaling - aarzeling, aberratie, abuis, afwijking, doleantie, doling,
erreur, error, ketterij, misgreep, misser, misslag, misstap,
misvatting, paralogie, vergissing, verkeerdheid, waan
dwang - coactie, compulsie, drang, druk, gene, geweld, juk,
machtsuitoefening, moet, moeten, nood, noodzaak, pressie,
restraint, servituut, terreur, tucht, verplichting
dwang aandoen - generen
dwangarbeid - (ind) krakal
dwangarbeider - kettingganger
dwangarbeid in Siberië - katorga
dwang bekering - dragonnade
dwangbod (bridge) - forcing
dwangerfgenaam - legitimaris
dwanggedachte - anankasme, idee-fixe, obsessie, waandenkbeeld
-69dwanggezag - despotisme, dwingelandij, tirannie, willekeur
dwangmaatregel - afpersing, chantage, coactie,(economisch),
dwangmiddel, sanctie
dwangmiddel - afpersing, astreinte, chantage, dragonnade, sanctie
dwangmolen - banmolen
dwangneurose - psychasthenie
dwangsom - astreinte
dwang van onstandigheden - noodzaak
dwangvoorstelling - mentisme, obsessie, waandenkbeeld
dwarrelen - draaien, fladderen, kolken, zweven, zwirrelen
dwarrelsneeuw - driftsneeuw
dwars - balorig, eigendunkelijk, eigengereid, eigenzinnig, haaks,
halsstarrig, koppig, loodrecht, ongezeglijk, onhandelbaar,
overdwars, overhoeks, recalcitrant, scheef, schuin, stijfhoofdig,
tegenstrevend, transversaal, travers, weerbarstig
dwars doorlopen - traverseren
dwars op nerf (van hout) - kops
dwarsbalk - berkoen, bint, dwarsdrager, faas, gording, kesp,
korteling, kruisarm, ligger, moerbalk, pui, raveling, travers,
dwarsbalk in schoorsteen - haalboom
dwarsbalk in steiger - bulsem, korteling
dwarsbalk op wapenschild - faas
dwarsbenige kraakbeenvis - rog, sidderrog, zeevos
dwarsbekvis - (doorn)haai, rog, zeevos
dwarsbeuk van een kerk - transept
dwarsbomen - belemmeren, benadelen, contrariëren, doorkruisen,
dwarsdrijven, frustreren, handicappen, hinderen, tegenwerken,
verijdelen,
dwarsboming - boycot, obstructie
dwarsboom - sluitbalk, sluitboom, sluithaak
dwarsbijl - dissel
dwarsdraad - inslag
dwarsdrijven - tegenwerken, tegenspreken
dwarsdrijverij - obstructie
dwarsfluit - fijfel
dwarsgang - zijgang
dwarsheid - koppigheid
dwarshout - gording, kalf, kruishout, ra, schei, schemel, spant
dwarshout in de grond - dodeman
dwarshout op een heibeen - kattespoor
dwarshout tegen een rij balken - gording
dwarshout van een steiger - bulsem,
dwarshout van een schip - ra, spant
dwarshout van een steiger - bulsem, bulsinghout, bulsterhout,
korteling
dwarshout van een weefgetouw - kamhout
dwarshout van een wissel - harnas
dwarshuis - krukhuis
dwarsijzer - schei
dwarskabel - gierkabel (van ponten)
dwarsklamp - zaling
dwarskop - bobbekop, bullebak, dikkop
dwarskijker - spion, verklikker, zeurpiet
dwarslat - schei
dwarslat in ladder - sport
dwarslegger - biel(s), bint, ligger, slieper, spoorbalk, traverse
dwarsligger - biels, biel, rebel, slipper, stijfkop
dwarslijn - sneu, snijlijn, transversaal, travers
dwarslopen - doorkruisen, traverseren
dwarsmast - ra
dwars op de nerf - (van hout) kops
dwarsoverhoeks - tranversaal
dwarspand van een kerk - transept
dwarsregel in een kozijn - kalf
dwarsscheepse bank in een boot - docht, doft
dwarssnede vertonend - kops
dwarsstang - travers
dwarsstuk - keep
dwarsstuk op kop van heipaal - kesp
dwarsverbinding - travers (traverse)
dwarsvleugel van een gebouw - transept
dwarswal - travers, (traverse)
dwarsvleugel van een kruiskerk - transept
dwarswegen - zijpaden
dwarszitten - contrariëren, hinderen, plagen, sarren, treiteren
dwarszijde tonend - kops
dwaze - kwibus, kwidam
dwaze gewoonte - manie
dwaze man - kwibus, malle, mallerd, malloot
dwaze opschik - toetakeling
dwaze praat - apekool, dazen, gebabbel, gedaas, gekheid, gelal,
kolder, lariekoek, nonsens, zottenpraat, zottenklap
dwaze praat uitslaan - dazen
dwaze praatjes - apekool
dwaze streek - bêtise, bokkesprong, domheid, escapade,
geldverspilling, uitspatting
dwaze vertoning - harlekinade, klucht, komedie, pots
dwaze verzotheid - rage
dwaze vrouw - gekkin, malloot, zottin
dweepachtig - enthousiast, fanatiek, romanesk
dweepziek - bigot, fanatiek, idolaat, oorlogszuchtig, sentimenteel,
verzot
dweepziek Engels patriot - jingo
zweepziek ijveraar - dyhard, enthousiasteling, fanaticus,
geestdrijver, jingo (Eng.), zeloot
dweepzucht - enthousiasme, exaltatie, fanatisme, geestdrijverij
idolatrie, jingoïsme,
dweepzuchtig - fanatiek
dweil - dronkaard, dronkelap, dronkeman, fout, gebrek, misslag,
opneemlap, sloerie, straatmeid, tekortkoming, verafgoding,
vergissing, verzotheid, voetveeg, zelotisme, zwabber
dweilen - boemelen
dweper - drijver, fanaticus, fanatiekeling, geestdrijver, utopist,
dwerg - aardgeest, aardmannetje, gnoom, huisgeest, kabouter,
kobold, lilliputter, mannetje, mensje, pygmee, trol, uk
dwergachtig - pygmeeïsch
dwergbuffel - anoba, mindorobuffel
dwergduiker - dwergantilope
dwerggras - draadhalm
dwerggroei - cretinisme, microsomie, nanisme, nanosomia
dwerggroei met snelle veroudering - progeria
dwerghaan - krielhaan
dwerghert - kantijl
dwerghoen - krielhoen, krielkip
dwergkokospalm - syagrus
dwergmuur - dwergbloem, dwergkruid, guichelmuur
dwergroosje - duinroos
dwergstaat - Andorra, Liechtenstein
dwergvalk - merliet
dwergvlas - radiole
dwergvolk - pygmeeën
dwergvolk uit Voor-lndië - alap
dwingeland - autocraat, despoot, despotisme, dictator,
doordrijver, geweldenaar, landendwinger, nero, onderdrukker,
overheerser, overweldiger, tiran, usurpator
dwingelandij - despotisme, tirannie, overweldiging
dwingen - aanzetten, compelleren, drammen, forceren,
noodzaken, nopen, obligeren, opleggen, prangen, pressen,
-70urgeren, verplichten
dwingend - bindend, coactief, coërcitief, compusief, gebiedend,
imperatief, noodzakelijk, nopend, urgent, verplicht, wettelijk
dwingend verlangen - eisen
dwingende kracht - klem
dwingerig huilen - jengelen
dij - bovenbeen, ham
dijbeen - bovenbeen, femus
dijbeen in varkensham - ijsbeen
dijbeen(of onderbeen) met vlees - schenkel
dijen - groeien, uitzetten, tieren, zwellen
dijing - uitdijing, zwelling
dijk - aardhoogte, afsluiting, dam, dromer, slaper, wal,
waterkering, zeewering, waker
dijk aan zee - waker
dijk achter waker - dromer, slaper
dijkbeheerder - dijkgraaf, heemraad, schout
dijkbekleding - bekramming, bematting, bezoding
dijkbelasting - hoefslag
dijkbescherming - krammat
dijkbestuur - dijkstoel, heemraad
dijkbovenvlak - kruin
dijkbreuk - doorbraak, opening
dijkdeel - glooiing, helling, kruin, voet
dijken onderhouden - stoelen
dijkgraaf - heemraad, schout
dijkgraafschap - heemraadschap
dijkgrondslag - zate
dijkheemraad - dijkbestuur
dijkhelling - glooiing
dijkje bij sawah en akkers - galengan
dijkje, smal en laag - kaag, kaaldijk
dijklasten - dijkgeld
dijkonderhoud - hoefslag
dijk om de sawa's - galengan
dijk om een gors - kaag
dijk, onderkant van het binnenbeloop van een - hiel
dijkopzichter - strandmeester
dijkschepen - dijkheemraad
dijksoort - bandijk, dromer, schaardijk, slaper
dijk zonder uiterwaarden - schaardijk
dijk zonder voorland - kaaldijk, schoorwal
dijkschot - dijkbelasting
dijkschouw - dijkcontrole
dijkval - afbrokkeling, afkalving , dijkverzakking,
dijk van een rivier - bandijk, rivierdijk
dijk waarop een weg of spoorbaan is aangelegd - baandam
dijk zonder uiterwaarden gescheiden van de rivier - schaardijk
dijk zonder voorland - kaaldijk, schoorwal
dijkzwaluw - oeverzwaluw
dijspier - bil
dijzig - dampig, heiig, mistig, nevelig, wazig
dynamiek - bewogenheid, gedrevenheid, kracht, stuwkracht, vaart
dynamiet - nitroglycerine, springstof
dynamisch - levendig, veerkrachtig,
dynamo - electromotor, generator
dynast - heerser, vorst
dynastie - vorstenhuis
dynastie (Rusland) - Romanow
dyne - krachtseenheid, dn.
dysenterie - darmontsteking, bloeddiarree, persloop
dyspepsie - verteringsstoornis
dyspnoe(a) - ademnood
dysprosium - dy
dijstuk - dijharnas, dijharst,schapebout

Similar documents